Sutta 141 in de Majjhima Nikaya maakt de relatie tussen de vier edele waarheden en voorwaardelijk ontstaan duideijk. Voor de eerste edele waarheid is dit misschien wel duidelijk, maar voor de tweede is dat niet zo makkelijk te doorzien.
21] En wat dan, vrienden, is de edele waarheid van de oorsprong van het lijden?
Het is deze begeerte, die tot wederegeboorte leidt, die gepaard gaat met vreugde en hartstocht (dit kan tevens ongenoegen en afkeer zijn, de Ik wil het niet of wil het juist wel geest), die her en de genoegen vindt, namelijk de begeerte naar zingenot, de begeerte naar bestaan (de ?Ik wil dit? geest), de begeerte naar niet-bestaan (de ?ik wil dit niet? geest). Dit vrienden, is de edele waarheid van de oorsprong van het lijden.
Als men dit zo leest kan men zich afvragen wat begeerte nu precies is. Hoe manifesteer begeerte zich? Hoe kan men begeerte herkennen? Hoe kan men deze begeerte opgeven (de vierde edele waarheid).
Om een antwoord op deze vragen te geven moet men teruggrijpen naar de meditatie instructies die de Boeddha voor ons achterliet. De meditatie instructies worden nauwkeurig uiteengezet in sutta #10, de Satipatthana Sutta (als ook in sutta #118 de Anapanasati sutta).
Dit is noodzakelijk om een inzicht te verkrijgen in hoe het achtvoudige pad werkt binnen voorwaardelijk ontstaan. Als men de meditatie instructies van de Boeddha nauwgezet volgt zal men door eigen ervaring inzicht verkrijgen in de Boeddhistische leer. Dit inzicht is niet filosofisch of conceptueel maar gebaseerd op eigen ervaring en overtuiging.
Als men de meditatie instructies van de Boeddha, zoals hier beneden beschreven, volgt zal dit diepe begrip een deel gaan uitmaken van de dagelijkse realiteit. Als mensen echter andere vormen van meditatie beoefenen kan hetgeen wat hier beschreven wordt wat vreemd overkomen en kan men een andere mening er op na houden. Deze verschillende meningen kunnen vrij snel niet meer worden dan een filosofisch debat wat niet leidt naar waar inzicht. Waar inzicht komt van directe ervaring en een diep begrip van hoe de geest functioneerd.
Laten we nu eens snel kijken naar de meditatie instructies van de Boeddha. Bedenk dat dit de instructies van de Boeddha zijn en niet mijn methode. Er is niets toegevoegd of verwijdert. Dit zijn de woorden die de Boeddha zo?n 2500 jaar geleden uitsprak. Sutta #10 van de satipatthana sutta verhaalt:
?Hierin, monniken, zit een monnik neer die naar het woud is gegaan, naar de voet van een boom, of naar een lege ruimte, buigt zijn benen kruiselings in zijn schoot, houdt zijn lichaam rechtop en wekt indachtigheid op omtrent het object van meditatie, aandachtig ademt hij in, aandachtig ademt hij uit.? Wanneer hij lang inademt, dan weet hij: ?Ik adem lang in?; wanneer hij lang uitademt, dan weet hij: ?Ik adem lang uit?; wanneer hij kort inademt, dan weet hij: ?Ik adem kort in?; wanneer hij kort uitademt, dan weet hij: ?Ik adem kort uit.?
De instructies vertellen dat de meditatie beoefenaar in- en uitademt. Nergens wordt het tipje van de neus, bovenkant van de lippen, de buik of enig ander lichaamsdeel genoemt. Men weet (observeert en herkent) eenvoudigweg wat er met de ademhaling gebeurt. Men weet (observeert en herkent) wanneer men lang of kort inademt. Het zegt niets over het exclusief uitsluiten van iets wat opkomt. Het zegt niets over het volgen van de ademhaling. Al dit soort instructies zijn commentaren of tekstverklaringen die niets met de Boeddhistische leer te maken hebben.
De instructies gaan verder met:
Zo traint hij zichzelf: ?Ik zal inademen en het hele lichaam ervaren?. Zo traint hij zichzelf: ?Ik zal uitademen en het hele lichaam ervaren?. Zo traint hij zichzelf: ?Ik zal inademen en de activiteit van de formatie van het lichaam kalmeren?. Zo traint hij zichzelf: ?Ik zal uitademen en de activiteit van het lichaam kalmeren.?
Dit is de kern van het beoefenen van aandachtigheid van de ademhaling. Het zinsdeel: ?Zo traint hij zichzelf? is uiterst belangrijk. Het vertelt exact hoe men de meditatie beoefent. In de vorige paragraaf zegt hij hoe men observeert. In het tweede gedeelte legt hij uit hoe de meditatie beoefenaar traint. Let op dat de Boeddha niets zegt over het ?ademlichaam? of iets dergelijks. Als dit van groot belang was zou hij dit zeer zeker benadrukt hebben. Hij was zeer precies! De instructies zeggen eenvoudig dat men het gehele lichaam ervaart. Men is eenvoudigweg gewaar van wat er zich in het lichaam plaatsvind gedurende het in- en uitademen.
Vervolgens komt een belangrijk gedeelte aangezien het aangeeft hoe we actief bezig zijn tijdens het in- en uitademen. De instructies vertellen ons om het lichaam te ontspannen tijdens het in- en uitademen.
Kort samengevat gebruikt men de ademhaling als een anker dat ons helpt te herinneren dat we ons ontspannen. Op deze wijze onstaat er geen diepe eenpuntige concentratie op de ademhaling. Dit is een groot verschil met wat tegenwoordig veelal wordt onderwezen. Als er spanning in het lichaam is, is er ook sprake van een subtiele spanning in het hoofd. Het hoofd is ook een deel van het lichaam. Op deze plaats is spanning zelfs zeer eenvoudig te herkennen.
De reden waarom het zo belangrijk is om terug te grijpen naar deze instructies als we het over begeerte hebben is omdat begeerte zich altijd manifesteert als spanning in het lichaam en hoofd. Men kan deze spanning observeren als men de boven beschreven meditatie instructies volgt. Naarmate men vordert met de meditatie zal het lichaam zich op een gegeven moment volledig ontspannen. Op dat moment is de spanning noch slechts waarneembaar in het hoofd. Men zal overige delen van het lichaam slechts voelen als er direct lichamelijk contact ontstaat. Met wat oefening kan men begeerte herkennen voor wat het werkelijk is. Men kan begeerte tevens herkennen als de geest die zegt: ?Dit vind ik plezant of dit vind ik juist onplezant.? (De begeerte naar bestaan en niet-bestaan).
Juist om deze reden is het zeer belangrijk om spanning in het lichaam en hoofd te herkennen aangezien dit het begin is van het verkeerde idee van een ego of zelf. Als men begeerte loslaat en ontspant (volgens de instructies) wordt de geest helder, alert, zuiver en vrij van afleidingen. Dit is de derde edele waarheid, het ophouden van het lijden. Het is de geest die vrij is van begeerte die men terugbrengt naar het observeren van de ademhaling en het ontspannen. De meditatie beoefenaar geraakt vrij snel dieper in meditatie en men zal de verschillende jhanas ervaren door het beoefenen van Samatha/Vipassana! Dit komt overeen met de instructies die veelvuldig worden herhaald in de suttas.
Het is niet eenvoudig om begeerte te herkennen als men geen aandacht besteed aan hoe begeerte opkomt. De instructies om het lichaam te ontspannen tijdens het in- en uitademen zijn geniaal aangezien ze de meditatie beoefenaar keer op keer laten zien hoe begeerte opkomt. Door de instructies van de Boeddha nauwgezet te volgen wordt de herkenning van begeerte direct ervaren en krijgt het meer betekenis dan slechts een filosofische gedachte.
Laten we nu eens kijken naar wat de instructies ons vertellen als de meditatie beoefenaar wordt afgeleid door sensaties of gedachten. We kunnen dit uitstekend in de termen van Voorwaardelijk Ontstaan verklaren. Laten we eens kijken naar de zinnensfeer van het oog. Om te kunnen zien moet men beschikken over een goed functionerend oog en moet er kleur en vorm aanwezig zijn. Als de kleur en vorm samenkomen met een oog ontstaat er bewustzijn van het oog (Vi??anam). Het samenkomen van deze drie noemt men zintuigelijk stimulatie (of contact, phassa). Met oog-contact als voorwaarde ontstaat een oog-gevoel (vedana, dat is aangenaam, neutraal of onaangenaam). Op voorwaarde van oog-gevoel ontstaan oog-begeerte (tanha). Op voorwaarde van oog-begeerte ontstaat oog-toeigenen (upadana), etc.
Oog-gevoel ontstaat net iets eerder dan oog-begeerte. Oog-begeerte ontstaat net iets voordat oog-toe-eigenen opkomt. Toe-eigenen, of upadana, is waar al onze ideeen, concepten, meningen, verhalen, dromen en het misplaatste idee ?dit ben ik? zich voor het eerst voordien. Deze verkeerde ego-identificatie (atta) begint al met het subtielere begeerte maar wordt zeer duidelijk als toe-eigenen (upadana) opkomt,
Telkens als de aandacht van de geest afdwaalt van het object der meditatie (ademhaling en ontspannen) vindt het process van voorwaardelijk ontstaan plaats. Dit proces is bijzonder snel en herhaald zich continue. Als men diep genoeg in de meditatie raakt zal men dit proces keer op keer zien en herkennen. Op deze wijze is voorwaardelijk ontstaan niet langer een filosofisch gedachtengoed.
Het ervaren van het gehele lichaam verwijst naar het process van het opkomen van zintuigelijk bewustzijn met contact. Dit proces ervaart men bewust als men de meditatie instructies nauwgezet volgt. Als men bewust iedere afleiding loslaat, ontspant en de aandacht terugbrengt naar de ademhaling en het ontspannen tijdens het in- en uitademen beoefent men het volledige achtvoudige pad. Aangezien dit nogal langdradig kan worden zal ik dit bewaren voor later.
Mogen we allemaal Nibbana op eenvoudige wijze bereiken tijdens dit leven.
Maha-Metta 2U
Bhante Vimalaramsi