Auteur Topic: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 6. Te Kusinara.    (gelezen 356 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 6. Te Kusinara.
 
6. Te Kusināra
 

Kushinagar, liggende Boeddha in Nibbana tempel



6.1. De verering van de Volmaakte
 
      Daarna zei de Verhevene tot Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar de andere oever van de rivier Hiraññavatī[222] gaan, naar het sala-bosje van de Mallas,[223] het stadspark van Kusināra.” - “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord. Toen begaf de Verhevene zich samen met een grote schare monniken[224] naar de andere oever van de rivier Hiraññavatī, naar het sala-bosje van de Mallas, het stadspark van Kusināra. Daar sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Maak a.u.b. tussen de tweeling-salabomen voor mij een ligplaats[225] gereed, met het hoofd naar het noorden.[226] Ik ben moe en zou graag gaan liggen.”[227] – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord en deed wat hem verzocht was. Toen ging de Verhevene op de rechterzijde neerliggen, in de leeuwenpositie,[228] met de ene voet op de andere,[229] oplettend en helder bewust.
      In die tijd nu waren de tweeling-sālabomen in volle bloei, hoewel het niet het seizoen ervoor was. Een regen van bloesem daalde neer op het lichaam van de Volmaakte, bestrooide en overdekte het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte.[230] Hemelse koraalbloemen vielen uit de lucht naar beneden. Zij bestrooiden het lichaam van de Volmaakte en overdekten het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte. Hemelse poeder van sandelhout[231] viel uit de lucht naar beneden, bestrooide en overdekte het lichaam van de Volmaakte geheel en al,[232] als teken van verering voor de Volmaakte. In de lucht speelden hemelse muziekinstrumenten als teken van verering voor de Volmaakte. En ook weerklonk in de hoogte hemels gezang als teken van verering voor de Volmaakte.[233]
      Toen sprak de Verhevene tot Ānanda: “Ānanda, in volle bloei zijn de tweeling-salabomen hoewel het niet het seizoen ervoor is. Zij bestrooien het lichaam van de Volmaakte, overdekken het, bedekken het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte. Ook vallen hemelse koraalbloemen en valt hemels poeder van sandelhout uit de lucht omlaag, waardoor het lichaam van de Volmaakte bestrooid en geheel en al overdekt wordt, als teken van verering voor de Volmaakte. En hemelse muziekinstrumenten spelen in de lucht en ook weerklinkt hemels gezang in de hoogte, als teken van verering voor de Volmaakte.” (D.16)
 _____
[222] Deze rivier is geïdentificeerd met de huidige Kleine Gandaka. (An 2003, p. 132 noot 6).
[223] In het commentaar van Buddhaghosa heette dit sala-bosje Upavattana.  (An 2003, p. 132).
[224] Nadat de Verhevene zijn pijn had onderdrukt in het dorp Beluva, kwamen de monniken die vernomen hadden dat hij weldra parinibbāna zou bereiken, van heinde en ver terwijl geen enkele monnik wegging. Daarom zou geen specifiek aantal zijn aangegeven. (An 2003, p. 132).
[225] Naar men zegt was er een bank in het park die bij grote gelegenheden alleen door de leiders van de naburige republiek gebruikt mocht worden. Bij andere gelegenheden konden voorbijgangers er gebruik van maken. (An 2003, p. 133 noot 2).
[226] Het is mogelijk dat de reden voor deze positie is dat het zuiden in India de richting van de dood is. Het zou ongeluk brengen als men met het hoofd naar het zuiden ligt. (An 2003, p. 133 noot 2).
[227] Commentaar: “Vanaf de stad Pāvā zijn het drie ‘gavutas’ tot Kusinārā. De Verhevene legde die afstand met grote inspanning af, waarbij hij onderweg op 25 plaatsen ging zitten. Zo bereikte hij het sala-bosje ten tijde van de schemering, toen de zon reeds onder was gegaan.”  (Vajira [et al.] 1964, p. 98 noot 49). – Een gavuta is een afstand die door een span ossen op één dag afgelegd kan worden. Ze is gelijk aan een vierde van een yojana.  – Volgens het Navakovāda is één yojana gelijk aan 15 km. Drie gavutas zijn dan 11,25 km.
   Volgens Chinese versies leed de Boeddha toen aan rugpijn. (An 2003, p. 133 noot 4). – Waarom maakte de Boeddha zoveel inspanningen om tot daar te komen? Hij kon op elke plek parinibbāna bereiken. Buddhaghosa noemde in zijn commentaar meerdere redenen, en wel (a) De Verhevene dacht: “Als ik parinibbāna ergens anders bereik, is er geen noodzaak om het Mahāsudassana sutta te onderrichten. (b) Als ik parinibbāna bereik in Kusinārā, zal ik het verworvene onderrichten dat ik ondervond in de menselijke wereld en dat ook in hemelse sferen van de goden ondervonden kan worden. (c) Nadat veel mensen naar mijn leer geluisterd hebben, zullen zij denken dat zij goed moeten doen.” En verder overlegde de Boeddha: “Als ik elders parinibbāna bereik, zal de monnik Subhadda mij niet zien. En die monnik kan alleen door de Boeddha bekeerd worden en niet door een van mijn discipelen. Als elders parinibbāna bereikt wordt, zal er grote ruzie ontstaan over de verdeling van de relieken. Maar in Kusināra zal de brahmaan Dona de ruzie bijleggen en de relieken verdelen.” (An 2003, p. 135-136). – De Boeddha zal zeer waarschijnlijk niet zo geredeneerd hebben. Het is aan te nemen dat Buddhaghosa’s vermelding van deze redenen gebaseerd is op zijn kennis van wat er verder in het Mahāparinibbāna sutta genoteerd is.
[228] Leeuwenpositie: de leeuw rust op zijn rechter zijde. (Masefield 1995 II, p. 1030). Zie ook voetnoot 216.
[229] De ene voet op de andere: de linker voet iets vóór de rechter. Als de ene enkel of knie op de andere enkel of knie drukt, wordt dat pijnlijk en de geest is dan niet geconcentreerd. De houding wordt onbehaaglijk. Maar als men de ene voet iets vóór de andere plaatst, wordt die houding niet pijnlijk, de geest wordt geconcentreerd en de houding is behaaglijk. (An 2003, p. 138; Masefield 1995 II, p. 1030).
[230] Volgens Buddhaghosa is bedoeld dat de takken van die sala-bomen geschud werden door de aardgodheden (bhummadevatā) en dat de bloesem afviel.  (An 2003, p. 139). - De aardgodheden behoren tot de laagste categorie van godheden. (A.IV.119) (Malalasekera 1974, Vol. II p. 384). Zij leven niet in de hemelse sferen maar op aarde, in bomen, in grotten, op bergen en in schrijnen.
[231] De poeder van sandelhout geschikt voor godheden. En niet alleen dat poeder, maar alle soorten van hemelse geurige poeders. (An 2003, p. 140).
[232] De geurige poeder viel alleen op het lichaam, niet ernaast. (An 2003, p. 140).
[233] Volgens Buddhaghosa wilden de goden met naam Varavāranā, wier levensspanne lang is, guirlandes maken bij de conceptie van de Verhevene. Die guirlandes waren bij de conceptie nog niet klaar. Zij wilden toen op andere gelegenheden die guirlandes aanbieden. Maar steeds waren de guirlandes niet gereed. Toen vernamen zij dat de Boeddha parinibbāna zou bereiken. Binnen de tijdsspanne van één hemelse dag was de conceptie, geboorte, Verlichting, en nu het definitieve heengaan van de Verhevene. Zij kwamen toen met onafgemaakte guirlandes en vonden een plaats aan de rand. Daar dansten zij met de armen op elkaars schouder en zij zongen over de drie Juwelen, de 32 kentekenen van de grote man, de 6-kleurige stralen, de tien volmaaktheden, de 550 Jātakas en de 14 soorten van kennis van de Boeddha. (An 2003, p. 141-143). - In alle Chinese versies, behalve een, ontbreekt het verslag van godheden die de Boeddha vereren met guirlandes, hemels sandelhout en hemelse muziek. Eén Chinese versie geeft een verhaal waarin de Boeddha een gandhabba (god van muziek) bekeert toen die godheid onder de sala-bomen lag. (An 2003, p. 141-143).


« Laatst bewerkt op: 12-05-2018 12:30 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.2. De verering van de Volmaakte in de hoogste mate
 
      “Op die manier echter, Ānanda, is de Volmaakte niet in de hoogste mate geëerd, gewaardeerd, geacht, aanbeden en vereerd. Maar, Ānanda, die monnik of die non of die lekenvolgeling of die lekenvolgelinge die geheel en al volgens de leer leeft,[235] op de juiste manier leeft, in overeenstemming met de leer zich gedraagt, - die persoon eert, waardeert, acht, aanbidt en vereert de Volmaakte in de hoogste mate.[236] Daarom, Ānanda, geheel in overeenstemming met de leer te leven, op de juiste manier te leven, in overeenstemming met de leer u te gedragen, - zo moeten jullie u oefenen.” (D.16)
_____
[235] zie D.I.161; D.II.224; D.III.119, 154; Ud. 50; A.II.8; A.III.176; S.III.40.
[236] De praktijk van materiële vormen van verering (zoals aanbieden van reukwerken en bloemenkransen) zou door de Boeddha niet zijn aanbevolen vanwege het gevaar en de zinloosheid van alle rituelen. (An 2003, p. 146 noot 1). – Buddhaghosa’s commentaar: De hoogste verering wordt immateriële verering genoemd. Zolang als de vier groepen van volgelingen (monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen) hem zo eren, zolang zal zijn leer schijnen als de volle maan aan de hemel. (An 2003, p. 146).


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.3. Het verdriet van de godheden
 
       Juist op die tijd stond de eerwaarde Upavāna[238] voor de Verhevene en wuifde hem met een waaier koelte toe. Toen sprak de Verhevene berispend tot de eerwaarde Upavāna: “Ga weg, monnik, ga niet voor mij staan.”[239] En er ontstond bij de eerwaarde Ānanda de gedachte: “Deze  Upavāna heeft lange tijd voor de Verhevene gezorgd, heeft dicht in zijn nabijheid vertoefd, heeft hem gediend.[240] Thans echter, op het laatste ogenblik, heeft de Verhevene tot de eerwaarde Upavāna berispend gesproken. Wat is wel de oorzaak en reden daarvoor?”
      De eerwaarde Ānanda vroeg toen aan de Verhevene naar oorzaak en reden ervan. En de Verhevene antwoordde: “Ānanda, in grote menigten zijn goden uit de tien werelden bijeengekomen om de Volmaakte te zien. Zover als het stadspark van Kusināra zich uitstrekt, 12 mijlen in de omtrek, is zelfs niet één vlekje groot genoeg voor de steek met de punt van een haar dat niet door machtige goden bedekt is.[241] En die goden, Ānanda, klagen: ‘Waarlijk, van verre zijn wij gekomen om de Volmaakte te zien. Want heel zeldzaam in de wereld is het ontstaan van Tathāgatas, Arahants, volmaakt Ontwaakten. Heden nu, in de laatste nachtwake, zal het definitieve uitdoven van de Volmaakte plaats hebben. En deze uitstekende monnik staat daar voor de Verhevene en onttrekt hem aan onze blikken, zodat wij nu op het laatste moment gehinderd zijn om de Volmaakte te zien.’[242] Zo, Ānanda, morren de goden.” – “Van welke soort goden is de Verhevene zich bewust?” – “Ānanda, er zijn goden in de ruimte die aards-georiënteerd zijn en er zijn ook goden op aarde die aards-georiënteerd zijn. Die goden wenen met loshangend haar; zij strekken de armen uit en wenen. Zij werpen zich terneer, rollen heen en weer en klagen: ‘Veel te vlug zal de Volmaakte definitief uitdoven; veel te vlug zal de Gezegende definitief uitdoven; veel te vlug zal het Oog van de wereld verdwijnen.’ Maar de goden die vrij van hartstochten zijn, oplettend en bezonnen, die overwegen aldus: ‘Vergankelijk is al wat samengesteld is; hoe zou dat anders mogelijk zijn!’” (D.16)
 _____
[238] Upavāna behoorde tot een zeer rijke brahmaanse familie te Sāvatthi. Toen hij de grootsheid van de Boeddha zag in het Jetavāna-klooster, trad hij in de Orde in. Eens, toen de Boeddha kramp kreeg, kreeg hij er medicijnen voor van Upavāna. (An 2003, p. 147 noot 3).  – Volgens Buddhaghosa wordt Upavāna een volmaakte heilige (arahant) genoemd met een zeer heldere uitstraling. (An 2003, p. 148).
[239] De vraag doet zich voor waarom Upavāna de Verhevene met een waaier koelte stond toe te wuiven terwijl Ānanda voor de Boeddha zorgde. In Chinese versies is hij beschreven als een vreemde voor Ānanda. Volgens een Chinese versie stond Upavāna op het punt voor de Boeddha te gaan staan maar de Verhevene vroeg hem dat niet te doen. Upavāna wilde zo graag de Boeddha zien dat hij Ānanda niet vroeg om voor een afspraak met de Boeddha te zorgen. Een andere versie behandelt Upavāna als een god die graag de Boeddha wilde zien. (An 2003, p. 146 noot 3).
[240] Upavāna werd tijdelijk een verzorger van de Boeddha in de eerste 20 jaar na diens Verlichting.  (An 2003, p. 146-147 en p. 147 noot 2).
[241] Men zegt dat de goden met grote macht zichzelf zó subtiel maakten dat op een ruimte zo klein als een haarpunt tien van hen stonden. Achter hen stonden godheden in 20-tallen; achter hen stonden zij in 30-tallen; achter hen in 40-tallen; achter hen in 50-tallen; achter hen stonden zij in 60-tallen. En niemand hoefde te zeggen: “Ga weg, duw niet zo.” (An 2003, p. 147). (Zie ook A.I.65).
[242] Volgens Buddhaghosa kunnen godheden door onverlichte personen heenkijken maar niet door degenen die volmaakte heiligheid hebben bereikt. Omdat Upavāna grote macht en een uitmuntende energie had (hij had een zeer heldere uitstraling), konden zij hem zelfs niet naderen. En hij had die vermogens omdat hij een beschermgod was geweest bij het heiligdom van de Boeddha Kassapa. (An 2003, p. 148).



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.4. De bezorgdheid van Ānanda
 
      “Heer, vroeger kwamen de monniken, na volbrachte regentijd,[245] uit de verschillende hemelrichtingen[246] samen om de Volmaakte te zien. Dan was er voor ons het voordeel en heil om die  monniken te ontvangen en om te gaan met hen die tot de toehoorders van de Verhevene behoorden en hem bedienden. Maar na het heengaan van de Verhevene zullen wij dat voordeel en heil niet meer hebben.”  (D.16)
 _____
[245] Na volbrachte regentijd: in het regenseizoen verblijven de monniken op één plaats. – Ten tijde van de Boeddha kwamen de monniken twee keer per jaar samen, en wel bij het naderen van de regentijd teneinde een meditatie-onderwerp te nemen, en na afloop van de regentijd teneinde mee te delen welke geestelijke vooruitgang zij gemaakt hadden met dat meditatie-onderwerp. (An 2003, p. 151).
[246] Hier zijn met hemelrichtingen bedoeld: noord, zuid, oost, west, en de tussenliggende richtingen: noordoost, noordwest, zuidoost en zuidwest. Bij andere gelegenheden zijn ook de richtingen opwaarts en neerwaarts inbegrepen.



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.5. De vier heilige plaatsen voor pelgrimage
 
      “Ānanda, er zijn vier plaatsen[248] die voor toegewijde mensen[249] bezienswaardig zijn en aangrijpend, die zij met gevoelens van verering bezoeken. Het zijn:
1)    De plaats waar men kan zeggen: ‘Hier werd de Volmaakte geboren!’ Dat, Ānanda, is een aangrijpende plaats die een toegewijd mens met gevoelens van verering bezoekt.
2)    De plaats waar men kan zeggen: ‘Hier is de Volmaakte volledig ontwaakt in de onvergelijkbare Volmaakte Verlichting!’ Dat, Ānanda, is een aangrijpende plaats die een toegewijd mens met gevoelens van verering bezoekt.
3)    De plaats waar men kan zeggen: ‘Hier heeft de Volmaakte het onovertroffen wiel der leer in beweging gebracht!’ Dat, Ānanda, is een aangrijpende plaats die een toegewijd mens met gevoelens van verering bezoekt.
4)    De plaats waar men kan zeggen: ‘Hier is de Volmaakte heengegaan in parinibbāna, het Doodloze, waarin de elementen van hechten niet meer ontstaan!’ Dat, Ānanda, is een aangrijpende plaats die een toegewijd mens met gevoelens van verering bezoekt.
           
      Deze vier heilige plaatsen zijn voor toegewijde mensen bezienswaardig en aangrijpend, het zijn plaatsen die zij met gevoelens van verering bezoeken. En waarlijk, Ānanda, naar deze plaatsen zullen toegewijde monniken en nonnen, en toegewijde mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen komen, en zij zullen overwegen: ‘Hier werd de Volmaakte geboren’ en ‘Hier is de Volmaakte volledig ontwaakt in de onvergelijkbare volmaakte Verlichting’ en ‘Hier heeft de Volmaakte het onovertroffen wiel der leer in beweging gebracht’ en ‘Hier is de Volmaakte heengegaan in parinibbāna, het Doodloze, waarin de elementen van hechten niet meer ontstaan.’ En Ānanda, alwie op pelgrimstocht naar zo'n gedenkplaats komt te sterven, met het gemoed in vertrouwen gevestigd, die zal na het verval van het lichaam, na de dood, herboren worden in een sfeer van hemels geluk.”  (A.IV.118; D.16) [250]
 _____
[248] In voorboeddhistische tijd duidt de term cetiya aan de plek van een heilig bos of een heilige boom bewoond door yakkhas. In Pāli Boeddhistische teksten heeft het woord cetiya een bredere betekenis; het heeft er betrekking op een object dat verering waard is zoals een grafheuvel met of zonder relieken. In post-canonieke Pāli literatuur werd het woord verward met stoepas. (An 2003, p. 154 noot 7).
[249] Toegewijd, ook wel omschreven met: vroom. Het is vertrouwen in de Boeddha, de leer en de gemeenschap van de monniken.
[250] Voor een korte beschrijving van deze plaatsen, zie het topic: Boeddhistische plaatsen. http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2500.0

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.6. Gedrag van monniken ten opzichte van vrouwen
 
      Toen vroeg de eerwaarde Ānanda: “Heer, hoe moeten wij ons gedragen tegenover leden van het vrouwelijke geslacht?”[251] – “Niet naar haar kijken, Ānanda, is het beste.”[252] – “Maar als wij haar zien, hoe moeten wij ons dan gedragen?” – “Niet met haar spreken, Ānanda, is het beste.”[253] – “Bij het spreken zelf evenwel, Heer, hoe moet men zich daar gedragen?”[254] – “Dan moet men zeer oplettend[255] zijn, Ānanda.”[256]
 _____
[251] Vrouwen werden over het algemeen beschouwd als een hindernis voor mannen om het geestelijke leven in de Theravāda traditie te beoefenen (en mannen voor vrouwen). De eerwaarde Ānanda is de enige in de Pāli traditie die meer sympathie heeft met vrouwen. Op het eerste concilie zou hij ervan beschuldigd zijn dat hij het steeds goed voorhad met vrouwen, bijvoorbeeld haar te helpen om toestemming te krijgen in de Orde in te treden. In de Sanskriet versie en in sommige Chinese versies ontbreekt deze paragraaf hetwelk toont dat dit gedeelte karakteristiek is voor het Theravāda. (An 2003, p. 155 noot 1). – In de ogen van de Theras waren de nonnen nog steeds vrouwen. De kloof tussen mannen en vrouwen die door de Boeddha verkleind was door gelijkheid van status te geven aan vrouwen zowel sociaal als religieus, zou weer vergroot zijn door de Theras. (Gnanarama 1997, p. 79).
[252] Commentaar: Niet naar haar kijken: want als een monnik in een kamer zit met de deur dicht, en een vrouw komt en blijft voor de deur staan, dan ontstaat er, zolang als hij haar niet ziet, geen begeerte in hem; zijn geest wordt niet opgewonden. Maar als hij haar ziet, kan dit wel gebeuren. (An 2003, p. 155).
[253] Commentaar: Als men praat met haar kan er passie ontstaan en onoplettendheid. Zo kan de moraal geschonden worden.  (An 2003, p. 156). (Zie ook A.II.69).
[254] Commentaar: Als een vrouw naar een feestdag vraagt of om de voorschriften, of wanneer zij een leerrede wil horen of een vraag stelt, als een monnik dan bij zulke gelegenheden zwijgt, kan men zeggen dat de monnik stom is en doof. Daarom is het nodig tot haar te spreken. (An 2003, p. 156).
[255] D.16. – Commentaar: Oplettend, zeer voorzichtig: als een vrouw de leeftijd van uw moeder heeft, moet u aan haar denken als uw moeder; als een vrouw de leeftijd heeft van uw zuster, moet u aan haar denken als uw zuster; als een vrouw de leeftijd heeft als uw dochter, moet u aan haar denken als uw dochter. (zie S.IV.110). (An 2003, p. 157).
[256] De meeste van deze gedragsregels zijn later toegevoegd. In M.3 oefende de brahmaan Parasariya zijn leerlingen dat zij hun zintuigen moesten ontwikkelen door materiële vormen niet te zien met het oog en door niet te luisteren naar geluiden met het oor. De Boeddha zei toen dat, als dit een goede oefening was, doven en blinden hun zintuigen goed ontwikkeld hadden. Men moet oplettend zijn en niet door het geheel noch door details in beslag worden genomen. In D.1 legde de Boeddha uit dat men bij het zien van iets of iemand niet gevangen moet zijn door het geheel. Begeerte en afkeer moeten niet toegelaten worden. De zintuigen moeten oplettend gebruikt worden. En dit zal hij ook aan Ānanda als antwoord hebben gegeven. (Gnanarama 1997, p. 63-66). Zie ook: S.IV en Udana 8. - Vrouwen stonden bij de brahmanen niet goed aangeschreven. De houding van brahmanen die na hun wijding tot monnik de traditionele Indiase houding t.o.v. vrouwen bleven handhaven, zal een negatieve uitwerking hebben gehad op de Sangha in zijn geheel. (Gnanarama 1997, p. 78). – Wij moeten niet vergeten dat de meesten van de monniken vrouw en kinderen hadden achtergelaten. Zij kenden de geneugten van een huwelijks leven. Bij de ontmoeting met een vrouw zouden gedachten aan hun vroegere huwelijksleven kunnen opkomen. – Dat monniken geen vrouw mogen aanraken is geen regel van de Boeddha. Zij mogen geen vrouw aanraken met lustvolle gedachten. Begeerte zit niet in de zintuigen, noch in een object of persoon. Daarom zal de Boeddha alleen hebben aangeraden voorzichtig en oplettend te zijn.
 


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.7. Hoe moet de laatste eer bewezen worden?
 
      “Heer, hoe moeten wij met het lichaam van de Volmaakte handelen?” – “Ānanda, wees niet bezorgd erover hoe jullie het lichaam van de Volmaakte zullen vereren. Jullie moeten liever streven naar jullie eigen doel[257] en ijverig zijn ten behoeve van jullie zelf, voor eigen heil. Onversaagd, ijverig, doelbewust moeten jullie u richten tot uw eigen welzijn. Ānanda, er zijn wijze krijgers, wijze brahmanen, wijze gezinshoofden die de Volmaakte geheel toegewijd zijn. Zij zullen aan het lichaam van de Volmaakte de gepaste eer bewijzen.” – “Maar Heer, hoe moet met het lichaam van de Volmaakte vol eerbied gehandeld worden?” – “Zoals men met het lichaam van een wereldbeheersende koning[258] handelt, Ānanda, zo moet ook met het lichaam van de Volmaakte gehandeld worden.” – “En hoe handelt men vol eerbied met het lichaam van een wereldbeheersende koning?” – “Ānanda, het lichaam van een wereldbeheersende koning hult men eerst in een geheel nieuw gewaad. Daarna hult men het in uitgerafelde katoen. Vervolgens hult men het in een ander nieuw gewaad.[259] Nadat men op deze wijze het lichaam van de wereldbeheersende koning in vijfhonderd paar van zulke omhulsels heeft gehuld, legt men het in een metalen houder.[260] Met een andere metalen houder dekt men deze toe waarna men een brandstapel gereed maakt die uit alle soorten welriekend hout is samengesteld. En men verbrandt het lichaam van de wereldbeheersende koning. Op een kruispunt van wegen richt men dan voor de wereldbeheersende koning een gedenkteken op. Zo, Ānanda, handelt men met het lichaam van een wereldbeheersende koning. En, Ānanda, zoals men met het lichaam van een wereldbeheersende koning handelt, evenzo moet met het lichaam van de Volmaakte gehandeld worden. Op een kruispunt van wegen moet ook voor de Volmaakte een gedenkteken opgericht worden. En allen die daar bloemen of reukwerk of iets kleurigs neerleggen, of die daar vol eerbied een buiging maken, of die innerlijk zich verheugen,[261] hen zal dat lange tijd tot heil en tot zegen strekken.”  (D.16) [262]
 _____
[257] Commentaar: voor het hoogste doel, namelijk volmaakte heiligheid. (An 2003, p. 157).
[258] De Indiase mythe van de wereldbeheersende koning of universeel monarch die het wiel van rechtschapenheid draait, staat in D.26 en M.129. (Ñanamoli 1978, p. 362, noot bij p. 321).
[259] Een nieuw gewaad van fijne stof van Varānasi kan geen olie opnemen, uitgerafelde katoen kan dat wel.  (An 2003, p. 157-158).
[260] Metalen, āsaya, heeft hier volgens het commentaar van Buddhaghosa de betekenis van ‘gouden’. (An 2003, p. 158). – Volgens Rhys Davids werd de term āsaya oorspronkelijk gebruikt voor brons en later voor ijzer. Maar het woord kan ook een bepaalde vorm van een vat aangeven.  (An 2003, p. 158 noot 2).
[261] ‘die innerlijk zich verheugen’. Dit werd door Sister Vajira (1964, p. 63) vertaald met: ‘wiens geest daar kalm wordt’ en door de eerwaarde Ñanamoli (1978 p. 322) met: ‘die vertrouwen voelen in hun hart’.
[262] Het tekstgedeelte dat de relieken gecremeerd moeten worden met grote pracht en praal zoals bij een wereldbeheersende koning, toont dat die tekst van latere datum is. (Gnanarama 1997, p. 61).



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.8. De vier personen die een gedenkteken waard zijn
 
      “Er zijn vier personen, Ānanda, die een gedenkteken waard zijn, namelijk:
1)    De Volmaakte, Heilige, volledig Ontwaakte[263] is een gedenkteken waard.
2)    De voor zich alleen Ontwaakte[264] is een gedenkteken waard.
3)    De heilige discipel van de Volmaakte is een gedenkteken waard.
4)    De wereldbeheersende koning die het wiel van rechtvaardigheid draait, is een gedenkteken waard.[265]
 
      En op grond van welke innerlijke kracht is de Volmaakte, Heilige, volledig Ontwaakte een gedenkteken waard? De gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van deze Verhevene, Heilige, volledig Ontwaakte,’ maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij bij het verval van het lichaam, na de dood, herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van deze innerlijke kracht, Ānanda, is de Volmaakte, Heilige, volledig Ontwaakte een gedenkteken waard.
      En op grond van welke innerlijke kracht is de voor zichzelf Ontwaakte een gedenkteken waard? De gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van deze Verhevene, voor zich alleen Ontwaakte,’ maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij bij het verval van het lichaam, na de dood, herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van deze inner1ijke kracht, Ānanda, is de voor zich alleen Ontwaakte een gedenkteken waard.
      En op grond van welke innerlijke kracht is de heilige discipel van de Ontwaakte een gedenkteken waard? De gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van deze Verhevene, heilige, volledig Ontwaakte,’ maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij bij het verval van het lichaam, na de dood, herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van deze innerlijke kracht, Ānanda, is de heilige discipel van de Ontwaakte een gedenkteken waard.
      En op grond van welke innerlijke kracht is de wereldbeheersende koning een gedenkteken waard? De gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van deze rechtvaardige koning die overeenkomstig de leer heerste,’ maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij bij het verval van het lichaam, na de dood, herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van deze innerlijke kracht, Ānanda, is de wereldbeheersende koning een gedenkteken waard.
      Deze vier personen, Ānanda, zijn een gedenkteken waard.” (D.16)
 _____
[263] Samma-Sambuddha.
[264] Pacceka-Buddha. Hij is tot volledig inzicht gekomen maar kan de leer niet verkondigen. (Dahlke p. 889 noot 99). Pacceka-Buddhas ontstaan in tijden wanneer er geen volmaakt Verlichte (Samma-Sambuddha) is. (Vajira [et al.] 1964, p. 99 noot 56).
[265] Een Chinese versie vermeldt dat de stoepa van de Boeddha verschilt van die van een wereldbeheersende koning. De stoepa van de Boeddha heeft negen parasols. En de verdienste van het vereren van een stoepa van de Boeddha is groter dan die van het vereren van de stoepa van een wereldbeheersende koning. (An 2003, p. 158-159, noot 6).



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.9. Het verdriet van Ānanda
 
      Toen ging de eerwaarde Ānanda het paviljoen[267] in en stond tegen de deurstijl geleund te wenen:[268] “Ik ben nog maar een discipel in hogere training[269] en moet nog streven voor mijn eigen volmaaktheid. Maar helaas, nu zal het definitieve uitdoven van mijn Leraar die zo mededogend met mij is, plaats hebben.”
      Toen vroeg de Verhevene aan de monniken: “Waar toch, monniken, is Ānanda?” – “Heer, de eerwaarde Ānanda is het paviljoen ingegaan en staat tegen de deurstijl geleund te wenen.” Daarop zei de Verhevene tot een van de monniken: “Ga, monnik, en zeg in mijn naam tot Ānanda: ‘De Meester roept je, vriend Ānanda.’” – “Ja, Heer,” gaf die monnik aan de Verhevene ten antwoord en ging naar de eerwaarde Ānanda. Daar zei hij tot hem: “De Leraar roept je, vriend Ānanda.” – “Ja, vriend,” antwoordde de eerwaarde Ānanda en ging naar de Verhevene. Hij begroette de Verhevene vol eerbied en ging naast hem neerzitten. Tot de terzijde neergezeten Ānanda sprak de Verhevene aldus: “Hou op, Ānanda, maak je geen zorgen, jammer niet. Heb ik voorheen niet herhaaldelijk verkondigd dat het de natuur is van alle dingen die ons lief en dierbaar zijn, dat wij scheiding ervan moeten lijden en ervan afgescheiden worden! Hoe zou het mogelijk zijn dat iets wat geboren, ontstaan, samengesteld, aan verval onderhevig is, niet aan verval onderhevig is. Zoiets is een onmogelijkheid. Sedert lange tijd, Ānanda, heb je mij gediend met liefdevolle vriendelijkheid in daden, woorden en gedachten, weldadig, aangenaam, van ganser harte en grenzeloos. Grote verdienste heb je verzameld, Ānanda. Thans moet je ijverig in je streven zijn en spoedig zal ook jij vrij van smetten zijn.” (D.16) [270]
 _____
[267] Paviljoen: er staat vihāra. Dit woord heeft hier niet betrekking op een klooster of op de leefruimte van monniken. Buddhaghosa verklaart het als een paviljoen (mandala-māla). (An 2003, p. 159). Waarschijnlijk is dit gedeelte toegevoegd vanuit een andere bron. (An 2003, p. 159 noot 6).
[268] Naar men zegt dacht Ānanda toen: “De Leraar heeft mij de plaatsen getoond die religieuze gevoelens opwekken; hij heeft mij de voordelen van pelgrimage getoond; hij heeft mijn vraag beantwoord hoe met vrouwen om te gaan; hij heeft gesproken over de vier personen die een monument waard zijn; beslist zal de Verhevene heden parinibbāna bereiken.” Bij deze gedachte werd hij buitengewoon bedroefd. (An 2003, p. 159-160).
[269] sekho; dit duidt de drie lagere staten van bevrijding aan, voordat volmaakte heiligheid (arahatta) bereikt is. De eerwaarde Ānanda zou toen de eerste van deze staten bereikt hebben, de stroom-intrede (sotāpatti).  (Vajira [et al.] 1964, p. 99 noot 58 ). - Ānanda kan toen verdrietig zijn geweest vanwege twee oorzaken: hij is nog een leerling (nog geen arahant); de Boeddha gaat nu parinibbāna bereiken. Volgens A. Bareau  (geciteerd door An 2003, p. 159-160 noot 8 ) heeft de versie van het wenen van Ānanda betrekking op het parinibbāna van de Boeddha en niet op het feit dat Ānanda nog geen arahantschap verwezenlijkt had. De eerste oorzaak kan later toegevoegd zijn in verband met Ānanda's deelname aan het concilie. In sommige Chinese versies ontbreekt oorzaak (1).  (An 2003, p. 159-160 noot 8 ). - Ānanda zegt hier dat hij een lerende is gedurende 25 jaar (vanaf het jaar van zijn wijding). (zie Malalasekera 1974 Vol. I, p. 268 ).  Hoewel beweerd wordt dat hij geen arahant was, was Ānanda toen al een arahant, een volmaakte heilige. – Maar volgens het commentaar van Dhammapāla moest Ānanda toen nog vier verkeerde inzichten opgeven. (Masefield 1995, Vol. II, p. 855). Die vier verkeerde inzichten zijn: het beschouwen van het vergankelijke als niet-vergankelijk; het beschouwen van het onvoldane als niet-onvoldaan; het beschouwen van wat niet-zelf is als zelf; en het beschouwen van het niet-aangename als aangenaam. (Masefield 1995, Vol. II, p. 908 noot 72). – Voor meer gegevens over de eerwaarde Ānanda, zie het topic: De Sangha, reactie 32 = 15.4. Ananda. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2487.msg18895.html#msg18895
[270] Volgens Buddhaghosa bedoelde de Boeddha dat Ānanda arahantschap zou bereiken op het 1e concilie. Bij een andere gelegenheid voorspelde de Boeddha dat Ānanda nibbāna zou bereiken. - Deze paragraaf lijkt mij later toegevoegd te zijn. Ānanda was toen immers al een arahant.


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.10. De lofprijzing van Ānanda
 
      Toen sprak de Verhevene tot de monniken: “Monniken, ook de Heiligen, volledig Ontwaakten die in het verleden hebben bestaan, hadden zulke voortreffelijke en toegewijde dienaren zoals ik thans in Ānanda heb. En ook de Heiligen, volledig Ontwaakten die in de toekomst zullen bestaan, zullen zulke voortreffelijke en toegewijde dienaren hebben zoals ik thans in Ānanda heb.[271] Kundig en wijs is Ānanda, want hij weet: ‘Dit is de juiste tijd voor de monniken en dat is de juiste tijd voor de nonnen om de Volmaakte te bezoeken. Dit is de juiste tijd voor de mannelijke en dat is de juiste tijd voor de vrouwelijke lekenvolgelingen. Dit is de juiste tijd voor koningen en voor ministers; dat is de juiste tijd voor sekte-stichters en dit voor leerlingen van die sekte-stichters om de Volmaakte te bezoeken.” (D.16)
 
      “Bij een wereldbeheersende koning worden vier zeldzame en allervoortreffelijkste eigenschappen gevonden, namelijk: Als een groep van edelen de wereldbeheersende koning gaat opzoeken, worden zij gelukkig door zijn aanblik. En als hij tot hen spreekt, worden zij gelukkig door zijn gesprek. Maar als hij zwijgt, zijn zij teleurgesteld. Evenzo is het wanneer een groep van brahmanen, van gezinshoofden of van asceten een wereldbeheersende koning gaat opzoeken.
      En op dezelfde manier, monniken, zijn bij Ānanda deze vier zeldzame en allervoortreffelijkste eigenschappen te vinden: Als Ānanda door een groep van monniken bezocht wordt, dan zijn die monniken gelukkig door zijn aanblik. En als Ānanda tot hen spreekt over de leer, dan zijn zij gelukkig door zijn toespraak.[273] Maar zij zijn teleurgesteld als Ānanda dan zwijgt. Evenzo is het wanneer Ānanda door een groep nonnen[274] of een groep van mannelijke[275] of van vrouwelijke lekenvolgelingen[276] bezocht wordt. Dan is die groep gelukkig door zijn aanblik. En als Ānanda dan tot die personen over de leer spreekt, zijn zij gelukkig door zijn toespraak. Maar die mensen zijn teleurgesteld wanneer Ānanda dan zwijgt.” (D.16; A.IV.129-130.)
 _____
[271] D.16; Hetzelfde staat in A.II.132.
[273] Veel mede-monniken kwamen naar Ānanda met vragen over diverse leerstellingen. Bij zulke gelegenheden preekte hij tot monniken uit eigen beweging, dus zonder dat de Boeddha hem dat had gevraagd.  (An 2003, p. 163 noot 3). – Buddhaghosa behandelt Ānanda als een lerende (leerling; sekha) Maar er zijn veel plaatsen in de Canon waar Ānanda de leer preekt,  zoals A.II.147; A.II.156; A.V.229; A.I.215). (An 2003, p. 163 noot 6).
[274] In tegenstelling tot Mahā Kassapa was Ānanda populair bij nonnen. (An 2003, p. 163 noot 11).
[275] Voor een preek van Ānanda tot mannelijke lekenvolgelingen, zie b.v. A.II.194; M.III,258; S.V.176; S.V.177). (An 2003, p. 163 noot 13).
[276] Ānanda was ook populair bij vrouwelijke lekenvolgelingen. (An 2003, p. 164 noot 1).


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.11. De vroegere glorie van Kusināra
 
      Daarna zei de eerwaarde Ānanda tot de Verhevene: “Heer, moge de Gezegende niet in dit kleine dorp, in dit ongeciviliseerde oord, in dit afzijdig gelegen plaatsje uitdoven. Er bestaan andere en grotere plaatsen, zoals Campā, Rājagaha, Sāvatthi, Sāketa, Kosambi en Varanasi. Laat de Verhevene zijn definitieve uitdoven hebben in één van die steden. Daar zijn veel rijke mensen uit de kaste van de krijgers, veel rijke mensen uit de kaste van de priesters, veel rijke gezinshoofden die de Volmaakte geheel en al toegewijd zijn. Zij zullen het lichaam van de Volmaakte de gepaste eer bewijzen.”[278] – “Spreek niet zo, Ānanda, zeg niet: ‘Dit kleine dorp, dit ongeciviliseerde oord, dit afzijdig gelegen plaatsje.’ In vroegere tijden, Ānanda, was er een wereldbeheersende koning met naam Mahā-Sudassana.[279] Hij was een rechtvaardige koning, een veroveraar van de vier delen van de wereld, wiens rijk in veiligheid gevestigd was. Hij was begiftigd met de zeven juwelen[280] en dit Kusināra was de residentie van die koning Mahā-Sudassana en ze heette toentertijd Kusavatī. Van oost naar west was ze twaalf mijl lang en van noord naar zuid was ze zeven mijl breed. En Ānanda, de residentie Kusavatī was machtig en bloeiend, met een grote bevolking, veelvuldig door mensen bezocht en rijkelijk van voedsel voorzien. Ānanda, evenals de residentie van de goden, Ālakamandā geheten, machtig en bloeiend is, met een grote bevolking, veelvuldig door goden bezocht en rijkelijk van voedsel voorzien, - evenzo was de residentie Kusavatī. En Kusavatī gonsde onophoudelijk, dag en nacht, van de tien soorten geluiden, namelijk: het geluid van olifanten, het geluid van paarden, het geluid van wagens, het geluid van pauken, het geluid van trommels, het geluid van luiten, het geluid van gezangen, het geluid van cimbalen, het geluid van geklap in de handen en het geluid van de woorden: ‘Eet, drinkt en geniet. (D.16) [281]’”
 _____
[278] Volgens het commentaar volgde hier het Maha-Sudassana Sutta (D.17). (Ñanamoli 1978, p. 362, noot bij p. 323).
[279] Het mogelijk historische feit dat de Boeddha parinibbāna bereikte in een onbeduidende plaats op een afgelegen plek moet de gemoederen van de samenstellers van het Mahāparinibbāna sutta hebben verstoord. Daarom zullen zij een verhaal hebben verzonnen om de plaats belangrijker te maken. (An 2003, p. 166 noot 9). Ook Schneider (1980, p. 37) merkte op dat het verhaal over de vroegere glorie van Kusinara een bedenksel moet zijn om die plaats belangrijker te maken.
[280] De zeven juwelen van een koning zijn: een juweel van een heerschappij, een juweel van een olifant, een juweel van een ros, een juweel van een edelsteen, een juweel van een echtgenote, een juweel van burgerij en een juweel van een adviseur.
[281] Volgens het commentaar van Buddhaghosa betekent dit in het kort: “Vrienden, geniet.” De stad gonsde alleen van aangename geluiden. (An 2003, p. 67).



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.12. Geweeklaag van en eerbetoon door de Mallas
 
      “Ānanda, ga nu naar Kusināra en verkondig aan de Mallas: Heden, Vāsetthas, in de laatste nachtwake, zal het definitieve uitdoven van de Volmaakte plaats hebben. Komt, Vāsetthas, komt, opdat jullie hierna niet vol berouw zijn door dan te denken: ‘Op ons eigen gebied is de Volmaakte uitgedoofd en wij hebben de gelegenheid niet benut om de Volmaakte voor de laatste keer te zien.’” – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord, maakte zich gereed, nam nap en oppergewaad en ging samen met een andere monnik naar Kusināra.[282]
      In die tijd nu waren de Mallas van Kusināra in het raadhuis samengekomen wegens de een of andere openbare zaak. De eerwaarde Ānanda ging naar hen toe en deelde hen bovenstaande woorden van de Verhevene mede. Daarop werden de Mallas met hun vrouwen, hun zonen en hun schoondochters treurig, terneergeslagen. Sommigen weenden met loshangend haar, door hartenleed aangegrepen. Anderen strekten de armen in wanhoop omhoog en weenden. Weer anderen wierpen zich op de grond neer en rolden heen en weer met de woorden: “Veel te vlug is het uitdoven van de Verhevene; veel te vlug is het uitdoven van de Gezegende; veel te vlug is het verdwijnen van het Oog der wereld.”
      Toen dan begaven zich de Mallas, hun vrouwen, hun zonen en hun schoondochters, treurig, terneergeslagen, door hartenleed aangegrepen, naar het sala-bosje, het stadspark van de Mallas, waar de eerwaarde Ānanda zich bevond. En bij de eerwaarde Ānanda ontstond de volgende gedachte: “Als ik toesta dat de Mallas van Kusināra één voor één de Verhevene hun eerbied betonen, zal de nacht voorbij zijn en de ochtend gloren voordat zij allen aan hem voorgesteld zijn en hun eerbied betoond hebben. Laat ik daarom nu de Mallas naar familie en gezin opstellen[283] en aan de Verhevene aldus voorstellen: ‘Heer, een Malla met zo'n naam, met echtgenote en kinderen, inwonende verwanten en inwonend dienstpersoneel, neigt vol eerbied zijn hoofd aan de voeten van de Verhevene.’” Toen stelde de eerwaarde Ānanda de Mallas van Kusināra naar familie en gezin op en liet ze aldus aan de Verhevene hun eerbied betonen. En zo maakte de eerwaarde Ānanda dat de Mallas van Kusināra op deze wijze aan de Verhevene voorgesteld werden en hun eerbied betoonden, zelfs al in de eerste nachtwake. (D.16)
_____
[282] Alle Chinese versies zijn het erover eens dat beide monniken naar de Mallas waren gestuurd om de twijfels van dezen op te lossen. Volgens één versie waren de Mallas blijkbaar geen volgelingen van de Boeddha omdat zij de drievoudige formule van toevluchtname wilden ontvangen. Een andere versie beweert dat zij moesten komen omdat er geen klooster was. (An 2003, p. 168 noot 8 ).
[283] In één Chinese versie is een andere tekst. Ānanda ziet dat de Boeddha de voorschriften geeft aan een Malla die zijn toevlucht wil nemen tot de drie Juwelen. Ānanda vraagt de Boeddha de voorschriften te geven aan alle Mallas tegelijkertijd. De Boeddha gaat ermee akkoord. (An 2003, p. 169 noot 3).




« Laatst bewerkt op: 21-05-2018 00:03 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.13. De laatste bekering
 
      Te dien tijde nu leefde een zwervende asceet, geheten Subhadda,[285] in Kusināra. En het kwam hem ter ore: “Heden zal in de laatste nachtwake het definitieve uitdoven van de boeteling Gotama plaatshebben.” Toen kwam bij hem de volgende gedachte op: “Van oude en eerbiedwaardige zwervende monniken die leraren van andere zwervende monniken waren, heb ik dit vernomen: ‘Slechts heel af en toe een enkele keer verschijnen Volmaakten, volledig Ontwaakten in de wereld.’ Heden nu, in de laatste nachtwake, zal het definitieve uitdoven van de boeteling Gotama plaatshebben. Nu is er bij mij een bepaalde twijfel. Zoveel vertrouwen heb ik in de boeteling Gotama dat hij in staat is de leer op zo'n manier te tonen dat ik deze bepaalde twijfel kwijt raak.”
      Toen begaf zich de zwervende asceet Subhadda naar het stadspark, het sala-bosje van de Mallas, naar de eerwaarde Ānanda. Daar vertelde hij aan de eerwaarde Ānanda bovenstaande gedachtegang. En verder zei hij: “Vriend Ānanda, het zou daarom goed voor mij zijn als ik de boeteling Gotama mag opzoeken.” Hierop antwoordde de eerwaarde Ānanda hem: “Hou op, vriend Subhadda, stoor de Volmaakte niet; de Gezegende is moe.”[286] En voor een tweede en een derde keer uitte de zwervende asceet Subhadda zijn verzoek. En een tweede en een derde keer wees de eerwaarde Ānanda hem af.
      De Verhevene hoorde dit gesprek tussen beiden. Hij riep de eerwaarde Ānanda en zei: “Hou op, Ānanda, wijs Subhadda niet af; hij heeft toestemming om de Volmaakte te bezoeken.[287] Want wat door Subhadda aan mij gevraagd zal worden, dat vraagt hij met de bedoeling tot inzicht te komen, niet om lastig te vallen. En het antwoord dat ik hem geef, zal hij heel vlug begrijpen.”
      Daarop zei de eerwaarde Ānanda tot de zwervende asceet Subhadda: “Kom, vriend Subhadda, de Verhevene geeft je de toestemming.” Toen ging de zwervende asceet Subhadda naar de Verhevene toe. Hij wisselde vriendelijke en beleefde woorden met de Verhevene en ging naast hem neerzitten. (D.16)
      En hij zei tot de Verhevene: “Eerwaarde Gotama, is er zoiets als een pad door de lucht? Kan iemand die buiten de Orde is, een monnik genoemd worden? Zijn de aggregaten eeuwig? Eerwaarde Gotama, er zijn boetelingen en brahmanen die aan het hoofd staan van grote menigten discipelen. Elk van hen heeft een groot gevolg; ieder van hen is leider van een groep. Zij zijn welbekend en beroemd en worden door de grote massa als heiligen beschouwd, zoals bijvoorbeeld Pūrana Kassapa, Makkhali Gosāla, Ajita Kesakambalin, Pakudha, Kaccāyana, Sañjaya Belatthiputta en Nigantha Nāthaputta. Hebben zij allen, zoals zij zelf beweren, verwerkelijking bereikt of heeft niemand van hen verwerkelijking bereikt, of hebben enigen wel en anderen niet de verwerkelijking bereikt?”[289]
 
      “Genoeg, Subhadda, moge dat in het midden gelaten worden of zij wel of niet verwerkelijking bereikt hebben. Ik zal je de leer tonen.[290] Let goed op en luister naar wat ik zal zeggen.” – “Ja, Heer,” gaf de zwervende asceet Subhadda aan de Verhevene ten antwoord.
      En de Verhevene sprak aldus: “In welke leer en discipline het edele achtvoudige pad zich niet bevindt, daar bevindt zich ook niet de ware monnik van het eerste, tweede, derde of vierde niveau van heiligheid.[291] In welke leer en discipline echter het edele achtvoudige pad zich wel bevindt, daar bevindt zich ook de ware monnik van het eerste, tweede, derde en vierde niveau van heiligheid. Welnu, Subhadda, in deze leer en discipline bevindt zich het edele achtvoudige pad. En hier alleen is de ware monnik van het eerste niveau van heiligheid, hier alleen is de ware monnik van het tweede, het derde en het vierde niveau van heiligheid.[292] Subhadda, de andere leerstelsels[293] zijn leeg van ware monniken. En als de discipelen juist en rechtschapen leven,[294] zal de wereld niet leeg zijn van heiligen, van Volmaakten.[295] Eén jaar ontbrak nog aan de dertig, Subhadda, toen ik de wereld verliet om het heil voor mij te zoeken. Sedertdien zijn 51 jaren voorbijgegaan.[296] En al die tijd ben ik een pelgrim geweest in het rijk van deugdzaamheid en waarheid. En behalve daarin bestaat er geen ware heilige van het eerste niveau, noch van het tweede, noch van het derde noch van het vierde niveau. Leeg van ware monniken zijn de stelsels van andere leraren. Maar als de discipelen juist en rechtvaardig leven, zal de wereld niet leeg zijn van Arahants.” (D.16)

   “Er is geen pad door de lucht,
   buiten de Orde is er geen monnik.[298]
   De mensheid verheugt zich in de belemmeringen.[299]
   De Tathāgatas[300] zijn vrij van de hindernissen.”

   “Er is geen pad door de lucht,
   buiten de Orde is er geen monnik.
   De aggregaten[301] zijn niet eeuwig.
   Er is geen onbestendigheid[302] in de Boeddhas.” 
   (D.16; Dhp. 254-255 (XVIII.12) [303]
 
      Hierop zei de zwervende asceet Subhadda tot de Verhevene: “Voortreffelijk, Heer, voortreffelijk. Juist alsof men iets dat omgevallen was, weer recht zette of iets dat bedekt was, onthulde. Of juist alsof men een verdwaalde de weg toonde of een lamp in de duisternis hield met de bedoeling dat zij die ogen hebben, de dingen zullen zien. Evenzo is door de Verhevene op veelvuldige wijze de leer getoond. Daarom neem ik mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. Graag zou ik bij de Verhevene de wijding van de uittrede uit de wereld ontvangen,[304] graag zou ik de wijding van de intrede in de Orde ontvangen.”[305] – “Subhadda, wie tot nu toe aanhanger van een andere leer was en in deze leer en discipline de wijding van uittrede uit de wereld en de wijding van de intrede in de Orde wenst, die heeft gewoonlijk vier maanden proeftijd. Na afloop van die vier maanden geven de monniken, als zij tevreden zijn, hem de wijding van uittrede uit de wereld en nemen hem in de Orde van de monniken op. Nochtans erken ik hierbij onderscheid naar persoonlijkheid.” – “Heer, als dat zo is met die wijdingen, dan wil ik vier jaren proeftijd aannemen. En na afloop van die vier jaren kunnen de monniken, als zij tevreden met mij zijn, mij de wijding van uittrede uit de wereld geven en mij in de Orde van de monniken opnemen.” Maar de Verhevene zei tot de eerwaarde Ānanda: “Dan geef thans, Ānanda, aan Subhadda de wijdingen.” – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord. Toen zei de zwervende asceet Subhadda tot de eerwaarde Ānanda: “Hoe bevoorrecht, vriend Ānanda, hoe gezegend waarlijk bent u dat u in de tegenwoordigheid van de Meester zelf de besprenkeling van de wijding tot leerling hebt ontvangen.”[306] En de zwervende asceet Subhadda ontving in tegenwoordigheid van de Verhevene de twee wijdingen. (D.16)
 
      Volgens het commentaar nam Āndanda hem toen terzijde, goot water uit een schaal over zijn hoofd, liet hem de meditatie-formule herhalen van satipatthana, de contemplatie over het lichaam, eindigende met hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, en huid, tanden, nagels, lichaamshaar, hoofdhaar. Daarna schoor hij hoofdhaar en baard van Subhadda af, kleedde hem in gele gewaden, gaf hem de drievoudige toevlucht, en bracht hem terug naar de Verhevene. Deze nam Subhadda zelf als een bhikkhu (monnik) in de Orde aan en wees hem een meditatie-onderwerp aan.[308]
      En onmiddellijk vanaf zijn intrede leefde de eerwaarde Subhadda alleen, teruggetrokken, ernstig, ijverig en vastbesloten. En na niet lange tijd had hij het onvergelijkbare doel van het reinheidsleven omwille waarvan edelgeborenen uit het huis in de huisloze staat vertrekken, reeds in dit bestaan ingezien, verwerkelijkt en zich eigen gemaakt. Door direct inzicht wist hij: “Vernietigd is geboorte, het reinheidsleven is vervuld; de opgave is volbracht en na dit is er niets verder meer (te verrichten).” En zo was de eerwaarde Subhadda één van de heiligen (Arahants) geworden.[309] Hij was de laatste discipel die door de Verhevene zelf bekeerd werd. (D.16) [310]
 _____
[285] Subhadda kwam van een rijke brahmaanse familie in het noorden. Hij was een geklede asceet.  (An 2003, p. 169). - Asceten zijn niet gelijk aan Boeddhistische monniken. Bij de asceten wordt onderscheid gemaakt tussen de naakte asceet (acelaka) zoals een ajīvaka, en de geklede asceet (channa-paribbājako).  (An 2003, p. 169 noot 4).
[286] Volgens Buddhaghosa dacht Ānanda: “De volgelingen van andere sekten zijn gehecht aan hun eigen positie. Wanneer de Gezegende veel zal zeggen om hem te overtuigen van zijn verkeerde opvattingen, zullen zijn lichaam en stem gestoord worden. En de Gezegende is al erg moe.” (An 2003, p. 171). - Voor de natuurlijke zwakte van de Boeddha, zie: Mil.176, D.II.127; Ud.82; S.I.174; S.I.27; Mil.179; Mil.134.
[287] De Boeddha gaf toestemming omwille van Subhadda. Deze was met grote inspanning gekomen. (An 2003, p. 171). - Een Sanskriet versie en alle Chinese versies vermelden dat Subhadda 120 jaar oud was [d.w.z. heel oud]. Het was daarom niet gemakkelijk voor hem om zich voort te bewegen.  (An 2003, p. 171 noot 5).
[289]  Dhp. 256 (XVIII.12), in: Dhammananda 1988, p. 466; en in: Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'Is there a path through the air?’ Buddhist Legends, London 1979, Book 18, Story 12 (Vol. 30, p. 139).
[290] Buddhaghosa schreef dat volgens de traditie de Boeddha dacht: “In de eerste nachtwake zal ik de leer aan de Mallas hebben onderwezen; in de tweede nachtwake aan Subhadda; in de laatste nachtwake zal ik de Gemeenschap onderrichten; en daarna zal ik parinibbāna bereiken vroeg in de morgen.” (An 2003, p. 172). - In enkele versies staat: “Gemeenschap van de monniken”; zij sluiten zo de gemeenschap van de nonnen uit. (An 2003, p. 172, noot 4).
[291] Een versie geeft een gedetailleerde uitleg door A.II.238 te reciteren. (An 2003, p. 172 noot 5).
[292] Over de niveaus van geestelijke vooruitgang, zie: M.I.63; A.II.238. (An 2003, p. 172 noot 7).
[293] In het Brahmajāla suttanta (D.1) worden zij gedefinieerd als de 62 ketterse leringen van die tijd.
[294] Commentaar: Als een in-de-stroom-getredene verklaart wat hij heeft bereikt aan iemand anders en hem of haar tot stroom-intrede brengt, dan leeft hij juist. Hetzelfde is van toepassing op een eenmaal-wederkerende en de overige heiligen. (An 2003, p. 173).
[295] De wereld zal niet leeg zijn van arahants: in Mil.130, 26 is geciteerd: “De ware leer zal nu slechts 500 jaar duren.” (zie ook: A. IV. 278, 22).
[296] “Meer dan 59 jaar zijn er verstreken tussen het opgeven van het huiselijke leven tot nu.” (An 2003, p. 173). - Volgens twee Chinese versies waren 50 jaren verstreken vanaf zijn Verlichting. (An 2003, p. 173 noot 6).
[298] Orde = Sāsana. - Monnik (samana) heeft hier betrekking op de heilige, degene die tot de Ariyasangha behoort.
[299] Belemmeringen, zoals begeerte, trots, etc.
[300] Tathāgata: hij die aldus gegaan is.
[301] Aggregaten (sankhāra): de vijf groeperingen die alle van oorzaken afhankelijk zijn.
[302] Geen onbestendigheid: er is geen enkele belemmering, zoals begeerte, hoogmoed etc. De Boeddhas beschouwen dan ook geen enkel veroorzaakt ding als eeuwig.
[303] D.16; Dhp. 254-255 (XVIII.12) met bijbehorend verhaal in: Dhammananda 1988, p. 466-468; Bud.Leg.18,12; zie ook: Nārada 1978, p. 207.
[304] De wijding van uittrede uit de wereld: de pabbajjā, de wijding tot novice.
[305] De wijding van intrede in de Orde: de upasampadā.
[306] Het commentaar zegt dat Subhadda deze opmerking maakte onder de verkeerde indruk dat de Boeddha in zijn laatste ogenblikken aan Ānanda het recht overdroeg om de wijding tot toetreding te geven. Bepaalde leraren van andere sekten wezen op die manier hun opvolger aan. Subhadda meende dus dat Ānanda als opvolger van de Boeddha was aangewezen. Deze Subhadda is niet dezelfde persoon als de oude Subhadda die later genoemd wordt. (Ñanamoli 1978, p. 362, noot bij p. 327). - Wijding tot leerling door de Meester: volgens de opvatting van andere religies van die tijd werd een leerling door de leraar op diens eigen plaats gesteld met de woorden: “Wijdt deze man, onderricht hem.” (An 2003, p. 174).
[308] Commentaar bij D.II.590, geciteerd in: Khantipālo 1987, p. 371. – Het is aan te nemen dat er in de tijd van de Boeddha geen vaste ceremonie was voor de wijding (sanghakammam) zoals neergelegd in de Vinaya Pitaka. (An 2003, p. 174 noot 3).
[309] Volgens Buddhaghosa's commentaar ging Subhadda naar het park, liep er op en neer en streefde ijverig om  Māra te overwinnen. Daar bereikte hij arahantschap, waarna hij naar de Verhevene terugkeerde, hem groette en bij hem ging zitten. (An 2003, p. 174-175). - Volgens een Sanskriet versie en enkele Chinese versies bereikte Subhadda arahantschap en overleed nog vóór de Boeddha. (An 2003, p. 175 noot 1).
[310] ‘Hij was de laatste discipel’: Dit zijn woorden van de monniken op het 1e concilie. (An 2003, p. 175).


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 777
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
6.14. De laatste aanwijzingen van de Verhevene
 
      Toen richtte de Verhevene zich tot Ānanda met de woorden: “Het zou kunnen zijn, Ānanda, dat bij de een of ander onder jullie de gedachte ontstaat: ‘Tot een einde gekomen is het woord van de leraar, het behoort tot het verleden. Nu hebben wij geen leraar meer.’ Maar zó moet dat niet beschouwd worden. Want de leer en de discipline[311] die ik u getoond en duidelijk gemaakt heb, is na mijn heengaan uw leraar.[312] Ānanda, zoals evenwel de monniken elkaar thans toespreken met het woord: ‘vriend’, zo moeten jullie elkaar na mijn dood niet toespreken. De oudere monnik moet de jongere monnik[313] met diens voornaam of met diens familienaam of met ‘vriend’ toespreken.[314] En de jongere monnik moet de oudere monnik met ‘Heer’ of met ‘eerwaarde’ toespreken. Als de gemeenschap van monniken het wenst, mag men na mijn heengaan alle kleine voorschriften laten vallen.[315] Ānanda, de monnik Channa moet men na mijn heengaan de hoogste boete opleggen.”[316] – “Maar, Heer, wat is de hoogste boete?” - “Ānanda, de monnik Channa kan zeggen wat hij wil, maar de monniken moeten niet tot hem spreken, hem niet vermanen noch beleren.”[317]
 
      Na deze woorden richtte de Verhevene zich tot de andere monniken:
_____
[311] Twee Chinese versies definiëren de Vinaya als de patimokkha. (An 2003, p. 176 noot 3).
[312] De Dhamma is zowel onderwezen als gevestigd, bekend. De Vinaya is zowel onderwezen als gevestigd. De Dhamma en de Vinaya zijn na mijn overlijden jullie leraar. (An 2003, p. 176). - Deze vestiging van Dhamma en Vinaya is in groter detail voortgezet in de vier grote referenties in D.II.124. Kassapa vraagt Upāli om de Vinaya te reciteren en vraagt Ānanda om de Dhamma te reciteren op het 1e concilie. (zie Vin.II.283). (An 2003, p. 176 noot 4). – Buddhaghosa legt in zijn commentaar eerst de nadruk erop dat de Vinaya de rol van leraar zal vervullen na het overlijden van de Boeddha. (An 2003, p. 176-177). En verder vermeldt hij de vier grondslagen van oplettendheid (satipatthāna), de vier juiste inspanningen (sammappadhāna), de vijf wegen naar bovennatuurlijke kracht (iddhipāda), de vijf geestelijke vermogens (indriya), de vijf mentale krachten (bala), de zeven factoren van Verlichting (bojjhanga), en het edele achtvoudige pad (magga). Op verschillende manieren heeft de Boeddha deze leerstellingen geanalyseerd en de korf van de suttas onderwezen. Die suttas zullen alle de rol van de Leraar gaan vervullen. (An 2003, p. 177-178). Buddhaghosa stelt de Vinaya op de eerste plaats en de Dhamma op de tweede plaats. In het Mahāparinibbāna sutta is het andersom. Buddhaghosa vermeldt dan ook nog in zijn commentaar de Abhidhamma-pitaka. (An 2003, p. 178). Volgens L.S. Cousins moet niet Abhidhamma- maar Mahāpatthāna-pitaka gelezen worden. (An 2003, p. 178-179 noot 9). Het is aan te nemen dat de Abhidhamma-pitaka pas na het 3e concilie is ontstaan.
[313] ‘Oudere en jongere monnik’: bij monniken wordt niet het aantal levensjaren geteld, maar de tijd vanaf de hogere wijding.
[314] Zij moeten elkaar niet met “junior” aanspreken, maar met de voornaam of de familienaam. (An 2003, p. 179).
[315] Volgens Buddhaghosa zei de Boeddha niet dat zij dat moesten doen, maar dat zij dat konden doen. De Boeddha maakte geen voorschrift maar een optie. En hij deed dat omdat hij de kracht van het inzicht van Mahā Kassapa kende. (An 2003, p. 180). –  De monnik Nāgasena had het over de mindere en kleinere regels (zie Mil.144,4). – Mahā Kassapa Thera zei op het 1e concilie dat de monniken regels hebben m.b.t. gezinshoofden. Die regels waren ook de gezinshoofden bekend. Indien die mindere regels opgegeven zouden worden, zou men kunnen zeggen dat de monniken de regels navolgden zolang als de Meester leefde, maar dat zij ermee stopten na diens overlijden. Daarom stelde Mahā Kassapa voor om de regels te handhaven. (An 2003, p. 181). – Op het 1e concilie werd overeengekomen dat geen enkele regel opgegeven zou worden. Toch werd volgens de overlevering Ānanda toen ervan beschuldigd een fout gemaakt te hebben door niet aan de Boeddha te vragen wat hij bedoelde met de kleinere en de mindere regels. (An 2003, p. 181 noot 6).
[316] Deze Channa is gelijk aan de koetsier Channa. Hij was hoogmoedig, koppig en niet voor verbetering vatbaar. Later werd hij toch een heilige, een Arahant.
[317] Vinaya betekent discipline en ook reglement. De Boeddha maande de monniken om na zijn dood als criteria voor de beoordeling of een tekst echt was, die tekst te vergelijken met Sutta (Dhamma) en Vinaya.
   Na de dood van de Boeddha waren alleen de Dhamma en Vinaya de autoriteit voor de monniken. Maar de Vinaya werd zelfs nog uitgebreid door de Boeddha op zijn sterfbed woorden in de mond te leggen zoals: de monniken moeten elkaar volgens ouderdom aanspreken, de oudere tot de jongere, en niet omgekeerd. De Orde kan kleinere geboden opheffen. Met de monnik Channa moet niet meer gesproken worden.
 


Verder gaat het met Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan.
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2664.msg20645.html#msg20645
« Laatst bewerkt op: 22-05-2018 16:21 door nico70+ »