Auteur Topic: De Bodhisatta in het Theravada  (gelezen 1119 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
De Bodhisatta in het Theravada
« Gepost op: 22-07-2017 23:55 »
De Bodhisatta in het Theravada Boeddhisme

Voorwoord

    In de inleiding tot het Mahayana Boeddhisme staat o.a. dat het wordt gekenmerkt door het ideaal van de Bodhisattva. Ook het Theravada kent het begrip van de Bodhisatta. Hij is er weliswaar niet het hoogste doel, maar wel een goed voorbeeld dat door leken nagevolgd kan worden. De Boeddha heeft immers onderwezen dat een leek geen edele monnik als voorbeeld moet nemen, maar een goede leek. (Zie: A.II,131-134).
   In het Mahāyāna worden aan de Bodhisattva bovennatuurlijke krachten en zekere graden van heiligheid toegekend. Maar volgens de Theravāda-traditie behoort de Bodhisatta nog tot de wereldlingen en nog niet tot de Ariyasangha, de gemeenschap van de Boeddhistische heiligen van het eerste, tweede, derde of vierde niveau.
   Tussen het Pāli-woord Bodhisatta en het Sanskriet-woord Bodhisattva is slechts één letter verschil. Er is echter een wezenlijk onderscheid tussen deze twee opvattingen. Diverse deelstudies zijn er gepubliceerd die direct of indirect te maken hebben met de leer over de Bodhisatta in het Theravāda. Een systematisch overzicht ervan is nog niet verschenen, voor zover mij bekend. Omdat ik al vele jaren geïnteresseerd ben in dit onderwerp, leek het me nuttig een compilatie te maken van de vele gegevens. Ik werd hiertoe aangespoord door de eerwaarde Rassagala Seewali uit Sri Lanka die toen in Thailand studeerde. Hij had eveneens een grote belangstelling voor dit onderwerp. Een eerste poging werd ondernomen begin 2000. De beschikbare gegevens bleken echter nog te beperkt. Een gelukkige omstandigheid was dat mijn goede kennis Dr. Karl Hubertus Eckert uit Augsburg mij meer dan 1100 van zijn boeken over het Boeddhisme schonk. - Moge die schenking hem lang tot heil en zegen strekken. - Ik had nu de beschikking over een grote bibliotheek van onschatbare waarde.
   De tekst van het eerste concept werd in het Engels vertaald en naar enkele van mijn eerwaarde kennissen in Sri Lanka en Thailand gestuurd. De eerwaarde Dr. Sangharatana Thero, hoofd van de tempel te Pitaramba, Bentota, Sri Lanka, adviseerde mij, na lezing ervan, om iets meer uit te weiden over het Mahāyāna. Deze goede raad werd dankbaar opgevolgd en bleek van groot voordeel te zijn voor de studie van het concept van de Bodhisatta.
   De tweede poging om deze facetten over de leer van de Bodhisatta samen te stellen, werd ondernomen in 2002/2545, welke enigszins herzien werd in 2003/2546.
   De Engelse versie ervan werd opgestuurd naar de redactie van de Buddhist Publication Society te Kandy, Sri Lanka. Het typoscript werd zorgvuldig gelezen en gecorrigeerd door Mr. Dennis Candy en Prof. Handunukanda. Zij maakten meerdere suggesties om deze studie te verbeteren welke suggesties in dank aangenomen werden.
 
   In de suttas van de Pāli Canon is weinig informatie te vinden over de Bodhisatta. De term Bodhisatta wordt er gebruikt om er de Boeddha Gotama mee aan te duiden vóórdat hij de Verlichting bereikte. In het Cakkavatti- Sīhanāda sutta (Digha Nikaya 26) is sprake van de toekomstige Boeddha. En in het Buddhavamsa en het Cariyapitaka zijn gegevens over vroegere Boeddhas. Verdere boeddhistische literatuur over dit onderwerp is het Dasabodhisattuppattikathā (betreffende de levens van de tien Bodhisattas). Over de waarde van deze werken zal later ingegaan worden.
 
   Deze studie handelt voornamelijk over de Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme. Over de Bodhisattvas in het Mahāyāna zijn reeds erg veel werken gepubliceerd. Daarom wordt over hen hier niet veel verteld. Eerst probeer ik duidelijk te maken hoe er een verschil in denken is ontstaan en welke de hoofdverschillen zijn tussen het Theravāda enerzijds en het Mahāyāna anderzijds. Vervolgens wordt in het kort de opvatting over de Bodhisattvas in het Mahāyāna beschreven. En daarna volgt het concept van de Bodhisatta in het Theravāda. Een hoofdstuk is gewijd aan de Jātakas en een ander aan de Pāramis. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de toekomstige Boeddhas. Tot slot is er een korte samenvatting, en een vergelijking van de opvattingen van Theravāda en Mahāyāna.
 
   Om de leer van de Boeddha goed te begrijpen, moeten wij proberen alle vreemde en niet ter zake doende elementen te identificeren die in de loop der jaren erbij zijn gekomen. Dit geldt ook voor de leer over de Bodhisatta. Ik hoop dat ik daarin enigszins geslaagd ben.
 
Nico
« Laatst bewerkt op: 03-08-2017 00:10 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #1 Gepost op: 23-07-2017 15:00 »
1. De ontwikkeling van het vroege Boeddhisme
 
     Tijdens het leven van de Boeddha en enkele eeuwen erna werd nog niets opgeschreven over de leer. Leerstellingen werden toen in verzen gezet die gemakkelijker van buiten geleerd konden worden en van de ene persoon op de andere en van de ene generatie op de andere overgebracht konden worden. De Boeddha zelf heeft dan ook geen geschreven teksten nagelaten. Drie maanden ná zijn definitieve heengaan (Parinibbāna) werd te Rājagaha een vergadering bijeengeroepen van 500 Arahants, volmaakte heiligen. Voorzitter ervan was de eerwaarde Mahā Kassapa. Het doel van deze bijeenkomst was de leer (Sutta Pitaka) en de discipline voor monniken (Vinaya Pitaka) te reciteren en te beoordelen en valse leringen eruit te verwijderen.
   Op het einde van dit concilie zou de eerwaarde Ānanda gezegd hebben dat de Boeddha hem had meegedeeld dat de mindere regels konden worden opgegeven. Hij had echter niet gevraagd welke die mindere regels waren. Er zouden toen verschillende meningen geopperd zijn. Er kwam geen eenheid van mening hier-over onder de monniken. Daarom besloot de eerwaarde Mahā Kassapa dat de Vinaya-regels niet gewijzigd werden en dat de monniken alle regels bleven opvolgen.
   De eerwaarde Gnanarama wees erop dat dit een latere toevoeging moet zijn. Ten tijde van de Boeddha was bekend welke de mindere regels waren. Ze waren ook aan Ānanda bekend. Hij hoefde dus niet te vragen wat die regels inhielden. Verder waren de regels voor de monniken ook bekend bij de leken. Ze te wijzigen na het heengaan van de Boeddha zou hebben geleid tot onrust bij het volk.
 
   Niet iedereen was het met de besluiten van het eerste concilie eens. Zo bleef de eerwaarde Purāna, een rondtrekkend monnik met een groot gevolg, de leer en de discipline onthouden op de manier zoals hij ze van de Verhevene had vernomen. Behalve hem zullen er ook andere monniken zijn geweest die het niet eens waren met de vorm van het eerste concilie. En zeker zullen er op veraf gelegen plaatsen monniken zijn geweest die de leerreden die op het eerste concilie gereciteerd werden, niet vernamen en die een aantal suttas onthielden zoals zij ze geleerd hadden. Zulke leerreden kunnen dan later toegevoegd zijn, als zij overeenkwamen met de leer. Ook kunnen gedeeltes van hun geschriften nog bewaard zijn via vertalingen ervan in het Chinees, Tibetaans of Sanskriet.
   Ongeveer 100 jaar na de dood van de Boeddha schijnt het Boeddhisme in India bestaan te hebben uit een aantal regionale organisaties die ieder eigen kenmerken hadden. Dit was het onvermijdelijke gevolg van communicatie-moeilijkheden. Door de grote afstand was er weinig of geen contact tussen de groepen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er verschillen bestonden over de leer.
 
   In die 100 jaren waren door enkele kloosters verscheidene regels veranderd. Tien regels voor monniken werden door de Vajjiputtas aangepast aan de nieuwe tijden. Deze monniken leefden te Vesali. Deze stad was een handelscentrum met een monetaire economie. De Vajjiputtas moesten wel aalmoezen in geldelijke vorm aannemen. Voor de bewoners van Vesali was het toen heel natuurlijk om geld te geven in plaats van voedsel. Maar er kwamen moeilijkheden. Een monnik met naam Yasa, die tot de groep van de Ouderlingen behoorde, reisde door Vesali. Hij zag dat de monniken er geldelijke giften van de leken aannamen en protesteerde daartegen.[8] Hij vond steun in het westen, in Kosambi en Mathura en ook in Avanti. Monniken van heel India werden uitgenodigd om afgevaardigden naar  Vesali te sturen. Ook de monniken van Vesali zochten hulp. In totaal kwamen er 700 monniken samen. Zij vertegenwoordigden het Boeddhisme van die tijd. Aan het hoofd van dit 2e concilie stonden de eerwaarden Yasa, Revata en Sabbakāmi. Volgens de overlevering waren zij allen ouder dan 120 jaar en zouden de Boeddha zelf nog gezien hebben.[9] De discussie ging eindeloos door. De orthodoxe monniken zeiden dat niets veranderd mocht worden, terwijl anderen van mening waren dat diverse regels gewijzigd konden worden. De orthodoxe monniken beweerden volgens de ware overlevering van de Ouderlingen (Sthaviras)[10] te handelen. Daarom werden zij bekend onder de naam Sthaviravādins. Zij verwierpen de voorstellen van de Vajjiputtas. Toen werd de eerwaarde Revata, die een heilige was en die door beide partijen gerespecteerd werd, aangewezen om een comité samen te stellen bestaande uit vier monniken van de kant van Vesali en vier monniken van de tegenpartij (de Westelijken). De Westelijken konden die van Vesali ervan overtuigen dat de regels ongewijzigd bleven. De Vinaya werd toen opnieuw gereciteerd.

   Na het concilie te Vesali – dat 8 maanden duurde – werd er een nieuwe bijeenkomst gehouden door de Vajjiputtas en hun aanhangers. Die bijeenkomst werd “de grote recitatie” genoemd. Er zouden 10.000 monniken bijeen zijn gekomen. Dit betekent: een heel groot aantal. De Tipitaka werd er veranderd naar hun eigen inzichten en nieuwe teksten werden toegevoegd. Er ontstond toen een afzonderlijke school, de Mahāsanghikas.
   Volgens sommigen was deze bijeenkomst op het einde van het 2e concilie. Volgens anderen is dit zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, en werd ze gehouden enige tijd na dit concilie en enige tijd vóór de periode van Asoka.
   Het Theravāda was erg sterk vertegenwoordigd in het westelijke deel van Noord-India. De Mahāsanghika school was voornamelijk gevestigd in het oostelijke deel ervan. Maar er is geen duidelijke scheiding te maken. Ook was er onderling geen ruzie of vijandigheid. Monniken van verschillende scholen leefden in harmonie in dezelfde kloosters samen. En aan rondtrekkende monniken werd niet gevraagd tot welke school zij behoorden.
 
   De Mahāsanghikas ontwikkelden nieuwe leerstellingen betreffende de Boeddha-natuur, arahantschap en bodhisattvaschap. Zij benadrukten dat de Boeddha een transcendent wezen is, ver verheven boven andere mensen, of misschien wel helemaal geen menselijk wezen. Zij probeerden hem goddelijke eigenschappen te geven. De Boeddha Gotama die hier op aarde verschenen is, was volgens hen een geestelijk beeld (nirmanakāya) van het lichaam van de Boeddha in de Tusita-hemel. Zij beschouwden de Boeddha Gotama als een geschapen Boeddha. Zo begonnen zij met de transformatie van de Boeddha en zijn leer. Dit leidde geleidelijk tot het Mahāyāna. Het humanisme van de oorspronkelijke leer werd het bovennatuurlijke van de meeste Mahāyāna teksten.
   Ook was volgens de Mahāsanghikas een Arahant niet volledig heilig, maar kon hij/zij terugvallen in een lagere sfeer. Zij beweerden dat de Arahant beïnvloed kan worden door godheden, erotische dromen kan hebben, dat een Arahant twijfel kan hebben betreffende de leer, en dat hij/zij nog verder in de leer onderwezen kan worden. Kortom, zij stelden beperkingen aan het Arahantschap. Volgens het Theravāda is een Arahant verheven boven elke invloed van godheden. Het bereiken van arahantschap is definitief, de volmaakte heilige kan niet terugvallen. De Arahant begrijpt de leer volkomen en hoeft er niet verder over te leren.
   De Theravādins verwierpen de nieuwe leerstellingen. Er werd geen compromis gevonden en zo kwamen er toen twee hoofdstromingen in het Boeddhisme: Theravāda en Mahāsanghika.
 
   Volgens Lamotte was er in de twee eerste eeuwen van het Boeddhisme een latente jaloezie ontstaan van de kant van de wereldse monniken en de leken ten opzichte van de Arahants. De status van Arahant werd daarom verlaagd door de wereldse monniken door ketterse thesen op te stellen.
 
   De breuk tussen de Theravādins en de Mahāsanghikas kwam volgens sommigen niet alleen door het verschil in opvatting over de regels, maar ook omdat de eerste groep veel te veel nadruk legde op het klooster-leven en een geïsoleerde groep was geworden. De Theravādins vonden het hun fundamentele plicht om de oorspronkelijkheid van de Vinaya zoals ze uitgelegd was door de Boeddha zelf, te bewaren. De Mahāsanghikas preekten tot allen, tot het volk in het algemeen, zoals ook de Boeddha en zijn heilige discipelen hadden gedaan. Zij legden de nadruk op werk onder en voor de leken, ook al zou dit betekenen een opgeven van de kansen om zelf de verlichting te bereiken.
   Als het Theravāda inderdaad toen de nadruk heeft gelegd op de Vinaya, en de Sutta Pitaka op de tweede plaats heeft gesteld en niet tot het volk preekte, dan was er iets fout. Het bezwaar van de Mahāsanghikas is dan te begrijpen. De regels voor de monniken en nonnen (Vinaya Pitaka) zijn gedragsregels. De leer (Sutta Pitaka) is het belangrijkste. Volgens Gombrich was de sangha ten tijde van de Boeddha een organisatie voor zending. Al direct in het begin werden Arahants uitgezonden om de leer te verkondigen. En monniken en nonnen mochten niet weigeren om over de leer te preken, als zij daartoe uitgenodigd werden. Het is de plicht van monniken om leken de weg naar de hemel te wijzen. Het is niet hun plicht om de weg naar Nibbāna te tonen. Voor leken werd de hele leer toen te moeilijk uitvoerbaar gevonden.

Kaart 1.
India en buurlanden


« Laatst bewerkt op: 03-08-2017 00:11 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #2 Gepost op: 24-07-2017 01:08 »
De ontwikkeling van het vroege Boeddhisme (vervolg)
   
   Circa 200 jaar na het Parinibbāna van de Boeddha was er een splitsing binnen het Theravāda. De monnik Vātsīputra kwam met een nieuwe versie van de Abhidhamma. Hij beweerde die (vermoedelijk via diverse leraren) ontvangen te hebben van Sariputta en Rahula. Hij formuleerde er een speciale leer over de persoon (pudgala). De volgelingen van Vātsīputra kregen de naam Vātsīputriyas. Hun leer werd ook Puggalavāda genoemd. Zij accepteerden de persoon in zekere zin als werkelijkheid. Zij verwierpen het concept van een eeuwige ziel, een blijvende kern. Maar zij verwierpen ook de leerstelling dat een levend wezen niets meer is dan de vijf groepen met de zintuigen.
   Omstreeks die tijd splitste zich de Mahāsanghika school in twee verdere scholen: Ekavyavahārika en Gokulika (Kukkulika).
 
   Een belangrijke reden waarom er zoveel verschillende scholen waren, is te wijten aan het feit dat de monniken verspreid over heel India woonden. Verder was het Boeddhisme geen “Kerkgemeenschap” onder supervisie van een centraal klerikaal gezag. Maar elk klooster of elke groep van kloosters is een afzonderlijke gemeenschap. Er is geen opperste leider. Alleen de leer van de Boeddha dient als hoogste gezag. Dit betekent ook dat de leer van de Boeddha door monniken van de 2e, 3e of hogere graad anders gezien kon worden. Zo ontstond de mogelijkheid tot verschillende opvattingen. In het ene klooster kon de nadruk op een heel ander aspect van de leer gelegd worden dan in een ander klooster.
 
   In de 3e eeuw v. C. bekeerde keizer Asoka zich tot het Boeddhisme. In de volgende jaren kreeg de Orde van de monniken veel privileges en ongewenste elementen kwamen toen in de Orde. Omstreeks 237 v. C. werd het Theravāda bedreigd door een schisma, namelijk door de Sarvāstivāda, de ‘alles-bestaat’ school. De Sarvāstivādins beweerden dat niet alleen de tegenwoordige maar ook vroegere en toekomstige geestelijke staten (dharmas) werkelijkheid zijn. Zij beweerden dat het heden niet slechts één ogenblik duurt waarna het afsterft. Maar volgens hen bleven alle vroegere momen-ten bestaan; de dharmas ontstaan en vergaan niet, maar wisselen van passieve naar actieve toestand of omgekeerd. Ook beweerden zij dat nibbāna een eeuwige toestand is die men binnengaat. Het Sarvāstivāda kent drie niet aan voorwaarden gebonden dharmas: ruimte en twee soorten van bevrijding (nirodha). Het Theravāda verwierp die visies. Toekomstige dharmas kunnen nog niet bestaan; vroegere dharmas bestaan alleen nog in zoverre als het resultaat ervan nog niet uitgewerkt is. En nibbāna is een geestelijke toestand die intreedt na de vernietiging van begeerte, haat en onwetendheid. Alle scholen die deze laatste theorie aanhingen, werden toen de Vibhajyavādins genoemd, de Analytici, degenen die onderscheid maken (tussen vroegere, tegenwoordige en toekomstige geestelijke staten).
   Op verzoek van de eerwaarde Mogalliputta Tissa werd daarom door keizer Asoka, in 232 v. C. een 3e concilie bijeengeroepen en wel te Pataliputta (Patna). Negen maanden werd er door 1000 vooraanstaande monniken de hele Canon gereciteerd om de Sangha van tweedracht te vrijwaren. President ervan was de eerwaarde Moggaliputta Tissa Thera.[26] Op het einde van dit concilie stelde hij een boek samen, het Kathavattu. Hierin weerlegde hij de verkeerde meningen en theorieën die een aantal sekten erop na hielden. De leer die door dit concilie werd goedgekeurd en aangenomen, werd bekend als Theravāda. Vermoedelijk werd toen de Abhidhamma Pitaka opgenomen.
   Keizer Asoka was voorstander van de Vibhajyavādins. De Sarvāstivādins gingen toen naar het noordwesten, eerst naar Mathura en toen verder naar Kashmir. Dat bleef meer dan 1000 jaren het centrum ervan.
 
   Op ongeveer dezelfde tijd kwam er een aftakking van de Mahāsanghika, met het ontstaan van de Lokottaravādins. De naam ervan betekent ‘transcendente school’ en heeft betrekking op de natuur van de Boeddha. Zij beweerden dat de Boeddha een transcendent wezen was, iemand die de wereld te boven gaat. Een normaal mens kon niet in staat zijn geweest om de universele wetten die in de leer opgetekend zijn, te onderkennen. De Boeddha moest wel een supermens zijn. Deze theorieën leidden tot de transcendentale visies van het Mahāyāna over de natuur van de Boeddha. Het Mahāvastu stamt van deze school af. Dit boek was erg geliefd bij de volgelingen van het Mahāyāna en werd in Nepal in hun bibliotheken bewaard. De tekst die tot ons is gekomen, is gedurende meerdere eeuwen overgeleverd. Er staat o.a. in dat het lichaam van de Boeddha transcendent is en niet van deze wereld.

   Enige tijd na deze aftakking (eind 3e eeuw v. C.) kwamen er twee andere aftakkingen in de Gokulika-school, en wel de Bahushrutīya en de Prajñaptivāda. De eerste hiervan leerde o.a. dat de Boeddha een transcendente leer had. Van de tweede school is niets bewaard gebleven.
 
        Circa 100 v. C. kwam te Sri Lanka Vattagāmanī Abhaya op de troon. Tijdens zijn regering was er een burgeropstand. Tegelijkertijd was er een Tamil-invasie. Koning Vattagāmanī werd verslagen en vluchtte naar India waar hij 14 jaar in ballingschap leefde. In die tijd was er een grote hongersnood en veel leken en monniken stierven. De kloosters waren verlaten. Velen verlieten het land en gingen naar India. De mondelinge overlevering van de leer liep gevaar. Zo was er bijvoorbeeld door overlijden of vertrek van monniken in die tijd slechts één monnik die het hele Maha-Niddesa van buiten kende. Daarom leerden deugdzame en geleerde monniken toen van hem deze tekst, opdat die niet verloren zou gaan. Onder deze omstandigheden werd besloten de leer op schrift te stellen. Dit gebeurde omstreeks 90 v. C. Toen werd het 5e concilie gehouden van arahants. Het doel van dit concilie was de herziening van de commentaren op de Tipitaka. Op het einde van het concilie werd toen voor het eerst in de geschiedenis van het Boeddhisme de Pāli Canon op schrift gesteld, en ook de commentaren. Dit geschiedde in het klooster Aluvihāra in het Matale District te Sri Lanka.
__________
[8] Deze monnik heette Yasa en was de zoon van Kākandaka. Hij zou 164 jaar oud zijn geweest enj zou de Yasa zijn die door de Boeddha bekeerd werd in het hertenpark te Isipatana. – Dit lijkt me onwaarschijnlijk. Vermoedelijk is dit laatste later toegevoegd.
[9] Ook dit schijnt overdreven en is zeer waarschijnlijk een latere toevoeging.
[10] Oudere monniken = Theras in het Pali; Sthaviras in het Sanskriet.
[26] Volgens Thomas (1933, p. 35-36) was dit geen echt concilie maar een bijeenkomst, een congres, van acht monniken, om de leer te herzien.


Fig. 1
Aluvihara, Matala District, Sri Lanka




« Laatst bewerkt op: 01-08-2017 15:43 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #3 Gepost op: 24-07-2017 22:43 »
De ontwikkeling van het vroege Boeddhisme (vervolg 2)


     Op het einde van de eerste eeuw v. C. gaf koning Vattagāmani-Abhaya het klooster Abhayagiri te Anuradhapura aan een monnik die hem in zijn ballingschap had geholpen. Deze monnik heette Mahātissa. Wegens herhaalde fouten werd hij door de monniken van het Grote Klooster (Mahā Vihāra) uit de Sangha gezet. Een groep van diens volgelingen ging toen naar het klooster Abhayagiri te Anuradhapura, verbrak de verbinding met het Grote Klooster en vormde er een afzonderlijke nikāya. Later kwam er in die groep een verdere scheiding. Er waren toen dus twee groepen te Sri Lanka die zich van de Theravāda-school hadden afgescheiden.

   Tegen het einde van de eerste eeuw van de Christelijke tijdrekening was er in India onder koning Kanishka een verdere bijeenkomst, deze keer om de leer in het Sanskriet vast te leggen en om de onnauwkeurigheden en verschillende interpretaties weg te werken van de sekten die in de loop der jaren waren ontstaan. Er waren zo veel monniken, dat een selectie gehouden moest worden. Vijfhonderd monniken onder leiding van Vasumitra stelden toen drie commentaren samen. Die commentaren bestaan nog, maar ze zijn zeer waarschijnlijk niet samengesteld tijdens dat concilie. De plaats waar dit concilie gehouden werd, was Jalandhara in Kasjmir. Het Theravāda dat zijn Canon reeds in Sri Lanka op schrift had gesteld, erkende de rechtsgeldigheid van dit concilie onder koning Kanishka niet. Het gevolg ervan was de scheiding van de leer van de Boeddha in een zuidelijke en een noordelijke school.
   De noordelijke school noemde zichzelf Mahāyāna (het Grote Voertuig). De scholen waarvan ze zich had afgescheiden, werden Hinayāna (Kleine Voertuig) genoemd. De weg van het Hinayāna om de bevrijding te bereiken, was beperkt, maar het Mahāyāna was universeel, zo werd door de volgelingen van het Mahāyāna beweerd. De twee termen Mahāyāna en Hinayāna verschijnen tussen de 1e eeuw v. C. en de 1e eeuw n. C.
 
   De nieuwe school gebruikte het Sanskriet als haar taal en ontwikkelde zich in Noordwest- en Zuid-India. In deze gebieden was het Boeddhisme het meest blootgesteld aan niet-Indiase invloeden. Er was een sterke invloed van de westerse wereld. Immers, Alexander de Grote was India in de 4e eeuw v. C. binnengevallen. Dit had een grote invloed op het leven in India. Garnizoenen bleven achter en Griekse heersers volgden elkaar op gedurende de volgende 200 jaren en beheersten delen van India. Zo regeerde in noordwest India in de 2e eeuw v. C. de Grieks-Bactrische koning Menander (Milinda) die lang met de eerwaarde Nāgasena over de leer van de Boeddha sprak. Dit gesprek is een belangrijk onderdeel van de Theravāda leer geworden. De Grieken gingen vanuit Bactrië verder naar Punjab en vermoedelijk ook naar Magadha. Na de val van die Griekse koninkrijken kwamen de Scythen en de Pahlavas die zelf beïnvloed waren door de Hellenistische cultuur. Zij bleven enkele eeuwen lang delen van India beheren. Zo kwam het Boeddhisme in aanraking met de hellenistische wereld.
 
   Het Mahāyāna legde grote nadruk op de deugd van mededogen. Er is verondersteld dat Christelijke invloeden deel gehad kunnen hebben aan de ontwikkeling van het Mahāyāna. Er ontstond belangstelling voor de toekomstige Boeddha Metteyya (Maitreya). Maar indien Metteyya alleen maar één individu uit een reeks van velen was, dan moesten anderen ergens anders actief zijn, en dan moest de wereld vol Bodhisattvas zijn, die allen streven naar het welzijn van anderen. In plaats van de bevrijding op eigen kracht kwam de bevrijding door een ander dankzij de genade van de Boeddha of van Bodhisattvas. De functie van de Bodhisattva was die van een bevrijder, een verlosser. De Bhakti-beweging van het Hindoeïsme, die circa 400 v. C. begon, heeft zeker invloed gehad op de Mahāyāna-school. Bhakti (geloof en devotie) was een goed middel voor de gewone mens die de weg van wijsheid niet kon volgen.
 
   In het Mahāyāna ontwikkelden zich twee belangrijke scholen, namelijk het Mādyamika en de Yogācāra. Het Mādhyamika werd eind 1e eeuw of begin 2e eeuw n. C. gesticht door Nāgārjuna. Hij benaderde de leer van anattā, niet-zelf, en van het afhankelijk ontstaan heel filosofisch. Het hoofdconcept in zijn leer was sūnyatā, leegheid. Alle dingen zijn tijdelijk, wezenloos, onecht, leeg van eigenheid, zo omschreef Nāgārjuna het. Als de leegheid er niet was, zou een verwerkelijking van nirvāna niet mogelijk zijn. Deze leegheid verandert volgens hem niet en is daarom gelijk aan nirvāna. Samsāra en nirvāna zijn gelijk.[42] De uiteindelijke leegheid is hier, overal en allesomvattend. In feite is er geen verschil tussen leegheid en de waarneembare wereld. Alles hier is slechts een illusie, een product van de geest. En wie die voorstellingen van de geest als werkelijkheid beschouwt, ondervindt frustraties. Wie ze als illusie inziet, en wie zichzelf als niet-zelf, als leeg van eigenheid beschouwt, die is bevrijd. Alle wezens hadden reeds deel aan de leegheid welke nirvāna is. Zij allen waren al Boeddha van nature. Zij hoefden die Boeddha-natuur alleen maar te ontplooien.

   In de 4e eeuw n. C. werd de Yogācāra school gesticht door de gebroeders Asanga en Vasubandhu. Zij kwamen uit Peshawar in Gandhāra. Volgens sommigen was ook Maitreya of Maitreyanātha (3e-4e eeuw) een van de stichters. Hij was de leraar van Asanga. De beoefening van yoga werd belangrijk gevonden als middel voor religieuze vooruitgang. Deze school leerde dat er geen zichtbare objecten zijn; de waarneembare wereld is een manifestatie van de geest. Een andere naam voor deze school was daarom Vijñānavāda, de leer van bewustzijn. Bewustzijn is werkelijk, de objecten van bewustzijn zijn niet werkelijk. En ook het subject, het individu, is gevormd uit geest. Er is alleen maar geest, zonder zelf. In het Yogācāra is geest een omschrijving van het absolute. Ze kende een ‘centraal bewustzijn’ dat de essentie is van de wereld waaruit alles wat is, ontstaat. Het bevat de ervaringen van het individuele leven en de kiemen voor elk geestelijk fenomeen. Dit centrale bewustzijn speelde een rol als permanent ‘zelf’ hoewel zij het bestaan van een zelf ontkenden. Deze school kent drie niveaus van de geest: (1) denkbewustzijn (objectieve wereld); (2) denken (subject; voorstelling); (3) centraal bewustzijn (het absolute waaruit alles ontstaan is). In het Theravāda moet er een object zijn om object-bewustzijn te veroorzaken. Het Vijñānavāda  zegt dat het bewustzijn het zinsobject schept.
   Deze school leerde eveneens de leegheid. Ook werd er de opvatting van de ‘drie lichamen van de Boeddha’ ontwikkeld. De voorloper hiervan is, zoals wij zagen, de leerstelling van de Mahāsanghikas betreffende nirmānakāya, het geestelijk beeld van de Boeddha. Die drie lichamen (Trikāya) zijn:
1. Dharma-kāya. Het ware, onzichtbare lichaam; het lichaam van de leer; het lichaam van essentie, van waarheid en werkelijkheid. Er zijn ontelbare aardse Boeddhas; er is echter maar één dharma-kāya. De wezens op lagere niveaus van inzicht zien een veelvoud van Boeddhas. Maar de verlichte wezens beleven in dharma-kāya de essentiële eenheid, niet alleen van de Boeddhas met elkaar maar ook van de Boeddhas met de wezens der wereld. Het lichaam van essentie werd geïdentificeerd met nirvāna. Bepaalde scholen vereren het dharma-kāya als de Oerboeddha (ādibuddha) die het hele universum doordringt. Het is dan in feite de Wereld Ziel, het Brahman van de Upanishads, in een nieuwe vorm.
2. Sambhoga-kāya. Het hemelse lichaam van zegening en genot; het transcendente lichaam dat enkel spiritueel waargenomen kan worden door Bodhisattvas. Het is de geestelijke manifestatie van dharmakāya. In dit lichaam genieten de Boeddhas hun glorie en wijsheid. De transcendente Boeddhas werken mee aan de bevrijding van de wezens. Want zij zijn de leraren van de Bodhisattvas. Er zijn spirituele Bodhisattvas in het sambhoga-kāya die (nog) niet op aarde hebben geleefd.[46] In het sambhoga-kāya zijn zij zich bewust van elkaar – in staten van hoger bewustzijn. Dit lichaam van zegening verblijft eeuwig in de hemelen als een soort van opperste god. Het is op zijn beurt het voortvloeisel van dharma-kāya en de geestelijke schepper van nirmāna-kāya.
3. Nirmāna-kāya. Het magische lichaam, het zichtbare lichaam van een Boeddha of Bodhisattva. Alleen het nirmāna-kāya leeft op aarde, heeft als taak de leer te verkondigen. Het is een geestelijk product van een hemelse Boeddha, van sambhoga-kāya. Omdat Boeddhas na hun dood voor altijd als individu verdwijnen, is het nutteloos tot hen te bidden. Het bidden tot hen kan wel een heilzame gemoedsstemming teweeg brengen.
 
   Volgens het Mahāyāna heeft op dezelfde tijd als toen de Boeddha Gotama in India de leer verkondigde, zijn bovennatuurlijk origineel in de hemel een andere, diepe en verborgen leer verkondigd, welke eerst door de nāgas (slangen, draken) bewaard werd en pas enkele eeuwen daarna door Nāgārjuna en andere leraren naar de aarde is gebracht. De leer die de Boeddha verkondigd had, was voor eenvoudige mensen. De opperste leer van de Boeddha was pas vanuit de hemel naar de aarde gebracht toen er leraren waren die deze leer ook konden interpreteren en openbaar maken. Maar, zoals Warder terecht opmerkte, dit zou betekenen dat de Boeddha niet in staat is geweest tijdens zijn leven te onderwijzen wat anderen 600 jaar later wel konden.
 
   De Boeddha onderwees dat er drie typen van volmaakte wezens zijn: (1) Boeddhas; (2) Pacceka Boeddhas; en (3) Arahants. Volgens de vroege scholen moest een serieuze volgeling(e) streven naar arahantschap. Maar de Mahāyāna-geschriften veroordeelden de shrāvakas, personen die zich erop toeleggen zelf de staat van arahant te bereiken. Ook veroordeelden zij de pratyekabuddhas, personen die alleen hun eigen Verlichting verkrijgen. De volgelingen van het Theravāda en van andere vroege Boeddhistische scholen besteedden, aldus Ikeda, alle aandacht aan de studie van de Abhidhamma. Hun doel was het bereiken van de staat van arahant. Zij zochten hun eigen geestelijk heil en ondernamen niets om anderen te helpen door te preken of door als voorbeeld te dienen. De volgelingen van het Mahāyāna vonden dat men niet alleen moest werken voor eigen geestelijk heil, maar dat tevens de leer onder de massa verspreid moest worden, zo wijd als mogelijk. Hun doel was het bereiken van de staat van Bodhisattva, iemand die als verlicht wezen belooft anderen te helpen om de bevrijding te bereiken.
     
   Er is gesuggereerd dat het Hinayāna gecentreerd was rond de kloostergemeenschap, terwijl het Mahāyāna ontstond onder de lekenvolgelingen van die tijd. Maar er zullen zeker kloosterlingen zijn geweest die ontevreden waren met de houding van het Hinayāna en die hun krachten voegden bij de lekenleiders.
 
   Het Mahāyāna leert dat alle leven onderling afhankelijk is. Het absolute is in elk wezen aanwezig en is ondeelbaar. Daarom zijn alle wezens identiek met het absolute. Er is geen ik, maar wel een gemeenschappelijke eenheid. Karma is daarom niet individueel, maar eveneens familiaal, nationaal en universeel.[54] In het Mahāyāna wordt het universele aspect van karma benadrukt. Het spirituele systeem is als een grote oceaan. Individueel karma is daarom verbonden met het geheel. Boeddhas en Bodhisattvas kunnen de mens bevrijden door hun mededogen, en wel door middel van de leidraad en inspiratie die we ontvangen als we ons hart en onze geest openen voor de geestelijke aanwezigheden rondom en binnen in ons. Deze overdracht van verdienste geschiedt inwendig en uitwendig door de kracht van mededogen.
   Verder is volgens het Mahāyāna alle leven een manifestatie van het Boeddha-principe, of Geest. Wij allen bezitten het absolute, de bevrijding in ons. Wij zijn ons er echter niet van bewust. Ons leven is een stroom, een proces van worden. Energie is gelijk aan bewustzijn, en bewustzijn (geest) is alles wat is. Nirvāna en samsāra zijn identiek. Nirvāna wordt gevonden binnen samsāra, en niet erbuiten.
   In het Mahāyāna kwamen ook veel goddelijke wezens erbij. Duizenden Boeddhas, ontelbare Bodhisattvas en talrijke godheden, overgenomen uit het Hindoeïsme, werden in de Mahāyāna-godenwereld opgenomen.
_____

[42] Samsāra kan niet gelijk zijn aan nibbāna (nirvana). Samsāra is het bestaan in lijden, frustratie, onvoldaanheid. Nirvana is vrij daarvan. De waarneembare wereld is gelijk, maar de geestelijke vrijheid van nirvana (nibbāna) is niet te vinden in samsāra.
[46] Dit betekent dat het mogelijk zou zijn een Bodhisattva te worden zonder op aarde geleefd te hebben.
[54] Volgens het Theravāda is er geen klein zelfstandig bewustzijn noch een grote absolute geest. Ook is er geen universeel karma noch groeps-karma. Elk individu verricht zijn/haar eigen wilsakties (karma) en schept zijn/haar eigen karma-gevolgen.
« Laatst bewerkt op: 25-07-2017 17:16 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #4 Gepost op: 25-07-2017 12:19 »
2. De Bodhisattva in het Mahāyāna
 
     Volgens het oorspronkelijke Boeddhisme was de Boeddha een leraar. De bevrijding had plaats op eigen kracht. In het Mahāyāna kwam de gedachte op van de bevrijding door de ander, de genade van de Boeddha of van Bodhisattvas. Verder is voor het Mahāyāna het hoogste inzicht niet het inzicht van de Vier Edele Waarheden en van het achtvoudige pad, maar een omvattend en doordringend weten, een al-weten. Ook de Boeddha heeft dat inzicht niet in één nacht kunnen bereiken. Er waren ontelbare levens voor nodig. De ware Boeddhist volgt de Boeddha na en moet dus naar dat al-weten streven en de loopbaan van een Bodhisattva beginnen. De monnik spant zich in om arahantschap te bereiken. Maar, zo werd geredeneerd, is de leek door zijn edelmoedigheid, geduld en energie niet nog veel dichter bij de Boeddha?
 
     Het concept van de Bodhisattva in het Mahāyāna verving het arahant-ideaal als doel van het Boeddhistische leven. Volgens sommigen was het Bodhisattva-ideaal een herleving van de oorspronkelijke geest van het Boeddhisme. In het oorspronkelijke Boeddhisme was arahantschap open voor allen, monniken én leken. Later werd dit ideaal beperkt tot degenen die in een klooster leefden. De monniken van de Hinayana scholen zouden alleen naar arahantschap voor zichzelf streven en de leer niet onder het volk verspreiden. In het Mahāyāna is de Bodhisattva een wezen dat door systematische ontwikkeling van de volmaaktheden (pāramitā) naar Boeddhaschap streeft. Hij is de meedogende heilige die het nirvāna bereikt heeft maar afziet van het totale uitdoven, om in de wereld als brenger van het heil werkzaam te zijn. De Bodhisattva streeft ernaar om alle andere wezens te helpen naar bevrijding. Hij leeft enkel voor anderen. Onder alle omstandigheden moet hij jegens alle levende wezens eenzelfde gemoed hebben van mettā, liefdevolle vriendelijkheid. Ook maakt hij geen onderscheid tussen ‘zelf’ en ‘niet-zelf’. Hij is ervan overtuigd dat er geen onderscheid bestaat tussen hem en andere wezens. De arahant daarentegen werd als egoïstisch beschouwd omdat hij alleen streeft naar verlichting voor zichzelf. Het achtvoudige pad is alleen voor degene die zich afsluit van het leed van anderen. Volkomen is men als men zich ook voor anderen inzet en met de eigen bevrijding ook die van de hele wereld nastreeft. De arahant wordt als minder dan de Bodhisattva beschouwd, want arahantschap wordt bereikt door de volgeling(e), degene die de leer verneemt en die het achtvoudige pad volgt. De volgelingen van het Mahāyāna bekommerden zich niet om arahantschap, maar richtten hun aandacht op het bereiken van Boeddhaschap.
 
     De eigenschap van mededogen krijgt in het Mahāyāna op gelijke wijze de nadruk als wijsheid. Mededogen en wijsheid zijn in de Bodhisattva op gelijke wijze verdeeld. Uit mededogen stelt hij onzelfzuchtig zijn binnengaan in de zegen van nirvāna uit om lijdende wezens te helpen. Uit wijsheid probeert hij inzicht te verkrijgen in de leegheid van al wat is. Hoewel een Bodhisattva streeft naar opperste zuiverheid, blijft hij in aanraking met gewone mensen door dezelfde passies te hebben die zij hebben. Maar zijn passies beïnvloeden noch bevlekken zijn geest. Het mededogen van de Bodhisattva is groot, het maakt geen onderscheid. Hij heeft een onzelfzuchtig verlangen om anderen gelukkig te maken. Hij neemt vrijwillig het besluit om de last van alle lijden op zich te nemen. De redding van alle wezens neemt hij op zich. Hij is vastbesloten om vele miljoenen wereldperioden in ongelukkige sferen van bestaan te leven om daarmee alle levende wezens te redden. Want het is beter dat hij alleen lijdt dan dat alle wezens in die slechte sfeer komen. Bodhisattvas laden het leed van anderen op hun eigen schouders. Zij nemen het lijden van de wereld vrijwillig op zich. Maar zij moeten hun medelijden controleren door wijsheid. Zij mogen hun leven niet opofferen voor een gering of onwaardig doel. Wijsheid is nodig om de juiste middelen te kiezen die voor hulp nodig zijn.[62]
     De Bodhisattva begaat liever een zonde en lijdt ervoor vele 100.000den wereldperioden (tot zelfs in de hel), dan dat hij het goede van een enkel wezen verwaarloost. Zo brak de Bodhisattva Jyotis zijn gelofte van kuisheid en had seksuele omgang met een vrouw die anders zou zijn gestorven.[63]
 
     De Bodhisattva doet de volgende gelofte:
“Er zijn ontelbare levens wezens; ik beloof ze allen te redden. Onze slechte passies zijn onuitputtelijk; ik beloof ze alle te doden. De heilige leerstellingen kunnen niet gemeten worden; ik beloof ze te bestuderen. Het pad van de Boeddha is moeilijk te bereiken; de Verlichting is het hoogst; ik beloof Verlichting te bereiken.”
 
     De eenheid van mededogen en wijsheid wordt bereikt door de zes volmaaktheden (pāramitā). Iemand wordt een Bodhisattva wanneer hij voor het eerst het besluit neemt om volledige verlichting te verkrijgen voor het welzijn van alle wezens. De Bodhisattva is van het Boeddhaschap enkel verwijderd door één klein obstakel, namelijk zijn geloof in een persoonlijk zelf, zijn mening dat hij een afzonderlijk individu is.[65]
 
     De zes pāramitās zijn:
dāna (vrijgevigheid);
sīla (deugdzaamheid);
khanti (geduld, verdraagzaamheid);
viriya (energie);
dhyāna (contemplatie);
prajñā (wijsheid).
 
     De vraag wanneer men terecht een Bodhisattva genoemd kan worden, werd door Nāgārjuna (1e eeuw n. C.) als volgt beantwoord: “Deze verandering van een gewoon wezen tot een Bodhisattva heeft plaats wanneer zijn geest de staat heeft bereikt wanneer ze niet langer terug kan keren van verlichting. Ook heeft hij vijf voordelen gewonnen: Hij wordt niet meer herboren in staten van ellende, maar steeds onder goden en mensen. Hij wordt nooit meer geboren in arme families of families van lage komaf. Hij is steeds een man en nooit een vrouw. Hij is steeds goedgebouwd, en vrij van lichamelijke gebreken. Hij kan zich zijn vroegere levens herinneren, en vergeet ze nooit meer.”
 
       In het Lankāvatāra Sutra staat geschreven: “De Bodhisattvas zijn die serieuze discipelen welke verlicht zijn omwille van hun inspanningen om zelfverwerkelijking van Edele Wijsheid te verkrijgen, en die op zich de taak hebben genomen om anderen te verlichten.”
 
     Asanga schreef in zijn Bodhisattvabhūmi dat een van de eigenschappen welke Boeddhas en Bodhisattvas gemeen hebben, is dat zij onvoorstelbare, talloze middelen van macht hebben.

     Er zijn twee klassen van Bodhisattvas: aardse en hemelse of transcendente. De aardse zijn mensen die als Bodhisattvas slechts herkenbaar zijn aan hun alomvattend mededogen en hun vastberadenheid zich voor het heil van anderen in te zetten. Ieder mens kan een Bodhisattva worden.
     De transcendente of hemelse Bodhisattvas hebben zich door de verwerkelijking van volkomenheden (pāramitā) uit aardse Bodhisattvas ontwikkeld tot Boeddhaschap. Maar zij hebben hun definitieve uitdoven uitgesteld tot aan de bevrijding van alle levende wezens. Zij nemen de toestand aan van ‘nirvāna zonder stilstand’. Zo kunnen zij verder handelen voor de wezens. Zij kunnen alleen spiritueel waargenomen worden. Maar als zij dat zelf willen, kunnen zij – waarneembaar voor de zintuigen - in verschillende gedaanten verschijnen, al naar gelang het nodig is.
 
     Het denken van een Bodhisattva beweegt zich op twee niveaus. In zijn grenzenloze mededogen spant hij zich in voor de verlossing van wezens. Met deze houding toont hij dat hij ze voor hulpbehoevend en reëel houdt. Tegelijkertijd echter leeft hij als wijze met het inzicht dat een zelf (ātman) niet bestaat en dat de empirische wezens slechts kortlevende verschijningen zijn. Hij heeft diep inzicht in sūnyatā (leegheid). In waarheid is er geen lijden noch zijn er wezens die verlost moeten worden. En nadat alle wezens naar volmaakte uitdoving gevoerd zijn, is toch geen wezen volmaakt uitgedoofd.[71]
     De Mahāyāna-leer van Bodhisattvas is gebaseerd op de leerstelling van de overdracht van verdienste. Bodhisattvas beloven alle levende wezens te bevrijden. Dit is geen onmogelijkheid, want karma is er beschouwd als kosmisch. Alle leven functioneert als ‘gedachtengolven’ in de Kosmische Geest. Alles wat bestaat is in opperste werkelijkheid een manifestatie van het dharma-kāya (lichaam van waarheid), universeel bewustzijn. De gedachten en daden van één wezen hebben de macht alle andere levende wezens te beïnvloeden.
    
     Volgens het Mahāyāna is het pad naar Boeddhaschap open voor allen en daarom zijn er veel Bodhisattvas. Degenen die de voorlaatste fase van bestaan in de Tusita hemel hebben bereikt, worden beschouwd als hemelse wezens, tot wie gewone stervelingen zich kunnen wenden voor hulp. Dit kan op twee manieren. Het achtvoudige pad wordt beschouwd als te zwaar voor velen. Alleen bijzonder begaafde personen kunnen dat pad volgen. Voor anderen is die weg te steil. Zij hebben hulp van buiten nodig. Zij moeten vertrouwen op het mededogen (karunā) van de Bodhisattvas of op de genade van transcendente Boeddhas. Hun mededogen is grenzeloos en omvat dus ook wezens met geringe gaven. Om de hulp van Bodhisattvas te krijgen, is het voldoende om hen smekend aan te roepen. De transcendente Bodhisattvas zijn beter dan medemenselijke (aardse) Bodhisattvas in staat om snel hulp te bieden. Wie zo'n hulp vraagt, heeft de morele verplichting iets terug te doen, en wel zelf ook een Bodhisattva te worden. Het definitieve doel is weliswaar bevrijd te worden, maar anderen bevrijden is edeler. Een andere manier om hulp te krijgen is de gemakkelijkere weg, zonder verplichtingen. Het is de weg van geloof, vertrouwen. Dit vertrouwen geldt als kerndeugd waaruit zich andere deugden vanzelf ontwikkelen. De gelovigen vertrouwen erop dat de meedogende Bodhisattva hen niet in de steek zal laten. Door de genade van een Bodhisattva kan men de bevrijding bereiken. De Bodhisattvas en de hemelse Boeddhas kunnen het onheilzame karma-resultaat van anderen op zich nemen en hun daarvoor een goed karma-resultaat schenken. Zo doorbreken zij de natuurwet van moreel resultaat. Het bovennatuurlijke krijgt in het Mahāyāna de kans om in het natuurlijke in te grijpen. Het vertrouwen van de gelovige voert met zekerheid naar wedergeboorte in een Boeddha-paradijs waar hij of zij wijsheid ontwikkelt. Vandaar komt men dan in nirvāna.
 
     Door het streven naar Bodhisattvaschap en het heil voor anderen is in het Mahāyāna het einddoel, nirvāna, iets op de achtergrond geraakt. Maar het heeft er niets van zijn belang verloren. Wanneer alle wezens bevrijd zijn, zal een Bodhisattva in het volledige nirvāna ingaan. In het Mahāyāna is nirvāna gelijk aan samsāra. Alleen in de ogen van de onwetende is er een onderscheid tussen beiden.
 
     Er zijn in het Mahāyāna twee soorten van nirvāna:
1) Het onvolledige nirvāna: dit is het nirvāna tijdens het leven. De gelovige heeft dan de wijsheid verkregen en alles als illusie ingezien. Ook Bodhisattvas leven in dit onvolledige nirvāna.
2) Het volmaakte nirvāna: hierin is ook het lichaam van de bevrijde opgeheven. De verloste is vrij van persoonlijkheden.[75]
 
     Omdat alle wezens essentieel leeg zijn, bestaat er in feite geen wezen dat bevrijd moet worden en geen wezen dat moet bevrijden. Een Bodhisattva moet daarom aldus denken: “Alle wezens die er zijn moeten door mij naar het volmaakte nirvāna gevoerd worden. Maar ofschoon talrijke wezens daarheen gevoerd zijn, is helemaal geen wezen naar de uitdoving gevoerd. Want een Bodhisattva is vrij van de idee van ‘zelf’ of ‘wezen’ of ‘persoon’.” In absolute zin bestaan er geen wezens noch Volmaakten noch nirvāna. Zij zijn slechts schijn. Zij hebben geen verlossing nodig omdat zij leeg zijn.
 
     De term Bodhisattva was niet beperkt tot hemelse wezens. Grote leraren, zoals Nāgārjuna en Asanga, werden tot de Bodhisattvas gerekend. Ook was het in Zuidoost Azië gebruikelijk om koningen als Bodhisattvas te beschouwen, omdat dezen met grote inspanningen ervoor zorgden dat het welzijn van het volk veilig gesteld werd. Van meerdere koningen van Sri Lanka wordt beweerd dat zij het leven van een Bodhisatta voerden, dat zij naar Boeddhaschap streefden. Ook van Anāgārika Dharmapala wordt beweerd dat hij een Bodhisatta was.
_____
[62]  Het op zich nemen van het lijden van anderen lijkt erg sterk op de Christelijke leer. Volgens het Theravāda kan men niet het lijden van anderen op zich nemen.
[63] Upayakarsalya-Sutra. – Het Mahāyāna is bekritiseerd omdat het beweert dat het doel de middelen heiligt of dat een daad enkel gerechtvaardigd wordt door het resultaat ervan. Dat zou dan lijken alsof de mogelijkheid uitgesloten wordt dat sommige daden onheilzaam zijn. Maar ook de middelen moeten goed zijn. En als een Bodhisattva wegens een verkeerde daad in een ongelukkige sfeer terecht komt, dan kan hij gedurende die tijd niemand van nut zijn, niemand helpen. En dat zal toch niet de bedoeling zijn van zo'n daad, nl. één persoon helpen en tengevolge daarvan vele duizenden jaren lijden en niemand anders kunnen helpen gedurende die tijd.
[71]  De leer is als een vlot: een vaartuig om naar de andere oever te geraken. Eenmaal aangekomen, moeten wij ons er niet meer aan hechten. Men kan echter zeggen dat de Bodhisattva nog aan de leer hecht en nog geen volledige wijsheid bereikt heeft.
[75] Volgens het Theravāda Boeddhisme is dit niet mogelijk. Bewustzijn kan niet zonder lichaam bestaan; hoe kan er dan een bevrijd bewustzijn in nirvāna zijn zonder lichaam? En verder: bewustzijn ontstaat door oorzaken. Het is niet iets zelfstandigs. Het bewustzijn in nirvāna is bevrijd van de ik-mening. Het eigent zich niets meer toe. En daardoor is het volledig vrij.


Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #5 Gepost op: 25-07-2017 21:01 »
[75] Volgens het Theravāda Boeddhisme is dit niet mogelijk. Bewustzijn kan niet zonder lichaam bestaan; hoe kan er dan een bevrijd bewustzijn in nirvāna zijn zonder lichaam? En verder: bewustzijn ontstaat door oorzaken. Het is niet iets zelfstandigs. Het bewustzijn in nirvāna is bevrijd van de ik-mening. Het eigent zich niets meer toe. En daardoor is het volledig vrij.

Een uitzondering hierop zou toch het zogenaamde Vinnanam Anidassanam kunnen zijn. Dit wordt een paar keer genoemd in de suttas, zoals in DN11 en MN49. Het schijnt heel wat hoofdbrekens op te leveren wat hiermee precies wordt bedoeld.

Het wordt vertaald als 'een bewustzijn dat tekenloos is, grenzeloos, geheel lumineus' (DN11§85). En het wordt ook weergegeven als ‘niet-manifesterend bewustzijn of ‘onzichtbaar bewustzijn’. Het wordt ook wel vertaald als 'bewustzijn zonder kenmerk'.

Ik heb dit type bewustzijn in een aantal delen hier besproken:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2427.msg18361.html#msg18361

AN10.81 geeft ook aan dat de Tathagatha verwijlt met een geest zonder grenzen, vrijgemaakt van de khandha's, dus ook van de khandha bewustzijn. Maar als de Tathagata bevrijd van bewustzijn verwijlt, waarmee verwijlt hij dan? Wat is dan de basis van diens verwijlen? Op grond waarvan verwijlt hij dan?
Wat maakt dat hij kan verwijlen? Ik denk dat het niet heel ver gezocht is dit het vinnanam anidassanam is. Toch een vorm van bewustzijn maar geen khandha, dus geen bewustzijn-van-iets.

Ook geeft de sutta aan, vind ik, dat de Tathagata nu al, dus tijdens het leven, verwijlt vrij van geboorte, verouderen, ziekte en dood. Is het dan vergezocht dat latere meesters zijn gaan spreken over het eeuwige karakter van de natuur van de Tathagata? Als de Tathagata kan verwijlen vrij van geboorte en dood, moet dan het geboorteloze en doodloze niet een aspect zijn van ons allemaal?

http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2427.msg18367.html#msg18367

Het lijkt me toch ook dat het onderricht aangeeft dat alle waarnemingen kunnen eindigen (beëindiging van waarneming & gevoel). Dus alle zes vormen van bewustzijn, oog, oor, neus, tong, lichaam en mentaal bewustzijn moeten dan zijn geeindigd. Maar wat is er dan nog over in die staat? Want je bent niet dood.
Wat verwijlt dan? Wat is er dan als er geen bewustzijn-van-iets meer is? Vinnanam anidassanam?

In ieder geval vind ik het een heel aansprekende mahayana leer dat geest twee aspecten heeft. Het heeft een manifesterend aspect en een verwijlend aspect. Dat manifesterend aspect wordt 'bewustzijn' genoemd. Het doet zich voor als de manifestatie van geuren, kleuren en vormen, geluiden, ideeen etc. in de geest.  Het manifesteert in zes vormen van bewustzijn. Als zes soorten golven op de zee (geest).

Maar de zee, geest, kan ook volledig verstillen en kalmeren. Dan toont zich diens verwijlend aspect. Dat zou je dan de beëindiging van waarneming & gevoel kunnen noemen. Er ontstaan eenvoudigweg geen golven meer. Er manifesteert zich niks meer. Er ontstaat geen bewustzijn-van-iets meer. De zee, de geest, is volledig verstild, zonder golven, rimpelloos geworden. En dan, en pas dan, ziet geest eigenlijk zichzelf.

Het ziet ook dat deze staat diens natuurlijke staat is, dus ook de staat tijdens manifestatie. Na deze realisatie blijft geest altijd in contact staan met dit inzicht. Dus geest laat zich niet meer zo meeslepen met manifestaties. Niet langer afgeleid door manifestaties ziet het voor het eerst diens diepe, onmetelijke, grenzeloze karakter. Zoiets is het denk ik.

Zou dit ultiem verstilde en lege verwijlend aspect niet bestaan, dan zou het een zinloze aansporing van de Boeddha zijn geweest om van jezelf een toevlucht te maken, een eiland. Want waar zou je stabiliteit moeten vinden, een eiland, als alles aan jezelf vergankelijk, veranderlijk en niet-zelf is?

Ergens geloof ik dat dit ook allemaal overeenstemt met de bedoelingen van de Boeddha, met de Pali sutta's ook. Het was nooit de bedoeling van de Boeddha, volgens mij, dat mensen zouden gaan denken dat ze alleen maar een proces zijn, een verzameling van vijf khandha's, en niks meer dan dat. De Boeddha wilde juist duidelijk maken, dat ben je niet, dat ben je niet zelf. Kortom, focus niet zo op het manifesterend aspect van geest. Zie alles wat zich überhaupt manifesteert niet als wie/wat jezelf bent, dat zegt de Boeddha eigenlijk in talrijke sutta's. We zijn niet die zes manifesterende vormen van bewustzijn, niet de golven. de Boeddha geeft zo eigenlijk aan, ontwikkel gevoel voor en inzicht in het verwijlende aspect van geest.


groet,

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #6 Gepost op: 25-07-2017 21:20 »
Hallo Siebe,

Over het bewustzijn heb je inderdaad al veel gepost. Ik ga hier niet verder op in. Het niet gevestigde bewustzijn hoort thuis bij het onderwerp Nibbana. Misschien dat ik later daar iets ga posten.

Groeten
Nico

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #7 Gepost op: 26-07-2017 23:35 »
3. De Bodhisatta in het Theravāda
 
     De Bodhisatta die de Boeddha van dit tijdperk werd, heeft veel voor ons geleden gedurende onmetelijk lange perioden, uit medelijden (karunā) met de wereld, om een leraar te worden van de Edele Waarheden. Hij leed veel voor ons, maar niet in plaats van ons! Hij was een leraar, geen verlosser, geen heiland. Vanaf het begin van zijn loopbaan als Boeddha-in-wording ten tijde van de Boeddha Dīpankara tot aan zijn Verlichting heeft hij zich ingespannen om een leraar van goden en van mensen te worden, teneinde ons de weg naar nibbāna, het hoogste geluk, te tonen. Gedurende zijn lange loopbaan wordt hij Bodhisatta genoemd.

Fig. 2.
Te Buduruwagala, Monaragalla district, Sri Lanka, is een heel groot Boeddhabeeld uitgehouwen in een rots. Links ervan in wit is een beeld van de Bodhisattva Avalokiteshvara. Aan de rechterkant is een beeld van de Bodhisatta Metteyya, met Brahma Sahampati en Vajrapani (= Sakka) aan weerskanten.





De beelden dateren uit de 8e – 10e eeuw.
(Met dank aan de eerwaarde Dr. T. Sangharatana Thero)



Het woord Bodhisatta
 
     Het Pāli woord Bodhisatta is samengesteld uit bodhi en satta. Het eerste betekent: ‘wijsheid’ of ‘Verlichting’. Het tweede betekent: ‘toegewijd aan’ of ‘bestemd voor’. Een Bodhisatta is iemand die zich toelegt op wijsheid, die bestemd is voor Verlichting. Iemand wordt Bodhisatta genoemd als hij er zeker van is dat hij een Boeddha zal worden. In de Pāli Canon en de commentaren erop is de term Bodhisatta alleen gebruikt om er prins Siddhattha mee aan te duiden vóór zijn Verlichting en in zijn vroegere levens. De Boeddha zelf gebruikte deze term wanneer hij sprak over zijn leven voorafgaande aan de Verlichting.

Soorten Bodhisattas
 
     In de commentaren op het Khuddaka Nikāya worden drie soorten van Bodhisattas genoemd, namelijk (1) de Sāvaka Bodhisatta; (2) de Pacceka Bodhisatta en (3) de Mahā Bodhisatta.
     De Sāvaka Bodhisatta zal de Verlichting bereiken met de hulp van een leraar, door het navolgen van de leer van een Boeddha. Hij zal een arahant worden, een volmaakte heilige. Ook leken kunnen een arahant worden! Over de tijdsduur die men moet besteden om een arahant te worden, is weinig informatie beschikbaar. Maar volgens het Satipatthana Sutta kan men heiligheid verwachten wanneer men meditatie voor inzicht beoefent gedurende een periode van zeven jaar, ja zelfs in een periode van zeven dagen.
     De Pacceka Bodhisatta is degene die de Verlichting op eigen kracht zal bereiken, zonder hulp van anderen. Hij is echter niet in staat om anderen te onderrichten. Om een Pacceka Boeddha te worden, moeten drie factoren aanwezig zijn: (1) een ontmoeting met een levende Boeddha; (2) zijn uiterste best doen om hoogachting te brengen en (3) de wil om een Pacceka Boeddha te worden. Volgens de commentaren zal hij Verlichting bereiken na het vervullen van de tien gewone en de tien hogere volmaaktheden gedurende twee aeonen en 100.000 wereldperioden.[84]
     De Mahā Bodhisatta is degene die sammā-sambodhi, de hoogste Verlichting zal bereiken op eigen kracht, zonder de hulp van iemand anders. Hij zal een Boeddha, een Volledig Verlichte worden en de leer onderrichten aan goden en mensen. Deze levensloop is niet aanbevolen als een ideaal hoger dan of alternatief met arahantschap.
 
     Al deze soorten van Bodhisattas spannen zich in om de Verlichting te bereiken. Ieder van hen, zonder uitzondering, kan de hoogste Verlichting bereiken. Het verschil tussen een Boeddha, een Pacceka Boeddha en een arahant is, dat de eersten de waarheid inzien op eigen kracht, terwijl een arahant die inziet na onderwezen te zijn.
_____
[84] Een aeon of kappa (kalpa) is een ontzettend lange tijdsperiode. Ze is weer onderverdeeld in vier onmeetbare wereldperioden (asankheyyas).
« Laatst bewerkt op: 31-07-2017 13:55 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #8 Gepost op: 28-07-2017 01:07 »
De Mahā Bodhisatta
 
     Een Mahā Bodhisatta (voortaan kortweg Bodhisatta genoemd) is iemand die bestemd is voor Boeddhaschap. Hij is ervan verzekerd ooit een Boeddha, een volmaakt Verlichte te worden op eigen kracht, zonder onderricht van anderen.
     Voordat de aspirant naar Boeddhaschap aan zijn loopbaan kan beginnen, moet hij een mentaal besluit nemen voor Bodhisattaschap en uiteindelijk Boeddhaschap. Dit mentale besluit wordt voor ééns en altijd genomen en hoeft niet herhaald te worden. Verder moet hij een aspiratie maken in de tegenwoordigheid van een reeks van Boeddhas teneinde zijn bedoeling om Volmaakte Ontwaking te verkrijgen, kenbaar te maken. Ten derde moet hij een daad van verdienste verrichten jegens elke Boeddha, als onderpand of garantie van de diepe ernst van zijn bedoeling. Ieder van deze Boeddhas moet dan aan hem verklaren dat zijn aspiratie zal slagen. Boeddhas kunnen een aanstaande Boeddha herkennen en hem aanwijzen.
 
     De combinatie van acht omstandigheden is essentieel voor het slagen van de aspiratie naar Boeddhaschap. Die aspiratie heeft alleen succes wanneer de aspirant de menselijke staat bezit. En in die menselijke staat heeft de aspiratie alleen succes voor iemand die van het mannelijke geslacht is. De aspiratie heeft geen succes voor vrouwen, eunuchen, sekslozen of hermafrodieten.[88] En alleen voor een man die begiftigd is met een oorzaak voor het bereiken van arahantschap heeft de aspiratie succes, maar niet voor een ander.
     Wanneer de aspiratie gemaakt is in tegenwoordigheid van een levende Boeddha, heeft ze succes. De aspiratie heeft geen succes wanneer ze gemaakt is bij een stoepa of bij een Boeddha die het uiteindelijke nibbāna heeft bereikt, noch voor een beeld aan de voet van een Bodhi-boom, noch in tegenwoordigheid van Pacceka Boeddhas of discipelen van een Boeddha.
     De aspiratie in tegenwoordigheid van een Boeddha heeft alleen succes voor iemand die het huiselijke leven heeft verlaten en die naar asceten is gegaan die de uitwerking van kamma (bewuste handeling) openbaar maken, of die bij monniken leeft; ze heeft geen succes voor iemand met een gezin. Alleen aspiranten die het huiselijke leven hebben opgegeven, komen aan bij Zelf-Ontwaking. Daarom moet aan het begin van de loopbaan, wanneer de aspiratie gemaakt wordt, het leven in huis worden opgegeven. De aspiratie heeft dus alleen succes voor iemand die het huiselijke leven heeft verlaten. Ook moet hij de acht niveaus[90] en de vijf supervermogens[91] hebben verkregen. Er is geen succes voor iemand die deze niveaus van de speciale eigenschappen heeft opgegeven. Ook moet de aspirant een daad van verdienste verrichten; dit is het zich opofferen voor Boeddhas, zelfs het opofferen van het eigen leven. Succes is er alleen voor iemand die zo'n daad van verdienste verricht. Ook moet de aspirant naar Boeddhaschap een grote wilskracht hebben en zich erg inspannen bij het zoeken naar de dingen die een Boeddha vormen, dit wil zeggen het zoeken naar de volmaaktheden.[92]
 
     Kortom, de loopbaan van de Bodhisatta begint met het maken van een formeel besluit, abhinīhāra, om een Boeddha te worden, voor het welzijn van goden en mensen. Om hierin te slagen moet de aspirant naar Boeddhaschap: 1) de menselijke staat hebben; 2) van het mannelijke geslacht zijn; 3) in staat zijn om een arahant te worden tijdens het leven waarin het besluit genomen wordt; 4) de aspiratie maken in tegenwoordigheid van een levende Boeddha welke hem voorspelt dat hij in de toekomst een Boeddha zal zijn; 5) het huiselijke leven hebben verlaten en naar asceten zijn gegaan die de leer van kamma verkondigen, of bij monniken leven; 6) in staat zijn de niveaus van meditatie (jhāna) te bereiken en de vijf supervermogens hebben verkregen; 7) een daad van verdienste verrichten; 8 ) grote wilskracht hebben en zich erg inspannen bij het bereiken van de volmaaktheden.

     Uit eigen beweging en vrije wil verricht de Bodhisatta geen zware taken, geen harde arbeid, noch gaat hij naar een slechte bestemming, noch doet hij boete onder vreemde leraren.
     De Bodhisatta had leraren in wereldlijke zaken. Maar wat betreft alwetende kennis in de Dhamma had hij geen leraar hoger dan zichzelf.[95]
 
     Volgens de traditie leeft de Bodhisatta, voordat hij aan zijn laatste leven op deze aarde begint, in de Tusita hemel, de hemel van de Tevredenen. In die hemel onderzoekt de Bodhisatta het volgende:[96]
- De tijd van zijn geboorte.
- Het continent en de streek waar hij geboren zal worden. (Dit is steeds India, in het Midden-land, Majjhimadesa).
- Het gezin waarin hij geboren zal worden. (Dit is steeds een gezin van een adellijke krijger of dat van een brahmaan).
- Welke moeder hij zal hebben. (Zij moet de volmaaktheden vervuld hebben en vanaf haar geboorte de vijf regels van deugdzaamheid nagevolgd hebben).
- Hoe lang zijn moeder nog zal leven na hem ontvangen te hebben in haar schoot. (Tien maan-maanden[97] en een week).
- De maand van zijn geboorte.
- De tijd van het verzaken van het wereldse leven.
 
     De ouders van Bodhisattas zijn vastgesteld, namelijk vóórdat hij aan zijn laatste leven begint. En ook de boom van Verlichting, de hoofddiscipelen, de zoon en degene die voor hem zorgt zijn vastgesteld.
     De Bodhisatta blijft in de Tusita hemel de hele periode die hem daar is toegemeten totdat de goden zien dat hij weldra het einde van zijn hemelse levensspanne heeft bereikt. De godheden van de 10.000 werelden komen bij elkaar en smeken de Bodhisatta in eerbiedige houding: “De tijd is gekomen, machtige held; daalt af in de schoot van een moeder en ontwaakt tot de onsterfelijke staat. Steekt deze werelden met haar godheden en mensen over; redt deze werelden. Ontdekt het gebied van het doodloze.”
 _____
[88] Een vrouw kan wel de hoogste graad van heiligheid (Arahatta) bereiken, zie: M.111,65 en A.1,28.
[89] kamma = bewuste handeling.
[90] De acht niveaus (samāpatti) omvatten de vier stadia van meditatieve verdieping (jhāna) de sfeer van oneindigheid van ruimte, de sfeer van oneindigheid van bewustzijn, de sfeer van nietsheid, en de sfeer van noch-bewustzijn-noch-niet-bewustzijn. Zij worden bereikt door volledige concentratie waarbij er een volledige, hoewel tijdelijke onderdrukking is van de vijfvoudige zintuiglijke aktiviteit en van de vijf hindernissen. De staat van bewustzijn is dan echter volledig oplettend en helder. Deze hoge graad van concentratie is over het algemeen ontwikkeld door de beoefening van meditatie voor kalmte (bhāvana).
[91] De zes super-vermogens zijn de zes bovennatuurlijke krachten (abhiññā). Zij worden verdeeld in (a) vijf wereldlijke krachten: deze kunnen verkregen worden door uiterste perfektie in geestelijke concentratie; en (b) één boven-wereldlijke kracht die verkregen wordt door volledig inzicht, d.w.z. uitdoving van alle smetten. Dit is het verwerkelijken van arahantschap, heiligheid. – De Bodhisatta heeft alleen de sub (a) genoemde krachten verkregen.
[97] maan-maand = maand volgens de maankalender = ca. 29,5 dagen.
« Laatst bewerkt op: 28-07-2017 01:15 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #9 Gepost op: 29-07-2017 00:49 »
Laatste conceptie en geboorte van de Bodhisatta
 
     Volgens het Mahāpadāna sutta (D.14) is het volgende van toepassing bij de conceptie en de geboorte van de Bodhisatta in zijn laatste leven wanneer hij uiteindelijk Boeddhaschap bereikt.
     Bezonnen, vol bewust verdwijnt de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden en bezonnen, vol bewust daalt hij af in het moederlichaam.
     Wanneer de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden verdwijnt en in het moederlichaam afdaalt, verschijnt er in de wereld met haar goden, haar Maras, haar Brahmas, met haar menigte boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen, een onmetelijk verheven glans die de goddelijke pracht van de goden overtreft. En ook in die onpeilbare wereldtussenruimten van chaos, somberheid en volslagen duisternis, waar zelfs deze machtige zon en maan met hun licht niet schijnen, - ook daar verschijnt een onmetelijk verheven glans die de pracht van de goden overtreft. En de wezens die daar wedergeboren zijn, beseffen in die glans: "Er zijn hier, zo schijnt het, ook andere wezens ontstaan." En dit systeem van de 10.000 werelden siddert, trilt en beeft.[101]
     Wanneer de Bodhisatta in het moederlichaam is afgedaald, omgeven hem aan de vier hemelse richtingen[102] ter bescherming vier godheden[103] met de gedachte: "Moge deze Bodhisatta of diens moeder niet door een mens of door een niet-menselijk wezen of door iets anders schade toegebracht worden."
     Wanneer de Bodhisatta in het moederlichaam is afgedaald, is zijn moeder van een natuurlijke deugdzaamheid. Zij onthoudt zich van het beroven van leven, van het nemen wat niet is gegeven, onthoudt zich van zinnelijke begeerte, van verkeerd taalgebruik en van alle geestrijke drank, van alle bedwelmende en zwakmakende dingen.[104]
     Wanneer de Bodhisatta in het moederlichaam is afgedaald, ontstaan er bij zijn moeder geen gedachten aan mannen; er ontstaan geen gedachten die iets met zinnelijkheid te maken hadden. En ontoegankelijk is zijn moeder dan voor elke mannelijke hartstocht.
     Wanneer de Bodhisatta in het moederlichaam is afgedaald, wordt zijn moeder deelachtig aan de vijf zinnelijke genietingen; zij is met de vijf zinnelijke genietingen begiftigd.[105]
     Wanneer de Bodhisatta in het moederlichaam is afgedaald, krijgt zijn moeder niet de een of andere ziekte; zij is dan gezond, vrij van lichamelijke plagen. En zijn moeder wordt de Bodhisatta gewaar zoals hij binnen in haar lichaam is, van alle ledematen voorzien, met ontwikkelde zinsorganen.
     Zoals andere vrouwen baren, als zij negen of tien maan-maanden de vrucht in het lichaam hebben gehad, zó baart de moeder van de Bodhisatta hem niet. Maar zij baart nadat zij de Bodhisatta precies tien maan-maanden in het lichaam heeft gehad.
     Zoals andere vrouwen zittend of liggend baren, zó baart de moeder van de Bodhisatta niet. Enkel staande baart zij de Bodhisatta. Met één hand houdt zij zich daarbij vast aan een tak van een bloeiende sala-boom.
     Wanneer de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten treedt, ontvangen eerst de godheden hem en daarna pas de mensen.
     En wanneer hij uit het moederlichaam naar buiten treedt, komt hij daarbij niet in aanraking met de grond. Vier goden[106] nemen hem op en plaatsen hem voor zijn moeder met de woorden: "Weest verblijd, Meesteres. Een geweldig iemand is U als zoon geboren!"
     Wanneer de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten treedt, treedt hij heel rein naar buiten, onbesmet door vruchtwater, onbezoedeld door slijm, onbevlekt door bloed, onbesmet door wat voor onreinheid ook. Maar hij treedt zuiver en rein naar buiten.
     Wanneer de Bodhisatta uit het moederlichaam naar buiten treedt, verschijnen er twee hemelse waterstromen: de ene met koud en de andere met warm water. Hieruit maakt men voor de Bodhisatta en voor zijn moeder het badwater gereed.
     Onmiddellijk na de geboorte stapt de Bodhisatta, met de voetjes rechtop stappend, het gelaat naar het noorden gewend, met zeven lange schreden voorwaarts, terwijl een witte parasol[107] boven hem wordt gehouden. Hij kijkt naar alle richtingen en spreekt met machtige stem: "De voortreffelijkste ben ik van deze wereld; de eerste ben ik van deze wereld; de hoogste ben ik van deze wereld. Dit is de laatste geboorte. Een verder bestaan is er voor mij niet! "[108]

 _____
[101] Volgens Gokhale zijn deze wonderlijke gebeurtenissen niet oorzakelijk verbonden met de Boeddha als zodanig. Het ligt in de natuur der dingen dat buitengewone gebeurtenissen vergezeld gaan van buitengewone verschijnselen in de natuur.
[102] Noorden, zuiden, oosten en westen.
[103] De Vier Grote Koningen.
[104] Deze grote deugdzaamheid wijst erop dat de vijf regels van goed gedrag (pañca sīla) al bestonden vóór de tijd van de Boeddha Gotama. - Deze vijf regels zijn een deel van het Oude Pad dat door de Boeddhas van weleer is betreden.
[105] De vijf zinnelijke genietingen: de genietingen van het oog, het oor, de neus, de tong en het lichaam; m.a.w. alles wat zij zag, hoorde, rook, proefde en aanraakte, was haar aangenaam, daar genoot zij van, daar schepte zij behagen in.
[106] De Vier Grote Koningen.
[107] De witte parasol is een teken van heerschappij.
[108] Dit alles is symbolisch, volgens het commentaar. Het staan op de aarde wijst op de vier ‘wegen naar macht’ (iddhipadāna). Het kijken naar het noorden duidt op de menigte die overwonnen moet worden. De zeven schreden zijn de zeven factoren van Verlichting (bojjhangā). De parasol wijst op bevrijding. Het rondkijken duidt op onbelemmerde kennis. De machtige stem duidt op het draaien van het wiel der leer, en de verklaring van zijn laatste geboorte is de machtige uitspraak een aanstaand arahant te zijn.
« Laatst bewerkt op: 29-07-2017 01:20 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #10 Gepost op: 30-07-2017 00:45 »
Onderverdeling van Mahā Bodhisattas
 
     De (Mahā) Bodhisattas kunnen in drie groepen onderverdeeld worden, namelijk: Bodhisattas met wijsheid (paññādhika), Bodhisattas met energie (vīriyādhika), en Bodhisattas met devotie, toewijding, vertrouwen (saddhādhika).
     Bodhisattas die wijsheid als basis hebben, moeten de tien volmaaktheden uitoefenen in een periode van vier asankheyyas en 100.000 kappas. Bij hen komt wijsheid op de eerste plaats, terwijl vertrouwen het zwakst is. Zij concentreren zich meer op de ontwikkeling van wijsheid, inzicht, en de beoefening van meditatie. Devotie, uiterlijke vormen van eerbetoon zijn bij hen niet zo belangrijk. De Boeddha Gotama behoorde tot deze groep.

     Energieke Bodhisattas moeten acht asankheyyas en 100.000 kappas lang de volmaaktheden uitoefenen. Bij hen is energie het voornaamste, gevolgd door vertrouwen, devotie. Wijsheid komt bij hen op de laatste plaats. Actieve dienstverlening is hun grootste genot. Deze geest van onzelfzuchtige dienstverlening is één van de belangrijkste eigenschappen van alle Bodhisattas.
 
     Bodhisattas die vertrouwen als basis hebben, moeten de volmaaktheden uitoefenen in zestien asankheyyas en 100.000 kappas. Zij zijn minder energiek en hebben meer wijsheid. Zij hebben grote belangstelling voor devotie en eerbetoon. Het beeld van een Boeddha is voor hen een grote inspiratie. Hierbij moet men wel eraan denken dat het beeld van de Boeddha niet aanbeden wordt. Het is alleen een middel om de Boeddha in de gedachten te vestigen, om goed aan hem te denken. En door meer aan hem te denken, wordt hij meer geacht en gewaardeerd.
 
     Er bestaan verschillende opvattingen over de lengte van de periodes waarin deze drie groepen van Bodhisattas de volmaaktheden moeten vervullen.

Fig.3.
Bodhisattva, Polonnaruwa, Sri Lanka





« Laatst bewerkt op: 30-07-2017 01:22 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #11 Gepost op: 31-07-2017 00:25 »
Bereikte de Bodhisatta heiligheid?
 
     Volgens de traditie van het Theravāda heeft de Bodhisatta gedurende zijn lange loopbaan geen van de niveaus van heiligheid bereikt. Als een gewoon mens streeft hij al die tijd en ook tijdens zijn laatste leven naar de Verlichting.
     Uit het verhaal over Jotipāla blijkt duidelijk dat de Bodhisatta – onze Boeddha Gotama in een vroeger leven - ten tijde van de Boeddha Kassapa nog een gewoon mens was. Jotipāla was een brahmaanse jongeling. Tegen zijn zin werd hij naar de Boeddha Kassapa gebracht om naar diens toespraak te luisteren. Jotipāla werd door die toespraak zó getroffen dat hij in de Orde intrad.
     Als Jotipāla in zijn tijd als bhikkhu het pad van heiligheid betreden had, moet hij een heilige discipel zijn geweest van de Boeddha Kassapa. En dan had hij de leer van een ander vernomen en ze niet op eigen kracht ingezien. En als de Bodhisatta een leerling van de Boeddha Kassapa werd en het eerste niveau van heiligheid bereikte, het in-de-stroom-treden, dan hoefde hij vóór de Verlichting onder de Maha Bodhi boom nog maar drie niveaus te verwerkelijken. Men neemt echter aan dat hij toen alle vier de niveaus van heiligheid verwezenlijkte. Voor hem is er geen leraar wat betreft de vier edele waarheden. Inzicht, begrip, wijsheid en licht ontstonden bij hem voor het eerst bij het inzicht in de edele waarheden. Daarom kan de Bodhisatta het pad van heiligheid niet hebben betreden ten tijde van de Boeddha Kassapa.


« Laatst bewerkt op: 31-07-2017 16:11 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #12 Gepost op: 31-07-2017 21:46 »
Vermogens, eigenschappen en kenmerken van een Bodhisatta

     Volgens de eerwaarde Ledi Sayadaw wordt de Bodhisatta bij het maken van de edele aspiratie en bij het ontvangen van de bevestiging van toekomstig Boeddhaschap tegelijk begiftigd met de vijf vermogens (bala), de vier specifieke eigenschappen, de twee eigenschappen van mededogen (karunā) en bekwaamheid in strategie (upāyakosalla), de vier fasen van volle ontwikkeling (bhūmi), de zes neigingen (ajjhāsaya), en andere eigenschappen.
     Ook heeft volgens hem een (Mahā) Bodhisatta vier unieke kenmerken. Deze kenmerken zijn:
Indriya - De vijf morele eigenschappen: onwankelbaar vertrouwen (saddhā); onvermoeibare ijver; onwrikbare oplettendheid; vaste concentratie (samādhi); onfeilbare wijsheid.
Patipatti – De praktijk. De Bodhisatta is steeds erop uit om anderen te helpen. Hij plaatst het welzijn van anderen boven dat van zichzelf. Hij verwacht nooit iets terug voor zijn inspanningen. En hij zal die ook niet noemen. Als degene die welgedaan wordt, hem slecht bejegent, zal hij toch doorgaan met het bieden van hulp, zelfs als zijn leven daarbij gevaar loopt. Dit is de Bodhisatta’s praktijk om in het heden wel te doen. Wat betreft de verdiensten die in de toekomst ontstaan ten gevolge van zijn edele daden, heeft hij een hoger doel dan het bereiken van nibbāna alleen. Hij streeft naar hoogste Verlichting door welke hij in staat zal zijn anderen de weg naar nibbāna te wijzen. Dit is de Bodhisatta’s praktijk voor de toekomst.
Kosalla – Bekwaamheid. Dit kenmerk uit zich in duidelijk redeneren en tegenwoordigheid van geest welke eigenschappen hem nooit in de steek laten.
Ajjhāsaya – Neiging. Dit kenmerk heeft betrekking op de volmaaktheden. Als voorbeeld is hier genomen de volmaaktheid van geven. Een Bodhisatta is erg gelukkig wanneer hij iets kan geven. En hij voelt zich onprettig als hij iets te geven heeft en er is dan niemand aan wie hij het kan geven. Hij geeft steeds met een licht gemoed. En wanneer iemand hem iets vraagt, beoordeelt hij hem of haar niet naar afkomst, maar hij willigt graag in. Hij geeft zonder aanzien van de persoon. Hierbij denkt hij niet aan zijn eigen benodigdheden. Hij geeft enkel om in andermans behoeften te voorzien.
 
     Wat betreft de overige volmaaktheden moet dit voorbeeld toegepast worden met de nodige wijzigingen.
 
     Het bovenstaande over de vermogens, eigenschappen en unieke kenmerken van de Bodhisatta heeft de eerwaarde Ledi Sayadaw ontleend aan commentaren, waarbij ook commentaren op Jātakas. Ik had niet de beschikking over die commentaren en kon ze daarom niet controleren. Zoals wij nog zullen zien, zijn Jātakas educatieve verhalen en geen betrouwbare historische verhalen van vroegere levens van de Boeddha. Wat is de waarde van deze en andere commentaren?
     De vijf vermogens uiten zich pas vanaf het eerste niveau van heiligheid. En volle ontwikkeling is er pas als volledige heiligheid is bereikt. Verder is mij geen tekst uit de Pāli Canon bekend die de unieke kenmerken van de Bodhisatta beschrijft. Waar zijn zij dan aan ontleend? De Bodhisatta moet zich in de volmaaktheden bekwamen. Dit wil zeggen dat hij ze – zeker in het begin – nog goed moet oefenen. Onwankelbaar vertrouwen kan hij tijdens zijn lange loopbaan niet verkrijgen. Want alleen iemand die ten minste het eerste niveau van heiligheid heeft bereikt, heeft onwankelbaar vertrouwen. En de Bodhisatta bereikt geen heiligheid tijdens zijn loopbaan. Onfeilbare wijsheid is een kenmerk van een heilige. Ook dit is niet van toepassing voor de Bodhisatta zoals hij beschreven is in de Pāli Canon. Naar mijn mening zijn hier al leerstellingen uit het Mahayāna toegepast voor de Bodhisatta. Bovenstaande vermogens, eigenschappen en kenmerken van een Bodhisatta zijn niet ontleend aan de historische leer van het Theravāda.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #13 Gepost op: 31-07-2017 22:30 »
Verschillen en overeenkomsten tussen Bodhisattas
 
     Volgens de eerwaarde Nāgasena verschillen Bodhisattas op vier manier van elkaar, namelijk: (1) het gezin waarin zij geboren worden wanneer zij in hun laatste leven Boeddhas worden; (2) de lengte van de periode die nodig is om de volmaaktheden te vervullen teneinde Boeddhas te worden; (3) de lengte van hun levensspanne; (4) hun hoogte.
     Zij hebben ook gemeenschappelijke kenmerken. Allen tonen de tien speciale eigenschappen en allen verlaten vrouw en kind.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #14 Gepost op: 01-08-2017 10:23 »
Bereikte de Bodhisatta heiligheid?
 
     Volgens de traditie van het Theravāda heeft de Bodhisatta gedurende zijn lange loopbaan geen van de niveaus van heiligheid bereikt. Als een gewoon mens streeft hij al die tijd en ook tijdens zijn laatste leven naar de Verlichting.
     Uit het verhaal over Jotipāla blijkt duidelijk dat de Bodhisatta – onze Boeddha Gotama in een vroeger leven - ten tijde van de Boeddha Kassapa nog een gewoon mens was. Jotipāla was een brahmaanse jongeling. Tegen zijn zin werd hij naar de Boeddha Kassapa gebracht om naar diens toespraak te luisteren. Jotipāla werd door die toespraak zó getroffen dat hij in de Orde intrad.
     Als Jotipāla in zijn tijd als bhikkhu het pad van heiligheid betreden had, moet hij een heilige discipel zijn geweest van de Boeddha Kassapa. En dan had hij de leer van een ander vernomen en ze niet op eigen kracht ingezien. En als de Bodhisatta een leerling van de Boeddha Kassapa werd en het eerste niveau van heiligheid bereikte, het in-de-stroom-treden, dan hoefde hij vóór de Verlichting onder de Maha Bodhi boom nog maar drie niveaus te verwerkelijken. Men neemt echter aan dat hij toen alle vier de niveaus van heiligheid verwezenlijkte. Voor hem is er geen leraar wat betreft de vier edele waarheden. Inzicht, begrip, wijsheid en licht ontstonden bij hem voor het eerst bij het inzicht in de edele waarheden. Daarom kan de Bodhisatta het pad van heiligheid niet hebben betreden ten tijde van de Boeddha Kassapa.


Hallo Nico,

Ik heb begrepen dat de Boeddha de training of het Pad dat hij onderwees, zag als een geleidelijke training.  Vermogens groeien bijvoorbeeld geleidelijk. Bijvoorbeeld mindfulness is iets wat je moet leren vestigen en wat geleidelijk sterker moet worden. Dit schijnt ook te gelden voor vertrouwen, energie, concentratie en wijsheid.

Ik heb ook begrepen dat iemand niet ineens arahatschap bereikt maar eerst stroom-intrede en vervolgens geleidelijk toewerkt naar de andere vormen van heiligheid. Begrijp ik dit goed? Of kan een leerling ook ineens arhatschap verwerven?

Klopt het dat de Boeddha wel in 1 nacht alle vier niveaus van heiligheid realiseerde of realiseerde hij eerder al stroom-intrede?

groet,





Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #15 Gepost op: 01-08-2017 14:00 »
Beste Siebe,

Een leerling van een Boeddha bereikt - voor zover ik weet - eerst stroomintrede. Daarna kan in sommige gevallen arahantschap bereikt worden, zoals door de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana. Maar in de meeste gevallen worden de niveaus van heiligheid in etappes bereikt.

De Bodhisatta, de a.s. Boeddha, had geen van de niveaus van heiligheid bereikt toen hij onder de Maha Bodhi boom ging zitten met het vaste besluit om het doodloze te vinden. Maar in de nacht van de Verlichting 
zal hij eerst stroomintrede bereikt hebben. Want hij overdacht de keten van oorzakelijk ontstaan. Daarna bereikte hij de volmaakte Verlichting.

Nico
« Laatst bewerkt op: 01-08-2017 14:11 door nico70 »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #16 Gepost op: 01-08-2017 14:17 »
Beste Nico,

Bedankt. Zijn er voor zover jij weet verslagen van leerlingen die ook volledige verlichting (arhatschap) bereikten in 1 dag of 1 moment?

groet,
Siebe

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #17 Gepost op: 01-08-2017 15:43 »
Beste Siebe,
Zoiets is me niet bekend. Alle leerlingen bereikten eerst stroomintrede. En dan volgt de gebruikelijke zin: na verloop van enige tijd bereikte hij of zij arahantschap.
Dat kan dan na een week zijn, of na 14 dagen, soms is ermee bedoeld 20 jaren.

Nico
« Laatst bewerkt op: 01-08-2017 15:44 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #18 Gepost op: 01-08-2017 21:15 »
Was de Bodhisatta tijdens een Boeddha-tijdperk steeds een bhikkhu?
 
     Volgens de eerwaarde Narada “neemt een Bodhisatta, in een Boeddhaloos tijdperk, het leven aan van een asceet en voert hij het heilige celibataire leven in eenzaamheid. Indien hij geboren is in een Boeddha-tijdperk, voert hij het leven van een bhikkhu en houdt zich dan streng aan de regels die daartoe behoren."
     Zijn deze woorden van de eerwaarde Narada juist? Is een Bodhisatta in staat om als bhikkhu alle volmaaktheden uit te oefenen? In het Buddhavamsa, de kroniek van Boeddhas, zijn 24 vroegere levens van de Boeddha Gotama tijdens zijn loopbaan als Bodhisatta beschreven. Laten wij die eens nader beschouwen.
 
1. Als de asceet Sumedha, een meester in meditatie en volmaakt in de bovennatuurlijke krachten, lag de Bodhisatta in de modder. Hij dacht toen: “Laat de Boeddha Dīpankara met zijn discipelen over me heen lopen. Laat hem niet in de modder lopen.” Na de voorspelling dat hij in de toekomst een Boeddha zou worden, ging hij naar het woud op de berg Dhammaka. Dit betekent dat hij een leven voerde als asceet.
 
2. Als een adellijk krijger met naam Vijitāvin onthaalde de Bodhisatta een zeer grote menigte zieners samen met de Boeddha Kondañña op een verrukkelijke maaltijd. Na de voorspelling gaf hij zijn koninkrijk op en nam het huisloze leven aan bij de Boeddha. Hij leerde zowel de Dhamma (Suttanta) als de Vinaya en bereikte volmaaktheid in de bovennatuurlijke krachten. Indien dit verhaal waar is, kan hij alleen volmaaktheid hebben gekregen in de vijf wereldlijke krachten. Als hij ook volmaaktheid in de bovennatuurlijke kracht had gekregen, was hij een arahant. En hij zou dan niet meer wedergeboren zijn. Hij moet dus een bhikkhu zijn geworden en theoretische kennis van de leer hebben verkregen. Maar hij betrad niet het pad van heiligheid.
 
3. Als een brahmaan met naam Suruci nam de Bodhisatta zijn toevlucht tot de Boeddha Mangala. Hij eerde de Verhevene en diens Orde met reukwerken en guirlandes. En hij onthaalde hen op een smakelijk maal. Na de voorspelling gaf hij zijn rijkdom aan de Boeddha en werd een bhikkhu. Hij leerde grondig de Suttanta en Vinaya en ontwikkelde meditatie over de vier goddelijke verblijven.
 
4. Als een slangenkoning met naam Atula nam de Bodhisatta zijn toevlucht tot de Boeddha Sumana en gaf hem zijn oppergewaad.[120] Hierna ontving hij de voorspelling. Hij leefde zijn leven lang als een slangenkoning.
 
5. Als een brahmaan met naam Atideva nam de Bodhisatta zijn toevlucht tot de Boeddha Revata en gaf hem zijn oppergewaad. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef leven als een brahmaan.
 
6. Als de brahmaan Sujāta onthaalde de Bodhisatta de Boeddha Sobhita en diens discipelen op voedsel en drank. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef een leven leiden als brahmaan. Er wordt niets vermeld over het nemen van toevlucht tot de Boeddha of van het heengaan in het huisloze leven.
 
7. Als een yakkha[124] gaf hij voedsel en drank aan de Boeddha Anomadassin. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij leefde tot zijn levenseinde als een yakkha.
 
8. Als een leeuw bracht de Bodhisatta eer aan de voeten van de Boeddha Paduma, liep om hem heen, brulde drie keer luid en zorgde een week lang voor de Verhevene. Hierna ontving hij de voorspelling. Volgens het commentaar hierop betekent dit dat hij die week niet wegging om prooi te bemachtigen voor zichzelf en zo zijn leven opofferde. Dit lijkt overdreven omdat er geen reden is te geloven dat een leeuw niet een week lang kan vasten.
 
9. Als een asceet leefde de Bodhisatta op een helling van de berg Himavant.[128] Hij gaf toen voedsel en drank aan de Boeddha Nārada en eerde hem met sandelhout. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef een leven voeren als asceet.
 
10. Als een districtsgouverneur met naam Jatila gaf de Bodhisatta kleding met voedsel aan de Boeddha Padumuttara en diens Orde. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef een leven voeren als districtsgouverneur.
 
11. Als een brahmaanse jongeling met naam Uttara gaf de Bodhisatta zijn hele voorraad (10 miljoen) aan rijkdom welke in zijn huis was opgeslagen, aan de Boeddha Sumedha. Hij nam zijn toevlucht tot hem en werd een bhikkhu. Hierna ontving hij de voorspelling.
 
12. Als universeel heerser over de vier continenten (Jambudīpa, Pubbavideha, Aparagoyāna en Uttarakuru) ging de Bodhisatta naar de Boeddha Sujāta toe en betoonde hem eer. Hij gaf zijn groot koninkrijk in handen van de Boeddha en trad in de Orde in. Na de voorspelling leerde hij grondig de Suttanta en Vinaya en ontwikkelde meditatie over de vier goddelijke verblijven. Hier werd hij een bhikkhu.
 
13. Als een brahmaanse jongeling met naam Kassapa, bedreven in mantras, vernam de Bodhisatta de leer van de Boeddha. Hij werd bekeerd en met grote kosten liet hij een park aanleggen voor de monniken. Dat park schonk hij aan de Boeddha Piyadassin. Hij nam zijn toevlucht tot het Drievoudig Juweel en volgde de vijf regels van deugdzaamheid na. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef het leven als een brahmaan voeren.
 
14. Als een asceet met naam Susīma eerde de Bodhisatta de Boeddha Atthadasin met prachtige bloemen. Hierna ontving hij de voorspelling. De rest van zijn leven bleef hij een asceet.
 
15. Als de god Sakka eerde de Bodhisatta de Boeddha Dhammadassin met aangename reukwerken, guirlandes en instrumentale muziek. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef tot zijn levenseinde leven als de god Sakka.
 
16. Als de asceet Mangala, begiftigd met bovennatuurlijke krachten, bracht de Bodhisatta vruchten van de roze appelboom en gaf ze aan de Boeddha Siddhattha. Hierna ontving hij de voorspelling. De rest van zijn leven bleef hij als asceet leven.
 
17. Als een koning met naam Sujāta gaf de Bodhisatta grote bezittingen op en nam het leven van een asceet aan. Hij bracht prachtige bloemen in beide handen naar de Boeddha Tissa en hield ze boven diens hoofd. Zo bracht hij eer aan de Boeddha. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef het leven als een asceet voeren.
 
18. Als koning Vijitāvin gaf de Bodhisatta een groot koninkrijk op en werd een bhikkhu in de Orde van de Boeddha Phussa. Hij ontving de voorspelling, leerde de Suttanta en Vinaya en ontwikkelde meditatie over de vier goddelijke verblijven.
 
19. Als een slangenkoning met naam Atula ging de Bodhisatta naar de Boeddha Vipassin toe en speelde op welluidende muziekinstrumenten. Hij liet een paviljoen voor de Boeddha bouwen, nodigde hem daar uit en gaf hem een gouden zetel, met parels en juwelen versierd. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef tot zijn levenseinde als slangenkoning leven.
 
20. Als koning Arindama onthaalde de Bodhisatta de Boeddha Sikhin en diens Orde op voedsel en drank. Hij gaf veel prachtige gewaden en gaf aan de Boeddha een met dekkleden opgetuigde rij-olifant. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij bleef zijn verdere leven koning.

21. Als een adellijke krijger met naam Sudassana gaf de Bodhisatta aan de Boeddha Vessabhū een gave van grote waarde en eerde de Boeddha en diens Orde met voedsel, drank en kleding. Hij werd een bhikkhu waarna hij de voorspelling ontving.
 
22. Als een adellijke krijger met naam Khema gaf de Bodhisatta een aanzienlijke gave aan de Boeddha Kakusandha en diens Orde. Hij gaf bedelnappen en materiaal voor gewaden, zalf voor de ogen en andere medicijn. Hij werd een bhikkhu en ontving daarna de voorspelling.
 
23. Als een adellijk krijger met naam Pabbata ging de Bodhisatta naar de Boeddha Konāgamana toe en vernam er de leer. Hij nodigde de Boeddha en diens Orde uit en gaf hen een grote gave van zijde, wollen kleding en gouden sandalen. Hierna ontving hij de voorspelling. Hij gaf zijn koninkrijk op en werd een bhikkhu.
 
24. Als de brahmaanse jongeling Jotipāla, meester in de drie Vedas, vernam de Bodhisatta van de Boeddha Kassapa de leer. Hij werd een bhikkhu en ontving de voorspelling.
 

     In deze 24 verhalen van vroegere levens van de Boeddha Gotama tijdens zijn loopbaan als Bodhisatta zien wij dat hij slechts negen keer een bhikkhu werd. En wij zien ook dat de daden die hij volvoerde om elke Boeddha te eren, niet steeds  heldhaftig waren. Maar het was wel steeds een daad van verzaking, ontzegging. (Zie nummers 4, 5, 6, 7, 9, 10, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 24).
 
     De vraag doet zich voor of deze verhalen allemaal betrouwbaar zijn. Zijn zij verhalen van vroegere levens van de Boeddha Gotama die echt gebeurd zijn? Wat bijvoorbeeld dan te doen met de verhalen waarin een slangenkoning, leeuw of yakkha een rol speelt? Zijn deze verhalen alleen symbolisch bedoeld of moeten zij als educatieve verhalen opgevat worden?
     Het Buddhavamsa is pas laat in de Pāli Canon opgenomen. Delen ervan zijn in andere werken terug te vinden. De vraag is of het Buddhavamsa de bron van die andere werken is of omgekeerd. Volgens het commentaar op het Buddhavamsa zijn de verhalen door de Boeddha Gotama zelf verkondigd en tot het 3e concilie en verder overgeleverd. Hieruit is op te maken dat dit werk pas ná het 3e concilie in de Pāli Canon is opgenomen. De oudste teksten van de Pāli Canon kennen slechts zes voorgangers van de Boeddha Gotama. De verhalen over de Boeddhas vóór de tegenwoordige Boeddha Gotama waren nodig om te tonen dat een Boeddha geen uniek wezen is. Ze tonen ook dat de zelfontwaking van de Boeddhas alleen verkregen wordt na aeonen lange inspanningen om de volmaaktheden te vervullen. Die volmaaktheden worden niet in de oudere nikāyas aangetroffen. Ook is het Buddhavamsa vol van Boeddhaverering en -vergoddelijking. Dit wijst op de invloed van het Mahāyāna.
     De scheiding tussen nāgas (slangen), yakkhas en devas schijnt in deze en andere teksten te zijn als die tussen mens en dier. Gesprekken van mensen met die andere wezens zijn vaak vermeld. Moeten deze verhalen niet vergeleken worden met de fabels uit de Indiase wereld? En moeten zij niet allemaal beschouwd worden op dezelfde manier als de Jātakas? In dat geval zijn zij enkel educatieve verhalen, zonder enige historische waarde. Wij kunnen aan de hand van deze verhalen niet concluderen of de Boeddha Gotama in zijn vroegere levens steeds een bhikkhu was of niet. En de daden die hij er volvoerde om Boeddhas te eren, zijn voorbeelden van respect en vroomheid en moeten niet als feiten opgevat worden.
_____
[120] M.a.w. de slangenkoning stroopte zijn oude huid af. Kan dat als een grote daad beschouwd worden?
[124] Een yakkha is een soort van niet-menselijk wezen.
[128] Himavant = hoogste berg van de Himalaya.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #19 Gepost op: 02-08-2017 12:25 »
Beste Siebe,

In M.109. (M.XI.9) Mahā Punnama sutta bereiken 60 bhikkhus arahantschap na het luisteren naar een toespraak van de Boeddha. Nergens is er in dit sutta melding dat zij eerst stroomintrede verwerkelijkten. Dus het bereiken van arahantschap kan ook direct gebeuren, als de omstandigheden gunstig zijn.

Nico

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #20 Gepost op: 02-08-2017 22:31 »
Hallo Nico,

Ik heb de sutta gelezen. Bedankt.
Siebe

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #21 Gepost op: 02-08-2017 22:48 »
Ascetische levenswijze
 
     Een sobere, ascetische levenswijze is er niet voor alle Bodhisattas. Ze werd alleen door de Bodhisatta Gotama beoefend. Door middel van lichamelijke kwellingen streefde hij zes jaar lang ernaar om de weg naar Ontwaking te vinden. Dit is in scherp contrast met de tijd waarin andere Bodhisattas naar Verlichting streefden. Soms waren enkele weken, hoogstens enkele maanden voldoende voor de andere 25 Bodhisattas die als zijn voorgangers bekend zijn, om de Verlichting te verkrijgen.

beeldje van Bodhisattva,
Maha Bodhi tempel, Buddhagaya



« Laatst bewerkt op: 02-08-2017 22:49 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #22 Gepost op: 03-08-2017 01:38 »
De 32 kentekenen
 
     In zijn laatste leven was de Bodhisatta begiftigd met de 32 gelukkige en voorspoedige kentekenen (lakkhana) van een Mahāpurisa. De letterlijke betekenis van het woord Mahāpurisa is de ‘grote man’. In het algemeen betekent het een grote, edele of uitstekende man. De kennis van de 32 kentekenen van een Mahāpurisa behoort tot de brahmaanse wijsheid. Ze wordt vermeld in de verzen van de Veda. Het concept van de grote man wordt al aangetroffen lang vóór de tijd van de Boeddha. Deze 32 kentekenen zijn vóór-Boeddhistisch. De geschiedenis ervan is niet gemakkelijk te achterhalen.
 
     “Voor iemand die met de 32 kenmerken van een groot mens begiftigd is, staan slechts twee wegen open, twee loopbanen, namelijk die van een universeel heerser of die van een Bodhisatta. Als hij het huiselijke leven verkiest, wordt hij een wereldbeheersend koning die de wet handhaaft, rijk aan overwinningen, in wiens rijk veiligheid heerst, die met de zeven juwelen begiftigd is. Hij heeft dan de volgende zeven juwelen: een juweel van een heerschappij, een juweel van een olifant, een juweel van een ros, een juweel van een edelsteen, een juweel van een echtgenote, een juweel van burgerij en een juweel van een adviseur. Vele zonen zal hij hebben, heldhaftige, met sterke ledematen, die vreemde legers verpletteren. Hij zal dan deze aarde tot aan de grens van de wereldzee zonder stok, zonder staal, in rechtvaardigheid overwinnend bewonen. Als hij evenwel uit het huis in de huisloze staat gaat, wordt hij een volmaakt Ontwaakte, iemand die de kringloop van bestaan heeft afgeworpen."
     Deze woorden betekenen niet dat de Bodhisatta in zijn laatste bestaan een keuze kan maken tussen deze twee wegen, deze twee loopbanen. Hij heeft geen enkele keuze meer. Want hij nam reeds lang geleden een besluit om een Boeddha te worden. Hij kreeg toen de voorspelling van een levende Boeddha en hij bekwaamde zichzelf gedurende vele aeonen. Voor hem is er slechts één weg open.
 
     De 32 kentekenen zijn:
 1. Met gelijkmatige stevige stappen gaat hij voorwaarts.
 2. Aan zijn voetzolen zijn wielen te zien met 1000 spaken, compleet met velg en naaf.
 3. Hij heeft smalle hielen.
 4. Zijn vingers en tenen zijn lang.
 5. Zijn handen en voeten zijn zacht en teer.
 6. De huid tussen de vingers en tussen de tenen is als een vlies.
 7. Hij heeft hoog-opgerichte enkels.
 8. Zijn benen zijn slank als van een antilope.
 9. Oprecht staand, zonder zich te bukken, kan hij met de handpalmen zijn knieën aanraken.
10. Zijn mannelijke organen zijn verborgen in een schede.[156]
11. Zijn gelaatskleur is helder, met de kleur van goud.
12. Zijn huid is zacht en zó glad dat geen stof of vuil eraan kan blijven hangen.
13. Zijn lichaamsharen groeien afzonderlijk; uit elke porie komt één haar.
14. Zijn lichaamsharen groeien naar boven, elk haar zwart en in kringen naar rechts gekruld.
15. Zijn lichaam is goddelijk rechtop, zoals dat van Brahmā.
16. Hij heeft de zeven bolle oppervlakten (De achterkanten van de vier ledematen, de schouders en de romp zijn goed rond).
17. Als bij een leeuw is de voorkant van zijn lichaam.[159]
18. Er is geen holte tussen zijn schouders.
19. Hij heeft de verhoudingen als een banyan-boom: de hoogte van zijn lichaam is gelijk aan de lengte van zijn uitgestrekte armen, en omgekeerd.
20. Zijn borst is gelijkmatig rond.
21. Hij heeft een volmaakt gevoel van smaak.
22. Hij heeft kaken als die van een leeuw.
23. Hij heeft 40 tanden.[161]
24. Zijn tanden zijn gelijkmatig.
25. Er zijn geen spaties tussen de tanden.
26. Zijn hoektanden zijn zeer helder.
27. Zijn tong is erg lang.
28. Hij heeft een stem als die van Brahmā, gelijkend op het geluid van de karavīka-vogel.
29. Zijn ogen zijn diepblauw.[163]
30. Hij heeft wimpers als die van een koe.
31. Een pluk haar die tussen zijn wenkbrauwen groeit, is wit en zacht als katoen.
32. Zijn hoofd is als een koninklijke tulband.

     Meerdere van deze kenmerken kunnen op mismaaktheden wijzen. In vroegere tijden hebben de brahmanen vermoedelijk de welgestelde ouders van mismaakte kinderen getroost door de mismaaktheden uit te leggen als kenmerken van een groot man. Zolen met wielen met 1000 spaken, ofwel met heel veel rimpels, zijn niet normaal. Vliezen tussen de vingers en de tenen zijn niet normaal. Lange armen tot aan de knieën zijn abnormaal. Het hebben van een pluk haar tussen de wenkbrauwen wijst volgens sommigen op incest. En als men een hoofd heeft dat eruit ziet alsof er een tulband omheen gebonden is, dan betekent dit dat men een abnormaal hoofd heeft. Een andere vertaling luidt dat hij een uitstulping op zijn kruin heeft. Ook dat is niet normaal.
     En kenteken nr. 19 is weer zó normaal dat het niet in deze lijst van bijzondere kentekenen past. Het is ook in tegenspraak met kenteken nr. 9. Iemand die met zijn handen de knieën kan aanraken, heeft armen die uitzonderlijk lang zijn. De spanwijdte van die uitgestrekte armen is groter dan de hoogte van de betreffende persoon. Met kenteken nr. 19 kan eventueel bedoeld zijn dat de Mahāpurisa niet tot de categorie van de dwergen behoort.
 
     Sommige van deze 32 kentekenen kunnen niet gemakkelijk gezien worden; zij zijn geen bijzondere lichamelijke kentekenen. Het lichaam van de Boeddha was net zoals dat van anderen. Als de Boeddha inderdaad een goudkleurig gelaat had, een dik hoofd en lange armen, dan was hij direct opgevallen te midden van de menigte monniken. Maar er is een andere manier om een groot man te onderscheiden. Hij onderscheidt zich van anderen door zijn innerlijke eigenschappen. Volgens de eerwaarde Wimalaratana is in de Pāli Canon het denkbeeld van de Mahāpurisa het vroegst te ontdekken in Sutta Nipata verzen 1040-1042. De eerwaarde Tissa-Metteyya vraagt daar:
 
     “Wie leeft tevreden in deze wereld?
     Wie is vrij van alle beroeringen?
     Welke denker blijft zonder te hechten in het midden
     als hij beide einden heeft doorzien?
     Wie wordt een groot man genoemd?
     Wie overwon begeerte?”
 
De Verhevene gaf ten antwoord:
 
     “Wie temidden van zin-genot het heilige leven voert,
     vrij van begeerte, steeds oplettend,
     degene die na overweging koel blijft,
     voor hem is er geen beroering meer.
     Wie beide einden duidelijk heeft doorzien
     blijft zonder te hechten in het midden.
     Hem noem ik een groot man.
     Hij overwon begeerte.”[165]
 
     Een groot man wordt ook vermeld in het Dhammapada. In vers 352 vinden wij er: “Hij die zonder begeerte is, wie bedreven is in de vier soorten van analytische kennis, hij wordt de drager van het laatste lichaam genoemd, iemand met diepe wijsheid, een groot man (mahāpuriso).”
 
     In het Lakkhana Sutta (D.30) legt de Boeddha uit welke moreel goede daden men moet verrichten om die kentekenen van een groot man te verkrijgen. Enkele van deze daden zijn ook vermeld in het Cūla-Kammavibhanga Sutta (M.135). Daar worden lang leven, gezondheid, schoonheid, invloed, rijkdom, hoge afkomst en wijsheid genoemd als gevolgen van goede daden. Bijzondere lichamelijke kenmerken zoals bijvoorbeeld een vlies tussen de vingers, lange armen, grote oorschelpen, een uitstulping op de kruin of een groot hoofd, worden er niet vermeld. Die lichamelijke kentekenen moeten dan ook beschouwd worden als latere toevoegingen. In de Boeddhistische iconografie spelen zij echter nog steeds een grote rol. De diepere betekenis ervan heeft de Boeddha in het Lakkhana Sutta uitgelegd:
     In vroegere levens, als mens wedergeboren, ondernam de Bodhisatta grote heilzame daden. Hij was vastbesloten en trouw aan goed gedrag in daad, woord en gedachten. Hij was vrijgevig, volgde de 5 en 8 regels na, eerde zijn ouders, eerde asceten, priesters en het hoofd van zijn stam. Hij leefde voor het geluk van velen, verdreef angst en vrees. Hij gaf bescherming en onderdak en voorzag in alle benodigdheden. Hij verwierp het doden van levende wezens; stok en zwaard legde hij af. Hij was vol mededogen en liefde jegens alle levende wezens. Hij gaf uitgelezen spijzen en dranken, smakelijke maaltijden. Hij maakte zich geliefd door edelmoedigheid en vrijgevigheid, aangename taal, nuttig gedrag en onpartijdigheid. Hij werd een raadgever voor het volk zowel in wereldlijke als in geestelijke dingen. Hij werd een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij bezocht asceten en priesters en vroeg wat slecht was en wat niet. Hij vroeg wat hem tot heil en geluk zou strekken en wat niet. Hij ergerde zich niet, klaagde en zuchtte niet. Hij werd niet boos, toornig, hatelijk of woedend. Maar hij hield ervan gaven uit te delen, fijn geweven dekens en gewaden van linnen, wol, zijde. Hij verenigde lang verloren verwanten en vrienden die uit elkaar waren geraakt. Hij verenigde ouders met hun kinderen, broers met broers, broers met zusters, Hij stichtte vrede, bracht lang verloren gegane lieden bij elkaar en verheugde zich erover. Hij beschouwde het heil van de mensen en lette op hun bijzondere aard. Hij wist wat ieder toekwam. Hij verlangde naar hun voordeel. Hij was velen behulpzaam, verschafte troost en verzachting. Hij probeerde de mensen in zekerheid te brengen, denkende: “Dat zij toch vertrouwen verkrijgen, zich deugdzaam gedragen, kennis verzamelen, weten te ontzeggen, het juiste begrijpen, aan wijsheid toenemen. Laat het hun goed gaan. Laten zij grond verwerven, personeel en vee hebben, vrouw en kind verzorgen, personeel onderhouden, verwanten, vrienden en makkers winnen.” Hij bracht geen enkel wezen letsel toe, noch met hand of steen, noch met stok of mes. Hij doodde niemand, leefde zonder schade of letsel toe te brengen. Hij was gewoon om naar de mensen te kijken niet wantrouwend, zijdelings of heimelijk, maar recht, open en van voren, en met een vriendelijke blik. Hij was de eerste in bekwaam gedrag, was een leider van velen bij goed gedrag in daden, woorden en gedachten, bij vrijgevigheid, bij deugdzaamheid, bij het vieren van de vastendagen, bij het eren van vader en moeder, van asceten, priesters en het hoofd van de stam, en bij verscheidene andere juiste activiteiten. Hij leefde oprecht, hield zich verre van verkeerd taalgebruik. Hij sprak steeds de waarheid. Hij was standvastig, te vertrouwen, geen huichelaar of bedrieger. Hij hield zijn beloften, vermeed leugens. Hij hield zich verre van achterklap. Wat hij hier gehoord had, vertelde hij elders niet verder om onenigheid te stichten. Hij verenigde gescheidenen, verstevigde verbondenen. Eendracht maakte hem blij. Hij verwierp barse woorden. Hij koos woorden die vrij waren van schimpen. Hij gebruikte woorden die aangenaam waren, die tot het hart doordrongen, hoffelijke woorden waarover velen zich verheugden. Hij hield zich verre van dwaas geklets, zinloos gepraat. Hij sprak op de juiste tijd, zei wat correct was. Hij sprak de waarheid, sprak juist, oprecht, passend. Zijn woorden waren rijk aan inhoud, soms met gelijkenissen getooid. Zij voerden naar voordeel. Hij verwierp onjuiste levenswandel. Hij had een juiste levenswandel. Hij zag af van bedrog met valse maten en gewichten. Hij zag af van omkopen, corruptie, misleiding en onoprechtheid. Hij zag af van het verwonden, doden, gevangen nemen, overvallen en nemen onder dwang. Hij gaf onjuist gedrag op en voerde een zuiver en oprecht leven. Hij vermeed slechte dingen en was alleen actief voor het heil van de mensen.
     Deze activiteiten placht hij vaker te doen. Hij ontplooide ze, vergrootte ze. Het resultaat van deugdzame daden kan niet verloren gaan. En in zijn laatste leven zal de Bodhisatta daarom de kentekenen van een groot man verkrijgen, namelijk:
     De eerste, hoogste, verhevenste van alle wezens zal hij worden. Wat een Boeddha ten goede komt, dat verkrijgt hij snel. Groot zal zijn wijsheid zijn. Onder alle wezens zal er niemand zijn die hem gelijk is in wijsheid of die hem daarin overtreft. Hij zal een mooi uiterlijk hebben en hij krijgt fijn geweven dekens en gewaden van linnen, wol, zijde. Hij zal weinig pijn of ziektes hebben; zijn spijsvertering zal goed zijn. Hij zal energiek en opgewekt zijn. Hij heeft een lang leven; niemand, waar ook ter wereld, kan zijn leven nemen. Hij krijgt uitgelezen spijs en drank, smakelijke maaltijden. Hij zal veel volgelingen hebben, monniken en nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen. Hij is graag gezien en geliefd bij zijn volgelingen. Zij zullen hem trouw zijn. Het volk zal naar hem luisteren en gegrepen worden door zijn woorden. Zijn volgelingen zullen zuiver zijn, want hij verdrijft het kwade uit hun hart. Zij zijn verdraagzaam. Zonder tweedracht blijven zij om hem geschaard. Allen zullen zich over zijn woorden verheugen en zijn leer stap voor stap volgen. Hij zal rijk zijn aan vertrouwen, deugdzaamheid, morele schaamte, bescheidenheid, kennis, ontzegging, wijsheid. Hij zal niets verliezen: noch vertrouwen of deugdzaamheid, noch kennis, ontzegging of wijsheid. Voor alle vijanden is hij onoverwinbaar geworden. Noch door begeerte, haat of onwetendheid, asceten en priesters, deva, Māra of Brahmā, noch door enig ander wezen in de wereld kan hij overwonnen worden. Zonder weerga zal hij zijn en hij zal niet meer wedergeboren worden. (Zie D.30)
-----
[156] Volgens Neumann (1956, noot 245 op pag. 1114) geldt dit bij het volk als teken van ongebruikelijke geestelijke of lichamelijke scheppingskracht.
[159] Dit zou betekenen dat hij een brede borst heeft.
[161] Normaal heeft men 32 tanden. Zelfs bij heel oude skeletten hebben archeologen niet meer dan 32 tanden aangetroffen. - Volgens Neumann wordt hiermee bedoeld dat het 4e tiental is begonnen, dus: tussen 30 en 40.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #23 Gepost op: 03-08-2017 16:36 »
De pāramīs

     In het Buddhavamsa zijn tien bodhi-pācana dhammā genoemd, eigenschappen die leiden naar de ontplooiing van volmaakte Verlichting. Die eigenschappen zijn de tien volmaaktheden (pāramīs), de tien transcendente deugden. Elke Bodhisatta oefent deze pāramīs teneinde opperste Verlichting te verkrijgen. Deze volmaaktheden zijn:
 
1. edelmoedigheid, vrijgevigheid (dāna);
2. deugdzaamheid (sīla);
3. ontzegging, verzaking (nekkhamma);
4. wijsheid (paññā);
5. energie (viriya);
6. geduld, verdraagzaamheid (khanti);
7. waarheidlievendheid (sacca);
8. vastberadenheid (adhitthāna);
9. welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (mettā);
10. gelijkmoedigheid (upekkhā).
 
     Volgens het commentaar op het Cariyā pitaka zijn pāramīs die deugden die gecultiveerd moeten worden met mededogen, geleid door verstand, niet beïnvloed door egoïstische motieven, en niet bezoedeld door verkeerd geloof noch door gevoelens van eigendunk.
 
     Het verkrijgen van Boeddhaschap gaat niet plotseling. Er zijn geen afkortingen naar deze spirituele top. Boeddhaschap kan alleen verkregen worden door langdurige en volhardende inspanningen gedurende ontelbare levens. Het is het resultaat van de vervulling van de tien volmaaktheden (pāramīs). Om een Boeddha te worden, zouden deze volmaaktheden drie keer geperfectioneerd moeten worden, zo is beweerd. Op die manier zijn er dan door analyse dertig pāramīs: tien basis volmaaktheden (hīna pāramī), tien hogere (upapāramī) of middelbare volmaaktheden (majjhimapāramī), en de uiterste (paramattha pāramī) of opperste volmaaktheden (panīta pāramī). Deze laatste tien worden geperfectioneerd wanneer men enkel aan de daad denkt en niet aan de gevolgen ervan.
     Het verschil tussen deze drie typen van volmaaktheden wordt als volgt aan de hand van geven (dāna) geïllustreerd: dāna pāramī betekent het weggeven van al zijn wereldlijke bezittingen; dāna upapāramī betekent delen van zijn eigen lichaam weg te geven, zoals ogen, ledematen, etc.; en dāna paramattha pāramī betekent het offer van zijn eigen leven. De acties van de Bodhisatta bij het vervullen van de opperste volmaaktheden bestaan uit grote heldhaftige daden van absolute zelfopoffering, mededogen en wijsheid.
     Dit voorbeeld is volgens mij gebaseerd op het Mahāyāna. Om anderen tot nut te zijn, moet men over een gezond lichaam beschikken. In het Lakkhana Sutta worden zulke daden niet vermeld. Zelfverminking wordt in de Pāli Canon niet aanbevolen als een middel naar heiligheid noch wordt het er als een verdienstelijke daad beschouwd. Het is veel beter zijn hele leven te wijden aan de beoefening van de leer.[175] De leer van de Boeddha is de leer van de middenweg, en niet die van uitersten. Dit geldt ook voor een Bodhisatta.
 
     Iemand die alleen de basis volmaaktheden kan vervullen, zou de staat van Sāvakabodhi, de Verlichting van een edele discipel bereiken Ik heb er eerder al op gewezen dat deze bewering niet juist hoeft te zijn. Heiligheid wordt verworven als leerling van een levende Boeddha of wanneer diens leer nog bestaat. Hoelang het duurt om arahantschap, de staat van Sāvakabodhi, te bereiken, is onbekend. De een bereikt het doel binnen enkele weken; anderen doen er vele jaren of een heel leven over. En niet ieder heeft dan de volmaaktheden tot in perfectie uitgeoefend.[177]
     Door het vervullen van de tien basis volmaaktheden gedurende 100.000 kappas kan men de Verlichting van een grote discipel (mahāsāvaka) bereiken. En door het vervullen van de tien basis volmaaktheden voor een periode van een asankheyya en 100.000 kappas kan men de Verlichting van een hoofddiscipel (aggasāvaka) verkrijgen.
     Iemand die de basis en de hogere volmaaktheden kan vervullen, bereikt Paccekabodhi, de Verlichting van een Pacceka Boeddha. En iemand die zowel de basis, hogere en opperste volmaaktheden kan vervullen, bereikt Sabbaññu-bodhi, opperste Verlichting op eigen kracht.
 
     Voorbeelden van de volmaaktheden zijn vermeld in het Cariyāpitaka. Aangenomen wordt dat dit boek een kleine verzameling van Jātakas is en uit de tijd ná Asoka dateert. Er staan verhalen in gerangschikt die illustreren hoe de Bodhisatta geleidelijk de volmaaktheden ontwikkelde en tot meesterschap bracht. Die verhalen moeten niet letterlijk opgevat worden. Er zijn zaken in die niet logisch zijn. Daarom zijn die verhalen hier niet nader beschouwd.
 
     De bewering dat de pāramīs drie keer geperfectioneerd worden, is niet te vinden in de Pāli Canon en stamt vermoedelijk uit het Mahāyāna. De eerwaarde B. Wimalaratana wees erop dat de ethische normen in het Lakkhana Sutta vergeleken kunnen worden met de tien pāramīs in de Theravāda traditie. Door een ethische basis te bieden voor de 32 kentekenen van de grote man wordt in het Lakkhana Sutta rekening gehouden met de opvatting van de pāramīs. De nadruk in dat sutta ligt op het altruïstische aspect van de Bodhisatta. We hebben gezien dat het verwerven van deze 32 kentekenen het gevolg is van de grote opeenhoping van verdienste in de loop van zijn vroegere levens. Het proces om die kentekenen te verwerven is nagenoeg gelijk aan de loopbaan van de Bodhisatta om de volmaaktheden te verkrijgen. Want de grote man die de 32 kentekenen bezit en de Boeddha die het eindproduct is van de Bodhisatta-loopbaan, is één en dezelfde.
          Alle volmaaktheden hebben zonder uitzondering als eigenschap dat zij van voordeel zijn voor anderen. Zij hebben als functie het bieden van hulp aan anderen. Zij hebben als manifestatie de wens voor het welzijn van anderen, of Boeddhaschap. En zij hebben als hun directe oorzaak groot mededogen, of mededogen en bekwame middelen. Deze deugden worden nader uitgelegd in hoofdstuk 5.
_____
[175] Over het geven van zijn leven of van ledematen, zie hoofdstuk 6. Toekomstige Boeddhas.
[177] De bewering dat men pas na het vervullen van de basis volmaaktheden een arahant kan worden, is gevaarlijk. Menigeen kan dan gaan denken: “Wij kunnen het hoge doel toch niet bereiken,” en dan gaan zij vertrouwen op de kracht van anderen in plaats van op eigen kracht.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #24 Gepost op: 04-08-2017 23:40 »
Sferen van wedergeboorte van Bodhisattas
 
     Volgens de eerwaarde Nārada wordt de Bodhisatta tijdens zijn loopbaan in diverse sferen van bestaan wedergeboren. Nu eens is hij het een machtige god, dan weer een mens of een dier, totdat hij uiteindelijk wedergeboren wordt in de Tusita hemel. Daar blijft hij dan wachten op de juiste tijd om als mens voor het laatst herboren te worden teneinde een volmaakt Boeddha te worden. Die wedergeboortes in diverse sferen van bestaan zijn de gevolgen van de wet van kamma-vipāka, wilsacties en de morele gevolgen ervan.[183] Als de Bodhisatta echter wedergeboren wordt in een hemelse sfeer waar de levensspanne gewoonlijk ontelbare aeonen duurt, dan zou hij door zijn wilskracht zijn levensspanne kunnen verkorten. Hij wordt dan wedergeboren op een andere passende plaats waar hij de wereld kan dienen en de pāramīs kan uitoefenen.
     In het commentaar op het Buddhavamsa worden achttien sferen genoemd waarin de Bodhisattas nooit wedergeboren worden. Die sferen zijn:
1. Zij worden niet wedergeboren in de Avīci-hel.
2. Zij worden niet wedergeboren als geesten die verteerd worden door voortdurend verlangen, gekweld door honger en dorst.
3. Zij worden geen kleine wezens die in een slecht bestaan ontstaan.
4-7. Wanneer zij als mens herboren worden, zijn zij niet blind; zij hebben dan geen hoorgebrek; en zij zijn niet stom of verlamd.
8-10. Zij worden niet als vrouw noch als hermafrodiet of eunuch wedergeboren.
11-14. Zij zijn vrij van verkeerde daden die onmiddellijk resultaat brengen, d.w.z. zij zijn niet in staat om een van de afschuwelijke daden te verrichten: doden van een arahant; opzettelijk verwonden van een Boeddha; veroorzaken van een schisma in de Sangha; doden van vader en/of moeder.
15. De plaatsen die voor hen geschikt zijn om te bezoeken, zijn in alle opzichten zuiver.
16. Omdat zij de gevolgen van wilsacties voor ogen houden, volgen zij geen verkeerde visies.
17. Ook al vertoeven zij in de hemelen, zij zullen er niet ontstaan in een onbewuste sfeer.
18. Zij kunnen niet herboren worden bij de goden in de Zuivere Verblijven, want vandaar kunnen zij niet meer terugkeren naar deze wereld.
    
     Zijn deze beweringen juist? Heeft de Bodhisatta inderdaad speciale krachten waardoor hij zijn levensspanne kan verkorten? En kan hij ook als dier wedergeboren worden? Waarom wordt hij niet ook eens als vrouw geboren? De Jātakas waarop wellicht veel van deze beweringen gebaseerd zijn, kunnen niet als bewijsmateriaal aangevoerd worden. Zij kunnen hoogstens geïnterpreteerd worden als educatieve verhalen bedoeld om speciale morele eigenschappen toe te lichten.

     De eerwaarde Moggaliputta Tissa Thera schreef dat de Bodhisatta niet naar een slechte sfeer van bestaan gaat. Dit betekent dat hij niet in de hellewereld en niet als geest, demon of dier wedergeboren zal worden. Bij het maken van de aspiratie moet de Bodhisatta van het mannelijke geslacht zijn om succes te hebben. En ook in zijn laatste leven is hij een man. Over het geslacht in de rest van zijn loopbaan wordt niets vermeld. In de Pāli Canon is geen verklaring te vinden dat Bodhisattas hun hele loopbaan van het mannelijke geslacht moeten zijn. De oude brahmaanse houding ten opzichte van vrouwen was dat vrouwen ondergeschikt waren aan mannen, en nonnen ondergeschikt aan monniken. Veel monniken in de vroege Sangha kwamen van brahmaanse families en ongetwijfeld bleven zij ook na hun wijding met de traditionele Indiase houding ten opzichte van vrouwen voortgaan. De Theravādins moeten een negatieve houding hebben blijven houden jegens vrouwen. De kloof tussen mannen en vrouwen die door de Boeddha verkleind was door gelijkheid van sociale en religieuze status te geven aan vrouwen, werd toen weer vergroot. En of de Bodhisatta zijn levensspanne in een hemel kan verkorten, is niet vermeld in de Pāli Canon.
_____
[183] Door die wet wordt de toekomstige geboorte bepaald. Alleen Boeddhas en arahants worden niet meer wedergeboren. Zij “produceren” geen kamma meer.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #25 Gepost op: 05-08-2017 11:47 »
De vier vaste voornemens
 
     Vier vaste voornemens, namelijk die van waarheid, vrijgevigheid, vrede en wijsheid, moeten nog door de Bodhisatta vervuld worden. Zij worden vervuld door de tien volmaaktheden. Zo bereikt hij de twee staten van kalmte (samatha) en inzicht (vipassanā). Door het vervullen van kalmte bereikt de Bodhisatta alle jhānas (meditatieve verdiepingen). Met het verkrijgen van inzicht is hij begiftigd met alle bovennatuurlijke kennis. Zo bereikt hij Boeddhaschap.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #26 Gepost op: 05-08-2017 23:37 »
Samenvatting
 
     De (Mahā) Bodhisatta is degene die bestemd is voor Boeddhaschap. Voordat hij aan zijn loopbaan begint, neemt hij het besluit om in de toekomst een Boeddha te worden. Dit besluit neemt hij in tegenwoordigheid van een levende Boeddha die hem voorspelt dat zijn aspiratie zal slagen. Die aspiratie moet ook herhaald worden in de tegenwoordigheid van alle volgende Boeddhas die zijn aspiratie bevestigen. Ook moet de Bodhisatta een daad van verdienste verrichten jegens elke Boeddha.
     De aspiratie naar Boeddhaschap heeft alleen succes als aan meerdere omstandigheden voldaan wordt. Wanneer de aspiratie voor het eerst gemaakt wordt, moet hij een man zijn die in staat is volmaakte heiligheid te bereiken. Ook moet hij dan het huiselijke leven hebben opgegeven.
     Gedurende zijn lange loopbaan moet hij tien deugden oefenen, ontplooien en tot volmaaktheid brengen. Tengevolge van deze en andere deugdzame activiteiten krijgt hij de kentekenen van een groot man. Deze kentekenen hebben vooral betrekking op zijn karakter en deugdzaamheid. De verhalen uit het Buddhavamsa over 24 vroegere levens van de Boeddha Gotama hebben educatieve waarde en moeten niet letterlijk opgevat worden. Zij zijn voorbeelden van de buitengewone deugdzaamheid die nodig is om een Boeddha te worden.
     Vóór zijn laatste leven op deze aarde verblijft de Bodhisatta in de Tusita hemel. Vandaar daalt hij af in een moederschoot waar hij precies tien maan-maanden blijft. Zijn geboorte is vlekkeloos.
     Er zijn drie soorten van Mahā Bodhisattas: Bodhisattas met wijsheid, met energie of met devotie als basis.
     De Bodhisatta heeft geen heiligheid bereikt. De vier unieke kenmerken die hem toegeschreven worden, kunnen daarom niet van toepassing zijn voor een Bodhisatta. Zij hebben betrekking op een heilige.
    
     De Bodhisatta in het Theravāda is nog geen volmaakt mens. En als onvolmaakt mens heeft hij tekortkomingen en kan hij natuurlijk ook fouten begaan. Maar hij spant zich vanaf het begin van zijn loopbaan in om goede onzelfzuchtige daden te verrichten. Als gevolg daarvan verwerft hij tijdens zijn loopbaan bepaalde goede eigenschappen. Gezondheid en lang leven, invloed, schoonheid en wijsheid zullen hem zeker ten deel vallen. En in zijn laatste leven, het leven waarin hij een Boeddha wordt, verwerft hij ook nog de speciale kentekenen van een Boeddha.

Fig. 4.
Bodhisatta, Anuradhapura, Sri Lanka

 


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #27 Gepost op: 07-08-2017 01:30 »
4. De Jātakas
 
   Verhalen van de zogenaamde vroegere levens van de Boeddha Gotama worden Jātakas genoemd. Er zijn 547 van die verhalen, ook wel geboorteverhalen genoemd. Deze verhalen werden gebruikt om de grote lessen van deugdzaamheid te onderwijzen.[189] De Jātaka-verhalen zijn in 22 boeken (Nipāta) ingedeeld, naar het aantal verzen dat erin voorkomt. Zo bevat het eerste boek de Jātakas die één vers hebben; het tweede boek die met twee verzen, enz.[190]
   Volgens de eerwaarde Dr. Phra Maha Tuan Pim-Aksorn werden de Jātakas door de Boeddha zelf verteld tijdens zijn toespraken op verschillende plaatsen; en zijn ze naverteld door de eerwaarde Ānanda op het eerste concilie, en door de 499 andere arahants goedgekeurd.[191] Volgens een andere bron zijn die verhalen door de Boeddha verteld aan zijn discipelen te Śrāvasti, en door de geleerde Ārya Śūra naverteld.[192] Maar zijn de Jātakas inderdaad verhalen over vroegere levens van de Boeddha en zijn ze door de Boeddha zelf verteld?
   Kern schreef dat de Jātakas taferelen zijn met zedelijke strekking, Ze verschillen in aard niet van de Indiase fabels en vertellingen in het Pañçatantra.[193] Eertijds moeten het eenvoudige leerzame vertellingen zijn geweest. Volgens hem is de vertaling ‘geboorteverhaal’ voor Jātaka verkeerd. De term jātakam is ontleend aan jātam (iets dat is geboren, dat is gebeurd) waaraan het achtervoegsel ka (kleiner of geringer) is toegevoegd. Hieruit ontstaat de betekenis: een klein voorval dat gebeurde, of een tafereel, een verhaal, een fragment, een fabel.[194] Speyer was het met deze mening eens.[195]
   Dit komt overeen met wat Winternitz heeft onderzocht.[196] In de Jātaka-verhalen zijn oude en nieuwe elementen verenigd. Een Jātaka is een verhaal waarin de Bodhisatta in een van zijn vroegere levens een rol speelt als held of als toeschouwer. Ieder Jātaka-verhaal begint dan ook met de woorden: “In die en die tijd werd de Bodhisatta in de schoot van dit of dat wezen wedergeboren” en dan volgt het verhaal. Op deze manier kon elk volksverhaal of elke legende in een Jātaka veranderd worden. Men hoefde slechts een geschikt menselijk, dierlijk of goddelijk wezen dat in het verhaal voorkwam, te identificeren met de Bodhisatta. Zo ook konden verhalen die oorspronkelijk niets met de leer te maken hadden, ‘boeddhistisch’ worden. De monniken van weleer wisten dat de mensen van India graag naar verhalen luisterden. Zij gebruikten dan ook alle mogelijke verhalen, sprookjes, fabels, legenden etc. om de leer te verkondigen op een populaire manier.[197]
   In de oude tijd heeft men het niet steeds nodig gevonden om de verhalen te veranderen in de Jātaka vorm. Zo komt het dat meerdere verhalen in de Pāli Canon te vinden zijn zonder dat de hoofdpersoon als de Bodhisatta geïdentificeerd wordt. Volgens Winternitz heeft men pas later die verhalen veranderd in de bekende Jātaka vorm. Hij schreef ook dat monniken die verhalen in hun preken hebben verteld of ze als preek hebben gebruikt.[198]
 
   Het oorspronkelijke boek van de Jātakas bevatte alleen de verzen. Het is samengesteld in Noord-India vóór de tijd van keizer Asoka. In India was een vermenging van proza met verzen erg geliefd en de verhalen die men tot Jātakas omvormde, bestonden oorspronkelijk uit proza en verzen. Maar alleen de verzen ervan werden in de Pāli Canon opgenomen, zonder bijbehorende prozaverhalen. Toch moeten ook die bijbehorende verhalen overgeleverd zijn. Want zonder de prozaverhalen zijn de verzen onbegrijpelijk.[199] De oudste Jātakas zijn gelijkenissen, fabels, parabels, sprookjes, legenden, balladen en anekdoten zonder raamwerk en zonder verzen. De meeste ervan zijn vóór-boeddhistisch maar zijn handig omgevormd om ze met het leven van de Boeddha in verbinding te brengen. In al die verhalen speelt de Bodhisatta een meer of minder belangrijke rol.[200] In de vroegste vormen van de Jātakas is de Boeddha in zijn vroegere leven nooit geïdentificeerd met een dier; hij wordt er alleen geïdentificeerd met beroemde wijzen en leraren. Men gelooft dat de canonieke versies een latere ontwikkeling zijn van de vroege Jātakas.[201]
 
   De Jātakas werden oorspronkelijk mondeling overgeleverd. Nadat de Pāli Canon was vastgesteld, is men ertoe overgegaan het proza in de vorm van een commentaar vast te leggen. De uiteindelijke versie was die van enkel het commentaar en niet van de oorspronkelijke volledige tekst. Dat commentaar is geschreven tussen de 2e en de 5e eeuw na Chr. Het is gebaseerd op de traditie van het Grote Klooster te Anuradhapura, Sri Lanka. Sommigen menen dat de commentator Buddhaghosa was. Maar dat is niet mogelijk. Het commentaar bevat zowel de verzen als de proza-verhalen. Verder heeft het een raamwerk met inleiding en een eind-identificatie. Het commentaar is een vertaling in het Pāli van het Sinhalese commentaar. Op die manier is de traditie gehandhaafd die overgeleverd is vanaf de 3e eeuw v. Chr.[202]
   In dat commentaar is elk van de verhalen van de Jātakas verdeeld in vijf delen:
1. De inleiding (paccuppanna-vatthu), het verhaal uit de tijd van de Boeddha Gotama. In dit gedeelte is de gelegenheid vermeld waarbij de Boeddha het verhaal vertelde.
2. Het verhaal van het verleden (atīta-vatthu). Hier is in proza het verhaal van een van de vroegere levens van de Bodhisatta vermeld.
3. De verzen (gāthā).
4. Een korte uitleg (veyyākarana) die een grammaticaal commentaar is.
5. De samenhang (samodhāna). In dit gedeelte identificeert de Boeddha in het algemeen de hoofdkarakters, die in het eerste deel voorkomen, met die wier vroegere handelingen beschreven zijn in het tweede deel.[203]
 
   Het Jātaka-boek bevat niet alle Jātaka-verhalen die in de beginperiode van het Boeddhisme in omloop waren. Ook waren die fabels, parabels, mythen en legenden in de oorspronkelijke collectie niet specifiek Boeddhistisch. Van oorsprong waren ze populaire Indiase volksverhalen en legenden. De vroege Boeddhisten hebben er zeer waarschijnlijk een selectie uit gemaakt en ze toen aangepast. De ethiek erin is eenvoudig.[204] Ook kunnen de Jātakas onmogelijk van één auteur afstammen. Ze kunnen hoogstens door één persoon samengesteld zijn. Meerdere delen zijn toegevoegd of omgedicht vanuit vroegere versies. Uit de taal is af te leiden dat sommige Jātakas in de 2e eeuw v. Chr. ontstonden.[205]
 
   Uit het voorgaande blijkt dat de proza-gedeelten van de Jātakas niet zo oud kunnen zijn als de verzen. Ook zullen door de vertaling en terugvertaling meerdere wijzigingen aangebracht zijn. Sommige Jātakas behoren, zowel wat verzen als proza betreft, reeds in de 3e eeuw v. C. tot de boeddhistische overlevering. Dit blijkt uit Jātaka-afbeeldingen op reliëfs op de stoepas van Bharhut en Sānchi, welke uit de 3e of 2e eeuw v. C. dateren. Meerdere spreuken en legenden kunnen behoren tot vóór-boeddhistische tijden. Maar het grootste gedeelte van de verzen dateert hoogstens uit de 3e eeuw v. C. En van het proza behoort een deel uit de 3e of 2e eeuw v. Chr., en een deel pas uit de tijd na Chr.[206] Sommige van de verhalen waren zeer oud toen zij niet later dan begin 3e eeuw v. Chr. in de boeddhistische traditie opgenomen werden. Ongeveer 60-70% ervan hadden geen verzen.[207]
 
   Wat de inhoud betreft, vinden wij in de Jātakas:[208]
* Fabels; ze leren over levenswijsheid. Slechts enkele ervan zijn specifiek boeddhistisch.
* Sprookjes en mythen, waaronder veel dierensprookjes. De meeste ervan zijn zonder enige betrekking met het Boeddhisme. In enkele gevallen zijn ze voorzien van een boeddhistische tendens.
* Korte anekdoten die niets boeddhistisch hebben.
* Sagen en novellen met veel avonturen en soms met een groter of kleiner aantal van ingesloten vertellingen. Het enige boeddhistische erin is dat de held de Bodhisatta is.
* Moralistische vertellingen.
* Spreuken die meer het ideaal van de brahmanen bevatten.
* Vrome legenden die slechts ten dele van boeddhistische oorsprong zijn. De meeste ervan behoren tot de Indiase ascetenliteratuur.
 
   Winternitz concludeerde dat meer dan de helft van alle Jātakas, afgezien van het commentaar, niet van boeddhistische oorsprong is. Zijn verklaring is dat de boeddhistische monniken uit alle standen in de maatschappij kwamen. Velen van hen (zoals arbeiders en kooplui) waren goed vertrouwd met de volksverhalen van hun tijd. Andere monniken waren bekend met de oude balladen en heldenliederen van de krijgers. Weer anderen hadden de legenden en mythen der brahmanen vaak gehoord. Toen zij monnik werden, hebben zij het waarschijnlijk nuttig gevonden veel van deze herinneringen te verbinden met hun nieuwe religieuze overlevering.[209]
   Sommige geleerden hebben aangenomen dat de Jātakas ons een beeld geven van de verhalende literatuur en de culturele verhoudingen ten tijde van de Boeddha of van vroegere tijden. Maar volgens Winternitz geldt dit slechts in zeer beperkte mate.[210] Dr. R. Fick heeft de sociale omstandigheden onderzocht in noordoost India waar het Boeddhisme ontstond. Volgens hem verwijzen de sociale omstandigheden in de Jātakas naar die uit de tijd van de Boeddha.[211] G. Bühler schreef (1895) dat er opmerkelijk weinig sporen van Boeddhisme zijn te vinden in de Jātaka-verhalen. Ook beschrijven zij niet de toestand van India in de 3e of 4e eeuw v. C., maar die van een oudere periode.[212] Volgens Rhys Davids hebben de politieke en sociale omstandigheden die beschreven zijn in het Jātaka boek voor het merendeel betrekking op de toestand die bestond in Noord-India vóór de tijd van de Boeddha.[213]
   Dr. Benoychandra Sen maakte eveneens een analyse van de Jātakas. Zijn werk is in 1926 als dissertatie gereed gekomen. In 1974 is het als boek verschenen. Hij schreef dat de collectie van de Jātaka-verhalen een opslagplaats is vol informatie over het leven en de samenleving in het oude India, met speciale verwijzing naar de organisatie van kasten, de rituelen, festiviteiten, gebruiken en gewoonten van verschillende gemeenschappen en volksgroepen, de economie etc.[214] De bronnen van de verzameling legenden hebben een pre-boeddhistisch karakter. Bij sommige Jātakas zijn elementen van grote oudheid aangetroffen.[215] De meeste verhalen, tenminste die over koningen en prinsen, hebben een historische achtergrond.[216] De geografische kennis in de Jātakas omvat niet alleen een groot deel van India, maar ook plaatsen buiten India. De vertellers van de Jātakas waren bekend met veel plaatsen en eilanden buiten India, waaronder Myanmar (Birma), Sri Lanka en Babylon. Die verhalen moeten dateren uit de dagen toen actief handel gedreven werd tussen India en andere delen van de wereld.[217]
 
   Oorspronkelijk waren de Jātaka-verhalen sprookjes, mythen, legenden, parabels en leer-verhalen. Alleen de verzen behoren tot de Pāli Canon; alleen die worden beschouwd als woorden van de Boeddha.[218] Gombrich heeft duidelijk aangetoond dat de Boeddha vaak gebruik maakte van vergelijkingen, metaforen, allegorieën, satiren en analogieën.[219] De Jātakas waren voor de vroegere toehoorders niet meer dan wat een parabel is voor ons.[220] Zij moeten niet behandeld worden alsof ze bedoeld waren als nauwgezette oude geschiedenis. Ik denk dat de Boeddha en/of zijn monniken enkele oude en welbekende verhalen hebben gebruikt om iets uit te leggen. En latere monniken zijn daarmee doorgegaan.
   Er zijn Jātakas waarin het gedrag van de Bodhisatta niet voorbeeldig was, zoals de eerwaarde Seewali heeft aangetoond. Hij toonde ook dat er in de Jātakas ethische problemen zijn.[221] De sprookjes, mythen, legenden en parabels die als basis dienden voor de Jātaka-verhalen, zijn niet aangepast om de vooruitgang in de loopbaan van de Bodhisatta aan te tonen.
 
   Als conclusie kunnen we stellen dat geen enkel Jātaka-verhaal een vroeger leven van de Boeddha beschrijft. De Jātakas zijn oude verhalen met een educatieve strekking. Door de verzen zijn ze ‘boeddhistisch’ gemaakt. Waarschijnlijk zijn slechts enkele ervan door de Boeddha zelf of door zijn discipelen verteld. Monniken van latere tijden hebben verhalen toegevoegd. Alleen de verzen ervan werden – net als de verzen van het Dhammapada – in de Pāli Canon opgenomen. De bijbehorende verhalen bleven als commentaar bewaard. Die verhalen van de Jātakas moeten niet al te belangrijk beschouwd worden. De verzen kunnen beter begrepen worden dankzij die verhalen. De verhalen zijn illustratief; alleen de verzen zijn belangrijk. En hierbij moet dan niet vergeten worden dat een groot deel ervan hoogstens uit de 3e eeuw v. C. dateert, d.w.z. na de tijd van de Boeddha. Ze kunnen niet allemaal door de Boeddha gesproken zijn. Hier is ook te denken aan de voorspelling van de Boeddha, dat er een tijd zal komen waarin niet meer naar de Dhamma geluisterd zal worden, maar naar leerreden die in dichterlijke stijl gemaakt zijn.[222] De Jātaka-verhalen zou men reeds tot die categorie kunnen rekenen. Het zou wellicht beter zijn geweest als de Jātakas van het begin af aan gerangschikt waren niet als geboorte-verhalen, maar als educatieve verhalen die op een levendige manier uitdrukken hoezeer de Bodhisatta anderen wil helpen ook onder moeilijke omstandigheden. De vertaling van de samodhāna (samenhang) had dan eventueel kunnen zijn: “… en zoals die bepaalde personen in het verleden gehandeld hebben, op gelijke wijze is het thans met deze personen …”.
 _____
[189] Speyer, J.S. (tr.): The Jātakamālā or Garland of Birth-Stories of Āryasūra, (repr.) Delhi (etc.) 1982, p. xi.
[190] Dutoit, Julius (übers.): Jātakam. Das Buch der Erzählungen aus früheren Existenzen Buddhas, Leipzich 1908, Bd. I, p. III.
[191] Pim-Aksorn, Phramaha Tuan: Buddhist Concept of Karunā and World Peace, Varanasi 1988, p. 117.
[192] Donath, Dorothy C.: Buddhism for the West – Theravāda, Mahāyāna and Vajrayāna, New York 1971, p. 43.
[193] zie o.a.: Pantschatantra. Fünf Bücher altindischer Staatsweisheit und Lebenskunst in Fabeln und Sprüchen, Hrsg. u. übers. von Ludwig Alsdorf, Bergen II 1952; of: Pantschatantra. Die fünf Bücher der Weisheit, Aus dem Sanskrit übertragen von Theodor Benfey (1859), bearbeitet von Karin Fitzenreiter, Berlin 1978.
[194] Kern, H.: Geschiedenis van het Buddhisme in Indië, Haarlem 1882, dl. 1, p. 256-257.
[195] Speyer 1982, p. xxii.
[196] Winternitz, M.: Geschichte der Indischen Litteratur. Zweiter Band. Erste Hälfte . Die buddhistische Litteratur, Leipzich 1913, p. 89-134.
[197] Winternitz 1913, p. 89-90. Zie ook: Rhys Davids, T.W.: Buddhist India, (reprint) Delhi (etc.) 1987, p.165.
[198] Winternitz 1913, p. 91.
[199] Winternitz 1913, p. 91-92; Rhys Davids 1987, p. 194-195.
[200] Glasenapp, Helmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart, Wildpark-Potsdam 1929, p. 134-137; Rhys Davids 1987, p. 196.
[201] Rhys Davids 1987, p. 196.
[202] Rhys Davids 1987, passim.
[203] Saddhatissa, H.: The Birth-stories of the Ten Bodhisattas and the Dasabodhisattuppattikathā, being a Translation and Edition of the Dasabodhisattuppattikathā, London 1975, p. 5-6; en Winternitz 1913, p. 92-93.
[204] Rhys Davids 1987, p. 196-197.
[205] Winternitz 1913, p. 97.
[206] Winternitz 1913, p. 94-95.
[207] Rhys Davids 1987, p. 189-208.
[208] Winternitz 1913, p. 99-100.
[209] idem.
[210] Winternitz 1913, p. 96.
[211] vermeld in: Rhys Davids 1987, p. 202.
[212] Rhys Davids 1987, p. 202.
[213] Rhys Davids 1987, p. 207
[214] Sen, Benoychandra: Studies in the Buddhist Jātakas (tradition and polity), Calcutta 1974, p. I.
[215] idem, p. II.
[216] idem, p. III.
[217] idem, p.54-60.
[218] Zie: Ling, Trevor: A Dictionary of Buddhism. Indian and South-East Asian, Calcutta/New Delhi 1981 (zie: Jātaka); en: Nārada Thera (tr.): The Dhammapada: Pali Text and translation with stories in brief and notes, (3rd ed.) Colombo 2522-1978, p. viii. Zie ook: Dutoit 1908, Bd. I, p. IV; en: Kern 1882, dl. 1, p. 257; en: Dutoit, Julius (Übers.): Das Leben des Buddha. Eine Zusammenstellung alter Berichte aus den kanonischen Schriften der südlichen Buddhisten, Leipzich 1906, p. XVIII-XIX.
[219] Gombrich, Richard F.: How Buddhism Began : The Conditioned Genesis of the Early Teachings, London 1996, p. 65-67.
[220] Speyer 1982, p. xiii.
[221] Seewali Thero, Ven. Rassagala: A Critical Study of Ethical Problems of Bodhisatta's Karunā in Jātaka Stories, Bangkok 2542/1999.
[222] S.II,267, geciteerd door Phra Khantipalo, in: The Splendour of Enlightenment, Bangkok 1987, Vol.II, p. 392-393.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #28 Gepost op: 07-08-2017 22:32 »
5. Bespreking van de pāramīs
 
   Wanneer en hoe de aspirant zijn loopbaan begon als aanstaande Boeddha of Mahā Bodhisatta staat in het Buddhavamsa in het verhaal over Sumedha. Volgens dat verhaal bevestigde de Boeddha Dīpankara het toekomstig succes van de aspirant. Na die voorspelling overwoog de aspirant welke eigenschappen vervolmaakt moesten worden om het doel te bereiken. Die eigenschappen zijn de tien volmaaktheden of pāramīs. Volgens het commentaar erop was het Buddhavamsa door de Boeddha zelf gesproken. Dit is niet juist. Het Buddhavamsa is na het derde concilie in de Pāli Canon opgenomen. Het boek is net als de Jātakas samengesteld voor educatieve doeleinden om aspecten van de leer te illustreren. De verhalen erin bevatten geen historisch ware gebeurtenissen. Zeven van de tien volmaaktheden zijn vermeld in het Cariyāpitaka. Het is een verzameling van 35 Jātakas, in versvorm. Het doel ervan is aan te tonen dat de Bodhisatta de volmaaktheden bezat. De tien volmaaktheden of pāramīs zijn uitvoerig beschreven door Ācariya Dhammapāla in “De verhandeling over de Pāramīs”, als tegenhanger van de Mahāyāna-werken over de Bodhisattvas. Dit werk is te vinden in het Cariyāpitaka Atthakathā. Een verkorte versie ervan is in het subcommentaar op het Brahmajāla sutta. “De verhandeling over de Pāramīs” is een verslag van de Theravāda-opvatting van de uitoefening van de volmaaktheden. Het werk is door de eerwaarde Bhikkhu Bodhi in het Engels vertaald en zo ook voor anderen toegankelijk gemaakt. Er is wel enige invloed van het Mahāyāna maar op punten van de leer (Dhamma) blijft het werk binnen de grenzen van het Theravāda. Ook in andere werken worden de pāramīs behandeld, zoals het Vimuttimagga geschreven door Upatissa Thera en het Visuddhimagga samengesteld door Buddhaghosa Thera. Geraadpleegd zijn nog twee andere werken met informatie over de pāramīs, namelijk “A Manual of the Excellent Man, Uttamapurisa Dīpanī” geschreven door de eerwaarde Ledi Sayadaw en het hoofdstuk ‘Pārami – Perfections,’ in “The Buddha and His Teachings” geschreven door de eerwaarde Nārada Maha Thera. Zowel door de eerwaarde Ledi Sayadaw als door de eerwaarde Nārada Maha Thera zijn er diverse commentaren geraadpleegd. Omdat die commentaren mij niet ter beschikking stonden, moet ik afgaan op wat beide monniken hebben vermeld. Met behulp van bovengenoemde werken en teksten van het Lakkhana Sutta (D.30) probeer ik aan te tonen wat bedoeld is met die pāramis.

Fig. 5
Bodhisatta Metteyya, Maha Bodhi tempel, Buddha Gaya, India
 



Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #29 Gepost op: 08-08-2017 22:35 »
(1) Edelmoedigheid, vrijgevigheid (dāna)
 
   De volmaaktheid van geven bestaat in de wilsuiting om zichzelf of zijn bezittingen op te geven, gepaard gaande met mededogen en bekwame middelen. Ze heeft het kenmerk van edelmoedigheid; de functie ervan is door te geven gehechtheid aan iets of begeerte naar iets te vernietigen.
   De Bodhisatta ontwikkelt mettā voor alle wezens en geeft hen vreesloosheid. Hij denkt aan het heil van de wezens en duldt hun lijden niet. Hij wenst hun geluk voor een lange tijd en ook koestert hij voor allen een gelijke gezindheid. Daarom geven zij gaven aan alle wezens tot hun geluk, zonder te controleren of deze of gene de gaven waard is of niet.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, ondernam de Bodhisatta grote heilzame daden, onwankelbaar in edelmoedigheid. Hij maakte zich geliefd door edelmoedigheid en vrijgevigheid. Hij gaf uitgelezen spijzen en dranken, smakelijke maaltijden. Hij werd een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij hield ervan gaven uit te delen, fijn geweven dekens en gewaden van linnen, wol, zijde.
   Hij verenigde lang verloren verwanten en vrienden die uit elkaar waren geraakt. Hij verenigde ouders met hun kinderen, broers met broers, broers met zusters. Hij stichtte vrede, bracht lieden die uit elkaar waren geraakt, bij elkaar en verheugde zich erover. Eendracht maakte hem blij.
   Hij was velen behulpzaam, verschafte troost en verzachting. Hij verlangde naar het welzijn en voordeel van de mensen. Hij probeerde de mensen in zekerheid te brengen, er aan denkende hoe zij kunnen toenemen in vertrouwen, deugdzaam gedrag, kennis, ontzegging, het juiste begrijpen, wijsheid, rijkdom en bezittingen. Hij had graag dat zij veel vee hadden, dat het goed ging met hun vrouw en kinderen, personeel en verwanten; en dat zij goede collega’s en vrienden hadden. Hij leefde voor het geluk van velen, als iemand die angst en vrees verjoeg. Hij gaf wettelijke bescherming en onderdak en voorzag in alle noden.
   Hij hield zich verre van achterklap. Wat hij hier gehoord had, vertelde hij elders niet verder om onenigheid te stichten. Hij probeerde vrede te stichten. Over harmonie verheugde hij zich.
   Kortom, de Bodhisatta gaf materiële dingen en moedigde ook de ontwikkeling aan van geestelijke eigenschappen, zoals vreesloosheid, eendracht, harmonie, troost en zekerheid.
 
   De volmaaktheid van geven moet beoefend worden door wezens van nut te zijn op vele manieren: door zijn bezittingen, lichaam en leven voor anderen op te offeren, door angst te verdrijven, en door ze in de leer te onderwijzen. Het geven is drievoudig door het object dat gegeven wordt: (1) het geven van materiële dingen; (2) het geven van vreesloosheid, of het geven van bescherming aan wezens wanneer zij angstig zijn geworden; (3) het geven van de leer (Dhamma).
   Volgens het Buddhavamsa en het commentaar erop vervult de Bodhisatta de basis volmaaktheid van geven door het offer van zijn bezittingen; hij vervult de hogere volmaaktheid door het offer van een van zijn ledematen; en hij vervult de opperste volmaaktheid door het offer van zijn leven.
   De eerwaarde Nārada schreef dat geven wijs moet gebeuren. Als bijvoorbeeld een dronkaard of een drugsverslaafde een aalmoes zou vragen, en indien de Bodhisatta ervan overtuigd was dat zijn gave niet goed gebruikt zou worden, dan zou hij dat zonder aarzelen weigeren.
 
   In het Milindapañha (VIII.1) wordt de vraag gesteld of alle Bodhisattas hun vrouw en kinderen weggeven. De eerwaarde Nāgasena gaf ten antwoord dat alle Bodhisattas dit doen en niet alleen de Bodhisatta Vessantara. Hij zei dat de Bodhisatta gedaan had wat moeilijk te doen was. Hij gaf zijn kinderen om slaven te zijn van een brahmaan. Hij gaf zijn vrouw aan een ander. Zij stemde ermee in, maar de kinderen jammerden. Hij bond zijn kinderen vast. Toen zijn zoon zich op eigen kracht had bevrijd en terug was gekomen vol van angst, bond hij hem opnieuw en gaf hem aan de brahmaan terug. De kinderen huilden en jammerden maar hij troostte hen niet. Hij toonde geen medelijden toen zijn kinderen weg werden gevoerd.
   Volgens de eerwaarde Nāgasena werd de Bodhisatta vanwege deze daad geprezen door hemelbewoners. De volkomen en wijze Bodhisattas zouden tien speciale eigenschappen hebben, namelijk: begeerteloosheid, het zijn zonder verlangen naar wereldlijke dingen, het opgeven van, het zich vrij maken van, en het niet meer terugkeren naar een wereldlijk leven, de fijnheid, de grootheid, de onbegrijpelijkheid, de zeldzaamheid, de weergaloosheid van Boeddhaschap.
   Maar deze schenking veroorzaakte angst en smart bij anderen. Volgens de eerwaarde Nāgasena kan een gave die smart en angst bij anderen veroorzaakt, geluk tot resultaat hebben, kan voeren tot wedergeboorte in een hemel. Nāgasena zei dat Vessantara zijn vrouw en kinderen weggaf omdat het in die tijd gebruikelijk was dat een vader die een schuld had of die van zijn levensonderhoud was beroofd, zijn zoon als onderpand gaf of verkocht. De Bodhisatta Vessantara was bang geen alwetendheid te verkrijgen. Daarom gaf hij zijn vrouw en kinderen in onderpand en verkocht hen teneinde de schat van de Dhamma te verwerven. Hij dacht: “Door deze daad zal ik volmaakte Verlichting verkrijgen.” Hij gaf zijn vrouw en kinderen omwille van Boeddhaschap. En hij wist dat niemand in staat was zijn kinderen in slavernij te houden en dat hun grootvader hen zou bevrijden.
  
   Met deze interpretatie van de eerwaarde Nāgasena hoeft men het niet eens te zijn. Men kan zeggen dat de gave in dit geval de oorzaak was van leed en gejammer, dat ze niet wijs was, buitensporig en niet een beoefenen van de middenweg. De Bodhisatta wordt genoemd iemand die angst en schrik verdrijft; iemand die bescherming geeft; die sympathie heeft met alle levende wezens; iemand die kinderen met hun ouders verenigt. Men kan zeggen dat de gave van Vessantara geen welwillendheid of mededogen toonde jegens alle levende wezens, inclusief zijn vrouw en kinderen. De Bodhisatta Vessantara had nog niet de tien speciale eigenschappen omdat hij nog niet volmaakt was. De eigenschappen vermeld door de eerwaarde Nāgasena zijn eigenschappen van een Boeddha en niet van een Bodhisatta. Ik denk dat de eerwaarde Nāgasena de Jātakas al te letterlijk heeft opgevat. Misschien beschouwde hij ze als waargebeurde, historische verhalen en niet als illustraties, voorbeelden. Het is juist dat alle Bodhisattas afstand doen van hun vrouw en kinderen wanneer zij het huisloze leven aannemen. Maar dat is niet gelijk aan ze weg te geven als onderpand of te verkopen. En indien Vessantara van tevoren al wist dat niemand zijn vrouw en kinderen kwaad kon doen, indien hij van tevoren wist dat zijn vader de kinderen zou bevrijden, dan was dit geven onvolledig, slechts voor een korte tijd. De volmaaktheid van geven zou dan niet vervuld zijn.


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #30 Gepost op: 09-08-2017 18:57 »
(2) Deugdzaamheid (sīla)
 
    De volmaaktheid van deugdzaamheid bestaat in goed lichamelijk en verbaal gedrag, gepaard gaande met mededogen en bekwame middelen. De functie ervan is smetteloos gedrag, of het vernietigen van onheilzame lichamelijke of verbale daden. De onmiddellijke oorzaken ervan zijn morele schaamte (hiri) en morele angst (ottappa).
 
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, volgde de Bodhisatta op feestdagen de acht regels na. Op andere dagen volgde hij de vijf regels. Hij eerde zijn ouders en asceten, priesters en het hoofd van zijn stam.[253] Hij verwierp het doden van levende wezens; stok en zwaard legde hij af. Hij was vol mededogen en sympathie jegens alle levende wezens.[254] Hij bracht geen enkel wezen letsel toe, noch met hand of steen, noch met stok of mes. Hij doodde niemand, leefde zonder schade of letsel toe te brengen.[255]
   Hij maakte zich geliefd door aangename taal en heilzaam gedrag. Hij werd een raadgever voor het volk zowel in wereldlijke als in geestelijke dingen. Hij werd de eerste in bekwaam gedrag van daad, woord en gedachten. Hij verwierp barse woorden. Hij koos woorden die vrij waren van schimpen. Hij gebruikte woorden die aangenaam waren, die tot het hart doordrongen, hoffelijke woorden waarover velen zich verheugden. Hij hield zich verre van dwaas geklets, zinloos gepraat. Hij sprak op de juiste tijd, zei wat correct was. Hij sprak steeds de waarheid, sprak juist, oprecht, passend.
   Hij verwierp onjuiste levenswandel. Hij had een juiste levenswandel. Hij zag af van bedrog met valse maten en gewichten. Hij zag af van omkopen, corruptie, misleiding en onoprechtheid. Hij zag af van het verwonden, doden, gevangen nemen, overvallen en nemen onder dwang. Hij gaf onjuist gedrag op en voerde een zuiver en oprecht leven. Hij vermeed slechte dingen en was alleen actief voor het heil van de mensen. (D.30)
 
   De Bodhisatta moet eerst zijn eigen deugdzaamheid zuiveren. Dat kan op vier manieren: (1) door zijn neigingen te zuiveren; (2) door het navolgen van de regels van goed gedrag; (3) door die niet te overschrijden; en (4) door verbeteringen aan te brengen bij overtredingen ervan.
 
   Volgens het Buddhavamsa bestaat de volmaaktheid van deugdzaamheid o.a. in het vervullen van de regels voor monniken. In het Lakkhana Sutta is het leven van een monnik niet vermeld. Ook leken kunnen een deugdzaam leven leiden.
 _____

[253]  Dit is ook de weg die naar rijkdom en naar hoge afkomst voert (M.135).
[254]  Dit voert naar een lang leven (M.135).
[255]  Afzien van anderen pijn te doen voert naar gezondheid (M.135).

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #31 Gepost op: 10-08-2017 21:04 »
(3) Ontzegging, verzaking (nekkhamma)
  
   De volmaaktheid van ontzegging bestaat in het opgeven van zin-genot. De Bodhisatta beoefent begeerteloosheid. Hij ziet de gevaren van een gezinsleven, want door gezin en beroep wordt de mogelijkheid beperkt om de pāramīs te beoefenen. Hij ziet de nadelen van zingenot in; zijn geest is geneigd naar eenzaamheid en vrede. Hij vermijdt zinnelijkheid uit angst voor verkeerd gedrag of uit een gevoel van spirituele noodzakelijkheid. Hij wordt een asceet en door kalmte (samatha) bereikt hij alle meditatieve verdiepingen (jhanas).
   De Bodhisatta oefent ontzegging om deugdzaamheid tot volmaaktheid te brengen.
   Deze volmaaktheid is niet uitdrukkelijk vermeld in het Lakkhana Sutta. Maar eigenlijk is ze inbegrepen in andere volmaaktheden, zoals vrijgevigheid, deugdzaamheid, verdraagzaamheid.
 
   De Bodhisatta zou steeds, wanneer hij als mens herboren was, een monnik zijn geweest. Dit lijkt mij een toevoeging uit de tijd toen de nadruk op het monnikenleven gelegd werd. In het Lakkhana Sutta staat duidelijk welke deugden en volmaaktheden hij volvoerde. En hij moet daarom ook vele malen als een leek geleefd hebben. De volmaaktheid van ontzegging slaat m.i. niet steeds op het leven van een monnik, maar ook op dat van een leek. Hier is te denken aan wat de Boeddha heeft gezegd: “Of iemand in het huis blijft of monnik wordt, het ene is niet te loven boven het andere. Wie verkeerd leeft, kan niet tot het heil komen; wie juist leeft, kan het heil verkrijgen, of hij nu in het huis leeft of niet.” (M.99)
   Met andere woorden, ook leken kunnen juist leven. Ook als leek kan men de volmaaktheid van ontzegging beoefenen.

 

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #32 Gepost op: 11-08-2017 16:04 »
(4) Wijsheid (paññā)
  
   De Bodhisatta beschouwt verdienste en niet-verdienste. Hij verwerpt het slechte en neemt het goede aan. Om inzicht te bereiken in hetgeen voor de wezens heilzaam en onheilzaam is, reinigt hij zijn weten (paññā).
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, werd hij een raadgever voor het volk zowel in wereldlijke als in geestelijke dingen. Hij werd een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij bezocht asceten en priesters en vroeg wat slecht was en wat niet. Hij vroeg wat hem tot heil en geluk zou strekken en wat niet. Hij beschouwde het heil van de mensen en lette op hun bijzondere aard. Hij wist hoe ieder verschilde van de ander en wat ieder toekwam. Hij was velen behulpzaam, verschafte troost en verzachting. Hij probeerde de mensen in zekerheid te brengen, denkende: “Dat zij toch vertrouwen verkrijgen, zich deugdzaam gedragen, kennis verzamelen, weten te ontzeggen, het juiste begrijpen, aan wijsheid toenemen.”
   Hij was de eerste in bekwaam gedrag, was een leider van velen bij goed gedrag in daden, woorden en gedachten, bij vrijgevigheid, bij deugdzaamheid, bij het vieren van de vastendagen, bij het eren van vader en moeder, van asceten, priesters en het hoofd van de stam, en bij verscheidene andere juiste activiteiten. (D.30)
  
   Door de volmaaktheid van wijsheid ziet de Bodhisatta de dingen objectief, in hun ware aard. Hij vermijdt verkeerde opvattingen. Hij ziet de wereld in het licht van vergankelijkheid (anicca), onvoldaanheid (dukkha) en niet-zelf (anattā). Een Bodhisatta mediteert over deze drie eigenschappen maar niet zodanig dat hij al het eerste niveau van heiligheid bereikt. De onmiddellijke oorzaak van wijsheid is concentratie, of de vier edele waarheden. Om de volmaaktheid van wijsheid te voltooien, moet de Bodhisatta de oorzaken voor illusies vermijden, zoals sloomheid, lang slapen, overschatting van zichzelf en vasthouden aan verkeerde inzichten.


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #33 Gepost op: 11-08-2017 21:52 »
(5) Energie (viriya)

   Voor het heil en geluk van de wezens spant de Bodhisatta zich steeds in, zonder energie op te geven.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, werd hij een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij leerde ze vlug en zonder moeite.
   Hij was de eerste in bekwaam gedrag, was een leider van velen bij goed gedrag in daden, woorden en gedachten, bij vrijgevigheid, bij deugdzaamheid, bij het vieren van de vastendagen, bij het eren van vader en moeder, van asceten, priesters en het hoofd van de stam, en bij verscheidene andere juiste activiteiten. (D.30)
 
   De volmaaktheid van energie bestaat in lichamelijke en mentale activiteiten voor het welzijn van anderen, vergezeld van mededogen en bekwame middelen. Ze heeft de eigenschap van ijver, zich inspannen. Ze uit zich als volharding.
   Energie of volharding is nauw verwant met wijsheid. Energie heeft vooral betrekking op mentale kracht, een sterk karakter, hetwelk meer waard is dan een sterk lichaam. Energie wordt omschreven als de voortdurende inspanning om te werken voor het welzijn van anderen, zowel in gedachten als in daden. Onophoudelijk werkt de Bodhisatta voor anderen en hij verwacht niets terug als beloning. Hij is steeds bereid om anderen naar zijn vermogen te dienen.

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #34 Gepost op: 12-08-2017 18:10 »
(6) Verdraagzaamheid, geduld (khanti)

   De Bodhisatta beoefent geduld en verdraagzaamheid en wordt niet boos wanneer anderen hem berispen of haten. Hij is vol verdraagzaamheid t.o.v. de veelsoortige fouten van wezens.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, ergerde hij zich niet, klaagde en zuchtte niet. Hij werd niet boos, toornig, hatelijk of woedend, ook niet als veel op hem gescholden werd. (D.30)
 
   De volmaaktheid van geduld en verdraagzaamheid bestaat in het verduren van onaangenaamheden en kwaad dat door anderen veroorzaakt wordt en in het verduren van onprettige omstandigheden en ervaringen, zoals hitte en koude. Ze is ook het verduren van tekortkomingen van anderen. De functie ervan is niet bewogen te worden door afkeer of voorkeur. Zelfs als zijn handen en voeten afgehakt worden, wordt de Bodhisatta niet boos. Beweerd wordt dat de onmiddellijke oorzaak ervan is het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Dit inzien is echter beperkt. Het mag immers niet zover gaan dat heiligheid bereikt wordt.
   Juist zoals de aarde geen voorkeur of afkeer heeft jegens iets wat erop gegooid is, of het nu rein of vies is, maar het geduldig verdraagt, evenzo is de Bodhisatta geduldig en verdraagzaam jegens alle vormen van respect of minachting.


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #35 Gepost op: 13-08-2017 01:09 »
(7) Waarheidlievendheid (sacca)
  
   De Bodhisatta spreekt steeds de waarheid, verblijft in de waarheid en neemt de waarheid in acht. Een gegeven belofte iets te geven of te doen, breekt hij niet.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, was hij gewoon om naar de mensen te kijken niet wantrouwend, zijdelings of heimelijk, maar recht, open en van voren, en met een vriendelijke blik.
   Hij leefde oprecht, hield zich verre van verkeerd taalgebruik. Hij sprak steeds de waarheid. Hij was standvastig, te vertrouwen, geen huichelaar of bedrieger. Hij hield zijn beloften, vermeed leugens.
   Hij hield zich verre van dwaas geklets, zinloos gepraat. Hij sprak op de juiste tijd, zei wat correct was. Hij sprak de waarheid, sprak juist, oprecht, passend. Zijn woorden waren rijk aan inhoud, soms met gelijkenissen getooid. Zij voerden naar voordeel. (D.30)
 
   De volmaaktheid van waarheidlievendheid bestaat erin dat men anderen niet met taal bedriegt of misleidt. De functie ervan is de waarheid te bevestigen en te openbaren zoals men ze ziet of weet. Ze uit zich als aangename taal, uit sympathie en bezorgdheid voor allen.
   De Bodhisatta vermijdt onder alle omstandigheden onwaarheid. Hij vertelt niet met opzet een leugen. Zij woorden zijn zonder dubbele betekenis. Hij zal zijn gegeven woord nooit breken. Hij denkt eerst goed na voordat hij iets belooft. Maar wat eens beloofd is, zal hij ook doen, al is het met inzet van zijn leven.


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #36 Gepost op: 13-08-2017 14:57 »
(8 ) Vastberadenheid (adhitthāna)
   
   Door de volmaaktheid van vastberadenheid is de Bodhisatta standvastig bij het ondernemen van activiteiten voor het heil van anderen. Zonder vastberadenheid kunnen de andere volmaaktheden niet vervuld worden. Door vastberadenheid overwint hij elke tegenwerking en alle obstakels die op zijn pad liggen. Hij is onwrikbaar bij een eens genomen besluit. Niemand kan hem overhalen iets tegen zijn principes te doen.
 
   In Milindapañha V.5 is vermeld dat de Bodhisatta de slachting van dieren veroorzaakte. Hij deed verkeerde dingen en in feite deed hij iets tegen de principes van een Bodhisatta. Volgens de eerwaarde Nāgasena kon de Bodhisatta in dit geval niet gestraft worden omdat deze toen zijn verstand had verloren toen hij buiten zinnen was bij het zien van Candavatī, de dochter van de koning. De Bodhisatta was toen helemaal in de war en van streek. De eerwaarde Nāgasena beweerde dat kwaad dat door een krankzinnige gedaan is, niet zo erg is en geen grote gevolgen heeft in een toekomstig bestaan.
   Over de argumenten van de eerwaarde Nāgasena kan men redetwisten. De Bodhisatta was gezond voordat hij Candavatī zag. Iemand die oplettend, wijs en standvastig in zijn principes is, zou in staat moeten zijn om de verleiding te weerstaan. Hij zou in staat moeten zijn om zich te beheersen ook bij het zien van een mooi meisje.

« Laatst bewerkt op: 14-08-2017 17:52 door nico70 »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #37 Gepost op: 13-08-2017 20:00 »
(8} Vastberadenheid (adhitthāna)
   
   Door de volmaaktheid van vastberadenheid is de Bodhisatta standvastig bij het ondernemen van activiteiten voor het heil van anderen. Zonder vastberadenheid kunnen de andere volmaaktheden niet vervuld worden. Door vastberadenheid overwint hij elke tegenwerking en alle obstakels die op zijn pad liggen. Hij is onwrikbaar bij een eens genomen besluit. Niemand kan hem overhalen iets tegen zijn principes te doen.
 
   In Milindapañha V.5 is vermeld dat de Bodhisatta de slachting van dieren veroorzaakte. Hij deed verkeerde dingen en in feite deed hij iets tegen de principes van een Bodhisatta. Volgens de eerwaarde Nāgasena kon de Bodhisatta in dit geval niet gestraft worden omdat deze toen zijn verstand had verloren toen hij buiten zinnen was bij het zien van Candavatī, de dochter van de koning. De Bodhisatta was toen helemaal in de war en van streek. De eerwaarde Nāgasena beweerde dat kwaad dat door een krankzinnige gedaan is, niet zo erg is en geen grote gevolgen heeft in een toekomstig bestaan.
   Over de argumenten van de eerwaarde Nāgasena kan men redetwisten. De Bodhisatta was gezond voordat hij Candavatī zag. Iemand die oplettend, wijs en standvastig in zijn principes is, zou in staat moeten zijn om de verleiding te weerstaan. Hij zou in staat moeten zijn om zich te beheersen ook bij het zien van een mooi meisje.

Ik kende het verhaal niet. Ik heb het hier nagelezen:
https://suttacentral.net/en/mil5.5.5

Moraal van het verhaal: liefde maakt de man blind en gek. En kennelijk ben je dan niet toerekeningsvatbaar en wordt het negatief kamma wat je aldus zou verzamelen ook niet een ernstige zaak.

Wat moet je er van zeggen? Het geeft de Boeddha in zijn vorige levens wel een gewoon menselijk gezicht. Zelfs de Boeddha kon kennelijk in een vorig leven zo verliefd worden op iemand dat ie eigenlijk gek er van werd.

groet,






Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #38 Gepost op: 13-08-2017 22:54 »
Beste,

   Inderdaad was de Boeddha in zijn levens voordat de Verlichting bereikt werd, een gewoon mens, met nog menselijke tekortkomingen. In het verhaal van de eerwaarde Nagasena doet de Bodhisatta iets tegen zijn principes. Ik weet niet waar de eerwaarde Nagasena dat verhaal vandaan heeft. Het lijkt op een Jataka-verhaal.
   En als men in de war wordt gebracht, krankzinnig wordt  door gevoelens van liefde is het negatieve kamma-resultaat niet zo ernstig.
   Maar over de volmaaktheid van vastberadenheid wordt vermeld dat de Bodhisatta onwrikbaar is bij een eens genomen besluit. Niemand kan hem overhalen iets tegen zijn principes te doen. (1)  Het verhaal van de eerwaarde Nagasena is daarmee in tegenspraak.
_____
   
(1) Zie over de volmaaktheid van vastberadenheid:

Upatissa, Arahant: The Path of Freedom (Vimuttimagga). Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapāla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy: BPS, 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977), p. 188-190.

Bodhi, Bhikkhu (tr.): ‘A Treatise on the Pāramīs,’ in: The Discourse on the All-Embracing Net of Views : The Brahmajāla Sutta and its Commentaries. Kandy 1978, p. 260-261 en p. 311.

Buddhaghosa, Bhadantācariya: The Path of Purification (Visuddhimagga). Transl. by Bhikkhu Ñānamoli. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956], p. 353.

Horner, I.B. (tr.): Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyāpitaka). London: PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXI); (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III), p. 22 (II A: 154).

Horner, I.B. (tr.): The Clarifier of the Sweet Meaning (Madhuratthavilāsinī) . Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London: PTS, 1978. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXIII), p. 159-160.

Ledi Sayadaw, Ven.: A Manual of the Excellent Man, Uttamapurisa Dīpanī. Transl. from the Burmese by U Tin Oo; edited by Bhikkhu Pesala. Kandy: BPS, 2000, p. 4.

Nārada Maha Thera: ‘Pārami – Perfections,’ in: The Buddha and His Teachings. Kandy 1980, p. 603-604.

Groeten, Nico
« Laatst bewerkt op: 13-08-2017 23:32 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #39 Gepost op: 14-08-2017 11:49 »
(9) Liefdevolle vriendelijkheid (mettā)
  
   De volmaaktheid van mettā, liefdevolle vriendelijkheid, bestaat erin dat de Bodhisatta het heil en geluk van anderen wenst. Door mettā wordt wrok, wrevel, haat, afkeer verwijderd. Teneinde alle wezens van nut te zijn, identificeert de Bodhisatta zich met alle wezens. Met onwrikbare goedheid plaatst hij anderen als eerste. Hij houdt rekening met het welzijn van anderen, is steeds hulpvaardig. Jegens vriend en vijand koestert de Bodhisatta een gelijke gezindheid van liefdevolle vriendelijkheid en sympathie. Uit mettā geeft hij persoonlijke bevrijding op omwille van het heil van anderen.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, verjoeg hij angst en vrees, gaf anderen wettelijke bescherming en onderdak en voorzag in alle benodigdheden. Hij verenigde verwanten, vrienden en kennissen die uit elkaar waren geraakt, met elkaar. Hij verenigde ouders met hun kinderen. Over eenheid en harmonie verheugde hij zich. (D.30)
 
   Mettā moet niet verward worden met persoonlijke genegenheid of vleselijke liefde. Uit genegenheid ontstaan angst en overbezorgdheid. Mettā is vrij daarvan. Mettā omvat de hele wereld, inclusief zichzelf.


Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #40 Gepost op: 14-08-2017 12:35 »
Beste,

   Inderdaad was de Boeddha in zijn levens voordat de Verlichting bereikt werd, een gewoon mens, met nog menselijke tekortkomingen. In het verhaal van de eerwaarde Nagasena doet de Bodhisatta iets tegen zijn principes. Ik weet niet waar de eerwaarde Nagasena dat verhaal vandaan heeft. Het lijkt op een Jataka-verhaal.
   En als men in de war wordt gebracht, krankzinnig wordt  door gevoelens van liefde is het negatieve kamma-resultaat niet zo ernstig.
   Maar over de volmaaktheid van vastberadenheid wordt vermeld dat de Bodhisatta onwrikbaar is bij een eens genomen besluit. Niemand kan hem overhalen iets tegen zijn principes te doen. (1)  Het verhaal van de eerwaarde Nagasena is daarmee in tegenspraak.

Hallo Nico,

Het is inderdaad een Jataka, nummer 433. Het zit daar toch allemaal wat anders in elkaar. Het begint eigenlijk allemaal bij Sakka die in de asceet lomasakassapa (boeddha in een vorig leven) een concurrent ziet, iemand die hem van de troon zal stoten door zijn deugdzaamheid.

Sakka verleidt daarom de koning van Benares om de asceet over te halen om dieren te slachten. Zo'n grove daad zal immers de verdienste van de asceet grotendeel teniet doen en Sakka zal niet meer bedreigd worden in zijn positie door de asceet.

De beloning voor de koning zal de heerschappij over India zijn en vrijheid van ouderdom en dood.
Sakka belooft dus heel wat.

De koning probeert het maar de asceet gaat hier niet op in.

Sakka laat het er echter niet bij zitten en verleidt de koning zijn prachtige dochter Candavati te laten zien aan de asceet. De belofte aan de asceet zal zijn dat hij die wonderschone dochter kan krijgen als ie maar wat dieren slacht/offert.

Dan wordt de asceet , de Boeddha in een vorig leven, inderdaad smoorverliefd op Candavati bij het zien van haar. Hij stemt in om de dieren te offeren.
Op het moment dat hij zijn zwaard wil neerhalen om de nek van een olifant door te hakken slaken alle dieren een enorme kreet. De asceet lomasakassapa bezint zich op dat moment op zijn gruweldaad en ziet er van af.

This cruel act is of desire the fruit;
The growth of lust I'll cut down to the root.


Dus, zoals ik het begrijp wordt er geen dier gedood maar had de Boeddha in een vorig leven, uit verlangen naar Candavati wel even die intentie. Hij kwam op tijd tot inkeer. In plaats van hoofden van dieren af te snijden begreep hij dat het beter is groeiende lust bij de wortel af te snijden.

https://suttacentral.net/en/ja433

groet,




« Laatst bewerkt op: 14-08-2017 12:38 door Sybe »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #41 Gepost op: 14-08-2017 17:51 »
Beste,

Bedankt voor je reactie. Je verwisselt hier iets. Het verhaal zoals verteld door de eerwaarde Nagasena is niet gelijk aan Jataka 433. Het is er wel op gebaseerd.
En omdat het Jataka verhaal geen echte gebeurtenis uit een vroeger leven van de Boeddha is, maar bedoeld is als educatief verhaal, daarom is het eigenlijk helemaal niet belangrijk.

Nico

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #42 Gepost op: 14-08-2017 17:58 »
(10) Gelijkmoedigheid (upekkhā)
  
   De Bodhisatta beschouwt vrienden, neutrale personen en vijanden op gelijke wijze, zonder haat, zonder genegenheid en zonder gehechtheid. Hij is onpartijdig. Hij verwacht geen wederdienst.
   Gelijkmoedigheid verdrijft voorkeur en afkeer. Door gelijkmoedigheid oefent de Bodhisatta zich om onverstoorbaar te blijven onder alle omstandigheden, in voor- en tegenspoed, in prettige en onprettige omstandigheden.[300] Hij overweegt dat alle wezens de resultaten erven van hun eigen wilsakties.
 _____
[300] Gelijkmoedigheid is niet gelijk aan onverschilligheid.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #43 Gepost op: 14-08-2017 19:51 »
Beste,

Bedankt voor je reactie. Je verwisselt hier iets. Het verhaal zoals verteld door de eerwaarde Nagasena is niet gelijk aan Jataka 433. Het is er wel op gebaseerd.
En omdat het Jataka verhaal geen echte gebeurtenis uit een vroeger leven van de Boeddha is, maar bedoeld is als educatief verhaal, daarom is het eigenlijk helemaal niet belangrijk.

Nico

Ik kon geen andere Jataka's vinden die verwijzen naar de schone Candavati.

Ik ga er zelf vanuit dat Milindapanha 5.5.5 wel degelijk berust op of verwijst naar het verhaal zoals dat wordt verteld in Jataka 433. De hoofdpersonen zijn dezelfde.  Het thema is ook hetzelfde.

Kennelijk hebben Nagasena en koning Milinda niet begrepen dat de Boeddha, als Lomasa Kassapa, toen weliswaar op het punt stond als offer voor het verkrijgen van de mooie Candavati, dieren af te slachten, maar dat uiteindelijk NIET deed. Hij werd dus ook niet echt een madman zoals in Mil.5.5.5. wordt beweerd.  Hij kwam juist op tijd bij zinnen. Het is gewoon verkeerd overgeleverd.

Dit lijkt me veel logischer dan te geloven dat de Boeddha in vorige levens, uit liefde en lust voor een vrouw, als een krankzinnige, talloze dieren de kop afhakte en het bloed rijkelijk liet stromen. Als ik me niet vergis, geef jij zelf ook aan dat je dat een onwaarschijnlijk verhaal vindt.
groet,


Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #44 Gepost op: 14-08-2017 22:50 »
Sybe,

Ik heb een fout gemaakt. Het verhaal uit Milindapanha van de eerwaarde Nagasena had ik niet moeten opnemen bij "Vastberadenheid". Het hoort daar niet thuis.

Nico

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #45 Gepost op: 15-08-2017 00:24 »
Paramis: Tot besluit

   Juist zoals de pāramīs dertigvoudig worden door analyse, zo worden zij zesvoudig door hun specifieke aard: vrijgevigheid, deugdzaamheid, verdraagzaamheid, energie, meditatie (en ontzegging) en wijsheid. De volmaaktheid van waarheidlievendheid is gedeeltelijk inbegrepen in de volmaaktheden van deugdzaamheid en wijsheid. De volmaaktheid van liefdevolle vriendelijkheid is inbegrepen in de volmaaktheid van meditatie (en ontzegging). De volmaaktheid van gelijkmoedigheid is inbegrepen in de volmaaktheden van meditatie en wijsheid. En de volmaaktheid van vastberadenheid is inbegrepen in alle pāramīs.
 
   In de Theravāda traditie worden de pāramīs niet beschouwd als een discipline die alleen maar voor Bodhisattas bedoeld is. Ze zijn bedoeld voor allen die streven naar volmaakte bevrijding, voor Mahā Bodhisattas, Pacceka Boeddhas en discipelen. Het onderscheid tussen de Mahā Bodhisatta enerzijds en Pacceka Boeddhas en discipelen anderzijds is het niveau waarop de pāramīs ontwikkeld worden. Ook de tijdsduur van oefening is hierbij van belang. De eigenschappen zelf zijn universele benodigdheden voor de bevrijding. Ze moeten allemaal tot een minimale graad vervuld worden om de vruchten te krijgen van bevrijding van lijden.
 
   In het Lakkhana Sutta zien we dat de Bodhisatta geen buitensporige heldendaden verrichtte. Zijn daden waren als die van anderen, alleen steeds gericht op het welzijn en voordeel van anderen, steeds ook een beetje of veel groter of meer dan bij anderen. De Bodhisatta viel niet op juist omdat zijn gedrag niet buitensporig was. Hij zal een vooraanstaande positie hebben ingenomen. Maar dat is niet hetzelfde als het geven van zijn ledematen of van zijn leven.
   De werkelijke betekenis van het opofferen van zijn leven of het geven van bepaalde ledematen is dat men zijn talenten en mogelijkheden gebruikt omwille van anderen, om anderen van dienst te zijn.

Fig. 6
Bodhisatta, Museum te Nalanda




Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1581
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #46 Gepost op: 15-08-2017 11:06 »
Hallo Nico,

Een werk dat oa het perfectioneren van de kwaliteiten van de Bodhisattva beschrijft is de Cariyapitaka zoals je weet. De boodschap die ik daarin lees is dat wanneer je voor bevrijding gaat, dan moet je daar ook echt naar leven.

Wat betekent 'er echt naar leven?' De principes op de eerste plaats zetten. Je moet geen mens van de wereld worden die gemakkelijk principes overboord zet als dat het (vaak korte-termijn) belang van land, bedrijf, gezin, buurt etc, dient.

Het kan best praktisch zijn om te liegen of mensen te manipuleren, om te stelen etc. En hebzucht kan best goed lijken en boosheid kan best een gepaste reactie lijken. Of geweld gebruiken tegen vijanden, wie staat daar in de wereld nou niet achter?

Dat is best allemaal te verdedigen maar als bevrijding je lief is, zo lees ik de Cariyapitaka verhalen bijvoorbeeld over de perfectie van moraliteit, dan kies je bewust niet voor deze wereldlijke moraal. Je laat die wereldlijke moraal varen. 

Je kiest er welbewust voor om echt te leven naar je principes. Die moeten vormgeven aan je leven. Dat komt met een prijs natuurlijk en die prijs moet je ook bereid zijn te betalen. De vaak immorele of weerbarstige praktijk van alledag moet niet je principes wegslijten.

Als bevrijding ons lief is, schijnt dit de weg te zijn.

groet,
« Laatst bewerkt op: 15-08-2017 15:08 door Sybe »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #47 Gepost op: 15-08-2017 15:53 »
Overzicht van met naam bekende Boeddhas
 
      100.000 aeonen vóór de huidige aeon[304] was er een sāramanda-kappa. Daarin ontstonden de Boeddhas Tanhankara, Medhankara, Saranankara en Dīpankara.
     Daarna volgde een suñña-kappa waarin geen Boeddha ontstond.
     Hierna was er een sāra-kappa waarin de Boeddha Kondañña ontstond.
     De Boeddhas Mangala, Sumana, Revata en Sobhita ontstonden daarna in een sāramanda-kappa.
     Daarna volgde een suñña-kappa, een Boeddhaloze aeon.
     Na het suñña-kappa volgde een vara-kappa waarin de Boeddhas Anomadassin, Paduma en Nārada ontstonden.
     Hierna was er weer een suñña-kappa waarin geen Boeddha ontstond.
     Daarna was er een sāra-kappa waarin de Boeddha Padumuttara ontstond.
     30.000 aeonen vóór de huidige aeon was er een manda-kappa waarin de Boeddhas Sumedha en Sujāta ontstonden.
     18.000 aeonen vóór de huidige aeon was er een vara-kappa. Hierin ontstonden de Boeddhas Piyadassin, Atthadassin en Dhammadassin.
     94 aeonen vóór de huidige aeon was er een sāra-kappa, waarin de Boeddha Siddhattha ontstond.
     92 aeonen vóór de huidige aeon was er een manda-kappa. Daarin ontstonden de Boeddhas Tissa en Phussa.
     91 aeonen vóór de huidige aeon was er een sāra-kappa waarin de Boeddha Vipassin ontstond.
     31 aeonen vóór de huidige aeon was er een manda-kappa. Daarin ontstonden de Boeddhas Sikhin en Vessabhū.
     De huidige aeon is een bhadda-kappa. Hierin ontstonden al de Boeddhas Kakusandha, Konāgamana, Kassapa en Gotama. En de Boeddha Metteyya zal nog volgen.
 _____
[304] Aeonen kunnen wetenschappelijk niet gemeten worden, maar zij kunnen in de volgende categorieën ingedeeld worden: 1) sāra-kappa waarin één Boeddha ontstaat; 2) manda-kappa waarin twee Boeddhas ontstaan; 3) vara-kappa waarin drie Boeddhas ontstaan; 4) sāramanda-kappa waarin vier Boeddhas ontstaan; 5) bhadda-kappa waarin vijf Boeddhas ontstaan. 6) En er is de lege aeon (suñña-kappa) waarin geen Boeddha ontstaat.

Fig. 7
Bodhisatta Metteyya, tempel van het leger,
Panagoda, Homagama, Sri Lanka
(met dank aan de eerwaarde Seewali)



Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #48 Gepost op: 16-08-2017 00:35 »
6. Toekomstige Boeddhas
 
    Er zijn ontelbare edele personen in de wereld geweest die de volmaaktheden hebben vervuld en die Boeddhaschap hebben bereikt. Ook in de toekomst zullen er ontelbare Boeddhas zijn. Het is niet mogelijk om het aantal Boeddhas in de toekomst op te tellen. De namen van meer dan 20 Boeddhas die leefden vóór de tegenwoordige Boeddha Gotama zijn bekend (zie Overzicht van met naam bekende Boeddhas). Maar alleen van de Boeddha Dīpankara wordt beweerd dat hij een voorspelling deed, namelijk tot de asceet Sumedha, dat deze de toekomstige Boeddha Gotama zal zijn. In de Pāli Canon staat dat de andere Boeddhas deze voorspelling bevestigden. Zij hebben ook de voorspellingen moeten bevestigen die gedaan waren tot de andere toekomstige Boeddhas. Maar dit is niet vermeld in de Pāli Canon.
   Wat betreft toekomstige Boeddhas zijn er gegevens in het Dasabodhisattuppattikathā. Dit is een klein boek met de geboorteverhalen van de tien Bodhisattas die de toekomstige Boeddhas zullen worden. Het boek is ongetwijfeld samengesteld in een tijd toen Boeddhistische gelovigen ernaar verlangden om personen te vereren zoals Bodhisattas. Er zijn veel toevoegingen van niet-boeddhistische praktijken zoals elementen van zelfvernietiging en bloedige offers. De samenstelling ervan zal hebben plaatsgehad in Zuid-India in het laatste deel van de 14e eeuw.

Fig. 8
afbeelding van de 10 toekomstige Boeddhas, geschilderd op het plafond van de hoofdtempel van de Siam Nikaya, Kandy, Sri Lanka.
(met dank aan mevrouw Khanti Salgado).



« Laatst bewerkt op: 16-08-2017 18:29 door nico70 »

Offline nico70

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 303
    • Bekijk profiel
Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Reactie #49 Gepost op: 16-08-2017 19:01 »
1. De toekomstige Boeddha Metteyya
   
   Er zijn verschillende verhalen betreffende de toekomstige Boeddha Metteyya. Zij moeten echter met grote voorzichtigheid behandeld worden. Want de meeste ervan ontstonden buiten de leer van de Boeddha zoals die is vastgelegd in de Pāli Canon.
   Na het verdwijnen van de leer van de Boeddha Gotama zal er een andere Boeddha verschijnen met naam Metteyya. Er is geen definitief aantal jaren aangegeven voor de periode tussen de Boeddha Gotama en de Boeddha Metteyya.
   Volgens het Anāgatavamsa zal de Boeddha Metteyya tien miljoen jaren later dan de Boeddha Gotama ontstaan. Het Anāgatavamsa is een gedicht van 142 verzen, een verhaal van de tien toekomstige Boeddhas. Het wordt toegeschreven aan een zekere monnik Kassapa. Het dateert uit het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw.
   Rudolf Steiner, een theosofist, schreef dat de Bodhisatta die de toekomstige Boeddha Metteyya zal zijn, herboren was als Jeshu ben Pandira, honderd jaar vóór de geboorte van Jezus Christus. Precies 5000 jaren na de Verlichting van de Boeddha Gotama zou hij wedergeboren worden als de Boeddha Metteyya.
   Volgens Ikeda zal de Bodhisattva Maitreya 5.670.000.000 jaren na het heenaan van de Boeddha Gotama in de wereld verschijnen. Ikeda vermeldde geen bron voor dit aantal.
 
   In de Pāli Canon is nergens vermeld dat de Boeddha Gotama aan iemand voorspelde dat hij de volgende Boeddha zou worden of een toekomstige Boeddha. Er is alleen vermeld in het Cakkavatti-Sīhanāda sutta dat ooit de Boeddha Metteyya zal ontstaan. Er staat dat in de verre toekomst het continent van Jambudīpa [= India] machtig en welvarend zal zijn. In die tijd zal Varānasi een koninklijke residentie zijn geheten Ketumatī. Er zal een koning met naam Sankha ontstaan, een wereldbeheersend monarch. En in die tijd zal in de wereld een volledig ontwaakte Boeddha ontstaan, geheten Metteyya. Hij zal begiftigd zijn met wijsheid en goed gedrag, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en van mensen, gezegend en verlicht. Hij zal de Dhamma onderwijzen naar de geest en naar de letter, en het heilige leven in zijn volheid en zuiverheid verkondigen. Hij zal een gevolg hebben van duizenden monniken. (D.26)
 
   Om een Mahā Bodhisatta te worden moeten de tien volmaaktheden tenminste gedurende 100.000 aeonen ontwikkeld worden. Er is vermeld dat de Boeddha Metteyya in deze gelukkige aeon (bhaddha kappa) herboren zal worden. Dat betekent dat de voorspelling aan de Bodhisatta Metteyya meer dan 100.000 aeonen eerder moet zijn geweest. Volgens de overlevering had hij de aspiratie om een Boeddha te worden 16 ontelbare perioden (16 asankheyyas) en 100.000 aeonen eerder dan nu. Een aeon bestaat traditioneel uit vier ontelbare perioden; dus als wij alles letterlijk nemen kreeg hij zijn eerste voorspelling 100.004 aeonen voor de Boeddha Gotama en hij moet ze dan vóór de tijd van de Boeddha Dīpankara gekregen hebben.

   Het Rasavāhinī is een collectie van educatieve verhalen van Sri Lanka. De auteur ervan is Vedeha en het werk dateert uit de 13e of 14e eeuw. Erin wordt vermeld dat de Bodhisatta Metteyya voor het eerst de voorspelling dat hij ooit Boeddhaschap zou bereiken, ontving aan de voeten van de Boeddha Muhutta. Vanaf die tijd had hij de volmaaktheden 1.600.000 aeonen vervuld. In die tijd had hij veel Boeddhas vereerd en van hen eveneens voorspellingen gekregen.
 
   In het Anāgatavamsa wordt beweerd dat er in deze gelukkige wereldcyclus, in de toekomst, een Ontwaakte zal zijn met naam Metteyya. Op die tijd zal er een koning zijn geheten Sankha, een universeel monarch van Kusavātī. Zijn koninklijke residentie zal Ketumatī heten. De vrouwen zullen er trouwen op 500-jarige leeftijd. Een zekere Ajita zal er geboren worden, Metteyya, met grote macht, weergaloos. Hij zal in een brahmaans gezin geboren worden, met grote rijkdom en bezittingen. Metteyyas moeder zal Brahmavatī heten en zijn vader zal de naam Subrahma hebben en de hoofdpriester van koning Sankha zijn. Vier paleizen zal Ajita hebben. Candamukhī zal zijn vrouw zijn en Brahmavaddhana zijn zoon. Hij zal 8000 jaren een gezinsleven leiden. Op zekere tijd zal hij naar een park gaan om zich daar te vermaken. Hij zal er het gevaar zien in zinnelijk genot en omdat hij wijs is in overeenstemming met de natuur van Bodhisattas, zal hij de vier tekenen zien: een oude man, een zieke man, een dode man, en een gelukkige rondtrekkende asceet. Uit sympathie voor alle levende wezens zal hij het gezinsleven opgeven om op zoek te gaan naar de onovertroffen staat van vrede. Zeven dagen lang zal hij ascese beoefenen en zal het huiselijke leven opgeven, terwijl hij in de lucht springt met zijn paleis. Op de dag dat de Wijze de wereld verzaakt, zal hij het baldakijn van de boom van Verlichting naderen. Op de plaats van de onoverwonnen leiders van mensen, op die verheven zetel van ontwaking, zal hij tot zelf-ontwaking komen. Hij zal naar de tuin Nāgavana gaan en daar zal hij het onvergelijkbare Wiel der Leer in beweging brengen, De Nāga boom zal voor die Gezegende de boom van Verlichting zijn. De levensspanne van de Boeddha zal 80.000 jaren zijn. Temidden van de eerwaarde orde van discipelen die gedaan hebben wat gedaan moet worden, zal dan de veroveraar uitdoven zoals een vuur. Zijn leer zal 180.000 jaren blijven bestaan. Hierna zal de ware leer uit de wereld verdwijnen.
 
   Zoals boven vermeld is het Anāgatavamsa een post-canoniek werk dat gedateerd kan worden in het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw. Volgens mij is het een verzonnen verhaal; het lijkt op een mengeling van sommige Boeddhistische details en een sprookje: wensvervullende bomen (verzen 22-26), rijst die vanzelf ontstaat (vers 27), in de lucht springen met het paleis (vers 54).

   In het Dasabodhisattuppattikathā wordt gezegd dat de ouderling Ajita de Boeddha Metteyya zal zijn in deze gelukkige aeon. En in een oude Birmese lijst van Boeddhas staat geschreven dat “De toekomstige Boeddha Mitryā, na als monnik gewijd te zijn met naam Acita, in de tegenwoordigheid van Kotama Boeddha de voorspelling ontving.” De Chinese pelgrim Fa-hsien heeft vermeld dat de voorspelling werd gedaan in het hertenpark te Isipatana, nabij de Dhamekh Stoepa. In zijn ‘Reizen van Fa-hsien’ is geschreven: “Waar 60 stappen naar het noorden de Boeddha neerzat met het gelaat naar het oosten gewend en waar hij de leer verkondigde en bevrijding gaf aan Kaundinya en anderen, vijf in totaal; waar, nog 20 stappen verder noordwaarts de Boeddha de voorspelling deed aangaande Maitreya, de aanstaande Boeddha.”
   Maar dit is niet vermeld in de Pāli Canon. Bij de vijf asceten die samen waren met de Boeddha Gotama, vinden wij de asceet met naam Assaji. En deze Assaji bereikte heiligheid, arahantschap. Hij kan dus niet meer wedergeboren zijn, noch in de Tusita hemel noch als een aanstaande Boeddha.
   Een eerwaarde Ajita is vermeld in Sutta Nipata verzen 1032-1039. Maar er zijn geen verdere details over zijn toekomst vermeld. En Malalasekera vermeldt verscheidene andere personen met de naam Ajita. De een was een monnik op het tweede concilie; hij kan niet de Bodhisatta zijn. Een ander was een paribbājaka die een bezoek bracht aan de Boeddha; er zijn geen verdere details over zijn toekomst bekend. Een derde was de generaal van de Licchavis en een volgeling van de Boeddha. Na zijn dood werd hij wedergeboren in de Tāvatimsa hemel. En nog een ander was een Ouderling (Thera) die een arahant werd. Hij kan niet meer wedergeboren zijn.
 
   Indien de Boeddha Gotama aan een zekere Ajita voorspelde dat deze de aanstaande Boeddha Metteyya zou worden, dan moet deze voorspelling de bevestiging zijn geweest van een voorspelling die door een andere Boeddha gedaan is, vele aeonen geleden.
   Volgens het commentaar op het Anāgatavamsa was Ajita de zoon van koning Ajātasattu en koningin Kāñcanadevī. Toen de prins de leeftijd van 16 jaren bereikte, vroeg de koning hem om de erfenis van de Boeddha aan te nemen. De prins stemde toe en de koning bracht hem naar het Veluvana klooster. Prins Ajita werd er gewijd als een novice; later kreeg hij de wijding tot bhikkhu. Toen de Boeddha van Rājagaha naar Kapilavatthu ging om er in het Nigrodhārāma klooster te vertoeven, nam hij Ajita mee. Daar schonk Maha Pajāpatī Gotamī twee speciale gewaden aan de Boeddha (zie M.142). De Boeddha weigerde drie keer de gewaden aan te nemen. Toen zei hij dat het beter was als één gewaad ervan aan de Sangha aangeboden werd. De eerwaarde Ajita nam het gewaad aan. Er waren toen praatjes over het feit hoe een onbekende bhikkhu het gewaad kon aannemen wanneer geen van de leidende discipelen dit had aangenomen. Om een einde aan de twijfel te maken zou de Boeddha toen gezegd hebben: “Deze bhikkhu is een Bodhisatta die de aanstaande Boeddha Metteyya zal worden.”
 
   Bovenstaand verhaal kan niet waar zijn. Mahā Pajāpatī Gotamī gaf het gewaad aan de Boeddha op het einde van het 5e regenseizoen. Op die tijd was Ajātasattu geen koning maar een prins. Ajātasattu liet zijn vader ter dood brengen in het 37e jaar na de Verlichting van de Boeddha Gotama. En pas na die gebeurtenis werd de prins een koning; toen ook werd hij pas een volgeling van de Boeddha. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij vóór deze gebeurtenis zijn zoon gevraagd zal hebben om een bhikkhu te worden. Verder heette zijn zoon Udaya, niet Ajita. En Vajirā, Pasenadi’s dochter, was zijn echtgenote.

   In een tekst uit het Srī Saddharmāvavāda-Sangrahaya, een Sinhalees werk, geciteerd door de eerwaarde H. Saddhatissa, is geschreven dat de Bodhisatta Metteyya in dit Boeddha-tijdperk ontvangen was in de schoot van de vrouw van het rijke gezinshoofd Sirivaddhana, in de stad Sankassa (nabij Sāvatthi). Hij kreeg de naam Ajita en groeide op te midden van grote rijkdom. Hij studeerde alle kunsten en wetenschappen van die tijd; en na de dood van zijn ouders kreeg hij de grote erfenis die door hen was nagelaten. Hij hoorde de vragen en antwoorden tussen de Boeddha Gotama en de eerwaarde Sariputta betreffende de deugden die naar Boeddhaschap voeren. En daarna gaf hij zijn gezinsleven op en werd een bhikkhu. Hij leerde de hele Boeddhistische Canon van buiten en onderwees die aan vele honderden van monniken. Mahā Pajāpatī Gotamī bood hem twee stukken stof aan. Hij schonk die aan de Boeddha Gotama die toen voorspelde: “Deze monnik zal in de toekomst, in deze gelukkige aeon, een Boeddha worden, met naam Metteyya.” Dit verhaal wijst volgens Saddhatissa erop dat de voorspelling aangaande Metteyya gedaan was in het Nigrodha klooster te Kapilavatthu.
   De Chinese reiziger Hiueng Tsiang (629 na Chr.) verwijst naar de Gridhakūta heuvel te Rājagaha, op welke heuvel naar men beweerd dezelfde bevestiging was ontvangen bij een andere gelegenheid.
   
   Welk verhaal is waar? Is het waar dat de toekomstige Boeddha Metteyya ten tijde van de Boeddha Gotama een bhikkhu was met naam Ajita? En zo ja, in welke plaats werd de voorspelling gedaan: in Isipatana, Rājagaha of Kapilavatthu? Volgens de eerwaarde H. Saddhatissa lijkt het erop dat de voorspelling door de Boeddha Gotama bij meer dan één gelegenheid gedaan was. Maar het verhaal over Ajita die de voorspelling kreeg nabij de Dhamekh stoepa te Isipatana, kan niet waar zijn. De overige verhalen schijnen verzonnen en toegevoegd te zijn na vaststelling van de Pāli Canon en vermengd met enige details van de Dhamma. Zeker is alleen dat de toekomstige Boeddha de naam Metteyya zal hebben.
 
   Nog een verzonnen verhaal vinden wij in het Dasabodhisattuppattikathā. Het is geschreven in een taal zoals die gebruikt wordt in sprookjes en magische verhalen, niet eigen aan de werkelijke leer van de Boeddha. In het kort volgt het verhaal hier.
   De ouderling Ajita zal in deze gelukkige aeon de Boeddha met naam Metteyya zijn. Zijn levensspanne zal 82.000 jaren zijn. In het verleden was de Bodhisatta Metteyya geboren in het land van de Kuru, in de stad Indapatta. Hij was er de keizer met naam Sankha. Aan de vier toegangspoorten van zijn stad ontsproten wensvervullende bomen. Toen verscheen de Boeddha Sirimata in de wereld. Hij ging van dorp tot dorp en kwam in het grensgebied van het koninkrijk van keizer Sankha. De keizer vernam dat de Boeddha Sirimata, die toen in het klooster Pubbārāma verbleef met een groot gevolg van monniken, was aangekomen. Keizer Sankha gaf zijn koninkrijk en verwanten op. Hij ging te voet naar het klooster Pubbārāma. Op de eerste dag van zijn voettocht spleten de zolen van zijn voeten open. Op de tweede dag begonnen zij te bloeden. Op de derde dag was hij niet in staat om verder te gaan. Toen ging hij op zijn knieën verder waarbij hij zijn handpalmen als steun gebruikte. Op de vierde dag bloedden ook zijn knieën en handpalmen. Dus begon hij op zijn borst te krieuwelen. Toen overzag de Boeddha Sirimata de wereld en zag de machtige inspanning van de keizer. En hij dacht: “Deze Sankha is met zekerheid een Bodhisatta”. In de gedaante van een jongeman en in een wagen ging de Boeddha Sirimata naar keizer Sankha toe en vroeg hem in de wagen te stappen. De keizer stemde toe en zij gingen naar het klooster Pubbārāma. Onderweg kreeg de keizer eten en drinken. In het klooster nam de Boeddha zijn normale gestalte weer aan en ging op de Boeddha-zetel zitten. De keizer kwam het klooster binnen, vereerde de Leraar en ging terzijde neerzitten. En hij vroeg: “Geeft mij a.u.b. een toespraak die mij vrede brengt.” Toen hield de Boeddha Sirimata een toespraak over nibbāna. De keizer vroeg aan de Boeddha niet verder te preken, omdat hij geen passend geschenk dacht te hebben. Keizer Sankha sprak tot de Verheven Sirimata: “Eerwaarde heer, u preekt de leer die nibbāna als hoogste heeft. Ook ik zou graag eer betonen aan uw leer met mijn hoofd. Door dit geven van het hoofd zal ik nibbāna bereiken.” En hij sneed zijn hoofd af met zijn nagels. Het aanbieden van het hoofd en het offer van zijn leven werd de hoogste volmaaktheid genoemd. Na zijn heengaan werd hij wedergeboren in de Tusita hemel als de godheid Sankha. Aldus, door het aanbieden van zijn hoofd, zal hij de Verheven Metteyya worden.
   Ook dit verhaal is een verzinsel. Wij vinden bijvoorbeeld: wensvervullende bomen, het afsnijden van het hoofd met de nagels – die nagels moeten erg lang en scherp en sterk zijn geweest! Het geven van zijn leven op deze manier is zinloos. Op die manier wordt de Boeddha niet geëerd. En bovendien begon de Boeddha in normale gevallen een toespraak over geven (edelmoedigheid), over deugdzaamheid en over een betere wereld (de hemelen). Daarna pas legde hij de Vier Edele Waarheden uit (inclusief nibbāna). Volgens de eerwaarde H. Saddhatissa kan het Dasabodhisattuppattikathā het resultaat zijn van de invloeden van bepaalde Hindoe- en Mahāyāna-praktijken. Veel niet-boeddhistische praktijken zijn in het boek toegevoegd, zoals elementen van zelfvernietiging en bloedige offers. Hij schreef dat het boek mogelijk is samengesteld in een omgeving waar niet-boeddhistische religies het denken van onwetende Boeddhisten hadden beïnvloed.
 
    De Boeddha Metteyya zal de laatste Boeddha zijn die in deze wereldcyclus zal ontstaan. Volgens de eerwaarde U Chit Tin is het mogelijk in de tijd van de Boeddha Metteyya wedergeboren te worden door het resultaat van de volgende goede daden: als men met de leer van de Boeddha Gotama in aanraking komt; als men gaven geeft, deugdzaam leeft, en als men ontwikkeling van de geest (bhāvanā) cultiveert. Door deze daden kan men ervan verzekerd zijn wedergeboren te worden in de hogere sferen van bestaan.
   In het Anāgatavamsa is geschreven dat men juist, vastberaden en energiek moet handelen teneinde de Boeddha Metteyya hier te ontmoeten. Alwie hier goede dingen doet en waakzaam blijft, alwie de grote Boeddha hoogacht en eer betoont, die persoon zou samen met de godheden op die tijd de gunstige bijeenkomst zien. Men zou het heilige leven moeten beoefenen, passende geschenken moeten geven, de vastendag houden, zorgvuldig welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid moeten beoefenen en steeds verdienstelijke daden moeten verrichten. Als men zo bekwaam gehandeld heeft, zal men een einde maken aan het lijden.
   Volgens het Dasabodhisattuppattikathā zal de leer van de Verheven Metteyya een lange periode duren. En na verloop van een lange tijd zal deze aarde verbrand worden door het vuur dat de vernietiging van een aeon teweeg brengt. Na het afsluiten van deze gelukkige aeon zal er een asankheyya (ontelbare periode) zijn die leeg is van Boeddhas. Er zal dan geen Boeddha, Dhamma of Sangha zijn voor goden en mensen.[335]

   Andere Boeddhas zullen de Boeddha Metteyya opvolgen. Behalve de tegenwoordige Bodhisatta zijn de namen van negen opeenvolgende Bodhisattas gegeven in het Dasabodhisattuppattikathā, het Verslag van het ontstaan van tien Bodhisattas. Alleen Metteyya zal in deze gelukkige aeon ontstaan. De verhalen en de namen van de andere Bodhisattas zijn fictief. Maar er moeten natuurlijk nog andere Bodhisattas zijn die een voorspelling kregen van een levende Boeddha.
 
   De verhalen over de negen andere toekomstige Boeddhas volgen hier in het kort.
_____

[335]  Volgens de Theravāda traditie zal er een suñña-kappa (= 4 keer een asankheyya) zijn na deze gelukkige aeon.
« Laatst bewerkt op: 17-08-2017 12:11 door nico70 »