Auteur Topic: De vier edele waarheden en het middenpad  (gelezen 12166 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #50 Gepost op: 19-12-2017 01:57 »
10.11. Oorzakelijk ontstaan en afkeer
   
   Te Savatthi, in het Jetavana. 
   Een niet onderwezen gewoon mens (d.w.z. iemand die de stroom nog niet heeft betreden) kan t.o.v. het lichaam dat uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht gevormd is, een afkeer koesteren. Hij kan er onverschillig tegen worden, kan zich ervan losmaken.
   En waarom? – Omdat men aan dit lichaam dat uit de vier grove elementen gevormd is, toename en afname ziet, groter en kleiner worden. Daarom kan men er een afkeer van krijgen.
   Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daartegen is een niet onderwezen gewoon mens niet in staat afkeer te koesteren, onverschillig ertegen te worden, is niet in staat zich ervan los te maken.
   En waarom? – Omdat de niet onderwezen gewone mens lange tijd ernaar heeft gestreefd, gewenst, verlangd: 'Dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.'    
   Men kan beter het lichaam als zelf aannemen, maar niet het denken.
    En waarom? – Men ziet dat het lichaam een jaar, twee jaren, 3 – 4 – 5 -10 – 20 – 50 –  80 - 100 jaren of nog langer  bestaat. Maar wat denken genoemd wordt en geest en bewustzijn, daar ontstaat 's nachts en overdag het ene en iets anders wordt opgeheven.[*1]
    Zoals een aap een tak grijpt en weer loslaat en een andere tak grijpt. Evenzo is het met denken, geest en bewustzijn. Het ene ontstaat en het andere wordt opgeheven.
   [*1] Blijkbaar wordt bedoeld dat het citta constant in beweging is en steeds verandert, dat gedachten ontstaan en weer vergaan, door oorzaken. 

   Maar een onderwezen vrome volgeling overweegt de wet van oorzakelijk ontstaan goed en grondig. Als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dit niet is, volgt dat niet.
   Uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere. D.w.z. uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de formaties. In afhankelijkheid van wilsformaties ontstaat bewustzijn. In afhankelijkheid van bewustzijn ontstaat geest-lichamelijkheid. In afhankelijkheid van geest-lichamelijkheid ontstaan de zes zintuigen. In afhankelijkheid van de zes zintuigen ontstaat aanraking, contact. In afhankelijkheid van aanraking ontstaat gewaarwording, gevoel. In afhankelijkheid van gewaarwording ontstaat dorst, begeerte. In afhankelijkheid van dorst ontstaat inbezitname, hechten. In afhankelijkheid van inbezitname ontstaat worden. In afhankelijkheid van worden ontstaat geboorte. In afhankelijkheid van geboorte ontstaan ouderdom, sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop.
    Op zo'n manier komt de oorsprong van de hele massa van lijden tot stand.
 
   Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van onwetendheid volgt opheffing van de formaties. Uit de opheffing van de formaties volgt opheffing van het bewustzijn. Door het ophouden van bewustzijn houdt geest-lichamelijkheid op. Door het ophouden van geest-lichamelijkheid houden de zes zintuigen op (verdwijnt de zesvoudige basis). Door het ophouden van de zes zintuigen (de zesvoudige basis) houdt aanraking, contact op. Door het ophouden van aanraking, contact houdt gewaarwording, gevoel op. Door het ophouden van gewaarwording, gevoel houdt levensdorst, begeerte op. Door het ophouden van levensdorst, begeerte houdt inbezitname, hechten op. Door het ophouden van inbezitname, hechten houdt worden op. Door het ophouden van worden houdt geboorte op. Door het ophouden van geboorte houden ouderdom en sterven, leed, gejammer, geweeklaag, lijden. pijn, ellende, zorg en wanhoop op.
   Op zo'n manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand.

   Wanneer een onderwezen vrome volgeling zo ziet, dan vat hij afkeer tegen de vorm, vat afkeer tegen het gevoel, vat afkeer tegen de waarneming, vat afkeer tegen de formaties, vat afkeer tegen het bewustzijn.
   En wanneer hij afkeer vat, wordt hij kalm, koel, en ten gevolge van de kalmte maakt hij zich los.
   Wanneer hij zich heeft losgemaakt, ontstaat in hem het inzicht: 'ik heb me losgemaakt.' Hij ziet in dat geboorte vernietigd is, dat het heilige leven geleefd is. Voltooid is wat te doen was; niets meer heeft hij verder te maken met werelds bestaan. (S.XII.61)

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #51 Gepost op: 19-12-2017 15:46 »
10.12. De uiteenzetting van de elementen - Dhātuvibhanga sutta

De samenvatting

   “Deze mens[*1] bestaat uit zes elementen, zes grondslagen voor contact, en achttien soorten van geestelijk naderen, en hij heeft vier grondslagen. Iemand die op deze grondslagen staat, wordt niet meer door de stromen van de voorstelling overstroomd, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd. Men moet wijsheid niet verwaarlozen, men moet de waarheid oprecht houden, men moet verzaking onderhouden, en men moet voor de vrede oefenen. Dit is de samenvatting van de uiteenzetting van de zes elementen.

De zes elementen

   'Deze mens bestaat uit zes elementen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking? - Er is het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit zes elementen bestaat.

De zes grondslagen voor contact

   ‘Deze mens bestaat uit zes grondslagen voor contact,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking? - Er is de grondslag van het zien-contact, er is de grondslag van het hoor-contact, er is de grondslag van het ruik-contact, er is de grondslag van het smaak-contact, er is de grondslag van het aanrakings-contact en er is de grondslag van het geest-contact. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit zes grondslagen voor contact bestaat.

Achttien soorten van geestelijk naderen

   ‘Deze mens bestaat uit achttien soorten van geestelijk naderen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?
   Wanneer men met het oog een vorm ziet, nadert men een vorm waarbij men vreugde opwekt; men nadert een vorm waarbij men droefenis opwekt; men nadert een vorm waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Wanneer men met het oor een geluid hoort, nadert men een geluid waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geluid waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geluid waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Wanneer men met de neus een geur ruikt, nadert men een geur waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geur waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geur waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Wanneer men met de tong een smaak proeft, nadert men een smaak waarbij men vreugde opwekt; men nadert een smaak waarbij men droefenis opwekt; men nadert een smaak waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Wanneer men met het lichaam een aanrakingsobject voelt, nadert men een aanrakingsobject waarbij men vreugde opwekt; men nadert een aanrakingsobject waarbij men droefenis opwekt; men nadert een aanrakingsobject waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Wanneer men met de geest een geestobject waarneemt, nadert men een geestobject waarbij men vreugde opwekt; men nadert een geestobject waarbij men droefenis opwekt; men nadert een geestobject waarbij men gelijkmoedigheid opwekt.
   Zo zijn er zes soorten van naderen met vreugde, zes soorten van naderen met droefenis, en zes soorten van naderen met gelijkmoedigheid. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens uit achttien soorten van geestelijk naderen bestaat.

Vier grondslagen

   ‘Deze mens heeft vier grondslagen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?
   Er is de grondslag van de wijsheid, de grondslag van de waarheid, de grondslag van de verzaking en de grondslag van de vrede. Met betrekking hierop werd gezegd dat deze mens vier grondslagen heeft.

   ‘Men moet wijsheid niet verwaarlozen, men moet de waarheid oprecht houden, men moet verzaking onderhouden, en men moet voor de vrede oefenen,’ zo werd gezegd. Waarop heeft dit betrekking?
   Bhikkhu, hoe verwaarloost men wijsheid niet? Er zijn deze zes elementen: het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

   Bhikkhu, wat is het aarde-element? Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.

   Wat is het water-element? Het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.

   Wat is het vuur-element? Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuur-element zo beschouwt, wordt men tegenover het vuur-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuur-element.

   Bhikkhu, wat is het wind-element? Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het wind-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan wordt men tegenover het wind-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het wind-element.

   Wat is het ruimte-element? Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het ruimte-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het ruimte-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het ruimte-element.

   Dan blijft alleen nog het bewustzijn over, gezuiverd en stralend.[*2] Wat neemt men waar met dat bewustzijn? Men neemt waar: ‘dit is aangenaam,’ men neemt waar: ‘dit is pijnlijk,’ men neemt waar: ‘dit is noch pijnlijk noch aangenaam.’ In afhankelijkheid van een contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat aangenaam gevoel. Wanneer men een aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’
   In afhankelijkheid van een contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, ontstaat pijnlijk gevoel. Wanneer men een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een pijnlijk gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Dat pijnlijke gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’
   In afhankelijkheid van een contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat noch pijnlijk noch aangenaam gevoel. Wanneer men een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het noch pijnlijke noch aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, dat ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en is beëindigd.’
   Zoals door het contact en de wrijving van twee wrijfhouten hitte geproduceerd wordt en vuur gemaakt wordt, en bij het scheiden en uit elkaar nemen van die twee wrijfhouten de ermee overeenkomende hitte minder wordt en eindigt, juist zo ontstaat ook in afhankelijkheid van een contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, een aangenaam gevoel. Wanneer men een aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een aangenaam gevoel. Bij het beëindigen van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als aangenaam gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.’ In afhankelijkheid van een contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden,ontstaat pijnlijk gevoel. Wanneer men een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een pijnlijk gevoel.’ Bij het beëindigen van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het pijnlijke gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als pijnlijk gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd. In afhankelijkheid van een contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, ontstaat noch pijnlijk noch aangenaam gevoel. Wanneer men een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt men: ‘Ik voel een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel.’ Bij het beëindigen nu van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, begrijpt men: ‘Het noch pijnlijke noch aangename gevoel dat ontstaan was in afhankelijkheid van dat contact dat als noch pijnlijk noch aangenaam gevoeld moet worden, het ermee overeenkomende gevoel - het is minder geworden en het is beëindigd.

   Dan blijft alleen nog gelijkmoedigheid over, gezuiverd en stralend, soepel, smeedbaar en helder stralend.[*3] Bhikkhu, stel dat een handige goudsmid of zijn hulp een smeltoven voorbereidt, de smeltkroes verhit, iets goud met tangen pakt, en het in de smeltkroes doet. Van tijd tot tijd blaast hij erop, van tijd tot tijd sprenkelt hij water erover, en van tijd tot tijd kijkt hij alleen maar toe. Dat goud zal zuiver worden, goed gezuiverd, helemaal gezuiverd, zonder fouten, vrij van sintels, soepel, smeedbaar en helder stralend. Wat voor sieraad de goudsmid er ook mee zal maken, een gouden ketting of oorringen, of een halsketting of een gouden guirlande, het goud zal zijn doel vervullen. Evenzo blijft dan alleen nog gelijkmoedigheid over, gezuiverd en stralend, soepel, smeedbaar en helder stralend.
   Hij begrijpt: ‘Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘ruimte is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren.[*4] Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘bewustzijn is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘niets is er,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou mijn gelijkmoedigheid, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘noch waarneming noch niet waarneming,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan zou deze gelijkmoedigheid van mij, door dat meditatieve gebied gedragen, eraan vasthechtend, zeer lang voortduren.’
   Hij begrijpt: ‘Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘ruimte is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘bewustzijn is oneindig,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘niets is er,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd. Wanneer ik deze gelijkmoedigheid, die zo gezuiverd en stralend is, ga richten op het gebied van ‘noch waarneming noch niet waarneming,’ en mijn geest dienovereenkomstig ga ontplooien, dan is dat gevormd.’ Hij vormt geen enkele voorwaarde en produceert geen enkele wilsopwelling in de richting van bestaan of bestaansmogelijkheid. Omdat hij geen enkele voorwaarde vormt, en geen enkele wilsopwelling in richting bestaan of bestaansmogelijkheid produceert, hecht hij nergens meer vast aan de wereld. Wanneer hij niet vasthecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt: ‘Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen.’

   Wanneer hij een aangenaam gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’ Wanneer hij een pijnlijk gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’ Wanneer hij een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, begrijpt hij: ‘Het is vergankelijk, er is geen vasthouden aan; er is niets vermakelijks in te vinden.’
   Wanneer hij een aangenaam gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een pijnlijk gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een noch pijnlijk noch aangenaam gevoel voelt, voelt hij het als bevrijde. Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het lichaam eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het lichaam eindigt.’ Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het leven eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het leven eindigt.’ Hij begrijpt: ‘Met het einde van het leven zal alles wat gevoeld wordt, waaraan men zich niet vermaakt, terstond koel worden.’
   Bhikkhu, zoals een olielamp in afhankelijkheid van olie en een lampenpit brandt en uitgedoofd is als zij geen verdere brandstof krijgt, zodra de olie en de lampenpit verbruikt zijn; evenzo begrijpt hij, wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het lichaam eindigt: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het lichaam eindigt.’ Wanneer hij een gevoel voelt dat samen met het leven eindigt, begrijpt hij: ‘Ik ervaar een gevoel dat samen met het leven eindigt.’ Hij begrijpt: ‘Met het einde van het leven zal alles wat gevoeld wordt, waaraan men zich niet vermaakt, terstond koel worden.’
   Daarom bezit een bhikkhu die deze wijsheid bezit, de hoogste grondslag van de wijsheid. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele wijsheid, namelijk het weten van de vernietiging van alle dukkha.
   Zijn bevrijding die op de waarheid is gebaseerd, is onwrikbaar. Want bhikkhu, dat is onecht wat een bedrieglijke aard heeft, en dat is echt wat een onbedrieglijke aard heeft - Nibbāna. Daarom bezit een bhikkhu die deze waarheid bezit, de hoogste grondslag van de waarheid. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele waarheid, namelijk Nibbana dat een onbedrieglijke aard heeft.

   Vroeger, toen hij onwetend was, verwierf en ontwikkelde hij geestelijke aanwinsten. Nu zijn die door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd zodat zij niet meer onderworpen zijn aan toekomstig ontstaan. Daarom bezit een bhikkhu die deze verzaking bezit, de hoogste grondslag van verzaking. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele verzaking, namelijk het loslaten van alle geestelijke aanwinsten.
   Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij hebzucht, begeerte en hevig verlangen; die zijn nu door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat ze aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij toorn, kwaadwil en haat; die zijn nu door hem overwonnen, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat zij aan een toekomstig ontstaan ervan niet meer onderworpen zijn. Vroeger, toen hij onwetend was, ervoer hij onwetendheid en verblinding; dat is nu door hem opgegeven, aan de wortel afgesneden, verwijderd, zodat het niet meer aan een toekomstig ontstaan ervan is onderworpen. Daarom bezit een bhikkhu die deze vrede bezit, de hoogste grondslag van de vrede. Want bhikkhu, dit is de hoogste edele vrede, namelijk de bevrijding van begeerte, haat en verblinding.
   Met betrekking hierop werd gezegd dat men wijsheid niet moet verwaarlozen, dat men de waarheid oprecht moet houden, dat men verzaking moet onderhouden, en dat men voor de vrede moet oefenen.

De stromen van de voorstelling

   De stromen van de voorstelling overstromen iemand niet meer die op deze grondvesten staat, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd, zo werd gezegd. En met betrekking waarop werd dit gezegd?
   Bhikkhu, ‘ik ben’ is een voorstelling; ‘ik ben dit’ is een voorstelling; ‘ik zal zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vorm bezitten’ is een voorstelling; ‘ik zal vormloos zijn’ is een voorstelling’; ‘ik zal waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal niet waarnemend zijn’ is een voorstelling; ‘ik zal noch waarnemend noch niet waarnemend zijn’ is een voorstelling. Voorstelling is een ziekte, een gezwel, een stekel. Bhikkhu, doordat men elke voorstelling overschrijdt, wordt men een wijze in de vrede genoemd. En de wijze in de vrede is niet geboren, hij wordt niet ouder, sterft niet; hij wordt niet bewogen en heeft geen verlangen. Want in hem is niets meer aanwezig waardoor hij geboren zou kunnen worden. Niet geboren, hoe kan hij dan ouder worden? Niet ouder wordend, hoe kan hij dan sterven? Niet stervend, hoe kan hij dan bewogen worden? Niet bewogen, hoe kan hij dan verlangen hebben?
   Met betrekking hierop werd gezegd: ‘De stromen van de voorstelling overstromen iemand niet meer die op deze grondslagen staat, en wanneer de stromen van de voorstelling hem niet meer overstromen, dan wordt hij een ‘wijze in de vrede’ genoemd.’
   Bhikkhu, onthoudt deze korte uiteenzetting van de zes elementen.” (M.140)
_____
[*1] Purisa is het Paliwoord voor ‘man’ of algemeen ‘mens’. Het wordt niet in samenhang met het geloof in persoonlijkheid gebruikt, maar het beschrijft de individualiteit die ook een Verlichte heeft.
[*2] Bewustzijn wordt op een bijzondere manier behandeld. Het bewustzijn is in wezen negatief, de inhoud ervan zijn de voornoemde vijf elementen. Omdat het waarnemend bewustzijn steeds een niveau boven het waargenomene staat, is ermee bijzonder taai de voorstelling van duurzaamheid verbonden. De Boeddha beschrijft het oorzakelijk ontstaan van bewustzijn aan de hand van (vergankelijk) gevoel, om de voorstelling van een onafhankelijk bestaand, duurzaam bewustzijn te doorbreken.

[*3] Het commentaar legt uit dat Pukkusāti al de vierde jhana had beheerst en vasthechten aan de daar aanwezige gelijkmoedigheid had gehad.
[*4] Zelfs zeer lang; de levensspanne in de vormloze sferen van bestaan, die overeenkomen met de vormloze verdiepingen, ligt tussen 20.000 en 84.000 aeonen.



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #52 Gepost op: 20-12-2017 19:57 »
10.13. Het opheffen van persoonlijkheid

   Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het oostelijk gelegen park, in het klooster van Migaras moeder. Een bepaalde bhikkhu vroeg toen: "Eerwaarde heer, als ik het goed begrepen heb, zijn dit de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, namelijk: de bestaansgroep van vorm waaraan men hecht, de bestaansgroep van gevoel waaraan men hecht, de bestaansgroep van waarneming waaraan men hecht, de bestaansgroep van de formaties waaraan men hecht, en de bestaansgroep van het bewustzijn waaraan men hecht."
   "Inderdaad, bhikkhu, dat zijn de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht."
   De bhikkhu was blij met het antwoord en stelde een andere vraag. "Eerwaarde heer, waarin wortelen deze vijf groepen van bestaan waaraan men hecht? "
   "Bhikkhu, deze vijf groepen van bestaan waaraan gehecht wordt, wortelen in hebberigheid."
   "Eerwaarde heer, is dat hechten hetzelfde als deze vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, of is dat hechten gescheiden van de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht?"
   "Bhikkhu, dat hechten is niet hetzelfde als deze vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, noch is het hechten gescheiden van de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht. Het is de hebberigheid en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht, die vermeld hechten is." (Vgl. M.44)
   "Eerwaarde heer, kan er veelvuldigheid zijn in de hebberigheid en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht?"
   "Ja, bhikkhu, die kan er zijn. Iemand denkt: 'Moge mijn vorm in de toekomst zo en zo zijn. Moge mijn gevoel, mijn waarneming, mijn formaties, mijn bewustzijn zo en zo zijn.' Op een dergelijke manier is er veelvuldigheid in de hebberigheid en de begeerte in de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht."
   "Eerwaarde heer, op welke manier kan men het begrip 'groepen' toepassen op de groepen van bestaan?"
   "Bhikkhu, elke soort van vorm, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van vorm. Elke soort van gevoel, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van gevoel. Elke soort van waarneming, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van waarneming.  Elke soort van formaties, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van formaties. Elke soort van bewustzijn, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, - dat is de bestaansgroep van bewustzijn. Bhikkhu, op die manier kan men het begrip 'groepen' toepassen op de groepen van bestaan."
     "Eerwaarde heer, wat is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van de vorm? Wat is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroepen van gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn?"
   "Bhikkhu, de vier grote elementen zijn de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van vorm. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van het gevoel. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van waarneming. Aanraking is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van de formaties. Naam en vorm (geestlichamelijkheid) is de oorzaak en de voorwaarde voor de manifestatie van de bestaansgroep van bewustzijn.'
   "Eerwaarde heer, op welke manier ontstaat de mening van persoonlijkheid?"
   'Bhikkhu, een niet onderwezen wereldling die geen acht slaat op de edelen en die de leer van hen niet volgt en er niet in geschoold is, die geen acht slaat op oprechte mensen en die hun leer niet  navolgt en er niet in geschoold is, die persoon beschouwt vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt formaties als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid."
   "Eerwaarde heer, op welke manier ontstaat de mening van persoonlijkheid niet?"
   "Bhikkhu, een goed onderwezen edele volgeling die acht slaat op de edelen en die in hun leer onderwezen is, die acht slaat op oprechte mensen en die in hun leer onderwezen is, die persoon beschouwt vorm niet als zelf of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beschouwt gevoel niet als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beschouwt waarneming niet als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beschouwt de formaties niet als zelf, of zelf als formaties hebbende, of formaties als in zelf, of zelf als in formaties. Hij beschouwt bewustzijn niet als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. – Op die manier ontstaat de mening van persoonlijkheid niet."
   "Eerwaarde heer, wat is de bevrediging, wat is het gevaar en wat is het ontkomen in het geval van de vorm? Wat is de bevrediging, wat is het gevaar en wat is het ontkomen in het geval van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn?"
   "Bhikkhu, het geluk en de vreugde die in afhankelijkheid van vorm ontstaan, dat is de bevrediging in het geval van vorm. Vorm is vergankelijk, smartelijk en onderworpen aan verandering. Dat is het gevaar in het geval van vorm. De verwijdering van hebberigheid en begeerte, het overwinnen van hebberigheid en begeerte naar vorm, dat is het ontkomen in het geval van vorm.
   Bhikkhu, het geluk en de vreugde die in afhankelijkheid van gevoel ontstaan, dat is de bevrediging in het geval van gevoel. Gevoel is vergankelijk, smartelijk en onderworpen aan verandering. Dat is het gevaar in het geval van gevoel. De verwijdering van hebberigheid en begeerte, het overwinnen van hebberigheid en begeerte naar gevoel, dat is het ontkomen in het geval van gevoel.
   Bhikkhu, het geluk en de vreugde die in afhankelijkheid van waarneming ontstaan, dat is de bevrediging in het geval van waarneming. Waarneming is vergankelijk, smartelijk en onderworpen aan verandering. Dat is het gevaar in het geval van waarneming. De verwijdering van hebberigheid en begeerte, het overwinnen van hebberigheid en begeerte naar waarneming, dat is het ontkomen in het geval van waarneming.
   Bhikkhu, het geluk en de vreugde die in afhankelijkheid van formaties ontstaan, dat is de bevrediging in het geval van formaties. Formaties zijn vergankelijk, smartelijk en onderworpen aan verandering. Dat is het gevaar in het geval van formaties. De verwijdering van hebberigheid en begeerte, het overwinnen van hebberigheid en begeerte naar formaties, dat is het ontkomen in het geval van formaties.
   Bhikkhu, het geluk en de vreugde die in afhankelijkheid van bewustijn ontstaan, dat is de bevrediging in het geval van bewustzijn. Bewustzijn is vergankelijk, smartelijk en onderworpen aan verandering. Dat is het gevaar in het geval van bewustzijn. De verwijdering van hebberigheid en begeerte, het overwinnen van hebberigheid en begeerte naar bewustzijn, dat is het ontkomen in het geval van bewustzijn."
   "Eerwaarde heer, op welke manier weet men, op welke manier ziet men zodat er met betrekking tot dit lichaam met zijn bewustzijn en alle uiterlijke tekenen geen ik-maken, geen mijn-maken en geen neiging tot (ik-)waan is?"
   "Bhikkhu, men ziet elke soort van vorm, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, men ziet elke vorm met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus: 'Dit is niet mijn, is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf. Evenzo met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Elke soort ervan, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, men ziet elke soort van gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus: 'Dit is niet mijn, is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.' Wanneer men op een dergelijke manier weet en ziet, is er met betrekking tot dit lichaam met zijn bewustzijn en alle uiterlijke tekens geen ik-maken, geen mijn-maken en geen neiging tot (ik-)waan."

   Toen ontstond in het hart van een bepaalde bhikkhu deze gedachte: "Het schijnt dus, dat vorm niet-zelf is, dat gevoel niet zelf is, dat waarneming niet zelf is, dat formaties niet zelf zijn, dat bewustzijn niet zelf is. Op welk zelf hebben dan daden uitwerking die door het niet zelf verricht werden?"
   De Verhevene onderkende in zijn  hart de gedachte in het hart van die bhikkhu. Daarom richtte hij zich tot die bhikkhu met de woorden: "Gij bhikkhus, het is mogelijk dat de een of andere man op een dwaalspoor is, dom en onwetend, met een hart dat door begeerte beheerst is. Hij zou kunnen denken dat hij de boodschap van de leraar op een dergelijke manier kan overtreffen [door te denken]: 'Het schijnt dus, dat vorm niet-zelf is, dat gevoel niet zelf is, dat waarneming niet zelf is, dat formaties niet zelf zijn, dat bewustzijn niet zelf is. Op welk zelf hebben dan daden uitwerking die door het niet zelf verricht werden?' Wel bhikkhus, jullie zijn door mij door middel van ondervraging geschoold, tot verschillende gelegenheden, met betrekking tot verschillende dingen.
   Bhikkhus, wat menen jullie? Is vorm onvergankelijk of vergankelijk?" - "Vergankelijk, eerwaarde heer." - "Is datgene wat vergankelijk is, leed of geluk?" - "Leed, eerwaarde heer." - "Is dat wat vergankelijk, smartelijk en aan verandering onderworpen is, ertoe geschikt om als volgt beschouwt te worden: 'Dit is mijn, dit ben ik, dit is mijn zelf?'" - "Neen, eerwaarde heer."
   "Bhikkhus, wat menen jullie? Is gevoel onvergankelijk of vergankelijk? Is waarneming onvergankelijk of vergankelijk? Zijn de formaties onvergankelijk of vergankelijk? Is bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, eerwaarde heer." - "Is datgene wat vergankelijk is, leed of geluk?" - "Leed, eerwaarde heer." - "Is dat wat vergankelijk, wat smartelijk en wat aan verandering onderworpen is, ertoe geschikt om als volgt beschouwt te worden: 'Dit is mijn, dit ben ik, dit is mijn zelf?'" - "Neen, eerwaarde heer."
   "Bhikkhus, daarom moet elke soort van vorm, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, daarom moet elke vorm met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien worden: 'Dit is niet mijn, is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.' Evenzo met gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Elke soort ervan, hetzij in het verleden, toekomstig of tegenwoordig, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of nabij, elke soort van gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn moet met passende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien worden: 'Dit is niet mijn, is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'
   "Doordat hij zo ziet, wordt een goed onderwezen edele discipel ontnuchterd tegenover de vorm, ontnuchterd tegenover het gevoel, ontnuchterd tegenover de waarneming, ontnuchterd tegenover de formaties, ontnuchterd tegenover het bewustzijn.
   Wanneer hij ontnuchterd is, wordt hij begeerteloos. Door begeerteloosheid is (zijn geest) bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, komt het weten dat hij bevrijd is. Hij begrijpt: 'Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen.'"
   Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en blij over de woorden van de Verhevene. Terwijl deze leerrede gesproken werd, werd de geest van zestig bhikkhus door niet-hechten bevrijd van de neigingen. (M.109)


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #53 Gepost op: 21-12-2017 20:44 »
10.14. Geworden
   
   Te Savatthi.
   'Dit is geworden,' dat ziet men door juist  inzicht van de werkelijkheid. En wanneer men dat juist heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van het gewordene, op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.
   'Het ontstaan ervan is door zijn voedingsstof,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft gezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat door een voedingsstof een ontstaan heeft. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.
   'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

   Op die manier is men iemand die ijverig streeft.

   Hoe evenwel wordt men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld?
   'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men ten gevolge van de afkeer van het gewordene, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan, bevrijd door niet hechten, door niet inbezitname.[*1]
   'Het gewordene heeft zijn ontstaan door zijn voedingsstof,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat ontstaan is door een voedingsstof, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.
   'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat geworden is, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan door niet inbezitname, niet hechten.
   Op die manier is men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld. (S.XII.31)
_____
[*1] Bedoeld is het 'grijpen' van de empirische dingen, het zich ermee bezig houden. Is men ervan losgeraakt, dan is men bevrijd.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #54 Gepost op: 22-12-2017 17:13 »
10.15. De wereld

   In het voorgaande werd gesproken over de wereld. Wat nu verstaat de Boeddha onder wereld; wat is de wereld?
   De godheid Rohitassa was in een vroeger bestaan een kluizenaar met bovennatuurlijke kracht waardoor hij in staat was door het universum te reizen met enorme snelheid. Hij reisde met die grote snelheid meer dan 100 jaren om het einde van de wereld te bereiken. Maar hij had geen succes. Hij vraagt daarom aan de Boeddha of het mogelijk is het einde van de wereld te kennen of te zien, dat einde waar geen geboorte en geen dood is.
   De Boeddha geeft ten antwoord dat hij niet verklaart dat er een einde van de wereld zonder geboorte en dood is welk einde men door reizen kan kennen of zien. Alleen door het bereiken van nibbana komt er een einde aan het lijden. In dit lange lichaam van iemand zelf met waarneming en geest beschrijft de Boeddha de wereld, het ontstaan van de wereld, het ophouden ervan en de weg die voert naar het verdwijnen van de wereld. De weg van de Boeddha die naar het einde van de wereld voert, is het edele achtvoudige pad. "De wijze die de wereld kent, zal aan het einde van de wereld komen. Wanneer hij tot rust is gekomen, verlangt hij niet meer naar deze wereld noch naar de andere wereld." (S.II.26; ook in A.IV.45).

   In een ander sutta (S.XII.44) spreekt de Boeddha over de oorsprong van de wereld en de ondergang ervan.

   Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Dat is de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van het oog (het zien) en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van het oor (het horen) en de geluiden ontstaat het hoor-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van de neus (het ruiken) en de geuren ontstaat het ruik-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van de tong (het proeven) en de smaken ontstaat het proef-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van het lichaam (het voelen, aanraken en de voelbare (aan te raken) voorwerpen ontstaat het aanrakingsbewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld.
   Ten gevolge van de geest (het denken) en de gedachten ontstaat het denk-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit het contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Dat is de oorsprong van het lijden, de oorsprong van de wereld. (S.XII.44)

    De beëindiging van het lijden:

   Ten gevolge van het zien en de zichtbare vormen ontstaat het zien-bewustzijn. De verbinding van de drie is contact. Uit contact als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van die dorst volgt opheffing van het grijpen. Uit de opheffing van het grijpen volgt opheffing van het worden. Uit de opheffing van het worden volgt opheffing van de geboorte. Door opheffing van de geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, geweeklaag (etc) opgeheven. Op die manier komt de opheffing van de hele massa van lijden tot stand. Dat is het beëindigen van lijden.
   Evenzo met horen en geluiden, ruiken en geuren, proeven en smaken, voelen en voelbare voorwerpen, denken en gedachten. (S.XII.44)

   m.a.w. door contact van een zintuig met een object ontstaat bewustzijn. Als het bewustzijn zich dat toe-eigent, er aan gaat hechten, dan is dat geboorte van een ik-bewustzijn. Ik zie, ik hoor etc. Maar als ingezien wordt dat er alleen losse elementen zijn, zonder een ik, dat ze allemaal veranderlijk en vergankelijk zijn, dat ze allemaal oorzakelijk zijn ontstaan, dan verdwijnt het hechten, dan verdwijnt het zich toe-eigenen. Het bewustzijn (citta) is dan zonder de metgezellen begeerte, afkeer en onwetendheid.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #55 Gepost op: 23-12-2017 17:31 »
10.16. De stroom en de andere oever
 
   “Wie zich vrijgemaakt heeft van begeerte, afkeer en onwetendheid, die heeft deze zee met haar haaien en demonen en met het gevaar van de golven overgestoken, deze zee die zo moeilijk is over te steken. Hij is aan de andere oever aangekomen, staat op vaste grond.” (It.69)

   Er is een grote stroom, een grote rivier die gevormd wordt door zinsverlangens, bestaan, verkeerde inzichten en onwetendheid. De Boeddha heeft die grote stroom overgestoken niet door inactief te blijven noch door te grote inspanningen. Door inactief te blijven zou hij in de draaikolk zijn opgezogen. Door te grote inspanningen zou hij zijn weggesleept in de stroming. Hij volgde het middenpad. (zie S.I.1.)

   De leer wordt vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig. (M.22)

   De volmaakte heilige hecht niet meer aan iets, noemt niets zijn eigen. Hij is vol zelfbeheersing. Hij heeft alle boeien verbroken, is bedwongen, vrij, onverstoorbaar en wensloos. Hij heeft begeerte en haat opgegeven en ook onwetendheid en meningen. Hij is onzelfzuchtig, zonder wens. Hij koestert geen verlangen naar wat dan ook in de wereld, naar meervoudig bestaan hier of elders. Hij is stil, ontkomen aan de hartstochten, zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan. (Sn.III.5, verzen 490-499)

   Het meervoudig bewustzijn gaat samen met iets anders, met begeerte naar iets, met afkeer van iets, met onwetendheid. Het enkelvoudig bewustzijn hecht zich nergens aan; en omdat het geen begeerte, afkeer, onwetendheid als ‘metgezel’ heeft, is het vrij.

   Het enkelvoudige bewustzijn is het bewustzijn dat vrij is van begeerte, vrij van afkeer en vrij van onwetendheid, vrij van de mening “ik ben”. Bij het zien is alleen het zien; bij het horen is alleen het horen; bij het ruiken is alleen het ruiken; bij het proeven is alleen het proeven; bij het aanraken is alleen het aanraken; bij het denken is alleen het denken. (Zie Ud.1.10)

   Het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. (M.49)

   Iemand met een dergelijk enkelvoudig bewustzijn beschouwt het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn niet als het zelf, als een ik. Hij is niet geboeid door de banden van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn; hij is inwendig en uitwendig ongeboeid. Hij vindt de andere oever, is volledig bevrijd van lijden. (S.XXII.117; zie ook S.XXII.115).

    “Niet heeft hij het gewone bewustzijn
    noch is het ziekelijk.
    Hij is niet onbewust
    noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn.
    Voor degene die aldus geaard is,
    wordt de lichamelijke wereld opgeheven.
    Want uit het bewustzijn ontstaat
    de veelheidswereld in haar onderdelen.”
   (Sn.IV.11, vers 874)
« Laatst bewerkt op: 23-02-2018 23:00 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #56 Gepost op: 24-12-2017 20:52 »
10.17. Naderen
 
       Eens verbleef de Verhevene te Savatthi en hij sprak aldus: “Degene die nadert, is niet bevrijd; degene die niet nadert, is bevrijd.   
       Monniken, als een vorm genaderd wordt,[*1] en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met vorm als steun, met vorm als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.[*2]
       Monniken, als gevoelens genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met gevoelens als steun, met gevoelens als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.         
       Monniken, als waarneming genaderd wordt, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met waarneming als steun, met waarneming als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.         
       Monniken, als geestelijke formaties genaderd worden, en als daarmee doorgegaan wordt, dan zou bewustzijn blijven bestaan. Met geestelijke formaties als steun, met geestelijke formaties als basis, besprenkeld met begeerte, verkrijgt het groei, toename, overvloed.   
 
       Als iemand zou beweren: ‘Apart van vorm, apart van gevoelens, apart van geestelijke formaties zal ik het komen of het gaan tonen van bewustzijn, of het afnemen, de wedergeboorte, de groei, de toename of de overvloed van bewustzijn,’ - dat te tonen zou onmogelijk zijn.[*3]                     
       
       Als verlangen naar het gebruik van vorm is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn.[*4] Als verlangen naar het gebruik van bewustzijn is opgegeven, dan is door dat opgeven de steun afgesneden en is er geen vestiging van bewustzijn. Dat niet gevestigde bewustzijn is bevrijd, daar het niet groeit en niet samenstelt.[*5] Door de vrijheid is het vast en bedaard. Door de vastheid en bedaardheid is het tevreden. Door de tevredenheid is de persoon niet in beroering. Ongestoord van zichzelf is hij volmaakt tot rust gekomen, en hij weet: ‘Uitgeput is geboorte, het heilige leven is geleefd, de taak is volbracht, er is niets boven dit voor een aanduiding van de voorwaarden van bestaan.[*6] Zo is degene die nadert, niet bevrijd, en zo is degene die niet nadert, bevrijd.” (S.XXII.53)
_____
[*1] Als bewustzijn het object heeft genaderd, begeert het dat object, verkrijgt het, bezet het en tenslotte wordt het bewustzijn door dat object in bezit genomen. (De rollen worden dan omgekeerd). Dit laatste is dan het zaad voor een herhaling van het hele proces tot in het oneindige. (Denk hier bijvoorbeeld aan eenmalig gebruik, gewoontevorming, verslaving).
[*2] Elk van de vijf aggregaten fungeert als steun of basis voor bewustzijn. Zij worden soms ‘verblijfplaatsen voor bewustzijn’ genoemd.
[*3] Bewustzijn is geen eenheid die op zichzelf bestaat. Maar bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.
[*4] Het verlangen hier is slechts een andere schaduw van genotzucht. “Door de vernietiging van genot komt de vernietiging van verlangen. Door de vernietiging van verlangen komt de vernietiging van genot. En door de vernietiging van genot en verlangen wordt de geest ‘wel-bevrijd’ genoemd.” (S.III,51).
   Van het verlangen naar bewustzijn zelf is gezegd dat het een steun is voor de vestiging van bewustzijn. Bewustzijn is zó parasietachtig dat het, bij afwezigheid van een tastbaardere steun, gevestigd wordt juist op het ontbreken van gehechtheid.
     “Zelfs als men niet wil, noch mentaal samenstelt, maar als men nog een verborgen neiging heeft, dan wordt dat een object voor het voortbestaan van bewustzijn.” (S.II,67).
[*5] Bewustzijn dat niet samenstelt, is bevrijd. Dezelfde idee is aangetoond door de zegswijze: “Mijn geest heeft het niet aan voorwaarden gebondene bereikt” (Dhp.154) en “De geest die gegaan is naar de sfeer van niet-samengesteld zijn.” Hiermee is bedoeld het tot rust komen van de formaties.
[*6] Bedoeld is dat de 16-voudige taak (namelijk begrijpen, opgeven, verwerkelijken en ontwikkelen van de vier waarheden) door middel van de vier paden is voltooid.

« Laatst bewerkt op: 02-06-2018 13:15 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #57 Gepost op: 25-12-2017 23:26 »
10.18. Ideale eenzaamheid

   In de leerrede over ideale eenzaamheid wordt aangetoond dat Nibbana een geestelijke eenzaamheid is, een vertoeven zonder de metgezellen begeerte, afkeer en onwetendheid. Men denkt niet met genoegen aan het verleden; men verlangt niet naar de toekomst. Men ziet het veranderlijke, vergankelijke van alles in, ziet ook dat er geen “zelf” is. Wat thans is, neemt men waar, met inzicht, zoals het komt en wanneer het komt. Men voegt er niets meer aan toe. Wat men waarneemt neemt men niet in bezit, men hecht er niet aan. Dat is de bevrijding van lijden.

De toespraak over de ideale liefhebber van eenzaamheid - Bhaddekaratta sutta.

   Eens woonde de Verhevene te Sāvatthi in het klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken als volgt toe: “Monniken, ik zal jullie de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid. Luistert oplettend.

Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt men waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en zijn machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en 's nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze [de Boeddha]  genoemd:
‘de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

   En hoe, monniken, spoort men het verleden nog eens op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Zo spoort men het verleden nog eens op.[*1]

   En monniken, hoe spoort men het verleden niet meer op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Zo spoort men het verleden niet meer op.[*2]

   En hoe, monniken, smacht men naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Zo smacht men naar de toekomst.[*3]

   En monniken, hoe smacht men niet naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Zo smacht men niet naar de toekomst.[*4]

   En hoe is men gericht naar het heden? Monniken, een niet-onderricht gewoon mens die geen rekening houdt met de edelen, is onbekwaam in de leer van de edelen, is ongeoefend in de leer van de edelen. Hij houdt geen rekening met de goede lieden, hij is onbekwaam in de leer van de goede lieden, is ongeoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beziet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men gericht naar het heden.[*5]

   En hoe, monniken, is men niet gericht naar het heden? Monniken, een onderricht edele volgeling die rekening houdt met de edelen, is bedreven in de leer van de edelen, geoefend in de leer van de edelen. Hij houdt rekening met de goede lieden, hij is bedreven in de leer van de goede lieden, is geoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet niet gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beziet niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet niet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men niet gericht naar het heden.[*6]

‘Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt hij waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en z'n machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en ‘s nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze genoemd:
'de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

   Met betrekking hierop is gezegd: ‘Monniken, ik zal u de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid.’”

    Aldus sprak de Verhevene. Vol vreugde verblijdden zich de monniken over de woorden van de Verhevene.[*7] (M.131; zie ook S.35.63-64)

   M.a.w. men kan aan het verleden, aan het heden of aan de toekomst denken, maar men moet niet gehecht zijn aan die gedachten. En men moet de leer van niet-zelf goed inzien.
_____
[*1] Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, wordt het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo spoort men het verleden nog eens op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest (d.w.z. denken, wilsacties e.d.) en ideeën. Men denkt aan het verleden en verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan het verleden.
[*2] Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, zonder dat het bewustzijn eraan gebonden is door verlangen, daardoor schept men er geen behagen in. En zo spoort men het verleden niet meer op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan het verleden maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan het verleden.
[*3] Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, verlangt men vurig naar iets wat nog niet verkregen is. Door dit verlangen schept men er behagen in en zo smacht men naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt dan aan wat in de toekomst kan zijn en men verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan de toekomst.
[*4] Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, zonder te verlangen naar wat nog niet verkregen is, daardoor schept men er geen behagen in. En zo smacht men niet naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan de toekomst maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan de toekomst.
[*5] gericht naar het heden. Letterlijk staat er: geleid naar tegenwoordige dingen.
   Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, is het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden met verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gehecht aan het heden.
[*6] Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, zonder verlangen ernaar, is het bewustzijn er niet aan gebonden. Daardoor schept men er geen behagen in en zo is men niet gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden zonder verlangen. Men schept er geen behagen in en zo is men niet gehecht aan het heden.
[*7] Over het alleen vertoeven schreef Wilhelm Busch: “Der Einsame, der hat es gut, weil keiner da der ihn was tut.” (De eenzame heeft het goed omdat er niemand is die hem iets doet.) Ware eenzaamheid is nog veel beter, is de hoogste veiligheid.
« Laatst bewerkt op: 05-08-2018 00:27 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #58 Gepost op: 26-12-2017 19:41 »
10.19. De vuur-toespraak
 
   Ook de vuur-toespraak gaat over Nibbana.
   
   In het eerste jaar na de Verlichting ging de Verhevene samen met 1000 bhikkhus van Uruvela naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Daar onderwees hij de monniken met de Vuur-toespraak.
        
         “Monniken, alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. De betekenis hiervan nu is als volgt. Het oog staat in brand; vormen staan in brand. In brand staat het oog-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm. In brand staat oog-contact; dit is het samenvallen van oog, vorm en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
      
         Het oor staat in brand; geluiden staan in brand. In brand staat het oor-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid. In brand staat oor-contact; dit is het samenvallen van oor, geluid en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
 
         De neus staat in brand; geuren staan in brand. In brand staat het neus-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van neus en geuren. In brand staat neus-contact; dit is het samenvallen van neus, geluiden en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
 
         De tong staat in brand; smaken staan in brand. In brand staat het tong-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaken. In brand staat tong-contact; dit is het samenvallen van tong, smaken en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
 
         Het lichaam staat in brand; aanrakingen staan in brand. In brand staat het lichaam-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingen. In brand staat lichaam-contact; dit is het samenvallen van lichaam, aanraking en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
      En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
 
         De geest staat in brand; gedachten staan in brand. In brand staat het geest-bewustzijn; dit is het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van geest en gedachten. In brand staat geest-contact; dit is het samenvallen van geest, gedachten en bewustzijn. In brand staat ook alwat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En waarmee staat dit alles in vuur en vlam, waarmee gloeit het? Het gloeit met het vuur van begeerte, met het vuur van afkeer en met het vuur van illusie. Ik zeg dat het gloeit met geboorte, ouderdom en dood, met leed, geweeklaag, pijn, zorg en wanhoop.
 
         Monniken, wanneer een edele volgeling die de waarheid heeft gehoord, aldus ziet, dan vindt hij vervreemding in het oog en dan vindt hij vervreemding in vormen. Hij vindt vervreemding in oog-bewustzijn; hij vindt vervreemding in oog-contact; en ook vindt hij vervreemding in alwat ontstaat met oog-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         En evenzo vindt hij vervreemding in het oor, in geluiden, in oor-bewustzijn, in oor-contact en in het gevoel dat ontstaat met oor-contact als noodzakelijke voorwaarde.
         Hij vindt vervreemding in de neus, in geuren, in neus-bewustzijn, in neus-contact en in het gevoel dat ontstaat met neus-contact als noodzakelijke voorwaarde.
         Hij vindt vervreemding in de tong, in smaken, in tong-bewustzijn, in tong-contact en in het gevoel dat ontstaat met tong-contact als noodzakelijke voorwaarde.
         Hij vindt vervreemding in het lichaam, in aanrakingen, in lichaam-bewustzijn, in lichaam-contact en in het gevoel dat ontstaat met lichaam-contact als noodzakelijke voorwaarde.
         Hij vindt vervreemding in de geest, in gedachten en ideeën, in geest-bewustzijn, in geest-contact en in het gevoel dat ontstaat met geest-contact als noodzakelijke voorwaarde.
     
         Kortom, wanneer een edele volgeling de waarheid ziet, dan vindt hij vervreemding in de zintuigen en in de erbij behorende objecten. Hij vindt vervreemding in zintuig-bewustzijn, het bewustzijn dat ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijhorend object. Hij vindt vervreemding in alwat ontstaat met zintuig-contact als noodzakelijke voorwaarde en wat als prettig of als pijnlijk of als neutraal gevoeld wordt.
         Wanneer hij vervreemding vindt, sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Met het geleidelijk afsterven van hartstocht is hij bevrijd. Wanneer hij bevrijd is, is er de kennis, het weten dát hij bevrijd is. Hij begrijpt dat zijn taak is volbracht. ‘Geboorte is uitgedoofd; het heilige leven is geleefd. Er gaat niets meer boven dit uit.’ Zo beseft hij dan.”
 
         Aldus sprak de Verhevene. De monniken waren blij en verheugden zich over zijn woorden. Gedurende deze toespraak werden de harten van al die monniken bevrijd van de smetten. Zij hechtten zich nergens meer aan. Allen waren heiligen geworden. De vuren van hun passies, van begeerte, afkeer en illusie waren definitief uitgedoofd. (S.XXXV.28) *]
_____
*]  Hier is een duidelijke omschrijving van Nibbāna reeds in dit leven. De uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Ze bestaat in het doven van het vuur van verlangen naar iets of het vuur van afkeer van iets. Door het opheffen van alle onwetendheid komt de waarheid in ons aan het licht. Daardoor zien wij dat er geen enkele reden is om ons ergens aan te hechten: alles is immers veranderlijk, vergankelijk, veroorzaakt, niet alleen ‘het andere’ maar ook wijzelf. 


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #59 Gepost op: 27-12-2017 21:45 »
10.20. Vredig en stralend
   
Een godheid vroeg:
    “Diegenen die in het woud leven,
        die vredig zijn en kalm, met een zuiver leven,
        die slechts één maaltijd per dag eten:
        hoe komt het dat zij er zo stralend uitzien?”
 
De Verhevene gaf ten antwoord:
 
         “Zij treuren niet om het verleden;
         zij hebben geen verlangens naar de toekomst;
         het heden is voldoende voor hen.
         Daarom zien zij er zo stralend uit.

   Door naar de toekomst te verlangen,
         door bedroefd te zijn over het verleden,
         hierdoor kwijnen dwazen weg
         zoals een afgesneden zachte rietstengel.”

   (S.1.10)

   
  • De wijze beziet het heden zoals het komt en wanneer het komt. Dit betekent dat men alleen datgene beschouwt wat juist gebeurt, en dan zo objectief mogelijk. Dat is heel moeilijk en alleen de Arahant, de heilige kan dit volmaakt.
  • [/i]

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #60 Gepost op: 28-12-2017 23:04 »
10.21. Onthechten

   Gezegd werd dat de uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Wat nu zijn de dingen waaraan men hecht? En wat is daarbij het vasthechten?
   De lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn - dat zijn de dingen die onderhevig zijn aan hechten; en wat er aan wilsbegeerte is, dat is daar het hechten. (S.XXII.121; S.XXII.82; M.109)

   Die vijf groepen van hechten hebben hun wortel in het verlangen. Wat er bestaat aan wilsverlangen tot de vijf groepen van hechten, dat is daarbij het hechten. (S.XXII.82)   

   De niet onderwezen persoon neemt aan dat alles wat waargenomen wordt met de zintuigen, alles waarvan hij zich een voorstelling maakt, hem toebehoort, en hij schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorzien.
   Hij wordt aangetrokken door het aangename ervan en wordt afgestoten door het onaangename ervan.
   Iemand in hogere scholing,[*1]  de oefenende die al een bovenwerelds niveau heeft bereikt, heeft nog niet alles doorschouwd. Hij is nog niet volledig bevrijd. Hij moet zich nergens een voorstelling van maken.[*2]  Hij moet niet menen: 'Het is van mij.' Hij moet er geen behagen in scheppen. Hij weet op grond van zijn juiste zienswijze dat dit ik-idee niet overeenkomt met de waarheid. Hij moet nog werken aan de volledige bevrijding.
   Iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij maakt zich nergens een voorstelling van.[*3]  Hij is niet van mening dat iets hem toebehoort; hij is niet van mening "dat is van mij," hij schept er geen behagen in. De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. - En waarom? - Omdat hij het volledig heeft doorschouwd. Hij heeft de vier edele waarheden doorschouwd en ze in zich verwerkelijkt. Hij heeft het einde van dukkha bereikt. En wel omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.
   De volmaakte heilige heeft begrepen dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn.[*4] Daarom is de volmaakte heilige door de volledige vernietiging en door het opgeven, het ophouden, en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt. (zie M.1)

       Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend, de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden. Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap die de ene tak loslaat en de andere pakt. [*5] (Sn.IV.4, vers 791)

       “Wie het lage en het hoge in de wereld onderzoekt, wie niet bewogen wordt door iets in de wereld, wie stil is en helder, onverstoorbaar en wensloos, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.”  (Sn.V.3, vers 1048)
_____
[*1] Een in de stroom getredene, een eenmaal wederkerende, een niet meer wederkerende: op deze niveaus van heiligheid is verkeerde opvatting al overwonnen, maar nog niet de basis-onwetendheid.
[*2] De oefenende, die al een bovenwerelds niveau bereikt heeft, maar nog niet volledig bevrijd is, is nog niet vrij van de waan "ik ben". Hij weet echter op grond van zijn juiste zienswijze dat dit ik-idee niet overeenkomt met de waarheid. Hij werkt daarom aan de volledige bevrijding.
[*3] De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. De oorzaak voor conceptuele voorstellingen is bij hem niet meer aanwezig.
[*4] Een korte samenvatting van de keten van oorzakelijk bestaan. Die keten had de Boeddha in de nacht van zijn Verlichting ingezien. Hier sluit de Boeddha de kring door erop te wijzen dat het behagen scheppen uiteindelijk oorzakelijk met dukkha verbonden is.
[*5] Zich hechten aan iets, wat dan ook, is (oorzaak voor) lijden. Zich nergens aan hechten betekent vrijheid.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #61 Gepost op: 29-12-2017 19:02 »
10.22. De onbedwongen en de bedwongen geest
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zo weerspannig is
als de onbedwongen geest;
de onbedwongen geest is inderdaad
een weerspannig ding.”
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zo gedwee is
als de bedwongen geest;
de bedwongen geest is inderdaad
een gedwee ding.”
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zozeer voert tot groot verlies
dan de onbedwongen geest;
de onbedwongen geest voert inderdaad
tot groot verlies.”
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zozeer voert naar groot voordeel
dan de bedwongen geest;
de bedwongen geest voert inderdaad
naar groot voordeel.”
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zoveel ellende brengt
dan de geest die onbedwongen is,
onbeheerst, onbewaakt
en die niet weerhouden wordt;
zo’n geest brengt inderdaad groot leed.”
 
“Monniken, ik ken geen ander ding
dat zoveel geluk brengt
dan de geest die bedwongen is,
beheerst, bewaakt
en die weerhouden wordt;
zo’n geest brengt inderdaad een groot geluk.”
(A.I.IV; zie ook S.35.94)


10.23. Geleidelijke oefening in het temmen van de geest
 
       Eens sprak de Verhevene tot zijn toehoorders als volgt: “Iemand die leeft temidden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot geniet, die geheel en al in beslag genomen wordt door gedachten aan zingenot, die verteerd wordt door verlangen naar zingenot, die ijverig op zoek is naar zingenot, het is onmogelijk dat zo iemand datgene kan weten of zien of bereiken of realiseren wat door ontzegging geweten kan worden, wat door verzaking gezien kan worden, wat door afzien bereikt kan worden, wat door afstand doen gerealiseerd kan worden; zo’n situatie bestaat niet.
       Veronderstelt dat er onder de olifanten een olifant is die goed getemd is en een olifant die ongetemd is. Of veronderstelt dat er onder de paarden een paard is dat goed getemd is en een paard dat ongetemd is. Zal de olifant die getemd is een getemde staat bereiken? Of zal het paard dat getemd is, een getemde staat bereiken?” – “Ja, Eerwaarde Heer.” – “Maar de ongetemde olifant en het ongetemde paard, zullen die een getemde staat bereiken?” – “Neen, Eerwaarde Heer.” – “Evenzo is het met lieden die leven temidden van zinnelijk genot, die zinnelijk genot genieten, die geheel en al in beslag genomen worden door gedachten aan zingenot, die verteerd worden door verlangen naar zingenot. Dat zij datgene kunnen weten of zien of bereiken of realiseren wat geweten, gezien, bereikt of gerealiseerd kan worden door verzaking, een dergelijke situatie bestaat niet. 
       
       Het is alsof er een grote berg is nabij een stad of dorp. Twee vrienden nu naderen die berg. De een blijft aan de voet van de berg staan en de ander klimt naar de top. Degene die onderaan bleef staan, kan dan de vraag stellen: ‘Hallo, wat zie je vanaf de top?’ En de ander geeft ten antwoord: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige bossen, verrukkelijke vijvers.’ De eerste kan dan zeggen: ‘Dat is onmogelijk, dat kan niet waar zijn dat jij dat alles ziet.’ Daarop komt degene die boven op de top stond, naar beneden en neemt zijn vriend bij de arm. Beiden klimmen dan naar de top van de berg. Boven gunt de een de ander een moment om op adem te komen en dan spreekt hij hem aldus toe: ‘Wel, wat zie je nu vanaf de top?’ En de ander zal zeggen: ‘Hier vanaf de top zie ik prachtige parken, geweldige bossen, verrukkelijke vijvers.’ En de eerste zal dan zeggen: ‘Zojuist nog zei je dat het onmogelijk was, dat het niet waar kon zijn dat zoiets te zien zou zijn. Maar nu spreek je andere taal.’ En de tweede zal zeggen: ‘Dat komt omdat ik gehinderd werd door de grote berg en niet kon zien wat erachter te zien was.’
       Evenzo, maar in een nog grotere graad, is iemand die leeft temidden van zinnelijk genot; hij is omsloten, wordt gehinderd, belemmerd en is ingewikkeld door deze massa onwetendheid. Dat zo iemand zou kennen wat door verzaking bereikt kan worden, een dergelijke situatie bestaat niet. 
       
       Zoals een edele koning zijn olifantenjager toesprak met de woorden: ‘Beste jager, bestijg de koningsolifant en ga naar een olifantenbos. Als je daar dan een bosolifant ziet, bindt hem dan aan de nek van de koningsolifant.’ De jager deed daarop gehoorzaam wat de koning hem bevolen had. In het bos zag hij een bosolifant en bond hem aan de nek van de koningsolifant. Zo bracht hij hem uit het bos naar de open vlakte. Maar de bosolifant had een verlangen naar het olifantenbos. De jager nu gaf bericht aan de koning dat de bosolifant gevangen en op de open vlakte was. De edele koning sprak toen tot zijn olifantentemmer: ‘Beste temmer, tem de bosolifant door zijn bosmanieren te onderwerpen; tem hem door zijn bosherinneringen te verzwakken en door zijn angst, zijn verdriet en zijn verlangen naar het bos te verzwakken. Laat hem graag in de dorpen verblijven en wen hem aan menselijke manieren.’ En de olifantentemmer gehoorzaamt. Hij slaat een grote paal in de grond, bindt de bosolifant er bij zijn nek aan vast om zo zijn bosmanieren te onderwerpen, om zo zijn bosherinneringen te verzwakken, om zo zijn angst, verdriet en verlangen naar het bos te verzwakken, om hem graag in de dorpen te laten verblijven en om hem aan menselijke manieren te gewennen. Dan spreekt de olifantentemmer hem met zulke woorden toe die vriendelijk zijn, aangenaam voor het oor, hartelijk, die tot het gemoed gaan, werelds, plezierig voor de menigte, waar menigeen genoegen in schept. En de bosolifant, aldus toegesproken, luistert oplettend en neigt zijn geest naar leren. Vervolgens voorziet de olifantentemmer hem van voer en water. Wanneer de olifant het voer en het water aanneemt, weet de temmer dat die olifant in leven zal blijven. Dan laat de olifantentemmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Neem op, zet neer.’ Wanneer de olifant gehoorzaam is aan de temmer en op zijn bevelen handelt om op te nemen en neer te zetten, dan laat de temmer hem een verdere taak doen met de woorden: ‘Ga voorwaarts, ga achterwaarts.’ Wanneer de olifant in die nieuwe taak gehoorzaam is, laat de temmer hem een andere taak doen met de woorden: ‘Sta op, ga zitten.’ Wanneer de olifant ook hierin gehoorzaam is, laat de temmer hem een verdere taak doen die bekend is als: ‘Sta op de plaats.’ Hij bindt een schild aan de slurf van het grote dier. Iemand met een lans zit op de nek van de olifant en mannen met lansen staan er rondom, aan alle kanten. En de temmer staat ervoor met een lange lans in zijn handen. Terwijl hij deze taak van ‘Sta op de plaats’ uitvoert, beweegt de olifant geen voet vooruit noch achteruit, noch beweegt hij zijn hoofd, noch oor, noch staart, noch slurf. Hij beweegt geen enkel deel van zijn lichaam. Een koningsolifant is er een die slagen met een zwaard of met een bijl verduurt, die pijlen verduurt en ook het geluid van trommels en pauken. Hij is als goud dat gezuiverd is van alle verontreinigingen en onzuiverheden. Hij is geschikt voor een koning, een koninklijk bezit. En hij wordt tot een koninklijk attribuut gerekend. 
 
       Evenzo is het met de leer van de Verhevene. Door geleidelijke oefening, geleidelijke vooruitgang, geleidelijke praktijk wordt een mens bedwongen. Evenals een volbloed paard eerst eraan gewend moet raken om een bit te dragen en pas daarna gewend raakt aan verdere oefening, evenzo moet een mens die bedwongen moet worden, allereerst als volgt gedisciplineerd worden:
 
1. Het verkrijgen van vertrouwen
 
       Evenals de geheel getemde olifant, evenals het geheel gezuiverde goud, evenzo ontstaat een Tathāgata hier in de wereld, een Volmaakte, een Volledig Ontwaakte, begiftigd met juiste kennis en juist gedrag, een weldoener, een kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de Ontwaakte, de Heer. Hij maakt deze wereld bekend met haar goden, met Mara en Brahmā, met haar schepping, met haar boetelingen en brahmanen, haar goden en mensen, na ze zelf door superkennis verwerkelijkt te hebben. Hij onderwijst de leer die lieflijk is in het begin, lieflijk in het midden en lieflijk aan het einde. Hij onderwijst ze naar de geest en naar de letter. Hij verkondigt het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is.
       
       Een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd, of iemand geboren in een andere staat, hoort die leer. Na het horen ervan verkrijgt hij vertrouwen in de Tathāgata. Begiftigd met dit vertrouwen dat hij heeft verworven, denkt hij op de volgende manier na: ‘Het leven van een gezinshoofd is beperkt en stoffig; het weggaan is vertoeven in de open vlakte. Het is niet gemakkelijk voor iemand die in een huis leeft, om het heilige leven te leiden, het heilige leven dat geheel aan het doel beantwoordt, dat heel zuiver is, gepolijst als een schelp. Veronderstel nu dat ik me haar en baard afscheer en de gele pij aantrek en dat ik van het huislijke leven naar het huisloze leven ga.’ Na een tijd, bevrijd van deze weelde hier hetzij groot of klein, bevrijd van deze kring van relaties hetzij klein of groot, na haar en baard te hebben afgeschoren, na de gele gewaden te hebben aangetrokken, gaat hij ver van huis naar het huisloze leven. In deze mate gaat de heilige volgeling naar buiten tot in de open vlakte.
 
2. Deugdzaamheid
 
       Maar goden en mensen hebben een verlangen naar de vijf strengen van zintuiglijke genoegens. De Tathāgata onderwijst de volgeling verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees van moreel gedrag, leef deugdzaam door het beheersen van de verplichtingen, begiftigd met juist gedrag. Zie gevaar in de geringste fout, neem de regels van oefening aan en oefen je erin.

3. Beheersing van de zinnen

 
       Zodra als de monnik hierin geoefend is, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees bewaakt wat betreft de zinsorganen. Als je een materiële vorm ziet met het oog, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oog onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oog beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oog.
       Als je een geluid gehoord hebt met het oor, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het oor onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oor beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oor.
       Als je een geur geroken hebt met de neus, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de neus onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de neus beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de neus.
       Als je een smaak geproefd hebt met de tong, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de tong onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de tong beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de tong.
       Als je een aanraking gevoeld hebt met het lichaam, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met het lichaam onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het lichaam beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het lichaam.
       Als je een geestelijke staat onderkend hebt met de geest, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als men met de geest onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de geest beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de geest.’
 
4. Gematigdheid bij het eten
 
        Zodra als een monnik bewaakt is wat betreft de deuren van de zintuiglijke organen, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees gematigd bij het eten; je moet het voedsel tot je nemen terwijl je zorgvuldig nadenkt. Je moet niet eten voor plezier of bevrediging of persoonlijke charme of om er mooier van te worden. Maar gebruik juist genoeg om dit lichaam te handhaven en om het op gang te houden, om het ongedeerd te houden, om de heilige levenswandel te bevorderen. En eet met de gedachte: “Aldus zal ik een oud gevoel van honger verdrijven en zal ik een nieuw gevoel van honger niet laten ontstaan, en er zal voor mij een lang leven zijn en onberispelijkheid, en ik zal op mijn gemak vertoeven.’
 
5. Waakzaamheid
 
       Zodra als een monnik gematigd is in het eten, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, vertoef gericht op waakzaamheid. Gedurende de dag, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten. Gedurende de middenwacht van de nacht, lig dan neer op de rechterzijde, in de leeuwpositie, met de ene voet op de andere, helder bewust, en denk aan het tijdstip wanneer je weer wilt opstaan. Gedurende de laatste wacht van de nacht, als je bent opgestaan, terwijl je op en neer loopt, terwijl je zit, reinig dan de geest van belemmerende geestelijke staten.’ 
 
6. Oplettendheid en helder bewustzijn
 
       Zodra als een monnik gericht is op waakzaamheid, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, wees begiftigd met oplettendheid en helder bewustzijn. Handel met helder bewustzijn of je nu komt of gaat. Handel met helder bewustzijn of je nu vooruit of in het rond kijkt. Handel met helder bewustzijn of je nu de armen strekt of buigt. Handel met helder bewustzijn of je nu de bovenkleren draagt, de bedelnap of de pij. Handel met helder bewustzijn of je nu eet, drinkt, kauwt of slikt. Handel met helder bewustzijn als je gehoorzaamt aan de roep van de natuur. Handel met helder bewustzijn of je nu loopt, staat, zit, slaapt, waakt, spreekt of zwijgt.’
 
7. Het te boven komen van de vijf hindernissen
 
       Zodra als een monnik in het bezit is van oplettendheid en helder bewustzijn, onderwijst de Verhevene hem verder met de woorden: ‘Komaan, monnik, kies een afgelegen verblijfplaats in het bos, aan de voet van een boom, aan een berghelling, in een grot, op een begraafplaats, in een bosje, een open plek of een hoop stro. Wanneer hij na het vergaren van aalmoezen teruggekeerd is, zit de monnik na de maaltijd terneer, met de benen kruiselings over elkaar. De rug houdt hij rechtop terwijl hij oplettendheid voor zich doet oprijzen. 
       Bevrijd van begeerte naar de wereld vertoeft hij met een geest die vrij is van begeerte. Hij reinigt de geest van begeerte. Bevrijd van de smet van kwaadwil vertoeft hij welwillend in de geest, mededogend en barmhartig jegens alle wezens. Hij reinigt de geest van kwaadwil. Bevrijd van traagheid en luiheid vertoeft hij zonder traagheid en luiheid, waarbij hij het licht waarneemt. Oplettend en helder bewust reinigt hij de geest van traagheid en luiheid. Bevrijd van rusteloosheid en bezorgdheid vertoeft hij kalm; met de geest inwaarts gericht, rustig, reinigt hij de geest van rusteloosheid en bezorgdheid. Bevrijd van twijfel vertoeft hij zonder twijfel. Onverstoord wat betreft de staten die heilzaam zijn, reinigt hij zijn geest van twijfel.
 
8. De vier grondslagen van oplettendheid
 
       Als hij bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en waardoor intuïtieve wijsheid zwakker wordt, dan beschouwt hij het lichaam bij het lichaam, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen. Hij gaat verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, de geest bij de geest, de geestelijke staat bij de geestelijke staten, vurig, helder bewust, oplettend, om begeerte en afkeer in de wereld te beheersen.
       Zoals een olifantentemmer een grote paal in de grond slaat en een bosolifant er bij zijn nek aanbindt om bij hem de bosmanieren te verdrijven, om zijn bosverlangens te verdrijven, om zijn smart en ergernis wegens en zijn vurig verlangen naar het bos te verdrijven, om hem behagen te laten scheppen in dorpen en om hem te laten wennen aan menselijke manieren, evenzo zijn deze vier grondslagen van oplettendheid banden van de geest om de manieren van gezinshoofden te onderwerpen, te verdrijven en om de verlangens van gezinshoofden te verdrijven en om de smart, ergernis en het vurig verlangen te verdrijven. Deze vier grondslagen van oplettendheid zijn er om naar het juiste pad te voeren, om Nibbāna te verwerkelijken. 
 
       De Tathāgata onderricht de monnik verder met de woorden: ‘Komaan, ga verder met het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over het lichaam. Ga verder met het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de gevoelens. Ga verder met het beschouwen van de geest bij de geest, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geest. Ga verder met het beschouwen van de geestelijke staten bij de geestelijke staten, maar houd je niet bezig met een reeks van gedachten over de geestelijke staten.
 
9. De meditatieve verdiepingen
 
       Zodra als een monnik bevrijd is van deze vijf hindernissen die smetten van de geest zijn en verderfelijk voor intuïtieve kennis, zodra als hij bevrijd is van de geneugten van de zintuigen, vrij van onheilzame staten van de geest, treedt hij binnen in en vertoeft hij in de eerste meditatieve verdieping. Deze gaat gepaard met overdenken en redeneren, is geboren uit afzijdigheid en is vreugdevol en vol vervoering.
       Door het tot bedaren brengen van overdenken en redeneren wordt zijn geest achtereenvolgens tot rust gebracht en op één punt gericht. En hij treedt binnen en verblijft in de tweede meditatieve verdieping. Deze is vrij van overdenken en redeneren, is geboren uit concentratie en is vreugdevol en vol vervoering.
       Bij het verdwijnen van vervoering vertoeft hij met gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En hij ervaart in eigen persoon die vreugde waarvan de heiligen zeggen: ‘Vol vreugde leeft degene die gelijkmoedigheid heeft en die oplettend is.’ En hij treedt binnen en verblijft in de derde meditatieve verdieping.
       Door bevrijd te zijn van angst, door het verdwijnen van zijn vroegere geneugten en verdriet, treedt hij binnen en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping. Deze heeft noch angst noch vreugde en is geheel gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid.
 
10. Het drievoudige weten (te-vijja)
 
10.1 Herinnering aan vroegere verblijven 
 
       Dan, met een geest aldus gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de herinnering aan vroegere verblijven. Hij herinnert zich aan een verscheidenheid van vroegere verblijven, aldus: één leven, twee levens, drie... vier... vijf... tien... 20... 30... 40... 50... 100... 1000... 100.000 levens herinnert hij zich; en hij herinnert zich aan menige aeon van wereldontstaan-wereldvergaan. ‘Zo heette ik, zo’n familie had ik, zo’n stand, zo’n beroep had ik, zo werd ik gevoed, zulke aangename en onaangename ervaringen had ik, zolang leefde ik, vanhier vertrok ik en kwam in een andere staat waar ik aldus heette, waar ik zo'n familie, zo’n stand, zo’n beroep had, waar ik zo'n voedsel kreeg, waar ik zulke aangename en onaangename ervaringen had, waar ik zolang leefde. Vandaar vertrok ik en ontstond hier.’ Aldus herinnert hij zich aan diverse vroegere verblijven in al hun wijzen en details. 
 
10.2 Het goddelijk oog
 
       Dan, met een geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van het van hier verdwijnen en het ontstaan van wezens. Met het gezuiverde oog dat het menselijke oog te boven gaat, ziet hij wezens zoals ze van hier vertrekken of hier ontstaan. Hij begrijpt dat wezens laag zijn, uitstekend, lelijk, mooi, gelukkig, ongelukkig, overeenkomstig hun daden. En hij denkt: ‘Inderdaad, deze waardige wezens die een verkeerd gedrag hadden in lichaam, die een verkeerd gedrag hadden in taal, die een verkeerd gedrag hadden in gedachten, die met de heiligen spotten, die een verkeerde visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een verkeerde visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een leedvolle staat van bestaan, zij zijn ontstaan in een kwade geboorte, in de afgrond, de Niraya-hel.
       Maar deze waardige wezens die een goed gedrag hadden in lichaam, die een goed gedrag hadden in taal, en die een goed gedrag hadden in gedachten, die niet met de heiligen spotten, die een juiste visie erop na hielden, die daden verrichtten overeenkomstig een juiste visie, - deze lieden zijn na de ontbinding van het lichaam, na de dood ontstaan in een goede geboorte, in een hemelse wereld.’
 
10.3 Vernietiging van de smetten: heiligheid 
 
       Dan, met de geest gekalmeerd, geheel gezuiverd, heel helder, zonder blaam, zonder smet, gedwee en geschikt, vast gegrond, onbeweeglijk, richt hij zijn geest op de kennis van de vernietiging van de smetten (āsava). Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit is lijden (dukkha), dit is het ontstaan van lijden, dit is het einde van lijden, dit is het pad dat voert naar het einde van lijden.’ Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: ‘Dit zijn de smetten, dit is het ontstaan van de smetten, dit is het einde van de smetten, dit is het pad dat voert naar het einde van de smetten.’
       Aldus wetende, dit ziende, is zijn geest vrij van de smet van zinnelijk genot, vrij van de smet van worden, vrij van de smet van onwetendheid. In vrijheid ontstond de kennis: ‘Ik ben vrij,’ en hij begrijpt: ‘Geboorte is vernietigd, ten einde gebracht is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, voor mij is er geen verder bestaan meer.’ 
 
       Die monnik is in staat om hitte, koude, honger en dorst te verdragen en de steken van muskieten en vliegen. Hij is in staat om wind, zon en kruipende dieren te verdragen. Hij is in staat om scheldwoorden en onvriendelijke taal te verdragen. Hij is in staat om lichamelijke gevoelens te verdragen die, als ze ontstaan, pijnlijk zijn, dringend, scherp, streng, ongelukkig, ellendig, dodelijk. Gereinigd van alle verontreinigingen en van alle onzuiverheden van gehechtheid, afkeer en illusie (rāga , dosa, moha), is hij verplichtingen, offergaven, respect en eer waard; hij is een onovertreffelijk veld van verdienste in de wereld. 
       
       Indien een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, ongetemd, ongeoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een ongetemde die gestorven is. En evenzo is het met een ongetemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook wordt een ongetemde olifant die op jonge leeftijd sterft, beschouwd als een ongetemde die gestorven is. 
       En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling (thero) is, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten niet verwoest, dan wordt die monnik beschouwd als iemand die ongetemd gestorven is. 
       Maar als een olifant van de koning op oude leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is. En evenzo is het met een getemde olifant van de koning die op middelbare leeftijd sterft. En ook als een olifant op jonge leeftijd sterft, wel-getemd, wel-geoefend, dan wordt die olifant beschouwd als een die getemd gestorven is. 
       En op gelijke wijze, als een monnik die een ouderling is, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die monnik bij zijn dood beschouwd als een ouderling die getemd gestorven is. En evenzo is het met een monnik van middelbaar monnikschap. En ook als een monnik die pas in de Orde is opgenomen, sterft met de smetten verwoest, dan wordt die pas opgenomen monnik die gestorven is, beschouwd als iemand die getemd gestorven is. 
 
       Zo is mijn instructie voor monniken die leerlingen zijn, die de volmaaktheid nog niet bereikt hebben en die een verlangen hebben naar de onvergelijkbare zekerheid van de bevrijding van de banden. Maar wat betreft die monniken die volmaakt zijn, die de boeien verbroken hebben, die het heilige leven geleefd hebben, die de last hebben afgelegd, die hun eigen doel hebben bereikt, die de banden van worden helemaal hebben verwoest en die geheel bevrijd zijn door volmaakte en diepe kennis, deze dingen dragen bij zowel tot het verblijven van hen in gemak hier en nu, als tot hun oplettendheid en helder bewustzijn.”
 
11. Wordt Nibbāna door ieder bereikt? 
 
       Toen dit was gezegd, sprak een brahmaan aldus tot de Heer: “Nu dit aldus door de Heer is uitgelegd, bereiken dan alle leerlingen van Gotama het uiterste doel, Nibbāna, of bereiken sommigen het doel niet?” – “Brahmaan, sommigen van mijn leerlingen bereiken Nibbāna wel, anderen bereiken dat doel niet. Na door mij te zijn aangespoord en aldus te zijn geïnstrueerd, bereiken sommigen van mijn leerlingen het uiterste doel, Nibbāna, wel en anderen bereiken het niet.”
       “Aangezien Nibbāna bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien de goede Gotama bestaat als raadgever, wat is dan de oorzaak, wat is de reden dat sommigen van de goede leerlingen, na te zijn aangespoord en geïnstrueerd, dat doel niet bereiken en anderen wel?”
       “Welnu, brahmaan, ik zal je vragen stellen en jij moet dan maar antwoorden zoals het je goed dunkt. Ben je goed bekend met de weg die naar Rājagaha voert?” – “Ja, Heer, ik ben er goed mee bekend.” – “Wat denk je dan, als nu een man hierheen kwam en de weg naar Rājagaha wilde weten, en hij vroeg die weg aan jou, dan zou je zeggen: ‘Deze weg hier gaat naar Rājagaha, volg die weg een poosje tot je een dorp ziet. Ga dan een poosje verder tot je een marktplaats ziet. Ga dan nog iets verder en je zult Rājagaha zien met zijn verrukkelijke parken, bossen, velden en vijvers.’ Maar hoewel hij aldus door jou is aangespoord en geïnstrueerd, nam hij de verkeerde weg. Een andere man kan komen en de weg naar Rājagaha vragen. En je wijst hem op dezelfde manier de weg. Die man bereikt dan wel Rājagaha veilig. Wat is de oorzaak, wat is de reden dat, aangezien Rājagaha bestaat, aangezien de weg ernaar toe bestaat, aangezien jij bestaat als raadgever, de een niet aankomt en de ander wel?”
       “Heer, wat kan ik eraan doen, ik wijs alleen maar de weg.”- “Brahmaan, evenzo bestaat Nibbāna, bestaat de weg ernaar toe en besta ik als raadgever. Maar sommigen van mijn volgelingen, aldus door mij aangespoord en geïnstrueerd, bereiken het onveranderlijke doel, Nibbāna, wel en sommigen bereiken het niet. Wat kan ik doen in dit geval? Ik wijs alleen de weg.”
       “Zoals jasmijn de hoogste is onder de bloemengeuren, evenzo is de aansporing van de goede Gotama de hoogste onder de leringen van vandaag. Voortreffelijk, het is heel voortreffelijk en duidelijk uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de goede Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht neemt vanaf vandaag tot zolang als het leven duurt.”
 (M.107; M.125; zie ook M.51)
« Laatst bewerkt op: 22-01-2018 18:17 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #62 Gepost op: 30-12-2017 22:10 »
10.24. Het vrijmaken van de geest

   Eens verbleef te Verhevene te Sāvatthī in het Jetavana klooster. De eerwaarde Sāriputta sprak toen tot de monniken aldus: 
   "Vrienden, zoals in het voetspoor van een olifant het voetspoor past van elk ander levend wezen dat zich lopend voortbeweegt, evenzo kunnen alle heilzame toestanden in de vier edele waarheden ingepast worden, en wel in de edele waarheid van lijden, in de edele waarheid van de oorsprong van lijden, in de edele waarheid van de opheffing van lijden, en in de edele waarheid van de weg die voert naar de opheffing van lijden.
   De edele waarheid van lijden is als volgt: geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.
   De vijf groeperingen van hechten zijn de groeperingen van vorm, van gevoel, van waarneming, van de formaties en van het bewustzijn. 

   De groepering van vorm bestaat uit de vier grote elementen en de vorm die van de vier grote elementen afstamt. Die vier grote elementen zijn het aarde-element, het waterelement, het vuurelement en het windelement (luchtelement).

(het aarde-element)

   Vrienden, het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees van spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, inhoud van de maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element.
   Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: 'Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.
   Eens komt de tijd waarin het uiterlijke aarde-element in chaos geraakt en dan verdwijnt het uiterlijke aarde-element. Wanneer zelfs dit uiterlijke aarde-element, hoe groot het ook is, als vergankelijk beschouwd wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

   Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.   
   Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'
   Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'
   Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt,  dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het waterelement)

   Vrienden, het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talk, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig  en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.
   Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.' Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.
   Eens komt de tijd waarin het uiterlijke waterelement in chaos raakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan overstroomd. Eens komt de tijd waarin het water in de grote oceaan steeds verder terugwijkt, 100 km, 200 km, 500 km, 700 km. Eens komt de tijd dat het water in de grote oceaan steeds ondieper wordt, tot zelfs een vinger niet meer natgemaakt kan worden. Wanneer zelfs dat uiterlijke waterelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en aan verandering, hoeveel meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

   Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.
   Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het  opvolgen van de leer van de Boeddha.'
   Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van  urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'
   Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het vuurelement)

   Vrienden, het vuurelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuurelement bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteert wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig  en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuurelement.
   Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuurelement  moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men het vuurelement zo beschouwt, wordt men tegenover het vuurelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuurelement.
   Eens komt de tijd waarin het uiterlijke vuurelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan door brand verwoest. Het vuur gaat alleen uit op grond van gebrek aan brandstof, bijvoorbeeld wanneer het bij groen gras komt, of bij een rots of bij water of bij een vrije, open vlakte. Eens komt de tijd waarin men met moeite zal proberen vuur te maken, zelfs met kippenveren of spanen van schors. Wanneer zelfs dat uiterlijke vuurelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.
   Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.
   Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.'
   Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van  urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'
   Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het windelement)

   Vrienden, het windelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke windelement is aldus: wat er aan innerlijke dingen, die tot iemand zelf behoren, wind, winderig, en object van hechten is, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke windelement.
   Zowel het innerlijke als het uiterlijke windelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: 'Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.' Wanneer men het windelement zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, dan wordt men tegenover het windelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het windelement.   
   Eens komt de tijd dat het uiterlijke windelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan weggeveegd. Eens komt de tijd dat men in de laatste maand van het warme seizoen probeert wind te maken met een waaier of blaasbalg, en dat zelfs loshangende strovezels aan de rand van het dak niet bewegen. Wanneer zelfs dat uiterlijke windelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk gezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.
   Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: 'Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.' Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.
   Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest laat ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn; mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het  opvolgen van de leer van de Boeddha.'
   Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'
   Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

   Vrienden,  juist zoals ruimte die door hout, klimplanten, gras en leem veroorzaakt is, als “huis” aangeduid wordt, evenzo wordt ruimte die door beenderen en pezen, vlees en huid veroorzaakt is, als “vorm” aangeduid.
   Vrienden, wanneer innerlijk het oog intact is, maar geen uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel[*1] aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Vrienden, wanneer innerlijk het oor intact is, maar geen uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Vrienden, wanneer innerlijk de neus intact is, maar geen uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Vrienden, wanneer innerlijk de tong intact is, maar geen uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Vrienden, wanneer innerlijk het lichaam intact is, maar geen uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Vrienden, wanneer innerlijk de geest intact is, maar geen uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.
   Maar wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

   Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.

   De vorm die op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van de vorm waaraan gehecht wordt. Het gevoel dat op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van het gevoel waaraan gehecht wordt. De waarneming die op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van de waarneming waaraan gehecht wordt. De formaties die op een dergelijke manier in het bestaan getreden zijn, worden omsloten in de groepering van de formaties waaraan gehecht wordt. Het bewustzijn dat op een dergelijke manier in het bestaan getreden is, wordt omsloten in de groepering van het bewustzijn waaraan gehecht wordt.

   Men begrijpt: inderdaad, op die manier komt het omsluiten, inzamelen en opstapelen van deze vijf bestaansgroepen tot stand. Nu is door de Verhevene het volgende gezegd: 'Iemand die oorzakelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet oorzakelijk ontstaan.' En deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn oorzakelijk ontstaan. De begeerte, het botvieren, de neiging en het vasthouden aan deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is de oorsprong van dukkha. Het verwijderen van begeerte en verlangen, het overwinnen van begeerte en verlangen naar deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is het opheffen van dukkha. Ook op dat punt is door die monnik veel bereikt. 

   Evenzo is het met het oor en geluiden; de neus en geuren; de tong en smaken; het lichaam en aanrakingsobjecten; de geest en geestobjecten.
 
   Zo sprak de eerwaarde Sariputta. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de eerwaarde Sariputta. (M.28)
_____
[*1]
samannāhāra; hier wordt duidelijk uitgelegd dat bewustzijn van oorzakelijke factoren afhankelijk is. Er bestaat geen bewustzijn zonder inhoud.


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #63 Gepost op: 31-12-2017 19:15 »
10.25. Bevrijd

   Door het ontwikkelen van deugdzaamheid, door het ontwikkelen van de geest, en door wijsheid op een grondige manier, stap voor stap; en door het overwegen van het verschijnsel van ontstaan en vergaan
bereikt men arahantschap, volmaakte heiligheid. (zie M.111)
   De waan-neigingen van het "ik" en "mijn" zijn volledig uitgeroeid. Daarom zullen bij de volmaakte heilige geen zorgen ontstaan, geen gejammer, pijn, wanhoop en droefenis. (zie S.21.2; S.28.1-9).
   De volmaakte heilige is volledig bevrijd van de mening “ik ben”. Hij ziet alleen oorzaken en oorzakelijk ontstaan. Voor hem is er geen maat meer waarmee hij aangeduid kan worden.

   De getuigenissen van de volgende volmaakt heilige bhikkhunis gaan over het inzien dat er geen zelf, geen ik is.
   Bhikkhunī Somā: "Ik denk niet meer in termen van 'ben ik een man of een vrouw of ben ik eigenlijk iets.' Ik denk niet meer aan een zelf." (S.5.2)

   Bhikkhunī Selā: ”Het lichaam is zonder een zelfstandig iets; is ontstaan uit oorzaken; door opheffing van de oorzaken wordt het opgeheven.” (S.5.9)

   En bhikkhunī Vajirā: "De uitdrukking 'levend wezen' is een verkeerde term. Een levend wezen is een opeenhoping van losse vormen. Als de bestanddelen ervan aanwezig zijn, ontstaat slechts lijden. En niets anders dan lijden wordt opgeheven." (S.5.10)

   Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen. (S.12.20).
   
   Wanneer een edele volgeling dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij niet: “Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”
   Hij vraagt dan ook niet: “Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”
   Hij vraagt dan ook niet: “Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”
   Zulke vragen komen niet bij hem op. En wel omdat hij het oorzakelijke ontstaan en de oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38).

   Wanneer men bij de vier elementen [aarde, water, vuur en lucht] het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen; men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)
   
   Allen die in het verleden of in de tegenwoordige tijd datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben en beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar, die hebben de dorst opgegeven.
   Degenen die de dorst hebben opgegeven, hebben de basis opgegeven, en daarmee ook het lijden. Degenen die het lijden opgeven, worden bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, worden bevrijd van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij worden bevrijd van lijden. (S.12.13; S.12.33; S.12.66)

       "De wijze laat oude neigingen, hij laat geen nieuwe meer opkomen.
       Hij volgt niet de willekeur en is geen verkondiger van dogmas.
       Hij is geheel bevrijd van theorieën.
       Vrij van zelf-verwijten leeft hij onbevlekt in de wereld." (Sn.IV.13, vers 913)

   Het verwijderen van het verlangen en van de begeerte naar de elementen, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen. En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen aan de elementen. (Zie M.1)

   Als er bij die elementen niets aangenaams was, zouden de wezens er geen welbehagen in vinden. Als er bij die elementen niets nadeligs was, zouden de wezens er geen afkeer van hebben. Als er bij die elementen geen ontkomen was, zouden de wezens er niet aan ontkomen.
     Zolang als dit niet begrepen wordt, zolang is men niet volledig verlicht. Maar als men dat overeenkomstig de werkelijkheid begrepen heeft, dan is men volledig verlicht. (S.14.31-32)
   Zolang als men dat nog niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft begrepen, zolang is men nog niet ontkomen aan de kringloop van bestaan. Men is er dan nog niet van losgeraakt, is er dan nog niet van afgescheiden.
   Maar wanneer men bij die vier elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan is men ontkomen aan de wereld met haar goden en Brahmas, met haar goden en mensen. Men is dan ervan losgeraakt, ervan afgescheiden en men leeft met een gemoed dat vrij is van grenzen. (S.14.33)

   Bewustzijn is afhankelijk van oorzakelijke factoren. Er bestaat geen bewustzijn zonder inhoud. Het is altijd "bewustzijn van iets".
   Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.
   Dit lichaam bestaat uit de vijf grote elementen [aarde, water, vuur, lucht en ruimte] en kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

   Een godheid hoort dat de bhikkhus die in het bos wonen, de uitdrukkingen "ik" en "mijn" en "van mij" gebruiken. Zij vraagt aan de Boeddha of dit geoorloofd is. Want volgens de leer van de Boeddha is er geen zelf, geen ik. Het antwoord van de Verhevene is dat het maar conventionele uitdrukkingswijzen zijn. Het woord "ik" wordt gebruikt in plaats van de khandhā, de groepen van bestaan. De godheid vraagt dan verder of de Bhikkhus nog in onwetendheid, in een waan gevangen zijn wanneer zij die uitdrukkingen van ik en mijn gebruiken. De Boeddha legt dan uit dat de volmaakte heilige vrij is van elke waan, van alle onwetendheid. (S.1.25)

   Het Nibbāna dat reeds in dit leven verwezenlijkt kan worden, is door diegenen die het bereikt hebben, aangeprezen als een zuiver en onvervreemdbaar geluk, als de hoogste vertroosting, als de onuitsprekelijke verlichting die bestaat in het bevrijd te zijn van last en gebondenheid.


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #64 Gepost op: 01-01-2018 20:44 »
10.26. Volleerd
 
       Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi. Daar sprak hij de volgende leerrede:
       “Monniken, een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op drie manieren, die monnik heet: ‘volleerd[*1] in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.’
 
       En hoe is een monnik bekwaam in de zeven punten?
 
1.    Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig vorm.
2.    Hij begrijpt volledig het ontstaan van vorm.
3.    Hij begrijpt volledig het beëindigen van vorm.
4.    En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van vorm.
5.    Hij begrijpt volledig de voldoening die er in vorm is.
6.    Hij begrijpt volledig het lijden dat er in vorm is.
7.    En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan vorm.
 
       En wat, monniken, is vorm? - Het zijn de vier grote elementen en de vorm die afhankelijk is van die vier grote elementen. Van het ontstaan van voedsel komt het ontstaan van vorm; van het beëindigen van voedsel is het beëindigen van vorm. En het pad dat voert naar het beëindigen van vorm is het edele achtvoudige pad, namelijk : juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning,  juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.
       Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege vorm, dat is de voldoening die er in vorm is. In zoverre als vorm vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in vorm is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in vorm zijn, dat is de ontsnapping aan vorm.
       Monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in vorm is, die het lijden begrijpen dat er in vorm is en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor vorm, het zich losmaken van vorm, en het ophouden van vorm, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.
       En monniken, allen die aldus volledig vorm begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in vorm begrijpen en die de ontsnapping aan vorm begrijpen, zij zijn, zonder zich aan vorm te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor vorm, hun zich losmaken van vorm en hun ophouden van vorm bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk[*2] waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
 
       En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?
 
1.    Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig gevoelens.
2.    Hij begrijpt volledig het ontstaan van gevoelens.
3.    Hij begrijpt volledig het beëindigen van gevoelens.
4.    En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van gevoelens.
5.    Hij begrijpt volledig de voldoening die er in gevoelens is.
6.    Hij begrijpt volledig het lijden dat er in gevoelens is.
7.    En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan gevoelens.
 
       En wat, monniken, zijn gevoelens? - Er zijn deze zes indelingen van gevoelens, namelijk: gevoel dat geboren is uit contact met het oog, gevoel dat geboren is uit contact met het oor, gevoel dat geboren is uit contact met de neus, gevoel dat geboren is uit contact met de tong, gevoel dat geboren is uit contact met het lichaam, en gevoel dat geboren is uit contact met de geest. Dit heet gevoel.
       Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van gevoel; van het beëindigen van contact is het beëindigen van gevoel. En het pad dat voert naar het beëindigen van gevoel is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.
       Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege gevoel, dat is de voldoening die er in gevoel is. In zoverre als gevoel vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in gevoel is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in gevoel zijn, dat is de ontsnapping aan gevoel.
       Monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in gevoel is, die het lijden begrijpen dat er in gevoel is en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor gevoel, het zich losmaken van gevoel en het ophouden van gevoel, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.
       En monniken, allen die aldus volledig gevoel begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in gevoel begrijpen en die de ontsnapping aan gevoel begrijpen, - zij zijn, zonder zich aan gevoel te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor gevoel, hun zich losmaken van gevoel en hun ophouden van gevoel bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
 
       En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?
 
1.    Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig waarneming.
2.    Hij begrijpt volledig het ontstaan van waarneming.
3.    Hij begrijpt volledig het beëindigen van waarneming.
4.    En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van waarneming.
5.    Hij begrijpt volledig de voldoening die er in waarneming is.
6.    Hij begrijpt volledig het lijden dat er in waarneming is.
7.    En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan waarneming.
 
       En wat, monniken, is waarneming? - Er zijn deze zes indelingen van waarneming, namelijk: waarneming van vorm, waarneming van geluid, waarneming van geur, waarneming van smaak, waarneming van aanrakingen en waarneming van ideeën en gedachten. Dit heet waarneming.
       Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van waarneming; van het beëindigen van contact is het beëindigen van waarneming. En het pad dat voert naar het beëindigen van waarneming is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.
 
       Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege waarneming, dat is de voldoening die er in waarneming is. In zoverre als waarneming vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in waarneming is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in waarneming zijn, dat is de ontsnapping aan waarneming.
       Monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in waarneming is, die het lijden begrijpen dat er in waarneming is en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor waarneming, het zich losmaken van waarneming en het ophouden van waarneming, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.
       En monniken, allen die aldus volledig waarneming begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in waarneming begrijpen en die de ontsnapping aan waarneming begrijpen, zij zijn, zonder zich aan waarneming te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor waarneming, hun zich losmaken van waarneming en hun ophouden van waarneming bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
 
       En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?
 
1.    Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig geestelijke activiteiten.
2.    Hij begrijpt volledig het ontstaan van geestelijke activiteiten.
3.    Hij begrijpt volledig het beëindigen van geestelijke activiteiten.
4.    En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van geestelijke activiteiten.
5.    Hij begrijpt volledig de voldoening die er in geestelijke activiteiten is.
6.    Hij begrijpt volledig het lijden dat er in geestelijke activiteiten is.
7.    En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.
 
       En wat, monniken, zijn geestelijke activiteiten? - Er zijn deze zes indelingen van intenties, namelijk: de intentie van vormen, de intentie van geluiden, de intentie van geuren, de intentie van smaken, de intentie van aanrakingen en de intentie van ideeën. Dit heet geestelijke activiteiten. Van het ontstaan van contact komt het ontstaan van geestelijke activiteiten; van het beëindigen van contact is het beëindigen van geestelijke activiteiten. En het pad dat voert naar het beëindigen van geestelijke activiteiten is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.
       Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege geestelijke activiteiten, dat is de voldoening die er in geestelijke activiteiten is. In zoverre als geestelijke activiteiten vergankelijk zijn, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in geestelijke activiteiten is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in geestelijke activiteiten zijn, dat is de ontsnapping aan geestelijke activiteiten.
       Monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, aldegenen die aldus de voldoening begrijpen die er in geestelijke activiteiten is, die het lijden begrijpen dat er in geestelijke activiteiten is en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor geestelijke activiteiten, het zich losmaken van geestelijke activiteiten en het ophouden van geestelijke activiteiten, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.
       En monniken, allen die aldus volledig geestelijke activiteiten begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in geestelijke activiteiten begrijpen en die de ontsnapping aan geestelijke activiteiten begrijpen, zij zijn, zonder zich aan geestelijke activiteiten te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor geestelijke activiteiten, hun zich losmaken van geestelijke activiteiten en hun ophouden van geestelijke activiteiten bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
 
       En hoe is een monnik verder bekwaam in de zeven punten?
 
1.    Welnu, monniken, een monnik begrijpt volledig bewustzijn.
2.    Hij begrijpt volledig het ontstaan van bewustzijn.
3.    Hij begrijpt volledig het beëindigen van bewustzijn.
4.    En hij begrijpt volledig het pad dat voert naar de beëindiging van bewustzijn.
5.    Hij begrijpt volledig de voldoening die er in bewustzijn is.
6.    Hij begrijpt volledig het lijden dat er in bewustzijn is.
7.    En hij begrijpt volledig de ontsnapping aan bewustzijn.
 
       En wat, monniken, is bewustzijn? - Er zijn deze zes indelingen van bewustzijn, namelijk: oog-bewustzijn, oor-bewustzijn, neus-bewustzijn, tong-bewustzijn, lichaam-bewustzijn en geest-bewustzijn. Van het ontstaan van 'naam-en- vorm' komt het ontstaan van bewustzijn; van het beëindigen van 'naam-en-vorm' is het beëindigen van bewustzijn. En het pad dat voert naar het beëindigen van bewustzijn is dit edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest.
       Het genot, het geluk dat ontstaat vanwege bewustzijn, dat is de voldoening die er in bewustzijn is. In zoverre als bewustzijn vergankelijk is, vol van lijden en onderhevig aan verandering, dat is het lijden dat er in bewustzijn is. De beteugeling van begeerte en lust, het van zich afzetten van begeerte en lust die er in bewustzijn zijn, dat is de ontsnapping aan bewustzijn.
       Monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, allen die aldus de voldoening begrijpen die er in bewustzijn is, die het lijden begrijpen dat er in bewustzijn is en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, allen die aldus op weg zijn naar het walgen voor bewustzijn, het zich losmaken van bewustzijn, en het ophouden van bewustzijn, zij zijn daardoor op de juiste weg. En degenen die op de juiste weg zijn, hebben een hechte basis in deze norm en discipline.
       En monniken, allen die aldus volledig bewustzijn begrijpen, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, zij die aldus volledig de voldoening en het lijden in bewustzijn begrijpen en die de ontsnapping aan bewustzijn begrijpen, zij zijn, zonder zich aan bewustzijn te hechten, daardoor bevrijd. En zij die dank zij hun walgen voor bewustzijn, hun zich losmaken van bewustzijn en hun ophouden van bewustzijn bevrijd zijn, zij zijn waarlijk bevrijd. Zij zijn volleerd en voor hen die volleerd zijn, is er geen draaikolk waarmee zij aangeduid zouden kunnen worden.
       
       Op deze manier is een monnik bekwaam in de zeven punten.
 
       En hoe is een monnik een onderzoeker op de drie manieren? Welnu, monniken, hij onderzoekt dingen:
1. via de elementen,[*3]
2. via de zintuiglijke sferen,[*4]
3. via oorzakelijk ontstaan.[*5]
 
       Dat is de manier waarop een monnik een onderzoeker wordt op de drie manieren.
 
       Een monnik die bekwaam is in de zeven punten, die een onderzoeker is op de drie manieren, hij heet volleerd in deze norm en discipline, iemand die meesterschap heeft bereikt, superman.” (S.XXII.57; vgl. S.35.60-62 en M.115)
 
_____
[*1]  Volleerd (kevalī) = iemand die alleen leeft. De betekenis van volleerdheid, van volledigheid is eronder begrepen. Dit alleen zijn heeft evenwel een diepere betekenis voor de Arahant. Het heeft betrekking op het niet verwikkeld zijn in naam-en-vorm van de heilige. Hij heeft een einde gemaakt aan naam-en-vorm en die combinatie wordt niet langer overdacht of is niet meer openbaar in zijn bewustzijn. In S.III.105 is gezegd dat de notitie ‘ik ben’ verschijnt als men overweegt over de vijf aggregaten, juist zoals wanneer men kijkt naar eigen spiegelbeeld dat weerkaatst wordt in een spiegel of in een kom met water. Zo is het hele waanbeeld (waanbegrip) ‘ik ben’ dat als maatstaf genomen wordt, inderdaad afhankelijk en relatief. De Arahant is vrij van dat waanbeeld en steunt niet op standaardmaten van oordelen en beoordelingen; hij is daarom waarlijk alleen, volledig geïntegreerd en volleerd. Hij is een volledigheid, geboren uit inwendige eendracht die te danken is aan het feit dat zijn bewustzijn nergens meer ‘vertoeft’.   
[*2] Een draaikolk is een stroming die terugkeert, tegen de hoofdstroom in; ze veroorzaakt zo een draaiende beweging. Deze draaikolk in samsara is eveneens het resultaat van het tegenwerken van de natuurlijke stroom met z'n drie eigenschappen van niet-blijvendheid, onvoldaanheid (lijden) en niet-zelfstandigheid (afhankelijk bestaan).
     Bewustzijn keert terug van naam-en-vorm; het gaat er niet overheen. Het begrijpen hiervan is de reddende wijsheid die zijn hoogtepunt heeft in een volledig begrijpen van de illusie die bewustzijn vormt. Tussen deze twee schakels van
paticca samuppāda is er een draaikolk voor het aanduiden van ‘dit-heid’ (nl. de condities van dit bestaan). Als het reflex-mechanisme van het bewustzijn ontdekt is, verliest de motiverende kracht voor deze draaikolk zijn bekrachtiging. Het voeden van bewustzijn blijkt dan een vicieus systeem van terugkoppeling, van reactie te zijn zoals dat ook het geval is bij een draaikolk. “Naam-en-vorm’ worden dan gezien zuiver als een product van veelvuldigheid (papañca-namarūpam)”.
      Met de visie van de dingen zoals ze zijn, komt er een afkeer voor deze wisselwerking die niets anders is dan een secundaire manifestatie van een conflict (dukkha) met de ‘hoofdstroom’ van de natuur. Deze afkeer geeft aanleiding tot een zich afwenden en dit voert tot de vrijheid van het conflict dat samsarisch bestaan kenmerkt. Er kan alleen een aanduiding als ‘dit-heid’ (itthatta) zijn, zolang als de draaikolk van individueel bestaan gaande wordt gehouden. Als de draaikolk ophoudt te bestaan, verliezen alle wijzen van aanduiding hun punt van referentie. Immers, waar een ‘dit-heid’ (itthatta) was, is dan een tathatā (zo-heid of aldusheid). De Tathāgata, de Transcendente, wordt aldus waarlijk: diep, onmetelijk als de grote oceaan (M.I.488). De vijf aggregaten die hij heeft opgegeven, hebben alleen een schijn van connectie met hem nu, zoals het in beroering gebrachte oppervlaktewater dat nog een teken heeft van een draaikolk die al lang naar de diepte ervan verdwenen is.
   De draaikolk is er niet meer voor de Arahants omdat het tegendeel van bewustzijn, nl. naam-en-vorm, niet langer aanwezig is.
      “In zoverre kan men slechts geboren worden of ouder worden of sterven of heengaan of weer verschijnen, in zoverre slechts is er een pad voor terminologie, in zoverre slechts is er een pad voor aanduidingen, in zoverre slechts is er enige sfeer van kennis, in zoverre slechts is er een draaikolk voor een aanduiding van ‘dit-heid’, d.w.z. in zoverre als er naam-en-vorm bestaat samen met bewustzijn.” (D.15).
[*3] De achttien elementen zijn: oog, zichtbaar object, oog-bewustzijn, oor, geluid, oor-bewustzijn; neus, geur, neus-bewustzijn; tong, smaak, tong-bewustzijn; lichaam, tastbare objecten, lichaam-bewustzijn; geest, gedachten, geest-bewustzijn.

[*4] De twaalf zintuiglijke sferen zijn: oog, zichtbaar object; oor, geluid; neus, geur; tong, smaak; lichaam, tastbare objecten; geest, ideeën. - Gewoonlijk worden zij in twee groepen verdeeld: de inwendige (= de zes zintuigen) en de uitwendige (= de resp. objecten).
[*5] Dit heeft betrekking op de contemplatie over het ontstaan en vergaan van de vijf aggregaten van hechten overeenkomstig het principe van
paticca samuppāda.

 
« Laatst bewerkt op: 02-06-2018 13:51 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #65 Gepost op: 02-01-2018 15:54 »
10.27. De boei
   
   Het oog is niet de boei van de vormen, noch zijn de vormen de boei van het oog. Maar wat er, door beide veroorzaakt, ontstaat aan wilsprikkel, dat is daarbij de boei.
   De zintuigen zijn niet de boei van de zintuiglijke objecten, noch zijn de zintuiglijke objecten de boei van de zintuigen. Maar wat er, door beide veroorzaakt, ontstaat aan wilsprikkel, dat is daarbij de boei.
   Juist zoals wanneer een zwarte en een witte os met een juk met elkaar verbonden zijn; dan is de zwarte os niet de boei van de witte os, noch is de witte os de boei van de zwarte os. Maar het juk is de boei.
   Juist zo is het zintuig (oog, oor, neus, tong, lichaam, geest) niet de boei van het zintuiglijk object (vorm, geluid, geur, smaak, aanraking, gedachte) noch is het zintuiglijk object de boei van het zintuig. Maar wat er, door beide veroorzaakt, ontstaat aan wilsprikkel, dat is daarbij de boei.
   Als het zintuig de boei van het zintuiglijk object was, en als het zintuiglijk object de boei van het zintuig was, dan zou er geen heilig leven zijn tot volledige opdroging van het lijden. Maar omdat de wilsprikkel de boei is van beide, daarom is er een heilig leven tot volledige opdroging van het lijden.
   Bij de volmaakte heilige zijn de zintuigen aanwezig. Hij ziet vormen met het oog; hij hoort geluiden met het oor; hij ruikt geuren met de neus;  hij proeft smaken met de tong; hij heeft aanrakingen met het lichaam; hij denkt gedachten met de geest. Maar bij de volmaakte heilige is er geen wilsprikkel meer. Zijn gemoed is geheel en al bevrijd. (S.35.191)


Offline aanwezig

  • wat is dit
  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2860
  • Geslacht: Man
  • ...is dat zo...?
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #66 Gepost op: 02-01-2018 17:03 »
.......   Bij de volmaakte heilige zijn de zintuigen aanwezig. Hij ziet vormen met het oog; hij hoort geluiden met het oor; hij ruikt geuren met de neus;  hij proeft smaken met de tong; hij heeft aanrakingen met het lichaam; hij denkt gedachten met de geest. Maar bij de volmaakte heilige is er geen wilsprikkel meer. Zijn gemoed is geheel en al bevrijd. (S.35.191)

Mooi kernachtige alinea.
met een been in het graf,
het ander op een bananenschil

Online Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3523
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #67 Gepost op: 02-01-2018 20:33 »
.......   Bij de volmaakte heilige zijn de zintuigen aanwezig. Hij ziet vormen met het oog; hij hoort geluiden met het oor; hij ruikt geuren met de neus;  hij proeft smaken met de tong; hij heeft aanrakingen met het lichaam; hij denkt gedachten met de geest. Maar bij de volmaakte heilige is er geen wilsprikkel meer. Zijn gemoed is geheel en al bevrijd. (S.35.191)

Mooi kernachtige alinea.

Ja. Toch, je kunt je ook weer afvragen of het uitblijven van wilsprikkels alleen, perse betekent dat iemand een volmaakt heilige is.

Siebe



Offline MaartenD

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 609
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #68 Gepost op: 03-01-2018 10:59 »
Mogelijk staat hier 'wilsprikkel' als pars pro toto of gewoon als net niet compleet handig vertaald woord. Ik beheers de grondtalen niet.

Bij de volmaakte heilige zijn de drie vergiften niet aanwezig dus dat betekent de afwezigheid van haat/afkeer, wil/begeerte en natuurlijk illusie. Wil moet als ik het zelf helder zie opgevat worden als enige vorm van tanha.

Kan dat?

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #69 Gepost op: 03-01-2018 12:16 »
Citaat
Maar bij de volmaakte heilige is er geen wilsprikkel meer. Zijn gemoed is geheel en al bevrijd. (S.35.191)

De geciteerde tekst is een vertaling van de woorden van de Boeddha; het zijn geen woorden van Nico. Wie deze woorden waardeert, waardeert de Dhamma. Iedereen die deze woorden in twijfel trekt, twijfelt aan de Dhamma.
Met wilsprikkel wordt bedoeld elke neiging, elke prikkeling die met het iets willen te maken heeft. Die neigingen en prikkels zijn bij de volmaakte heilige volledig verdwenen.

Nico
« Laatst bewerkt op: 03-01-2018 22:45 door nico70 »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #70 Gepost op: 03-01-2018 12:29 »
10.28. Leeg van bestaanssubstraten

   Te Savatthi. De eerwaarde Brahmadeva bereikte volmaakte heiligheid. Daarna bezocht hij zijn moeder die offers placht te geven aan Brahmā. Brahma Sahampati zei haar dat zij nu gaven kon geven aan haar zoon die hoger was dan een god.
   "Hij is leeg van bestaanssubstraten, meer dan een god, iemand die niets zijn eigen noemt, die voor niemand anders hoeft te zorgen.[*1]
Gelaten gaat hij op zoek naar eten.
Voor hem is er geen vroeger en geen later.[*2]
Hij is in vrede, zonder toorn, onschuldig, zonder wens.
Hij heeft de staf tegenover de hele wereld neergelegd.[*3]
Hij is vrij van wereldse invloeden, met een vredig hart,
Als een tamme olifant gaat hij, zonder fouten,
een bhikkhu van hoge zedelijke discipline, met een bevrijd hart." (S.VI.3)

   In het land Kosala zat de Boeddha eens met gevouwen benen in een bos. Een brahmaan kwam er met zijn leerlingen en vroeg: "Bhikkhu, in onbeweeglijke waardige houding oefen je heerlijke verdieping. Waar geen muziek is en gezang daar vertoef je, wijze. Wonderbaarlijk is het voor mij dat je met blij gemoed eenzaam in het bos woont. [...]  Waarom oefen je hier, [...].  De Boeddha gaf ten antwoord:
   "Datgene wat er aan wensen en verlangen is, wat steeds sterk hecht aan vele voorwerpen, wat ontsproten is uit de wortel van onwetendheid, wat men vurig verlangt, dat alles is door mij verwijderd met wortel en al. Brahmaan, zonder wensen, zonder begeerte, zonder belangstelling, met gezuiverde blik voor alle dingen, oefen ik meditatieve verdieping, in de stilte van vertrouwen, nadat ik deelachtig ben geworden aan de hoogste heerlijke Verlichting." (S.VII.18)
___
[*1] anaññaposiya. Commentaar: hij heet zo omdat hij behalve voor de eigen persoon voor geen andere personen hoeft te zorgen.
[*2] D.w.z. hij is steeds gelijk.
[*3] Commentaar: ook al gaat hij met een wandelstok rond, hij is niet van plan die stok te gebruiken om iemand te slaan.

« Laatst bewerkt op: 03-01-2018 15:18 door nico70 »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #71 Gepost op: 04-01-2018 11:35 »
10.29. De hoogste volmaaktheid

   Eens vertoefde de Verhevene te Rajagaha, bij de voerplaats van de pauwen, in het klooster van de ronddolende asceten. Daar wendde hij zich tot de monniken met de volgende leerrede:
   "Een monnik aan wie drie dingen eigen zijn, heeft de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste vrede, de hoogste heiligheid, het hoogste doel; hij is de beste onder goden en mensen. Die drie dingen zijn:
    De aan de heilige eigen rijkdom van de deugdzaamheid; de aan de heilige eigen rijkdom van de geestelijke concentratie; de aan de heilige eigen rijkdom van de wijsheid. (A.III.144)
    Het wonder van magische krachten; het wonder van gedachten lezen; en het wonder van onderricht. ((A.III.145; vgl. A.III.61)
    Juist inzicht; juist weten en juiste bevrijding. (A.III.146)
   Een monnik aan wie deze drie dingen eigen zijn, heeft de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste vrede, de hoogste heiligheid, het hoogste doel. Hij is de beste onder goden en mensen." (A.III.144-146)

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #72 Gepost op: 04-01-2018 21:02 »
10.30. Epiloog

   Nibbana is de uitdoving van de vuren van passies, van begeerte, afkeer en onwetendheid. Nibbāna is een toestand die door iedereen verwerkelijkt kan worden. Het is het grootste geluk; het is de opperste vrede en hoogste vrijheid die er bestaat.
   Nibbana is volledige kalmte. De verlangens zijn uitgedoofd; de volmaakte heilige hecht niet meer aan iets, noemt niets meer zijn eigen. Hij is niet meer gebonden aan zinnelijke genietingen; hij is vol zelfbeheersing. Hij heeft alle boeien verbroken; hij is vrij, onverstoorbaar, zonder wens. Hij heeft begeerte en haat, voorkeur en afkeer, en onwetendheid en meningen opgegeven. Hij koestert geen verlangen meer naar iets in de wereld. Hij is ontkomen aan de hartstochten, is zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan. Zijn gemoed is stil. Hij is onthecht, beschouwt het lichamelijke niet als zijn eigen noch beschouwt hij het geestelijke als zijn eigen. Hij eigent zich niets meer toe. En omdat onwetendheid geheel en al is opgeheven, omdat hij weet dat er geen ego is, maar dat er alleen verschijnselen zijn, is er geen lager, gelijk of hoger voor hem. Hij noemt niets zijn eigen. Daardoor is hij onvindbaar geworden.

   De volmaakte heilige eigent zich vorm niet toe. Hij eigent zich zien-bewustzijn niet toe. Hij eigent zich gevoel niet toe; hij eigent zich tastbewustzijn niet toe. Idem met waarneming en waarnemingsbewustzijn, met geestelijke formaties en formatie-bewustzijn. De steun voor het bewustzijn is dan afgebroken. Dat bewustzijn is niet gevestigd en daardoor is het vrij, vast en bedaard.
Wat thans is, neemt hij waar, met inzicht, zoals het komt en wanneer het komt. Hij voegt er niets meer aan toe.
   
   De uiteindelijke bevrijding van alle lijden bestaat in onthechting, het loslaten, zich nergens aan hechten. Ze bestaat in het doven van het vuur van verlangen naar iets of het vuur van afkeer van iets. Door het opheffen van alle onwetendheid komt de waarheid in ons aan het licht. Daardoor zien wij dat er geen enkele reden is om ons ergens aan te hechten: alles is immers veranderlijk, vergankelijk, veroorzaakt, niet alleen ‘het andere’ maar ook wijzelf. 
   
   De Arahant heeft niet alleen de mening van een persoonlijkheid overwonnen, maar ook begeerte en ik-waan. Hij heeft het einde van dukkha bereikt. En wel omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.

   De geest moet geleidelijk bedwongen worden. Als men leeft temidden van zinnelijk genot kan men het hogere niet kennen. Door de geest  geleidelijk te bedwingen krijgt men vertrouwen in de Boeddha. Daarna leeft men deugdzaam, volgt de vijf regels van goed gedrag na. Verder is men waakzaam wat betreft de zinsorganen. Men moet niet in verrukking gebracht worden door de algemene verschijning van het waargenomene, noch door een detail ervan. Onheilzame staten van de geest laat men niet binnenstromen. Dan oefent men zich in gematigdheid bij het eten. Ook oefent men zich in waakzaamheid en oplettendheid. Men handelt helder bewust. Dan oefent men zich om de vijf hindernissen te boven te komen. Men reinigt de geest van begeerte en kwaadwil, van traagheid en luiheid, van rusteloosheid en bezorgdheid, en van twijfel. Verder beschouwt men het lichaam, het gevoel, de geest, de geestelijke staat. Wanneer men zover gevorderd is, treedt men binnen in de eerste, tweede, derde en vierde meditatieve verdieping. Dan krijgt men het drievoudige weten: de herinnering aan vroegere verblijven, het goddelijk oog en het richten van de geest op de kennis van de vernietiging van de smetten.
   Men is dan in staat om alles te verdragen: hitte en koude, honger en dorst, stekende insecten, onvriendelijke taal, onaangename lichamelijke gevoelens.

   Men moet een object niet naderen, d.w.z. men moet het zich niet toe-eigenen door het als "mijn" te beschouwen. Men moet nergens aan gehecht zijn. Men moet de begeerte ernaar of de afkeer ervan opgeven. Want door de begeerte en de afkeer, door de wilsprikkel zijn de zintuigen en de zintuiglijke objecten met elkaar vastgebonden.
   De vele soorten van aangename dingen in de wereld blijven bestaan, maar wie Nibbana verwerkelijkt heeft, heeft de begeerte ernaar volledig verwijderd.

   »Wij hoeven geen angst te hebben dat ons leven droog en kleurloos wordt na het overwinnen van de geestelijke onzuiverheden. De volledige vrijheid van begeerte maakt het denken en handelen niet onmogelijk. Integendeel, men staat dan als overwinnaar boven de dingen. Niets en niemand kan ons dan nog storen. Dat is echt geluk.« (Buddhadasa Bhikkhu)

   Begeerte schept kenmerken, haat schept kenmerken, onwetendheid schept kenmerken. En wel juist die kenmerken of kentekenen (nimitta), waarvan men zich bij de oefening van de beheersing van de zintuigen probeert te bevrijden. In iemand wiens neigingen vernietigd zijn, zijn begeerte, haat en onwetendheid opgeheven, verwijderd, zodat ze niet meer kunnen ontstaan.
   De onwrikbare bevrijding van het gemoed wordt als de beste genoemd. Die onwrikbare bevrijding van het gemoed is leeg van begeerte, leeg van haat en leeg van onwetendheid.

   Om het te zeggen met de woorden van de heer Paul van Hooydonck (Ehipassiko Boeddhistisch Centrum, Antwerpen):
   Als je een beetje loslaat
   ervaar je een beetje vrede.
   Als je veel loslaat
   ervaar je veel vrede.
   Als je volledig loslaat   
   ervaar je volledige vrede.

   Toen eens aan de Boeddha gevraagd werd of de Arahant na de dood bestaat of niet bestaat, weigerde hij antwoord te geven. Hij zei dat de vraag verkeerd gesteld was. Want geen enkel begrip van deze wereld is op hem van toepassing. De persoon die het hoge doel heeft bereikt, is zonder maat. Hij kan niet meer in wereldlijke begrippen omvat worden. Liever dan de waarheid geweld aan te doen, bewaarde de Boeddha stilzwijgen. Hij zei: “Beoefen de methode om Nibbāna te verwerkelijken. Die methode is gegeven in het edele achtvoudige pad. Beoefen ze en dan zul je zelf de waarheid ervaren.”
   En dit is dan ook de enige manier om te begrijpen wat Nibbāna is, namelijk door het zelf te verwerkelijken.

   Nibbāna is een geestelijke toestand van vrede, geluk en vrijheid die niet in woorden is uit te drukken. Wat dit betreft moeten wij vertrouwen op de mededelingen van degenen die ons zijn voorgegaan: de Boeddha en de Arahants. Reeds in dit leven kan die toestand van Nibbāna ervaren worden en niet alleen door monniken en nonnen, maar ook door leken. Hoe die toestand na de dood is, is evenmin in woorden te vatten. Hij gaat alle beschrijvingen te boven. Erover nadenken heeft geen zin; dat is ook niet goed voor de geestelijke gezondheid. Beter is het de aangegeven weg naar dat doel te begaan.

« Laatst bewerkt op: 10-02-2018 11:09 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #73 Gepost op: 05-01-2018 15:09 »
11. Waarom men zich moet inspannen

   Weinig wezens worden wedergeboren onder de mensen. Veel meer wezens worden buiten de menselijke sfeer wedergeboren. (S.56.61)
    Weinig wezens zijn navolgers van de edele leer. Veel meer wezens zijn onwetend, zijn verblind. (S.56.63)
   Weinig wezens houden zich aan de vijf regels van goed gedrag. Veel meer wezens houden zich er niet aan.(S.56.64, 71-77)
   Weinig wezens worden op het land geboren. Veel meer wezens worden in het water geboren. (S.56.65)
   Weinig wezens eren moeder en vader, asceten en brahmanen, de oudsten van de familie. Veel meer wezens zijn er die hen niet eren. (S.56.66-70)
    Weinig wezens volgen de acht regels van goed gedrag. Veel meer wezens volgen die acht regels niet.  (S.56.78-90)
   Weinig wezens onthouden zich van valse maat en vals gewicht, omkoperij, bedrog en gemeenheid, steken, slaan, vastbinden, roven, plunderen, gewelddaden. Veel meer wezens onthouden zich niet ervan. (S.56.91-101)
    Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden onder de mensen wedergeboren. Veel meer wezens die als mensen geboren zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.102-104)
    Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden. Veel meer wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.105-107)
    Weinig wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden of onder de mensen. Veel meer wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.108-113)
   Weinig wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.114-119)
   Weinig wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.120-125)
   Weinig wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. (S.56.126-131)
    De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden.
   Daarom moet men zich inspannen om te onderkennen: dit is lijden, dit is de ontwikkeling van lijden, dit is de opheffing van lijden, dit is het pad dat voert naar de opheffing van lijden.

   Voor iemand die op het neerwaartse pad, in de afgrond is geraakt, zal het heel lang duren eer hij weer als mens herboren wordt. En wel omdat daar geen juist gedrag is, geen heilzame daden verricht worden. En dat komt omdat de vier edele waarheden niet ingezien worden. – Ook is het heel zelden dat een Volmaakt Ontwaakte in de wereld verschijnt en de leer verkondigt. Daarom moeten wij ons inspannen om de vier edele waarheden in te zien. (S.56.47-48 )

   Er zijn tussenwerelden, somber, wanordelijk, donker omnacht, waar zelfs deze zon en maan met hun glans niet komen.
   Maar er is een nog grotere duisternis. Wie de vier edele waarheden niet inzien, die verheugen zich aan formaties die tot geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop voeren. Omdat zij zulke formaties vormen, storten zij in de duisternis van geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zij worden niet volledig verlost van het lijden.
   Maar wie de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet aan formaties die tot geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en
wanhoop voeren. Omdat zij zich niet erover verheugen, daarom vormen zij niet zulke formaties. En daarom storten zij niet in de duisternis van geboorte, ouderdom en sterven, leed, gejammer, lijden, ellende en wanhoop. Zij worden allen daarvan bevrijd. Zij worden volledig bevrijd van lijden.
   Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.46)

   Allen die de vier edele waarheden niet inzien, zij allen verheugen zich over wordingen die voeren naar geboorte en dood, naar zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop.
   Maar allen die de vier edele waarheden inzien, die verheugen zich niet over wordingen die naar geboorte en dood voeren. Zij worden volledig verlost van geboorte en dood, van zorg, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zij worden volledig bevrijd van lijden. Daarom spant u in om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid in te zien. (S.56.42-44)

   Het is heel moeilijk om de vier edele waarheden in te zien. (S.56.45, 47-48 )

   Ontwikkelt concentratie. Dan ziet gij overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden (lijden, ontstaan ervan, opheffing ervan, de weg naar opheffing ervan). (S.56.1-2)
   Spreek ook onderling over de vier edele waarheden. Zo'n gesprek is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar Nibbâna. (S.56.7-10)
   Jullie moeten de vier edele waarheden overdenken. Een dergelijk overwegen, nadenken, is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10; S.56.41)
   
   Het is onmogelijk om aan het lijden een einde te maken zonder de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid doordrongen te hebben. (S.56.32)

   Om de vier edele waarheden overeenkomstig de werkelijkheid te doordringen, is wilskracht nodig, ijver, volharding, niet terugwijken, oplettendheid en helder bewustzijn. (S.56.34)

   Omdat zij de vier edele waarheden niet ingezien hebben, gaan de wezens die geblokkeerd zijn door onwetendheid, geboeid door dorst, van deze wereld naar de andere wereld, en omgekeerd. (S.56.33)

   Het doordringen van de vier edele waarheden is niet met lijden en ellende verbonden, maar wel met geluk en blijdschap. (S.56.35)

   Wanneer iemand overeenkomstig de werkelijkheid de vier edele waarheden inziet, dan is hij volledig bevrijd van de weg naar verderfenis. (S.56.36)
    De edele volgeling die de vier edele waarheden inziet, zal hoogstens nog zeven keer herboren worden. (S.56.52-60)

   Overweegt geen slechte onheilzame overwegingen, zoals zinnelijke overwegingen, hatende of geweldzame overwegingen.
   Denkt niet na waarover een slecht, onheilzaam hart nadenkt, zoals: 'eeuwig of niet eeuwig is de wereld' of 'eindig is de wereld of niet eindig' of  'de Volmaakte is na de dood, is niet na de dood.'
   Een dergelijk overwegen is niet met heil verbonden, voert niet naar onthechting, niet naar opheffing, niet naar tot rust komen, voert niet naar volledige ontwaking, niet naar Nibbana. 
   Maar veeleer moeten jullie de vier edele waarheden overdenken. Een dergelijk overwegen, nadenken, is met heil verbonden, voert naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, voert naar volledige ontwaking, naar Nibbana. (S.56.9-10)

   Wie tot volledige ontwaking komt, die doet dat door middel van de vier edele waarheden. (S.56.5-6)

   In iemand met juist weten is verkeerd weten vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd weten als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist weten als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid. (M.117)

   Zo is door de Boeddha, de Verhevene, door de vier edele waarheden en het middenpad, het achtvoudige pad, de weg gewezen naar de hoogste volmaaktheid, naar de bevrijding van alle lichamelijk en geestelijk lijden.

 

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 922
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De vier edele waarheden en het middenpad
« Reactie #74 Gepost op: 06-01-2018 12:23 »
12. Samenvatting van toespraken van de eerwaarde heilige leermeester Maha Bua Ñanasampanno

   Deze bijdrage over de vier edele waarheden en het middenpad, het edele achtvoudige pad, sluit ik af met een samenvatting van enkele toespraken van de eerwaarde Thaise leermeester Maha Bua Ñanasampanno, een Arahant.
   Deze leermeester zei in een van zijn toespraken dat het citta is als een gevangene die in de gevangenis geboren is en er sterft. Hij kent de wereld buiten de gevangenis niet. Hij kent de vrijheid niet van de buitenwereld. Ook wij hebben geen mogelijkheid te weten welk geluk en vrede er buiten te vinden is. Een citta dat nog door de krachten van de smetten beheerst wordt, is als een dergelijke gevangene.
   Een eend die nabij een modderpoel is opgegroeid, is tevreden ermee in die poel rond te dobberen. Zij kent niet de vrijheid van het zwemmen in een groot meer waar zij kopje onder kan gaan. Het citta dat nooit het geluk, het welbehagen en de vreugde ondervonden heeft die van de Dhamma uitgaan, is als de eend in de modderpoel.
   De Dhamma is een middel, geen doel op zich. Dat moeten we niet vergeten. Wanneer de smetten stap voor stap ontworteld worden, dan ontwikkelt het hart een glans, een stralend licht. Alle smetten moeten vernietigd worden, ook de onwetendheid, ook de mening van "ik ben". Over blijft wat buiten het gebied van het conventionele ligt. Het wordt het zuivere citta genoemd. De natuur van die zuiverheid kan door niets vernietigd worden.
   Datgene wat weet dat alles ten einde is, ligt buiten de vier edele waarheden.
   Als men bij het echte is aangekomen, spelen de vier edele waarheden geen rol meer. Zuiverheid blijft over. De Boeddha onderwees de methode hoe die zuiverheid bereikt kan worden. Hij maakte daarbij gebruik van conventionele middelen. Als de zuiverheid bereikt is, dan is het citta uit de gevangenis, is dan in vrijheid. Maar de meesten willen niet naar die vrijheid omdat ze die vrijheid niet kennen, omdat ze er niet mee bekend zijn.
   In een andere toespraak zei de eerwaarde heilige leermeester: Op aarde is er nog sprake van richtingen: noorden, zuiden, oosten, westen, opwaarts, neerwaarts. In de ruimte zijn er geen richtingen meer. Zo ook met het citta, het bewustzijn, de geest, het hart, het gemoed. Het hart dat vrij is van de belemmeringen, is niet meer aan iets gebonden, is zonder basis. Het vrije hart (citta) rust nergens meer op.
- = -

Ik hoop dat deze bijdrage over de vier edele waarheden met als einddoel Nibbana voor de een of ander een hulp is om het pad van heiligheid te betreden.

Groeten, Nico