Auteur Topic: Richtlijnen en adviezen voor leken  (gelezen 1622 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Richtlijnen en adviezen voor leken
« Gepost op: 01-05-2017 19:17 »
De Boeddha heeft veel gesproken tot de monniken. Maar hij heeft ook veel gesprekken gevoerd tot leken.
De richtlijnen en adviezen die hij voor leken heeft gegeven, heb ik enigszins bij elkaar gezet.

1. Leven in de wereld
 
   Er zijn mensen die menen dat het Boeddhisme in deze geïndustrialiseerde en technische wereld niet of slechts met veel moeite nagevolgd kan worden. Zij denken dat de leer van de Boeddha in volle afzondering van de wereld beoefend moet worden, dat zij naar een klooster of naar de een of andere stille plek moeten gaan, ver weg van de bewoonde wereld. Dat is een verkeerde mening. Het is een niet begrijpen van de verheven leer. In sommige gevallen kan het voor iemand misschien goed zijn enige tijd in afzondering te leven om zijn geest en karakter te verbeteren. Maar voor de meesten is het niet goed steeds alleen te leven of in een kloostergemeenschap. De leer van de Boeddha is niet alleen bedoeld voor monniken, maar ook voor mensen die thuis leven met hun gezin. Het edele achtvoudige Pad dat de Boeddhistische levensweg is, is er voor allen, zonder uitzondering, zo schreef de  Walpola Rahula.
   De eerste volgelingen van de Verhevene waren leken, daarna pas volgde de instelling van de Orde van de monniken. En de leek ook zal de leer langer handhaven dan de monniken.
   Ware verzaking en afzondering is niet het weglopen, is niet het zich lichamelijk verwijderen uit de wereld. De eerwaarde Sariputta zei eens dat iemand in een bos kan leven, toegewijd aan meditatie en ascese. Maar die persoon kan dan toch vol onzuivere gedachten zijn en vol belemmeringen. Iemand anders daarentegen kan in stad of dorp leven zonder ascetische oefeningen. Het gemoed van de laatste kan echter rein zijn en vrij van belemmeringen. Van die twee personen zei de eerwaarde Sariputta dat degene die een zuiver leven leidt in dorp of stad beslist superieur is aan en groter dan degene die in het bos leeft. Ook de Boeddha bevestigde met stelligheid dat er niet een of twee, niet honderd of tweehonderd, maar veel meer leken waren - zowel mannen als vrouwen - die een gezinsleven leidden en die zijn leer met succes volgden en hoge geestelijke staten bereikten.
 
   De Boeddha leerde dat er drie soorten afzondering bestaan:
(a)       lichamelijke afzondering: het alleen leven, als een kluizenaar, afgezonderd van de buitenwereld, in bos of andere stille plaats;
(b)        geestelijke afzondering: de stilte van het gemoed in de diepe sferen van meditatie; de afzondering ook van de diverse belemmeringen in de staten van heiligheid;
(c)        afzondering van de steunen van bestaan: die steunen van bestaan zijn de besmettende hartstochten, de groepen van bestaan en de wilsacties met gevolgen. De afzondering van dit alles is Nibbāna.
 
   De Boeddha haalde het leven niet uit de samenhang van zijn sociale en economische achtergrond. Hij bezag het in zijn geheel, met alle sociale, economische en politieke aspecten. Als de mensen in een land voorzien zijn van de gelegenheden om een voldoende inkomen te verdienen, zullen zij tevreden zijn. Zij zullen dan geen angst of vrees meer hebben en ook het land zal vredig zijn en vrij van misdaad. Daarom vertelde de Boeddha aan leken hoe belangrijk het is om de economische omstandigheden te verbeteren. Dit betekent niet dat hij ermee instemde rijkdom te vergaren uit begeerte en gehechtheid. Materieel welzijn is niet een doel op zich. Het is alleen een middel om naar een hoger doel te geraken. Geluk in de wereld, zo zei de Boeddha, is niet het zestiende deel waard van het geestelijke geluk dat ontspringt uit een rein, smetteloos en goed leven.
 
   Het is voor de leek moeilijk steeds goed te doen. Ook voor de monnik is het moeilijk. Maar de leek is omringd door wereldse zaken en voor hem heeft de Boeddha enkele instructies gegeven waardoor zowel in de wereld als op religieus gebied vooruitgang geboekt kan worden. Die instructies zijn geen geboden of verboden. Wij moeten uiteindelijk zelf weten wat we doen.
   De resultaten van onze daden zullen wij zelf oogsten. Er is geen beloning en geen straf; er is alleen een resultaat van onze wilsacties. En zo'n resultaat kan onheilzaam, neutraal of heilzaam zijn, overeenkomstig de daad die er aan vooraf ging.  Wie goed doet, goed ontmoet; maar ook: wie niet goed doet, niet goed ontmoet. Het is daarom aan te bevelen steeds goed te doen.
    Er zijn instructies voor monniken en ook instructies voor leken. De monnik heeft 227 regels die hij moet navolgen. De leek heeft maar vijf regels. Om goede resultaten te behalen, moeten al die vijf regels nagevolgd worden.

Nico

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #1 Gepost op: 02-05-2017 19:17 »
2. Wildgroei
 
   Achter mijn vroegere huis had ik een grote tuin met gras en diverse fruitbomen. Vogels verheugden zich elk jaar weer als de kersen rijp waren. Zij hielpen mij dan met plukken. Nesten werden in de bomen gebouwd en de hele tuin was in feite een lustoord voor vogels en andere kleine dieren. Een kunstmatige vijver voor verfrissing in de zomer en een voerplaats voor in de winter hielpen daarbij.
   Eens had ik geen zin meer om steeds maar in de tuin te werken. Het wieden van onkruid liet ik achterwege en ik liet alles groeien zoals het door de wind of door vogels geplant werd. Zo raakte de tuin langzaam vol met wilde planten, ook onkruid genaamd. Het gaf een aparte sfeer en omdat ik benieuwd was hoe groot die wilde planten wel werden, liet ik ze groeien tot ze helemaal uitgebloeid waren. Planten, meer dan een meter hoog, met of zonder bloemen, maar alle met zaden, bleken in de tuin vaste voet gekregen te hebben.
   Boterbloemen hadden de plaats van het gras ingenomen. Paardebloemen groeiden ertussen. Brandnetels en andere wilde planten waarvan ik de naam niet ken, groeiden aan de voet van de bomen. Andere wilde planten hadden zaden die jeuk veroorzaakten.
   En ik besefte dat ik te ver was gegaan. Ik besefte dat onkruid wieden noodzakelijk is. Als het onkruid niet steeds gewied wordt, krijgt het de overhand. Het is dan heel moeilijk om het uit de tuin te krijgen. Alles moet omgespit worden en het onkruid moet met wortel en al uit de grond gehaald worden. Dat is veel werk. Als ik op tijd gewied had, had het onkruid geen kans gekregen om zich uit te breiden. Het had dan gemakkelijk verwijderd kunnen worden.
 
      Evenzo als met het onkruid in de tuin is het met het “onkruid” in de geest. Dat moet terstond verdreven worden voordat het de overhand krijgt en de geest met de wildgroei van de belemmeringen vol raakt.

          Voor de leken heeft de Boeddha daarom vijf richtlijnen gegeven, de vijf regels van goed gedrag. Door die na te volgen, dagelijks, komt er weinig “onkruid” in de geest. Door oplettendheid kan men op tijd wieden en de geest van grove belemmeringen rein houden.


3. Deugdzaamheid

       De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, zo luidt een gezegde. De weg naar Nibbâna is geplaveid met deugd (sīla). Dit is een moreel goed gedrag dat zich uit in woord of lichamelijke handeling. Deugdzaamheid is de basis van de hele Boeddhistische praktijk. Het is de beste vorm van zelfbeheersing. Ze varieert van de vijf richtlijnen voor leken tot de 227 regels voor monniken. Andere oefeningen van zelfbeheersing voeren niet naar zuivering en tevens sterkte van de geest.

       Zoals een huis met een goed fundament steviger is dan een huis gebouwd op zand, zo is het ook met geluk. Als wij goed doen, als wij een deugdzaam leven leiden, dan is dat de basis voor geluk, hier en nu in dit leven en later in volgende levens. Voor de Boeddhistische leek zijn er vijf regels van goed gedrag. Die regels zijn geen verboden of geboden, maar goede raadgevingen. Het wordt aan ieder zelf overgelaten of hij die regels naleeft of niet. Maar de gevolgen van ieders daden zijn ook voor ieders eigen rekening.

       De vijf regels van deugdzaamheid, van goed gedrag, zijn richtlijnen om een goed en eerbaar leven te voeren, richtlijnen om goed voor onszelf te zorgen. En zo zijn het ook richtlijnen om goed voor anderen te zorgen. De regels zijn geen magische formules waardoor grote resultaten kunnen worden bereikt. Zij herinneren de leek alleen aan datgene wat hij moet doen om geen hindernissen en obstakels aan te brengen op zijn weg naar het grote geluk.
 
       Het is de bedoeling dat de leek de vijf regels steeds probeert na te volgen, elke dag. Zo wordt de gewoonte aangekweekt om een deugdzaam en bedwongen leven te leiden. Behalve de vijf regels zijn er voor de leken nog de acht regels. Maar het constant naleven van de vijf regels is heilzamer dan af en toe de acht regels op te volgen.
 
   “Laat men niet zijn eigen heil veronachtzamen voor het heil van een ander, hoe belangrijk ook. Een mens moet leren wat goed is voor zichzelf en zich erop toeleggen met ijver.” (Dhp.166).
 
          Velen zijn druk in de weer om goed te doen voor anderen. Maar wat goed betekent voor de een, is het nog niet voor een ander. In de morele behoeften van de wereld zou voldoende zijn voorzien, als ieder zijn of haar eigen daden zou meten naar de gevolgen die ze hebben voor ieder zelf. Daarom moeten wij op de eerste plaats goed doen voor onszelf. En door goed te doen voor onszelf, doen wij ook goed voor anderen.
          “Heb uw naaste lief als uzelf,” zo leerde Jezus Christus. Dit betekent met andere woorden dat wij eerst onszelf moeten liefhebben en daarna in gelijke mate de ander. Hetzelfde heeft eerder al de Boeddha onderwezen. Wie echter niet zichzelf kan liefhebben, hoe kan hij of zij anderen liefhebben?

          Het enkel herhalen van de woorden en dan direct erna alles erover vergeten, kan niet de naam hebben van: de regels onderhouden. Pas als deze regels van goed gedrag worden nageleefd, in mindere of meerdere mate al naar geval, pas dan is er deugdzaamheid. En als ze niet worden nageleefd, dan is er alleen maar zinloos gepraat over deugd. En praten over deugd is als iemand die wel een treinkaartje koopt, maar niet instapt. Of het is als iemand die een goede plattegrond heeft maar geen gebruik ervan maakt. Anderen gaan hem voorbij, ook mensen van andere religies.
 
          Het leven van de Boeddhistische leek wordt beheerd (of zou moeten worden beheerd) door de vijf regels. Het streven naar het hogere spirituele moet beginnen met deugdzaamheid (sīla). Zonder deugdzaamheid zijn geestelijke ontwikkeling en wijsheid niet te bereiken. Tevens dienen de vijf regels als een bescherming tegen onheilzame wilsacties en tegen de ellende die daaruit voortkomt. Neergang en verval is gemakkelijk en snel; maar opwaarts gaan is steeds moeitevol en langzaam. Deugdzaamheid ontwikkelt zich niet vanzelf. Ze moet serieus gecultiveerd worden, ondersteund door zelf-analyse en onwankelbare zelf-discipline.

          Dit laatste heeft de Boeddha ook eens aan een godheid meegedeeld. De Verhevene vertoefde toen te Sāvatthi. In de nacht kwam een zekere jonge godheid naar hem toe en stelde de vraag:
   “Van binnen jungle en van buiten jungle,
   verstrikt in de jungle is de wereld;
   daarom vraag ik u, Gotama:
   wie kan deze jungle toch ontwarren?”
 
Hierop sprak de Boeddha het vers:
   “De wijze mens die, vast in deugd,
   de geest ontplooit en ook het weten,
   de ijverige, bezonnen monnik,
   hij kan deze jungle wel ontwarren.” (S.I.23).
 
          De betekenis hiervan is: inwendig en uitwendig is er begeerte. Daardoor zijn we verstrikt. Maar de wijze mens die deugdzaam is, kan die begeerte ontwarren en eraan ontkomen. Door deugdzaamheid (sīla) die samen gaat met wijsheid (pañña) en ontwikkeling van de geest (samādhi en/of vipassanā), kan de bevrijding bereikt worden.

          Deugdzaamheid is hier als de basis van de weg naar het hogere aangeduid. Het beoefenen van deugdzaamheid is dus zeker iets heilzaams. En bij andere gelegenheden noemde de Boeddha nog zes andere zegeningen van deugd op. Het zijn:
1) De deugdzame verkrijgt een berouwloze staat.
2) Hij verkrijgt een grote overvloed aan schatten tengevolge van zijn ijver.
3) Hij verkrijgt een goede naam.
4) De deugdzame treedt vol zekerheid op, zonder verwarring, in welk gezelschap van edelen, brahmanen (priesters), gezinshoofden of asceten hij zich ook begeeft.
5) Hij kan een onverstoorde dood verwachten.
6) En na de dood komt hij op een gelukkig spoor, in een hemelse wereld. (A.X.1; D.16; A.V.213).


4. De regels voor de leek

 
          “Al is de daad van geven ook vruchtbaar, [...] toch is het vruchtbaarder als men met een hart vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de heiligen, en als men de vijf regels van deugdzaamheid naleeft [...] " (A.IX.20)

          Ook als leek kan men hier en nu de basis leggen voor de bevrijding van alle lijden.1 Men kan als leek zelfs een of meer van de  niveaus van heiligheid bereiken.
          De weg naar Nibbāna - het hoogste doel, de bevrijding van alle lijden - moet begonnen worden aan het begin. Anders keert de leer zich tegen de leerling. Als een slang verkeerd wordt vastgepakt - in het midden of bij de staart - keert de slang zich om. Ze is dan nog steeds zeer gevaarlijk. Alleen als de slang op de juiste manier vastgegrepen wordt - aan de kop - is zij zonder gevaar voor ons. Zo is het ook met de leer van de Boeddha. Wij moeten beginnen aan het begin.
 
          Het begin van het edele achtvoudige pad bestaat uit deugdzaamheid: juist spreken, juiste lichamelijke handelingen en juist levensonderhoud. Voor de leek heeft de Verhevene dit juiste gedrag aangegeven in de vijf regels (panca-sīla). Het doel ervan is de gewoonte aan te kweken een deugdzaam en bedwongen leven te leiden.
          Het is heel heilzaam en brengt grote vrucht als zowel de dagelijkse vijf regels nagevolgd worden als ook op speciale dagen de acht regels. Maar welke regels men ook navolgt, men moet dan proberen zich goed eraan te houden om resultaat te verkrijgen.
 
   Het navolgen van de vijf regels brengt geluk en kalmte van geest. Het voert naar een goede bestemming. En het is de basis voor het goede leven nu en hier. Alle innerlijke rijkdom heeft deugdzaamheid als bron.


5. De vijf regels

       De vijf richtlijnen of regels voor de leek zijn:
1. Ik neem het vaste voornemen niet te doden.
2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen.
3. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van verkeerd seksueel gedrag.
4. Ik neem het vaste voornemen niet te liegen.
5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alcoholische drank en drugs door welke onoplettendheid veroorzaakt wordt.
 
          “Wie levende wezens doodt, verkeerde woorden spreekt, wie in de wereld neemt wat niet aan hem of haar is gegeven, of wie omgang heeft met de vrouw [of man] van een ander, of wie gedistilleerde, alcoholische dranken nuttigt, alwie zich aldus uitleeft, roeit de wortels van zichzelf uit reeds hier in deze wereld.” (Dhp. 216-217).
 
   Bovengenoemde euvele daden moeten dus vermeden worden als men niet alleen menselijk in lichaam wenst te zijn, maar als men ook een menselijke geest wil hebben. En geboorte als een mens hangt voor een groot deel af van het uitoefenen van de vijf regels van goed gedrag.
          Die regels worden ook wel genoemd: “De Dhamma voor menselijke wezens (manussadhammā).”  Het is onder Boeddhisten een praktijk om dagelijks de vijf regels in de geest te brengen. Op die tijd moet men een zo vast mogelijk voornemen maken om ze uit te oefenen en om niet ervan af te wijken.
   Men kan natuurlijk ook wekelijks of maandelijks zich de regels in de geest brengen. 

Nico

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #2 Gepost op: 03-05-2017 01:44 »
(1) Niet doden en geen letsel toebrengen

       Wij zien af van het doden van levende wezens omdat wij weten hoe dierbaar het leven is voor onszelf: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet." Alle geluk van de wezens in deze wereld hangt af van hun leven. Ze ervan beroven is wreed en harteloos. Door het volgen van de eerste regel neemt het gevoel van mededogen voor al wat leeft toe. 
          
   "Wie iemand anders met slechte bedoelingen opwacht om hem of haar te doden, dat strekt hem lang tot onheil en lijden. Na de dood komt hij in de lagere wereld, op een lijdensweg, in de afgronden van bestaan, in de hel.” (A.VI.18).

   "Iemand die hier levende wezens, hetzij dieren of vogels, letsel toebrengt, wie voor levende wezens geen medelijden heeft, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 117)

   "Wie dorpen en steden belegert en verwoest, wie beruchtigd is als tiran, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 118)

   "Een man of vrouw doodt levende wezens, is moordzuchtig, wreed; hij of zij gebruikt graag geweld, is meedogenloos ten opzichte van alle levende wezens. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende, in een ongelukkige toestand, in de hel. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een staat van ellende geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een kort leven beschoren. Dit is de weg die voert naar een kort leven, namelijk het doden van levende wezens, moordzucht, wreedheid, geweld en meedogenloosheid ten opzichte van alle levende wezens." (M.135)

   "Maar alwie het doden van levende wezens heeft opgegeven, wie afziet van doden en wreedheid, wie zorgzaam is en barmhartig, wie vol mededogen let op het welzijn van alle levende wezens, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een hemelse wereld geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een lang leven beschoren. Dit is de weg die voert naar een lang leven, namelijk het afzien van doden, het opgeven van wreedheid, zorgzaam en barmhartig zijn, en vol mededogen letten op het welzijn van alle levende wezens." (M.135)

         "Een man of vrouw brengt anderen letsel toe, doet andere levende wezens pijn met de hand, met stokken of met messen. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon vaak ziek. Dit is de weg die voert naar ziekte, namelijk anderen letsel toebrengen en anderen pijn doen." (M.135)
 
         "Maar wie andere wezens geen letsel toebrengt, wie anderen geen pijn doet met de hand, met stokken of met messen, die persoon verschijnt ten gevolge van zulke wilsacties na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon gezond. Dit is de weg die voert naar gezondheid, namelijk ervan afzien anderen pijn te doen, ervan afzien andere levende wezens letsel toe te brengen." (M.135)

   "Als men afziet van het doden van levende wezens, zal men in een gelukkige sfeer komen, in de hemelse wereld. Of er volgt een lang leven indien men als mens herboren wordt. Zelf wordt men onbevreesd, kalm, rustig, prettig in voorkomen. En men wordt dierbaar aan alle (goede) levende wezens, zichtbare en onzichtbare." (M.135; M.136).

    "Wie het doden opgeeft, wie ervan afziet, die schenkt daardoor onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)
 
   "Iemand doodt levende wezens, is moordzuchtig, met bloed aan de handen, tot strijd en geweld geneigd, zonder genade tegenover levende wezens. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich ervan levende wezens te doden, hij geeft dat op. Stok en wapens heeft hij terzijde gelegd. Zachtaardig en vriendelijk leeft hij vol medegevoel voor alle levende wezens. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden." (M.114; A.X.206 en M.41).

          Volgens de Abhidhamma zijn er vijf voorwaarden nodig om het kwaad van doden volledig te maken: (1) een levend wezen; (2) de kennis dat het een levend wezen is; (3) de bedoeling te doden; (4) de inspanning om te doden; (5) met als gevolg de dood.

   Het eten van vlees is niet verboden. De leek mag alle soorten vlees eten. Ook monniken mogen vlees eten. Zij moeten immers alles aannemen wat hun aangeboden wordt. Maar voor de monniken zijn er enkele uitzonderingen (zoals slangenvlees, paarden- en olifantenvlees). Ook vlees van dieren waarvan de monnik weet of vermoedt dat zij speciaal voor hem zijn gedood om als consumptie te dienen, zijn voor hem verboden.
    Maar keizer Asoka liet in zijn hele rijk afkondigen dat het leven van dieren heilig is en hij probeerde de mensen ervan te overtuigen dat zij moesten afzien van het doden van dieren om religieuze of om verkwistende redenen. Hieruit ontstond het absolute verbod in de Boeddhistische gemeenschap om vlees te eten. Ook de Bhakti-cult versterkte het vegetarisme.


(2) Niet stelen
   
   Door van stelen af te zien zorgt men voor de veiligheid van een gemeenschap. 
       Ook door bedrog of list mag men zich niets van anderen toe-eigenen. Door lasterpraat kan men iemands goede naam wegnemen. Men moet dus niet alleen in daden maar ook in woordgebruik oplettend zijn om stelen te vermijden.     

   "Wie, hetzij in het dorp of in het bos, door diefstal neemt wat niet gegeven is, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 119)

   "Wie een kleinigheid begeert en dan iemand overvalt op de weg, hem doodt en de kleinigheid neemt, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 121)

       "Het stelen van goederen van anderen wordt de oorzaak van verlies van eigen zaken. Wie steelt, wordt onderworpen aan de straf van de wetgever en aan de verontwaardiging van de mensen. Wie afziet van stelen, krijgt veel hier en later. Hij of zij leeft een gelukkig leven en vaart wel na de dood.
   De edele volgeling verwerpt het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   "Iemand neemt wat hem niet werd gegeven; hij steelt de rijkdom en de bezittingen van anderen in dorp of bos. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114; A.X.206 en M.41)

   "Iemand onthoudt zich ervan te nemen wat hem niet werd gegeven; hij geeft dat op. Hij steelt niet de rijkdom en de bezittingen van anderen in dorp of bos. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden." (M.114)


(3) 0nthouding van verkeerd seksueel gedrag

   Onthouding van verkeerd seksueel gedrag betekent dat men ervan afziet iemand in persoon of in gevoelens te kwetsen door enige seksuele daad.     

   "Iemand oefent verkeerd gedrag uit bij zintuiglijk genot; hij heeft geslachtsverkeer met vrouwen die onder de hoede staan van de moeder, van de vader, van de broer, van de zus of van verwanten, met vrouwen die een echtgenoot hebben, die door de wet beschermd zijn, en zelfs met vrouwen die verloofd zijn. – Een dergelijk lichamelijk gedrag veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich van verkeerd gedrag bij zintuiglijk genot, hij geeft het op; hij heeft geen geslachtsverkeer met vrouwen die onder de hoede staan van de moeder, van de vader, van de broer, van de zus of van verwanten, met vrouwen die een echtgenoot hebben, die door de wet beschermd zijn, en met vrouwen die verloofd zijn. – Een dergelijk lichamelijk gedrag veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114)
 
     Door de wet beschermd zijn personen die tot een religieuze orde behoren en personen die gevangen zijn. Tot deze laatsten behoren krijgsgevangenen, slaven, gegijzelden en onderhorigen.

   "Wie met vrouwen van verwanten of van vrienden echtbreuk pleegt, met geweld of met haar toestemming, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 123)

   "Men geeft seksueel wangedrag op en men ziet ervan af. Men heeft geen seksuele omgang met personen die onder bescherming staan van ouder(s), van broer, zuster, verwanten of van een religieuze orde. Men heeft geen omgang met degenen die een echtgenoot (-genote) hebben, die gevangen zijn of met degenen die verloofd zijn. Een dergelijk gedrag is heilzaam." (A.X.206 en M.41)

   "Door van verkeerd seksueel gedrag af te zien schenkt iemand onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

        Zich onthouden van verkeerd seksueel gedrag betekent niet dat de leek niet mag trouwen. Voor de leek is een huwelijk toegestaan.
   De Boeddha had niets tegen een huwelijk. Hij wees wel op de problemen en zorgen die bij de verantwoordelijkheden van een gehuwd leven horen. Hij zei niets over aantal kinderen per gezin, over voorbehoedmiddelen of over monogamie, polygamie of polyandrie. En hij stelde een mannelijke nakomeling niet boven een vrouwelijke (of omgekeerd).

   Het seksuele verlangen moet - net als iedere andere vorm van verlangen - beheerst en in goede banen geleid worden om schade voor zichzelf en anderen te vermijden. 
          De derde regel houdt in zelfbeheersing en vermijding van zinnelijke overdrijving.

   Bedroevend is het lot van degenen die seksueel verkeerd handelen. Zij bederven hun eigen geest en die van anderen. Maar zij die afzien van seksueel wangedrag, worden gezegend met een hart dat steeds vredig en sereen is. Zij zijn op weg naar hogere wegen van leven. Edele gedachten en vriendelijke daden gaan van hen uit, en ook zuivere taal. Zij zaaien het zaad van zeldzame deugden. Rijke vrucht zal het dragen.
 
   Vier voorwaarden zijn er volgens de Abhidhamma nodig om volledig te voldoen aan het kwaad van seksueel wangedrag: (1) de gedachte zich te vermaken; (2) daaropvolgende inspanning (moeite; poging); (3) de middelen om te bevredigen; (4) bevrediging.


(4) Niet liegen

       Wie liegt, is tot alle slechte daden in staat, ook tot doden. Het is het vermeende ego dat iets begeert en daarom de tong gebruikt als middel om het begeerde object te verkrijgen. Door de vierde regel op zich te nemen belooft de Boeddhist de activiteiten van de geest te controleren, tenminste wat betreft leugens.

        Alleen door de waarheid tot een deel van ons leven te maken, kunnen wij ooit komen tot een volledige aanvaarding en erkenning van de waarheid zelf. Door dagelijkse oefening maken wij ons gereed om de waarheid te zien.
       Iemand die steeds liegt, wordt niet geloofd, ook niet als hij eens de waarheid spreekt. Wanneer men afziet van liegen, wordt vertrouwen geschonken door medemensen. En dat vertrouwen is een kostbaar bezit in dit leven. Wie de waarheid spreekt, is vrij van angst en vrij van weifelen in vergaderingen. Hij is steeds moedig en vastberaden.

   "Iemand spreekt de onwaarheid, hij liegt. Wanneer hij voor de rechtbank moet verschijnen, of op een bijeenkomst of bij zijn familieleden, wanneer hij bij zijn gilde of de koninklijke familie als getuige is opgeroepen, en men vraagt hem wat hij weet, dan zegt hij dat hij iets weet hoewel hij het niet weet; hij zegt dat hij iets niet weet hoewel hij het weet. Hij zegt dat hij iets ziet hoewel hij het niet ziet; en hij zegt dat hij iets niet ziet hoewel hij het ziet. Heel bewust zegt hij de onwaarheid, tot eigen voordeel, tot voordeel van iemand anders of tot voordeel van de een of andere wereldlijke aangelegenheid. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich ervan de onwaarheid te spreken, hij liegt niet. Wanneer hij voor de rechtbank moet verschijnen, of op een bijeenkomst of bij zijn familieleden, bij zijn gilde of de koninklijke familie als getuige is opgeroepen, en men vraagt hem wat hij weet, dan zegt hij wat hij weet; hij zegt dat hij het niet weet wanneer hij het niet weet. Hij zegt wat hij heeft gezien en hij zegt dat hij iets niet heeft gezien wanneer hij het niet heeft gezien. Hij zegt niet bewust de onwaarheid, tot eigen voordeel, tot voordeel van iemand anders of tot voordeel van de een of andere wereldlijke aangelegenheid. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114; A.X.206 en M.41).
 
       De leugenaar krijgt een ongelukkige bestemming na de dood. Hij wordt dwaas, dom, lelijk van uiterlijk. En hij verschijnt in staten waar hij de macht over zijn spraak verliest.
          Liegen leidt tot bederf van eigen geest en het veroorzaakt lijden aan anderen. Liegen en lasteren zijn vormen van bedriegen. Het stelen van iemands goede naam kan meer kwaad doen dan het stelen van zijn goederen.

   "De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   "Wie schulden maakt en na aanmaning dan loochent met de woorden: 'Ik ben je niets schuldig', ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 120)

   "Wie voor eigen heil, voor dat van anderen of omwille van geld valse getuigenis aflegt, wanneer hij als getuige gevraagd is, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 122)

   "Wie vol verblinding vertelt wat niet gebeurd is, omdat hij naar gering voordeel verlangt, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 131)

   "De waarheid is de zoetste smaak." (Sn.I.10 vers 182)

    "Door oprechtheid en waarheid krijgt men roem." (Sn.I.10 vers 187)

    
(5) Geen gebruik van alcoholische drank

   "De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   Alcoholische drank en drugs zijn oorzaken voor losbandigheid en van geestelijk verval. Het Boeddhistische ideaal is: bevrijd te zijn van de wereld van frustratie en lijden. Dat kan bereikt worden door oprecht gedrag. Daarom moeten wij ons er goed van bewust zijn wát we zijn en wáár we zijn, wat we moeten doen en waarom. Bedwelmende drank en drugs moeten daarom vermeden worden, want zij vertroebelen de geest.

        Alcoholische drank verslapt de zelfbeheersing en geeft bovendien een gevoel van “beter te zijn” dan anders, hoewel men het er in werkelijkheid slechter vanaf brengt. Zoals een man in de jungle die zijn kapmes verkeerd gebruikte, en daardoor zijn kans verkleinde om er weer uit te komen, - hij gebruikte het mes niet om er planten en struiken mee weg te kappen maar om ermee op stenen te slaan, - zo is ook de mens die alcoholische drank en drugs gebruikt. Hij of zij verkleint de kans om in dit leven vooruit te komen, zo die kans al niet geheel en al vernietigd wordt.

        Het afzien van bedwelmende drank en drugs houdt de geest vrij van verwarring. Juist denken wordt dan niet vernietigd. Het gebruik van sterke drank vernietigt de zaden van het goede in de geest. Degene die alcoholische drank en drugs gebruikt, wordt angstig, verdwaasd, wreed.

    Mensen die steeds bedwelmd zijn door drank of drugs zijn beperkt in dit leven. Als zij als mens herboren worden, zullen zij dom zijn. Iemand die afziet van het gebruik van alcohol en van drugs, is in staat om geestelijke en morele zelfbeheersing uit te oefenen. 

   "Geen bedwelmende dranken of drugs tot zich te nemen is een hoge zegening." (Sn II.4 vers 264)

Nico
« Laatst bewerkt op: 03-05-2017 20:24 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #3 Gepost op: 03-05-2017 11:45 »
6. Deugdzaamheid II

   "Wel-geoefend te zijn in discipline (in deugdzaamheid) is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 261)

   "Men moet  vier ondeugden in zijn gedrag uitroeien. Die vier ondeugden zijn: (1) het vernietigen van leven; doden; kwelzucht; (2) stelen; nemen wat niet is gegeven; (3) seksueel wangedrag; (4) liegen. 
   Doden, stelen, liegen en echtbreuk, deze vier ondeugden worden door de wijze niet geprezen." (D.31)
   
   De vijf regels zijn er allemaal op gericht de geest te bevrijden van het vermeende ego. Om geheel vrij te worden van die illusie moet een lange en moeizame weg afgelegd worden. Daarom moeten wij stap voor stap gaan, en wel over het edele achtvoudige pad.

   "Doden, stelen, ongeoorloofd seksueel gedrag, liegen, lasteren, ruwe taal, dwaas geklets, dat alles leidt, als het vaak wordt gedaan, tot wedergeboorte in de hel, of onder de dieren, of in de geestenwereld." (A.III.40)

   Wie de vijf regels van deugdzaamheid nakomt, zal in een hemelse sfeer komen. Of, indien men als mens herboren wordt, zal men een lang leven hebben, gezondheid en welvaart. Men is gezegend met een vredig hart en met schoonheid. Door anderen wordt men vertrouwd en men is vrij van angst; de geest is niet vertroebeld.
   Wel-geoefend te zijn in deugdzaamheid betekent ook dat men zijn plichten goed vervult.
   
        Ook als men geen meditatie beoefent, kan men deze zegeningen van deugdzaamheid, van het navolgen van de vijf regels verkrijgen. Om die regels altijd na te volgen is steeds waakzaamheid en oplettendheid nodig. De dagelijkse omstandigheden van de meeste leken laten een geregeld beoefenen van een van de soorten van meditatie niet gemakkelijk toe. Maar het navolgen van de vijf regels ligt in het bereik van ieder. De zegeningen ervan zijn veelvuldig. En dat is toch wel een beetje inspanning waard.
   

7. Vertrouwen in het Drievoudige Juweel

 
   “Vertrouwen is het kostbaarste bezit van de mens. (Sn.I.10 vers 182)
   “Door vertrouwen steekt men de stroom over." (Sn.I.10 vers 184)

   Wat is meesterschap in vertrouwen? - Men heeft vertrouwen in de Verlichting van de Volmaakte, aldus:

    ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.'      

   Ook heeft men vertrouwen in de leer, aldus:

   'Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

   En verder heeft men vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen, aldus:

   ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen2 – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.' (A.VIII.54)

    "Het nemen van de toevlucht tot de Boeddha, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   De formule van het Drievoudige Juweel kan dagelijks even herhaald worden. Het is een overwegen van de deugden van de Boeddha, van zijn leer en van de Orde.
 

8. Het is niet gemakkelijk de regels na te leven

   Eens waren er vijf leken-volgelingen in het Jetavana-klooster die elk slechts één van de vijf regels naleefden. En ieder van hen beweerde dat juist de regel die hijzelf navolgde, het moeilijkste was. Omdat zij het niet met elkaar eens konden worden, gingen zij naar de Boeddha en vertelden hem over hun verschillende opvattingen. De Verhevene vermaande hen met de woorden: “Jullie moeten niet een bepaalde regel als belangrijk of onbelangrijk beschouwen. Het naleven van de regels zal jullie naar heil en geluk voeren. Denkt niet lichtjes over een van de regels; geen ervan is gemakkelijk na te leven.”

       En verder sprak hij:

   “Alwie in deze wereld leven verwoest,
          leugens vertelt, neemt wat niet is gegeven,
          naar de vrouwen (resp. mannen) van anderen gaat,
          en verslaafd is aan alcoholische drank,
          zo iemand ondermijnt zijn (of haar) eigen toekomst.
          Weet dat euvele dingen niet gemakkelijk zijn op te geven.
          Past op dat begeerte en kwaad
          jullie niet voor lange tijd in ellende storten.”
          (Dhp. 246-248)
« Laatst bewerkt op: 03-05-2017 20:26 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #4 Gepost op: 03-05-2017 20:19 »
9. De acht regels

       De acht regels van discipline zijn strenger dan de vijf regels en worden gewoonlijk opgenomen op speciale feestdagen (Uposatha). Deze zijn de dagen van de maan: volle en halve maan, eerste en laatste kwartier. Ook tijdens speciale termijnen van meditatie worden deze regels onderhouden, en wel dagelijks.

       De acht regels zijn:
1. Ik neem het vaste voornemen geen enkel levend wezen te doden en geen enkel levend wezen te kwellen.
2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen en niet te nemen wat niet is gegeven.
3. Ik neem het vaste voornemen af te zien van elke seksuele wilsactie in daad, woord en gedachte.
4. Ik neem het vaste voornemen juiste taal te gebruiken, dat wil zeggen: niet liegen, niet lasteren, niet kwaadspreken, geen ruwe, geen barse en geen boze taal, geen kletspraatjes, geen euvele woorden, geen onjuiste woorden, geen onware woorden, geen kleinerende woorden. Maar ik zal alleen woorden gebruiken die eenheid bevorderen, onschadelijke woorden, aangenaam voor het oor, vol liefde, hartverwarmend, hoffelijk, waard herinnerd te worden, tijdig, passend, ter zake, vriendelijk en verdraagzaam.
5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alle bedwelmende dranken en drugs door welke onachtzaamheid veroorzaakt wordt.
6. Ik neem het vaste voornemen geen vast voedsel noch bepaalde drank te gebruiken op een onpassende tijd.
7. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van dansen, zingen, muziek en onpassende shows; van het dragen van sieraden, het gebruik van parfums en crèmes; en van dingen die leiden tot het mooier maken van de persoon.
8. Ik neem het vaste voornemen geen hoge en luxueuze zitplaats en geen hoog en gerieflijk bed te gebruiken.

       De acht regels zijn een tijdelijke discipline van ontzegging. In de toespraak tot Visakha over de Uposatha zegt de Boeddha: “Een edele volgeling(e) neemt de acht regels op met de gedachte dat hij/zij op die manier een etmaal leeft zoals de heiligen (Arahants) hun hele leven doen, mededogend, zuiver en wijs.” (A.IV.255-258). Zo zijn de acht regels werkelijk een test in hoeverre men zichzelf kan beheersen. Men kan dan zien hoezeer heilzame staten van geest in iemands karakter heersen over onheilzame verlangens.
 
       De Boeddha zei dat het zeer goed is om de acht regels op speciale (feest)dagen na te volgen. Want dat is een hulp bij het denken aan de heiligen die zich steeds aan die regels houden. Ook verbetert het de geest. Door deze vrijwillige discipline op zich te nemen wordt de geest rein en zuiver en geconcentreerd.


10. De Uposatha-dagen

       Het woord Uposatha betekent in Boeddhistische zin: “binnengaan om te blijven” in een vihāra of klooster. Het gaan naar gewijde plaatsen was al lang vóór Boeddhistische tijden het gebruik van de Brahmanen die de Vedische rites en offerandes volbrachten. Die gewijde plaatsen lagen veraf van hun woonplaatsen. Zij zuiverden zich op de gewijde plaatsen door gedurende een etmaal een afgezonderd leven te leiden. Als de rites beëindigd waren, keerden zij weer terug naar hun gezinnen. De dagen waarop zij zich afzonderden, waren bepaald door de fasen van de maan.

       In de tijd van de Boeddha gebruikten verscheidene groepen van asceten en ronddolende lieden de traditionele volle en nieuwe maandagen om hun theorieën en praktijken te verkondigen. De Verhevene en zijn volgelingen hadden zulke praktijken niet. Maar eens zei koning Bimbisara van Magadha aan de Boeddha dat het goed was als de monniken elkaar ontmoetten op de dagen van de maan. De Verhevene stond daarop aan de monniken toe om bij elkaar te komen om te luisteren naar de recitatie van het Patimokkha (regels voor de monniken). Verder zaten zij dan in stilte samen. De mensen protesteerden hiertegen; zij wilden onderwezen worden in de leer. Daarop stond de Boeddha toe dat de monniken op die dagen de leer verkondigden.

       Vanaf die tijd tot heden worden de Uposatha-dagen door Boeddhisten in alle landen gevierd. De leken gaan op die dagen naar een klooster of naar een tempel en brengen er voedsel aan de monniken. Zij vragen de acht regels en verblijven er een hele dag en nacht. Zij worden er in de leer onderwezen, mediteren er of helpen de monniken met het werk.

       Als geen klooster of tempel in de buurt is, of als men weinig tijd heeft om zich vrij te maken, kan men op die dagen iets meer in de schrijnkamer vertoeven (als men zo'n kamer heeft). Daar kan men dan de acht regels reciteren en de een of andere toespraak van de Boeddha hardop of stil lezen.
       Ook kan men op die dag meer tijd besteden aan meditatie. Wanneer de acht regels gesteund worden door de kalme, sterke geest die voortkomt uit meditatie, kunnen die regels gemakkelijk(er) onderhouden worden.
 

11. De toespraak tot Visakha op de Uposatha
 
          Eens verbleef de Verhevene nabij Savatthi in het oostelijk gelegen klooster in het grote huis dat door Visakha, Migara’s moeder6 was geschonken. Toen kwam Visakha nader tot de Verhevene, maakte een diepe buiging en ging op een passende plaats zitten. Daarna sprak de Verhevene als volgt tot haar:

          “Visakha, wanneer de Uposatha is opgenomen met de acht praktijken ervan, wanneer men ze heeft aanvaard, dan is dat zeer vruchtbaar, brengt veel voordeel, is van een grote pracht, van grote draagwijdte. En hoe, Visakha, doet men dat? – Wel, Visakha, een edele volgeling overweegt aldus:


     ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

    Denkend aan de Volmaakte verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat, en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van Brahma onderhoudt, dat hij met Brahma vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van Brahma opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de leer:

   ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

       Denkend aan de leer verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de leer onderhoudt, dat hij met de leer vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de leer opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de Orde:

   ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen8 – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

   Denkend aan de Ariyasangha verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de Ariyasangha onderhoudt, dat hij met de Ariyasangha vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de Ariyasangha opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan eigen deugdzaamheid, die ongebroken is, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed, die geestelijke concentratie bevordert.
   Denkend aan eigen deugdzaamheid verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van deugdzaamheid onderhoudt, dat hij met deugdzaamheid vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van deugdzaamheid opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de goden: 'Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook in mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook in mij aanwezig.'
   Bij de herinnering aan deze eigenschappen van zichzelf en van die goden verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de godheden onderhoudt, dat hij met de godheden vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de godheden opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   Zo komt door de juiste procedure de zuivering van de bevlekte geest tot stand.

   Verder overweegt die edele volgeling aldus: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het doden van levende wezens opgegeven, zien zij af van het doden van levende wezens. Zij hebben hun stokken (om te straffen) en hun wapens afgelegd. Zij zijn plichtsgetrouw, tonen medegevoel en zijn medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het doden van levende wezens opgeven, zal van het doden van levende wezens afzien. Ik ben dan iemand die zijn stok en zijn wapen heeft afgelegd, ben plichtsgetrouw, toon medegevoel en ben medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   Verder overweegt hij: ’Hun hele leven lang hebben de Arahants opgegeven te nemen wat niet is gegeven. Zij zien af van het nemen wat niet is gegeven. Zij nemen alleen wat is gegeven, wachten alleen op wat is gegeven. Zo vertoeven zij met zuiver hart. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het nemen wat niet is gegeven, opgeven. Het gegevene wacht ik af, niet als een dief gezind. Zo vertoef ik met zuiver hart. In deze eigenschap volg ik de Arahants  na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants onkuis gedrag opgegeven. Zij hebben een kuis gedrag. Zij leven afzijdig, zien af van seks die de gewone weg is van de samenleving. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, onkuis gedrag opgeven. Kuis en afzijdig levend zie af van seks die de gewone weg is van de samenleving. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants de leugen, zij houden zich verre van verkeerde taal. Zij spreken de waarheid, zij zijn met de waarheid verbonden, oprecht, vertrouwen waard, zij zijn geen bedriegers van de wereld. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, leugens vermijden, ik houd me verre van onware taal. Ik zal de waarheid spreken, met de waarheid ben ik verbonden, oprecht, vertrouwen waard, geen bedrieger van de wereld. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het genot van gedistilleerde en alcoholische drank opgegeven die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Zij houden zich verre ervan. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het genot van gedistilleerde en alcoholische drank opgeven die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Ik houd me verre ervan. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang gebruiken de Arahants slechts één maaltijd per dag. 's Nachts blijven zij nuchter. Zij zien af van eten buiten de [daarvoor bestemde] tijd.  En ook ik zal vandaag, deze dag en nacht, slechts één maaltijd gebruiken, blijf 's nachts nuchter, onthoudt me ervan te eten buiten de tijd. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang zien de Arahants af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Zij zien af van het dragen van sieraden, zien af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het zich mooi maken met cosmetica. En ook ik zie vandaag, deze dag en nacht, af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Ik zie af van het dragen van sieraden, zie af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het mij mooi maken met cosmetica. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants hoge en brede bedden, houden zich verre van hoge en brede bedden. Zij maken gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. En ook ik geef vandaag hoge en brede bedden op, zie af van een hoog en breed bed. Ik maak gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   Visakha, zo is de Uposatha, de heilige vastendag. En wanneer men op die manier de vastendag van de heiligen doorbrengt, brengt dat hoog loon, hoge zegen. Ze is machtig aan waardigheid en grootheid.

   In welke mate echter brengt die dag hoge zegen en hoog loon, en hoe is die machtig aan waardigheid en grootheid? 
   Visakha, juist alsof men macht, heerschappij en koningschap had over zestien grote landen waarin de zeven schatten overvloedig aanwezig zijn, toch is het niet een zestiende deel waard van de Uposatha opgenomen met de acht praktijken ervan. - En om welke reden? - Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.

   Wat bij de mensen 50 jaren zijn, dat is bij de goden van de Vier Grote Koningen een etmaal. Dertig van zulke etmalen vormen een maand, twaalf van zulke maanden vormen een jaar en 500 van zulke jaren is de levensspanne van die goden. (9 miljoen menselijke jaren).
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in de gemeenschap van de goden van de Vier grote Koningen. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 100 jaren is, is een etmaal bij de godheden van de Drieëndertig. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 1000 van die hemelse jaren. (36 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de godheden van de Drieëndertig. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 200 jaren is, is een etmaal bij de Yama-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 2000 van die hemelse jaren. (144 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Yama-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 400 jaren is, is een etmaal bij de Tusita-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 4000 van die hemelse jaren. (576 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Tusita-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd : ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 800 jaren is, is een etmaal bij de Nimmanarati-godheden, de godheden die graag scheppen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 8000 van die hemelse jaren. (2304 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de  Nimmanarati-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 1600 jaren is, is een etmaal bij de Paranimmitavasavatti-godheden, de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 16000 van die hemelse jaren. (9216 miljoen menselijke jaren)
   Nu is het mogelijk dat een man of een vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Paranimmitavasavatti-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   "Dood geen leven, noch neem wat niet is gegeven;
   spreek geen leugen, en drink geen bedwelmende drank;
   zie af van seks en van onkuis gedrag;
   eet in de avond en nacht geen ‘buitentijds’ voedsel;
   vermijdt bloemen en ook welriekend parfum,
   en maak als je bed een mat op de grond:
   dit geldt als het achtvoudige gebod op de vastendag,
   onderwezen door de Boeddha
   die het einde van lijden heeft bereikt.

   De zon en de maan zijn beide mooi om te zien.
   Zij blijven in hun baan en stralen ver,   
   verdrijven de duisternis, gaan door de luchten,
   en schitteren aan de hemel, alles verlichtend.

   Alle schatten in hun lichtcirkel:
   parels, juwelen, goud en turkoois,
   gouden korrels en goud uit de diepten van de bergen,
   geelkleurig goud en nog ander goud;
   waarlijk, dat alles is geen zestiende waard
   van de achtdelige Uposatha,
   zoals in het heldere licht van de maan
   de sterren zullen verbleken.
   Of man of vrouw, wie deugdzaam
   de achtdelige vastendag houdt
   en zegenrijke, goede werken verricht,
   die gaat zonder blaam naar de hemelse wereld.”
   (A.III.71)

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #5 Gepost op: 04-05-2017 03:41 »
12. Oorzaken voor achteruitgang en voor vooruitgang

   Behalve de regels van deugdzaamheid heeft de Boeddha nog meer aanwijzingen voor de leek gegeven waardoor zowel in de wereld als op religieus gebied vooruitgang gemaakt kan worden.

     “Wie wijs is en deugdzaam,
          vriendelijk en scherpzinnig,
          nederig en handelbaar,
          zo iemand kan eer behalen. (D.31)
             
          Wie energiek is en niet lui,
          onverstoorbaar in tegenspoed,
          onberispelijk in gedrag en intelligent,
          zo iemand kan eer behalen.  (D.31)
             
          Wie gastvrij is en vriendelijk,
          vrijgevig en onzelfzuchtig,
          een gids, een leraar, een leider,
          zo iemand kan eer behalen.
 
          Edelmoedigheid, aangename taal,
          behulpzaamheid ten opzichte van anderen,
          onpartijdigheid voor allen
          zoals de zaak verlangt.  (D.31)
       
          Deze vier innemende manieren om vooruit te komen
          Houden de wereld in beweging,
          zoals de as in een bewegende kar.
          Indien deze vier manieren niet in de wereld bestaan,
          dan zullen noch moeder noch vader
          respect en achting van hun kinderen krijgen.  (D.31)
       
          Omdat deze vier innemende manieren
          door de wijzen in elk opzicht gewaardeerd worden,
          bereiken zij verhevenheid
          en worden zij terecht geprezen.” (D.31)


13. Niet met dwazen om te gaan

 
   “Niet met dwazen om te gaan, maar omgang te hebben met de wijzen is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

       Met dwaas wordt bedoeld degene die onwijs handelt, die niet in overeenstemming met de leer handelt. De dwaas is degene die immoreel handelt, d.w.z. onzuiver in gedachten, in woorden en in daden.
       Niet met dwazen om te gaan betekent niet op de eerste plaats geen omgang met domme en onbeschaafde mensen, maar betekent vooral geen omgang met lieden die slecht zijn in gedachten, woorden en daden. Men moet dwaze lieden niet navolgen of hen als maatstaf nemen voor persoonlijk gedrag. Maar men moet de wijze navolgen. In overeenstemming met wie men omgaat, neemt men in goede eigenschappen toe of af. Wie met pek omgaat, wordt ermee besmet!

       In de leerreden (suttas) wordt gewaarschuwd tegen gezelschap van slechte mensen. Vanwege slecht gezelschap luistert men naar slecht advies. Vanwege slecht advies houden slechte gedachten de geest bezig. Vanwege zulke overwegingen is er meer geestelijke verwarring en zijn de zintuigen onbeheerst. Als resultaat daarvan zijn de handelingen in woord en daad onjuist en de vijf hindernissen (vurig verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en overbezorgdheid, en twijfel) worden sterker omdat zij vasthouden aan zinnelijke begeertes. En het resultaat is lijden.
 
   “De geest is de voorloper van alle slechte staten van bestaan. De geest is het voornaamste. Uit de geest ontstaan de slechte staten van bestaan. Als men spreekt of handelt met slechte geest, volgt daardoor lijden.” (Dhp.1).
 
       “Lang is de nacht voor degene die wakker is. Lang is de kilometer voor de vermoeide. Lang is samsāra voor de dwaas die de verheven waarheid niet kent.” (Dhp.60).
 
       “Ik heb zonen en rijkdom,” zo denkt de dwaas bezorgd. Maar hij behoort zichzelf niet eens toe. Hoe zit het dan met zonen en rijkdom?” (Dhp.62).
 
       “Al gaat een dwaas ook zijn hele leven om met een wijze, hij begrijpt niet meer van de leer dan een lepel proeft van de smaak van de soep.” (Dhp.64).
 
       “Een dwaas kan maand na maand slechts zoveel voedsel tot zich nemen als een mespuntje, toch is hij niet het minste deel waard van degene die de waarheid heeft begrepen.” (Dhp.70).
    
          “De dwaas verlangt naar onbetamelijke faam, voorrang, gezag en eerbetoon. Hij gaat prat op zijn eigen daden. Hierdoor nemen zijn verlangens en zijn hoogmoed toe.” (Dhp.73-74).
 
          “De dwaas die weet dat hij een dwaas is, is om die reden een wijs man. De dwaas die denkt dat hij wijs is, wordt waarlijk een dwaas genoemd.”(Dhp.63).
 
       “Als iemand geen metgezel ontmoet die beter of gelijk is, laat hij (of zij) dan vastbesloten alleen verder gaan. Er is geen kameraadschap met de dwaze.” (Dhp.61).

   De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een verkeerde manier moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen. (S.XIV.16-29)


14. Omgang met de wijzen


   “Niet met dwazen om te gaan, maar omgang te hebben met de wijzen. dit is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

       Men moet degenen navolgen die wijs zijn, geleerd, ervaren. En ook moet men diegenen navolgen die in staat zijn om advies te geven dat praktisch en heilzaam is. Door omgang met wijze mensen gaat men zelf ook juist denken.
       Het gevolg van gezelschap met de wijze is: luisteren naar goede raad, redelijk vertrouwen, edele gedachten, helder denken, zelfbeheersing, goed gedrag, overwinning van de hindernissen, het verkrijgen van wijsheid. En het gevolg daarvan is de bevrijding.
 
       “De geest is de voorloper van alle goede sferen van bestaan. De geest is het voornaamste. Uit de geest zijn zij geschapen. Als men spreekt of handelt met zuivere geest, volgt daardoor geluk.” (Dhp.2)
 
       “Als men een wijs mens ontmoet die op iemands fouten wijst en ze verbetert, laat men dan met zo’n wijze omgaan; het is beter en niet slechter voor degene die met hem (of haar) omgaat.” (Dhp.76)
 
       “Ga niet met slechte makkers om; heb geen omgang met gemene mensen. Maar ga om met goede makkers; heb omgang met edele mensen.” (Dhp.78)
 
       “Als je een verstandige metgezel(lin) hebt die geschikt is om met je te leven, die zich goed gedraagt en die wijs is, dan moet je vol vreugde en oplettendheid met hem (of haar) leven, alle gevaren te boven komend.” (Dhp.328)

   Wat is edele omgang? - In het dorp of in de stad waar de edele zoon woont, wat daar aan gezinshoofden of hun zonen, jong en met een rijp karakter of oud en met een rijp karakter, aan wie vertrouwen, deugdzaamheid, vrijgevigheid en wijsheid eigen is, met zulke personen heeft hij omgang, onderhoudt zich met hen, voert gesprekken met hen. En degene die dusdanig vol vertrouwen is, wordt door hem in vertrouwen nagestreefd, degene die dusdanig deugdzaam is wordt door hem in deugdzaamheid nagestreefd, degene die dusdanig vrijgevig is wordt door hem in vrijgevigheid nagestreefd, degene die dusdanig wijs is wordt door hem in wijsheid nagestreefd. Dat noemt men edele omgang. (A.VIII.54)

   Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens komen samen met nauwgezette wezens; fijngevoeligen komen samen met fijngevoeligen; goed onderwezenen komen samen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen. (S.XIV.16-29)
 
« Laatst bewerkt op: 04-05-2017 18:47 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #6 Gepost op: 04-05-2017 18:44 »
15. Te eren wie eer waard is

   “Diegenen te eren die eer waard zijn, dat is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

          Eer waard zijn allereerst: de Boeddha, heilige personen, ouders, leraren (tot hen behoren ook monniken). Zij allen zijn een grote hulp voor ons in het leven.
          Als men geen eer wil bewijzen, dan lijdt men aan hoogmoed en acht men zichzelf te hoog. Die hoogmoed voert alleen maar van kwaad tot erger. En hoogmoed ontstaat door niets anders dan door verkeerde meningen.
          Eerbiedwaardige personen zijn in staat om meer te leren. Want zij zien in dat anderen meer weten dan zij. Zo bezitten zij een van de factoren die nodig zijn voor vooruitgang zowel in de wereld als op het pad van de leer. Het in praktijk brengen van het geven van eer aan de eerbiedwaardige is de basis van nederigheid.
 
          Niet alleen personen die de eigen religie aanhangen, zijn eer waard. Ook mensen van een andere geloofsovertuiging kunnen eer waard zijn. De grote Boeddhistische keizer Asoka van India (3e eeuw v.C.) verklaarde: “Men moet niet alleen zijn eigen religie eren; maar men moet ook de religie van anderen om deze of gene reden eren. Door zo te handelen helpt men de eigen religie groeien en verleent men ook dienst aan de religie van anderen. Door anders te handelen graaft men het graf van de eigen religie en schaadt men ook de andere religies. Wie zijn eigen religie eert en andere religies veroordeelt, handelt aldus uit toewijding aan zijn eigen religie. Maar daardoor wordt de eigen religie meer onrecht aangedaan. Contact tussen de religies is daarom goed. Laten allen luisteren en bereid zijn te luisteren naar de leerstellingen die door anderen verkondigd zijn.” (Rock Edict 12).

       Een man of vrouw is verstokt en hoogmoedig; men brengt geen eer aan wie eer betoond moet worden, men staat niet op voor wie men moet opstaan, men geeft geen zitplaats aan wie een zitplaats aangeboden moet worden, men gaat niet opzij voor wie men opzij moet gaan, men aanbidt niet degene die aanbeden moet worden, men toont geen respect en geen hoogachting jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van lage afkomst. Dit is de weg die voert naar lage afkomst, namelijk verstoktheid en hoogmoed. (M.135).
 
      Maar wie niet verstokt en niet hoogmoedig is; wanneer men eer brengt aan wie eer betoond moet worden; wanneer men opstaat voor wie men moet opstaan; wanneer men een zitplaats geeft aan wie een zitplaats aangeboden moet worden; wanneer men opzij gaat voor wie men opzij moet gaan; wanneer men degene aanbidt die aanbeden moet worden; wanneer men respect en hoogachting toont jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van hoge afkomst. Dit is de weg die voert naar hoge afkomst, namelijk niet verstokt en niet hoogmoedig zijn. (M.135)
    
   Wie zijn moeder of vader, broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 125)
 
          De Boeddha zei dat vier eigenschappen toenemen door eerbied ten opzichte van degenen die meer en ouder zijn dan wij. Die vier eigenschappen zijn: een lang leven, schoonheid, geluk en sterkte.
 

15.1. Respect voor ouderen: De fabel van de wijze patrijs
   
          Over respect voor ouderen is er een mooie fabel. Lang geleden, toen de dieren nog met elkaar in hun eigen taal spraken, waren er eens drie vrienden: een patrijs, een aap en een olifant. Zij woonden dicht bij elkaar en ontmoetten elkaar bijna dagelijks in de schaduw van een grote Banyanboom. Zij twistten of vochten niet met elkaar, maar er was ook geen gehoorzaamheid of respect voor elkaar.
        Na verloop van tijd dacht elk van hen dat het niet juist was om op zo’n manier te leven. Zij zagen in dat zij de oudste van hen moesten respecteren en gehoorzamen. Maar zij wisten niet hoe oud ieder was. Op zekere dag zaten allen bijeen in de schaduw van de oude Banyan-boom. En er ontstond een idee. De patrijs en de aap vroegen aan de olifant hoe lang hij de grote Banyanboom al kende. “Toen ik nog een baby was,” antwoordde de olifant, “was die boom nog klein. Ik kon eroverheen lopen; de top ervan kwam juist tot aan mijn buik. Ik ken die boom vanaf de tijd dat hij een jonge plant was.”
          Hierna werd dezelfde vraag gesteld aan de aap. Zijn antwoord was: “Vrienden, toen ik nog klein was, zat ik op de grond en kon de uiterste scheuten van deze boom eten, zonder mij uit te strekken. Ik ken deze Banyanboom al vanaf de tijd dat hij nog een klein plantje was.”
          Vervolgens werd aan de wijze patrijs dezelfde vraag gesteld als aan beide anderen. Zijn antwoord luidde: “Vrienden, heel lang geleden was er een grote Banyanboom op een plek niet ver van deze plaats vandaan. Ik weet nog dat ik een vrucht van die boom at en het zaad ervan op deze plek liet vallen. Uit dat zaad is deze Banyanboom hier ontsproten en gegroeid. Mijn kennis van deze boom gaat dus terug tot vóór de tijd dat hij hier ontsproot. Ik ben daarom ouder dan jullie twee.”
          De aap en de olifant zeiden daarop aan de wijze patrijs: “Vriend, er bestaat geen twijfel dat jij de oudste bent. Van nu af aan word jij door ons gerespecteerd en betuigen wij onze hoogachting. Ook luisteren wij steeds naar je raad. En wij vertrouwen erop dat jij ons advies geeft als dat nodig is.”
          Vanaf die tijd gaf de wijze patrijs goede raad wanneer dat nodig was. En hij liet de anderen de regels van deugdzaamheid navolgen, zoals hij zelf ook deed. Zo leefden zij in vrede en vriendschap tot aan hun levenseinde. En na de dood werden zij wedergeboren in de hemelse sfeer.
 

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #7 Gepost op: 04-05-2017 22:03 »
16. Op een gunstige plaats te vertoeven

   “Op een gunstige plaats te vertoeven is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)
     
          Om prettig te leven moet de verblijfplaats comfortabel zijn, met een veilige constructie, netjes en zuiver van voorkomen, goed onderhouden. Het is nuttig als ze in een goede buurt is en bewoond wordt door aangename mensen.
   Een gunstige plaats betekent elke plaats waar de leer als een levend principe bestaat.

          Als de verblijfplaats niet leidt tot lichamelijk, moreel en geestelijk welzijn, dan is dat juist het tegenovergestelde van wat bedoeld wordt met een gunstige, passende omgeving.


17. In het verleden heilzame daden te hebben verricht

   In het verleden heilzame daden te hebben verricht is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)
   
          Volgens de Boeddha is het begin van de kringloop van geboorte en dood onvoorstelbaar. Want wezens zijn verblind door onwetendheid. Zij worden door hun verlangens voortgedreven om steeds meer wilsacties te verrichten.
          Daden worden uitgevoerd met het lichaam, met woorden of in de geest. Wanneer wil, intentie of opzet gemoeid is bij het verrichten van de daad, dan heet zo’n daad wilsactie (kamma). Als er geen wilsactie bij betrokken is, komen er geen morele resultaten of vruchten van. Tijdens ons leven blijven wij wilsacties verrichten en de resultaten ervan (kamma-vipaka) ondervinden.
          Bij de dood is de voortzetting van de mogelijke resultaten van wilsacties in de stroom van de geest het enige werkelijke spoor van het individu; het lichaam is dan ontbonden. De geest sluit in: gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties (zoals gedachten, fantasieën, ideeën) en bewustzijn. De enige manier nu waarop deze geestelijke voortzetting van eventuele resultaten van wilsacties vruchten kan dragen, is door wedergeboorte.
          In het algemeen hangt de plaats van wedergeboorte af van de kwaliteit van de vroegere wilsacties die klaar zijn om vruchten te dragen. Speciaal is ze afhankelijk van de laatste gedachte in de geest van de stervende persoon. In het nieuwe bestaan zal het individu de resultaten ondervinden van meerdere wilsacties uit het verleden. Indien hij of zij als mens geboren is, verricht hij of zij opnieuw wilsacties. En de resultaten daarvan hopen zich weer op bij de rest van de eventuele resultaten. Op het einde van die nieuwe levensspanne blijft van het individu weer zijn of haar geestelijke voortzetting over. Die geestelijke voortzetting bevat dan de mogelijke resultaten van zijn of haar wilsacties. En daardoor wederom wordt de volgende bestaansvorm vastgesteld.
 
          Het menselijke leven is door de Boeddha beschouwd als in elk opzicht het beste geschikt om naar het hoogste heil te streven. Want alleen in de mens bestaat de wilskracht in zo’n hoge mate, met een onbeperkte mogelijkheid, dat het hogere ontwikkeld kan worden, en wel door zelfdiscipline (deugdzaamheid) en meditatie.
          Bij het vormen van het gedrag van iemand zijn milieu en omgeving van belang. Dat ontkent het Boeddhisme niet. Maar de leer van de Boeddha schrijft het gedrag van iemand niet enkel en alleen toe aan een serie reacties op uiterlijke prikkels of op onbewuste dingen. En het karakter van iemand is ook niet alleen bepaald door sociale en economische factoren. De kring van wedergeboorte bestaat niet alleen buiten ons maar ook en vooral in onszelf. Wij scheppen die kring van wedergeboorte van moment tot moment door onze verlangens.
          “Wat voor wilsacties iemand ook doet, goede of slechte, hij is er de erfgenaam van,” zei de Boeddha.
          Indien wij andere wezens kwellen, kan het zijn dat wij als resultaat ervan ziek worden. Als wij gauw boos worden, zullen wij lelijk worden. Van goede daden erft men schoonheid, gezondheid, rijkdom, goede afkomst enz. Er is geen betere erfenis dan het resultaat van goede wilsacties.
 

18. Zichzelf in de juiste richting te zetten

   “Zichzelf in de juiste richting te zetten (naar het hogere te streven) is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)

          Zichzelf in de juiste richting zetten betekent: de juiste intentie nemen om immoreel gedrag, niet-vertrouwen en egoïsme op te geven; en om dat te vervangen door moreel goed gedrag, vertrouwen en edelmoedigheid.

   Zichzelf in de juiste richting te zetten doet men als volgt: Men spant zich in om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen. Men volhardt sterk en standvastig. Men geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. Men spant zich in om niet ontstane, slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane slechte onheilzame dingen te overwinnen. Men spant zich in om niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane heilzame dingen te vestigen, verder te ontwikkelen, te ontplooien en tot rijpheid te laten komen. (S.48.10)

   Door inspanning overwint men het leed. (Sn.I.10 vers 184) En oprecht van gedrag te zijn is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 263)

          Geestelijke vooruitgang is alleen mogelijk waar vrijheid is van denken. Dit laatste voert naar geestelijke kracht en vooruitgang. Dogma’s leiden naar stagnatie.


19. Wat wel en wat niet gedaan moet worden
    
   Wat wel en wat niet gedaan moet worden, heeft de Boeddha in meerdere leerreden uitgelegd.

    “Er zijn succesvolle dingen in het leven. Zij worden veroorzaakt door heilzaam willen dat geluk brengt. Dit betekent het naleven van de tien soorten goede daden. Die tien soorten heilzame wilsacties kunnen als volgt onderverdeeld worden: a) Drie lichamelijke acties: niet doden, niet stelen, geen ongeoorloofd seksueel gedrag. b) Vier mondelinge (of schriftelijke) acties: niet liegen en geen valse getuigenis, niet lasteren en niet kwaadspreken en geen onenigheid veroorzaken, geen ruwe taal, niet roddelen en geen kletspraat; m.a.w. oprecht, passend, mild en wijs taalgebruik. c) Drie geestelijke acties: niet hebzuchtig zijn; geen kwaadwil in het hart; juist inzicht en juiste denkbeelden. (A.X.206 en M.41).

   "Lichamelijk gedrag en gedrag wat de taal betreft en gedrag wat de geest betreft – die soorten gedrag zijn van tweevoudige aard, namelijk wat wel en wat niet gedaan moet worden. (M.114)

   Een dergelijk lichamelijk gedrag dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen, moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk lichamelijk gedrag dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet wel uitgeoefend worden. (M.114)

    „Een dergelijk gedrag wat de taal betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen  moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk gedrag wat de taal betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet uitgeoefend worden. (M.114)

   Een dergelijk gedrag wat de geest betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen, moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk gedrag wat de geest betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet uitgeoefend worden. (M.114)

   Uit wat dierbaar is6 ontstaan ruzie en tweedracht, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat. Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht, en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat. (Sn. IV.11 vers 863)
   
   Uit het verlangen stamt wat dierbaar is in de wereld, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn. Daaruit ontstaan wens en de vervullng, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn. (Sn. IV.11 vers 865)

   Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst", daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan. Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen, dan vormt de mens zich oordelen. (Sn.IV.11 vers 867)

   De woede, leugens en twijfel, ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.[9]
   Degene die twijfelt moet voortgaan op het pad van weten.
   Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.[10] (Sn. IV.11 vers 868)

[9  Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.
[10] De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.


« Laatst bewerkt op: 10-05-2017 10:53 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #8 Gepost op: 05-05-2017 01:00 »
19.1. Geen euvele daden

   Wie een slechte daad begaat en dan wenst: 'Dat men het niet van mij te weten komt,' wie in het geheim kwaad doet, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 127)

   Wie bij een ander op bezoek gaat en er de maaltijd nuttigt, maar de gast niet eert door hem, wanneer hij een tegenbezoek brengt, een maal aan te bieden, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 128)
   
   Wie een priester of asceet, wanneer zij iets vragen, leugens vertelt, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 129)

   Wie een priester of asceet, wanneer het tijd is om eten te geven, met woorden krenkt en hem niets geeft, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 130)

   Men moet geen euvele daden begaan op vier manieren. - Wie geleid wordt door verlangen, boosheid, onwetendheid en/of angst, doet kwaad. Maar voor zover de edele volgeling niet geleid wordt door verlangen, boosheid, onwetendheid of angst, in zoverre doet hij geen kwaad. (D.31)


19.2. kwaad spreken; tweedracht zaaien

   Iemand spreekt hatelijk; hij vertelt elders wat hij hier vernomen heeft, om tweedracht te zaaien; of hij vertelt hier wat hij elders heeft gehoord, om tweedracht te zaaien. Hij is iemand die tweedracht zaait tussen degenen die eerst verenigd waren; hij is iemand die splitsing beoefent, die van tweedracht geniet, zich erover verheugt, zich eraan vermaakt, iemand die woorden uit die tweedracht zaaien. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

   Iemand ziet ervan af kwaad te spreken en van het veroorzaken van onenigheid. Hij vertelt niet elders wat hij hier vernomen heeft, om tweedracht te zaaien; hij vertelt niet hier wat hij elders heeft gehoord, om tweedracht te zaaien. Hij is iemand die degenen samenbrengt die gescheiden waren; hij is een voorstander van vriendschap, die van eendracht geniet, zich erover verheugt, zich eraan vermaakt, iemand die woorden uit die eendracht bevorderen. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114; A.X.206 en M.41).


19.3. gebruik van ruwe woorden


   Iemand gebruikt ruwe woorden; hij uit woorden die ruw, hard, kwetsend, beledigend zijn, die bijna gelijk zijn aan woede en die nadelig voor de concentratie zijn. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

   Iemand onthoudt zich van het gebruik van ruwe woorden; hij uit woorden die zachtmoedig, dierbaar en lief zijn, die ter harte gaan, hoffelijk zijn, waarnaar velen verlangen, die velen aangenaam zijn. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114; A.X.206 en M.41).


19.4. kletsen

   Iemand is een kletser; hij spreekt op de verkeerde tijd, zegt wat niet met de feiten overeenkomt, praat nutteloze dingen, spreekt tegen de Dhamma en de discipline. Op de verkeerde tijd zegt hij woorden die nutteloos, onverstandig, zonder maat en zinloos zijn. – Een dergelijk gedrag wat de taal betreft veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet.
 
   Iemand onthoudt zich van kletsen en van roddelen. Hij spreekt op de juiste tijd, zegt wat met de feiten overeenkomt, praat over datgene wat goed is, spreekt over de Dhamma en de discipline. Op de juiste tijd zegt hij woorden die waard zijn onthouden te worden, die verstandig, gematigd en zinvol zijn. Hij is iemand wiens woorden redelijk zijn, hulpvaardig, bescheiden en verbonden met het goede. – Een dergelijk gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114; A.X.206 en M.41).


19.5. hebzucht

   Iemand is hebzuchtig; hij begeert de rijkdom en het bezit van anderen en hij denkt: 'Ach, was dat wat anderen toebehoort, toch van mij.' - Deze soort van gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)
   Iemand is hebzuchtig en zijn gemoed is vol hebzucht. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

   In afhankelijkheid van hebzucht ontstaat waken over zijn bezittingen (arakkha). Ten gevolge van waken over zijn bezittingen komt het tot aanwending van geweld, oorlog, tweedracht, strijd en ruzie, tot lasteren en liegen, tot allerhande slechte dingen.

   Als men veel rijkdom heeft en genoeg geld en voedsel, en dan zijn luxe alleen geniet, als men geen aalmoezen geeft, als men gierig is, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang. De gierigaard is bang ervoor in armoede te geraken en geeft daarom niets. Maar dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere.

    Iemand is niet hebzuchtig en zijn gemoed is zonder hebzucht. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden. (M.114)
   Men is vrij van begeerte: men begeert niet de rijkdom en het bezit van anderen; men denkt niet: ‘Oh, wat de ander bezit, moge dat mij toekomen.’ Dit gedrag in de geest is heilzaam. (A.X.206 en M.41).


19.6. kwaadwil

   De geest van iemand is vol kwaadwil en vol met haat gevulde bedoelingen en hij denkt: 'Mogen die wezens gedood worden, mogen zij in kleine stukken gehakt worden, mogen zij te gronde gaan, vernietigd worden.' - Een dergelijk gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114)
   Iemand draagt kwaadwil in zich en zijn gemoed is vol kwaadwil. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

   De geest van iemand is vrij van kwaadwil en vrij van met haat gevulde bedoelingen en hij denkt: „Mogen die wezens vrij zijn van vijandschap, leed en angst. Mogen zij hun geluk behouden.' - Een dergelijk gedrag wat de geest betreft veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet. (M.114)
   Iemand is zonder kwaadwil en zijn gemoed is vrij van kwaadwil. - Deze soort van geestelijke neiging veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden. (M.114)
   Men heeft geen kwaadwil in het hart. Men heeft pure gedachten en bedoelingen. Men is iemand wiens geest niet is aangedaan door haat. Men denkt: ‘Mogen deze levende wezens vrij zijn van vijandschap, vrij van angst en vrij van kwelling. Mogen zij zonder zorgen zijn en mogen zij gelukkig leven.’ Deze soort van gedrag is heilzaam. (A.X.206 en M.41).


19.7. wreedheid

   Iemand is wreed en zijn gemoed is vol wreedheid. - Een dergelijke neiging van de geest veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden. (M.114)

   Iemand is niet wreed en zijn gemoed is vrij van wreedheid. - Een dergelijke geestelijke neiging veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dit uitoefent. (M.114)


19.8. toornig en boos

   “Iemand die toornig is, vol haat, boosaardig, een lasteraar, met slechte bedoelingen, huichelachtig, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 116)
 
   Een man of vrouw wordt vlug boos, wordt vlug kwaad. Zelfs als een kleinigheid is gezegd, is die persoon woedend, boos, kwaadgezind. Hij of zij toont een slecht humeur, haat en knorrigheid. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon lelijk. Dit is de weg die voert naar lelijkheid, namelijk boosheid, woede, een slecht humeur, haat en knorrigheid. (M.135).
 
   Maar wie niet vlug boos is, wie niet vlug kwaad wordt, wie niet om een kleinigheid woedend, boos, kwaadgezind is, wie geen slecht humeur, haat of knorrigheid toont, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon mooi. Dit is de weg die voert naar schoonheid, namelijk niet boos worden, niet kwaad worden, geen slecht humeur hebben en geen haat of knorrigheid tonen. (M.135).

   Om gelukkig te leven moet men de woede en de toorn afsnijden. De vernietiging van woede en toorn wordt door de edelen geprezen. Want dan heeft men geen lijden meer. (S.VII.1)   


19.9. jaloers

   Een man of vrouw is jaloers; hij of zij benijdt de winst van anderen, de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen. En hij of zij misgunt anderen dat. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon onbeduidend, zonder invloed. Dit is de weg die voert naar onbeduidendheid, namelijk jaloersheid, nijd, afgunst. (M.135).
 
   Maar wie niet jaloers is, wie de winst van anderen niet benijdt en ook niet de eer, het respect, de begroetingen en giften die zij krijgen; en wie anderen dat niet misgunt, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon invloedrijk. Dit is de weg die voert naar invloed, namelijk niet jaloers zijn, geen afgunst hebben. (M.135).

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men zijn jeugd voorbij is en dan een jonge vrouw neemt en als men wegens haar niet meer kan slapen van jaloersheid. (Sn.I.6 vers 110)

       Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men een man neemt die niet bij de leeftijd past en dan van jaloersheid niet kan slapen. (Sn.I.6 vers 110)


19.10. Hoogmoed
   
   Wie zichzelf roemt en anderen geringschat, wie zich door zo'n hoogmoed zelf vernederd heeft, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 132)


19.11. twistziek en onbescheiden

   Wie twistziek is, gierig en vol slechte wensen, hebzuchtig en vol valsheid, zonder schaamte en onbescheiden, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 133)

   
19.12. juist inzicht en juiste denkbeelden

   Men heeft juist inzicht en juiste denkbeelden, zoals: ‘Er is morele waarde in gaven, in geschenken en offeranden; er is vrucht en resultaat van goede en van slechte daden; er is zowel deze wereld als de andere wereld; er zijn plichten jegens moeder en vader; er bestaan spontaan geboren wezens; en er bestaan in deze wereld goede en deugdzame monniken en goddelijke wezens die zichzelf hebben verwerkelijkt door directe kennis, die juist leven en zich juist gedragen, en die deze en gene wereld kunnen uitleggen.’ (A.X.206 en M.41).


19.13. heilzaam willen

   Alle heilzame bovengenoemde gedragingen worden veroorzaakt door heilzaam willen, en zij hebben geluk als resultaat. En het is te danken aan zulke gedragingen dat wezens na hun dood herboren worden in een gelukkige bestemming, zelfs in een hemelse wereld.” (A.X.206 en M.41).

   Heilzaam willen kan men ook omschrijven met 'juiste inspanning'. Die juiste inspanning (sammappadhana) heeft vier functies: (a) het kwade dat al in de geest is ontstaan, uit te roeien; (b) het kwade dat nog niet is ontstaan, te voorkomen; (c) het goede dat nog niet is ontstaan, te ontwikkelen; (d) het goede dat al is ontstaan, verder te ontplooien. (zie M.77)

« Laatst bewerkt op: 05-05-2017 01:05 door nico70 »

Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #9 Gepost op: 05-05-2017 07:18 »
18...................... Men geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. ............

Dag Nico,

Geciteerde zin begrijp ik niet.

met vriendelijke groet
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #10 Gepost op: 05-05-2017 12:12 »
Hallo Dirkjan

De opgave niet opgeven bij heilzame dingen betekent: dat men zich moet blijven inspannen om heilzame dingen te verkrijgen.

Groeten
Nico

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #11 Gepost op: 05-05-2017 12:15 »
20. Veel leren; bedreven in een handwerk

   “Veel te leren, en welbedreven te zijn in een handwerk is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 261)

         Niet alleen kennis (wetenschap) wordt door de Boeddha geprezen, maar ook handvaardigheid. Zowel kennis als handvaardigheid moet zodanig zijn dat geen levend wezen benadeeld wordt en dat niets onrechtvaardigs wordt gedaan.

       Het in de praktijk brengen van de leer is beter dan theoretische kennis. Leren zonder praktijk is waardeloos. Dit betreft niet alleen de leer maar ook het dagelijkse leven. Het is een zegen als wij veel kennis hebben, of die nu gebruikt wordt voor de beoefening van de leer of voor eigen levensonderhoud. En niet alleen theoretische kennis is door de Boeddha aanbevolen, maar ook praktische vaardigheden.

   "Als men op een bedreven manier zijn werk doet, wordt dat meesterschap in ijver genoemd. - Daar verwerft een edele zoon door de een of andere arbeid zijn levensonderhoud, hetzij door landbouw, door handel of door veeteelt, als boogschutter of koninklijke ambtenaar of door het een of andere handwerk. Daarin is hij bedreven en niet slordig, en hij weet met de juiste middelen te handelen en te regelen. Dat noemt men meesterschap in ijver." (A.VIII.54)
   
 
21. Een vreedzaam beroep uitoefenen

   “Een vreedzaam beroep uit te oefenen is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 262)

       Een niet-vreedzaam beroep is het beroep waardoor men anderen schade berokkent, zoals onder andere het verhandelen of vervaardigen van wapens, handel in levende wezens (zowel dieren als mensen), het doden van mens en/of dier (visvangst, jacht, oorlog), het verhandelen van bedwelmende drank, drugs en vergif. Zelf moet men zo’n beroep niet uitoefenen en men moet ook anderen niet ertoe aansporen.
        Eveneens zijn beroepen waarbij gelogen, bedrogen en uitgebuit wordt, als niet-vreedzaam te beschouwen.       
          Als niet-vreedzame en af te raden beroepen zijn verder te beschouwen alle beroepen die zich op de een af andere manier bezig houden met het voorspellen van de toekomst van iemand, zoals door astrologie, handlezen en andere praktijken.
 
   "Een visser die op de vissen wacht met slechte bedoeling, kan niet tot rijkdom komen. Evenzo is het met een slachter van runderen, schapen, varkens, met een vogelvanger, of met een jager die zijn geschoten wild verkoopt. Ook zij kunnen daardoor niet tot rijkdom komen. En wel omdat hun bedoeling slecht is.
   Met iemand die een mens met slechte bedoeling opwacht om hem te doden, is het nog erger. Dat strekt hem lang tot onheil en lijden. Na de dood komt hij in de lagere wereld, op een lijdensweg, in de afgronden van bestaan, in de hel.” (A.VI.18).

         “Jagers, slachters, vallenzetters, wreedaards gaan na de dood naar de hel of zij worden herboren als dier.” (Vin.III.203).
       Dezelfde pijnlijke gevolgen zijn er ook voor dierentemmers, lasteraars, bedriegers, echtbrekers en toekomstvoorspellers.
 
   Door de Boeddha werd een beroep als soldaat niet gerangschikt onder de niet vreedzame beroepen. Hij zei bijvoorbeeld dat degene die als boogschutter [in krijgsdienst, ter verdediging van het land] op een bedreven manier zijn werk doet en zo in zijn levensonderhoud voorziet, meesterschap in ijver heeft. A.VIII.54)


22. juist gebruik van bezit

   Over juist gebruik van het bezit sprak de Boeddha eens tot Anathapindika:
   “Vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden zijn moeilijk in de wereld te verkrijgen, namelijk:
1. Dat iemand op terechte manier rijkdom krijgt.
2. Dat, wanneer men op terechte manier rijkdom verkregen heeft, iemand eer ondervindt samen met zijn verwanten en kennissen.
3. Dat, wanneer men op terechte manier bezit en samen met verwanten en kennissen eer verkregen heeft, iemand een lang leven, een hoge ouderdom toebedeeld is.
4. Dat, wanneer  men op terechte manier rijkdom en samen met verwanten en kennissen eer gekregen heeft en ook een lang leven, een hoge ouderdom heeft bereikt, - dat men dan na de dood in een hemelse wereld wedergeboren wordt.
   
   Vier eigenschappen voeren naar het verkrijgen van deze vier omstandigheden die zo moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk:
• Meesterschap in het vertrouwen;
• Meesterschap in de deugdzaamheid;
• Meesterschap in de vrijgevigheid; en
• Meesterschap in de wijsheid.

   Wat is meesterschap in het vertrouwen?
• Daar bezit de edele volgeling vertrouwen, hij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte, aldus: “Waarlijk, dit is de Verhevene, hij is de heilige, de volmaakt Verlichte, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die leiding nodig hebben, de meester van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.”
   Dat noemt men meesterschap in het vertrouwen.
   
   Wat nu is meesterschap in de deugdzaamheid?
• Daar onthoudt de edele volgeling zich van het vernietigen van leven; onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven; onthoudt zich van onjuist gedrag in de zintuiglijke lusten;  onthoudt zich van leugens; onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die oorzaak zijn van onverschilligheid.
   Dat noemt men meesterschap in de deugdzaamheid. (eveneens in A.VIII.54)
   
   Wat nu is meesterschap in de vrijgevigheid?
• Daar leeft de edele volgeling thuis met een gemoed dat vrij is van de ondeugd van gierigheid. Hij is vrijgevig en geeft met open handen. Hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.
   Dat noemt men meesterschap in de vrijgevigheid.

   Wat nu is meesterschap in wijsheid?
• Wiens gemoed door ongeremde begerigheid beheerst wordt, die doet wat hij niet zou moeten doen, en wat hij moest doen,  dat laat hij achterwege. Wanneer hij dan doet wat hij niet zou moeten doen, en achterwege laat wat hij moest doen, dan verdwijnen bij hem eer en geluk. Wiens gemoed door ergenis beheerst wordt, - door starheid en matheid, - door opgewondenheid en gewetensonrust, - door twijfel, die doet wat hij niet zou moeten doen, en hij laat achterwege wat hij wel moest doen. In dat geval verdwijnen bij hem eer en geluk.

   Als de edele volgeling de ongeremde begerigheid als een bezoedeling van het gemoed onderkent, dan overwint hij die ongeremde begerigheid, deze bezoedeling van het gemoed. En als hij ergenis, starheid en matheid, opgewondenheid en gewetensonrust, en twijfel heeft onderkent als bezoedelingen van het gemoed, dan overwint hij die bezoedelingen van het gemoed. En als de edele volgeling deze bezoedelingen van het gemoed als zodanig heeft onderkend en overwonnen, dan geldt hij als groot aan wijsheid, rijk aan wijsheid, met helder inzicht, volmaakt in wijsheid.
   Dat noemt men meesterschap in wijsheid.

   Dit zijn de vier eigenschappen tot verkrijging van die vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden die in de wereld moeilijk te verkrijgen zijn.

   Een dergelijke volgeling die zijn bezit verworven heeft door eigen kracht, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op rechtmatige, eerlijke manier, hij verricht daarmee vier goed toegepaste daden, namelijk:
• hij maakt zichzelf ermee gelukkig en tevreden en hij verschaft zich een volmaakt geluk.
• Vader en moeder maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hun een volmaakt geluk.
• Vrouw en kind(eren), en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hun een volmaakt geluk.
• Vrienden en makkers maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hun een volmaakt geluk.
   Zo heeft zijn bezit dit eerste doel vervult, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   En verder nog, door middel van zijn bezit dat hij door eigen inspanning en op eerlijke manier verworven heeft, wendt de edele volgeling tegenslag af die hem door vuur of water, door de overheid, dieven of vijandige erfgenamen zou kunnen ontstaan; en zo beschermt hij zijn eigen persoon. Zo heeft zijn bezit dit tweede doel vervuld, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt. (Dit wordt ook meesterschap in waakzaamheid genoemd, zie A.VIII.54)

   En verder nog, door middel  van zijn door inspanning en op eerlijke manier verworven bezit brengt de edele volgeling vijf soorten gaven: gaven voor verwanten, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, belastingen aan de overheid, gaven voor de godheden.
   Zo heeft zijn bezit dit derde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   En verder nog: aan de asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en onverschilligheid, die geduld en mildheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven – aan zulke asceten en priesters brengt hij door middel van zijn bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende. Zo heeft zijn bezit dit vierde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   Deze vier goed toegepaste daden verricht de edele volgeling met zijn bezit dat hij verworven heeft door eigen inspanning en vlijt, op rechtmatige, eerlijke manier.

       Bij wie het bezit op een andere manier vermindert dan door deze vier goed toegepaste daden, diens bezit heeft zijn doel niet vervuld, heeft geen goede toepassing gevonden, werd niet doelmatig gebruikt.   
   Maar bij wie het bezit tengevolge van die vier goed toegepaste daden vermindert, diens bezit heeft zijn doel vervuld, heeft een goede toepassing ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   “Juist werd mijn goed gebruikt: voor tegenslag hielp het mij behouden en ook mijn personeel en allen onder mijn hoede. Het heeft ook gediend als zeer voortreffelijke gave: vijfvoudige plicht van gaven en dienst aan degenen die rein van deugd, bedwongen, een heilig leven voeren. Tot welke doel een verstandige, in huis levende, voor zich bezit wenst, dat doel heb ik waarlijk bereikt, gedaan wat nooit spijt brengt.”
   Als een mens dit wijs overdenkt, iemand die vast aan de edele leer houdt, dan krijgt hij hier de lofprijzing van de wijzen en daar de hemelse zaligheid. (A.IV.61; vgl. ook A.V.58)

   Vermogend wordt men als men juist en omzichtig handelt, met plichtsbesef en met inspanning. (Sn.I.10 vers 187)

« Laatst bewerkt op: 05-05-2017 17:13 door nico70 »

Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #12 Gepost op: 05-05-2017 14:29 »
Hallo Dirkjan

De opgave niet opgeven bij heilzame dingen betekent: dat men zich moet blijven inspannen om heilzame dingen te verkrijgen.

Ah, natuurlijk.

bedankt
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #13 Gepost op: 05-05-2017 17:57 »
Door te bedelen kun je je handen in onschuld wassen, omdat je zelf niet de dieren doodt maar alleen maar het geserveerde vlees eet. En zelf niet de slakken, sprinkhanen etc. bestrijdt die de oogst opeten. Dat doen andere mensen voor jou. Ja, zo kan ik ook prediken om niet te doden en andere wezens niet te benadelen.
Ondertussen is mijn maag gevuld en was ik mijn handen weer in onschuld.
Wat een heerlijke positie eigenlijk!

Waanzin.

groet,







Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #14 Gepost op: 05-05-2017 18:32 »
Hallo Siebe,

Je opmerking begrijp ik niet goed. Je hebt het over bedelen. Je zult wel bedoelen dat de monnik zijn handen in onschuld wast omdat hij het voor hem gereed gemaakte eten (waarbij ook vlees) opeet.
Wat doen wij zelf dan! Bij de slager is vlees te koop en ook in supermarkten. Dat vlees is van gedode dieren. Degene die dat vlees koopt en nuttigt, heeft zelf de dieren niet gedood. Hij mag met een gerust hart dat vlees eten. En de groenten die met vergif behandeld zijn om slakken e.d. te bestrijden, mag men ook opeten (als ze maar goed gewassen zijn om het vergif er af te spoelen).

Met de regel niet te doden is bedoeld dat men niet met opzet een levend wezen doodt.
Een extreme houding is door de Boeddha afgekeurd. Wij moeten ons niet al te druk maken.

Zo zou men door kunnen gaan en de regel: niet te stelen heel extreem uitleggen. Geen honing gebruiken, want dat is stelen van iets wat de bijen toebehoort. Geen eieren eten, want dat is iets wat de kippen toebehoort. Geen melkproducten gebruiken, want de melk is iets dat de koe toebehoort.
Maar zo extreem heeft de Boeddha het niet bedoeld.
Vermijdt uitersten was zijn advies. Dat geldt ook voor de vijf regels.

Groeten
Nico


Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #15 Gepost op: 05-05-2017 19:48 »
23. Verval en verkwisting van het vermogen

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men veel rijkdom heeft en genoeg geld en voedsel, maar dan zijn luxe alleen geniet (d.w.z. geen aalmoezen geeft). (Sn.I.6 vers 102)

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men van adellijke geboorte is, met veel ambities en weinig (financiële) middelen, en als men dan streeft naar heerschappij. (Sn.I.6 vers 114)

    Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men een rokkenjager, een losbol, een dronkaard, een speler is, en als men alles wat men verdient, verbrast. (Sn.I.6 vers 106)

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men niet tevreden is met eigen vrouw en dan hoeren en/of vrouwen van anderen bezoekt. (Sn.I.6 vers 108)

         Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men niet tevreden is met eigen man en dan andere mannen bezoekt. (Sn.I.6 vers 108)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men graag drank (en drugs) gebruikt die de geest benevelen en waardoor men achteloos wordt. - Door het gebruik van sterke drank en drugs verliest men zijn vermogen, nemen twistgesprekken toe en wordt men ontvankelijk voor ziektes. Men krijgt een slechte naam, men heeft een onbetamelijk gedrag, stelt het lichaam schaamteloos ten toon en het verstandelijke vermogen gaat achteruit. (D.31)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men over straat slentert op onbetamelijke uren. - Wie over straat slentert op onbetamelijke uren, is zelf onbeschermd en ook zijn vrouw en kinderen zijn onbeschermd en zonder toezicht. Men wordt verdacht van misdaden die anderen begaan hebben. Men is onderwerp van valse geruchten en men krijgt veel moeilijkheden. (D.31)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men vaak onpassende shows en theatervoorstellingen bezoekt. - Wie vaak onpassende shows bezoekt, denkt steeds eraan waar gedanst of muziek gemaakt wordt of waar toneel en theater is. Hij denkt steeds eraan waar vertier, sport en spel is. Dat zijn de kwalijke gevolgen van het vaak bezoeken van onpassende shows. (D.31)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men graag gokt wat achteloosheid veroorzaakt. - Wie graag gokt, wordt gehaat als hij wint, en treurt als hij verliest. Gokken heeft verder als kwalijke gevolgen dat men geld en goed verliest, dat men bij een rechtszaak niet vertrouwd en in respectabele kringen niet geacht wordt. Door vrienden en kennissen wordt men veracht. Ook is men geen goede huwelijkskandidaat, want anderen zullen zeggen dat men een gokker is en niet in staat is om voor een vrouw te zorgen. (D.31)

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men graag vertoeft bij slechte lieden, als men niet graag bij deugdzame mensen is, als men de leer van boze mensen goedkeurt. (Sn.I.6 vers 94)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men omgang heeft met slechte makkers. - Het omgaan met slechte vrienden heeft zes kwalijke gevolgen, namelijk dat gokkers, losbollen, drinkebroers, oplichters, bedriegers en lawaaischoppers iemands vriend en metgezel zijn. (D.31)
    Een slechte vriend is oorzaak voor achteruitgang. De volgende vier moeten beschouwd worden als vijanden in de gedaante van vrienden: (1) Hij die zich de bezittingen van zijn vriend toeëigent; die weinig geeft en veel vraagt; die zijn plicht doet uit angst en vrees; die eigenbelang najaagt. Deze persoon is een vijand in de gedaante van een vriend. (2) Degene die oppervlakkige woorden gebruikt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij spreekt met vriendelijke woorden betreffende het verleden en de toekomst. Hij tracht iemands vertrouwen te winnen met ijdele woorden en holle frasen. Als er een gelegenheid is om werkelijk een dienst te bewijzen, toont hij zijn onvermogen en zegt niet te kunnen. (3) Degene die vleit en complimenten maakt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij keurt de slechte daden van zijn vriend goed en keurt diens goede daden af. Hij prijst zijn vriend in diens tegenwoordigheid maar spreekt kwaad van hem in diens afwezigheid. (4) Degene die verderf brengt, is een vijand in de gedaante van een vriend. Hij gebruikt graag bedwelmende drank en drugs. Hij loopt op onbetamelijke uren over straat. Hij bezoekt vaak onbetamelijke shows. En hij gokt en speelt graag.  (D.31) 

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men autoriteit geeft aan een vrouw of man die verslaafd is aan drinken en geld verkwisten. (Sn.I.6 vers 112)

   Het vermogen wordt verkwist wanneer men de gewoonte van lediggang heeft. - Lediggang en luiheid hebben als kwalijke gevolgen dat men geen werk doet met de uitvlucht dat het te koud of te warm is, dat het te laat in de avond of te vroeg in de morgen is, dat men te veel honger heeft of dat men te veel gegeten heeft. Door op zo’n manier te leven worden veel plichten niet vervuld, krijgt men geen voorspoed en gaat alles wat men verkregen heeft, teloor.” (D.31)

    Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men graag lang slaapt; als men graag in gezelschap vertoeft; als men geen genoegen vindt in eenzaamheid; als men traag, lui en prikkelbaar is. (Sn.I.6 vers 96)
   [Dit geldt vooral voor monniken, maar een deel van dit vers is ook geldig voor leken].

   Dobbelstenen (en gokken), vrouwen (van lichte zeden), drank, pret maken, overdag slapen, op onbetamelijke uren over straat slenteren, slecht gezelschap en hebzucht: deze zes oorzaken richten een mens te gronde. (D.31)


24. gematigde levenswijze

   Een gematigde levenswijze is wanneer men zijn inkomsten en uitgaven kent en dienovereenkomstig zijn levenswijze inricht, niet te weelderig en niet te armoedig, waarbij men weet: 'Op deze manier zullen de inkomsten mijn uitgaven overtreffen en niet mijn uitgaven de inkomsten.'
   Wanneer iemand bij geringe inkomsten een weelderige levenswijze heeft, dan zegt men van hem dat hij zijn bezit verkwist als een vijgeneter (die meer vijgen van de boom schudt dan hij voor het eten  nodig heeft). 
   Wanneer hij echter bij grote inkomsten een armoedige levenswijze voert, dan zegt men van hem dat hij als een hongerlijder zal sterven.
   Maar wanneer iemand zijn inkomsten en uitgaven kent en zijn levenswijze dienovereenkomstig inricht, dan noemt men dat een gematigde levenswijze. (A.VIII.54)

   Voor het zo verkregen bezit zijn er vier afvloeiingen: ontucht, drankzucht, dobbelspel en omgang met slechte vrienden, slechte metgezellen, slechte kameraden.
   Voor het zo verkregen bezit zijn er vier toevoerkanalen: het mijden van ontucht, van drankzucht, van dobbelspel, en de omgang met edele vrienden, edele metgezellen, edele kameraden.
   Deze vier dingen strekken iemand tot heil en zegen aan deze zijde. (A.VIII.54)


Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #16 Gepost op: 05-05-2017 23:08 »
Hallo Siebe,

Je opmerking begrijp ik niet goed. Je hebt het over bedelen. Je zult wel bedoelen dat de monnik zijn handen in onschuld wast omdat hij het voor hem gereed gemaakte eten (waarbij ook vlees) opeet.

Ik geloof dat de Boeddha en Sangha een pure moraal konden en/of kunnen handhaven, omdat zij zichzelf bewust niet besmetten met zoiets besmettelijks als zorgen voor je eigen eten. Als je echt moet zorgen voor je eigen eten, ja, dan moet je wel jagen, vissen, gewassen verbouwen, plaagdieren bestrijden, etc.
Je raakt dan besmet. Je zuivere moraliteit gaat er aan, onvermijdelijk. Vooral je eigen eten regelen is wat dat betreft beslissend.

groet,


« Laatst bewerkt op: 07-05-2017 10:54 door Sybe »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #17 Gepost op: 06-05-2017 11:59 »
Hallo Siebe,

Je opmerking begrijp ik niet goed. Je hebt het over bedelen. Je zult wel bedoelen dat de monnik zijn handen in onschuld wast omdat hij het voor hem gereed gemaakte eten (waarbij ook vlees) opeet.
Wat doen wij zelf dan! Bij de slager is vlees te koop en ook in supermarkten. Dat vlees is van gedode dieren. Degene die dat vlees koopt en nuttigt, heeft zelf de dieren niet gedood. Hij mag met een gerust hart dat vlees eten. En de groenten die met vergif behandeld zijn om slakken e.d. te bestrijden, mag men ook opeten (als ze maar goed gewassen zijn om het vergif er af te spoelen).

Met de regel niet te doden is bedoeld dat men niet met opzet een levend wezen doodt.

Het besluit om vlees te kopen en te eten komt er praktisch gezien op neer dat je anderen de opdracht geeft namens jou levende wezens te doden. Zo werkt het nou eenmaal.

Als vleeseter ben je een opdrachtgever om tot doden. Als vleeseter ben je de generaal. De slager is slechts een soldaat die de trekker beroepsmatig overhaalt. Als generaal kun je niet je handen in onschuld wassen.

groet,




Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #18 Gepost op: 06-05-2017 13:02 »
25. Ouders en kinderen

   "Vader en moeder te ondersteunen is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 262)

   "Wie voor vader en moeder zorgt die doet zijn plicht en krijgt veel verdienste. Hij wordt door de wijzen hier geprezen en na de dood gaat hij naar de hemel." (S.VII.19)

   Wanneer iemands vader en moeder nog in leven zijn, dan moet men hen hoogachten, eren, waarderen en in ere houden. En wel omdat men door hen ter wereld werd gebracht, van hen afstamt. (A.VII.44)

   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men welgesteld is en dan geen steun geeft aan zijn ouders, niet voor hen zorgt als zij bejaard zijn. (Sn.I.6 vers 98)

   Wie zijn ouders, wanneer zij oud en bejaard zijn, niet ondersteunt hoewel hij daartoe in staat is, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 124)

   Wie zijn moeder of vader slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 125)

    Op vijf manieren moet een kind voor zijn ouders zorgen  namelijk door te denken (en ook zo te handelen): ‘Vroeger hebben zij voor mij gezorgd, nu zorg ik voor hen. Ik zal hun plichten vervullen. Ik houd de familietraditie hoog. Ik maak mezelf tot een waardig erfgenaam. Ik geef aalmoezen ter ere van mijn gestorven ouders.’ (D.31)

          Na elke goede daad denkt een goede Boeddhist er steeds aan om verdienste aan zijn ouders aan te bieden. Zo wordt de trouw en dankbaarheid jegens de ouders getoond.
 
          Kinderen beseffen vaak niet hoeveel genegenheid en zorg aan hen besteed is en hoezeer de ouders zich hebben opgeofferd voor hun kinderen. Kinderen moeten geduldig en verdraagzaam voor hun ouders zorgen en aan hen goede diensten bewijzen. De schuld die kinderen jegens hun ouders hebben, is zo groot dat ze niet vergoed kan worden alleen maar door materiële steun. Ze kan vereffend worden door onze ouders af te houden van het kwade, door hen ertoe te brengen het goede te doen en door te leven als ideale kinderen. De ouders moeten niet alleen van materiële schatten voorzien worden, maar ook van geestelijke schatten. En als men de leer van de Boeddha schenkt, dan heeft men meer dan genoeg gegeven. (zie A.IV.1,2).
       
          In de volgende toespraak heeft de Boeddha gesproken over dankbaarheid en speciaal dank jegens de ouders:
 
       “Een slecht mens is niet dankbaar en vergeet wat voor hem gedaan is. Hij is een lomp persoon omdat hij niet erkent dat hij dankbaar behoort te zijn en niet onthoudt wat hij [aan goeds] heeft ondervonden.
       Een goed mens daarentegen is wel dankbaar en onthoudt [het goede] dat hem gedaan is. Hij is een beschaafd mens, omdat hij beseft wat dankbaarheid is en niet vergeet wat er voor hem gedaan is.
       Aan twee mensen kan nooit vergolden worden wat men aan hen te danken heeft. – Aan welke twee? – Aan vader en moeder. Als iemand honderd jaar zou worden en al die tijd zowel zijn vader als zijn moeder zou verzorgen, als hij ze zou verplegen met wassing en massage en baden en parfumeren zelfs als ze incontinent waren geworden, dan nog zou hij zijn vader en moeder niet hebben vergolden wat dezen voor hem hebben gedaan.
       En waarom? Omdat ouders veel doen voor hun kinderen. Zij waken over hen, zij voeden hen en leiden hen binnen in de wereld.
   Pas wie zijn ouders, wanneer dezen zonder geloofsvertrouwen zijn, dit vertrouwen geeft, ze daartoe aanspoort, ze die toestand doet bereiken en ze daarin stand doet houden, en hetzelfde als ze van slecht gedrag zijn, of wie, wanneer ze hebzuchtig zijn, ze weet te bewegen tot loslaten en ze daartoe aanspoort, dit laat bereiken en erin volharden, en net zo wanneer ze tekort schieten in wijsheid, pas op die manier heeft men zijn vader en moeder hun weldaden vergolden, en meer dan dat. (A.IV.1,2).

   Op vijf manieren tonen ouders hun medeleven met hun kinderen: Zij houden hun kinderen af van het kwade. Zij moedigen hen aan tot het goede. Zij geven hun een goede opleiding. Zij regelen een geschikt huwelijk. Op de passende tijd overhandigen zij aan hen hun erfenis.  (D.31)
 

26. Vrouw (resp. man) en kinderen lief te hebben

   Het gezinshoofd met vrouw, kinderen, dienaren en arbeiders moet hen hoogachten, eren, waarderen en in ere houden. (A.VII.44)

   "Vrouw (resp. man) en kinderen lief te hebben is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 262)

         Deze zegening handelt over het gehuwde leven. In een gelukkig huwelijk moet er wederzijds begrip zijn, respect en verdraagzaamheid. Het gehuwde leven wordt waarlijk een zegen wanneer het wordt beschouwd als een partnerschap van twee personen die meer aan de partner denken dan aan zichzelf, en als er harmonie en tevredenheid aanwezig is.

       Een goede vriend(in) en/of een goede partner is door de Boeddha aangeprezen: “Indien men een goede en wijze partner vindt, die vastbesloten is en die alle gevaren overwint, laat men dan oplettend met hem/haar gaan. En wie geen wijze partner ontmoet, laat hij/zij alleen gaan. Wij prijzen het geluk van vriendschap. Men moet een partner zoeken die beter of gelijk is.” (Sn. 45-47).
       Deze raad geldt niet alleen voor monniken en nonnen, maar m.i. ook voor leken.

   Op vijf manieren moet een vrouw door haar man verzorgd worden: Hij is hoffelijk tegen haar. Hij veracht haar niet. Hij is haar trouw. Hij geeft haar gezag. En hij geeft haar sieraden. (D.31)
 
       De vrouw toont haar medeleven met haar man op vijf manieren: Zij oefent haar plichten goed uit. Zij is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. Zij beschermt wat hij meebrengt. En zij is bekwaam en vlijtig in het uitvoeren van haar taken. (D.31)

   De Boeddha noemde zeven soorten echtgenotes:
   “Er is een vrouw die is als een moordenares. Zij heeft een onzuivere geest, is zonder medelijden; zij eert haar man niet en wendt haar hart tot een ander.
   Er is de vrouw die is als een dievegge. Zij denkt alleen aan eigen luxe en verspilt alles wat haar man, soms met veel moeite, heeft verdiend.
   Er is de vrouw die is als een bazin. Zij verwaarloost de huishouding, is lui, houdt van roddelpraatjes en van schelden.
   Er is de vrouw die is als een moeder. Zij is altijd vriendelijk en mededogend; zij zorgt voor haar man alsof hij haar eigen zoon was en beschermt het inkomen van hem.
   Er is de vrouw die is als een jongere zuster. Zij respecteert haar man, is bescheiden en leeft in overeenstemming met zijn wensen.
   Er is de vrouw die is als een vriendin. Zij verheugt zich wanneer zij haar man ziet net alsof zij een vriendin ziet die lang weg is geweest; zij is bescheiden en haar gedrag is correct en deugdzaam.
   Er is de vrouw die is als een dienstmeisje. Zij wordt niet boos wanneer met straf gedreigd wordt; zij gehoorzaamt haar man en verdraagt alles van hem in kalmte en zonder afkeer. Zij probeert hem steeds gelukkig te maken."


27. leraren en leerlingen

         Op vijf manieren moet een leerling zorgen voor zijn leraar: Hij staat op ter begroeting. Hij maakt zijn opwachting bij hem. Hij leert ijverig. Hij bewijst persoonlijke dienst. Hij heeft een eerbiedige houding wanneer hij instructies krijgt. (D.31)
 
          Op vijf manieren tonen leraren hun medeleven met hun leerlingen: Zij oefenen hen in de beste discipline. Zij letten op dat zij hun lessen goed begrijpen. Zij onderwijzen hen in kunsten en wetenschappen. Zij stellen hen voor aan hun vrienden en kennissen. Zij zorgen ervoor dat zij overal veilig zijn. (D.31)

   
28. vrienden en kennissen

De goede vriend   
   Alleen in het uur van de waarheid kent men zijn vrienden. Een goede vriend is de oorzaak voor vooruitgang. - Als goede vrienden, als vrienden met een warm hart zijn de volgende vier te beschouwen: (1) Degene die een hulp is: hij waakt over de onoplettende; hij beschermt het vermogen van de onoplettende; hij is een toevlucht als men in nood verkeert; hij voorziet je van het dubbele wat nodig is als er verplichtingen zijn. Hij toont achting voor het gezin van zijn vriend. (2) Degene die hetzelfde is in voor- en tegenspoed: hij openbaart zijn geheimen aan jou; hij bewaart jouw geheimen; in tegenspoed laat hij je niet in de steek; hij zet zelfs zijn leven op het spel voor jouw heil. (3) Hij die goede raad geeft: hij weerhoudt je ervan kwaad te doen; hij moedigt je aan het goede te doen; hij deelt mee wat je nog niet weet; hij wijst je de weg naar de hemel. (4) Hij die meegevoel betoont: hij schept geen behagen in je tegenspoed; hij schept behagen in je voorspoed; hij weerhoudt anderen ervan kwaad over je te spreken; hij prijst degenen die goed over je spreken. - De vriend die een behulpzame makker is, die in voor- en tegenspoed trouw blijft, die goede raad geeft en die meegevoel heeft, deze vier ziet de wijze als vriend en hij draagt hem een warm hart toe zoals een moeder haar eigen kind. (D.31)

Vrienden en kennissen
     Op vijf manieren moet men voor zijn vrienden en kennissen zorgen: door vrijgevigheid; door hoffelijke taal; door behulpzaam te zijn; door onpartijdig te zijn; door oprechtheid.  (D.31)

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #19 Gepost op: 06-05-2017 21:30 »
29. Zijn verwanten te helpen
 
    Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men trots is op afkomst, op rijkdom of familie, en als men zijn verwanten veracht. (Sn.I.6 vers 104)

   Wie zijn broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 125)

   "Zijn verwanten te helpen is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 263)

         Het is eigenlijk vanzelfsprekend dat men zijn verwanten helpt tijdens het leven. Het hoeft geen verder commentaar.
   
          De verwanten kan men ook na de dood nog helpen. Wanneer men namens de gestorvene(n) spijzen en drank, of kleren aan de Orde aanbiedt, dan komt dat de dode(n) ten goede. Men denkt daarbij vol mededogen aan de verwanten die heengegaan zijn, met de woorden: “Toen hij/zij nog in leven was, deed hij/zij zulke goede daden voor me, beschermde me, gaf me opvoeding, rijkdom etc.” Of men denkt: “Dat behoort jullie toe; mogen de verwanten gelukkig zijn.” En verder denkt men: “Zoals regenwater vanaf een berg omlaag naar de vlakte stroomt, evenzo komt datgene wat hier gegeven is, de dode ten goede. Zoals de beken en rivieren de oceaan vullen, evenzo komt datgene wat hier gegeven wordt, de dode ten goede.” (Khp.7).
          De gave die in naam van de dode aan de Ariyasangha is gegeven, heeft onmiddellijke uitwerking en strekt de dode lange tijd tot heil. Het is de plicht van verwanten gaven te geven namens de doden. (A.X.177). Hierbij is degene die de gave ontvangt, belangrijker dan de gave zelf. Een kleine gave aan een van de vier soorten heiligen heeft meer resultaat dan een grote gift aan een wereldling.
 
       De gaven komen niet onmiddellijk alle doden ten goede. Degenen die herboren zijn in de wereld van de hellen, of die als dier, als mens of als god herboren zijn, hen komt zo’n gave niet direct ten goede. Maar wie als peta herboren is, hem/haar komt zo’n gave ten goede. Andere wezens moeten eerst sterven voordat zij de mogelijkheid hebben in een betere sfeer herboren te worden. Petas kunnen direct van de peta-wereld naar een gelukkige sfeer gaan. Daarom kan de verdienste van de gave hen wel direct ten goede komen. En als gaven gegeven worden namens een gestorven verwant(e), en die is niet in de peta-wereld, dan genieten andere verwanten in die wereld ervan. Het komt niet voor dat er geen gestorven verwanten in die sfeer zijn. En verder blijft de gever zelf niet verstoken van de vrucht van het geven. (A.X.177).
     
29.1. Het verhaal over Sanuvasin 

   Een mooi verhaal over geven aan gestorven verwanten is het volgende:
       Heel lang geleden keerde een prins te Varanasi van het park terug naar het paleis. Onderweg zag hij een Pacceka-Boeddha met naam Sunetta. Deze laatste was op zijn ronde voor aalmoezen, maar de prins sprak hem met ruwe woorden toe.
       Het gevolg hiervan kwam direct. De prins voelde een hevig branden van zijn lichaam. Hij stierf en werd herboren in de grote hel Avīchi. Toen de tijd daar afgelopen was, werd hij wedergeboren als een peta. En in deze Boeddha-periode werd hij herboren in een vissersdorp.
       Hij was zich echter bewust van vroegere levens en daarom ging hij niet met anderen op visvangst. Hij gooide de vissen die zij meebrachten, terug in de zee. Zijn verwanten joegen hem toen het huis uit. Maar zijn broer bleef hem goedgezind.
       Door toedoen van de eerwaarde Ānanda werd de weggejaagde man een monnik. En hij bereikte het vierde niveau van heiligheid: hij werd een Arahant. Samen met twaalf monniken leefde hij toen op een berg.
       Zijn verwanten werden na de dood herboren als petas. Zijn vader en moeder voelden zich beschaamd dat zij hem toen uit het huis hadden gezet. Zij stuurden zijn peta-broer naar de Arahant. De peta-broer maakte zich aan de Arahant bekend met de woorden: “Eerwaarde Heer, ik ben uw broer, herboren als peta. Ook uw moeder en vader zijn diep ongelukkige wezens in de wereld van Yama. Omdat zij verkeerde daden deden, gingen zij vanhier naar de peta-wereld. Zij zijn mismaakt, naakt en vol angst. Weest a.u.b. genadig en vol mededogen. Geeft een gave en schrijft de verdienste ervan toe aan ons. Dan zal het beter met ons gaan.”
       Toen de Ouderling en de twaalf andere monniken hun rondgang voor aalmoezen beëindigd hadden, kwamen zij op dezelfde plaats samen om een maaltijd klaar te maken. De Ouderling sprak hen aldus toe: “Geeft mij wat jullie hebt ontvangen. Ik zal een maaltijd gereed maken voor de Orde, uit mededogen met mijn verwanten.”
       Zij stemden ermee in. De Ouderling nodigde de andere monniken uit; en toen hij de maaltijd opdiende, droeg hij de verdienste van de gave op aan zijn moeder, vader en broer met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.” Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste was er voedsel voor de petas, zuiver, smakelijk en goed klaargemaakt.
       De broer die nu knap, sterk en gelukkig was, zei toen: “Eerwaarde Heer, er is voldoende voedsel, maar kijkt, wij zijn naakt. Heer, maakt dat wij kleren krijgen.”
       De Ouderling raapte hierop enkele flarden van weggegooide kleren op, naaide ze aaneen tot gewaden en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden kleren geproduceerd voor de petas. En de broer, met mooie kleren aan, toonde zich aan de Ouderling met de woorden: “Eerwaarde Heer, wij hebben nu meer kleren dan er in dit koninkrijk zijn. Ze zijn van zijde en van wol, van vlas en van katoen; het zijn er veel en ze zijn kostbaar. En ze hangen in de lucht. Eerwaarde Heer, wij hadden nog graag een huis.”
       De Ouderling bouwde een hut van bladeren en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden huizen geproduceerd voor de petas. Het waren mooie gebouwen met voorraadkamers. En de peta-broer zei: “Eerwaarde Heer, bij de mensen zijn niet zulke woningen als wij hier hebben. Wij hebben nu huizen zoals bij de devas. Maar Heer, zorgt ervoor dat wij een slok water kunnen drinken.”
       De wijze Ouderling vulde hierop een waterpot en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd drinkwater voor de petas geproduceerd. Er waren vier diepe vijvers met een goede wal en helder water. Het water was koel en rook aangenaam. En de vijvers waren bedekt met lotussen en waterlelies.
       Nadat zij een bad hadden genomen en gedronken, verschenen zij voor de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, wij hebben genoeg water, maar onze voeten doen pijn en zitten vol kloven. Als wij buiten rondgaan, stappen wij op het grind en op doornen van struiken. Heer, zorgt ervoor dat wij een voertuig krijgen.”
       De Ouderling nam een schoen en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd een rijtuig voor de petas geproduceerd. Hierin kwamen zij tot bij de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, tengevolge van uw mededogen zijn wij nu voorzien van voedsel en kleren. Ook kregen wij een huis, drinkwater en een voertuig. Heer, wij komen om u die vol mededogen bent, eer te betonen.”
       De Ouderling vertelde dit voorval aan de Verhevene die het tot leerthema maakte. (Petavatthu III.2)
 

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #20 Gepost op: 07-05-2017 16:08 »
30. werkgevers en werknemers

       Op vijf manieren moet een baas voor zijn (huis)bedienden en werknemers zorgen: Hij geeft hun werk in overeenstemming met hun bekwaamheid. Hij geeft hun voedsel en loon. Hij zorgt voor hen bij ziekte. Hij deelt alle lekkernijen met hen. Hij geeft hun nu en dan verlof. (D.31)
   
       De bedienden en werknemers tonen hun medeleven met de baas op vijf manieren: Zij staan vóór hem op.1  Zij gaan na hem slapen. Zij nemen alleen wat gegeven is. Zij vervullen hun plichten goed. Zij houden zijn goede naam en faam oprecht. (D.31)


31. asceten en priesters
     
     Op vijf manieren moet een gezinshoofd zorgen voor asceten en priesters: door vriendelijke daden; door vriendelijke woorden; door vriendelijke gedachten; door open huis voor hen te houden; en door in hun materiële noden te voorzien. (D.31)
 
          De asceten en priesters tonen hun medeleven dan op zes manieren: Zij weerhouden hem van het kwade. Zij overtuigen hem ervan goed te doen. Zij zijn hem genegen met een vriendelijk hart. Zij laten hem horen wat hij nog niet wist. Zij maken duidelijk wat hij reeds wist. En zij tonen hem het pad naar een hemelse staat van bestaan.” (D.31)
   
   Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men door leugens een priester of asceet of enig ander bedelmonnik bedriegt. (Sn.I.6 vers 100)

   Voor een leek zijn de volgende punten van belang wat betreft de omgang met monniken: Hij mag een monnik niet hinderen bij het rondgaan voor aalmoezen. Hij mag een monnik niet tot kwaad brengen. Hij mag een monnik niet hinderen bij het nemen van logies. Hij mag een monnik niet beledigen. Hij mag een monnik niet tot ruzie aanzetten. Hij mag niet over de Boeddha, Dhamma of Sangha kwaad spreken.
Een ander punt is offerbereidwilligheid (cāga). Hieronder verstaat men elke soort van steun aan de Orde.

   De leken voorzien de monniken van verblijfplaats, voedsel, kleding en medicamenten. De belangrijkste deugd voor leken is vrijgevigheid (dāna) ten gunste van monniken. Zij kunnen voor zich daarmee verdiensten verwerven. (Zie A.IV.220).

   Een Boeddhistische monnik bedelt niet. Hij gaat naar leken en wacht even. Krijgt hij iets, is het goed. Krijgt hij niets, is het ook goed. En het is niet zo dat de monnik de leek bedankt voor de gave. Maar de leek bedankt de monnik dat deze de gave heeft aangenomen. Want zo krijgt de leek veel verdiensten.
 
    Een man of vrouw geeft geen voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht aan monniken of goden.2 Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon arm. (M.135).

   Maar wie voedsel, drank, kleding, sandalen, bloemenkransen, reukwerken, zalf, bed, onderdak en licht geeft aan monniken en goden, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon rijk. (M.135).

   Er zijn asceten en priesters die afkerig zijn van verkeerde leer, die gevestigd zijn in verdraagzaamheid en goedertierenheid, die alleen hun ik bedwingen, tot rust brengen en laten uitdoven. Hen moet men hoogachten, eren, waarderen en in ere houden. (A.VII.44)
 
 
32. Edelmoedig en vrijgevig zijn

   “Edelmoedig en vrijgevig te zijn is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 263)

    "Door te geven krijgt men vrienden." (Sn.I.10 vers 187)

   Meesterschap in vrijgevigheid is wanneer iemand thuis leeft met een hart dat vrij is van de ondeugd van gierigheid; hij is vrijgevig en geeft met open handen; hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven. (A.VIII.54)

          Vrijgevigheid behoort tot de vier weldadige acties3 en tot de drie soorten van verdienste.4         

          Het belangrijkste bij geven is niet de daad op zich, maar de intentie erachter. Geven geschiedt niet alleen lichamelijk, maar kan ook gebeuren door spreken en denken: een vriendelijk woord, een glimlach, een gemoed vol liefdevolle vriendelijkheid.
          Geven is ook: het wegnemen van angst, d.w.z. handelen op zo’n manier dat andere levende wezens niet bang voor ons hoeven te zijn. Dit kan door de vijf regels van goed gedrag na te volgen en door de praktische toepassing van mettā.

   Degene die geeft moet vol ijver geven, vol eerbied, eigenhandig. Men moet geen resten geven, geen afval; en men moet geven met vertrouwen in een toekomstige beloning. Ook moet men op de juiste tijd geven, met een vrijgevig hart en zonder zich en anderen schade toe te brengen.
   Degene die aldus een gave geeft, zal in de toekomst zeer vermogend zijn; hij of zij heeft een mooie gestalte, een bevallig uiterlijk, is vol charme en heeft een edele verschijning. Men zal hem of haar gehoorzamen. En die persoon geniet van uitgelezen vreugden der vijf zintuigen. Het bezit van die persoon kan door niets schade lijden, noch door vuur, water, regering, dieven noch door liefdeloze erfgenamen.

   Geven brengt veel verdiensten die een goede basis zijn voor een toekomstig bestaan. Degene die vrijgevig is wordt geprezen door de goden.
   De verdiensten van geven kunnen niet weggenomen worden. Niet alleen de ontvanger maar ook de gever krijgt veel. Door vrijgevigheid kan men een lang leven krijgen, schoonheid, kracht, geluk, eer en wedergeboorte in een van de hemelen.

   Het verwerven van verdiensten begint al wanneer men vol blijdschap een eerbiedwaardig persoon ziet die voor offergaven komt. Of als men naar een eerbiedwaardig persoon gaat en hem offergaven aanbiedt. Het verwerven van verdiensten gaat verder als men die persoon eigenhandig bedient, vol eerbied begroet en een zitplaats aanbiedt. De smet van gierigheid wordt dan opgegeven. Naar beste vermogen deelt men gaven uit. Op een dergelijke tijd heeft men het pad naar groot vermogen genomen, naar wedergeboorte in een hooggeplaatste familie, naar grote macht.

   Verdiensten van geven kan men overdragen aan de plaatselijke goden. De goden worden door de overdracht van verdiensten nog gelukkiger. Zij op hun beurt eren de gever en zijn hem goedgunstig gezind. Degene die aldus door de goden geliefd is en hun gunst geniet, ziet steeds geluk.

   Ook als men de resten uit een kom of schotel ergens gooit met de wens dat de wezens die zich daar bevinden daarvan mogen eten, dan heeft men daardoor al iets goeds gedaan. Maar men doet nog veel meer goeds wanneer het gaat om menselijke wezens.
 
          Er zijn drie soorten gevers: (1) Zij die het minder goede weggeven en het betere houden. Zij zijn degenen die geven als tot dienaren. (2) Zij die delen met anderen wat zij hebben, of het nu goed is of niet. Zij zijn degenen die geven als tot een vriend. (3) Zij die geven wat goed is en die het minder goede voor zichzelf houden. Zij zijn degenen die geven als een meester, als een heer.
          Rijke mensen die niet graag geven, zijn als regenwolken die zich niet openen boven droge grond. Degenen die van hun overvloed aan enkelen geven, zijn als regenwolken die neer regenen over sommige gebieden. Zij die zonder onderscheid van kaste, volk, kleur, ras of wat dan ook geven aan allen, zijn als wolken die neer regenen over alle delen van het land en alle plantengroei besproeien.
   
   De arme mens die in vroomheid leeft en van zijn kleine bezit iets geeft, diens gave is veel meer waard dan de gave van een rijk mens.

           Bij het geven moet men steeds gelukkig en tevreden zijn op elk moment van het geven: bij het aanstalten maken van de gave, bij het geven zelf en erna. Alleen zo komt het volle heil van het geven aan degene die geeft.
          Het voordeel van een dergelijk geven is vijfvoudig: men wordt dierbaar aan velen; men wint het gezelschap van de goeden; men krijgt een goede naam; men vervult een van de plichten van de leek;5 en men vaart wel na de dood.
          De Boeddha prees het geven van aalmoezen, speciaal aan heiligen. Gaven aan heiligen brengen rijke vrucht. Degene die aangename dingen aan heiligen geeft, ontvangt aangename dingen. (A.III.49).
 
        “Als men voedsel geeft, dan geeft men vier dingen, namelijk: lang leven, schoonheid, geluk en kracht. En door het geven daarvan zal men zelf een lang leven, schoonheid, geluk en kracht hebben, in de menselijke of in de goddelijke sfeer van bestaan.”
       
          Gaven zijn goed gegeven als zij overhandigd worden met respect, met waardigheid, eigenhandig en met geloof in de uitwerking van de gave, d.w.z. vertrouwen in het moreel resultaat ervan. In het Velama Sutta (A.IX.20) heeft de Boeddha hierover duidelijk gesproken.
          “Wie geeft wat overgebleven is of wat anders weggegooid wordt, en wie dat geeft zonder respect en zonder geloof in het resultaat van daden, waar die persoon ook wedergeboren wordt als resultaat van het geven van die aalmoezen, hij zal zich er niet verheugen in lekker eten, mooie kleren en rijtuigen, of in de mooie objecten van de zintuigen. Zijn kinderen, vrouw en personeelsleden zullen hem niet gehoorzamen en niet naar hem luisteren. Dat is het resultaat van geven zonder respect.
          Maar wie met respect geeft, oplettend, eigenhandig, en wie gelooft in het resultaat van daden, waar die persoon ook wedergeboren wordt als resultaat van die aalmoezen, hij zal zich er wel verheugen in lekker eten, mooie kleren en rijtuigen, en in de mooie objecten van de zintuigen. Zijn kinderen, vrouw en personeelsleden zullen hem gehoorzamen en naar hem luisteren. Dat is het resultaat van geven met respect.”
           
          “Eens gaf iemand vele duizenden vaten vol zilver en goud en nog meer vaten met voedsel. Maar er was toen niemand die de gave waard was. [d.w.z. er was toen niemand van de Ariyasangha]. Indien hij eten had gegeven aan slechts één persoon met juist inzicht, dan zou de vrucht van die gave veel groter zijn geweest. Meer verdienste dan eten geven aan 100 personen met juist inzicht heeft het geven van eten aan één eenmaal-wederkerende. Meer verdienste dan eten geven aan 100 eenmaal-wederkerenden heeft het geven van eten aan één niet-meer wederkerende. Meer verdienste dan eten geven aan 100 niet-meer wederkerenden heeft het geven van eten aan één Arahant. Meer verdienste dan eten geven aan 100 Arahants heeft het geven van eten aan een Pacceka-Boeddha. Meer verdienste dan eten geven aan 100 Pacceka-Boeddhas heeft het geven van eten aan één onderwijzende Boeddha, een Volmaakt Verlichte (Samma Sambuddha). Meer verdienste dan eten geven aan één Volmaakt Verlichte heeft het geven van eten aan de Orde van de monniken (Sangha) met de Boeddha aan het hoofd. Meer verdienste dan eten geven aan de Orde van de monniken met de Boeddha aan het hoofd heeft het bouwen van een klooster ten behoeve van de monniken uit het omringende gebied. Meer verdienste dan het bouwen van een klooster voor de monniken heeft het oprecht nemen van zijn toevlucht tot de Boeddha, de Dhamma (leer) en de Sangha. Meer verdienste dan het nemen van zijn toevlucht tot het Drievoudige Juweel heeft het oprecht navolgen van de vijf regels van goed gedrag: niet doden, niet stelen, geen verkeerd seksueel gedrag, niet liegen en geen bedwelmende dranken en drugs. Meer verdienste dan het navolgen van de vijf regels van goed gedrag heeft het ontwikkelen van de gedachte van liefdevolle vriendelijkheid (mettā) al was het maar eventjes. Meer verdienste dan de ontwikkeling van mettā heeft het ontwikkelen van het overdenken van vergankelijkheid (anicca) al was het maar voor een ogenblik.” (A.IX.20).
 
       In een Boeddhaloos tijdperk (suñña-kappa) zijn er weinig mogelijkheden dat vrijgevigheid veel vruchten zal dragen. Er is dan immers geen Ariyasangha, geen veld van (grote) verdienste. Maar het is niet zo dat in zo'n periode helemaal geen verdienste verworven kan worden.
 
          Er zijn vijf soorten van tijdelijk geven: 1) het geven aan gasten; 2) het geven aan degenen die op het punt staan een reis te maken; 3) het geven aan zieken; 4) het geven aan hongerigen; 5) het geven aan deugdzamen.
 
          Iemand die genoeg heeft, zou eraan moeten denken dat alleen datgene werkelijk goed bewaard is wat gegeven wordt (vooral natuurlijk aan lieden die gaven waard zijn). De Boeddha legde uit dat iedereen die weelde, rijkdom, invloed e.d. bezit, die staat bereikt heeft omdat hij of zij in het verleden gaven heeft gegeven, de waarheid heeft gesproken en zich bedwongen heeft. Geven maakt dus niemand arm. (Zie S.IV.322-325)
          Het bovenstaande betekent dus in feite dat armoedebestrijding zou moeten beginnen met de mensen te leren vrijgevig te zijn en vertrouwen te hebben in de goede morele gevolgen ervan. 

   Een gave kan op vier manieren zuiver zijn. De gave kan van de kant van de gever zuiver zijn maar niet van de kant van de ontvanger. Dit is het geval wanneer de gever deugdzaam is, met een goed karakter; en wanneer de ontvanger zedeloos is, met een slecht karakter. De gave kan van de kant van de ontvanger zuiver zijn maar niet van de kant van de gever. Dit is het geval wanneer de gever zedeloos is, met een slecht karakter; en wanneer de ontvanger deugdzaam is, met een goed karakter. De gave kan niet van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger zuiver zijn. Dit is het geval wanneer de gever zedeloos is, met een slecht karakter; en wanneer de ontvanger zedeloos is, met een slecht karakter. De gave kan zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger zuiver zijn. Dit is het geval wanneer de gever deugdzaam is, met een goed karakter; en wanneer ook de ontvanger deugdzaam is, met een goed karakter.

   De gave die men geeft aan iemand die de volgende eigenschappen heeft, brengt geen rijke vruchten en is zonder grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn:
verkeerd inzicht, verkeerd denken, verkeerd taalgebruik,  verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerd denken, verkeerde oplettendheid en verkeerde geestelijke concentratie.
   Maar de gave die men geeft aan iemand die de volgende eigenschappen heeft, brengt rijke vruchten en is van grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn: juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juist denken, juiste oplettendheid en juiste geestelijke concentratie.
      
   Het geven van aalmoezen brengt vijfvoudige zegen, namelijk: Men is veel mensen lief en aangenaam omdat men de goede leer navolgt. Goede, edele mensen zoeken iemand op; zij leggen de leer uit die alle leed laat uitdrogen. Een goede naam verspreidt zich over iemand. Men vervult de plichten van een gezinshoofd. En na de dood komt men in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.
   En degenen die het geven van gaven goedkeuren en gewillig daarbij dienst verlenen, zij hebben deel aan de verdiensten ervan.

   Er zijn twee soorten gaven, namelijk de materiele gave en de gave van de waarheid. De beste gave is de gave van de waarheid, de gave van de leer. Zij overtreft alle andere gaven. (Dhp.354).


32.1. Toewijding van de goede werken aan andere wezens
 
   Behalve materiële zaken kan men ook de verdienste van zijn of haar goede werken aan anderen geven. Men kan dan bijvoorbeeld als volgt denken:

   Moge de verdienste, door mij gedaan,
   Nu of op een andere tijd,
   Gedeeld worden met alle levende wezens hier,
   Oneindig, onmetelijk.
 
   Door vreugde te ondervinden in deze zaak,
   Deze gave van verdienste, door mij gegeven,
   Mogen alle levende wezens steeds een leven voeren
   Dat gelukkig is en vrij van haat.
   Mogen zij het veilige pad vinden
   En mogen hun goede wensen allemaal slagen.

   Een andere versie van overdracht van verdiensten is:

   Mogen hemelse en aardse wezens,
   Devas en Nagas van grote macht,
   delen in deze verdiensten van ons;
   mogen zij lang de leer beschermen.

   Mogen hemelse en aardse wezens,
   Devas en Nagas van grote macht,
   delen in deze verdiensten van ons;
   mogen zij lang mij en anderen beschermen.

   Mogen alle wezens delen in deze verdiensten
   die wij aldus hebben verworven.
   Moge het grotelijks bijdragen tot hun geluk.
   Mogen mijn gestorven verwanten
   deelhebben aan deze verdiensten;
   mogen zij allen gelukkig zijn.
   
-=-

          Men kan natuurlijk ook een beperkte keuze maken, door bijvoorbeeld de verdiensten van goede werken op te dragen aan ouders, familieleden, vrienden, plaatselijke godheden.

 

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #21 Gepost op: 08-05-2017 16:39 »
33. Smetteloos van gedrag te zijn; afkerig te zijn van het kwade; van het kwade af te zien

   "Smetteloos van gedrag te zijn is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 263)

    Afkerig te zijn van het kwade; van het kwade af te zien, is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 264) 

          Slechte activiteiten zijn: verkeerd taalgebruik, verkeerd handelen, verkeerde levenswijze. Zij brengen lijden en moeilijkheden voor degene die kwaad handelt en ook voor anderen. Het ethische proces van het Boeddhisme is bedoeld om de mens te bevrijden van het leed van onvoldaanheid (dukkha) en om hem naar het hoogste geluk (Nibbāna) te brengen. Hierbij is door de Boeddha de nadruk gelegd op het verwijderen van de belangrijkste ondeugden: gehechtheid, kwaadwil en onwetendheid (lobha, dosa, moha). Deze ondeugden namelijk beïnvloeden direct de aard van onze wilsacties, terwijl andere slechte daden slechts indirect van invloed zijn op de geest.

       Van het kwade af te zien kan o.a. door de ontwikkeling van de geest. Dit is het ontplooien van de vier goddelijke staten (Brahma vihara): liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid (mettā, karunā, muditā, upekhā). Deze deugden brengen inwendige harmonie en vrede met anderen. Zij zijn erg belangrijk. Vanuit Boeddhistisch standpunt is het beter vriendelijk en niet-agressief te zijn dan intellectuele kennis te hebben van de leer. Iemand die vriendelijk is, toont dat hij bedwongen is door de leer van niet-kwetsen. Alleen maar theoretische kennis van de leer, zonder praktische toepassing, veroorzaakt hoogmoed; ook nemen verkeerde visies en meningen toe.


34.  Standvastig te zijn in  het goede
 
   Standvastig te zijn in het goede is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers 264)
 
       Wij moeten trachten te beschermen wat wij al goed hebben gedaan. Wij moeten de goede praktijken die wij al hebben, behoeden en bewaren. Ook moeten wij ons inspannen om het goede verder te ontwikkelen.

   "Wie deze vier eigenschappen bezit,
   namelijk eerlijkheid, rechtschapenheid,
   standvastigheid en edelmoedigheid,
   die zal na de dood geen leed kennen."
   (Sn.I.10 vers 187)
 
   "Iets beters dan zelfbedwang en waarheid,
   vrijgevigheid en verdraagzaamheid kan men niet vinden."
   (Sn.I.10 vers 189)
 

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #22 Gepost op: 09-05-2017 20:50 »
35. Respect te tonen

    "Respect te tonen is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 265)

          Men moet respect tonen tegenover monniken, ouders, leraren, ouderen, superieuren enz. Ook tegenover wijze mensen van andere religies moet respect getoond worden. Men toont respect door een goede zitplaats aan te bieden, door op te staan om hen te ontvangen, door plaats voor hen te maken. En voor leraren op religieus gebied plaatst men zijn handen samen en maakt aan hun voeten een buiging.
 
   Twee heldere eigenschappen beschermen de wereld, namelijk: gevoel van schaamte en morele vrees.
   Wanneer deze beide heldere eigenschappen de wereld niet zouden beschermen, zou er seksuele gemeenschap zijn tussen familieleden (moeder, tante, oom) of met eerbiedwaardige personen (vrouwen van leraren). De mensen zouden gemeenschap hebben zoals schapen, geiten, kippen, varkens, honden en jakhalzen.
   Maar omdat deze beide heldere eigenschappen de wereld beschermen, daarom acht men zijn moeder, tante, oom, de vrouw van de leraar, en de vrouwen van eerbiedwaardige mannen. (A.II.9)


36. Nederig zijn

    "Nederig te zijn is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 265)

       De wijze mens prijst zichzelf niet aan, stelt zich niet in het licht. Hij of zij is in plaats daarvan bedwongen, houdt zich op de achtergrond.

 
37. Tevreden te zijn
 
   "Tevreden te zijn is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 265)

          Tevredenheid betekent vrede van gemoed voor de persoon die ze bezit. Begeerte betekent juist het tegendeel ervan. Men moet tevreden zijn met genoeg kleren en voedsel, met voldoende levensruimte en genoeg medicijnen. Genoeg is hier dat men weinig moeite heeft om iets te houden en te handhaven; wat meer is dan dat brengt angst en zorgen.
       Deze zegen van tevredenheid moet niet misverstaan worden als een raad om geen moeite in het leven te doen. Leken moeten zich inspannen om datgene te verwerven wat nodig is voor een gelukkig leven zonder armoede en zonder honger.
 
   Twee mensen zijn moeilijk tevreden te stellen, namelijk degene die alles wat hij ontvangt, bewaart; en degene die alles wat hij ontvangt, weggeeft.
   Gemakkelijk tevreden te stellen is degene die niet alles wat hij ontvangt, bewaart; en degene die niet alles wat hij ontvangt, weggeeft. (A.II.122-123)


38. Dankbaar te zijn

   Dankbaar te zijn is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers 265)

   Twee mensen ontmoet men zelden in de wereld, namelijk de hoffelijke en de dankbare. (A.II.120)
 
        Dankbaar te zijn is het zich herinneren aan wat anderen voor iemand hebben gedaan. De Boeddha zei: “Het is moeilijk de volgende twee soorten mensen te vinden in de wereld, namelijk iemand die eerst handelt (d.w.z. die iets vriendelijks doet of hulp biedt), en iemand die dankbaar is.”

    De slechte mens is ondankbaar en toont geen waardering. Want ondankbaarheid en gebrek aan waardering zijn kenmerkend voor slechte karakters. Ze vormen het kenmerk van een slecht mens.
   De goede mens daarentegen is dankbaar en toont waardering. Want dankbaarheid en waardering zijn kenmerkend voor goede karakters. Ze vormen het kenmerk van een goed mens. [A.II.33]


Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #23 Gepost op: 10-05-2017 14:11 »
39. Op passende tijden naar de leer te luisteren

   Naar de leer te luisteren op passende tijden (of erover te lezen) is een zeer hoge zegening.(Sn II.4 vers 265)

   Indien iemand de leer navolgt, brengt hem dat geluk. (Sn.I.10 vers 182)

   “Door op de leer van de heiligen te vertrouwen,
   welke leer naar de verwezenlijking van Nibbāna voert,
   door er goed naar te luisteren,
   steeds achtzaam en met inzicht,
   zo verkrijgt men wijsheid. (Sn.I.10 vers 186)

         Naar de leer luisteren betekent ook het lezen over de leer, kennis van de leer via studie van boeken en/of tijdschriften (of online). Sommige van de algemene gelegenheden die bij uitstek geschikt zijn om naar de leer te luisteren of erover te lezen zijn: (a) Heilige dagen, zoals de dagen van volle maan of tijdens Boeddhistische feestdagen. (b) Als ziekte en lijden iemand ontvankelijk maken om de waarheid van onvoldaanheid, lijden (dukkhā) te begrijpen; en als iemand daardoor bereid genoeg is om een weg uit het lijden te zoeken. (c) Als het gemoed naar de leer geneigd is, zoals gedurende perioden van meditatie-beoefening. (d) Als slechte gedachten de geest binnengedrongen zijn maar nog niet volledig bezit ervan hebben genomen. (e) Op het tijdstip van de dood, bij het sterven, als de concentratie van de geest een gelukkige wedergeboorte kan veroorzaken of zelfs kan helpen om een van de paden en vruchten van heiligheid te bereiken.

   Degene die de Dhamma liefheeft, gaat vooruit;
   degene die van de Dhamma een afkeer heeft,
   gaat achteruit.” 

   Een oorzaak voor achteruitgang, neergang, verval
   is als men afkerig is van de leer. (Sn.I.6 vers 92)

   “Wie de Dhamma in zich opneemt, vertoeft in geluk met een vredige geest. De wijze verheugt zich steeds in de leer die door de edelen (Arahants) geopenbaard is.” (Dhp.79).

   Vier eigenschappen moeten ontplooid en geoefend worden. Ze voeren naar verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet meer wederkeer, en van volmaakte heiligheid. Ze voeren naar het verkijgen, groei en rijpheid van wijsheid. Die 4 eigenschappen zijn: 1) omgang met juiste mensen; 2) luisten naar de juiste leer; 3) gedegen oplettendheid; 4) het navolgen van de leer. (S.55.5-74)


40. Verdraagzaam en geduldig te zijn
    
   “Verdraagzaam en geduldig te zijn is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers 266)

          Verdraagzaam zijn betekent te vergeven, tolerant te zijn, de fouten van anderen te verdragen. Verdraagzaamheid stelt iemand in staat om met gelijkmoedigheid de stroom van gebeurtenissen te aanvaarden. Men gaat bedaard verder met wat te verrichten is. In feite wordt zelfs met een beetje van deze deugd het gemoed koel, zuiver en kalm. Hitte en koude, honger en dorst, insecten enz. kunnen dan goed verdragen worden. Ook de scherpe woorden van anderen, woorden die het ego schijnen aan te vallen, verdraagt men geduldig. Verdraagzaamheid is een belangrijke deugd. Ze sluit in de deugd van vergevensgezindheid.
          De basis voor alle verdraagzaamheid en geduld ten opzichte van anderen is geduldig en verdraagzaam te zijn met zichzelf. Om verdraagzaam te zijn zouden wij de grootheid van geest moeten hebben om onszelf te zien als menselijke wezens, liever dan als Nederlanders, Belgen, Duitsers, Amerikanen, Chinezen, Russen, Turken, Marokkanen, enz.
          Onverdraagzaamheid en dogma’s gaan steeds samen. Een ongehinderde en vreedzame vooruitgang in sociale ontwikkeling, deugdzaamheid, wetenschap, kunst en filosofie is alleen dáár mogelijk waar verdraagzaamheid en vrijheid van denken heersen. Zo’n vooruitgang is niet mogelijk waar religieuze en politieke voogdij en onverdraagzaamheid overheersen en waar de vrijheid van de mensen wordt onderdrukt.
          Dit gevoel van verdraagzaamheid wordt bovenal bevorderd door de universele en alles-omvattende gedachte van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Ze vormt in het Boeddhisme als het ware de morele grondslag waarop alle vooruitgang op moreel en sociaal gebied is gebaseerd.

   Wanneer de dwaas met ruwe woorden scheldt, meent hij te winnen. Maar gewonnen heeft degene die verdraagzaam is. Als men op de toornige weer toornig is, is dat alleen maar erger. Maar wie niet toornig wordt op de toornige, die wint de zware strijd. Wanneer iemand op ons scheldt, ons beschimpt, dan nemen wij dat niet aan. Het valt terug op degene die scheldt of beschimpt. Wie niet boos wordt op degene die boos is op ons, die wint de zware strijd. Degene die rustig blijft, werkt voor beider heil, voor eigen heil en voor dat van de ander. De mensen die de leer niet kennen, houden hem voor een dwaas. Maar hij brengt genezing voor beiden. (S.VII.2; S.VII.3)


41. Gehoorzaam en gedwee te zijn

   Gehoorzaam te zijn is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers 266)
 
          De betekenis hiervan wordt in de commentaren als volgt aangeduid: “Gehoorzaam en gedwee zijn degenen aan wie gemakkelijk adviezen gegeven kunnen worden. Het zijn degenen tot wie gemakkelijk iets gezegd kan worden. Verder zijn met hen bedoeld degenen die voor verbetering vatbaar zijn. Iemand die gedwee is, verdraagt kritiek en is dankbaar en hoffelijk bij het aannemen van raad. Iemand die gedwee is wanneer hij verbeterd wordt, heeft de gelegenheid om de Dhamma te leren, dit in tegenstelling tot degene die moeilijk is toe te spreken.”   
 

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #24 Gepost op: 11-05-2017 14:15 »
42. Naar monniken gaan; religieuze gesprekken voeren op passende tijden

   Naar monniken te gaan; religieuze gesprekken te voeren op passende tijden is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers 266)

         Een oorzaak voor achteruitgang, verval, neergang is als men afkerig is van de leer. (Sn.I.6. Vers 92)

   Wie smalend spreekt over de Boeddha of zijn discipel, hetzij monnik of leek, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 134)

          Omdat de leer een diepgaand onderwerp is, is oprechte inspanning nodig om ze juist te begrijpen en om ze voor het praktische leven toe te passen. Dit kan gemakkelijker door middel van gesprekken of eventueel door briefwisseling of e-mail met anderen die een grondige kennis hebben van de leer. Zonder de hulp van wijze monniken of ervaren leken is het erg moeilijk om de leer in praktijk te brengen.
         Ook kan men zich verdiepen in de leer door erover te lezen of vertalingen van leerreden te bestuderen.
 
   Een man of vrouw bezoekt een monnik of godheid en vraagt dan niet: “Wat is heilzaam en wat is onheilzaam? Wat moet gecultiveerd worden en wat niet? Welke daden hebben nadelige gevolgen? Of welke daden voeren naar geluk en welzijn?” Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon dom. Dit is de weg die voert naar domheid, namelijk het nalaten van vragen stellen. (M.135).
   (Tegenwoordig hoort hier ook bij: het nalaten van het lezen van Boeddhistische geschriften).

     Wie een monnik of godheid bezoekt en dan wel vraagt: ‘Wat is heilzaam en wat is onheilzaam? Wat moet gecultiveerd worden en wat niet? Welke daden hebben nadelige gevolgen? Of welke daden voeren naar geluk en welzijn?’ ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon wijs. Dit is de weg die voert naar wijsheid, namelijk het stellen van vragen aan monnik of godheid. (M.135).

   Door wijsheid wordt men geheel gezuiverd. (Sn.I.10 vers 184)

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #25 Gepost op: 12-05-2017 18:34 »
43. Zichzelf in bedwang te hebben
 
   “Zelfbedwongen te zijn is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 267)

          Zichzelf in bedwang te hebben betekent de onderdrukking van lust en begeerte en van afkeer en kwaadwil. Men kan die opwellingen onderdrukken door het beheersen van de zintuigen. Onderdrukking van lust kan men doen door na te denken over de walgelijkheid, de onreinheid van het lichaam. De overweging is als volgt: “Er is in en aan dit lichaam hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, ingewanden, maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine, en hersenen.”

          Zichzelf in bedwang te hebben is ook het onderdrukken van traagheid door het opwekken van energie. Steeds weer wordt de volgeling van de Boeddha eraan herinnerd dat hij moet vertrouwen op eigen inspanningen. Er is niemand op deze aarde en ook niemand in de hemel die ons kan helpen en die ons kan bevrijden van de resultaten van eerder door ons verrichte euvele daden.

              “Door iemand zelf is het kwade gedaan,
              door iemand zelf wordt zuiverheid verkregen.
              Reinheid en onreinheid
              ontstaan uit iemand zelf;
              er is niemand anders die onze verlosser is.”

   "Degene die met de volgende drie vaardigheden is uitgerust, gaat op het absoluut zekere pad en bezit de deugdelijke middelen tot uitdroging van de neigingen. Hij  houdt de deuren van de zintuigen bewaakt, kent de maat bij de maaltijd, en oefent vlijtig de oplettendheid.
   Hoe houdt hij de deuren van de zintuigen bewaakt?
   Wanneer hij met het oog een vorm ziet, dan hecht hij niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij het onbewaakte oog begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in hem kunnen binnenstromen, daarom doet hij moeite dat te verhinderen. Hij waakt over het oog en beteugelt het. 
   Wanneer hij met het oor een geluid verneemt – wanneer hij met de neus een geur ruikt – wanneer hij met de tong een smaak proeft – wanneer hij met het lichaam iets tastbaars voelt – wanneer hij zich in de geest bewust is van een gedachte, - dan hecht hij niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij de onbewaakte zintuigen begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in hem kunnen binnenstromen, daarom doet hij moeite dat te verhinderen. Hij waakt over de zintuigen en beteugelt ze. Zo waakt men over de deuren van de zintuigen." (A.III.16)

   “Door een aantrekkelijk object komt de nog niet ontstane begeerte tot ontstaan komt en komt de reeds ontstane begeerte tot groei en ontwikkeling. Want bij degene die over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte krijgt groei en ontwikkeling.
   Door een afstotend object komt de nog niet ontstane afkeer (vyâpâda) tot ontstaan en komt de ontstane afkeer tot groei en ontwikkeling. Want wie onwijs nadenkt over een afstotend object, bij hem komt de niet ontstane afkeer tot ontstaan en de ontstane afkeer krijgt groei en ontwikkeling.
   Door lusteloosheid en traagheid, het luie strekken van de ledematen, de sufheid na de maaltijd en geestelijke slapheid komt de nog niet ontstane starheid en luiheid tot ontstaan en komt de ontstane starheid en luiheid tot groei en ontwikkeling. Want bij degene die geestelijk slap is komt de niet ontstane starheid en luiheid tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid krijgt groei en ontwikkeling.
   Door de innerlijke ontevredenheid komt de nog niet ontstane opwinding en gewetensonrust tot ontstaan en komt de ontstane opwinding en gewetensonrust tot groei en ontwikkeling. Want bij degene die innerlijk onrustig is, bij hem komt de niet ontstane opwinding en gewetensonrust tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust krijgt groei en ontwikkeling.
   Door onwijs nadenken komt de niet ontstane twijfel tot ontstaan en komt de ontstane twijfel tot groei en ontwikkeling. Want wie onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel tot ontstaan en de ontstane twijfel krijgt groei en ontwikkeling.

   Niets anders [niets beters] is er waardoor de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en de ontstane begeerte verdwijnt, dan een afstotend object (asubha-nimitta). Want wie wijs nadenkt over een afstotend object, bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt.
   Niets anders is er waardoor de niet ontstane afkeer niet tot ontstaan komt en de ontstane afkeer verdwijnt dan metta, de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart. Want wie wijs nadenkt over metta, de goedheid, de bevrijding van het hart, bij hem komt de niet ontstane afkeer niet tot ontstaan en de ontstane afkeer verdwijnt.
   Geen ander middel is er waardoor de ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan komt en de ontstane starheid en luiheid verdwijnt, dan de geestelijke houding van de wilskracht, het vooruit streven, en de energieke volharding. Want wie zijn wilskracht inzet, bij hem komt de niet ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid verdwijnt.
   Niets anders is er waardoor de niet ontstane opgewondenheid en geestelijke onrust niet tot ontstaan komt en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt, dan de innerlijke rust. Want bij degene die innerlijk rustig is, komt de niet ontstane opgewondenheid en gewetensonrust niet tot ontstaan en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt.
   Niets anders is er waardoor de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan komt en de ontstane twijfel verdwijnt dan wijs nadenken. Want wie wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane twijfel niet tot ontstaan en de ontstane twijfel verdwijnt. (A.I.2)
   
   Tot grote onzegen voert de geest die onbedwongen is, onbewaakt.
   Tot grote zegen voert de geest die bedwongen is en bewaakt. (A.I.4)

   De geest is de voorloper van alle onheilzame dingen. Want de geest, het geestelijke (mano) stijgt eerst op, en dan volgen de onheilzame dingen.
   De geest is de voorloper van alle heilzame dingen. Want het geestelijke, de geest stijgt eerst op, en dan volgen de heilzame dingen. (A.I.13; vgl. Dhp.1-2)

   "Door verwaarlozing en onachtzaamheid (pamâda) komen de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane heilzame dingen.
   Door de energie, ijver komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane onheilzame dingen. Bij de ijverige, energieke, namelijk komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane onheilzame dingen.
   Door de traagheid komen de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan en verdwijnen de ontstane heilzame dingen.
   Dit geldt ook wat betreft de veeleisendheid, de ontevredenheid, het onwijze nadenken, de geestelijke onzuiverheid, de slechte omgang, de uitoefening van onheilzame dingen en het niet uitoefenen van heilzame dingen.
   Niets anders is er waardoor de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan komen en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen, dan het inzetten van de wilskracht, de tevredenheid, het wijze nadenken, de helderheid van weten, edele omgang, het uitoefenen van heilzame dingen en het niet uitoefenen van onheilzame dingen." (A.I.14)

   "Niets anders is er dat tot grote tegenspoed voert dan achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.
   Niets anders is er dat tot zo'n hoge zegen voert dan ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid, - tevredenheid, – wijs nadenken, – edele omgang, – het uitoefenen van heilzame dingen, en het niet uitoefenen van onheilzame dingen." (A.I.17) 

   "Geen andere innerlijke oorzaak voert tot zo'n grote tegenspoed dan achteloosheid, – traagheid, – veeleisendheid, – ontevredenheid, – onwijs nadenken, – geestelijke onhelderheid, – slechte omgang, – het uitoefenen van onheilzame dingen, – het niet uitoefenen van heilzame dingen.
   Geen andere uiterlijke oorzaak voert tot zo'n grote tegenspoed dan slechte omgang.
   Geen andere innerlijke oorzaak voert tot zo'n grote zegen dan ijver, – het inzetten van de wilskracht, – bescheidenheid,- tevredenheid, – wijs nadenken, – helderheid van weten, – het uitoefenen van heilzame dingen, en het niet uitoefenen van onheilzame dingen.
   Geen andere uiterlijke oorzaak voert tot zo'n grote zegen dan edele omgang." (A.I.18) 

   "Niets anders is er waardoor de niet ontstane onheilzame dingen ontstaan en de ontstane onheilzame dingen tot groei en ontwikkeling komen, dan de verkeerde opvatting. Bij iemand die een verkeerde opvatting heeft, komen de niet ontstane onheilzame dingen tot ontstaan en krijgen de ontstane onheilzame dingen groei en ontwikkeling.
   Niets anders is er waardoor de niet ontstane heilzame dingen ontstaan en de ontstane heilzame dingen tot groei en ontwikkeling komen dan juist inzicht. Bij iemand die juist inzicht heeft, komen de niet ontstane heilzame dingen tot ontstaan en de ontstane krijgen groei en ontwikkeling.
   Niets anders bewerkstelligt zozeer dat de niet ontstane heilzame dingen niet ontstaan en de ontstane heilzame dingen verdwijnen, dan verkeerde opvatting.
   Niets anders bewerkstelligt zozeer dat de niet ontstane onheilzame dingen niet ontstaan en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen, dan juist inzicht.
   Niets anders bewerkstelligt zodanig dat de niet ontstane verkeerde opvatting ontstaat, dan onwijs nadenken.
   Niets anders bewerkstelligt zozeer dat het niet ontstane inzicht ontstaat, dan wijs nadenken.
   Niets anders bewerkstelligt zozeer dat de wezens na de dood in een lager bestaan komen, op een spoor van lijden, in bestaansafgronden, in een hel, dan de verkeerde opvatting.
   Niets anders bewerkstelligt zozeer dat de wezens na de dood op een gelukkig spoor van bestaan komen, in een hemelse wereld komen, dan juist inzicht." (A.I.27) 

    Een onontwikkelde geest brengt tegenspoed en geen geluk. Een ontwikkelde geest brengt voorspoed en geluk. (A.I.28-31)

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #26 Gepost op: 13-05-2017 11:33 »
44. Een heilig en zuiver leven te leiden
 
   Een heilig en zuiver leven te leiden is een zeer hoge zegening. (Sn II.4 vers  267)
   
          Dit houdt in dat men volledig afziet van seksueel gedrag. Door de studie en praktische beoefening van de leer verkrijgt men zelfbeheersing. En een belangrijk deel ervan is het beheersen van seks. De energie die anders voor seks wordt gebruikt, maakt dat de heldere meditatieve geest krachtiger wordt. En zij geeft ook de aanzet tot heilzame daden.
          Seksueel verlangen is een geconcentreerde vorm van zingenot (sensualiteit). Daarom is het de oorzaak voor veel zorgen. Om die reden heeft de Boeddha getoond hoe dat verlangen beteugeld kan worden, allereerst door het naleven van de vijf basisregels en vervolgens door meditatie, zoals het nadenken over de walgelijkheid, de onzuiverheid van het lichaam.
    Voor de leek is seks in beperkte mate toegestaan, en wel zoals in de derde regel van deugdzaamheid is omschreven. Monniken moeten zich onthouden van alle seksuele activiteiten, in gedachten, in woorden en in daden.
          Ook leken kunnen het voorschrift van seksuele onthouding naleven als zij dat wensen. De meeste Boeddhisten houden deze regel van seksuele onthouding op de Uposatha-dagen en op Boeddhistische feestdagen. Sommige leken met een sterke zelfbeheersing en met een vast voornemen om vooruit te komen in de praktijk van meditatie, houden steeds deze regel van seksuele onthouding.

   Wie zich als heilige uitgeeft zonder heilige te zijn, wie aldus een dief is in de wereld inclusief Brahmā, ken hem als de laagste verschoppeling. (Sn.I.7 vers 135)

    Bij degene die de vijf regels opvolgt, bij hem zijn de vijf gevaren tot rust gekomen. Hij volgt de vier schakels van stroomintrede na, namelijk hij neemt zijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha; en hij volgt de deugden na die door de edelen geprezen worden. De methode is aldus: De edele volgeling richt zijn aandacht (oplettendheid) op het oorzakelijk ontstaan. (S.56.28)

Oorzakelijk ontstaan (in het kort)

   In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties. In afhankelijkheid van wilsformaties ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking, contact. In afhankelijkheid van aanraking ontstaat gewaarwording, gevoel. In afhankelijkheid van gewaarwording ontstaat dorst, begeerte. In afhankelijkheid van dorst ontstaat inbezitname, hechten. In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat worden. In afhankelijkheid van worden ontstaat geboorte. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Op die manier komt de hele massa van lijden tot stand. Zo is het ontstaan van deze hele massa van lijden. Dat is het ontstaan.”
   Als geboorte afwezig is, is ouderdom en sterven afwezig. Als worden afwezig is, is geboorte afwezig. Als hechten, inbezitname afwezig is, is worden afwezig. Als begeerte, levensdorst afwezig is, is hechten afwezig. Als gevoel afwezig is, is begeerte afwezig. Als aanraking afwezig is, is gevoel afwezig. Als de zes zintuigen afwezig zijn, is aanraking afwezig. Als geest-lichamelijkheid afwezig is, zijn de zes zintuigen afwezig. Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig. Als geest-lichamelijkheid afwezig is, is bewustzijn afwezig. (D.14.2.20)

   Door het ophouden van onwetendheid houden wilsformaties op. Door het ophouden van wilsformaties houdt bewustzijn op. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houdt bewustzijn op. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op (verdwijnt de zesvoudige basis). Door het ophouden van de zes zintuigen (de zesvoudige basis) houdt aanraking, contact op. Door het ophouden van aanraking, contact houdt gewaarwording, gevoel op. Door het ophouden van gewaarwording, gevoel houdt levensdorst, begeerte op.
Door het ophouden van levensdorst, begeerte houdt inbezitname, hechten op. Door het ophouden van inbezitname, hechten houdt worden op. Door het ophouden van worden houdt geboorte op. Door het ophouden van geboorte houden ouderdom en sterven, leed, gejammer, geweeklaag, lijden. pijn, ellende, zorg en wanhoop op. Zo is het ophouden van deze hele massa van lijden. (D.14.2.19-20; D.15.3; Ud.1.1; S.12.4 t/m S.12.10; S.12.21.3; S.12.22.2-4; S.55.28)

Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #27 Gepost op: 13-05-2017 17:23 »
.....In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties.
In afhankelijkheid van wilsformaties ontstaat bewustzijn.
In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid.
In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn.
In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid.
In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen.
In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking, contact.
In afhankelijkheid van aanraking ontstaat gewaarwording, gevoel.
In afhankelijkheid van gewaarwording ontstaat dorst, begeerte.
In afhankelijkheid van dorst ontstaat inbezitname, hechten.
In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat worden.
In afhankelijkheid van worden ontstaat geboorte.
In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop.....

Ik ben gewend aan twaalf schakels.
Het lijkt erop dat er hier sprake is van dertien schakels.
Ergens bij 4 en 5 gaat het mijn begrip te boven....
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #28 Gepost op: 14-05-2017 02:35 »
Beste DirkJan,

Oorzakelijk ontstaan

     De leer van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppâda) wordt de edele weg genoemd. Door het overdenken en inzien van oorzakelijk ontstaan kan men een of meer van de niveaus van heiligheid bereiken.

   De keten van oorzakelijheid wordt ook uitgebreid omschreven zoals jij hierboven hebt aangehaald. Ik zal proberen er een uitleg van te geven, aan de hand van veel teksten.

1. Onwetendheid

   Wat is onwetendheid, niet-weten? – Onwetend is degene die het lijden niet kent, die het ontstaan ervan niet kent, die de opheffing ervan niet kent, en die het pad naar de opheffing ervan niet kent. – Wetend daarentegen is degene die wel het lijden kent, het ontstaan ervan, de opheffing ervan, en het pad naar de opheffing ervan.
   De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad.
   Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.
   De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat voert naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad.
   
   Na het verdwijnen van onwetendheid komen bij de volmaakte heilige geen vragen meer op over ouderdom en dood, geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, het bereik van de zes zintuigen, naam-en-vorm, bewustzijn.

    2. In afhankelijkheid van onwetendheid ontstaan wilsformaties.

   De formaties, vormingen (dit zijn de wedergeboorte producerende wilsacties (cetanâ), of karma-formaties)  hebben onwetendheid als oorzaak, onwetendheid als oorsprong. Wanneer onwetendheid aanwezig is, ontstaan de formaties, vormingen. Afhankelijk van onwetendheid (avijja) ontstaan wilsformaties (samkhara). Uit het niet-weten ontstaan de formaties (vormingen).
   De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties.
   m.a.w. Iemand die niet volmaakt heilig is, iemand die nog onwetendheid heeft, produceert nog wilsactiviteiten in daden, woorden en gedachten.


   3. In afhankelijkheid van wilsformaties ontstaat bewustzijn.

   Afhankelijk van wilsformaties ontstaat bewustzijn (viññanam) dat tot wedergeboorte voert.
   Bewustzijn heeft de formaties als oorzaak. Wanneer de formaties er niet zijn, is bewustzijn er niet. De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn.
   Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan.
   Bewustzijn verschijnt bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft.
   
   4. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid.

    Geestlichamelijkheid  is afhankelijk van bewustzijn. Als bewustzijn aanwezig is, is geestlichamelijkheid aanwezig. Afhankelijk van bewustzijn ontstaat geestlichamelijkheid (naam en vorm). Als bewustzijn afwezig is, is geest-lichamelijkheid afwezig. Als bewustzijn niet in de schoot van een moeder intrad, zou geest-lichamelijkheid niet kunnen ontstaan.
   Als bewustzijn na in de moederschoot ingetreden te zijn, weer zou uittreden, zou er geen geestlichamelijkheid hier in dit leven kunnen ontstaan.
   Als bewustzijn nog in de jeugd bij een jongen of meisje zou worden afgesneden, dan zou geestlichamelijkheid niet kunnen toenemen, groeien, tot ontwikkeling komen. 
   Daarom is bewustzijn de voorwaarde voor geestlichamelijkheid.
   En wat is geestlichamelijkheid, naam en vorm? – Gevoel, waarneming, bedoeling, voorstelling, denken, aanraking, oplettendheid, overweging: dat heet naam (geest). De vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die afhankelijk is van die grofstoffelijke elementen, dat heet vorm (lichaam).   

   3a. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaat bewustzijn.

   Bewustzijn is afhankelijk van geestlichamelijkheid. Als geestlichamelijkheid aanwezig is, is bewustzijn aanwezig. In afhankelijkheid van geestlichamelijkheid is bewustzijn aanwezig.
   Uit de formaties, vormingen ontstaat bewustzijn. Als bewustzijn in geestlichamelijkeid geen basis gevonden had, zou er verder geen ontstaan en oorsprong van geboorte, ouderdom, sterven, lijden zijn. Daarom is geestlichamelijkheid de voorwaarde voor bewustzijn.
   En wat is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van naam en vorm komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van naam en vorm is het beëindigen van bewustzijn.
   Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.
   (Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden).

   4a. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid.

   Bewustzijn wordt veroorzaakt door geestlichamelijkheid en geestlichamelijkheid door bewustzijn. Dit bewustzijn keert terug naar geestlichamelijkheid. Het gaat niet verder. In zoverre kan geboorte ontstaan, kan ouderdom, sterven, verdwijnen, wedergeboorte ontstaan; in zoverre bestaat de mogelijkheid tot naamgeving, de mogelijkheid voor uitleg; in zoverre bestaat het hele gebied van begrijpen, namelijk in dit samenzijn van geestlichamelijkheid en bewustzijn. In zoverre kan men geboren worden, ouder worden en sterven; in zoverre kan men verdwijnen en weer opduiken.

   5. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen.

   Als geestlichamelijkheid (naam en vorm) aanwezig is, zijn de zes zintuigen aanwezig. Afhankelijk van geestlichamelijkheid ontstaat de zesvoudige basis (salayatanam). Uit naam en vorm ontstaat het bereik van de zintuigen. (De vijf zintuigen en de geest als zesde)
   Alle vormen, alle verschillen, alle eigenschappen, alle bijzonderheden waardoor het geestelijke deel gevormd wordt, als die allemaal niet daar waren, niet bestonden, dan zouden aan het lichamelijk deel geen geestelijke symptomen verschijnen.
   Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor het lichamelijke deel gevormd wordt, als die allemaal niet daar waren, dan zouden aan het geestelijke deel geen lichamelijke symptomen verschijnen.
   Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor zowel het geestelijke deel als het lichamelijke deel gevormd worden, als die niet daar waren, dan zouden geen geestelijke of lichamelijke symptomen verschijnen.     
   En wat is het bereik van de zes zintuigen? – Het bereik van het oog, het bereik van het oor, het bereik van de neus, het bereik van de tong, het bereik van het lichaam, het bereik van de geest.

   6. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking, contact.

   Contact, aanraking (phasso) is afhankelijk van de zes zintuigen. Als de zes zintuigen aanwezig zijn, is aanraking aanwezig. Afhankelijk van de zesvoudige basis ontstaat contact. De oorzaak van aanraking is het bereik van de zes zintuigen.
   Alle vormen, verschillen, eigenschappen, bijzonderheden waardoor de geestlichamelijkheid gevormd wordt, als die niet daar waren, dan zou er geen zintuiglijke aanraking, zintuiglijk contact zijn. Daarom is geestlichamelijkheid met de zes zintuigen de voorwaarde voor aanraking, contact.
   En wat is aanraking, contact? – Contact door het oog; contact door het oor; contact door de neus; contact  door de tong; contact door het lichaam; contact door de geest. Kortom contact met een object door een van de zinsorganen.

   7. In afhankelijkheid van aanraking ontstaat gewaarwording, gevoel.

   Gevoel (vedana) is afhankelijk van aanraking, contact. Als aanraking, contact aanwezig is, is gevoel aanwezig. Als er geen contact was met de zes zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam, geest), zou er geen gevoel kunnen ontstaan. Daarom is contact, aanraking de oorzaak voor gevoel.
   En wat is gevoel, gewaarwording, waarneming? – Het gevoel ontstaan door het zien, gewaarwording geboren uit contact met het oog, waarneming van vorm. Het gevoel ontstaan door het horen, gewaarwording geboren uit contact met het oor, waarneming van geluid. Het gevoel ontstaan door het ruiken, gewaarwording geboren uit contact met de neus, waarneming van geur. Het gevoel ontstaan door het proeven, gewaarwording geboren uit contact met de tong, waarneming van smaak. Het gevoel ontstaan door aanraking, gewaarwording geboren uit contact met het lichaam, waarneming van aanrakingen. Het gevoel ontstaan door denken, gewaarwording geboren uit contact met de geest, waarneming van ideeën en gedachten. Kortom het gevoel dat ontstaat door contact van een zinsorgaan met een object.
   
   Er zijn drie soorten gevoel, namelijk aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, gevoel dat niet aangenaam en niet onaangenaam is.

   En wat is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.

   8. In afhankelijkheid van gewaarwording ontstaat dorst, begeerte.

   Wat is dorst? – De dorst naar vorm; de dorst naar geluid; de dorst naar geuren; de dorst naar smaak; de dorst naar aanraking; de dorst naar gedachten; de dorst naar de (empirische) dingen.
   Dorst, begeerte (tanha) is afhankelijk van gevoel. Als gevoel aanwezig is, is begeerte, dorst aanwezig. Als er geen gevoel was, nergens, geen gevoel ontstaan uit contact met zichtbare objecten, noch gevoel ontstaan uit contact met geluiden, noch gevoel ontstaan uit contact met geuren, noch gevoel ontstaan uit contact met smaken, noch gevoel ontstaan uit contact met aanrakingen, noch gevoel ontstaan uit contact met denken, als er helemaal geen gevoel was, zou er geen dorst kunnen ontstaan. Daarom is gevoel de oorzaak voor dorst.
   Waar ontstaat de dorst? Waar dringt de dorst binnen als hij ontstaat? – Wat dierbaar en aangenaam is in de wereld, daar ontstaat de dorst steeds weer, daar dringt hij steeds weer binnen.
   Wat is dierbaar en aangenaam in de wereld? – Het zien is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen. Het horen is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen. Het ruiken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen. Het proeven is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen. Het aanraken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen. Het denken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Dorst neemt toe bij degene die het aangename van de dingen die met grijpen en met de boeien samenhangen, in het oog heeft.

   9. In afhankelijkheid van dorst ontstaat inbezitname, hechten.

   Wat is inbezitname, hechten? – Het hechten aan de zinnelijkheid; het hechten aan verkeerde inzichten; het hechten aan gebruiken en rituelen; het hechten aan de leer van een zelf, van een “ik”.
   Inbezitname, grijpen, hechten (upadanam) is afhankelijk van begeerte, levensdorst. Als dorst, begeerte aanwezig is, is inbezitname, hechten aanwezig. Als er geen dorst was, nergens, als er geen dorst was naar vormen, geen dorst naar klanken, geen dorst naar geuren, geen dorst naar smaken, geen dorst naar aanrakingen, geen dorst naar begrippen, ideeën, gedachten, als er helemaal geen dorst was, dan zou er geen hechten kunnen ontstaan. Daarom is dorst de oorzaak voor hechten.

   Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, neemt de dorst toe. De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van het grijpen, de inbezitname.

   10. In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat worden.
   
   Worden (bhavo) is afhankelijk van inbezitname, grijpen, hechten.  Als inbezitname, grijpen, hechten aanwezig is, is worden aanwezig. Uit het grijpen,  inbezitname ontstaat het worden. Als er geen inbezitname, hechten was, nergens, noch in vorm van zinnelijkheid, noch in vorm van theorieën, noch in vorm van religieuze oefeningen, noch in vorm van geloof in een ziel, als er helemaal geen hechten was, zou er geen worden kunnen ontstaan. Daarom is inbezitname, grijpen, hechten de oorzaak voor worden.
   En wat is worden? – De drie vormen van het worden zijn: het worden (in de wereld) van de zinnelijkheid; het worden (in de wereld) van de vorm; het worden in de vormloze sfeer.
   Worden is het proces van in bestaan treden als embryo of ei. Het bestaat in het actieve en het passieve levensproces, d.w.z. het wedergeboorte producerende karma proces (kamma-bhava) en als gevolg ervan het wedergeboorte proces (upapatti-bhava).

   11. In afhankelijkheid van worden ontstaat geboorte.

   Geboorte (jati) is afhankelijk van worden. Als worden aanwezig is, is geboorte aanwezig. Als er geen worden was, nergens, noch in de zinnelijke sferen van bestaan, noch in de grofstoffelijke sferen van bestaan, noch in fijnstoffelijke of onstoffelijke sferen van bestaan, als er helemaal geen worden was, zou er geen geboorte kunnen volgen. Daarom is worden de oorzaak voor geboorte.
   En wat is geboorte? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan, het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte.
   De groeperingen van bestaan (khandhā) zijn vorm (rūpa), gevoel (vedanā), waarneming (saññā), formaties (samkhārā) en bewustzijn (viññāna).

   12. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop.....

    Ouderdom en sterven zijn afhankelijk van geboorte. Als geboorte aanwezig is, zijn ouderdom en sterven aanwezig. Als er geen geboorte was, nergens, niet in de godenwereld, noch in de lagere sferen van bestaan, noch in de menselijke wereld, als er helemaal geen geboorte was, zou er geen ouderdom en sterven kunnen volgen. Daarom is geboorte de oorzaak voor sterven. Afhankelijk van geboorte ontstaan ouderdom en dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed, zorg en wanhoop.

Groeten
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-05-2017 15:32 door nico70 »

Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #29 Gepost op: 14-05-2017 07:45 »
Oeps dat zijn er zelfs veertien.

Kzal het eens op mijn gemak
proberen in te zien.

met vriendelijke groet
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #30 Gepost op: 14-05-2017 12:38 »
44a. Vijf overwegingen voor iedereen


   Ook kan de leek dagelijks of wekelijks de volgende vijf onderwerpen overwegen. Zij zijn door de Boeddha aanbevolen voor zowel mannelijke en vrouwelijke leken als monniken en nonnen. Die vijf overwegingen zijn:

   'Het is zeker dat ik oud word; ik kan het proces van veroudering niet ontgaan.
   Het is zeker dat ik ziek word; ik kan ziekte niet ontgaan.
   Het is zeker dat ik zal sterven; ik kan de dood niet ontgaan.
   Bij alle dingen die dierbaar en geliefd zijn, zal er verandering komen en er zal scheiding van komen.
   Ik ben de eigenaar van mijn wilsacties en de erfgenaam ervan; mijn daden zijn de moederschoot waaruit ik ontsproot; wilsacties zijn mijn familie en mijn bescherming. Welke daden ik ook zal doen, goede of slechte, ik zal de erfgenaam ervan zijn.'

   Om welke goede reden moeten mannen en vrouwen, leken en monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker oud worden en dat zij het proces van veroudering niet kunnen ontgaan?
   Als men jong is, is men trots op de jeugd. Verdwaasd door die jeugdige overmoed leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ouderdom zeker is, zal de jeugdige overmoed of helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het ouder worden.

   En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker ziek worden en dat zij ziekte niet kunnen ontgaan?
   Als men gezond is, is men trots op de gezondheid. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ziekte zeker is, zal de hoogmoed vanwege de goede gezondheid of helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over ziekte.

   En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker zullen sterven en dat zij de dood niet kunnen ontgaan?
   Als men vol leven is, is men trots op het leven. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat de dood zeker is, zal de hoogmoed vanwege vol leven te zijn of helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over de dood.

   En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen?
   Men heeft een krachtig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is. Verdwaasd door verlangen leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over het feit van verandering en scheiding, zal het krachtige verlangen naar wie of wat dierbaar en geliefd is of helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen.

   En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij eigenaren en erfgenamen zijn van hun wilsacties, dat de daden de moederschoot zijn waaruit zij ontsproten zijn, dat wilsacties hun familie en hun bescherming zijn, en dat wat voor daden zij ook zullen doen, goede of slechte, zij er de erfgenamen van zijn?
   Er zijn mensen die een slecht leven leiden in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over zijn verantwoordelijkheid van eigen daden, zal zo'n slecht gedrag of helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men verantwoordelijk is voor eigen daden.

   De edele volgeling overweegt aldus: 'Ik ben niet de enige die met zekerheid oud en ziek zal worden en zal sterven. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, zij allen zijn onderhevig aan veroudering, ziekte en dood.'
   Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen.

   Verder overweegt de edele volgeling aldus: 'Ik ben niet de enige voor wie er verandering is bij wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de verantwoordelijke eigenaar en erfgenaam is van zijn daden. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, voor allen van hen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is. En zij allen zijn eigenaren en erfgenamen van hun daden.'
   Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen."

   “Van wezens die onderhevig zijn aan ouderdom, ziekte en dood, heeft de wereldling een afkeer. Maar liever moet hij of zij denken:
   'Als ik weerzin voel ten opzichte van wezens met een dergelijke aard, dan is dat niet juist voor mij want ik ben van dezelfde aard. Terwijl ik met zulke gedachten vertoef en weet heb van Nibbāna's onbezwaarde staat, zal ik die drievoudige trots bij gezondheid en jeugd en overdaad van leven helemaal verslaan. Met het oog gericht op Nibbāna ontstond vurige ijver in mij: Nu kan ik nooit voor zinsverlangens zwichten. Een niet-meer-wederkerende zal ik worden. Het heilige leven is nu mijn hoogste doel.'


Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #31 Gepost op: 14-05-2017 12:48 »
Oeps dat zijn er zelfs veertien.

Kzal het eens op mijn gemak
proberen in te zien.

met vriendelijke groet

Ik heb het zo begrepen dat voorwaardelijk ontstaan niet begrepen moet worden als een soort causale keten, als een soort sneeuwbal-effect, waarbij de ene schakel de andere netjes opvolgt.

Dit is volgens mij het onderwerp van het laatste boek van de Abhidhamma, genaamd Patthana. Daarin worden namelijk 24 soorten van voorwaardelijke relaties uitgelegd. Daar wordt dus toegelicht hoe zaken precies tot elkaar in relatie kunnen staan. Welke vormen van voorwaardelijkheid kun je onderscheiden? De Patthana onderscheidt 24. Ik ben er niet echt in thuis, een heel klein beetje.

Om een indruk te geven, er is bijvoorbeeld een relatie die 'van te voren opkomende voorwaarde' wordt genoemd. Dit is dus een voorwaarde die aangeeft dat A er eerst moet zijn, en dat pas kan  B ontstaan.
Dat is 1 van de 24 vormen van voorwaardelijkheid. Je hebt ook een zogenaamde  'gelijktijdig opkomende voorwaarde'. Dit betekent dus dat wanneer A er is, dan is er ook altijd B, en omgekeerd.
Dit zijn maar twee voorbeelden van voorwaardelijke relatie.

Hoe zit het bij de twaalf schakels? Is elke schakel een 'van te voren opkomende voorwaarde'?
Dat wordt volgens mij niet zo bedoeld.

Onwetendheid (eerste schakel) is bijvoorbeeld voor de onverdienstelijke karma-constructies (tweede schakel) een voorwaarde door middel van gelijktijdig-opkomende voorwaarde (sahajata-paccaya). Het is dus niet zo dat hoewel de tweede schakel na de eerste wordt gepresenteerd, dat ze ook echt netjes na elkaar verschijnen. Nee, als er onverdienstelijke karma constructies zijn, dan is er ook gelijktijdig onwetendheid. 

Zo zit het volgens mij ook tussen gevoel en contact. Ook dat wordt na elkaar gepresenteerd, zoals alle schakels, maar dat is niet perse in tijd zo bedoeld.  Hoewel gevoel na contact wordt beschreven is het eigenlijk zo dat wanneer er contact is, dan is er ook altijd gevoel, en wanneer er gevoel is, is er ook altijd contact. Contact en gevoel zijn twee mentale factoren altijd aanwezig bij momenten van bewustzijn.

Om voorwaardelijk ontstaan dus goed te begrijpen zou je dus per schakel zo moeten onderzoeken van welk soort voorwaardelijkheid er sprake is, welke van de 24. Het is best lastig, vind ik.
Dit is hier meer uitgewerkt:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,314.msg16746.html#msg16746

Het belangrijkste lijkt me dat een verdeling in 12 schakels niet wil uitdrukken dat er sprake is van een soort kettingreactie in de tijd, alsof twaalf domino stenen na elkaar vallen.


groet,




Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #32 Gepost op: 14-05-2017 14:52 »
Mijn orientatie in deze ligt bij 3,4,5 en 6.

bewustzijn,bewustzijn,bewustzijn en bewustzijn.

Ben studerende.
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #33 Gepost op: 14-05-2017 19:44 »
Beste,

Oorzakelijk ontstaan is een heel moeilijk onderwerp. Ik probeer het nog eens uit te leggen.

Er is onwetendheid. Het is het niet weten van het edele achtvoudige pad en het niet weten van de drie aspecten van het leven; het is vooral het niet weten van het feit dat er geen zelf is, geen "ik". Niet "ik" doe iets, maar door oorzaken ontstaat iets. En door het veranderen of ontbreken van oorzaken verdwijnt iets. > Ten gevolge van onwetendheid, het niet weten dat er geen "ik" is, geen zelf, ontstaan wilsacties in daden, woorden en gedachten. Die wilsacties zijn verricht met de idee van 'ik' doe iets. > Ten gevolge van de wilsacties blijft het 'ik-bewustzijn' bestaan. Er is nog steeds de mening dat er een 'ik' is die ziet, hoort, voelt, ruikt, proeft en denkt. > Ten gevolge van het ik-bewustzijn ontstaat de combinatie geest-lichaam, naam en vorm. Zonder het wedergeboorte-producerende bewustzijn kan er geen lichaam met geest ontstaan. > Als er een lichaam met geest is, is er ook bewustzijn. Bedoeld is het bewustzijn dat ontstaat door contact van een van de zintuigen met een overeenkomend object. En hoewel die soorten bewustzijn ontstaan, blijft er nog steeds de mening dat ik me bewust ben. > Het ik-bewustzijn wordt veroorzaakt door geestlichamelijkheid en geestlichamelijkheid door ik-bewustzijn. Dit bewustzijn keert terug naar geestlichamelijkheid. Het gaat niet verder. > Ten gevolge van geestlichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. Zonder lichaam en geest kunnen zij niet bestaan. > Ten gevolge van de zes zintuigen ontstaat er contact met zintuiglijk waarneembare objecten. > Ten gevolge van contact met een zintuiglijk waarneembaar object ontstaat gewaarwording, gevoel. > Ten gevolge van gevoel, gewaarwording ontstaat dorst, begeerte naar het object dat waargenomen, gevoeld wordt. > Ten gevolge van de begeerte (positief of negatief) naar iets of iemand ontstaat hechten, inbezitname, grijpen. Men wil iets graag hebben of men heeft ergens een afkeer van. En het ik-bewustzijn is er sterk aanwezig. > Ten gevolge van het hechten, de inbezitname (dat is van mij, dat ben ik, dat is mijn zelf) ontstaat het wedergeboorte-proces, het proces van in bestaan treden als embryo of ei. > Ten gevolge van geboorte ontstaan ziekte, ouderdom, dood, verdriet, geweeklaag, pijn, leed, zorg en wanhoop.

In zoverre kan geboorte ontstaan, kan ouderdom, sterven,  wedergeboorte ontstaan; in zoverre bestaat de mogelijkheid tot naamgeving, namelijk in dit samenzijn van geestlichamelijkheid en bewustzijn. In zoverre kan men geboren worden, ouder worden en sterven; in zoverre kan men verdwijnen en weer opduiken.
   Het ik-bewustzijn is een illusie. Er is geen ik die zich bewust is, die aan alles een naam geeft. Er is alleen een ontstaan en vergaan, door oorzaken. Wanneer dat ingezien wordt, verdwijnt het ik-bewustzijn en maakt plaats voor een zo-bewustzijn: 'zo is het ontstaan; zo is het vergaan.'
         Daarom onderwees de Boeddha ook "Dit is niet van mij, dit behoort mij niet toe, dat ben ik niet." Het bewustzijn eigent zich alles toe. "Ik" heb het koud; "ik" zie; "ik" ben mager of dik (enz).  Door in te zien dat alles door oorzaken ontstaat, zonder een zelf, zonder een "ik " ontstaat het zo-bewustzijn. Zo is het ontstaan. En omdat er geen "ik"-bewustzijn meer is, kan "ik" ook niet meer geboren worden.
En of dat nu in 12 of in 14 schakels van de keten van oorzakelijkheid uitgedrukt wordt, is niet belangrijk. Belangrijk is het resultaat: het Doodloze.

Groeten
Nico

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #34 Gepost op: 15-05-2017 12:51 »
45. Het inzien van de vier heilige waarheden

    Het inzien van de vier heilige waarheden is de hoogste zegening. (Sn II.4 vers  267)

       De vier heilige of edele waarheden zijn:
a) Er is lijden, onvoldaanheid, gefrustreerdheid (dukkha). En dat ontstaat omdat alle dingen in deze kringloop van bestaan veranderlijk zijn. Er is geen vaste kern. Wie zich hecht aan het veranderlijke, ondervindt tengevolge daarvan leed, lijden, frustratie.
b) Er is een oorzaak voor het lijden. Die oorzaak is het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan,
c) Er is een bevrijding van lijden. Die bevrijding wordt bereikt wanneer alle begeerte ophoudt.
d) Er is een weg naar de bevrijding van lijden. Die weg is het edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juiste activiteiten, juiste levenswijze, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie.
 
          Er is lijden en er is een manier om aan dat lijden een einde te maken. Wat nu is dat lijden. – Het is het zien dat alles veranderlijk  en vergankelijk is. Wij kunnen niets vasthouden voor lange tijd. Wat wij lekker vinden, kunnen wij niet steeds blijven proeven. En wat wij niet leuk vinden, kunnen wij niet altijd tegenhouden. Alles is relatief.
          De voornaamste oorzaken van het lijden zijn begeerte, afkeer en onwetendheid. Begeerte is: iets willen hebben, in zwakke of in sterke mate. Begeerte en afkeer zijn vormen van egoïsme.
          “Dat is lekker”, die woorden zijn de constatering van een smaakgevoel, een aangenaam gevoel in dit geval. “Dat heb ik graag”, is de uiting van een wens, begeerte. “Dat is niet leuk”, die woorden zijn de constatering van een gevoel. “Dat heb ik niet graag”, is de uiting van een wens in negatieve vorm, is de uiting van een ontkenning, weigering. Het iets wel of niet willen hebben, is het zich hechten aan of het afstoten van iets anders. 
          Er is lijden omdat alles veranderlijk en vergankelijk is. En dit weer is zo, omdat alles wat verschijnt, wat samengesteld is, bestaat uit elementen. En die elementen wisselen steeds. Er is geen enkel blijvend element in ons noch buiten ons. Daarom kunnen wij niets onszelf noemen noch iets van onszelf. En ook de elementen zelf zijn weer vergankelijk, niet-blijvend.
          Onwetendheid nu is de mening dat er een “ik” is, een vaste kern. Onwetendheid is ook het niet-inzien dat alle verschijnselen onderling afhankelijk ontstaan zijn. Dit laatste betekent dat zonder het ene het andere niet kan ontstaan.
 
   Voorbeeld: Wij kunnen geen brood eten zonder bakker die het brood bakt. De bakker kan alleen brood bakken als er meel en andere ingrediënten voorhanden zijn. Het meel is gemalen door de molenaar; het is afkomstig van het graan van de boer. De boer kan geen graan leveren als de velden onvruchtbaar zijn, of als de oogst mislukt of vernietigd wordt. De bakker, de molenaar, de boer en degene die het brood wil eten, zij allen zijn levende wezens, geboren als mens tengevolge van hun morele daden. Maar zonder ouders zouden zij als mens niet geboren hebben kunnen worden. En zo kan men verder gaan.
          Maar er is bevrijding uit dit lijden. Die bevrijding kunnen wij bereiken door het volgen van het edele achtvoudige pad, stap voor stap.

   Wie de vier edele waarheden niet inziet, die kan geen einde maken aan geboorte en ouderdom. Maar wie de vier edele waarheden inziet, die kan een einde maken aan geboorte en dood. (S.56.22; S.56.41)

   Twee uitersten moeten niet gedaan worden: 1) Hechten aan zingenot; dat is laag, heilloos, onedel. 2) Zelfkwelling; dat is pijnlijk, heilloos, onedel. – Beoefen het middenpad dat naar rust, ontwaking, Nibbâna voert. – Dat middenpad is het achtvoudige pad. (S.56.11)

   Voor iemand die op het neerwaartse pad, in de afgrond is geraakt, zal het heel lang duren eer hij weer als mens herboren wordt. En wel omdat daar geen juist gedrag is, geen heilzame daden verricht worden. En dat komt omdat de vier edele waarheden niet ingezien worden. – Ook is het heel zelden dat een Volmaakt Ontwaakte in de wereld verschijnt en de leer verkondigt. Daarom moeten wij ons inspannen om de vier edele waarheden in te zien. (S.56.47-48)

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #35 Gepost op: 15-05-2017 19:07 »
46. waakzaamheid

   Door waakzaamheid steekt men de oceaan over. (Sn.I.10 vers 184)

   De kracht van waakzaamheid, oplettendheid bestaat hierin: men is oplettend, begiftigd met hoogste tegenwoordigheid van geest. Wat er ooit gedaan, gezegd werd, daaraan denkt men, daaraan herinnert men zich. Zo waakt men bij het lichaam over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het hart over het hart, bij de verschijnselen over de verschijnselen, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis. (S.48.10)

 
47. Het verwerkelijken van Nibbāna

   Het verwerkelijken van Nibbāna is de hoogste zegening. (Sn II.4 vers  267)

   "Een leven in wijsheid is het beste." (Sn.I.10 vers 182)

   Iemand met verkeerd gerichte geest kan de onwetendheid niet doorbreken. Hij kan weten niet opwekken en kan Nibbana niet verwerkelijken. Want zijn geest is verkeerd gericht.
   Maar iemand met juist gerichte geest kan de onwetendheid doorbreken, kan weten opwekken en kan Nibbana verwerkelijken. Want zijn geest is juist gericht.
(A.I.5)

   Door wijsheid kan Nibbana verwerkelijkt worden. Wat is meesterschap in wijsheid?  - Men is voorzien van die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele, doordringende wijsheid die naar volledige vernietiging van het lijden voert. (A.VIII.54)

   Twee eigenschappen voeren naar weten, en wel (1) kalmte van geest en (2) inzicht. 
   Wanneer kalmte van geest beoefend wordt, krijgt men het volgende voordeel: de geest ontplooit zich. Wanneer de geest ontplooid is, krijgt men als voordeel: wat er aan begeerte bestaat, dat verdwijnt.1
   Wanneer inzicht beoefend wordt, krijgt men als voordeel: de wijsheid ontplooit zich. Wanneer de wijsheid zich ontplooit, krijgt men als voordeel: de onwetendheid verdwijnt.
   De geest die bevlekt is door begeerte, wordt niet bevrijd. Noch komt de geest die bezoedeld is door onwetendheid, tot ontplooiing. Zo ontstaat dan door het opheffen van de begeerte de bevrijding van het gemoed, en door het opheffen van de onwetendheid ontstaat de bevrijding door wijsheid.2 (A.II.32)


          Over Nibbāna kan niet veel geschreven worden. Het is niet iets dat door theoretische kennis bekend kan worden. De sfeer van Nibbāna moet daadwerkelijk gerealiseerd worden; er kan niets over verteld worden. Het is als met de geur van een bloem of de smaak van een sappige vrucht of de aanraking van fluweel of zijde. Ook zoiets kan niet in woorden uitgelegd worden. Alleen eigen ervaring kan dat leren. Nibbāna is een geestelijke toestand die door iedereen bereikt kan worden. De volmaakte heilige is geestelijk vrij van elke band. Er is geen enkel hechten meer. Hij of zij heeft zich vrijgemaakt van begeerte, van afkeer en van onwetendheid. En daarom staat hij/zij op vaste grond. (It.69).

   Nibbbana is duidelijk zichtbaar en begrijpelijk voor de wijze. De Verhevene legde dit als volgt uit:
   “Uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid, met de geest overweldigd door begeerte, door haat, door onwetendheid, streeft men naar eigen nadeel, naar het nadeel van anderen, naar beider nadeel; uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid  lijdt men geestelijke pijn en zorgen. Maar wanneer de begeerte, de haat, de onwetendheid is opgeheven, dan streeft men niet naar eigen nadeel, noch naar het nadeel van anderen noch naar beider nadeel; men lijdt geen geestelijke pijn en zorgen.
   In zoverre men de restloze uitdoving van de begeerte, van de haat en van de onwetendheid ervaart, is het Nibbana duidelijk zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend, naar het doel voerende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich.” (A.III.56)

   De volmaakte heilige heeft boosheid, afkeer, hevig verlangen, onwetendheid ter zijde gelegd; hij is vrij van illusie en vrij van vrees. (Zie Sn.I.1 verzen 1-17)

   “Wie elk oord van bestaan heeft begrepen,
   wie naar geen ervan verlangen koestert,
    wie vrij is van begeerte en zonder wens,
    hij of zij hoeft niet meer te strijden:
    aangekomen is die persoon aan de oever.”
   (Sn.I.12, vers 210)

    Degenen die Nibbana verwerkelijkt hebben zijn zonder hechten, vol zelfbeheersing. Zij hebben alle boeien verbroken, zijn bedwongen, vrij, onverstoorbaar en zonder wens. Zij hebben begeerte en haat opgegeven en ook onwetendheid en meningen. Zij zijn onzelfzuchtig; zij koesteren geen verlangen naar wat dan ook in de wereld, naar meervoudig[3] bestaan hier of elders. Zij werden stil, zijn ontkomen aan de hartstochten. Zij zijn zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan. (zie Sn.III.5 verzen 490-499)

   "Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend, de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden. Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap die de ene tak loslaat en de andere pakt.[4] (Sn.IV.4 vers 791)
   
   "De wijze laat oude neigingen, hij laat geen nieuwe meer opkomen. Hij volgt niet de willekeur en is geen verkondiger van dogmas. Hij is geheel bevrijd van theorieën. Vrij van zelf-verwijten leeft hij onbevlekt in de wereld." (Sn.IV.13 vers 913)

     “Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming.[5] Kom het bewustzijn[6] te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”
(Sn.V.4 verzen 1055-1060)

          Wie inziet dat elke sfeer van bestaan een begin heeft en ook een einde, die verlangt nergens naar. De volmaakte vrede van de geest kan door niets meer worden verstoord. Die vrede is het hoogste doel. En de volgende zegeningen zijn het resultaat van die bevrijding.

 
48. Een vredig en vrij gemoed te hebben 

   “Een gemoed te hebben dat niet door de grillen van het leven wordt bewogen; een gemoed te hebben dat vrij is van verdriet; een gemoed te hebben dat bevrijd is van smetten; een gemoed te hebben dat vrij is van angst en dat vol is van vrede. - Dit is de hoogste zegening. (Sn II.4 vers 268)
 
          Wie Nibbāna reeds in dit leven verwerkelijkt heeft, blijft steeds vol vrede. Hij of zij is gevestigd in geluk en is onoverwinnelijk.
          De grillen van het leven zijn die omstandigheden die noodzakelijkerwijze verbonden zijn met het leven in deze wereld, namelijk: winst en verlies, eer en schande, lofprijzingen en smaad, vreugde en verdriet. Het gemoed van de heilige is “in het midden”, smetteloos, d.w.z. vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van onwetendheid. Hij/zij is vrij van alle angst, is beschermd tegen de belemmeringen van zintuiglijke verlangens, is vrij van hernieuwd bestaan in deze wereld van lijden en onvoldaanheid, is vrij van verkeerde meningen.
       
       “Zoals een rots niet bewogen wordt door de wind, evenzo zijn de wijzen niet verstoord door lofprijzing of berisping.” (Dhp.81).

   De volmaakte heilige is in staat om hitte, koude, honger en dorst te verdragen en andere ongemakken. Hij is in staat om scheldwoorden en onvriendelijke taal te verdragen. Hij is in staat om lichamelijke gevoelens te verdragen die, als ze ontstaan, pijnlijk zijn, scherp, ellendig, dodelijk. (M.107; M.125; M.51)

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #36 Gepost op: 16-05-2017 11:49 »
Er is geen enkel blijvend element in ons noch buiten ons

Dit punt vind ik twijfelachtig. Misschien komt het enkel door de formulering. Maar de Boeddha onderwees kennelijk ook dat er een zogenaamd ongeconditioneerd element is, asankhata dhatu (DN34 §1.3 (9). Dit is een synoniem voor Nibbana volgens Walshe. Een blijvend element.

Als er niets in (of liever 'aan') ons is dat blijvend is, stabiel, onveranderlijk, onvoorwaardelijk, dan is er toch ook geen toevlucht te vinden, lijkt me. Waar zijn we dan mee bezig? Waarom zou de Boeddha ons dan aansporen een eiland te maken van onszelf? Als er niks aan jezelf te vinden is wat stabiel is, niks te vinden is wat onveranderlijk is, geen blijvend element, dan mist als het ware toch elke vaste grond?  Als er werkelijk aan onszelf niks stabiel en blijvend is, dan mist toch gewoon de mogelijkheid van het vinden van een toevlucht? Hoe kan je vrede realiseren als er niet een blijvend element is, dus zelfs die vrede niet?  Als instabiliteit existentieel feit is, hoe kan stabiliteit dan ooit gerealiseerd worden? Dan moet dat toch diepe begoocheling zijn? Hoe kan de vrede van de Boeddha niet de meest ernstige diepe begoocheling zijn als alles in/aan hemzelf niet blijvend is?

groet,











Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #37 Gepost op: 16-05-2017 13:02 »
Hallo Siebe,

Ja, de formulering is niet goed. Beter was geweest: ...geen enkel blivend element ... , behalve het element Nibbana.

Groeten,
Nico

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #38 Gepost op: 16-05-2017 14:00 »
Oke bedankt Nico.

groet,

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #39 Gepost op: 16-05-2017 15:55 »
49. Voorwaarden voor het heil van een bestuurlijke eenheid

   In het voorgaande is te zien wat door de leek wel en wat niet gedaan moet worden om hier een goed leven te leiden; en ook welk gedrag voert naar een hemels bestaan. Verder zijn er adviezen hoe ook een leek de volmaakte heiligheid kan bereiken.
   
   De Boeddha onderwees ook aan welke voorwaarden een stadsbestuur of het bestuur van een land moet voldoen om groei en vooruitgang te boeken. En ook onderwees hij welke plichten een koning heeft.
   
   Eens noemde de Boeddha zeven voorwaarden die leiden naar groei en vooruitgang van een bestuurlijke eenheid.[1] Die voorwaarden zijn:
1. Als men herhaaldelijk samenkomt, vergaderingen en bijeenkomsten houdt die goed bezocht zijn, dan is er groei te verwachten.
2. Als men vredig bijeen komt en vredig weer naar huis gaat, en als de eigen (bestuurlijke) aangelegenheden in eendracht uitgevoerd worden, dan is er vooruitgang en groei te verwachten.
3. Als men geen nieuwe besluiten uitvaardigt en geen oude besluiten afschaft, maar als men verder gaat in overeenstemming met de oude gebruiken en besluiten, dan is er groei te verwachten.
4. Als men respect, eer, achting en verering toont jegens de ouderen en als men het waard acht naar hen te luisteren, dan is er vooruitgang te verwachten en geen verval.
5. Als men ervan afziet vrouwen en meisjes van goede families te ontvoeren en haar gevangen te houden (voor losgeld), dan is er groei te verwachten.
6. Als men respect, eer, achting en verering toont jegens de heiligdommen, zowel die binnen in de stad als die erbuiten, dan is er groei te verwachten. En als men die heiligdommen niet berooft van de verdiende offergaven zoals die voorheen daarvoor zijn vervaardigd en eraan gegeven, dan is er groei en vooruitgang te verwachten.
7. Als men het verplicht acht de heiligen (de Eerwaarden) te beschermen en te behoeden, zodat de Eerwaarden die nog niet in het gebied wonen, graag komen en zodat de Eerwaarden die er al wonen, in vrede kunnen leven, dan is er groei en vooruitgang te verwachten en geen verval.
   Zolang als aan deze zeven voorwaarden voldaan wordt, is er heil voor een bestuurlijke eenheid te verwachten.

[1] Bestuurlijke eenheid, letterlijk: volk. Deze voorwaarden gelden zowel voor het bestuur van landen, provincies en gemeenten, als voor verenigingen, genootschappen e.d.


Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #40 Gepost op: 17-05-2017 01:09 »
50. De tien plichten van een koning

   De Boeddha gaf tien plichten aan die gelden voor iemand die een koninkrijk bestuurt. Die tien plichten zijn:
1. Vrijgevigheid, edelmoedigheid, liefdadigheid. De bestuurder moet geen begeerte naar weelde en eigendom hebben en ook mag hij er niet aan hechten; maar hij moet het besteden voor het welzijn van het volk.
2. Een hoog moreel karakter. Hij moet nooit levens vernietigen, nooit bedriegen, stelen en anderen uitbuiten; hij moet geen echtbreuk plegen, geen leugens vertellen en geen bedwelmende drank of drugs gebruiken. Hij moet dus tenminste de vijf regels voor de leek nakomen.
3. Alles opofferen voor het heil van het volk. Hij moet bereid zijn om alle persoonlijke comfort, naam en faam op te geven, en zelfs zijn leven, in het belang van het volk.
4. Eerlijkheid en onkreukbaarheid. Hij moet vrij zijn van angst of begunstiging in het uitoefenen van zijn plichten. Hij moet oprecht zijn in zijn bedoelingen en hij moet het volk niet bedriegen.
5. Vriendelijkheid en zachtmoedigheid. Hij moet mild van aard zijn.
6. Soberheid in gewoontes. Hij moet een eenvoudig leven leiden en hij moet geen behagen scheppen in een weelderig leven. Hij moet zelfbeheersing hebben.
7. Vrijheid van haat, kwaadwil en vijandschap. De koning (bestuurder) moet geen wrok koesteren tegen iemand.
8. Geen gewelddadigheid. Dit betekent niet alleen dat hij niemand moet kwetsen, maar het betekent ook dat hij moet proberen de vrede te bevorderen door oorlog (en ruzie) te vermijden en te voorkomen; ook moet hij alles wat betrekking heeft op geweld en op het vernietigen van levens proberen te vermijden en te voorkomen.
9. Geduld, verdraagzaamheid, begrip. Hij moet in staat zijn ontberingen, moeilijkheden en beledigingen te verduren zonder zijn humeur te verliezen.
10. Geen verzet, geen belemmeren. Dit wil zeggen dat hij niet tegen de wil van het volk moet ingaan, dat hij geen maatregelen moet belemmeren die leiden naar het welzijn van het volk; met andere woorden, hij moet besturen in eensgezindheid met het volk.

     Deze regels gelden zowel voor bestuurders van landen, provincies en gemeenten, als voor besturen van stichtingen, verenigingen e.d.


Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #41 Gepost op: 17-05-2017 11:48 »
51. De vrouw in het Boeddhisme
 
   Bij meerderen bestaat de mening dat de vrouw in het Boeddhisme niet positief behandeld wordt. Maar de houding van de Boeddha ten opzichte van vrouwen was niet negatief. Hoe de positie van de vrouw in het vroege Boeddhisme was, probeer ik hier duidelijk te maken.

   Maha Pajapati, de tante en pleegmoeder van de Boeddha, wilde een leven van ontzegging leiden, als een non, samen met meerdere andere Sakya-dames. Maar tot dan toe bestond geen Boeddhistische Orde van nonnen. Daarom vroeg zij aan de Verhevene toe te staan dat vrouwen in de Orde konden intreden. Om verscheidene redenen zou de Boeddha er toen geen voorstander van zijn geweest. Toen vroeg Ānanda of ook vrouwen de volmaakte heiligheid, arahantschap, kunnen bereiken. Het antwoord van de Verhevene luidde dat ook vrouwen het 1e, 2e, 3e en 4e  niveau van heiligheid kunnen bereiken. Hiermee stelde de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk niveau. En zo bereikte Ānanda dat de Verhevene aan vrouwen toestemming gaf om in de Orde in te treden. Maar volgens de overlevering moest Maha Pajapati acht speciale regels (garudhammas) aannemen.
    De eerste vrouwen die als bhikkhunis intraden, moesten door de Bhikkhu-sangha ingewijd worden. Een groot aantal van die eerste bhikkhunis werd Arahant. Dat de eerste nonnen door de Bhikkhu-sangha moesten worden ingewijd, is een vanzelfsprekende zaak. Er was toen immers nog geen Bhikkhuni-sangha. Maar toen meer dan vier vrouwen ingewijd waren, konden de bhikkhunis zelf de hogere wijding verrichten. De Orde van de nonnen was een onafhankelijke instelling.

    Dat de Boeddha tegen een nonnenorde was, moet een latere toevoeging zijn. De opname van vrouwen in ascetische gemeenschappen was toen niets nieuws. Andere ascetische orden, zoals de Jain, kenden een vrouwenorde. Die nonnen waren er ondergeschikt aan monniken. Als de Boeddha toen, zoals Khantipalo beweerde, rekening had gehouden met de publieke opinie, had hij zonder meer een vrouwenorde kunnen oprichten. Dat was toen niets ongewoons. Behalve deze plaats in Cullavagga zijn in de Vinaya geen andere teksten waaruit blijkt dat de Boeddha tegen de inrichting van een nonnenorde was.
    De brahmanen ten tijde van de Boeddha waren (groot)grondbezitters of hadden functies als ambtenaren aan het koninklijk hof. Zij hadden veel invloed. Een andere groep brahmanen fungeerde als priesters die rituelen uitvoerden. Zij kenden de drie Vedas van buiten. Bekering van brahmanen tot het Boeddhisme was van veel waarde. Het gaf aanzien aan het Boeddhisme. Het bracht ook wetenschap en vroomheid. Maar vrouwen stonden bij de brahmanen niet goed aangeschreven. De houding van brahmanen die na hun wijding tot bhikkhu de traditionele brahmaanse houding ten opzichte van vrouwen bleven handhaven, heeft zeer zeker een negatieve uitwerking gehad op de Bhikkhu-sangha in zijn geheel.

   De mondelinge overlevering van de teksten lag bij de mannen. Het is mogelijk dat de mannen enkele passages die op vrouwen betrekking hadden, hebben verwaarloosd. De monniken kunnen getracht hebben het belang dat de Boeddha aan vrouwen gaf, te minimaliseren. Alleen gebeurtenissen die zo buitengewoon waren dat zij niet weggelaten konden worden, zijn dan overgeleverd. Het is te betwijfelen of de Boeddha zelf zulke volkomen ondergeschiktheid van de nonnen ten opzichte van de monniken vereiste. De acht speciale regels die Maha Pajapati en de andere nonnen moesten navolgen, zijn moeilijk in overeenstemming ermee te brengen dat de Boeddha vrouwen zonder meer in staat achtte om volmaakte heiligheid te bereiken. Het is heel goed mogelijk dat die acht regels na de dood van de Boeddha zijn samengesteld.
 
   Wat gebeurde er overigens met de bhikkhunis? Wilden ook zij deelnemen aan het eerste concilie? Er waren toen heilige en geleerde nonnen. Maar van haar doen en laten wordt ons na de dood van de Boeddha nagenoeg niets meegedeeld. Werden de nonnen na het overlijden van de Boeddha toen al door monniken behandeld net zoals de brahmanen dat gewoon waren te doen? Of is de negatieve houding t.o.v. vrouwen geleidelijk aan in de Orde geslopen?

   In latere tijden moet veel zijn toegevoegd wat niet tot de oorspronkelijke woorden van de Boeddha behoorde. De Boeddha zelf was niet negatief ten opzichte van vrouwen. Hij en zijn discipelen hadden in de tijd van het vroege Boeddhisme contact met vrouwen, o.a. bij het rondgaan voor de maaltijd; en bij het nuttigen van maaltijden in huizen van leken. Vrouwen werden toen niet uitgesloten van het luisteren naar de leer. Zij namen deel aan het geestelijke leven. Pas later werden vrouwen uitgesloten.
   De positie van vrouwen ten tijde van de Verhevene was beter dan die van tegenwoordig in India. De vrouwen genoten toen grote vrijheid. De activiteiten van de vrouwen waren niet beperkt tot huishoudelijk werk en het opvoeden van kinderen. Zij namen actief deel aan het openbare leven en genoten een liberale opvoeding. Retoriek en welsprekendheid werden toen ook door vrouwen uitgeoefend. Een teken van cultuur was het maken van verzen voor de vuist weg. Het gebruik van verzen was een manier om uiting te geven aan emotie of sentiment. De verzen van de nonnen (Theri Gatha) bij het bereiken van de Verlichting zijn spontane uitingen van vreugde. Vrouwen kregen toen onderwijs. Net zoals de mannen gingen zij naar openbare bijeenkomsten in parken of hallen om er te luisteren naar grote leraren. Geleerde vrouwen trokken door het land om te onderrichten. Vrouwen hadden het recht eigendom te hebben en er vrij over te beschikken.
   Vrouwen in die tijd werkten, indien nodig, voor haar eigen onderhoud. Zij waren werkzaam als hulp in de huishouding, fruit- of bloemenverkoopster, weefster, spinster, kleermaakster, of zij deden licht werk in de landbouw. Het systeem om vrouwen te beknotten moet van latere oorsprong zijn.

   Voorbeelden van goed opgeleide vrouwen ten tijde van de Boeddha zijn o.a. de nonnen Dhamma-dinnâ, Sukka, Nanduttarâ en Bhaddâ Kundalakesâ. Dhamma-dinnâ was de beste lerares bij de Bhikkhuni Sangha. Sukkâ was bedreven in de leer van de Boeddha. Zij werd een beroemde verkondigster van de leer. Nanduttarâ was een bekende spreekster en reisde rond in India om er te debatteren. Zij was onoverwinnelijk in argumenteren totdat zij de eerwaarde Maha Moggallâna ontmoette die haar tot de leer van de Boeddha bekeerde. Bhaddâ Kundalakesâ ging naar geleerde leraren en leerde de methoden van kun kennis. Zij was bekwaam in debatteren en zij versloeg de meeste van de bekende sprekers.
   Mallika, de dochter van een guirlandenmaker, werd verheven tot de positie van de vrouw van koning Kosala. Toen zij een dochter baarde, was de koning er niet blij mee. De Boeddha zei toen dat hij de baby moest opvoeden. Want vrouwen kunnen beter zijn dan mannen. Vrouwen kunnen wijs zijn, deugdzaam en een correct leven leiden.   
   
   In het Sigalovada sutta zei de Boeddha: De man moet hoffelijk tegen zijn vrouw zijn. Hij mag haar niet verachten. Hij moet haar trouw zijn. Hij geeft haar gezag en hij geeft haar sieraden.
    De vrouw oefent haar plichten goed uit. Zij is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. Zij beschermt wat de man meebrengt. En zij is bekwaam en vlijtig in het uitvoeren van haar taken.
   Hieruit blijkt dat de Boeddha helemaal niet negatief stond t.o.v. de vrouw.
 
   In het laatste jaar van zijn leven sprak de Boeddha met de eerwaarde Ānanda over het gedrag van monniken tegenover leden van het vrouwelijke geslacht. De Boeddha zou toen het volgende hebben gezegd: “Niet naar haar kijken, Ānanda, is het beste. En als een monnik een vrouw ziet, moet hij niet met haar spreken. En als een monnik tot een vrouw spreekt, dan moet hij zeer oplettend zijn.” (D.16).
 
   Deze woorden moeten later zijn toegevoegd. Bij de Jains werd de asceet gewaarschuwd voor omgang met vrouwen. Hij mocht niet naar haar kijken, ook niet als zij mismaakt of heel oud was. Het lijkt erop dat de houding van de Jains t.o.v. vrouwen hier overgenomen is.
   Vrouwen werden over het algemeen beschouwd als een hindernis voor mannen om het geestelijke leven in de Theravāda traditie te beoefenen (en mannen voor vrouwen). De eerwaarde Ānanda is de enige in de Pāli traditie die meer sympathie heeft met vrouwen. Van hem werd beweerd dat hij vóór het eerste concilie nog geen volmaakte heiligheid had bereikt en daarom niet aan dat concilie kon deelnemen. Maar de eerwaarde Ananda bereikte de volmaakte heiligheid, arahantschap, in het vijfentwintigste jaar na zijn intrede in de Orde. Dat is in het zevenentwintigste jaar na de Verlichting van de Boeddha. Dit toont dat dit gedeelte later is toegevoegd. En op het eerste concilie werd hij ervan beschuldigd dat hij het steeds goed voorhad met vrouwen, bijvoorbeeld haar te helpen om toestemming te krijgen in de Orde in te treden. In de Sanskriet versie en in sommige Chinese versies ontbreekt deze paragraaf. Ook dit toont aan dat dit gedeelte later is toegevoegd.
   
   Het commentaar van Buddhaghosa legt de bovenstaande raad van de Boeddha als volgt uit:
1) Niet naar haar kijken: Als een monnik in een kamer zit met de deur dicht, en een vrouw komt en blijft voor de deur staan, dan ontstaat er, zolang als hij haar niet ziet, geen begeerte in hem; zijn geest wordt niet opgewonden. Maar als hij haar ziet, kan dit wel gebeuren.

2) Niet met haar spreken: Als men praat met haar kan er passie ontstaan en onoplettendheid. Zo kan de moraal geschonden worden.
   Als een vrouw naar een feestdag vraagt of om de voorschriften, of wanneer zij een leerrede wil horen of een vraag stelt, als een monnik dan bij zulke gelegenheden zwijgt, kan men zeggen dat de monnik stom is en doof. Daarom is het nodig tot haar te spreken.
3) Oplettend, zeer voorzichtig: als een vrouw de leeftijd van uw moeder heeft, moet u aan haar denken als uw moeder; als een vrouw de leeftijd heeft van uw zuster, moet u aan haar denken als uw zuster; als een vrouw de leeftijd heeft als uw dochter, moet u aan haar denken als uw dochter.

    Uit dit commentaar kan men de gevolgtrekking maken dat de monniken ten tijde van Buddhaghosa erg onoplettend waren en weinig zelfbeheersing hadden. De Boeddha heeft duidelijk aangegeven hoe men slechte gedachten kan overwinnen (zie o.a. M.II.9). De meeste van deze gedragsregels moeten later zijn toegevoegd. De brahmaan Parasariya oefende zijn leerlingen dat zij hun zintuigen moesten ontwikkelen door materiële vormen niet te zien met het oog en door niet te luisteren naar geluiden met het oor. De Boeddha zei toen dat, als dit een goede oefening was, doven en blinden hun zintuigen goed ontwikkeld hadden. Men moet oplettend zijn en niet door het geheel noch door details in beslag worden genomen. (M.3).
   In D.1 legde de Boeddha uit dat men bij het zien van iets of iemand niet gevangen moet zijn door het geheel. Begeerte en afkeer moeten niet toegelaten worden. De zintuigen moeten oplettend gebruikt worden. En aan Ānanda zal hij als antwoord dan ook alleen hebben gegeven dat men oplettend moet zijn.
 
   De houding van Thaise monniken t.o.v. vrouwen is overdreven. Zij raken geen vrouw aan noch mogen vrouwen hen aanraken of hun gewaden. Dit is geen regel van de Boeddha maar van het Thaise volk. Die monniken raken vrouwen aan met hun andere zintuigen: zij praten met haar en horen haar stem; zij proeven het voedsel of de drank; zij kijken naar haar of denken aan haar. Maar begeerte zit niet in de zintuigen, noch in een object of persoon. Daarom zal de Boeddha alleen hebben aangeraden voorzichtig en oplettend te zijn.
 
   De vrouw werd door de Boeddha op gelijk niveau gesteld als de man. Dat was in tegenstelling tot de brahmanen en Jains, waar de vrouw een ondergeschikte rol vervulde. Door de bekering van brahmanen en Jains tot de leer van de Boeddha en hun intrede in de Orde is zeer waarschijnlijk de ondergeschikte rol van de vrouw in het vroege Boeddhisme geslopen. De kloof tussen mannen en vrouwen die door de Boeddha verkleind was door gelijkheid van status te geven aan vrouwen zowel sociaal als religieus, zou dan weer vergroot zijn door de Theras.

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #42 Gepost op: 17-05-2017 22:27 »
52. De westerse leek

   Volgens de eerwaarde Khantipalo, zelf van Britse afkomst, is de Westerling veel te kritisch wat betreft de overgeleverde leer van de Boeddha. Khantipalo ziet erin een hoogmoed die voortkomt uit superioriteit van wapens. De Westerling zou zich beter voelen dan de Oosterling en zou daarom de neiging hebben alles te verbeteren. Zo'n houding heeft wellicht vroeger geheerst. Tegenwoordig is de houding van de Westerling t.o.v. de Oosterling toch veranderd.
   De westerse mens heeft thans veel meer vrije tijd dan vroeger. Hij of zij kan zich intensiever met de leer van de Boeddha bezig houden. En er zijn ook goede vertalingen van de leer bij de hand. Door eigen studie kan men zich een eigen beeld vormen van de leer. Men is niet meer afhankelijk enkel van monniken of van nonnen.
    De traditioneel overgeleverde waarden kunnen door studie als niet juist gezien worden. Moeten die overgeleverde teksten dan verder toch maar als "leer van de Boeddha" aangenomen worden? Het is m.i. geen hoogmoed als de kritische houding van de westerse mens bepaalde tradities als onjuist beschouwt en ze verwerpt. Het is aan de studie van geleerden te danken dat wij nu de waarde van bepaalde teksten kunnen vaststellen. Latere toevoegingen die niet ter zake doen of die onjuist zijn, moeten zeker met de nodige voorzichtigheid beschouwd worden, of zelfs verworpen. En dat heeft dan niets met hoogmoed te maken. De Boeddha zelf heeft immers al een kritische houding ten opzichte van zijn leer en die van anderen aanbevolen. Wat niet met de leer overeenkomt, moet verworpen worden, ook als het tot de overlevering van een bepaald land of een bepaalde streek behoort.
   
 
Geraadpleegde bronnen

voor degene die graag meer wil lezen over de vermelde onderwerpen, voeg ik hier een lijst toe van door mij geraadpleegde bronnen.
 
An, Yang-Gyu (tr.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Transl. by Yang-Gyu An. Oxford : PTS, 2003.

Aronson, Harvey B.: Love and sympathy in Theravada Buddhism. Delhi 1980.

Bapat, P.V. (Gen. Ed.): 2500 Years of Buddhism. (5th repr.). New Delhi: Publications Division, 1987. (1st. ed. 1956). Publ. by the Director Publications Division Ministry of Information and Broadcasting Government of India Patiala House New Delhi.

Bareau, André: “Der indische Buddhismus,”in: Die Religionen Indiens, III, Stuttgart 1964, p. 1-215. 

Basham, A.L.: The Wonder that was India : A survey of the history and culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (3rd rev. ed.) London 1961.

Burtt, E.A.: ‘The Contribution of Buddhism to Philosophic Thought,’ The Wheel No. 50ab (Kandy 1977), p. 42-55.

de Zoysa, A.P.: Indian Culture in the Days of the Buddha. Colombo 1955.

Dhammananda, K. Sri:  What Buddhists Believe.  (expansed and revised ed.). Kuala Lumpur : BMS, 1987.  (1st ed. 1964).

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

Dhammika, Ven. S. (tr.): The edicts of King Asoka. Kandy : BPS, 1993. The Wheel No. 386/387.

Finegan, Jack: The archeology of World Religions : The Background of Primitivism, Zoroastrianism, Hinduism, Jainism, Buddhism, Confucianism, Taoisme, Shinto, Islam, and Sikkhism. (4th printing). Princeton: Princeton University Press, 1971.

Gehman, H.S. (tr.):  Petavatthu : Stories of the Departed.  London : PTS, 1974.  (The Minor Anthologies of the Pali Canon  Part IV).

Geiger, Wilhelm (Übers.) Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. - 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930. - 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.

Glasenapp, Hellmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam: Athenaion, 1929. (Handbuch der Literaturwissenschaft).

Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore: Ti-Sarana Buddhist Association, 1997.

Gokhale, Balkrishna Govind: New Light on Early Buddhism. Bombay : Popular Prakashan, 1994.

Gunsser, Ilse-Lore: Reden des Buddha. Aus dem Palikanon übersetzt. Stuttgart : Reclam, 1979. (Universal-Bibliothek; 6245).

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Anâthapindika, The Great Benefactor. Kandy : BPS, 1986. The Wheel No. 334.

Horner, I.B.: Early Buddhism and the Taking of Life. Kandy : BPS, 1967. The Wheel No. 104.

Horner, I.B. (tr.): Vimânavatthu : Stories of the Mansions. Transl.by I.B. Horner; assisted by N.A. Jayawickrama. London : PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).

Horner, I.B. (tr.): Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyâpitaka). London : PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXI) (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III).

Horner, I.B. (tr.): The Clarifier of the Sweet meaning (Madhuratthavilâsinî) : Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London : PTS, 1978. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXIII).

Horner, I.B. (tr.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Translated from the Pāli by I.B. Horner. Oxford: PTS, 2000.

Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 151-170.

Ikeda, Daisaku: Buddhism, the First Millennium. Transl. by Burton Watson. Tokyo (etc) : Kodansha International Ltd, 1977.

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Ireland, John D. (tr.) The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy : BPS, 1991.

Jayatilleke, K.N.: ‘The Buddhist Conception of Truth,’ The Wheel No. 50ab (Kandy 1977), p. 25-41.

Khantipâlo, Bhikkhu (comp. & transl.): Buddhist Texts for Recitation. Kandy : BPS, 2518/1974.

Khantipâlo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207.

Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants. Buddhist Monks and Nuns from the Buddha's time till now.  Kandy : BPS, 1979.   

Khantipâlo, Bhikkhu (comp.) The Buddha's Words. Selangor : Buddhist Gem Fellowship, 1994.

Lassen, Christian: Indische Alterthumskunde. Bd. 2, Teil 1 : Geschichte von Buddha bis zu dem Ende der älteren Gupta-Dynastie. Nebst Umriss der Kulturgeschichte dieses Zeitraums. (Neudruck der 2. verm. u. verb. Aufl. 1874). Osnabrück: Zeller, 1968.

Ledi Sayadaw, Ven.: The Noble Eightfold Path and its Factors Explained. Magganga-Dîpanî. Ven. Ledi Sayadaw; transl. by U Saw Tun Teik; rev. ed. by Bhikkhu Khantipâlo. Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 245/247.

Lokuliyana, Lionel (tr.): Catubhânavârapâli. The Text of the Four Recitals, or The Great Book of Protections, Sinhala - Maha Pirit Pota. Colombo: Gunasekera Trust, [s.a.]

Mahasi Sayadaw: Practical Insight Meditation : Basic and Progressive Stages. Rev. Mahasi Sayadaw; transl. from the Burmese by U Pe Thin & Myanaung U Tin. Kandy : BPS, 1976.

Mahasi Sayadaw: The Progress of Insight through the Stages of Purification : A modern Pâli treatise on Buddhist Satipatthâna Meditation. Rev. Mahasi Sayadaw; Engl. transl. with notes by Nyânaponika Thera. Kandy : BPS, 1978.

Masefield, Peter (tr.): Elucidation of the Intrinsic meaning so named The Commentary on the Vimâna Stories (Paramattha-dîpanî nâma Vimânavatthu-atthakathâ). Transl. by Peter Masefield; assisted by N.A. Jayawickrama. Oxford : PTS, 1989.

Masefield, Peter (tr.): The Itivuttaka. Oxford : PTS, 2000. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. 38).

Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy : BPS, 1961. The Wheel No. 4.

Ñânamoli Thera: The Buddha's Words on Kamma. Four Discourses of the Buddha from the Middle Length Collection. Transl. by Ñânamoli Thera; edited by Khantipâlo Bhikkhu. Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 248/249

Ñânamoli, Bhikkhu (tr.): The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford : PTS, 1997. (1st ed. 1960).

Ñanatiloka, Bhikkhu: Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 1. Das Einer-Buch - Eka-Nipâto. Übers. u. erläutert von Bhikkhu Ñanatiloka. Leipzig : Buddhistischer Verlag, [s.a.] (Heilige Schriften der Buddhisten; 1).

Narada Thera & Bhikkhu Kassapa. (2nd ed.) The Mirror of the Dhamma. A Manual of Buddhist Recitations and Devotional Texts. Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 54. (1st ed. 1963).

Nârada Thera (Transl.): Everyman's Ethics. Four Discourses of the Buddha. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1966. The Wheel No. 14 (1st. ed. 1959).

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Nârada Maha Thera: A Manual of Abhidhamma. Abhidhamma Sangaha. Kandy : BPS, 1980.

Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pāli-Kanons. Übers. von Karl Eugen Neumann. Erster Bd. München: Piper & Co., 1922.

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Der Wahrheitspfad (Dhammapadam). Ein buddhistisches Denkmal,' (4. Aufl.). Übers. von Karl Eugen Neumann. in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, p. 615-837. (1. Aufl. 1892).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Die Lieder der Mönche und Nonnen Gotamo Buddhos. Aus den Theragâthâ und Therîgâthâ,' (3. Aufl.). Übers. von Karl Eugen Neumann. in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, p. 271-613. (1. Aufl. 1898).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der Sammlung der Bruchstücke Suttanipâto des Pâli-Kanons,' Übers. von Karl Eugen Neumann. in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957 (3. Aufl.), p. 1-269.  (1. Aufl. 1905).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): Also sprach der Erhabene. Eine Auswahl aus den Reden Gotamo Buddhos. Zürich (etc) 1962.

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta), Vol. II. Oxford : PTS, 1992. (Pali Text Society Translation Series No. 45). (Revised transl. with introduction and notes).

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

Nyânaponika Thera (Transl.): Anguttara Nikâya. The Discourse Collection in Numerical Order. An Anthology. Part III. Books Eight to Eleven. Kandy : BPS, 1976. The Wheel No. 238/240.

Nyânatiloka, Bhikkhu (Übers.): Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 4. Das Vierer-Buch (Catukka-Nipâto). Übers. von Bhikkhu Nyânatiloka. Breslau : Markgraf, 1912.

Nyânatiloka Mahathera: Influence of Buddhism on a People. Kandy : BPS, [s.a.] Bodhi Leaves No. A 2.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage. - Bd. 1. Einer- bis Drier-Buch. / Bd. 2. Vierer-Buch. / Bd. 3. Fünfer- und Sechser-Buch. / Bd. 4. Siebener- bis Neuner-Buch.  / Bd. 5. Zehner- und Elfer-Buch.

Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Oldenberg, Hermann: Buddha. Sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. (2. Aufl.) Berlin : Hertz, 1890.

Oldenberg, Hermann (Übers.): Reden des Buddha : Lehre, Verse, Erzählungen. Übers. von Hermann Oldenberg. München: Wolff, 1922.

Payutto, Ven. P.A.: Buddhist Economics. A Middle Way for the market place. By Ven. P.A. Payutto; translated by Dhammavijaya and Bruce Evans; Compiled by Bruce Evans and Jourdan Arenson. (repr.) Bangkok: Buddhadhamma Foundation, 1994. (1st ed. 1992). 

Pereira, Ânanda: Escape to Reality. Buddhist Essays. Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 45/46.

Pereira, Ânanda: Live Now! Buddhist Essays. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1973. The Wheel No. 24/25. (1st ed. 1960).

Piyadassi Thera (tr.): The Book of Protection, Paritta. Colombo : Gunasekera Trust, 1975.

Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1960. The Wheel No. 1.

Rahula, Walpola: What the Buddha Taught. Bedford 1959.

Rao, P.M.: The Problem of Sin as reviewed by a Buddhist. Kandy : BPS, 1969. The Wheel No. 136.

Rhys Davids, T.W.: Buddhist India. (reprint). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1987, (1st ed. 1903).

Scherft, Tonny: ‘Dankbaarheid jegens de ouders,’ in: Saddharma jrg. 14, 2e afl., dec. 1981, p. 35-36.

Seidenstücker, Karl (übers.): Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus Übers. von Karl Seidenstücker. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]

Seidenstücker, Karl (Übers.): Khuddaka-Pâtha. Kurze Texte. Eine kanonische Schrift des Pâli-Buddhismus. Aus dem Pâli übers. u. erläutert von Karl Seidenstücker. München-Neubiberg : Schloß, [1910]. (Buddhistische Volksbibliothek No. 6).

Senaveratna, John M. (tr.): Stories of Birds and Beasts. Colombo : Gunasena & Co, 1954.

Sîlâcâra, Bhikkhu: Das Ichproblem im Buddhismus; Buddhismus und Alkohol. Bhikkhu Silacârâ; übers. von Alfred Eichelberger. München-Neubiberg : Schloss, [s.a.]. (Buddhistische Volksbibliothek ; 16).

Sîlâcâra, Bhikkhu: Die fünf Gelübde (The five Sîlâ). Bhikkhu Silacârâ; übers. von Vangîso. Breslau : Markgraf; München-Neubiberg: Schloss, 1912.

Sîlâcâra, Bhikkhu: ‘Taking the Precepts,’ The Wheel No. 55 (Kandy 1975), p. 8-13.

Soma Thera: The Buddhist Layman's Code of Discipline. Kandy : BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 70.

Soma Thera & Piyadassi Thera (tr.): The Lamp of the Law. Being selected excerpts from Gurulugomi's Dharmapradîpika. Transl. by Soma Thera & Piyadassi Thera. Kandy : BPS, 1961. The Wheel No. 38.

Soni, R.L. (Transl.): Life's Highest Blessings. The Maha Mangala Sutta.  Kandy : BPS, 1978. The Wheel No. 254/256.

Story, Francis: Buddhist Lay Ethics. Kandy : BPS, 1972. Bodhi Leaves No. B 59.

Story, Francis: The Buddhist Outlook. Collected Writings. Vol. I. (Essays, dialogues, poems). Kandy : BPS, 1973.

Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy: BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).

Weerakoon, R.: The Sinhala Jathaka Stories – an evaluation. Colombo 1974.

Wijesekera, O.H. de A. [et al.]: Knowledge and Conduct. Buddhist Contribution to Philosophy and Ethics. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 50ab.

Wijesekera, O.H. de A.: ‘Buddhist Ethics,' The Wheel No. 50ab Kandy 1977, p. 1-24.

Winternitz, M.: Der ältere Buddhismus nach Texten des Tipitaka. (2. erw. Aufl.) Tübingen : Mohr, 1929. (Religionsgeschichtliches Lesebuch, 11).

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

www.accestoinsight.org/tipitaka/mn/index.html

http://www.palikanon.com/


Groeten
Nico





Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #43 Gepost op: 18-05-2017 11:29 »
Beste Nico, bedankt voor deze serie richtlijnen en adviezen voor leken.

Eén van de dingen die me aanspreekt is dat je door het houden van de geloften van deugdzaamheid niet alleen jezelf beschermt maar ook een ander. Bescherming gaat twee kanten op.
Door zelf vertrouwenwekkend te leven, schenk je ook anderen de zegen van onbevreesdheid. En dat is enorm waardevol.

Heel wat mensen krijgen te maken met de praktijken van oplichters en dieven. Denk alleen al aan internetcriminaliteit wat steeds erger lijkt te worden. Dan is er ook nog overspel, aanranding, en nog ergere dingen. Hierdoor kun je je vertrouwen verliezen. Het is vaak ook een opstapeling . Iets kleins kan de druppel zijn.
De wet kan sommige vergrijpen, zoals fietsendiefstal, wel behandelen als een klein vergrijp, maar als de zoveelste ervaring die vreet aan vertrouwen is het wel degelijk ernstig en in dat opzicht zijn er geen lichte vergrijpen.

Beeld je een wereld in waarin mensen te vertrouwen zijn. Beeld je een wereld in waarin je constant op je hoede moet zijn. Een wereld van verschil.

Je bewust houden, elke dag weer, aan geloften, bijvoorbeeld de vijf basisgeloften, kan misschien wel wat gekunsteld lijken, toch, ik merk eigenlijk zelf dat het heel praktisch is. Het maakt realistisch. Je kunt wel van jezelf denken dat het wel goed zit met je moraliteit, dat je wel te vertrouwen bent, dat je wel vanzelf het goede doet uit jezelf en geen geloften of richtlijnen nodig hebt, nou, juist door elke dag bewust geloften te nemen en deze te evalueren hou je jezelf wat dit betreft constant een spiegel voor. Dan valt het nogal tegen met die superieure spontane moraliteit is mijn ervaring. Het realisme wat dan ontstaat is heel wat beter dan een dromerig soort besef van je eigen spontane morele puurheid. 


groet,

Offline Ujukarin

  • Global Moderator
  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 560
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Triratna Boeddhistisch Centrum Amsterdam
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken / Westers Boeddhisme
« Reactie #44 Gepost op: 18-05-2017 12:03 »
52. De westerse leek

   Volgens de eerwaarde Khantipalo, zelf van Britse afkomst, is de Westerling veel te kritisch wat betreft de overgeleverde leer van de Boeddha. Khantipalo ziet erin een hoogmoed die voortkomt uit superioriteit van wapens. De Westerling zou zich beter voelen dan de Oosterling en zou daarom de neiging hebben alles te verbeteren. Zo'n houding heeft wellicht vroeger geheerst. Tegenwoordig is de houding van de Westerling t.o.v. de Oosterling toch veranderd.
   De westerse mens heeft thans veel meer vrije tijd dan vroeger. Hij of zij kan zich intensiever met de leer van de Boeddha bezig houden. En er zijn ook goede vertalingen van de leer bij de hand. Door eigen studie kan men zich een eigen beeld vormen van de leer. Men is niet meer afhankelijk enkel van monniken of van nonnen.
    De traditioneel overgeleverde waarden kunnen door studie als niet juist gezien worden. Moeten die overgeleverde teksten dan verder toch maar als "leer van de Boeddha" aangenomen worden? Het is m.i. geen hoogmoed als de kritische houding van de westerse mens bepaalde tradities als onjuist beschouwt en ze verwerpt. Het is aan de studie van geleerden te danken dat wij nu de waarde van bepaalde teksten kunnen vaststellen. Latere toevoegingen die niet ter zake doen of die onjuist zijn, moeten zeker met de nodige voorzichtigheid beschouwd worden, of zelfs verworpen. En dat heeft dan niets met hoogmoed te maken. De Boeddha zelf heeft immers al een kritische houding ten opzichte van zijn leer en die van anderen aanbevolen. Wat niet met de leer overeenkomt, moet verworpen worden, ook als het tot de overlevering van een bepaald land of een bepaalde streek behoort.
   
Groeten
Nico
Mooi weergegeven, Khantipalo is een oude vriend van m'n leermeester maar is nadien nog wat meer in de orthodoxie beland.
David Loi verwoordt het mooi (vrije weergave): "Boeddhisme mét Aziatische cultuur naar het Westen brengen is als een bananenboom van India naar de Cote d'Azur brengen kompleet met een hele grote kluit Indiase grond, en pas gaandeweg door assimilatie van lokale grond laten wennen aan de nieuwe omgeving. Dus met andere woorden je neemt een heleboel 'ballast'/badwater mee, maar durft er niet aan te beginnen dat te verwijderen omdat je dan kind met badwater zou kunnen weggooien.
Boeddhisme zonder die cultuur beginnen is juist die boom neerzetten op een zorgvuldig bepaalde mix van Westerse grondsoorten. 'Zuiverder' dan de traditionele benadering maar wel met het duidelijke risico dat er kind met het badwater wordt weggegooid.

Mijn hart ligt nadrukkelijk bij het Westers boeddhisme, maar
  • Ik realiseer me verduveld goed dat er veel kennis en ervaring nodig is om te bepalen wat er boeddhistische kern is en wat weggooibaar is. Daarbij leun ik gelukkig op een brede traditie/sangha, maar ik leer er nog elke dag bij!
  • Qua 'expressievormen' zijn juist wel vele mee-overgeleverde Aziatische tradities zoals pujas en mantras essentieel, omdat het veel tijd gaat kosten om daarvoor Westerse equivalenten te vinden. De echte kern van boeddhisme is absoluut niet in uitsluitend taal (zoals soetras) uit te drukken maar is ongrijpbaar, niet-rationeel etc. etc. en daarvoor moet je dus niet al te snel traditionele expressievormen weghalen.

With folded palms,

<Ujukarin>

Offline DirkJan

  • Global Moderator
  • Eerwaarde
  • *****
  • Berichten: 2154
  • Geslacht: Man
  • een goed voorbeeld is van onschatbare waarde
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #45 Gepost op: 18-05-2017 13:21 »
« Laatst bewerkt op: 18-05-2017 20:48 door DirkJan »
Met een been in het graf,het ander op een bananenschil

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken / Westers Boeddhisme
« Reactie #46 Gepost op: 18-05-2017 20:28 »
Mijn hart ligt nadrukkelijk bij het Westers boeddhisme, maar
  • Ik realiseer me verduveld goed dat er veel kennis en ervaring nodig is om te bepalen wat er boeddhistische kern is en wat weggooibaar is. Daarbij leun ik gelukkig op een brede traditie/sangha, maar ik leer er nog elke dag bij!
  • Qua 'expressievormen' zijn juist wel vele mee-overgeleverde Aziatische tradities zoals pujas en mantras essentieel, omdat het veel tijd gaat kosten om daarvoor Westerse equivalenten te vinden. De echte kern van boeddhisme is absoluut niet in uitsluitend taal (zoals soetras) uit te drukken maar is ongrijpbaar, niet-rationeel etc. etc. en daarvoor moet je dus niet al te snel traditionele expressievormen weghalen.

Wat vind jij van het nut van puja's (chenrezig, mahakala, chod etc) in bijvoorbeeld Tibetaans of het reciteren van sutta's in Japans? Wat vind je er van dat dit door Nederlanders in talen gebeurt waarin vrijwel niemand wat van begrijpt?

groet,


Offline Ujukarin

  • Global Moderator
  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 560
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Triratna Boeddhistisch Centrum Amsterdam
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken / Westers Boeddhisme
« Reactie #47 Gepost op: 18-05-2017 20:58 »
Wat vind jij van het nut van puja's (chenrezig, mahakala, chod etc) in bijvoorbeeld Tibetaans of het reciteren van sutta's in Japans? Wat vind je er van dat dit door Nederlanders in talen gebeurt waarin vrijwel niemand wat van begrijpt?

groet,

Ik ben er nog mee bezig ;-)
Juist omdat veel van de betekenis 'tussen de regels op het papier in zit' maakt het voor mij niet alteveel uit of ik de tekst op moment van reciteren begrijp of niet. Wél wil ik ooit eens een keer gelezen hebben wat ie betekent.
Ik en vele anderen bij onze beweging zijn veel aan het experimenteren met alternatieve versies van teksten met daarin meer Nederlands/Engels en minder Pali/Sanskriet/Tibetaans/Japans. Soms 'slaan die aan' en merk je dat er iets van de Waarde die bedoeld wordt overgedragen raakt, bijna even goed of zelfs even goed als in het vreemde-taal origineel, en soms niet. En de Britten/Ieren werken ook regelmatig met Keltische voor-Christelijke rituelen als expressie van boeddhisme, in NL hebben we nog niet zo snel iets vergelijkbaars tenzij iemand iets van de Batavieren of Kaninefaten weet op te duiken  :-\
Maar i.t.t. de discussie in de Christelijke Kerk over Latijn vs. Nederlands bij rituelen/missen is in het boeddhisme heel duidelijk dat de betekenis voorbij de taal gaat, dus dat die taal er niet eens zo enorm veel toe doet.

With folded palms,

<Ujukarin>


Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1539
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #48 Gepost op: 18-05-2017 22:30 »
Ik vind het zelf fijn om alles van de praktijk van Tchenrezig gewoon in het Nederlands te doen, behalve dan de mantra recitatie natuurlijk. Ik wil niet respectloos zijn naar de lineage's en tradities maar ik voel het gewoon zo aan dat het beter is alles in mijn eigen taal te doen.

groet,

Offline nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 287
    • Bekijk profiel
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #49 Gepost op: 19-05-2017 17:56 »
Beste,

     Om het reciteren van teksten, puja's e.d. begrijpelijker te maken (voor de volgeling(e) van het Theravada) heb ik in 1986 veel  Pali teksten die in de Buddharama tempel te Waalwijk gereciteerd werden, in het Nederlands vertaald, en in een klein boekje gepubliceerd met Pali en Nederlands naast elkaar. Zo konden de Nederlandse en Belgische bezoekers van die tempel alles goed volgen en begrijpen. Een Engelse versie ging eraan vooraf. (Buddhist Texts for Recitation en Boeddhistische teksten voor recitatie).
     De Boeddha heeft onderwezen dat de leer in de eigen taal geleerd moet worden. (Vin.Cv.Kh.5)  Om die reden heb ik "het grote boek van de beschermingen" in het Nederlands vertaald. Zo zijn ook die teksten begrijpelijker geworden.
Zie o.a. http://www.deleervandeboeddha.nl/14.%20=Het%20grote%20boek%20van%20de%20beschermingen.html
     Ook teksten die gereciteerd worden bij het aanbieden van bloemen, reukwerken e.d. zijn in het Nederlands vertaald, om de betekenis van dat aanbieden duidelijker te maken.
Zie o.a. http://www.deleervandeboeddha.nl/45.%20Devotie%20in%20het%20Boeddhisme.html

   De een reciteert de teksten liever in de oorspronkelijke taal; de ander in de eigen taal. En daar is niets op tegen.
Kritisch zijn t.o.v. de leer is vooral erop letten of de betreffende leerstellingen overeenkomen met de leer van de Boeddha. Veel is in de loop der jaren toegevoegd. Zo zijn er veel leugens over de eerwaarde Ananda verteld. Door taalwetenschappers is dat ontdekt. Die leugens moeten dan niet verder als leer van de Boeddha aangenomen worden.

Groeten
Nico
« Laatst bewerkt op: 19-05-2017 18:05 door nico70 »