Boeddha Forum

Boeddhisme => Theravada Boeddhisme => Topic gestart door: Passievrucht op 05-09-2015 19:31

Titel: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 05-09-2015 19:31
Er is versnipperd zeker veel informatie te vinden over kamma op het forum. Het leek me handig een overzichtelijke plek te maken waar sutta's en/of sutta fragmenten over kamma uit de Pali Canon te vinden zijn. Ik denk dat mensen zo tenminste op een eerlijke en open manier geinformeerd worden.

Ik heb gezien dat sommige sutta's al in het Nederlands vertaald zijn. Handig! Ik weet niet alle. Dan zal ik ze vertalen uit het Engels. Als iemand zin heeft hieraan mee te werken, en ook sutta's en/of sutta fragmenten te posten in het Nederlands, graag!

Misschien kunnen we deze plek reserveren als een plek waar puur de sutta's of sutta fragmenten over kamma te vinden zijn uit de Pali Canon, en andere plekken gebruiken om hier eventueel over te discussieren.

Ik hoop dat jullie dit initiatief op prijs stellen.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 05-09-2015 19:33
https://suttacentral.net/nl/mn135

Majjhima Nikaya 135. De korte uiteenzetting over kamma


De brahmaanse student Subha gaat naar de Boeddha

"Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. Toen ging de student Subha (brahmaan), zoon van Todeyya, naar de Gezegende en zij begroetten elkaar. Nadat het hoffelijke en vriendelijke gesprek was beëindigd, ging hij aan zijn zijde zitten en vroeg hij de Gezegende:

“Meester Gotama, wat is er de oorzaak en omstandigheid van dat men bij menselijke wezens minderwaardigheid en voortreffelijkheid aantreft? Want men treft mensen aan die kort leven en mensen die lang leven, zieke en gezonde mensen, lelijke en knappe mensen, onbeduidende en invloedrijke mensen, arme en rijke mensen, mensen van lage afkomst en mensen van hoge afkomst, domme en wijze mensen. Wat is er de oorzaak en omstandigheid van, Meester Gotama, dat men bij menselijke wezens minderwaardigheid en voortreffelijkheid aantreft?”

“Student, wezens zijn eigenaren van hun daden (kamma), erfgenamen van hun daden; zij zijn gevormd door hun daden, zij zijn verbonden aan hun daden, zij hebben hun daden als hun thuisbasis. Het is door de daad waardoor wezens minderwaardig of voortreffelijk zijn.”

“Ik begrijp niet in detail de betekenis van het standpunt van Meester Gotama, het standpunt dat hij beknopt verwoord heeft zonder dat hij de betekenis in detail uiteengezet heeft. Het zou goed zijn als Meester Gotama mij de Dhamma zou onderwijzen, zodat ik in detail de betekenis van het standpunt van Meester Gotama kan begrijpen.”

“Goed dan, student, luister en let goed op wat ik zal zeggen.” —“Zeker, Meester Gotama”, antwoordde de brahmaanse student Subha. De Gezegende zei dit:

De wegen die naar een lang en naar een kort leven leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man die levende wezens doodt, die moordzuchtig is, die bloed aan de handen heeft, die geneigd is tot slaan en geweld, die meedogenloos is ten opzichte van levende wezens. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan leeft hij kort, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt tot een kort leven, namelijk: levende wezens doden, moordzuchtig zijn, bloed aan de handen hebben, geneigd zijn tot slaan en geweld, meedogenloos zijn ten opzichte van levende wezens.”

 “Maar hier, student, is een vrouw of een man, die gestopt is met het doden van levende wezens, die zich onthoudt van het doden van levende wezens, die de zweep en het wapen terzijde heeft gelegd, die zorgzaam en vriendelijk is; dit is iemand die voortdurend mededogen heeft met alle levende wezens. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan leeft hij lang, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar een lang leven, namelijk: het stoppen van het doden van levende wezens, het zich onthouden van het doden van levende wezens, de zweep en het wapen terzijde leggen, zorgzaam en vriendelijk zijn; voortdurend mededogen hebben met alle levende wezens.”

De wegen die naar ziekte en naar gezondheid leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man die wezens letsel toebrengt met zijn handen, met kluiten aarde, met een stok of met een mes. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij ziekelijk, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar ziekte, namelijk: wezens letsel toebrengen met de handen, met kluiten aarde, met een stok of met een mes.”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man die wezens geen letsel toebrengt met zijn handen, met kluiten aarde, met een stok of met een mes. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij gezond, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar gezondheid, namelijk: wezens geen letsel toebrengen met de handen, met kluiten aarde, met een stok of met een mes.”

De wegen die naar lelijkheid en naar schoonheid leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man van een boosaardig en prikkelbaar karakter; zelfs bij de minste of geringste kritiek voelt hij zich beledigd, wordt hij boos, vijandig, wraakzuchtig en geeft hij blijk van kwaadwilligheid, haat en bitterheid. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij lelijk, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar lelijkheid, namelijk: een boosaardig en prikkelbaar karakter hebben; bij de minst geringste kritiek beledigd zijn, boos, vijandig, wraakzuchtig zijn en blijk geven van kwaadwilligheid, haat en bitterheid.”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man niet van een boosaardig en prikkelbaar karakter; die zich niet beledigd voelt bij kritiek, niet boos, niet vijandig, niet wraakzuchtig en hij geeft geen blijk van kwaadwilligheid, haat en bitterheid. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij mooi, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar schoonheid, namelijk: geen boosaardig en prikkelbaar karakter hebben; bij kritiek je niet beledigd voelen, niet boos, niet vijandig, niet wraakzuchtig zijn en geen blijk geven van kwaadwilligheid, haat en bitterheid.”

De wegen die naar onbeduidendheid en naar invloedrijkheid leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man jaloers, iemand die afgunstig is, iemand die anderen hun winst misgunt, wrok koestert omdat anderen hulde betuiging, respect, eerbiediging, begroetingen en verering ontvangen. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij onbeduidend, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar onbeduidendheid, namelijk: jaloers zijn, afgunstig zijn, anderen hun winst misgunnen, en wrok koesteren omdat anderen hulde betuiging, respect, eerbiediging, begroetingen en verering ontvangen.”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man niet jaloers, iemand die niet afgunstig is, iemand die anderen hun winst niet misgunt, geen wrok koestert omdat anderen hulde betuiging, respect, eerbiediging, begroetingen en verering ontvangen. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij invloedrijk, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar invloedrijkheid, namelijk: niet jaloers zijn, niet afgunstig zijn, anderen hun winst gunnen, geen wrok koesteren omdat anderen hulde betuiging, respect, eerbiediging, begroetingen en verering ontvangen.”

De wegen die naar armoede en naar welgesteldheid leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man die geen eten, drinken, kleding, schoeisel, bloemen, wierrook, zalven, geen slaapplaats, geen onderdak, en geen licht geeft aan kluizenaars of brahmanen. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij arm, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar armoede, namelijk: geen eten, drinken, kleding, schoeisel, bloemen, wierrook, zalven, geen slaapplaats, geen onderdak, en geen licht geven aan kluizenaars of brahmanen.”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man die eten, drinken, kleding, schoeisel, bloemen, wierrook, zalven, een slaapplaats, een onderdak, en licht geeft aan kluizenaars of brahmanen. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij welgesteld, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar welgesteldheid, namelijk: het geven van eten, drinken, kleding, schoeisel, bloemen, wierrook, zalven, een slaapplaats, een onderdak, en licht geven aan kluizenaars of brahmanen.”

De wegen die naar lage afkomst en naar hoge afkomst leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man halsstarrig en arrogant; hij betuigt geen hulde aan wie hij hulde zou moeten betuigen, hij staat niet op voor wie hij zou moeten opstaan, hij geeft geen zitplaats aan wie een zitplaats verdient, hij gaat niet opzij voor wie hij opzij zou moeten gaan, hij vereert niet degene die vereerd zou moeten worden, hij respecteert niet degene die gerespecteerd zou moeten worden, hij eerbiedigt niet degene die geëerbiedigd zou moeten worden, hij eert niet degene die geëerd zou moeten worden. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij van lage afkomst, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar lage afkomst, namelijk: halsstarrig en arrogant zijn; geen hulde betuigen aan wie hulde betuigd zou moeten worden, niet opstaan voor wie men zou moeten opstaan, geen zitplaats geven aan degene die een zitplaats verdient, niet opzij gaan voor degene waarvoor men opzij zou moeten gaan, niet degene vereren die vereerd zou moeten worden, niet degene respecteren die gerespecteerd zou moeten worden, niet degene eerbiedigen die geëerbiedigd zou moeten worden, niet degene eren de geëerd zou moeten worden.”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man niet halsstarrig en niet arrogant; hij betuigt hulde aan wie hij hulde zou moeten betuigen, hij staat op voor wie hij zou moeten opstaan, hij geeft een zitplaats aan wie een zitplaats verdient, hij gaat opzij voor wie hij opzij zou moeten gaan, hij vereert degene die vereerd zou moeten worden, hij respecteert degene die gerespecteerd zou moeten worden, hij eerbiedigt degene die geëerbiedigd zou moeten worden, hij eert degene die geëerd zou moeten worden. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij van hoge afkomst, ongeacht waar hij herboren wordt.”

 “Dit, student, is de weg die leidt naar hoge afkomst, namelijk: niet halsstarrig en niet arrogant zijn; hulde betuigen aan wie hulde betuigd zou moeten worden, opstaan voor wie men zou moeten opstaan, een zitplaats geven aan degene die een zitplaats verdient, opzij gaan voor degene waarvoor men opzij zou moeten gaan, hem vereren die vereerd zou moeten worden, hem respecteren die gerespecteerd zou moeten worden, hem eerbiedigen die geëerbiedigd zou moeten worden, hem eren de geëerd zou moeten worden.”

De wegen die naar domheid en naar wijsheid leiden

“Hier, student, is een vrouw of een man die geen bezoek brengt aan een monnik of een brahmaan en dan de vraag stelt: ‘Wat, Eerwaarde Heer, is heilzaam? Wat is onheilzaam? Wat is berispelijk? Wat is niet berispelijk? Wat moet ontwikkeld worden? Wat moet niet ontwikkeld worden? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn nadeel en lijden strekken? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn voordeel en geluk strekken?’ Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, mogelijk in de hel. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren in een staat van ellende, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij dom, ongeacht waar hij herboren wordt.”

“Dit, student, is de weg die leidt naar domheid, namelijk: geen bezoek brengen aan een monnik of een brahmaan en dan de vraag stellen: ‘Wat, Eerwaarde Heer, is heilzaam? Wat is onheilzaam? Wat is berispelijk? Wat is niet berispelijk? Wat moet ontwikkeld worden? Wat moet niet ontwikkeld worden? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn nadeel en lijden strekken? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn voordeel en geluk strekken?’”

“Maar hier, student, is een vrouw of een man die een bezoek brengt aan een monnik of een brahmaan en dan de vraag stelt: ‘Wat, Eerwaarde Heer, is heilzaam? Wat is onheilzaam? Wat is berispelijk? Wat is niet berispelijk? Wat moet ontwikkeld worden? Wat moet niet ontwikkeld worden? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn nadeel en lijden strekken? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn voordeel en geluk strekken?’. Vanwege de uitvoering en vanwege het feit dat men hiermee instemt, wordt hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren op een gelukkige bestemming, mogelijk in de hemelse wereld. Als hij na de ontbinding van het lichaam, na de dood, niet wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld, maar in plaats daarvan terugkomt in de menselijke staat, dan is hij wijs, ongeacht waar hij herboren wordt.”

 “Dit, student, is de weg die leidt naar wijsheid, namelijk: een bezoek brengen aan een monnik of een brahmaan en dan de vraag stellen: ‘Wat, Eerwaarde Heer, is heilzaam? Wat is onheilzaam? Wat is berispelijk? Wat is niet berispelijk? Wat moet ontwikkeld worden? Wat moet niet ontwikkeld worden? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn nadeel en lijden strekken? Welk soort gedrag zal voor lange tijd tot mijn voordeel en geluk strekken?’”

Conclusie

 “Op die manier, student, zorgt de weg die leidt naar een kort leven ervoor, dat mensen kort leven, en zorgt de weg die leidt naar een lang leven ervoor, dat mensen lang leven; zorgt de weg die leidt naar ziekte ervoor, dat mensen ziek zijn, en zorgt de weg die leidt naar gezondheid ervoor, dat mensen gezond zijn; zorgt de weg die leidt naar lelijkheid ervoor, dat mensen lelijk zijn, en zorgt de weg die leidt naar schoonheid ervoor, dat mensen mooi zijn; zorgt de weg die leidt naar onbeduidendheid ervoor, dat mensen onbeduidend zijn, en zorgt de weg die leidt naar invloedrijkheid ervoor, dat mensen invloedrijk zijn; zorgt de weg die leidt naar armoede ervoor, dat mensen arm zijn, en zorgt de weg die leidt naar welgesteldheid ervoor, dat mensen welgesteld zijn; zorgt de weg die leidt naar lage afkomst ervoor, dat mensen van lage afkomst zijn, en zorgt de weg die leidt naar hoge afkomst ervoor, dat mensen van hoge afkomst zijn; zorgt de weg die leidt naar domheid ervoor, dat mensen dom zijn, en zorgt de weg die leidt naar wijsheid ervoor, dat mensen wijs zijn.”

 “Student, wezens zijn eigenaren van hun daden, erfgenamen van hun daden; zij zijn gevormd door hun daden, zij zijn verbonden aan hun daden, zij hebben hun daden als hun thuisbasis. Het is door de daad dat wezens minderwaardig of voortreffelijk zijn.”

Slot

Toen dit gezegd was, zei de brahmaanse student Subha, zoon van Todeyya, tegen de Gezegende: “Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een volgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven!”


Titel: Majjhima Nikaya 136, De Grote Uiteenzetting over Kamma
Bericht door: Passievrucht op 06-09-2015 11:52
http://www.sleuteltotinzicht.nl/m136.htm

nummering tussen [..] verwijst naar noten onderaan de tekst. (...) zijn soms gebruikt om veel herhaling te voorkomen. Kortgezegd: deze sutta toont dat iemand met helder schouwen kan zien dat iemand die veel wangedrag heeft vertoond met lichaam,  spraak en geest toch wordt wedergeboren op een goede bestemming en iemand met juist gedrag in de hel. Hoe kan dat? De Boeddha verklaart dit. Tegelijkertijd wordt vastgehouden aan het principe dat wandaden tot leed leiden en dat heilzame daden tot heil leiden. De Sutta geeft ook aan dat je dus verkeerde conclusies kan trekken uit wat je waarneemt.

Majjhima Nikaya 136, De Grote Uiteenzetting over Kamma


1. Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende in Rajagaha, in het Bamboebos (Veluvana), de Voederplaats van de Eekhoorns. In die tijd leefde de Eerwaarde Samiddhi in een boshut.

De zwerver Potaliputta gaat naar de Eerwaarde Samiddhi

Toen kwam de zwerver Potaliputta, die bij wijze van training wandelde en rondzwierf, naar de Eerwaarde Samiddhi en wisselde begroetingen met hem uit. Toen het hoffelijke en lofwaardige gesprek was beëindigd, ging hij aan zijn zijde zitten. Toen hij dat had gedaan sprak hij tot de Eerwaarde Samiddhi:
2. "Vriend Samiddhi, ik heb dit gehoord en geleerd uit de mond van de monnik Gotama: 'Lichamelijke kamma's zijn vergeefs, verbale kamma's zijn vergeefs, alleen mentale kamma's zijn echt. Maar die toestand is pas te bereiken wanneer men een staat heeft bereikt waarin helemaal niets (van de gevolgen van kamma's) wordt gevoeld.'"
"Oh nee, vriend Potaliputta, zeg dat niet! Stel de Gezegende niet in een verkeerd daglicht! Het is niet goed de Gezegende in een verkeerd daglicht te stellen. De Gezegende zou niet aldus spreken: 'Lichamelijke kamma's zijn vergeefs, verbale kamma's zijn vergeefs, alleen mentale kamma's zijn echt. Maar die toestand is pas te bereiken wanneer men een staat heeft bereikt waarin helemaal niets (van de gevolgen van kamma's) wordt gevoeld.'"
"Hoe lang is het geleden dat jij van huis bent weggegaan, vriend Samiddhi?"
"Niet lang, vriend, drie jaar."
"Ziedaar, wat zullen we tegen de oudere bhikkhu's zeggen, als de jonge bhikkhu meent dat de Meester zo verdedigd moet worden? Na opzettelijk kamma te hebben gemaakt, vriend Samiddhi, via het lichaam, de spraak of de geest, wat voelt men dan (van het gevolg daarvan)?"
"Na opzettelijk kamma te hebben gemaakt, vriend Potaliputta, via het lichaam, de spraak of de geest, voelt men lijden (als het gevolg daarvan)."
Toen stond de zwerver Potaliputta, terwijl hij het noch eens noch oneens was met de woorden van de Eerwaarde Samiddhi, op van zijn plaats en ging weg.

De Eerwaarde Samiddhi gaat naar de Eerwaarde Ananda

3. Spoedig nadat de zwerver Potaliputta was weggegaan, ging de Eerwaarde Samiddhi naar de Eerwaarde Ananda en wisselde begroetingen met hem uit. Toen het hoffelijke en lofwaardige gesprek was beëindigd, ging hij aan zijn zijde zitten. Toen hij dat had gedaan, vertelde hij de Eerwaarde Ananda zijn hele gesprek met de zwerver Potaliputta.
Toen dit was gezegd, zei de Eerwaarde Ananda hem: "Vriend Samiddhi, dit gesprek moet aan de Gezegende verteld worden. Kom, laat ons naar de Gezegende gaan, en laat ons, na zo te hebben gedaan, hem hierover vertellen. Zoals hij antwoordt, zo zullen wij het onthouden."
"Goed, vriend", antwoordde de Eerwaarde Samiddhi.

De vraag over kamma wordt aan de Boeddha voorgelegd

Toen gingen zij gezamenlijk naar de Gezegende, en na hem respect te hebben betuigd, gingen zij aan zijn zijde zitten. Toen zij dat hadden gedaan, vertelde de Eerwaarde Ananda de Gezegende het hele gesprek van de Eerwaarde Samiddhi met de zwerver Potaliputta.
4. Toen dit was verteld, sprak de Gezegende tot de Eerwaarde Ananda: "Ik ken de zwerver niet eens van gezicht, Ananda. Hoe zou er zo'n gesprek geweest kunnen zijn? De vraag van de zwerver Potaliputta zou beantwoord moeten zijn na hem geanalyseerd te hebben, maar deze verblinde man Samiddhi beantwoordde hem zonder kwalificatie[1]."
Toen dit was gezegd, sprak de Eerwaarde Udayin tot de Gezegende: "Maar, Eerwaarde Heer, veronderstel dat de Eerwaarde Samiddhi toen hij sprak hiernaar verwees, namelijk: 'Al wat gevoeld wordt is lijden[2]'"
5. Toen richtte de Gezegende zich tot de Eerwaarde Ananda: "Zie, Ananda, hoe deze verblinde man Udayin tussenbeide komt. Ik wist, Ananda, dat deze verblinde man Udayin nu op onredelijke wijze tussenbeide zou komen. Om te beginnen betrof het de drie soorten gevoelens (vedana) waarover door de zwerver Potaliputta een vraag werd gesteld. Als deze verblinde man Samiddhi, toen hem de vraag werd gesteld, de zwerver Potaliputta aldus had geantwoord: 'Na een opzettelijk kamma gemaakt te hebben via het lichaam, de spraak en de geest dat (door het gevolg daarvan) voelbaar zal zijn als genoegen, voelt hij genoegen; na een opzettelijk kamma gemaakt te hebben via het lichaam, de spraak en de geest dat (door het gevolg daarvan) voelbaar zal zijn als pijn, voelt hij pijn; na een opzettelijk kamma gemaakt te hebben via het lichaam, de spraak en de geest dat (door het gevolg daarvan) voelbaar zal zijn noch als genoegen noch als pijn, voelt hij noch genoegen noch pijn' -- door hem aldus te antwoorden, Ananda, zou de verblinde man Samiddhi de zwerver Potaliputta het juiste antwoord gegeven hebben. Bovendien, Ananda, wie zijn de dwaze onnadenkende zwervers van andere sekten dat zij de grote uiteenzetting van kamma van de Tathagata zullen begrijpen? (Maar) als jij, Ananda, zou luisteren naar de Tathagata wanneer hij de grote uiteenzetting van kamma geeft, (zou jij het kunnen begrijpen)[3]."

De vier personen in verschillende omstandigheden

"Dit is het tijdstip, Gezegende, dit is het tijdstip, Verhevene, voor de Gezegende om de grote uiteenzetting van kamma te geven. Als de bhikkhu's het van de Gezegende gehoord hebben, zullen zij het onthouden."
"Luister dan, Ananda, en let goed op wat ik zal zeggen." -- "Zeker, Eerwaarde Heer", antwoordde de Eerwaarde Ananda. De Gezegende zei dit:
6. "Ananda, er bestaan vier soorten personen in de wereld. Welke vier?"
I. "Hier doodt iemand levende wezens, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich onder invloed van seksuele verlangens, vertelt leugens, spreekt boosaardig, spreekt wrede taal, roddelt, is hebzuchtig, is van kwade wil, en heeft verkeerd inzicht[4]. Bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel."
II. "Maar hier doodt iemand levende wezens, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich onder invloed van seksuele verlangens, vertelt leugens, spreekt boosaardig, spreekt wrede taal, roddelt, is hebzuchtig, is van kwade wil, en heeft verkeerd inzicht. Bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld."
III. "Hier onthoudt iemand zich van het doden van levende wezens, van het nemen van wat niet is gegeven, van wangedrag onder invloed van seksuele verlangens, van leugens, van kwaadaardige taal, van wrede taal, van roddel, hij is niet hebzuchtig, is niet van kwade wil, en heeft juist inzicht[5]. Bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld."
IV. "Maar hier onthoudt iemand zich van het doden van levende wezens, van het nemen van wat niet is gegeven, van wangedrag onder invloed van seksuele verlangens, van leugens, van kwaadaardige taal, van wrede taal, van roddel, hij is niet hebzuchtig, is niet van kwade wil, en heeft juist inzicht. Bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel.

Verschillende inzichten vanwege een bepaalde toestand

7. I. "Hier, Ananda, bereikt een monnik of brahmaan ten gevolge van ijver, inspanning, toewijding, vlijt, en juiste aandacht, zo'n concentratie van de geest dat hij, wanneer zijn geest geconcentreerd is, ziet met het hemelse gezichtsvermogen, dat gezuiverd is en het menselijke gezichtsvermogen overstijgt, dat hier iemand levende wezens doodt, neemt wat niet is gegeven, zich misdraagt onder invloed van seksuele verlangens, leugens vertelt, boosaardig spreekt, wrede taal spreekt, roddelt, hebzuchtig is, van kwade wil is, verkeerd inzicht heeft. Hij ziet dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Hij zegt: 'Het schijnt dat er slechte kamma's bestaan en dat wangedrag gevolgen heeft; want ik heb gezien dat hier iemand levende wezens doodde (...) verkeerd inzicht had. Ik heb gezien dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel.' Hij zegt: 'Het schijnt dat iemand die levende wezens doodt (...) verkeerd inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis.'"
"Op die manier begrijpt hij hardnekkig verkeerd wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt hij: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd.'"
8. II. "Maar hier bereikt een monnik of brahmaan ten gevolge van ijver, inspanning, toewijding, vlijt, en juiste aandacht, zo'n concentratie van de geest dat hij, wanneer zijn geest geconcentreerd is, ziet met het hemelse gezichtsvermogen, dat gezuiverd is en het menselijke gezichtsvermogen overstijgt, dat hier iemand levende wezens doodt (...) verkeerd inzicht heeft. Hij ziet dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Hij zegt: 'Het schijnt dat er geen slechte kamma's bestaan, dat wangedrag geen gevolgen heeft. Want ik heb gezien dat hier iemand levende wezens doodde (...) verkeerd inzicht had. Ik heb gezien dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld.' Hij zegt: 'Het schijnt dat iemand die levende wezens doodt (...) verkeerd inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis.'"
"Op die manier begrijpt hij hardnekkig verkeerd wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt hij: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd.'"
9. III. "Hier bereikt een monnik of brahmaan ten gevolge van ijver, inspanning, toewijding, vlijt, en juiste aandacht, zo'n concentratie van de geest dat hij, wanneer zijn geest geconcentreerd is, ziet met het hemelse gezichtsvermogen, dat gezuiverd is en het menselijke gezichtsvermogen overstijgt, dat hier iemand zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft. Hij ziet dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Hij zegt: 'Het schijnt dat er goede kamma's bestaan, dat goed gedrag gevolgen heeft. Want ik heb gezien dat hier iemand zich onthield van het doden van levende wezens (...) juist inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld.' Hij zegt: 'Het schijnt dat iemand die zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis.'"
"Op die manier begrijpt hij hardnekkig verkeerd wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt hij: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd.'"
10. IV. "Maar hier bereikt een monnik of brahmaan ten gevolge van ijver, inspanning, toewijding, vlijt, en juiste aandacht, zo'n concentratie van de geest dat hij, wanneer zijn geest geconcentreerd is, ziet met het hemelse gezichtsvermogen, dat gezuiverd is en het menselijke gezichtsvermogen overstijgt, dat hier iemand zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft. Hij ziet dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, is wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Hij zegt: 'Het schijnt dat er geen goede kamma's bestaan, dat goed gedrag geen gevolgen heeft. Want ik heb gezien dat hier iemand zich onthield van het doden van levende wezens (...) juist inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel.' Hij zegt: 'Het schijnt dat iemand die zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis.'"
"Op die manier begrijpt hij hardnekkig verkeerd wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt hij: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd.'"

Verklaring van de inzichten

11. I. "Welnu, Ananda, wanneer een monnik of brahmaan aldus spreekt: 'Het schijnt dat er slechte kamma's bestaan, dat wangedrag gevolgen heeft', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Want ik heb gezien dat iemand levende wezens doodde (...) verkeerd inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren in staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Het schijnt dat iemand die levende wezens doodt (...) verkeerd inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij hardnekkig verkeerd begrijpt wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; en wanneer hij, terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Hoe komt dat? De kennis van de Tathagata omtrent de grote uiteenzetting over kamma is anders."
12. II. "Wanneer nu een monnik of brahmaan aldus spreekt: 'Het schijnt dat er geen slechte kamma's bestaan, dat wangedrag geen gevolgen heeft', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Want ik heb gezien dat iemand levende wezens doodde (...) verkeerd inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Het schijnt dat iemand die levende wezens doodt (...) verkeerd inzicht heeft, altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, zal worden wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij hardnekkig verkeerd begrijpt wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; en wanneer hij, terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Hoe komt dat? De kennis van de Tathagata omtrent de grote uiteenzetting over kamma is anders."
13. III. "Wanneer nu een monnik of brahmaan aldus spreekt: 'Het schijnt dat goede kamma's bestaan, dat goed gedrag gevolgen heeft', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Want ik heb gezien dat iemand zich hier onthield van het doden van levende wezens (...) juist inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij zegt: 'Het schijnt dat iemand die zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, altijd wordt wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld[6]', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij zegt: 'Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij hardnekkig verkeerd begrijpt wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; en wanneer hij, terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Hoe komt dat? De kennis van de Tathágata omtrent de grote uiteenzetting over kamma is anders."
14. IV. "Wanneer nu een monnik of brahmaan aldus spreekt: 'Het schijnt dat er geen goede kamma's bestaan, dat goed gedrag geen gevolgen heeft', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Want ik heb gezien dat iemand zich hier onthield van het doden van levende wezens (...) juist inzicht had. Ik zag dat hij bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, was wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel', geef ik hem daarin gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Iemand die zich onthoudt van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft, zal altijd, bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, worden wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij aldus spreekt: 'Zij die aldus weten, weten het goed; zij die anderszins weten vergissen zich in hun kennis', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Wanneer hij hardnekkig verkeerd begrijpt wat hij zelf te weten is gekomen, heeft gezien en gevoeld; en wanneer hij, terwijl hij alleen daaraan vasthoudt, zegt: 'Alleen dit is waar, al het andere is verkeerd', geef ik hem daarin geen gelijk."
"Hoe komt dat? De kennis van de Tathagata omtrent de grote uiteenzetting over kamma is anders."

De grote uiteenzetting over kamma

15. I. "Welnu, Ananda, er is de persoon die hier levende wezens heeft gedood (...) verkeerd inzicht heeft gehad. En bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel[7]. Maar (wellicht) was het slechte kamma dat zijn lijden voortbrengt, eerder door hem gemaakt, of was het slechte kamma dat zijn lijden voortbrengt later door hem gemaakt, of was verkeerd inzicht door hem opgevat en voltooid op het moment van zijn dood[8]. En dat was waarom hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, werd wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Maar aangezien hij hier levende wezens heeft gedood (...) verkeerd inzicht heeft gehad, zal hij het gevolg daarvan hier en nu voelen, of in zijn volgende wedergeboorte, of in een daarop volgend bestaan."
16. II. "Nu is er de persoon die hier levende wezens heeft gedood (...) verkeerd inzicht heeft gehad. En bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld.[9] Maar (wellicht) was het goede kamma dat zijn geluk voortbrengt, eerder door hem gemaakt, of was het goede kamma dat zijn geluk voortbrengt later door hem gemaakt, of was juist inzicht door hem opgevat en voltooid op het moment van zijn dood. En dat was waarom hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, werd wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Maar aangezien hij hier levende wezens heeft gedood (...) verkeerd inzicht heeft gehad, zal hij het gevolg daarvan hier en nu voelen, of in zijn volgende wedergeboorte, of in een daarop volgend bestaan[10]."
17. III. "Nu is er de persoon die hier heeft afgezien van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft gehad. En bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld[11]. Maar (wellicht) was het goede kamma dat zijn geluk voortbrengt eerder door hem gemaakt, of was het goede kamma dat zijn geluk voortbrengt later door hem gemaakt, of was juist inzicht door hem opgevat en voltooid op het moment van zijn dood. En dat was waarom hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, werd wedergeboren op een gelukkige bestemming, in de hemelse wereld. Maar omdat hij hier heeft afgezien van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft gehad, zal hij het gevolg daarvan hier en nu voelen, of in zijn volgende wedergeboorte, of in een daarop volgend bestaan."
18. IV. "Nu is er de persoon die hier heeft afgezien van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft gehad. En bij de ontbinding van het lichaam, na de dood, wordt hij wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel[12]. Maar (wellicht) was het slechte kamma dat zijn lijden voortbrengt, eerder door hem gemaakt, of was het slechte kamma dat zijn lijden voortbrengt later door hem gemaakt, of was verkeerd inzicht door hem opgevat en voltooid op het moment van zijn dood. En dat was waarom hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, werd wedergeboren in de staten van ontbering, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, in de hel. Maar aangezien hij hier heeft afgezien van het doden van levende wezens (...) juist inzicht heeft gehad, zal hij het gevolg daarvan hier en nu voelen, of in zijn volgende wedergeboorte, of in een daarop volgend bestaan[13]."
19. "Aldus, Ananda,
is er kamma dat niet in staat is (om een goed gevolg voort te brengen) en niet in staat lijkt (om een goed gevolg voort te brengen);
er is kamma dat niet in staat is (om een goed gevolg voort te brengen) en in staat lijkt (om een goed gevolg voort te brengen);
er is kamma dat in staat is (om een goed gevolg voort te brengen) en in staat lijkt (om een goed gevolg voort te brengen);
er is kamma dat in staat is (om een goed gevolg voort te brengen) en niet in staat lijkt (om een goed gevolg voort te brengen)[14]."
Dit is wat de Gezegende zei. De Eerwaarde Ananda was tevreden gesteld en hij verheugde zich in de woorden van de Gezegende.

Eindnoten (zie wbk verwijst naar de site, raadpleeg eventueel de site en hyperlink aldaar, Siebe)

[1] Dit zijn twee van de vier manieren om een vraag te beantwoorden. De andere twee zijn: antwoorden met een tegenvraag, en de vraag 'terzijde leggen', dat wil zeggen antwoorden met stilzwijgen. Zie wbk pañha byakarana
[2] Dit is een citaat van de woorden van de Boeddha: zie Samyutta Nikaya, Vedana Samyutta, Rahogata vagga Sutta 1.
[3] Dit is een toevoeging die noodzakelijk is om deze zin te begrijpen.
[4] Dit zijn de tien onheilzame soorten kamma, zie wbk kamma patha.
[5] Dit zijn de tien heilzame soorten kamma.
[6] Dit komt neer op de overtuiging in theïstische religies waar verondersteld wordt dat deugdzaamheid en geloof (= al wat gehouden wordt voor juist inzicht) verlossing garanderen.
[7] Devadatta bijvoorbeeld, die prins Ajatasattu overhaalde om zijn vader (die een 'in de stroom getredene' was) te vermoorden, probeerde driemaal de Boeddha te vermoorden en slaagde er eens in hem te verwonden en veroorzaakte een schisma in de Sangha; de laatste twee handelingen leiden stellig tot een geboorte in de hel.
[8] Deze opeenvolging van drie frasen lijkt te betekenen: 'eerder' ofwel eerder in dit leven voor hij hetzij de heilzame hetzij de onheilzame soorten kamma op zich nam, ofwel in een vorig leven; 'later' later in datzelfde leven, want zelfs als iemand veel slecht kamma maakt, zal hij gewoonlijk zo nu en dan ook wat goed kamma maken; 'verkeerd inzicht (...) moment van zijn dood' dit soort verkeerd inzicht zal van het type zijn 'er is geen kamma, er zijn geen gevolgen van kamma, er is geen kwaad, er zijn geen gevolgen van kwaad', etc.
De volgende geboorte hangt feitelijk af van hetgeen tijdens de laatste momenten het object was van het bewustzijn van de stervende. Op dat moment moet men zich al zijn goede kamma in herinnering roepen: edelmoedigheid, liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, zuivere leefregels, etc. Aan kwaad moet dan niet gedacht worden, hoewel zwaar slecht kamma dat eerder gemaakt is, zich in de geest kan binnendringen en het moeilijk of onmogelijk kan maken dat men zich zijn edelmoedigheid en deugdzaamheid in het naleven van de voorschriften herinnert.
[9] Een goed voorbeeld hiervan is het verhaal van 'Kopertand', de openbare beul die, na een loopbaan vol moord als rover, daarna als de moordenaar van zijn eigen rovervrienden en later gedurende vijftig jaar als beul van alle misdadigers, werd onderwezen door de Eerwaarde Sariputta Thera. Zijn geest werd bevrijd van de zware last van slecht kamma zodat hij een hemelse wedergeboorte bereikte.
[10] Hoewel zo iemand een hemelse geboorte heeft bereikt zal het slechte kamma dat hij heeft gemaakt vroeger of later rijpen; hij is niet ontsnapt aan de gevolgen ervan.
[11] Koning Pasenadi van Kosala, bijvoorbeeld.
[12] Dit was wat koningin Mallika, de vrouw van koning Pasenadi, overkwam, die een goed leven had geleid, edelmoedig, zich houdend aan de vijf regels en aan de acht regels (zie sikkhapada) op uposatha dagen etc. Maar eens deed zij kwaad door een seksuele verhouding met een hond te hebben. Dit kwaad dat zij niet bekend had, woog zwaar op haar geest en zij herinnerde het zich toen zij stierf. Als gevolg daarvan bracht zij zeven dagen in de hel door. De kracht van haar goedheid afkomstig van het maken van veel goede kamma's gaf haar daarna een wedergeboorte in een hemelse wereld. Zie Commentaar bij de Dhammapada, 3: 119-123.
[13] Hoewel deze deugdzame en goede persoon een lage wedergeboorte heeft verkregen door de kracht van eerder gemaakt slecht kamma, zal toch het goede kamma door hem gemaakt vroeger of later rijpen, wanneer het een kans krijgt.
[14] Deze laatste beknopte paragraaf is wellicht duidelijk geweest voor de Eerwaarde Ananda Thera, of hij heeft misschien gevraagd om een uitleg, zoals wij die nodig hebben en vinden in het Commentaar, dat zegt:
Een sterk onheilzaam kamma (niet in staat om een goed gevolg voort te brengen), waarvan het gevolg zal komen vóór de gevolgen van zwakkere onheilzame kamma's.
Heilzaam kamma (dat in staat lijkt om een goed gevolg voort te brengen) wordt gevolgd door onheilzaam kamma gemaakt vlak voor de dood, dat zorgt dat het eerder genoemde kamma niet in staat is om onmiddellijk een goed gevolg voort te brengen.
Een sterk heilzaam kamma zal zelfs eerder rijpen dan veel opeengehoopt onheilzaam kamma.
Onheilzaam kamma (dat niet in staat lijkt om een goed gevolg voort te brengen) wordt gevolgd door heilzaam kamma gemaakt vlak voor de dood, dat eerst zal rijpen en in staat is om goede gevolgen voort te brengen.
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 6.63
Bericht door: Passievrucht op 07-09-2015 17:24
[bron: Anguttara Nikaya vertaling, Bhkkhu Bodhi, 2012, door mij vertaald]

www.accestoinsight.com leidt de onderstaande sutta als volgt in: “De Boeddha verklaart dat meesterschap over de Dhamma komt van het mediteren op zes factoren in de geest, die elk grondig/diep begrepen dienen te worden, op zes verschillende manieren”.

Welke zes factoren?
1. Zintuiglijke genoegens, 2. Gevoelens, 3. Waarnemingen. 4. De Asava’s, 5. Kamma en 6. Lijden.
Van elke factor dient men inzicht/kennis te ontwikkelen op zes manieren:
A. Wat is het? B. De bron en oorsprong er van. C. De diversiteit. D. De Gevolgen. E. De beëindiging er van. F. De Weg leidend tot de beëindiging er van.

Ik zal in het kader van het onderwerp van deze draad “Kamma” alleen de fragmenten over Kamma van deze Sutta vertalen.

Deze Anguttara Nikaya 6.63 sutta wordt in gesprekken over kamma vaak aangehaald omdat dit, kennelijk, één van de weinige plekken is waar te lezen is wat de Boeddha met Kamma bedoelde in zijn Leer, hoe hij het definieerde en gebruikte in zijn Leer.

Anguttara Nikaya 6.63, Nibbedhika Sutta, Doordringend

(...)
(5) “Kamma dient begrepen te worden; de bron en oorsprong van kamma dient begrepen te worden; de diversiteit van kamma dient begrepen te worden; de gevolgen van kamma dienen begrepen te worden; de beëindiging van kamma dient begrepen te worden; de weg leidend naar de beëindiging van kamma dient begrepen te worden”.

(...nu wordt in het onderstaande uitgewerkt wat wordt bedoeld)

(5) “Wanneer er werd gezegd: ‘Kamma dient begrepen te worden; de bron en oorsprong van kamma dient begrepen te worden; de diversiteit van kamma dient begrepen te worden; de gevolgen van kamma dienen begrepen te worden; de beëindiging van kamma dient begrepen te worden; de weg leidend naar de beëindiging van kamma dient begrepen te worden’, om welke reden werd dit gezegd?
“Het is wilsactiviteit (cetana, Siebe), bhikkhu’s, dat ik kamma noem. Want gewild hebbend, handelt men door lichaam, spraak en geest.
“En wat is de bron en oorsprong van kamma? Contact is diens bron en oorsprong.
“En wat is de diversiteit van kamma? Er is kamma dat wordt ervaren in de hel; er is kamma dat wordt ervaren in het dierenrijk; er is kamma dat wordt ervaren in het rijk van gekwelde geesten; er is kamma dat wordt ervaren in de mensen wereld; en er is kamma dat wordt ervaren in de deva wereld. Dit wordt de diversiteit van kamma genoemd.
“En wat is het gevolg van kamma? Het gevolg van kamma, zeg ik, is drievoudig: [te worden ervaren] in dit huidige leven, of in de [volgende] wedergeboorte, of een daarop volgende gelegenheid. Dit wordt het gevolg van kamma genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is de beëindiging van kamma? Met het beëindigen van contact is er het beëindigen van kamma.
“Dit edele achtvoudige Pad is de weg leidend naar de beëindiging van kamma, namelijk, juiste visie, juiste intentie, juist spreken, juist handelen, juiste levensonderhoud, juiste inspanning, juiste indachtigheid en juiste concentratie.
“Wanneer, bhikkhu’s, een edele leerling aldus kamma begrijpt, de bron en oorsprong van kamma, de diversiteit van kamma, de gevolgen van kamma, de beëindiging van kamma en de weg leidend naar de beëindiging van kamma, begrijpt hij dat dit diepzinnige spirituele leven de beëindiging van kamma is.
“Wanneer er werd gezegd: ‘Kamma dient begrepen te worden; de bron en oorsprong van kamma dient begrepen te worden; de diversiteit van kamma dient begrepen te worden; de gevolgen van kamma dient begrepen te worden; de beëindiging van kamma dient begrepen te worden; de weg leidend naar de beeindiging van kamma dient begrepen te worden’ was het vanwege dit dat dit werd gezegd”.
(...)

Nog een bemerking (pas op voor Siebisme):
In deze sutta wordt dus aangegeven dat in de leer van de Boeddha kamma verwijst naar wilsactiviteit (cetana). Je kunt je afvragen wat daar allemaal onder valt, nietwaar?
Ik heb het zo begrepen dat wilsactiviteit niet alleen verwijst naar duidelijk welbewuste plannen, voornemens en intenties in de geest maar dat het ook verwijst naar het momentum/impuls of aandrang van latente neigingen.  Die latente neigingen kun je dan zien als iets wat je op een vaak onbewuste manier drijft, of motiveert, aanzet tot gedrag in geest, woord en gebaar. Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen dat bij een bepaalde gelegenheid de latente neiging tot bijvoorbeeld kwade wil wordt getriggerd en van daaruit wilsactiviteit ontstaat dat dan kan uitgroeien bij jezelf tot een duidelijk bewust ervaren hekel of kwade wil.

Er zijn ook cetana sutta's en deze verwijzen in ieder geval ook naar plannen, voornemens en neigingen.

Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.34
Bericht door: Passievrucht op 08-09-2015 11:08
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. Sutta door mij vertaald. Enkele noten van Bhikkhu Bodhi inbegrepen voor verduidelijking].

De onderstaande sutta beschrijft drie oorzaken voor negatief/onheilzaam kamma en drie oorzaken voor positief/heilzaam kamma. De sutta spreekt ook over niet-hebzucht, niet-haat en niet-begoocheling als oorzaken van kamma. Wat kan dat betekenen? Voorbeelden van niet-hebzucht, niet-haat, niet begoocheling zijn respectievelijk; geven vanuit een  altruistische motivatie, handelen vanuit liefdevolle vriendelijkheid en handelen vanuit wijsheid. De sutta beschrijft ook dat aan het rijpingsproces van karmische zaden een einde kan komen.

Anguttara Nikaya 3.34 (4), Oorzaken

“Bhikkhu’s, er zijn deze drie oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? Hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
(1) “Ieder kamma, bhikkhu’s, gevormd door hebzucht, geboren vanuit hebzucht, veroorzaakt door hebzucht, ontstaan vanuit hebzucht, rijpt waar het individu dan ook wedergeboren wordt. Waar dat kamma dan ook rijpt, het is daar dat men het gevolg ervaart, ofwel in dit huidige leven, of in de [volgende] wedergeboorte, of een daarop volgende gelegenheid.
(2) “Ieder kamma, bhikkhu’s, gevormd door haat, geboren vanuit haat, veroorzaakt door haat, ontstaan vanuit haat, rijpt waar het individu dan ook wedergeboren wordt. Waar dat kamma dan ook rijpt, het is daar dat men het gevolg ervaart, ofwel in dit huidige leven, of in de [volgende] wedergeboorte, of een daarop volgende gelegenheid.
(3) “Ieder kamma, bhikkhu’s, gevormd door begoocheling, geboren vanuit begoocheling, veroorzaakt door begcooheling, ontstaan vanuit begoocheling, rijpt waar het individu dan ook wedergeboren wordt. Waar dat kamma dan ook rijpt, het is daar dat men het gevolg ervaart, ofwel in dit huidige leven, of in de [volgende] wedergeboorte, of een daarop volgende gelegenheid.

“Veronderstel, bhikkhu’s, dat zaden die intact zijn, niet verrot, niet beschadigd door de wind en de hitte van de zon, vruchtbaar, goed geconserveerd, in goed bewerkte aarde werden gezet, in een goed veld en de juiste hoeveel regen zouden ontvangen: op deze manieren zouden deze zaden groeien, toenemen, rijpen. Zo rijpt ook elk kamma dat gevormd is door hebzucht...haat...begoocheling, geboren vanuit begoocheling, waar het individu dan ook wordt wedergeboren. Waar dat kamma dan ook rijpt, het is daar dat men het gevolg ervaart, ofwel in dit huidige leven, of in de [volgende] wedergeboorte, of een daarop volgende gelegenheid. “Dit zijn de drie oorzaken van het ontstaan van kamma.

“Bhikkhu’s er zijn drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma (positief/heilzaam kamma, Siebe). Welke drie? Niet-hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; niet-haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; niet begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
(1) “Van ieder kamma, bhikkhu’s, gevormd door niet-hebzucht, geboren vanuit niet-hebzucht, veroorzaakt door niet-hebzucht, ontstaan vanuit niet-hebzucht, wordt afstand gedaan wanneer hebzucht verdwenen is; het bij de wortel afgesneden is, is gemaakt tot de stomp van een palmboom, is uitgewist zodat het in de toekomst niet meer kan ontstaan373.
(2) “Van ieder kamma gevormd door niet-haat, geboren vanuit niet-haat, veroorzaakt door niet-haat, ontstaan vanuit niet-haat, wordt afstand van gedaan wanneer haat verdwenen is; het bij de wortel afgesneden is, is gemaakt tot de stomp van een palmboom, is uitgewist zodat het in de toekomst niet meer kan ontstaan.
(3) “Van ieder kamma gevormd door niet-begoocheling, geboren vanuit niet-begoocheling, veroorzaakt door niet-begoocheling, ontstaan vanuit niet-begoocheling, wordt afstand van gedaan wanneer begoocheling verdwenen is; het bij de wortel afgesneden is, is gemaakt tot de stomp van een palmboom, is uitgewist zodat het in de toekomst niet meer kan ontstaan.

“Veronderstel, bhikkhu’s, dat er zaden zijn die intact zijn, niet verrot, niet beschadigd door de wind en de hitte van de zon, vruchtbaar, goed geconserveerd. Daarna zou een man ze in een vuur verbranden, ze tot as reduceren, en de as ziften in een sterke wind of ze laat meevoeren door de snelle stroming van een rivier. Op deze manier zouden deze zaden bij de wortel zijn afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, uitgewist zodat ze niet meer in de toekomst kunnen ontstaat.
Zo geldt ook dat van elk kamma dat gevormd is door niet-hebzucht....niet-haat....niet-begoocheling, geboren vanuit niet-begoocheling, veroorzaakt door niet-begoocheling, ontstaan vanuit niet-begoocheling, afstand wordt gedaan wanneer begoocheling is verdwenen; het is bij de wortel afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, uitgewist zodat ze niet meer in de toekomst kan ontstaan.

Wat voor kamma een onwetend persoon ook [gedaan heeft]
Geboren vanuit hebzucht, haat of begoocheling,
Of wat door hem gevormd werd nou weinig of veel was,
Het wordt precies hier ervaren:
Er bestaat geen andere plek voor374.

Daarom dient een wijs persoon afstand te doen van
[iedere daad] geboren vanuit hebzucht, haat en begoocheling.
Een bhikkhu, kennis teweegbrengend,
Dient afstand te doen van alle slechte bestemmingen.

noot 373 verklaart: “Deze verklaring moet zorgvuldig geïnterpreteerd worden. Voor een arahant- die afstand heeft gedaan van hebzucht, haat en begoocheling- is het kamma dat eerder gecreëerd is, of dat nu goed of slecht is, nog altijd in staat om te rijpen tijdens het laatste leven. Maar omdat er geen verdere wedergeboorte is, geraakt bij diens heengaan al het in het verleden verzamelde kamma buiten werking. Dus de intentie van deze verklaring is niet dat het eerdere kamma van een arahant niet kan rijpen terwijl de arahant leeft, maar dat het buiten werking geraakt bij het heengaan van de arahant; want er zal geen verder bestaans-continuum zijn waarin diens vruchten zouden kunnen ontstaan.
Brahmali schrijft: “Er moet hier een onderscheid zijn tussen ‘niet-hebzucht (alobha) en de situatie dat ‘hebzucht verdwenen is’ (lobha vigata). De eerste moet verwijzen naar de motivatie achter een specifieke actie, de laatste naar het volledig ontwortelen van hebzucht, alleen bereikt door de niet-terugkerende of de arahant. Alleen in het licht van dit onderscheid slaat deze verklaring ergens op.

noot 374 in eigen woorden kort samengevat: het kamma dat wordt verzameld rijpt niet bij een ander maar bij jezelf, in je eigen geestesstroom.


groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 08-09-2015 14:06
Inleiding bij de kleine analyse van karma door de Breet/Jansen:

De Boeddha verklaart tegenover een monnik dat de ongelukkige en gelukkige hoedanigheden van de wezens en de omstandigheden waarin ze leven voortvloeien uit hun daden in een vorig bestaan.
Volgens Schmidt is deze leerrede het product van een oudere monnik(thera), wiens uiteenzetting na vaak gereciteerd te zijn door zijn volgelingen aan de Boeddha werd toegeschreven.
Het volgende soetra,de grote analyse van karma, is het product van een andere thera, die meende dat de zaken niet zo simpel lagen als in het onderhavige, de kleine analyse, soetra voorgesteld.
Zijn aanhangers noemden dit soetra 'klein' of 'geringer' en hun eigen leerrede lieten zij in het begin door de Boeddha zelf 'groot' of 'beter'noemen. Aldus Schmidt.
De uitspraak van de Boeddha aan het begin van paragraaf 4 , dat de wezens de 'erfgenamen van hun daden zijn' en die ook elders in de canon voorkomt , kan gezien worden als het kernthema waarom beide soetra's gecomponeerd zijn.


Inleiding bij de grote analyse van karma door de Breet/Jansen:

De Boeddha nuanceert de uiteenzetting over karma in het vorige soetra en stelt nu dat karma uit dit leven niet altijd direct in het volgende leven gevolgen hoeft te hebben, maar ook pas in een later leven tot rijping kan komen.
Daarom kunnen mensen die nu slecht leven in een hemelse wereld terecht komen en die goed leven in de hel.
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 08-09-2015 19:55
Inleiding bij de kleine analyse van karma door de Breet/Jansen:

De Boeddha verklaart tegenover een monnik dat de ongelukkige en gelukkige hoedanigheden van de wezens en de omstandigheden waarin ze leven voortvloeien uit hun daden in een vorig bestaan.
Volgens Schmidt is deze leerrede het product van een oudere monnik(thera), wiens uiteenzetting na vaak gereciteerd te zijn door zijn volgelingen aan de Boeddha werd toegeschreven.
Het volgende soetra,de grote analyse van karma, is het product van een andere thera, die meende dat de zaken niet zo simpel lagen als in het onderhavige, de kleine analyse, soetra voorgesteld.
Zijn aanhangers noemden dit soetra 'klein' of 'geringer' en hun eigen leerrede lieten zij in het begin door de Boeddha zelf 'groot' of 'beter'noemen. Aldus Schmidt.
De uitspraak van de Boeddha aan het begin van paragraaf 4 , dat de wezens de 'erfgenamen van hun daden zijn' en die ook elders in de canon voorkomt , kan gezien worden als het kernthema waarom beide soetra's gecomponeerd zijn.


Inleiding bij de grote analyse van karma door de Breet/Jansen:

De Boeddha nuanceert de uiteenzetting over karma in het vorige soetra en stelt nu dat karma uit dit leven niet altijd direct in het volgende leven gevolgen hoeft te hebben, maar ook pas in een later leven tot rijping kan komen.
Daarom kunnen mensen die nu slecht leven in een hemelse wereld terecht komen en die goed leven in de hel.

Ik wil mijn indrukken hierbij ook wel delen,

Ik vind dat de kleine en grote leerrede over kamma, hierboven, prachtig op elkaar aansluiten. De kleine leerrede overdrijft, volgens mij, bewust. Het stelt alles zwart/wit. Het voert personen op met gedrag dat niemand vertoont. Niemand steelt alleen maar. Iemand is ook wel eens vrijgevig. Niemand doodt alleen maar. Mensen beschermen ook het leven van hun familie bijvoorbeeld of clan. Niemand brengt alleen maar letsel toe. Dezelfde mensen zijn vaak ook weer zorgzaam naar anderen etc.

Dus hier wordt mijns inziens bewust overdreven. Waarom? Ik denk omdat de kleine leerrede over kamma het principe van kamma wil illustreren. Het toont dat er een duidelijke en zekere relatie is tussen zaad (bepaalde deugdzame en ondeugdzame daden) en wat iemand oogst/gewas (gevolgen in de vorm van bepaalde ervaringen en situaties) en omgekeerd.

Natuurlijk moet de schrijver van deze sutta en de samenstellers van de Canon ook beseft hebben dat niemand uitsluitend goede zaden op de geest verzameld maar ook negatieve. Met zulke wijze mensen kan dat niet anders. Dus het lijkt me dat we veilig kunnen aannemen dat de kleine leerrede bewust ongenuanceerd is opgesteld om het principe van kamma te illustreren; dit zaad leidt tot dat gewas en dat gewas komt voort uit dit zaad.

Nu in de kleine leerrede het verband is uitgelegd tussen zaadje en gewas/oogst brengt de grote leerrede over kamma in beeld dat er natuurlijk nooit alleen maar slechte zaden zijn of nooit alleen maar goede op de geestes-stroom. Per zaad weten we dankzij de kleine leerrede welk gewas er uit voortkomt, maar wat komt er uit een veld vol verschillende zaden? Hoe gaat dat er uitzien?

Dat belicht de grote leerrede. Ook niet in detail maar het toont enkele grote lijnen. Misschien schiet het ene zaad eerder op dan het andere onder bepaalde omstandigheden. Dus de grote leerrede vertaalt het principe van kamma naar de complexe praktijk dat wezens eigenaar zijn van talrijke soorten zaden, maar houdt het principe van kamma tegelijkertijd overeind. Nog altijd komen er geen positieve gewassen uit negatieve zaden etc. Ook blijft overeind dat zaden die op enig moment niet ontkiemen dat later alsnog wel kunnen doen.

De grote leerrede brengt zo bezien in beeld dat in de complexe realiteit van een veld vol zaden moeilijk valt te voorspellen wat er precies gaat gebeuren, maar het principe van kamma zoals uitgelegd in de kleine leerrede blijft overeind. Verder voegt de grote leerrede toe dat de visie op het moment van sterven ook een belangrijke rol speelt bij de soort wedergeboorte.

Siebe








Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 10.47
Bericht door: Passievrucht op 09-09-2015 12:48
[bron: Angutarra Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. Waar in de tekst “...” staan herhaalt de tekst zich zoals er voor. Sutta door mij vertaald].

De vorige sutta bracht (niet-)hebzucht, (niet-)haat en niet-(begoocheling) in verband met kamma. De onderstaande sutta voegt er (on)juiste aandacht en (on)juiste gerichtheid aan toe.

Ik heb gelezen, en dat is denk ik goed te delen, dat hebzucht, haat en begoocheling/verkeerde zienswijze zelf geen kamma is maar verstorende emoties. De begeleidende mentale activiteit van deze drie schadelijke mentale activiteiten is kamma. (Dagpo Rinpoche, Kamma, blz. 86).

Ik begrijp het zo (aanvulling of kritiek welkom): Stel dat je de mentale activiteit van hebzucht of haat in de geest enkel gewaar bent, zonder dat dit dus zich vermengt met wilsactiviteit, zonder dat het dus motiverend wordt, dan zijn het enkel verstorende emoties. Die komen en gaan. Maar als hebzucht en haat drijvende krachten worden achter je gedrag, dan is die drijvende onheilzame/negatieve wilsactiviteit zelf negatief/onheilzaam kamma. En als dat leidt tot verbale en fysiek wandaden, dan wordt het dus ook een voorwaarde van het verrichten (en verzamelen) van onheilzaam/negatief verbaal en fysiek kamma.

Begoocheling. Ik neig het zo te zien. Begoocheling is ook vaak een drijvende kracht achter ons handelen, namelijk omdat we gedreven worden door en vanuit de perceptie van een echt bestaand ego/zelf, dus de perceptie dat geest iemand is. Dus begoocheling verwijst dan naar de drijvende kracht van een verkeerde visie op onszelf. Het kunnen ook andere verkeerde visie zijn die een drijvende kracht vormen achter verbaal en fysiek gedrag.

Juiste aandacht en onjuiste aandacht verwijst naar wijze aandacht/beschouwing en niet-wijze aandacht/beschouwing. Majjhima Nikaya 2 zegt het zo dat door onwijze aandacht/beschouwing nog niet ontstane bezoedelingen (zoals hebzucht, haat en begoocheling) ontstaan en dat reeds ontstane nog verder aangroeien. En door wijze aandacht ontstaan nog niet opgekomen bezoedelingen niet, en van reeds ontstane wordt afstand gedaan. Dus aandacht kan functioneren als een wijze of niet-wijze poortwachter.

Onjuiste en juiste gerichtheid. Daarbij denk ik vooral aan gerichtheid op tekens, zoals op het tegen van schoonheid/aantrekkelijkheid wat er voor kan zorgen dat lust, hebzucht, verlangen binnenstroomt. Gerichtheid op het teken van vijandigheid/onaantrekkelijkheid waardoor afkeer/haat de geest kan binnenstromen. Zo zijn er vele tekens, van gevaar, het teken onrechtvaardigheid etc. Eindeloos veel tekens. Ik vermoed dat het ook kan verwijzen naar je algemene koers. Dus ben je egocentrisch gericht, gericht op ego-doelen. Of ben je gericht op verzaking, innerlijke vrede, het ontdekken of realiseren van verlichting.

Anguttara Nikaya 10.47 (7), Mahali

“De Gezegende verbleef eens te Vesali in de hal met het puntdak in het Grote Woud. Toen benaderde Mahali, de Licchavi, de Gezegende, betoonde hem eerbied, ging terzijde zitten en zei tegen hem:
“Bhante, wat is de oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht karma, voor het zich voordoen van slecht kamma2052?
“Mahali, (1) hebzucht is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht kamma, voor het zich voordoen van slecht kamma. (2) Haat is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht kamma, voor het zich voordoen van slecht kamma. (3) Begoocheling is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht kamma, voor het zich voordoen van slecht kamma. (4) Onzorgvuldige aandacht is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht kamma, voor het zich voordoen van slecht kamma. (5) Een verkeerd gerichte geest is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van slecht kamma, voor het zich voordoen van slecht kamma.
“Bhante”, wat is de oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van goed karma, voor het zich voordoen van goed kamma?
“Mahali (6) niet-hebzucht is een oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van goed karma, voor het zich voordoen van goed kamma? (7) Niet-haat is een is een oorzaak en voorwaarde...(8} Niet-begoocheling is een oorzaak en voorwaarde...(9) Zorgvuldige aandacht is een oorzaak en voorwaarde...(10) Een op de juiste manier gerichte geest is de oorzaak en voorwaarde voor het verrichten van goed karma, voor het zich voordoen van goed kamma.
“Als deze tien grondbeginselen niet bestonden in de wereld, Mahali, zou onjuist gedrag, gedrag tegengesteld aan de Dhamma, en juist gedrag, gedrag in overeenstemming met de Dhamma, niet worden gezien. Maar omdat deze tien grondbeginselen in de wereld bestaan, worden onjuist gedrag gedrag, gedrag tegengesteld aan de Dhamma, en juist gedrag, gedrag in overeenstemming met de Dhamma, gezien”.

noot 2052: “Vanwege de ambivalentie van het woord kamma (dat zowel “een daad” betekent en “de mogelijke gevolgen veroorzaakt door een daad”), kunnen de vraag en het antwoord ook geformuleerd zijn in termen van “een slechte daad”. Hetzelfde geldt voor het vervolg met betrekking tot goed kamma)

groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 1.314 e.a.
Bericht door: Passievrucht op 10-09-2015 10:42
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta’s door mij vertaald in Nederlands.]

In deze post informatie over de relatie tussen visie/zienswijze en kamma.

Over het algemene belang van juiste visie


Anguttara Nikaya 1.316 (1)


“Bhikkhu’s, er is één persoon die in de wereld komt voor het nadeel van vele mensen, voor het ongeluk van vele mensen, voor de ondergang, schade en lijden van vele mensen, van deva’s en mensen. Wie is die persoon? Het is iemand die verkeerde visie koestert en een onjuist perspectief heeft. Hij lokt vele mensen weg van de goede Dhamma en vestigt ze in een slechte Dhamma. Dit is die persoon die in de wereld komt voor het nadeel van vele mensen, voor het ongeluk van vele mensen, voor de ondergang, schade en lijden van vele mensen, van deva’s en mensen".

Anguttara Nikaya 1.318 (3)

“Bhikkhu’s, ik zie niets dat zo afkeuringswaardig is als verkeerde visie. Verkeerde visie is de ergste van de zaken die afkeuringswaardig zijn”.

Over het belang van kamma, als een voorbeeld van juiste visie

Anguttara Nikaya 1. 319 (4 )

"Bhikkhu's, ik zie geen enkel persoon die zo optreedt voor het leed van vele mensen, het ongeluk van vele mensen, voor de ondergang, het nadeel en lijden van vele mensen, van deva's en mensen, als de lege man Makkhali. Net zoals een val gezet aan de monding van een rivier, nadeel zou brengen, lijden, rampspoed en onheil voor vele vissen, zo is ook de lege man Makkhali, als het ware, "een val voor mensen", die in de wereld gekomen is voor het nadeel, lijden, rampspoed en onheil voor vele mensen".

Wie is deze man Makkhali? Bhikkhu Bodhi schrijft in noot 175 bij deze sutta: “Makkhali Gosala was één van de zes leraren die in dezelfde tijd leefden als de Boeddha. Hij was de stichter (of misschien enkel een voorname leraar) van de Ajlvaka’s (of Ajivika’s). DN2.20, I53-54 schrijft de leer van niet-oorzakelijkheid (ahetukavada) aan hem toe, volgens welke er geen oorzaak is voor de bezoedelingen of zuivering van wezens, die geen energie hebben, zelf-controle, of vermogen van vrije keuze”.

Dus eigenlijk onderwees deze tijdgenoot guru de leer van niet-kamma. Hier zie je ook een voorbeeld dat Boeddha wel degelijk zeer kritisch was, en met name als het gaat om de visies van mensen. Neem Digha Nikaya 1, die behandelt talrijke visie. Ik denk dat de Boeddha zo kritisch was omdat de motivatie, het spreken en doen en laten vaak gedreven wordt door een bepaalde visie. De visie er achter is heel bepalend voor het gevolg.

Over de relatie (on)juiste visie/zienswijze en kamma

Anguttara Nikaya 1.314 (9)

“Bhikkhu’s, voor een persoon van verkeerde visie, welk fysiek karma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat niet wenselijk is, niet verlangd en onplezierig is, tot nadeel en lijden. Om welke reden? Omdat de visie slecht is.

Veronderstel, bhikkhu’s, een zaadje van neem (Azadirachta indica, Siebe), bittere komkommer of bittere kalebas werd in de vochtige grond geplant. Welke voedingsstoffen het ook uit de grond en het water opneemt, het zou allemaal leiden tot diens bittere, bijtende en onaangename smaak. Om welke reden? Omdat het zaad slecht is. Zo ook voor een persoon van verkeerde visie. Welk fysiek karma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat niet wenselijk is, niet verlangd en onplezierig is, tot nadeel en lijden. Om welke reden? Omdat de visie slecht is".

Anguttara Nikaya 1.315 (10)

“Bhikkhu’s, voor een persoon van juiste visie, welk fysiek karma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat wenselijk is, verlangd en plezierig is, tot welzijn en geluk. Om welke reden? Omdat de visie goed is.

Veronderstel, bhikkhu’s, een zaadje van suikerriet, heuvel rijst, of een druif werd in de vochtige grond geplant. Welke voedingsstoffen het ook uit de grond en het water opneemt, het zou allemaal leiden tot diens zoete, aangename en verrukkelijke smaak. Om welke reden? Omdat het zaad goed is. Zo ook voor een persoon van juiste visie. Welk fysiek karma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat wenselijk is, verlangd en plezierig is, tot welzijn en geluk. Om welke reden? Omdat de visie goed is”.

Voorbeelden van onjuiste visies

-De visie van niet-kamma, van niet-oorzakelijkheid (zie boven);
-De visie dat er geen leven is na de dood (geen cyclus van wedergeboorten);
-De visie dat iemand geen vader en moeder heeft;
-De visie dat dierenoffers nuttig zijn of voordeel brengen;
-De visie van nihilisme en eternalisme;
-Verkeerde visies over Nibbana Hier en Nu
-...

Wie dit verder zou willen onderzoeken kan Digha Nikaya 1 raadplegen.

groet,
Siebe



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.137
Bericht door: Passievrucht op 10-09-2015 20:28
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta’s door mij vertaald in Nederlands.]

Nog een sutta over Makkhali die de leer van niet-kamma onderwees en Boeddha's visie daarop.

Anguttara Nikaya 3.137 (5), Een haaromslag (haren mantel/deken)

“Bhikkhu’s, een haaromslag wordt verklaard als het ergste soort geweven kledingstuk. Een haaromslag is koud in koud weer, warm in warm weer, lelijk, stinkend en oncomfortabel. Zo wordt ook de leer van Makkhali verklaard als de ergste onder de doctrines van de verschillende asceten. De lege man Makkhali onderwijst de leer en visie: ‘Er is geen kamma, geen daad, geen energie’.
(1) “Bhikkhu’s, De Gezegenden, Arahants, Volmaakt Verlichten van het verleden onderwezen een leer van kamma, een leer van daden, een leer van energie. Niettemin spreekt de lege man Makkhali hen tegen [met zijn claim]: ‘Er is geen kamma, geen daad, geen energie’.
(2) De Gezegenden, Arahants, Volmaakt Verlichten van de toekomst zullen ook een leer van kamma, een leer van daden, een leer van energie onderwijzen. Niettemin spreekt de lege man Makkhali hen tegen [met zijn claim]: ‘Er is geen kamma, geen daad, geen energie’.
(3) “Op het moment ben ik de Arahant, de Volmaakt Verlichte en ik onderwijs een leer van kamma, een leer van daden, een leer van energie. Niettemin spreekt de lege man Makkhali me tegen [met zijn claim]: ‘Er is geen kamma, geen daad, geen energie’. Net als een val aan de monding van een rivier, nadeel, lijden, onheil en rampspoed zou veroorzaken bij vele vissen, zo is ook de lege man Makkhali, als het ware, ‘een val voor mensen’, die in deze wereld is gekomen voor het nadeel, lijden, onheil en rampspoed voor vele wezens”.

groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.111+112
Bericht door: Passievrucht op 11-09-2015 10:34
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta’s door mij vertaald in Nederlands. "(...)" in de tekst geven aan dat daar de tekst zich herhaalt zoals eerder]

Oorzaken van Kamma

Anguttara Nikaya 3.111 (9), Oorzaken (1)

“Bhikkhu’s, er zijn deze drie oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? Hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
(1) “Ieder kamma gevormd door hebzucht, geboren uit hebzucht, veroorzaakt door hebzucht, ontstaan vanuit hebzucht is onheilzaam en laakbaar en resulteert in lijden. Dat kamma leidt tot het ontstaan van kamma, niet tot de beëindiging van kamma.
(2) “Ieder kamma gevormd door haat....(3) Ieder kamma gevormd door begoocheling, geboren uit begoocheling, veroorzaakt door begoocheling, ontstaan vanuit begoocheling is onheilzaam en laakbaar en resulteert in lijden. Dat kamma leidt tot het ontstaan van kamma, niet tot de beëindiging van kamma.
“Dit zijn de drie oorzaken voor het ontstaan van kamma.
“Er zijn, bhikkhu’s, deze drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? Niet-hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; niet-haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; niet-begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
(1) “Ieder kamma gevormd door niet-hebzucht, geboren uit niet-hebzucht, veroorzaakt door niet-hebzucht, ontstaan vanuit niet-hebzucht is heilzaam en onberispelijk/onschuldig en resulteert in geluk. Dat kamma leidt tot het beëindiging van kamma, niet tot het ontstaan van kamma.
(2) “Ieder kamma gevormd door niet-haat....(3) Ieder kamma gevormd door niet-begoocheling, geboren uit niet-begoocheling, veroorzaakt door niet-begoocheling, ontstaan vanuit niet-begoocheling is heilzaam en onberispelijk en resulteert in geluk. Dat kamma leidt tot het beëindiging van kamma, niet tot het ontstaan van kamma.
“Dit zijn de drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma”.

Dat het laatste soort kamma leidt tot de beëindiging van kamma wordt ook beschreven in de eerder geposte sutta, Anguttara Nikaya 3.34. Het is daar in een bijgevoegde noot toegelicht. Op de één of andere manier voelt die verklaring voor mij onbevredigend maar er komt ook niet meteen iets anders op.

Angutta Nikaya 3.112 (10), Oorzaken (2)

“Bhikkhu’s, er zijn deze drie oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? (1) Verlangen komt op met betrekking tot zaken in het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte. (2) Verlangen komt op met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte. (3) Verlangen komt op met betrekking tot zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte.
(1) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen op met betrekking tot zaken uit het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men denkt aan en onderzoekt op mentale wijze zaken uit het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte. Terwijl men dat zo doet, komt verlangen op. Wanneer verlangen opkomt, is men geketend door deze zaken. De mentale bekoring/verdwazing* noem ik de keten. Het is op deze manier dat er verlangen ontstaat met betrekking tot zaken uit het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte.
(2) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen op met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men denkt aan en onderzoekt op mentale wijze zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte. Terwijl men dat zo doet, komt verlangen op. Wanneer verlangen opkomt, is men geketend door deze zaken. De mentale bekoring/verdwazing noem ik de keten. Het is op deze manier dat er verlangen ontstaat met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte.
(3) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen op met betrekking tot zaken die op het moment  bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men denkt aan en onderzoekt op mentale wijze zaken die op moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte. Terwijl men dat zo doet, komt verlangen op. Wanneer verlangen opkomt, is men geketend door deze zaken. De mentale bekoring/verdwazing noem ik de keten. Het is op deze manier dat er verlangen ontstaat met betrekking tot zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte.
“Dit zijn de drie oorzaken voor het ontstaan van kamma.
“Er zijn, bhikkhu’s, deze drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? (1) Verlangen komt niet op met betrekking tot zaken in het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte. (2) Verlangen komt niet op met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte. (3) Verlangen komt niet op met betrekking tot zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte.
(1) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen niet op met betrekking tot zaken in het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men begrijpt het toekomstige gevolg van zaken in het verleden die de basis zijn van verlangen en begeerte. Na het toekomstig gevolg begrepen te hebben, vermijdt men het. Na het vermeden te hebben, wordt men onbewogen** in geest, en na het met wijsheid binnen te zijn gegaan, ziet men579.
Het is op deze manier dat verlangen niet ontstaat met betrekking tot zaken uit het verleden die de basis zijn van verlangen en lust.
(2) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen niet op met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men begrijpt het toekomstige gevolg van zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en begeerte. Na het toekomstig gevolg begrepen te hebben, vermijdt men het. Na het vermeden te hebben, wordt men onbewogen in geest, en na het met wijsheid binnen te zijn gegaan, ziet men.
Het is op deze manier dat verlangen niet ontstaat met betrekking tot zaken in de toekomst die de basis zijn van verlangen en lust.
(3) “En hoe, bhikkhu’s, komt verlangen niet op met betrekking tot zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte? Men begrijpt het toekomstige gevolg van zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en begeerte. Na het toekomstig gevolg begrepen te hebben, vermijdt men het. Na het vermeden te hebben, wordt men onbewogen in geest, en na het met wijsheid binnen te zijn gegaan, ziet men. Het is op deze manier dat verlangen niet ontstaat met betrekking tot zaken die op het moment bestaan die de basis zijn van verlangen en lust.
“Dit zijn de drie [andere] oorzaken van het ontstaan van kamma”

*”infatuation”, een onberedeneerde liefde of aantrekking. Het heeft zowel een betekenis in de zin van onberedeneerde aantrekking als ook tegelijkertijd een soort verdwazing.
**”dispassionate”, bedaard, kalm, onverstoorbaar, zonder emotie (zonder voorkeur of afkeer) wordt ook wel vertaald.
Noot 578: “Men ziet, na het met de wijsheid van het pad samen met inzicht doorzien te hebben”


Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 10.104
Bericht door: Passievrucht op 11-09-2015 19:19
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Nogmaals Visie en Kamma

Anguttara Nikaya 10.104 (4), Een Zaadje
(zie ook AN 1.314 en 1.315, eerder gepost)

“Bhikkhu’s, voor een persoon van verkeerde/onjuiste visie, verkeerde intentie, verkeerde spraak, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerde inspanning, verkeerde aandachtigheid, verkeerde concentratie, verkeerde kennis en verkeerde bevrijding, welk lichamelijk kamma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, belustheid, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat onwenselijk is, niet verlangd, onplezierig, tot nadeel en lijden. Om welke reden? Omdat de visie slecht is.

“Veronderstel, bhikkhu’s, een zaadje van neem, bittere komkommer of bittere kalebas werd in de vochtige grond geplant. Welke voedingsstoffen het ook uit de grond en het water zou opnemen, het zou allemaal leiden tot diens bittere, bijtende en onaangename smaak. Om welke reden? Omdat het zaad slecht is. Zo geldt ook voor een persoon van verkeerde visie, verkeerde intentie, verkeerde spraak, verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerde inspanning, verkeerde aandachtigheid, verkeerde concentratie, verkeerde kennis en verkeerde bevrijding, dat welk lichamelijk kamma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, belustheid, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat onwenselijk is, niet verlangd, onplezierig, tot nadeel en lijden. Om welke reden? Omdat de visie slecht is.

“Bhikkhu’s, voor een persoon van juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste aandachtigheid, juiste concentratie, juiste kennis en juiste bevrijding, welk lichamelijk kamma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, belustheid, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat wenselijk is, verlangd, plezierig, tot welzijn en geluk. Om welke reden? Omdat de visie goed is.

“Veronderstel, bhikkhu’s, een zaadje van suikerriet, heuvel rijst, of een druif werd in de vochtige grond geplant. Welke voedingsstoffen het ook uit de grond en het water zou opnemen, het zou allemaal leiden tot diens zoete, aangename en verrukkelijke smaak. Om welke reden? Omdat het zaad goed is. Zo geldt ook voor een persoon van juiste visie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste aandachtigheid, juiste concentratie, juiste kennis en juiste bevrijding, dat welk lichamelijk kamma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, belustheid, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat wenselijk is,  verlangd, plezierig, tot welzijn en geluk. Om welke reden? Omdat de visie goed is”.
 
Het Edele Achtvoudige Pad wordt ook wel voorgesteld als een stroom. Als iemand geen juiste visie heeft dan volgen daaruit ook onjuiste intenties of wilsactiviteiten en die geven weer aanleiding tot onjuiste spraak, onjuist handelen etc.

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's en/of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 6.39 en 10.174
Bericht door: Passievrucht op 12-09-2015 11:15
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Oorzaken van Kamma

Anguttara Nikaya 6.39 (9), Het Ontstaan

“Bhikkhu’s, er zijn deze drie oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? (1) Hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; (2) haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; (3) begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
“Het is niet niet-hebzucht dat vanuit hebzucht ontstaat; veeleer, het is eenvoudigweg hebzucht dat ontstaat vanuit hebzucht. Het is niet niet-haat dat ontstaat vanuit haat, veeleer, het is eenvoudigweg haat dat ontstaat vanuit haat. Het is niet niet-begoocheling dat ontstaat vanuit begoocheling; veeleer, het is eenvoudigweg begoocheling dat ontstaat vanuit begoocheling.
“Het is niet [het rijk] van deva’s en mensen- of enige andere goede bestemming- die worden gezien vanwege kamma geboren uit hebzucht, haat en begoocheling, veeleer, het is de hel, het dierenrijk en de sfeer van gekwelde geesten- als ook andere slechte bestemmingen-die worden gezien vanwege kamma geboren vanuit hebzucht, haat en begoocheling. Dit zijn drie oorzaken voor het ontstaan van kamma.
“Er zijn, bhikkhu’s, drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma. Welke drie? (4) Niet-hebzucht is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; (5) niet-haat is een oorzaak voor het ontstaan van kamma; (6) niet begoocheling is een oorzaak voor het ontstaan van kamma.
“Het is niet hebzucht dat uit niet-hebzucht ontstaat; veeleer, het is eenvoudigweg niet-hebzucht dat ontstaat vanuit niet-hebzucht. Het is niet haat dat ontstaat vanuit niet-haat, veeleer, het is eenvoudigweg niet-haat dat ontstaat vanuit niet-haat. Het is niet begoocheling dat ontstaat vanuit niet-begoocheling; veeleer, het is eenvoudigweg niet-begoocheling dat ontstaat vanuit niet-begoocheling.
“Het is niet de hel, het dierenrijk en de sfeer van gekwelde geesten- of enig andere slechte bestemming- die worden gezien vanwege kamma geboren vanuit niet-hebzucht, niet-haat en niet-begoocheling; veeleer, het is [het rijk] van deva’s en mensen- als ook andere goede bestemmingen- die worden gezien vanwege kamma geboren uit niet-hebzucht, niet-haat en niet-begoocheling. Dit zijn drie [andere] oorzaken voor het ontstaan van kamma”.

Anguttara Nikaya 10.174 (8}, Oorzaken van Kamma

“Bhikkhu’s, de vernietiging van leven, zeg ik, is drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Stelen, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Seksueel wangedrag, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Vals spreken, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Verdeeldheid-zaaiende spraak, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Grove spraak, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. IJdele/zinloze spraak, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Verlangen, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat, en veroorzaakt door begoocheling. Kwade wil, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling. Verkeerde visie, zeg ik, is ook drievoudig: veroorzaakt door hebzucht, veroorzaakt door haat en veroorzaakt door begoocheling.
“Dus, bhikkhu’s, hebzucht is een bron en oorsprong van kamma; haat is een bron en oorsprong van kamma; begoocheling is een bron en oorsprong van kamma. Met het vernietigen van hebzucht wordt een bron van kamma opgedoekt. Met de vernietiging van haat wordt een bron van kamma opgedoekt. Met de vernietiging van begoocheling wordt een bron van begoocheling opgedoekt”. 

De bovenstaande tien soorten gedrag worden ook wel de tien onheilzame routes van kamma genoemd. Het onthouden daarvan, de tien heilzame routes van kamma.

Groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Indeling in Donker en Licht Kamma
Bericht door: Passievrucht op 13-09-2015 10:51
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Indelingen van kamma in donker en licht

Anguttara Nikaya 4.233 (2), In Detail

“Bhikkhu’s, er zijn deze vier soorten kamma door mij verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis gerealiseerd had. Welke vier? Er is donker kamma met donker gevolg; er is licht* kamma met licht gevolg; er is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg; en er is kamma dat is noch-donker-noch-licht met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
(1) “En wat, bhikkhu’s, is donker kamma met donker gevolg? Hier verricht iemand een leed veroorzakende** lichamelijke wilsactiviteit, een leed veroorzakende verbale wilsactiviteit, een leed veroorzakende mentale wilsactiviteit942. Als consequentie wordt hij geboren in een leed veroorzakende wereld. Wanneer hij in zo’n wereld wordt geboren, is hij in aanraking met leed veroorzakende contacten. In aanraking met leed veroorzakende contacten, voelt hij leed veroorzakende gevoelens, uitsluitend pijnlijk, zoals in het geval van hellewezens. Dit wordt donker kamma met donker gevolg genoemd.
(2) “En wat, bhikkhu’s, is licht kamma met licht gevolg? Hier verricht iemand een niet-leed veroorzakende lichamelijke wilsactiviteit, een niet-leed veroorzakende verbale wilsactiviteit, een niet-leed veroorzakende mentale wilsactiviteit943. Als consequentie wordt hij geboren in een niet-leed veroorzakende wereld. Wanneer hij in zo’n wereld wordt geboren, is hij in aanraking met niet-leed veroorzakende contacten. In aanraking met niet-leed veroorzakende contacten, voelt hij niet-leed veroorzakende gevoelens, uitsluitend plezierig, zoals in het geval van de deva’s van stralende glorie. Dit wordt licht kamma met licht gevolg genoemd.
(3) “En wat is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg? Hier verricht iemand een lichamelijke wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een verbale wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een mentale wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Als consequentie wordt hij geboren in een wereld die zowel leed veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Wanneer hij wordt wedergeboren in zo’n wereld is hij in aanraking met zowel contacten die leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken. In aanraking met contacten die zowel leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken, voelt hij gevoelens die zowel leed-veroorzaken als niet-leed veroorzaken, gemengd plezier en pijn, zoals in het geval van mensen en sommige deva’s en sommige wezens in de lagere wereld. Dit wordt donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg genoemd.
(4) “En wat is kamma dat noch-donker-noch-licht is met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma? De wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker is met donker gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat licht is met licht gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker en licht is met donker-en-licht gevolg: dit wordt kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg genoemd, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma946.
“Dit, bhikkhu’s, zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis had gerealiseerd”.

Noot 942: "Hier kan 'een leed veroorzaken lichamelijke wilsactiviteit' (sabyapajjhum kayasankharam) begrepen worden als de wil die verantwoordelijk is voor de drie routes van onheilzaam lichamelijk kamma (doden, stelen en seksueel wangedrag, Siebe), een 'leed veroorzakende verbale wilsaciviteit' als de wil verantwoordelijk voor de vier routes van onheilzaam verbaal kamma (liegen, tweedracht-zaaien, botte/kwetsende taal, zinloos/ijdel geklets, Siebe) en 'een leed veroorzakende mentale wilsactiviteit' als de wil verantwoordelijk voor de drie routes van onheilzaam mentale kamma (verlangen/hebzucht, kwade wil en verkeerde zienswijzen). 
Noot 943: “De tien koersen van heilzaam kamma samen met de wilsactiviteit van de jhana’s.
Noot 946: “MP: ‘de wil(sactiviteit) van het pad leidend tot het einde van de rondgang”
* “bright”, helder
* “afflictive”


Hier zie je dus dat het qua wilsactiviteit, kennelijk, ook niet altijd zwart/wit, donker/licht of onheilzaam/heilzaam is maar dat er ook wilsactiviteit wordt erkend die zowel leed veroorzakend als niet-leed veroorzakend kan zijn. Dit past bij het mensenrijk waar er een redelijke balans is tussen bijvoorbeeld aangename en onaangename ervaringen, in vergelijking met de hellerijken die uitsluitend pijnlijk zijn en de hemelse rijken die overheersend aangenaam zijn.

Anguttara Nikaya 4.235 (4), Trainingsregels (1)

“Bhikkhu’s, er zijn deze vier soorten kamma door mij verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis gerealiseerd had. Welke vier? Er is donker kamma met donker gevolg; er is licht kamma met licht gevolg; er is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg; en er is kamma dat is noch-donker-noch-licht met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
(1) “En wat, bhikkhu’s, is donker kamma met donker gevolg? Hier vernietigt iemand leven, neemt wat niet gegeven is, geeft zich over aan seksueel wangedrag, spreekt op valse wijze, en geeft zich over aan sterke drank, wijn en bedwelmende middelen, de basis voor achteloosheid. Dit wordt donker kamma met donker gevolg genoemd.
(2) “En wat is licht kamma met licht gevolg? Hier onthoudt iemand zich van het vernietigen van leven, onthoudt zich van iets nemen wat niet gegeven is, onthoudt zich van seksueel wangedrag, onthoudt zich van valse spraak, en onthoudt zich van sterke drank, wijn, en bedwelmende middelen, de basis van achteloosheid. Dit wordt licht kamma met licht gevolg genoemd.
(3) “En wat is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg? Hier verricht iemand een lichamelijke wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een verbale wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een mentale wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Als consequentie wordt hij geboren in een wereld die zowel leed veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Wanneer hij wordt wedergeboren in zo’n wereld is hij in aanraking met zowel contacten die leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken. In aanraking met contacten die wel leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken, voelt hij gevoelens die zowel leed-veroorzaken als niet-leed veroorzaken, gemengd plezier en pijn, zoals in het geval van mensen en sommige deva’s en sommige wezens in de lagere wereld. Dit wordt donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg genoemd.
(4) “En wat is kamma dat noch-donker-noch-licht is met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma? De wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker is met donker gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat licht is met licht gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker en licht is met donker-en-licht gevolg: dit wordt kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg genoemd, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
“Dit, bhikkhu’s, zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis had gerealiseerd”.

Anguttara Nikaya 4.236 (5)Trainingsregels (2)

“Bhikkhu’s, er zijn deze vier soorten kamma door mij verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis gerealiseerd had. Welke vier? Er is donker kamma met donker gevolg; er is licht kamma met licht gevolg; er is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg; en er is kamma dat is noch-donker-noch-licht met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
(1) “En wat, bhikkhu’s, is donker kamma met donker gevolg? Hier doodt iemand zijn moeder, doodt iemand zijn vader, doodt iemand een arahant, laat met een geest vol haat het bloed vloeien bij de Tathagata of creëert een schisma in de Sangha. Dit wordt donker kamma met donker gevolg genoemd.
(2) “En wat is licht kamma met licht gevolg? Hier onthoudt iemand zich van het vernietigen van leven, onthoudt zich van het nemen wat niet gegeven is, onthoudt zich van seksueel wangedrag, onthoudt zich van valse spraak, onthoudt zich van verdeeldheid zaaiende spraak, onthoudt zich van botte/grove spraak, onthoudt zich van ijdele praat; hij is zonder verlangen, van goede wil, en onderhoudt juiste visie. Dit wordt licht kamma met licht gevolg genoemd.
(3) “En wat is donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg? Hier verricht iemand een lichamelijke wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een verbale wilsactiviteit dat zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is, een mentale wilsactiviteit die zowel leed-veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Als consequentie wordt hij geboren in een wereld die zowel leed veroorzakend als niet-leed veroorzakend is. Wanneer hij wordt wedergeboren in zo’n wereld is hij in aanraking met zowel contacten die leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken. In aanraking met contacten die wel leed veroorzaken als niet-leed veroorzaken, voelt hij gevoelens die zowel leed-veroorzaken als niet-leed veroorzaken, gemengd plezier en pijn, zoals in het geval van mensen en sommige deva’s en sommige wezens in de lagere wereld. Dit wordt donker-en-licht kamma met donker-en-licht gevolg genoemd.
(4) “En wat is kamma dat noch-donker-noch-licht is met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma? De wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker is met donker gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat licht is met licht gevolg, de wilsactiviteit voor het afstand doen van het soort kamma dat donker en licht is met donker-en-licht gevolg: dit wordt kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg genoemd, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
“Dit, bhikkhu’s, zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis had gerealiseerd”.

Anguttara Nikaya 4.237 (6), Het Edele Pad.

[Alles zoals in 4.233 tot]:
“En wat is kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma? Juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste aandachtigheid en juiste concentratie: dit wordt kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg genoemd, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
“Dit, bhikkhu’s, zijn de vier soorten kamma door mij verkondigd nadat ik ze zelf met directe kennis heb gerealiseerd”.

Anguttara Nikaya 4.238 (7), Verlichtingsfactoren

“Bhikkhu’s, er zijn deze vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik ze voor mezelf met directe kennis had gerealiseerd. Welke vier?
[Alles zoals in 4.233 tot:]
“En wat is kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma? De verlichtingsfactor van aandachtigheid, de verlichtingsfactor van het onderscheiden van verschijnselen, de verlichtingsfactor van energie, de verlichtingsfactor van verrukking, de verlichtingsfactor van kalmte, de verlichtingsfactor van concentratie en de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid: dit wordt kamma dat noch donker noch licht is met noch-donker-noch-licht gevolg genoemd, kamma dat leidt tot de vernietiging van kamma.
“Dit, bhikkhu’s, zijn de vier soorten kamma door mij verkondigd nadat ik ze zelf met directe kennis heb gerealiseerd”.

Groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: annaputta op 13-09-2015 14:53
Hallo Siebe,

Ik heb meerdere teksten gevonden over kamma en de gevolgen ervan. De numerieke indeling van Ang. Nik. is bij mij anders dan door jou vermeld. Er zullen zeker teksten bij zijn die u al hebt vermeld. Ik geef hier een lijstje van wat ik heb gevonden.
A.II, 16-18, 27-30, 35;
A.III, 17, 22, 34, 54-55, 70, 77-78, 101, 112-114, 147-154, 164-183;
A.IV, 4, 17-19, 77, 81-83, 85, 232-238;
A.V, 43, 129;
A.VI, 18, 39, 63;
A.X, 208.

Verder nog enkele teksten :
     De mens is de schepper van zijn eigen wereld, van de wereld waarin hij leeft. Niemand anders is er die ons leven bepaalt tenzij ons eigen willen.

   “Waardoor wordt de wereld geleid?
   Waardoor wordt ze meegetrokken?
        Onder welke macht alleen
         zal iedereen komen te staan?
 
   Door de geest wordt de wereld geleid.
   Door de geest wordt ze meegetrokken.
         En enkel in de macht van de geest
         zal iedereen komen te staan.” (S.I.7.2)
 
En in het Dhammapada wordt gezegd:
 
   “De geest is de voorloper van alle kwade staten,
   de geest is het belangrijkste;
   door de geest worden ze geschapen.
   Als iemand spreekt of handelt met verdorven geest
   zal tengevolge daarvan hem of haar lijden volgen,
   net zoals het wiel de hoef volgt van de os.” (Dhp.1)
 
   “De geest is de voorloper van alle goede staten,
   de geest is het belangrijkste;
   door de geest worden ze geschapen.
   Als iemand spreekt of handelt met zuivere geest
   zal tengevolge daarvan hem of haar geluk volgen,
   net zoals de schaduw iemand niet verlaat.” (Dhp.2)
 
      Waar is wilsactie opgeborgen? Deze vraag werd door koning Milinda gesteld aan de Eerwaarde Nagasena. Het antwoord luidde: “Koning, men zegt niet dat wilsactie is opgehoopt in deze stroom van bewustzijn of in een of ander deel van het lichaam. Maar afhankelijk van geest en zaak rust zij en zij manifesteert zich op het geschikte moment. Het is juist zoals met appels; die zijn niet opgeborgen in de appelboom. Maar afhankelijk van de boom ontstaan zij in het daarvoor geschikte seizoen.”

            Moreel resultaat heeft de voorwaarden nodig waarin het kan gaan werken.
In het boek Dhammapada vinden wij meerdere voorbeelden van heilzaam resultaat dat vóór onheilzaam resultaat komt. Een bloeddorstig iemand voegde zich eens bij een bende dieven en beging veel misdaden. Later werd hij een beul. De Eerwaarde Sariputta bekeerde hem. Als gevolg daarvan onderging die man zo’n volledige verandering dat hij na de dood in een hemelse staat herboren werd. De Boeddha gaf als uitleg dat die goede wedergeboorte te danken was aan het mededogen en het heilzame advies van de Eerwaarde Sariputta. En daarom de regels: “Beter dan duizend woorden zonder zin is één goed woord vol zin, bij het horen (of lezen) waarvan men tot vrede komt.” (Dhp.100).

      Een ander voorbeeld is dit: Anathapindika steunde zeer edelmoedig de gemeenschap van de monniken. Daardoor verloor hij het grootste gedeelte van zijn fortuin. Omdat hij erg veel aalmoezen gaf, werd hij bekritiseerd. Maar hij trok er zich niets van aan en bleef zijn edelmoedige daden voortzetten. De Boeddha sprak daarop de verzen:
      “Zelfs een kwaaddoener ontmoet goed,
      zolang als het kwaad niet tot rijping komt;
      maar als het kwade vrucht draagt,
      dan ontmoet hij de onheilzame resultaten ervan.
       
      Zelfs een goed persoon ontmoet kwaad
      zolang als het goede niet tot rijping komt;
      maar als het goede vrucht draagt,
      dan ontmoet de goede de heilzame resultaten ervan.” (Dhp.119-120)
 
     Vernietigend gedrag zijn wilsacties met zo'n macht dat zij volledig de invloed van zwakker gedrag vernietigen. In de plaats daarvan wordt het onheilzame of heilzame moreel resultaat van de eigen wilsacties gesteld.
      Een goed voorbeeld van vernietigend gedrag vinden wij in het boek Dhammapada. Angulimala, de beruchte moordenaar, werd door de Boeddha bekeerd. Later werd hij niet alleen een monnik vol mededogen, maar hij bereikte zelfs het hoogste niveau van heiligheid. Daarna ging hij heen in de staat van Nibbāna. De monniken vroegen hoe het mogelijk was dat zo'n moordenaar een heilige was geworden. En de Verhevene antwoordde: “Alwie zijn kwade daad bedekt met een goede daad, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.” (Dhp.173)

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: annaputta op 13-09-2015 15:43
Hallo Siebe,

Nog enkele andere teksten over kamma en de gevolgen ervan, uit het Samyutta Nikaya:

S.3.20. Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens.
 
S.3.21. Vier soorten van personen (donker-licht): Degene (arm of rijk) die zich slecht gedraagt, wordt in een lagere sfeer van bestaan wedergeboren. Degene (arm of rijk), die zich goed gedraagt, wordt in een hogere sfeer wedergeboren, in de hemel.

S.3.22. Dood komt voor iedereen. Na de dood gaan de wezens naar goede of slechte sferen van bestaan overeenkomstig hun daden. Daarom moet men goede daden verrichten als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste steun voor de levende wezens.

S.7.19. Te Savatthi. Een brahmaan die voor zijn moeder zorgde, ging naar de Boeddha en vroeg of hij zijn plicht deed nu hij voor moeder en vader zorgde.
   De Boeddha: "Zeer zeker doe je je plicht, brahmaan. Wie voor vader en moeder zorgt die krijgt veel verdienste. Hij wordt door de wijzen hier geprezen en na de dood gaat hij naar de hemel."

S.11.11-13. Te Savatthi. De Verhevene vertelde er dat Sakka vroeger, toen hij een mens was, zeven geloften had aangenomen en vervuld. Daarom werd hij als Sakka, koning der goden, wedergeboren.
   Die zeven geloften zijn:
1. Zolang ik leef zal ik vader en moeder steunen.
2. Zolang ik leef zal ik de oudsten in de familie hoogachten en vereren. (d.w.z. grootouders, ooms, tantes; eventueel ook nog oudste broer).
3. Zolang ik leef zal ik vriendelijke, zachtmoedige taal gebruiken.
4. Zolang ik leef zal ik niet lasteren.
5. Zolang ik leef zal ik thuis wonen met een geest die vrij is van onreinheden en gierigheid; vrijgevig zal ik zijn, mij aan gaven verheugend, toegankelijk voor de vragenden, mij verheugend aan het verdelen van aalmoezen.
6. Zolang ik leef zal ik de waarheid spreken.
7. Zolang ik leef zal ik niet toornig zijn. Als toorn in mij ontstaat zal ik die direct onderdrukken.

     Een goed mens noemen de Tavatimsa goden degene die vader en moeder ondersteunt, die de oudsten in de familie hoog vereert, die zachtmoedig is en vriendelijk spreekt, die lasterpraat vermijdt, die zich inspant om de gierigheid te onderdrukken, en die de toorn overwint.

(Sakka is dus in de hemel wedergeboren als gevolg van goede daden).

Gevolgen van goede en slechte daden zijn ook te vinden in het Petavatthu en het Vimanavatthu.

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 13-09-2015 21:12
Hallo Siebe,

Ik heb meerdere teksten gevonden over kamma en de gevolgen ervan. De numerieke indeling van Ang. Nik. is bij mij anders dan door jou vermeld. Er zullen zeker teksten bij zijn die u al hebt vermeld. Ik geef hier een lijstje van wat ik heb gevonden.
A.II, 16-18, 27-30, 35;
A.III, 17, 22, 34, 54-55, 70, 77-78, 101, 112-114, 147-154, 164-183;
A.IV, 4, 17-19, 77, 81-83, 85, 232-238;
A.V, 43, 129;
A.VI, 18, 39, 63;
A.X, 208.

Hoi Annaputta,

Jammer dat de nummering van AN niet hetzelfde is. Ik hou, zoals je wel hebt gezien, de nummering aan uit de vertaling van bhikkhu Bodhi. Ik heb inmiddels al wat meer Anguttara Nikaya teksten klaar om hier te posten. Ik probeer er wat overzicht in aan te brengen en de sutta's bijvoorbeeld thematisch te rangschikken, bijvoorbeeld: oorzaken van kamma, indelingen van kamma, kamma als thema (komt nog) etc. Als je een Nikaya doorzoekt kun je vaak wel sutta's over kamma vinden die thematisch bij elkaar passen. Zo komt er ook wat overzicht in. Zo doe ik dit op dit moment met AN.

Mijn inzet is inmiddels wat verschoven. Ik vind het nu vooral handig te informeren over wat de Boeddha onderwees over kamma. Ik richt me op sutta's met een duidelijke informatieve waarde. Als bijvoorbeeld een sutta in Samyutta Nikaya vrijwel identiek is aan eentje die al gepost is, zal ik die overslaan. Het gaat me namelijk niet om hier een compleet overzicht te presenteren van alle teksten over kamma maar om te informeren. Zulke sutta's over kamma, met een duidelijke onderscheidende informatieve waarde, zou ik dan het liefst hier volledig vertaald zien in het Nederlands. Dat is wel wat werk maar daar heeft iedereen het meest aan denk ik.

Zou je er zo aan willen meewerken om bijvoorbeeld een Nikaya voor je rekening te nemen?
Ik vind dan wel dat de bron waaruit je vertaald bekend moet zijn en vermeld en het liefst ook openbaar.
Gratis te downloaden. Bijvoorbeeld:
Digha N door Walshe
Majjhima N bhikkhu Nanamoli en bhikkhu Bodhi
Samyutta N deel I+II door Bhikkhu Bodhi
Anguttara N door bhikkhu Bodhi

Voor Khuddhaka N gebruik ik diverse bronnen voor de diverse boeken.

Soms gaat alleen bepaald fragment in een sutta  maar over kamma. Als dat onderscheidend informatief is, dan kunnen we dat fragment volledig vertalen. Het lijkt me handig toch steeds oog te houden voor wat hier al gepost is om veel herhaling te voorkomen. Als de hele sutta relevant is dan vind ik, nogmaals, dat we de hele sutta moeten vertalen en hier plaatsen.

Wil je zo meedoen?

Groet,
Siebe






Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Kamma als thema om bij stil te staan
Bericht door: Passievrucht op 14-09-2015 11:02
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands]

Kamma als thema om vaak bij stil te staan

Anguttara Nikaya 5.57 spoort aan om vaak bij vijf thema’s stil te staan. Kamma is één van die thema’s. De eerste vier (in eigen woorden, kortgezegd): 1. Dat je veroudert en daar niet van uitgezonderd bent. 2. dat je gevoelig bent voor ziekte. 3. Dat je gaat sterven. 4. Dat je moet scheiden van alles en iedereen die je lief is. 5. Is het thema kamma en de reflectie gaat als volgt: “Ik ben de eigenaar van mijn kamma, de erfgenaam van mijn kamma; ik heb kamma als mijn oorsprong/komaf, kamma als mijn familielid, kamma als mijn resort; ik zal de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ik ook doe”.

De sutta werkt dit nu per thema uit. Ik beperk me bij het vertalen tot het laatste thema kamma en vertaal ook de afsluitende verzen.

Anguttara Nikaya 5.57 (7), Thema’s

(...)
(5) “En ter wille van welk voordeel dient een vrouw of een man, een huishouder of een thuisloze (iemand die toevlucht genomen heeft) vaak stil te staan bij: ‘Ik ben de eigenaar van mijn kamma, de erfgenaam van mijn kamma; ik heb kamma als mijn oorsprong/komaf, kamma als mijn familielid, kamma als mijn resort; ik zal de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ik ook doe’? Mensen laten zich in met wangedrag verricht door lichaam, spraak en geest. Maar wanneer men vaak bij dit thema stilstaat, wordt van zulk wangedrag ofwel volledig afstand gedaan of het vermindert. Het is ter wille van dit voordeel dat een vrouw of man, een huishouder of een thuisloze vaak stil dient te staan bij: ‘Ik ben de eigenaar van mijn kamma, de erfgenaam van mijn kamma; ik heb kamma als mijn oorsprong/komaf, kamma als mijn familielid, kamma als mijn resort; ik zal de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ik ook doe?"
(...)
(5) "Deze edele leerling staat er zo bij stil: ‘Ik ben niet de enige die de eigenaar is van zijn kamma, de erfgenaam van zijn kamma; die kamma als zijn oorsprong/komaf heeft, kamma als zijn familielid heeft, kamma als zijn resort heeft; die de de erfgenaam zal zijn van wat voor kamma, goed of slecht, iemand ook doet. Alle wezens die komen en gaan, die heengaan en wedergeboorte ondergaan, zijn eigenaren van hun kamma, de erfgenamen van hun kamma; allen hebben kamma als hun oorsprong/komaf, kamma als hun familielid, kamma als hun resort; allen zullen de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ze ook doen’. Als hij vaak bij dit thema stilstaat, wordt het pad gegenereerd. Hij volgt dit pad, ontwikkelt het, en cultiveert het. Terwijl hij dat zo doet, wordt van de ketens volledig afstand gedaan en de onderliggende neigingen worden ontworteld.

“Wereldlijke mensen onderhevig aan ziekte,
Ouderdom en dood worden met weerzin bekeken
[door andere mensen] die in overeenstemming
Met hun natuur bestaan.

“Als ik vol afkeer zou geraken
Van zulke wezens die zo’n natuur hebben,
Zou dat niet gepast zijn voor mij
Aangezien ik ook dezelfde natuur heb.

“Terwijl ik zo verbleef
En terwijl ik de staat zonder toe-eigeningen kende
Overwon ik alle bedwelming-
De intoxicatie met gezondheid,
Met jeugd, en met het leven-
Veiligheid gezien hebbend in verzaking.

Enthousiaste ijver kwam toen in me op
Aangezien ik duidelijk Nibbana zag.
Nu ben ik niet in staat
Om te zwelgen in zintuiglijke genoegens.
Vertrouwend op het spirituele leven,
Zal ik nooit meer terugkomen”.


De volgende sutta somt tien onderwerpen op waar iemand die toevlucht heeft genomen vaak bij dient stil te staan. De reflectie over kamma hoort daar ook bij. De gehele sutta:

Anguttara Nikaya 10.48 (8}, Dingen/zaken

“Bhikkhu’s, er zijn deze tien dingen waar iemand die toevlucht heeft genomen vaak bij stil dient te staan. Welke tien?
(1) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Ik ben een klasseloze toestand binnen gegaan’2053.
(2) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Mijn levensonderhoud is afhankelijk van anderen’2054
(3) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Mijn gedrag dient anders te zijn’2055.
(4) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Berisp ik mezelf met betrekking tot verdienstelijk gedrag?*
(5) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Berispen mijn wijze medemonniken me met betrekking tot verdienstelijk gedrag, na me onderzocht te hebben?
(6) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Ik moet vertrekken en scheiden van alles en iedereen dat me lief en aangenaam is’.
(7) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Ik ben de eigenaar van mijn kamma, de erfgenaam van mijn kamma; ik heb kamma als mijn oorsprong/komaf, kamma als mijn familielid, kamma als mijn resort; ik zal de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ik ook doe’.
(8} “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Hoe besteed ik mijn nachten en dagen?’
(9) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Verheug ik me in lege hutten?’
(10) “Iemand die toevlucht heeft genomen dient vaak stil te staan bij: ‘Heb ik enig bovenmenselijk onderscheid in kennis en visie bereikt die de edelen waard is, zodat ik in mijn laatste tijd, wanneer ik ondervraagd wordt door mijn medemonniken, niet in verlegenheid zal zijn?’
“Dit, bhikkhu’s, zijn de tien dingen waar iemand die toevlucht heeft genomen vaak bij stil dient te staan”.

Noot 2053 in eigen woorden: tot welke kaste of klasse men ook behoorde, dat wordt opgegeven en men wordt een asceet, een volgeling van de Boeddha.
Noot 2054 in eigen woorden: men heeft geen salaris en ontvangt giften van anderen zoals eten, onderkomens, kleding en medicijnen. Men gebruikt deze vier zaken niet zonder hierbij stil te staan.
Noot 2055: Mp: “leken lopen met opgezwollen borst, hun hoofd hooghoudend, op een speelse manier, met chaotische tred. Maar mijn manier moet anders zijn. Ik moet met gekalmeerde zintuigvermogens lopen, met een kalmte geest, met langzame en afgemeten stappen, zoals een kar die door water of een ruwe plaats gaat”.
*: De bedoeling van deze en de volgende overweging is of iemand of anderen fouten/gebreken kan/kunnen ontdekken met betrekking tot verdienstelijk gedrag. Zaken beter kunnen doen.



De overweging van "eigenaar van kamma" vind ik zelf heel krachtig. Als je beziet dat je de eigenaar bent van wilsactiviteit (kamma) in de vorm van neigingen, en weet van jezelf dat je toch gevoelig bent voor de wilsactiviteit van die slechte neigingen, dan weet je ook dat je zo het onheil over jezelf afroept als je weer die slechte neigingen gehoorzaamt. Dus je creëert heel duidelijk dan je eigen sores. Hopelijk brengt dit een gevoel van verantwoordelijkheid en urgentie met zich mee om daar wat aan te doen. Zoals de sutta zegt, kan wangedrag langzaam verminderen als je er niet meer aan toegeeft, en wellicht zelfs eindigen wanneer je besluit je ook ijverig te gaan inzetten op dit vlak. Je kunt je elke dag weer bewust verbinden met gedragsregels/geloften, toevlucht nemen, jezelf disciplineren etc. Ik beleef dit zelf als een leerproces met vallen en opstaan.

Een ander aspect van deze overweging, althans zo werkt het bij mij door, is de realisatie dat het bij andere mensen of wezens net zo werkt als bij jezelf. Dus iemand bezoedelt en zuivert zichzelf door de wilsactiviteiten en bijbehorend gedrag vanuit zijn/haar eigen aanleg.
Het geeft, vind ik, een realistisch zicht op wat je voor anderen kunt doen en ook vooral wat je niet kunt doen. Iemand blijft de eigenaar van zijn kamma. Je kunt iemand nog zo steunen, adviseren, liefhebben, maar als die persoon zelf prooi blijft van onheilzame wilsactiviteiten, dan roept die persoon toch leed en ellende over zichzelf af.

groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: annaputta op 14-09-2015 19:00
Hallo Sybe,

Door mij zijn de volgende geschriften over kamma geraadpleegd. Dus dat hoeft u niet meer te doen.

1. Voor het Dhammapada is geraadpleegd:

Adikaram, E.W. 1984. The Dhammapada. with Preface, Pali Text and English Translation by E.W. Adikaram. Colombo : Gunasena, 1984. (1st. ed. 1954).
Burlingame, Eugene Watson (tr.) 1979.  Buddhist Legends. Translated from the original Pali text of the Dhammapada Commentary.  London : PTS, 1979.  (Harvard Oriental Series, Vol. 28, 29, 30).   
Carter, John Ross [et al.] 1987. The Dhammapada. Transl. by John Ross Carter and Mahinda Palihawadana. New York (etc) : Oxford University Press, 1987.
Dhammananda, K. Sri (tr.) 1988. The Dhammapada. Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988. 
Nârada Thera. 1978. The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes.  (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978.  (1st ed. 1963).

2. Voor het Samyutta Nikaya is geraadpleegd:

Geiger, Wilhelm (Übers.) 1930. Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. Übers. von Wilhelm Geiger. 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930. 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.
ook in: www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html  (http://www.palikanon.com/samyutta/samyutta.html)

3. Voor het Majjhima Nikaya is geraadpleegd:

Horner, I.B. (tr.) 2000. The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Translated from the Pāli by I.B. Horner. Oxford: PTS, 2000.
Neumann, Karl Eugen. 1922. Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. Bd. 1-3. Übers. von Karl Eugen Neumann. (3. Aufl.) München : Piper, 1922.
Neumann, Karl Eugen. 1956. Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. Übers. von Karl Eugen Neumann. (4. Aufl.) Zürich: Artemis; Wien : Zsolnay, 1956. (Karl Eugen Neumanns Übertragungen aus dem Pâli-Kanon, Bd. I). (1. Aufl. 1896-1902)
www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html  (http://www.palikanon.com/majjhima/m_index_new.html)

4. Voor het Digha Nikaya is geraadpleegd:

Walshe, Maurice  (tr.) 1996. The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy : BPS, 1996.  (The Teachings of the Buddha).
Dahlke, Paul .  Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Übers. von Paul Dahlke. Wiesbaden : Fourier, [s.a.]
www.palikanon.com/digha/d.htm  (http://www.palikanon.com/digha/d.htm)

5. Voor de vragen van koning Milinda aan de Eerwaarde Nagasena is geraadpleegd:

Horner, I.B. (tr.)  Milinda's Questions. Vol. I & II.  (repr.) - Oxford: PTS, 1990 & 1991.  (Sacred books of the Buddhists, Vol. XXII & Vol. XXIII). (1st ed. 1963 & 1964).

6. Voorbeelden van de uitwerking van goede en slechte wilsacties zijn te vinden in:

Horner, I.B. (tr.) 1974; assisted by N.A. Jayawickrama. Vimânavatthu : Stories of the Mansions.  London: PTS, 1974.  (The Minor Anthologies of the Pali Canon  Part IV). 
Masefield, Peter (tr.) 1989. Elucidation of the Intrinsic meaning so named The Commentary on the Vimâna Stories (Paramattha-dîpanî nâma Vimânavatthu-atthakathâ).  Transl. By Peter Masefield; assisted by N.A. Jayawickrama. Oxford: PTS, 1989. 
Gehman, H.S. (tr.) 1974.  Petavatthu : Stories of the Departed.  London : PTS, 1974.  (The Minor Anthologies of the Pali Canon  Part IV).

7. algemene literatuur over kamma

https://sites.google.com/site/kammawilsacties/


Ariyadhamma, Ven. Mahāthera Nāuyane.The Short Analysis of Kamma. A Discourse by the Buddha. Kandy : BPS, 1992. Bodhi Leaves No. 128.
Bodde, Albert. Karma en reïncarnatie : Een zoektocht naar liefde en logica in de schepping. Deventer : Ankh-Hermes, 1997
Buddharakkhita, Acharya. 'Law of Karma and Rebirth. a Buddhist Perspective,' in: Buddhism & Jainism, Cuttack 1976, Part II, p. 95-117.
Bullen, Leonard A. 'Action and Reaction in Buddhist Teachings,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 51-66.
Devendra, Asoka. 'Kamma, a universal law of justice,' Vesak Sirisara 61(2540/1996), p. 15-18.
Glasenapp, Helmuth von 'Die Lehre vom Karman in der Philosophie der Jainas, nach den Karmagranthas dargestellt,' in: Ausgewählte kleine Schriften, Wiesbaden 1980, S. 1-114.
Gorkom, Nina van. 'Questions and Answers about Kamma Result,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 67-98.
Hoffmann, R.E. Wiedergeburt und Wirken : Eine widerspruchsfreie Weltanschauung. Berlin : Hoffmann, 1978.
Jayatilleke, K.N. 'The Buddhist Doctrine of Karma,' The Wheel No. 141/143 (Kandy 1969), p. 16-30.
Jayatilleke, K.N. 'The Case for the Buddhist Theory of Survival and Karma,' The Wheel No. 141/143 (Kandy 1969), p. 31-93.
Jayatilleke, K.N. Survival and Karma in Buddhist Perspective. Kandy : BPS, 1969. The Wheel No. 141/143.
Kaiser-Queri, Thea.  Karma-Logik : Weisheit der Leidbefreiung. Dachau : Zauner, 1967.
Kamma and its Fruit. Essays. Kandy : BPS, 1975. The Wheel No. 221/224.
Karunaratna, Suvimalee. Prisoners of karma. A Story. Kandy : BPS, 1991. Bodhi Leaves No. 125.
Ñānajīvako, Bhikkhu. 'Kamma - the Ripening Fruit' ,The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 24-50.
Ñānamoli Thera (tr.) The Buddha's Words on Kamma. Four Discourses of the Buddha from the Middle Length Collection. Edited by Khantipālo Bhikkhu. Kandy : BPS, 1977. The Wheel No. 248/249
Nanayakkara, D.D.P. Heredity Beyond Materiality. Causality and moral responsibility. Kandy : BPS, 1979. Bodhi Leaves No. B 83.
Nyanaponika Thera. 'Reflections on Kamma and its Fruits,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 111-120.
Nyanatiloka Mahāthera. 'Kamma and Rebirth,' The Wheel No. 394/396 (Kandy 1994), p. 14-31.
Nyānatiloka Mahathera. Karma and Rebirth. (2nd impr.) - Kandy : BPS, 1964. The Wheel No. 9. (1st. ed. 1959).
Ottama, Ashin. The message in the teachings of kamma, rebirth, samsara : A gateway to deeper understanding. Kandy : BPS, 1998. The Wheel no. 425/427.
Schmidt-Leukel, Perry (Hrsg.) Die Idee der Reinkarnation in Ost und West. Hrsg. von Perry Schmidt-Leukel; in Zusammenarbeit mit der Gesellschaft für europäisch-asiatische Kulturbeziehungen e.V. (GEAK). München : Diederichs, 1996.
Seidenstücker, Karl (Übers.) Pāli-Buddhismus in Übersetzungen : Texte aus dem Buddhistischen Pāli-Kanon und dem Kammavāca. Übers. von Karl Seidenstücker. (2. verm. u verb. Aufl.) - München-Neubiberg: Schloß, 1923.
Singh Ji Maharaj, Sant Kirpal. Karma. Das Gesetz von Ursache und Wirkung. Zürich : Origo Verlag, 1972. (Lebendige Bausteine, Bd. 12).
Story, Francis. 'Action,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 1-9.
Story, Francis. 'Collective Karma,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975 ), p. 106-110.
Story, Francis. 'Kamma and Causality,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 10-23.
Story, Francis. 'Karma and Freedom,' The Wheel No. 221/224 (Kandy 1975), p. 99-105.
Thittila, Ven. U 'What Kamma Is?' Gems of Buddhist Wisdom, Kuala Lumpur 1983, p. 90-93.
Werner, Karel. The Law of Karma and Mindfulness. Kandy : BPS, 1973. Bodhi Leaves No. B 61.

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Aurelius Augustinus op 14-09-2015 19:25
Ik wil mijn grote respect uitspreken voor het vele werk dat u hier verricht. Dank daarvoor, voor ieder die hier aan meewerkt. Eén kleine opmerking aangaande de laatste bijdrage: de allerlaatste weblink naar algemene literatuur inzake kamma werkt helaas niet. Wilt u daar nog een keer naar kijken, waarde annaputta?
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: annaputta op 14-09-2015 22:21
Bedankt voor de opmerking. De link is gerepareerd.
Titel: (on)mogelijkheden aangaande kennis over kamma
Bericht door: Passievrucht op 15-09-2015 10:42
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands]

Mogelijkheden en onmogelijkheden aangaande kennis van kamma

Inleiding

Ik heb drie sutta’s geselecteerd die iets beschrijven over de mogelijkheden en onmogelijkheden van kennis over kamma. Anguttara Nikaya 4.77 toont dat kennis van [de precieze] gevolgen van kamma behoort tot de zogenaamde Vier Onvoorstelbare Zaken. De sutta geeft aan dat wanneer je dit wilt proberen te snappen, intellectueel, je ofwel waanzin oogst of frustratie. Het heeft dus geen zin je hoofd er over te breken.
Ik heb een fragment uit Anguttara Nikaya 6.64 toegevoegd om te laten zien dat kennis van de gevolgen van kamma wel één van de zes krachten (soorten kennis) is van de Tathagata. De zes krachten die deze sutta beschrijft (in eigen woorden kortgezegd): 1. Een Tathagata kent het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk. 2. Een Tathagata kent het gevolg van kamma, 3. De Tathagata kent bezoedeling en zuivering, de manifestatie van de jhana’s, bevrijdingen, concentraties en meditatieve realisaties. 4. Een Tathagata herinnert zijn vele vorige geboorten, 5. Met het goddelijk oog ziet de Tathagata het heengaan en weer wedergeboren worden van wezens overeenkomstig hun kamma. 6. De Tathagata kent de smetteloze bevrijding van geest, bevrijding door wijsheid en verwijlt er in. Ik heb van deze sutta hier onder alleen de gedeelten over kamma vertaald.

Sutta’s beschrijven ook drie soorten zogenaamde ware kennis. 1. De herinneringen aan vorige geboorten/verblijven, 2. Kennis van het heengaan en weer wedergeboren worden van wezens overeenkomstig hun kamma (zie vijfde kracht van de Tathagata), 3. Kennis van de Vier Edele Waarheden en Kennis van de Asava’s op een manier overeenkomstig de vier edele waarheden.
Ik heb uit Anguttara Nikaya 3.58 een beschrijving van de tweede soort ware kennis vertaald, de kennis van het heengaan en weer wedergeboren worden van wezens overeenkomstig hun kamma.
Deze zelfde beschrijving komt in vele sutta’s voor. De kennis over het heengaan en weer wedergeboren worden van wezens overeenkomstig hun kamma wordt gezien door het zogenaamde goddelijk oog. Het is kennis die behoort tot de Tathagata en het wordt in de sutta's ook beschreven als kennis die kan worden verkregen vanuit de vierde jhana. De geest is dan volledig onbezoedeld, zuiver, soepel en gelijkmoedige indachtigheid en kan zich dan richten op de boven beschreven drie soorten kennis.
Nu de sutta's en/of fragmenten.

Kamma als Hoofdbreker

Anguttara Nikaya 4.77 (7), Onvoorstelbare Zaken

“Bhikkhu’s, er zijn deze vier onvoorstelbare zaken771 die men zich niet moet proberen voor te stellen/verbeelden; iemand die probeert ze voor te stellen zou ofwel gek worden of gefrustreerd. Welke vier? (1) Het domein van de Boeddha is een onvoorstelbare zaak die men niet moet proberen voor te stellen; iemand die het probeert voor te stellen zou ofwel gek worden of gefrustreerd. (2) Het domein van iemand in jhana is een onvoorstelbare zaak die men niet moet proberen voor te stellen; iemand die het probeert voor te stellen zou ofwel gek worden of gefrustreerd. (3) Het gevolg van kamma is een onvoorstelbare zaak die men niet moet proberen voor te stellen; iemand die het probeert voor te stellen zou ofwel gek worden of gefrustreerd. (4) Speculatie over de wereld is een onvoorstelbare zaak die men niet moet proberen voor te stellen; iemand die het probeert voor te stellen zou ofwel gek worden of gefrustreerd772. Dit zijn de vier onvoorstelbare zaken die men zich niet moet proberen voor te stellen; iemand die probeert ze voor te stellen/snappen zou ofwel gek worden of gefrustreerd”.

Noot 771: “Acinteyyani". Mp zegt alleen “ongeschikt om aan te denken” (cintetum ayuttani)
Noot 772: “Mp licht de vier als volgt toe: “Het domein van de Boeddha’s (buddhavisaya) is de werkwijze en spirituele macht (pavattica anubhavoca) van de Boeddha’s kwaliteiten, zoals de alwetende kennis enzovoort. Het domein van iemand in jhana (jhanavisaya) betreft de directe soorten kennis en jhana’s. Het gevolg van kamma (kammavipaka) betreft het gevolg van kamma te worden ervaren in het huidige leven enzovoort. Speculatie over de wereld (lokacinta) betreft zulke wereldlijke speculatie als: ‘Wie maakte de zon en de maan? Wie maakte de aarde en de oceaan? Wie creëerde levende wezens? Wie maakte de bergen, mango’s, palmen en kokosnoten?”


De Tathagata kent de gevolgen van kamma

Anguttara Nikaya 6.64, Het Leeuwengebrul
(alleen de fragmenten over kamma vertaald)

“Bhikkhu’s, er zijn deze zes krachten van de Tathagata die de Tathagata bezit op grond waarvan hij de plaats van de belangrijkste stier claimt, zijn leeuwengebrul laat horen op bijeenkomsten en het Brahma wiel in beweging zet.
(...)
(2) “Verder, de Tathagata begrijpt het gevolg van het ondernemen van kamma in het verleden, toekomst en heden in termen van mogelijkheden en oorzaken zoals het werkelijk is1424. Aangezien de Tathagata het gevolg begrijpt van het ondernemen van kamma in het verleden, toekomst en heden in termen van mogelijkheden en oorzaken zoals het werkelijk is, is dit ook een kracht die de Tathagata bezit op grond waarvan hij de plaats van de belangrijkste stier claimt, zijn leeuwengebrul laat horen op bijeenkomsten en het brahma wiel in beweging zet”.
(...)
(2) “Als anderen de Tathagata benaderen en hem een vraag stellen met betrekking tot zijn kennis zoals het werkelijk is over de gevolgen van het ondernemen van kamma in het verleden, heden en toekomst in termen van mogelijkheden en oorzaken, dan antwoordt de Tathagata, op deze manier bevraagd, precies zoals hij deze kennis heeft begrepen”.

Noot 1424: Thanaso hetuso. Mp verklaart mogelijkheid (thana) als voorwaarde (paccaya). Vibh. 338-30 (Be§810 ) volgend houdt het dit voor: kennis van de voorwaarden van kamma die een gevolg kunnen geven in verbinding met vier factoren die ofwel diens rijpen kunnen versterken of hinderen; rijk (gati, iemand plaats van wedergeboorte), toe-eigeningen (upadhi, iemands lichaam en geest), tijd (kala) en inspanning (payoga). De oorzaak (hetu) is het kamma zelf.

Ware kennis van het (heen)gaan van wezens overeenkomstig hun kamma

Anguttara Nikaya 3.58 (8}, Tikanna

(...)
“Wanneer zijn geest zo geconcentreerd is (vierde jhana, Siebe), gezuiverd, gereinigd, smetteloos, vrij van bezoedeling, soepel, hanteerbaar, stabiel en onverstoorbaar, richt hij het op de kennis van het heengaan en de wedergeboorte van wezens. Met het goddelijk oog dat gezuiverd is en het menselijke overtreft, ziet hij wezens heengaan en wedergeboren worden, inferieur en superieur, mooi en lelijk, fortuinlijk en onfortuinlijk, en hij begrijpt hoe wezens aldus overeenkomstig hun kamma gaan: ‘Deze wezens die zich inlieten met wangedrag door lichaam, spraak en geest, die de edelen beschimpten, verkeerde visie onderhielden en kamma ondernamen op basis van verkeerde visie, bij het scheiden van het lichaam, na de dood, zijn wedergeboren in de vlakte van ellende, in een slechte bestemming, in de lagere wereld, in hel; maar die wezens zich inlieten met goed gedrag door lichaam, spraak en geest, die de edelen niet beschimpten, die juiste visie onderhielden en kamma ondernamen gebaseerd op juiste visie, bij het scheiden van het lichaam, na de dood, zijn wedergeboren in een goede bestemming, in een hemelse wereld’. Dus met het goddelijk oog, dat gezuiverd is en het menselijke overtreft, ziet hij wezens heengaan en wedergeboren worden, inferieur en superieur, mooi en lelijk, fortuinlijk en onfortuinlijk, en hij begrijpt hoe wezens in overeenstemming met hun kamma gaan.
“Dit is de tweede ware kennis door hem bereikt. Onwetendheid is verdreven, ware kennis is ontstaan; duisternis is verdreven, licht is ontstaan, zoals gebeurt wanneer men aandachtig, volijverig en vastbesloten verblijft”.
(...)

Bemerkingen
Je ziet dus dat kennis van kamma tot de mogelijkheden behoort maar het piekeren of intellectueel proberen te snappen van de precieze gevolgen van kamma, dat leidt alleen maar tot gekte of frustratie. Ik stel me voor dat dit ook verwijst naar het proberen te snappen waarom juist jij ziek wordt, of dit of dat moet meemaken (is het rijpend kamma?). Als je dat niet direct, intuitief weet, breek je je hoofd er over. Dit is misschien wel menselijk maar, zoals de sutta zegt, het kan je gek maken of gefrustreerd. Dus de aansporing zie ik om dit niet te doen.
Ook de soort kennis over kamma die Anguttara Nikaya 3.58 beschrijft, is volgens mij geen intellectuele kennis. Het is eerder een intuitieve, direct schouwende vorm van kennis. De Tathagata kent wel de gevolgen etc. van kamma.

Ik vind zelf dat we het onvoorstelbare karakter van gevolgen van daden ook niet moeten overdrijven. De precieze gevolgen zijn misschien onvoorstelbaar, maar over het algemeen kun je ook prima nagaan wat de gevolgen zijn van wilsactiviteiten van jezelf (en anderen). Iedereen weet toch dat als je jezelf weer eens laat leiden door de wil uit te blinken, te imponeren, een discussie te willen winnen, te willen vergelden o.i.d. je ook van alles over jezelf afroept, aan leed/pijn/situaties etc. Dus de gevolgen van wilsactiviteiten zijn ook weer niet zo duister/onvoorstelbaar maar vaak ook goed merkbaar.

Groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 15-09-2015 10:45
Ik wil mijn grote respect uitspreken voor het vele werk dat u hier verricht. Dank daarvoor, voor ieder die hier aan meewerkt

Hallo,
Bedankt, het doet me deugd dat je het waardeert.
Siebe

Titel: Re: (on)mogelijkheden aangaande kennis over kamma
Bericht door: lord rainbow op 15-09-2015 15:11
Ik heb drie sutta’s geselecteerd die iets beschrijven over de mogelijkheden en onmogelijkheden van kennis over kamma. Anguttara Nikaya 4.77 toont dat kennis van [de precieze] gevolgen van kamma behoort tot de zogenaamde Vier Onvoorstelbare Zaken. De sutta geeft aan dat wanneer je dit wilt proberen te snappen, intellectueel, je ofwel waanzin oogst of frustratie. Het heeft dus geen zin je hoofd er over te breken.

Ik heb sterk de indruk dat dit de kern van het betoog van Ujukarin is...
in deze draad (http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2229.0.html)
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.74
Bericht door: Passievrucht op 16-09-2015 11:18
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands]

Het Verslijten van Oud Kamma en het Niet-Creeeren van Nieuw Kamma
(het principe van zuivering)

Anguttara Nikaya 3.74 (4), De Nigantha

“De Eerwaarde Ananda verbleef eens te Vesali in de hal met het puntdak in het Grote Woud. Toen benaderden de Licchavi Abhaya en de Licchavi Panditakumara de Eerwaarde Ananda, betoonden hem eerbied en gingen aan zijn zijde zitten495. De Licchavi Abhaya zei toen tegen de Eerwaarde Ananda: “Bhante, De Nigantha Nataputta claimt dat hij al-wetend en al-ziend is en al-omvattende kennis en visie heeft, [bewerend]: ‘Wanneer ik wandel, sta, slaap en waak, zijn kennis en visie constant en voortdurend bij me aanwezig’496.
Hij schrijft voor om oud kamma te beëindigen door middel van streng/striktheid en het afbreken van de brug door niet nieuw kamma te creeeren497. Dus, door de vernietiging van kamma wordt lijden vernietigd. Door de vernietiging van lijden wordt gevoel vernietigd. Door de vernietiging van gevoel zal al het lijden worden versleten. Op deze manier vindt het overwinnen [van lijden] plaats door deze op rechtstreekse wijze zichtbare zuivering door verslijten498. Wat zegt de Gezegende hier van?
“Abhaya, deze drie soorten ver/wegslijtende zuivering zijn op de juiste wijze uiteengezet door de Gezegende, de Arahant, de Volmaakt Verlichte die weet en ziet, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van smart en geweeklaag, voor het heengaan van pijn en moedeloosheid, voor de  verwezenlijking van de methode, voor de realisatie van Nibbana. Welke drie?
(1) “Hier, Abhaya, is een bhikkhu deugdzaam, hij verblijft in bedwang gehouden door de Patimokkha, in bezit van goed gedrag en toevlucht, gevaar ziend in de kleinste fout. Na zich met de trainingsregels verbonden te hebben, traint hij ze. Hij creëert geen enkel nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na er steeds weer opnieuw mee in contact te zijn geweest499. Het verslijten is direct zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend om te komen en het te zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te worden ervaren door de wijzen.
(2) “Wanneer, Abhya, deze bhikkhu zo bekwaamd is in deugdzaam gedrag, afgezonderd van zintuiglijke genoegens, afgezonderd van onheilzame staten gaat hij de eerste jhana binnen en verwijlt er in, dat bestaat uit verrukking en plezier geboren uit afzondering, vergezeld van gedachten en onderzoek. Met het bedaren van gedachten en onderzoek gaat hij de tweede jhana binnen en verwijlt er in, dat interne kalmte kent en eenwording van geest en bestaat uit verrukking en plezier geboren uit concentratie, zonder gedachte en onderzoek. Met het eveneens verdwijnen van verrukking verwijlt hij gelijkmoedig en, aandachtig (mindful) en op heldere wijze begrijpend, ervaart hij plezier met het lichaam; hij gaat de derde jhana binnen en verwijlt er in, waarover de edelen verklaren: ‘Hij is gelijkmoedig, aandachtig, iemand die gelukkig verwijlt’. Met het afstand doen van plezier en pijn, en met het al eerder heengaan van vreugde en moedeloosheid; gaat hij de vierde jhana binnen en verwijlt er in, noch pijnlijk noch plezierig, dat zuivering van aandachtigheid heeft door gelijkmoedigheid.
Hij creëert geen nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na er steeds weer opnieuw mee in contact te zijn geweest. Het verslijten is direct zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend om te komen en het te zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te worden ervaren door de wijzen.
(3) “Wanneer, Abhaya, deze bhikkhu zo bekwaamd is in deugdzaam gedrag en concentratie, dan, met het vernietigen van de bezoedelingen (asava’s), realiseert hij voor zichzelf met directe kennis, in ditzelfde leven, de smetteloze bevrijding van geest, bevrijding door wijsheid, en na het te zijn binnengegaan, verwijlt hij er in. Hij creëert geen nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na er steeds weer opnieuw mee in contact te zijn geweest. Het verslijten is direct zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend om te komen en het te zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te worden ervaren door de wijzen500.
“Dit, Abhaya, zijn de drie soorten verslijtende zuivering die op de juiste wijze zijn uiteengezet door de Gezegende, de Arahant, de Volmaakt Verlichte die weet en ziet, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van smart en geweeklaag, voor het heengaan van pijn en moedeloosheid, voor de verwezenlijking van de methode, voor de realisatie van Nibbana.
Toen dit werd gezegd, zei de Licchavi Panditakumara tegen de Licchavi Abhaya: “Waarom, vriend Abhaya, bedank je de Eerwaarde niet voor zijn welgesproken woorden?”
“Hoe, vriend, zou ik de Eerwaarde Ananda niet kunnen bedanken voor zijn welgesproken woorden? Als iemand de Eerwaarde Ananda niet zou bedanken voor deze welgesproken woorden, zou iemands hoofd in tweeën splijten!”

Noot 495: “De Licchavi’s waren de dominante clan in de Vajji republiek, die diens hoofdstad te Vesali had”.
Noot 496: “Voor een satire van Nataputta’s claim op alwetendheid, zie MN76.21-22, II 519, 13-33.
Noot 497: “Mp: Hij verklaart de vernietiging van verzameld kamma door strenge beoefening (ayuhitakammanam) en het huidige niet-verzamelen van enig kamma dat verzameld zou kunnen zijn. De afbraak van de brug (setughatam) is de afbraak/ontmanteling van de factor en de afbraak van de voorwaarde (padaghatam paccayaghatam)”. Vermoedelijk wordt bedoeld de vernietiging van karmische opeenhopingen en hun voorwaarde. SED geeft “band of keten” als betekenissen voor setu, wat hier lijkt te passen.
Noot 498: “Het “weg/verslijten” (nijara) van oud kamma door strenge praktijken is een fundamenteel concept van de Jains”.
Noot 499: “Mp: Hij verzamelt geen nieuw kamma. ‘Oud kamma’ is het kamma verzameld in het verleden. Na er steeds weer mee contact te hebben gemaakt, laat hij het verdwijnen. Dit betekent, na steeds weer opnieuw in aanraking te zijn geweest met het resulterend-contact, vernietigt hij dat kamma”.
Noot 500: “Mp identificeert de drie stadia van het verslijten als de vier edele verwezenlijkingen. De beschrijving van de bhikkhu in het eerste (stadium van) “weg/verslijten” als deugdzaam, duidt volgens Mp op de lagere twee paden en vruchten- die van stroom-intrede en de eenmaal-terugkerende- want van leerlingen op deze stadia wordt gezegd dat ze deugdzaam gedrag hebben vervuld. De beschrijving van de bhikkhu in het tweede (stadium van) “wegslijten” als iemand die de vier jhana bereikt, duidt op de verwezenlijking van het derde pad en vrucht, die van de niet-terugkerende, beschreven als iemand die concentratie vervuld heeft. En de beschrijving in het derde (stadium van) “wegslijten” als iemand die de vernietiging van de bezoedelingen heeft bereikt, duidt op de vrucht van arahantschap, aangezien de arahant wijsheid vervuld heeft. Mp noemt een andere interpretatie die er op neer komt dat alle drie soorten “wegslijten” beschrijvingen zijn van arahantschap, gemaakt vanuit het standpunt van de arahant’s deugdzaamheid, concentratie en wijsheid. Voor de correlatie tussen de drie trainingen en de vier edele verwezenlijkingen, zie AN. 3.86".


Nog wat persoonlijke bemerkingen

Je kunt hier de training zien op de drie gebieden van gedrag, concentratie en wijsheid. De basis van de training is toch deugdzaam gedrag want als je maar onheilzame gewoonten blijft volgen en versterken, roep je toch ook steeds weer de sores over jezelf af. Dus pure moraliteit is de basis. Daarom kan beheersing en disciplinering via geloften nuttig zijn als je van jezelf weet dat je gemakkelijk neigt naar slechte gewoonten. Vanuit mijn ervaring moet je uitgaan van een onbeheersbare situatie. Bepaalde slechte gewoonten zijn jou de baas. Dat is het vertrekpunt. Als het andersom is, heb je geen training nodig.
Verder lijkt me dat de Boeddha hier strenge beoefening/ascese, -kennelijk gewoon bij de Nigantha's-, niet aanbeveelt als middel voor het verslijten van oud-kamma, maar het louter gewaarzijn van het rijpend gevolg.

Gedurende de training zal waarschijnlijk wel oud kamma tot rijping komen. Voorbeeld hoe dit voor mij leeft:
Als je bijvoorbeeld nogal vaak vanuit een bepaalde felheid of venijn of vijandigheid (in de aanval) hebt gereageerd op mensen, op situaties etc., dan is de kans volgens mij groot dat dat zich eens tegen je keert, als het ware, en je zelf die felheid of dat venijn als een soort brandende mentale pijn gaat ervaren. Zelfs (of waarschijnlijk "juist") als je stopt met bepaald (bijvoorbeeld zulk venijnig) onheilzaam gedrag, is het opgeslagen jarenlange gevolg (potentieel) daarvan niet meteen weg. Je hebt iets verzameld/sterk gemaakt en dat wil ook iets, daar zit een bepaald kracht achter. Het kan gaan rijpen. Dus het effect van slechte gewoonten is niet meteen weg als je er mee stopt, maar rijpt (vaak) als ervaringen van leed.

Stel dat nu dat er een venijnig pijnlijk gevoel rijpt in je geest. Nu kun je daar vervolgens ook weer met afkeer/venijn/haat op reageren, niet willen-voelen, weerzin, maar dan komt er geen einde aan. Dan stapelt zich enkel meer venijn op venijn. Het principe achter het verslijten van het oude kamma is volgens mij dat je het (in dit geval een rijpend venijnig gevoel) enkel gewaar bent, dus je bent er mee in contact, dat wel, maar verder ook niet. De teksten spreken over het telkens weer er mee in contact zijn.

Het principe is volgens mij dat dit rijpend pijnlijk gevoel ook eens zal eindigen. Als de brandstof op is, dooft het. En de kunst is dus het ook niet meer van nieuw brandstof te voorzien, door niet opnieuw vanuit haat en hebzucht en begoocheling te reageren erop. Er zijn denk ik ook wel rijpende verschijnsel die, zoals de tekst zegt, ogenblikkelijk kunnen uitdoven, als er volledig gewaarzijn is. Misschien hangt deze capaciteit ook af van iemands staat. Ik heb een beetje persoonlijke ervaring hiermee.

Door wat rijpt als het gevolg van het volgen van jarenlange slechte gewoonten, enkel gewaar te zijn, zonder voorkeur, zonder afkeer, en het kennend als enkel een leeg verschijnsel, niet-zelf, tijdelijk, creëer je ook geen nieuw kamma. Want er is geen reactie vanuit voorkeur/hebzucht, geen reactie vanuit afkeer/haat en er is geen begoocheling in die zin dat er enkel gewaar zijn is.

Dus, alles wat je ervaart, of het nu aangenaam is, zeer aangenaam, onaangenaam, zeer onaangenaam, neutraal, enkel gewaar zijn, louter ervaren. Er is dan sprake van gelijkmoedigheid naar alle verschijnselen die je ervaart. Daarover meer in de volgende post.

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 4.195
Bericht door: Passievrucht op 17-09-2015 11:15
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands]

Het Beëindigen van Oud Kamma en het Niet-Creëeren van Nieuw Kamma
(gelijkmoedigheid m.b.t. alles wat wordt ervaren, zes constante verblijven)

Anguttara Nikaya 4.195 (5), Vappa

“De Gezegende verbleef eens onder de Sakyans te Kapilavatthu in het Vijgenboom Park. Toen benaderde Vappa de Sakya, een leerling van de Niganthas, de Eerwaarde Mahamoggallana, betoonde hem eerbied en ging aan zijn zijde zitten. Toen zei de Eerwaarde Mahamoggallana tegen hem: "Hier, Vappa, als iemand lichaam, spraak en geest in bedwang heeft, met het verdwijnen van onwetendheid en het ontstaan van ware kennis, zie je dan iets op basis waarvan bezoedelingen die pijnlijk gevoel kunnen voortbrengen  bij zo’n persoon zouden kunnen ontstaan (let. bij hem kunnen binnenstromen, Siebe) in toekomstige levens?"
“Ik zie zo’n mogelijkheid, Bhante. In het verleden deed men een slechte daad wiens gevolg nog niet gerijpt is. Op die basis zouden bezoedelingen die pijnlijk gevoel kunnen voortbrengen in zo’n persoon kunnen ontstaan in enig volgend leven”918.
Terwijl dit gesprek tussen de Eerwaarde Mahamoggallana en Vappa de Sakya gaande was, kwam de Gezegende in de avond te voorschijn uit afzondering en ging naar de publieke hal. Hij ging op de aan hem toegewezen zetel zitten en zei tegen de Eerwaarde Mahamoggallana: “Moggallana, wat waren jullie nu net aan het bespreken? En wat hebben jullie al besproken?”
[De Eerwaarde Mahamoggallana doet hier verslag van het complete gesprek met Vappa de Sakya, concluderend:]
“Dit, Bhante, was het gesprek dat ik had met Vappa de Sakya toen de Gezegende arriveerde”
Toen zei de Gezegende tegen Vappa de Sakya: “Als, Vappa, je zou toegeven wat toegegeven zou moeten worden, en verwerpt wat verworpen zou moeten worden; en als je, wanneer je de betekenis van mijn woorden niet begrijpt, me verder zou bevragen, zeggend: “Hoe zit dit Bhante? Wat is hiervan de betekenis?’; dan zouden we dit kunnen  bespreken”.
“Bhante, ik zal aan de Gezegende toegeven wat toegegeven moet worden, en verwerpen  wat verworpen moet worden; en wanneer ik de betekenis van zijn woorden niet begrijp, zal ik hem daarover verder bevragen, zeggend: “Hoe zit dit Bhante? Wat is hiervan de betekenis?’ Dus laten we dit bespreken”.
(1) “Wat denk je, Vappa? Die bezoedelingen, verontrustend, koortsachtig die zouden kunnen ontstaan vanwege lichamelijke ondernemingen, doen zich niet voor wanneer men zich hiervan onthoudt. Hij creëert geen enkel nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na steeds weer opnieuw contact er mee te hebben gemaakt919. Het verslijten is op rechtstreekse wijze zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en te zien, toepasbaar, door de wijzen persoonlijk te worden ervaren. Zie je iets, Vappa, op basis waarvan bezoedelingen die pijnlijke gevoelens kunnen voorbrengen in zo’n persoon zouden kunnen ontstaan in toekomstige levens?”
“Nee, Bhante”.
(2) “Wat denk je, Vappa? Die bezoedelingen, verontrustend, koortsachtig die zouden kunnen ontstaan vanwege verbale ondernemingen, doen zich niet voor wanneer men zich hiervan onthoudt. Hij creëert geen enkel nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na steeds weer opnieuw contact er mee te hebben gemaakt. Het verslijten is op rechtstreekse wijze zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en te zien, toepasbaar, door de wijzen persoonlijk te worden ervaren. Zie je iets, Vappa, op basis waarvan bezoedelingen die pijnlijke gevoelens kunnen voorbrengen in zo’n persoon zouden kunnen ontstaan in toekomstige levens?”
“Nee, Bhante”.
(3) “Wat denk je, Vappa? Die bezoedelingen, verontrustend, koortsachtig die zouden kunnen ontstaan vanwege mentale ondernemingen, doen zich niet voor wanneer men zich hiervan onthoudt. Hij creëert geen enkel nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na steeds weer opnieuw contact er mee te hebben gemaakt. Het verslijten is op rechtstreekse wijze zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en te zien, toepasbaar, door de wijzen persoonlijk te worden ervaren. Zie je iets, Vappa, op basis waarvan bezoedelingen die pijnlijke gevoelens kunnen voorbrengen in zo’n persoon zouden kunnen ontstaan in toekomstige levens?”
“Nee, Bhante”
(4) "Wat denk je, Vappa? Met het verdwijnen van onwetendheid en het ontstaan van ware kennis doen die bezoedelingen, verontrustend en koortsachtig, die op voorwaarde van onwetendheid bestaan zich niet langer voor. Hij creëert geen enkel nieuw kamma en hij beëindigt het oude kamma na steeds weer opnieuw contact er mee te hebben gemaakt. Het verslijten is op rechtstreekse wijze zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en te zien, toepasbaar, door de wijzen persoonlijk te worden ervaren. Zie je iets, Vappa, op basis waarvan bezoedelingen die pijnlijke gevoelens kunnen voorbrengen in zo’n persoon zouden kunnen ontstaan in toekomstige levens?”
“Nee, Bhante”.
“Een bhikkhu, aldus op volmaakte wijze bevrijd in geest, Vappa, verwezenlijkt zes constante verblijven. Na een vorm gezien te hebben met het oog, is hij noch vreugdevol noch bedroefd, maar verwijlt gelijkmoedig, aandachtig en op heldere wijze begrijpend920. Na een geluid met het oor gehoord te hebben...Na een geur met de neus geroken te hebben...Na een smaak met de tong ervaren te hebben...Na een tactiel object met het lichaam gevoeld te hebben...Na een mentaal verschijnsel bewust te zijn geworden met de geest, is hij noch vreugdevol noch bedroefd, maar verwijlt gelijkmoedig, aandachtig en op heldere wijze begrijpend.
“Wanneer hij een gevoel ervaart die met het lichaam eindigt, begrijpt hij: ‘ik voel een gevoel die met het lichaam eindigt’. Wanneer hij een gevoel voelt dat eindigt met het leven’, begrijpt hij: ‘ik voel een gevoel dat eindigt met het leven’. Hij begrijpt: ‘Bij het scheiden van het lichaam, de uitputting van het leven volgend, zal alles wat gevoeld wordt, precies daar bekoelen (let. koel worden)921.
“Stel, Vappa, een schaduw wordt gezien op basis van de aanwezigheid van een boomstronk. Daarna zou er een man komen die een schep en emmer meebrengt. Hij zou de stronk aan de voet afhakken, het uitgraven en de wortels er uittrekken, zelfs de fijnere wortels en de wortelharen. Hij zou de stronk in stukken hakken, de stukken splijten en ze tot spaanders reduceren. Daarna zou hij de spaanders in de zon en wind drogen, ze in een vuur verbranden en ze tot as terugbrengen. Na dat zo gedaan te hebben, zou hij de as in een sterk wind strooien of het laten meevoeren door de sterke stroming van een rivier. Dus de schaduw die afhankelijk van die boomstronk bestond, zou bij de wortel zijn afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palm, uitgewist zodat het in de toekomst niet meer zal kunnen ontstaan922.
“Zo ook, Vappa, verwezenlijkt een bhikkhu op volmaakte wijze bevrijd in geest, zes constante verblijven. Na een vorm gezien te hebben met het oog...Na een geluid met het oor gehoord te hebben...Na een geur met de neus geroken te hebben...Na een smaak met de tong ervaren te hebben...Na een tactiel object met het lichaam gevoeld te hebben...Na een mentaal verschijnsel bewust te zijn geworden met de geest, is hij noch vreugdevol noch bedroefd, maar verwijlt gelijkmoedig, aandachtig en op heldere wijze begrijpend.
Wanneer hij een gevoel ervaart die met het lichaam eindigt, begrijpt hij: ‘ik voel een gevoel die met het lichaam eindigt’. Wanneer hij een gevoel voelt dat eindigt met het leven’, begrijpt hij: ‘ik voel een gevoel dat eindigt met het leven’. Hij begrijpt: ‘Bij het scheiden van het lichaam, de uitputting van het leven volgend, zal alles wat gevoeld wordt, precies daar bekoelen’” .
Toen dit was gezegd zei Vappa de Sakya, een leerling van de Niganthas, tegen de Gezegende: “Stel, Bhante, er was een man die paarden fokte voor de verkoop, op zoek naar winst, maar hij zou geen winst behalen en in plaats daarvan alleen maar vermoeienis en stress oogsten. Net zo nam ik, op zoek naar winst mijn toevlucht tot de Niganthas, maar ik behaalde geen winst en in plaats daarvan oogste ik alleen vermoeienis en stress. Vanaf vandaag strooi ik, welk vertrouwen ik ook had in de dwaze Niganthas in een sterke wind of laat het meevoeren door de stroming van een rivier.
“Uitstekend, Bhante!.....Laat de Gezegende mij beschouwen als een leken volgeling die vanaf vandaag toevlucht heeft genomen voor de rest van zijn leven”.

Noot 918: “Dit schijnt een leerstelling van de Jains te zijn geweest, die door de praktijk van zelf-kwelling er naar zochten om vroeger (gemaakt) kamma te vernietigen. Zie de les gegeven door Nattaputta (Mahavira) in AN3.74”.
Noot 919: “Mp: Na steeds opnieuw in aanraking te zijn geweest met het kamma door contact met kennis, vernietigt hij het kamma dat geëlimineerd moet worden door kennis. Na steeds weer opnieuw het in aanraking te zijn geweest met het gevolg door resulterend-contact, vernietigt hij het kamma dat moet worden geëlimineerd door [het ervaren van] het gevolg”
Noot 920: “Mp: ‘Omdat hij gelijkmoedigheid heeft verworven, dat ook omvat wordt door aandachtigheid (mindfulness) en helder begrip en mentale balans als diens kenmerk heeft, ‘verwijlt hij gelijkmoedig’, mentaal in balans in relatie tot die objecten’”.
Noot 921: “Dit toont de houding van de arahant met betrekking tot huidige ervaringen. Hij weet dat zijn gevoelens alleen voortduren zolang het lichaam en de vitaliteit voortduren, en dat met het sterven van het lichaam en de vernietiging van vitaliteit alle gevoelens tot een einde komen. Mp verklaart “zullen precies daar bekoelen” (idh'eva sitibhavissanti)” zo: “Ze zullen bekoelen (let. Koel worden); verstoken van de verstoring en moeilijkheden veroorzaakt door het zich voordoen [van het levensproces]; ze zullen nooit meer terugkomen. [Dit vind] precies hier [plaats], zonder dat hij elders heen gaat door middel van wedergeboorte”.
Noot 922: Mp: “Hier is de toepassing van het voorbeeld: Het lichaam moet gezien worden als de boom. Heilzaam en onheilzaam kamma zijn als de schaduw die afhankelijk is van de boom. De mediteerder is als de man die de schaduw wil verwijderen; wijsheid is als de schep; concentratie is als de emmer; inzicht is als de pikhouweel (khanitti, niet genoemd in de sutta; DOP definieert zowel kuddala en khanitti als gereedschap om mee te graven, een spade, tuinschep). De tijd van het opgraven van de wortels met de schep, is als tijd om onwetendheid te doorsnijden met het pad van arahantschap. De tijd van het reduceren van de boomstronk tot stukken, als de tijd van het zien van de aggregaten; de tijd van het splijten van de stukken is als de tijd van het zien van de zintuigbases; de tijd van het reduceren van de stukken tot spaanders is als de tijd van het zien van de elementen. De tijd van het drogen van de spaanders in de wind en zon, is als het toepassen van lichamelijke en mentale energie. De tijd van het verbranden van de spaanders in een vuur, is als de tijd van het verbranden van de bezoedelingen met kennis. De tijd van het reduceren van de spaanders tot as, is als de tijd dat de vijf aggregaten zich nog altijd voordoen [nadat men arahantschap heeft bereikt]. De tijd van het strooien van de as in een sterke wind en ze laten meevoeren door de stroming, is als de beëindiging van de vijf aggregaten, die bij de wortel zijn afgesneden met geen verdere wedergeboorte. Zoals de verstrooide en meegevoerde as naar de niet te onderscheiden staat (apannattibhavupagamo) gaan, zo dient men de niet te onderscheiden staat (appannattibhavo) te begrijpen die bereikt wordt door het niet-ontstaan van resulterende aggregaten in hernieuwd bestaan”.


Opmerking
Zie ook Anguttara Nikaya 3.74, eerder gepost.

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.100
Bericht door: Passievrucht op 18-09-2015 10:58
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands]

Het spirituele leven is onmogelijk als iemand het (rijpend) kamma op precies dezelfde wijze moet ervaren als het gecreëerd is. Het beëindigen van lijden zou onmogelijk zijn.

(kamma boekhouding?)

Anguttara Nikaya 3.100 (9), Een Klont Zout

“Bhikkhu’s, als men het zo zou zeggen: ‘Een persoon ervaart kamma op precies dezelfde wijze als hij het gecreëerd heeft’, dan kan men in zo’n geval geen spiritueel leven leiden, en er zou geen mogelijkheid gezien worden voor het volledig beëindigen van lijden546. Maar als men het zo zou zeggen: ‘Wanneer een persoon kamma creëert dat moet worden ervaren op een bepaalde manier, ervaart hij het gevolg op precies die manier’, dan is in zo’n geval het leiden van een spirituele leven mogelijk547.
“Hier, bhikkhu’s, heeft een persoon onbeduidend/nietig slecht kamma gecreëerd, toch leidt het hem naar de hel, terwijl een ander persoon hier precies hetzelfde onbeduidende kamma heeft gecreëerd, niettemin wordt het ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, minder overvloedig [residu].
“Wat voor soort persoon creëert onbeduidend kamma dat hem naar de hel leidt? Hier is een persoon onontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid; hij is beperkt en heeft een gemeen/laag karakter548 en hij verwijlt in lijden549. Wanneer zo’n persoon onbeduidend kamma creëert leidt hem dat naar de hel.
“Wat voor soort persoon creëert precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma en niettemin wordt het ervaren in ditzelfde leven, zonder zelfs maar een gering [residu/saldo] te zien, minder overvloedig [residu]? Hier is een persoon ontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Hij is ongelimiteerd en heeft een hoogstaand karakter en hij verwijlt zonder beperking550 (let. zonder meting, Siebe). Wanneer zo’n persoon precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma creëert,  wordt dit ervaren in ditzelfde leven, zonder zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, minder overvloedig [residu]551.
(1) “Stel dat een man een klont zout zou laten vallen in een kleine kom met water. Wat denken jullie bhikkhu’s? Zou die klont zout de kleine hoeveelheid water in de kom zout en ondrinkbaar maken?
“Ja, Bhante. Om welke reden? Omdat het water in de kom beperkt is, dus die klont zout zou het water zout maken en ondrinkbaar”.
“Maar stel dat een man een klont zout in de rivier de Ganges zou laten vallen. Wat denken jullie bhikkhu’s? Zou die klont zout de rivier Ganges zout en ondrinkbaar maken?”
“Nee, Bhante. Om welke reden? Omdat de rivier de Ganges een grote hoeveelheid water bevat, dus die klont zout zou het niet zout en ondrinkbaar maken”.
“Zo ook, bhikkhu’s, heeft hier een persoon onbeduidend slecht kamma gecreëerd, toch leidt het hem naar de hel, terwijl een ander persoon hier precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma heeft gecreëerd, niettemin wordt dat ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, veel minder overvloedig [residu].
“Wat voor soort persoon creëert onbeduidend slecht kamma dat hem naar de hel leidt? Hier is een bepaalde persoon onontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Wanneer zo’n persoon een onbeduidend slecht kamma creëert, leidt dat hem naar de hel
“Welke soort persoon creëert precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma en wordt niettemin ervaren in ditzelfde leven, zonder zelfs maar een gering [residu/saldo] te zien, nog veel minder een overvloedig [residu]? Hier is een bepaald persoon ontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Wanneer zo’n persoon precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma heeft gecreëerd, wordt het ervaren in ditzelfde leven, zonder zelfs maar een gering [residu] te zien, veel minder overvloedig [residu].
(2) "Hier, bhikkhu’s, is iemand gevangen gezet voor [het stelen] van een halve kahapana, een kahapana, of honderd kahapana’s553, terwijl iemand anders niet gevangen wordt gezet voor [het stelen] van dezelfde hoeveelheid geld.
“Welk soort persoon wordt gevangen gezet voor [het stelen] van een halve kahapana, een kahapana, of honderd kahapana’s? Hier is iemand arm, met weinig bezit en rijkdom. Zo’n persoon wordt gevangen gezet voor [het stelen] van een halve kahapana, een kahapana, of honderd kahapana’s.
“Wat voor soort persoon wordt niet gevangen gezet voor [het stelen] van een halve kahapana, een kahapana, of honderd kahapana’s? Hier is iemand rijk, met veel geld en rijkdom. Zo’n persoon wordt niet gevangen gezet voor [het stelen] van een halve kahapana, een kahapana, of  honderd kahapana’s.
“Zo ook, bhikkhu’s, heeft een persoon onbeduidend slecht kamma gecreëerd, toch leidt het hem naar de hel, terwijl een ander persoon hier precies hetzelfde onbeduidende kamma heeft gecreëerd, niettemin wordt dat ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien,  veel minder overvloedig [residu].
“Welk soort persoon creëert onbeduidend slecht kamma dat hem naar de hel leidt? Hier is een persoon onontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Wanneer zo’n persoon een onbeduidend slecht kamma creëert leidt dat hem in de hel
“Welke soort persoon creëert precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma en wordt het niettemin ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu/saldo] wordt gezien, veel minder een overvloedig [residu]?  Hier is een persoon ontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Wanneer zo’n persoon precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma heeft gecreëerd, wordt het ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, veel minder overvloedig [residu].
“Bhikkhu’s, neem het geval van een schapenhandelaar of een slager die iemand kan doden, gevangen kan zetten, beboeten, of anderszins iemand kan straffen die een van zijn schapen gestolen heeft, maar dat niet bij kan doen bij iemand anders die zijn schaap gestolen heeft.
“Wat voor soort persoon554 kan de schapenhandelaar of slager doden, gevangen zetten, beboeten of anderszins straffen voor het stelen van een schaap? Iemand die arm is, met weinig bezit en rijkdom. De schapen handelaar of slager kunnen zo’n persoon doden, gevangen zetten, beboeten of anderszins straffen voor het stelen van een schaap.
“Wat voor soort persoon kan de schapenhandelaar of slager niet doden, gevangen zetten, beboeten of anderszins straffen voor het stelen van een schaap? Iemand die rijk is, met veel geld en rijkdom, een koning of een koninklijke minister. De schapenhandelaar of slager kunnen zo’n persoon niet doden, gevangen zetten, beboeten of anderszins straffen voor het stelen van een schaap.
“Zo ook, bhikkhu’s, heeft een bepaald persoon onbeduidend slecht kamma gecreëerd, toch leidt het hem naar de hel, terwijl een ander persoon hier precies hetzelfde onbeduidende kamma heeft gecreëerd, niettemin wordt dat ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, veel minder overvloedig [residu].
“Wat soort persoon creëert onbeduidend slecht kamma dat hem naar de hel leidt? Hier is een persoon onontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid; hij is beperkt en heeft een gemeen/laag karakter en hij verwijlt in lijden. Wanneer zo’n persoon onbeduidend slecht kamma heeft gecreëerd leidt hem dat in naar de hel.
“Wat voor soort persoon creëert precies hetzelfde onbeduidende slechte kamma en niettemin wordt het ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu/saldo] wordt gezien, een veel minder overvloedig [residu]? Hier is een persoon ontwikkeld in lichaam, deugdzaam gedrag, geest en wijsheid. Hij is ongelimiteerd en heeft een hoogstaand karakter en hij verwijlt zonder beperking. Wanneer zo’n persoon precies hetzelfde onbeduidend slechte kamma heeft gecreëerd, wordt dit ervaren in ditzelfde leven, zonder dat zelfs maar een gering [residu] wordt gezien, veel minder overvloedig [residu].
“Als, bhikkhu’s, men het zo zou zeggen: ‘Een persoon ervaart kamma op precies dezelfde wijze als hij het gecreëerd heeft’, dan kan men in zo’n geval geen spiritueel leven leiden en er zou geen mogelijkheid gezien worden voor het volledig beëindigen van lijden. Maar als men het zo zou zeggen: ‘Wanneer een persoon kamma creëert dat moet worden ervaren op een bepaalde manier, ervaart hij het gevolg op precies die manier’, is in zo’n geval het leiden van een spirituele leven mogelijk en een kans wordt gezien om volledig een einde te maken aan lijden”.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Noot 546:... “Het exacte verschil tussen de twee posities is niet zelf-evident. Mp verklaart als uitleg: “Op precies dezelfde wijze: Als men zegt, ‘Men ervaart het gevolg van kamma op precies dezelfde manier als men het gecreëerd heeft’, aangezien het dan niet mogelijk is om het gevolg te voorkomen van kamma dat eens gedaan is, zou men zeker het gevolg ervaren van welk kamma men dan ook gecreëerd heeft. In zo’n geval kan men het spirituele leven niet leiden: kamma te ervaren bij wedergeboorte, gedaan vóór de ontwikkeling van het pad, zou noodzakelijkerwijs ervaren moeten worden, of men nu wel of niet het spirituele leven geleid heeft. Er zou geen kans worden gezien om volledig een einde te maken aan lijden: aangezien er in zo’n geval het verzamelen van kamma door jezelf is en het ervaren van diens gevolg, daarom zou er dan ook geen kans worden gezien om een einde te maken aan het lijden van de rondgang (in samsara, Siebe).” Het punt dat Mp probeert te maken, lijkt het, is dat als men het gevolg moet ervaren van elk kamma dat men gecreëerd heeft van het type dat wordt ervaren bij wedergeboorte, en van elk kamma dat men gecreëerd heeft van het type dat wordt ervaren in enig leven na het volgende, dan zou men moeten doorgaan in de volgende wedergeboorte, en in oneindige toekomstige wedergeboorten, om deze gevolgen te ervaren. Omdat die kamma’s bestemd zijn te rijpen, moet men in zo’n geval voor eeuwig in samsara blijven om hun vruchten te ervaren. Het is echter uit de sutta helemaal niet duidelijk dat dit de bedoelde betekenis is. Het lijkt veeleer dat de sutta zegt dat men niet het gevolg van kamma hoeft te ervaren op precies dezelfde manier als men het gecreëerd heeft (zodat, als voorbeeld, als men iemand vermoord heeft, men niet ook op zijn beurt vermoord zou worden). Het punt is dan dat wanneer iemands heilzame en onheilzame kamma’s rijpen, ze zullen moeten worden ervaren als, respectievelijk, plezierig en als pijnlijk, hoewel de mate van het plezier en de pijn niet overeen behoeft te komen met de morele kracht van de oorspronkelijke activiteit”.
Noot 547: “Mp verklaart dit in termen van de Abhidhamma theorie dat kamma wordt gecreëerd door de zeven javanacittas, de karmisch actieve mentale gebeurtenissen in een cognitief proces. De eerste javana is van het soort dat wordt ervaren in dit huidige leven (ditthadhammavedaniya); als het de kans mist om in dit leven te rijpen, wordt het disfunctioneel (ahosi). De zevende javana wordt ervaren na de wedergeboorte in het volgende leven (upapajjavedaniya), en als het de kans mist om in dat leven te rijpen, wordt het disfunctioneel. De middelste vijf javanas moeten worden ervaren bij een daarop volgende gelegenheid (aparapariyayavedaniya), wat betekent dat ze elk moment kunnen rijpen na het volgende leven zolang men in samsara blijft. Aangezien deze theorie lang na de Nikaya’s ontstond, is het onwaarschijnlijk dat het de bedoeling van de huidige passage aangeeft. Zoals ik in noot 546 uitlegde, lijkt de tekst eenvoudigweg te zeggen dat wanneer men onheilzaam kamma creëert, men het gevolg als pijnlijk zal ervaren, ofwel in sterke mate ofwel in zwakke mate, maar de mate van het gevolg, kan niet op een starre manier gecorreleerd worden aan de ernst van de oorspronkelijke daad. Het omgekeerde geldt voor heilzaam kamma, dat ervaren wordt als plezierig. Het is deze variabiliteit die iemand in staat stelt, door het ontwikkelen van het pad, om de consequenties van ernstig onheilzaam kamma te overwinnen en daardoor het einde van lijden in samsara te bereiken. Deze interpretatie lijkt ondersteund te worden door de voorbeelden gegeven in de sutta.
De Chinese variant, MA11 (bij T I 433a12-434a11) maakt geen duidelijk onderscheid tussen de twee tegengestelde posities. Ik lees het zo: “De Boeddha vertelde de bhikkhu’s: [als men zegt] “Men ontvangt het gevolg van kamma overeenkomstig de manier waarop het door een persoon is gedaan”- beoefent men in dit geval niet het spirituele leven en is niet in staat lijden de beëindigen. Als men zegt: “Men ontvangt het gevolg van kamma overeenkomstig de manier waarop het gedaan is door een persoon”-dan beoefent men in dit geval het spirituele leven en is in staat lijden te beëindigen. [knip Chinese tekst hiervan, Siebe]. Ofwel is hier sprake van een fout in het overbrengen van de tekst, of het punt in deze versie is dat, van twee mensen die dezelfde visie onderhouden van kamma, iemand niet beoefent en dus geen einde maakt aan lijden, terwijl de ander wel beoefent en een einde aan lijden maakt”.
Noot 548 : Paritto appatumo. Mp verklaart: “Hij is beperkt door de beperkingen van zijn verdiensten (parittaguno). Zijn zelf (atuma) is zijn lichaam (attabhavo); hoewel zijn lichaam groot kan zijn, heeft hij een ‘laag karakter’, vanwege de beperkingen van zijn verdiensten”. Atuma(n) is een alternatieve vorm van atta(n) (Skt. Atman). Mp identificeert het met attabhava. De Chinese versie leest de overeenkomende zin als volgt: “zijn levensduur is erg kort”.
Noot 550: Aparitto mahatta (Be: mahatto). Mp (Ce): “Hij is ongelimiteerd omdat zijn verdiensten niet beperkt zijn; zelfs wanneer zijn lichaam klein is, heeft hij een ‘groots karakter’ vanwege de grootheid van zijn verdiensten”. (Gunamahantataya mahatta). Mp verklaart dat al deze termen impliceren dat de persoon die wordt beschreven een arahant is, hetgeen raadselachtig is, aangezien volgens de Abhidhamma filosofie die de commentaren steunt, een arahant helemaal geen enkel kamma creëert. Wederom, de Chinese parallel (bij T I 433b11) interpreteert dit door middel van de levensduur: “hij heeft een extreem lange levensduur”.
Noot 551: “Dat is, een residu te worden ervaren in volgende levens.
Noot 553: ”Kahapana: de belangrijkste valuta gebruikt in Noord-India gedurende de tijd van de Boeddha”.


Persoonlijk bemerkingen

Het voorbeeld van het zout en de hoeveelheid water vind ik wel duidelijk. Iemand kan veel verdienste hebben verzameld, veel kwaliteiten belichamen zoals liefdevolle vriendelijkheid, mededogen en wijsheid. Als zo iemand dan toch een onbeduidende slechte daad begaat, valt dat (bij zichzelf) als het ware in hele andere aarde dan bij iemand die niet zulke kwaliteiten bezit en eerder een gemeen, laaghartig karakter heeft. De daad kan hetzelfde zijn maar omdat het in hele andere aarde valt, als het ware, is het (rijpend) gevolg van die negatieve daad niet hetzelfde.

Een ander illustratief voorbeeld zou Angulimala kunnen zijn. Er wordt gezegd dat hij 999 mensen had vermoord voordat hij zich bekeerde. Zou kamma nu op exact dezelfde manier ervaren worden als het gecreëerd is, dan zou hij eerst, volgens de boekhouding, zelf ook 999 keer vermoord moeten worden. Dat gebeurde niet. Angulimala bereikte arahantschap. Het spirituele leven en de beëindiging van lijden, zou onmogelijk zijn wanneer kamma een soort exacte boekhoudkundige zaak zou zijn, lijkt deze sutta te willen benadrukken.

Groet,
Siebe



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 10.217
Bericht door: Passievrucht op 19-09-2015 11:14
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta's en/of fragmenten door mij vertaald in Nederlands. Waar "..." in de tekst staan, herhaalt deze zich als eerder]

Er is geen beëindiging van lijden zo lang men niet de gevolgen heeft ervaren van gewild kamma dat gedaan en verzameld is.


tien onheilzame vormen van wilsactiviteit en gedrag én tien heilzame vormen van wilsactiviteit en gedrag

Anguttara Nikaya 10.217 (7), Gewild/intentioneel* (1)

“Bhikkhu’s, ik zeg niet dat er een beëindiging van gewild kamma is dat gedaan en verzameld is2180, zo lang men [diens gevolgen] niet heeft ervaren, en dat kan in ditzelfde leven zijn, of een [volgende] wedergeboorte, of bij een daarop volgende gelegenheid. Maar ik zeg niet dat er een beëindiging van lijden is zo lang men niet [de gevolgen van] gewild kamma dat gedaan en verzameld is, heeft ervaren2181.
“Wat dit betreft, bhikkhu’s, is er een drievoudige verdorvenheid en ontaarding/falen/fout (verder vertaald als “ontaarding”, Siebe) van lichamelijk kamma2182, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg; een viervoudige verdorvenheid en ontaarding van verbaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg; en een drievoudige verdorvenheid en ontaarding van mentaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg;
“En hoe, bhikkhus, is er een drievoudige verdorvenheid en ontaarding van lichamelijk kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg?
(1) “Hier vernietigt iemand leven. Hij is moordzuchtig, heeft bloed aan de handen, geeft zich over aan slaan en geweld, genadeloos naar levende wezens.
(2) “Hij neemt wat niet gegeven is. Hij steelt de rijkdom en het bezit van anderen in de dorpen of het bos.
(3) “Hij geeft zich over aan seksueel wangedrag. Hij heeft seksuele relaties met vrouwen die nog onder de bescherming staan van hun moeder, vader, moeder en vader, broer, zuster of familieleden; die beschermt zijn door hun Dhamma; die een man hebben; wiens overtreding een straf met zich meebrengt; of zelfs met iemand die al verloofd is.
Het is op deze manier dat er er een drievoudige verdorvenheid en ontaarding van lichamelijk kamma is, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg.
“En hoe, bhikkhu’s, er een viervoudige verdorvenheid en ontaarding van verbaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg?
(4) “Hier spreekt iemand vals. Als hij wordt opgeroepen voor een raad te verschijnen, voor een bijeenkomst, voor de aanwezigheid van zijn familieleden, voor zijn vereniging, of voor het gerecht, en zo als een getuige ondervraagd: ‘Zo, goede man vertel wat je weet’, dan niet wetend zegt hij, ’Ik weet’, of wetend, zegt hij, ‘Ik weet het niet’;  niet ziend zegt hij, ‘Ik zie’, of ziend zegt hij, “Ik zie het niet’. Dus hij liegt doelbewust in zijn eigen belang, of voor andermans belang, of voor enig onbeduidend wereldlijk doel.
(5) “Hij zaait met zijn spraak verdeeldheid. Na hier iets gehoord te hebben, herhaalt hij dat elders om [die mensen] tegen deze [mensen] op te zetten; of na elders iets gehoord te hebben, herhaalt hij het aan deze mensen om [hen] tegen die [mensen] op te zetten. Dus hij is iemand die mensen verdeelt die verenigd zijn, een verdeeldheid zaaier, iemand die geniet van kliekjes vormen, blij is met kliekjes vormen,  zich verheugt in kliekjes vormen, een spreker van woorden die kliekjes creëeren.
(6) “Hij spreekt op ruwe wijze. Hij spreekt woorden die ruw zijn, hard, kwetsend voor anderen, beledigend voor anderen, grenzend aan woede, niet bevorderlijk voor concentratie.
(7) “Hij geeft zich over aan zinloos geklets. Hij spreekt op een ongepast moment, spreekt op valse wijze, vertelt wat onvoordelig is, spreekt tegengesteld aan de Dhamma en de leer; op een ongepast moment spreekt hij zulke woorden die waardeloos zijn, onredelijk, onsamenhangend en onvoordelig.
“Op deze manier is er een viervoudige verdorvenheid en ontaarding van verbaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg.
“En hoe, bhikkhu’s, is er een drievoudige verdorvenheid en ontaarding van mentaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg?
(8} “Hier is iemand vol verlangen. Hij verlangt aldus naar de rijkdom en het bezit van anderen: “Oh, mag wat aan een ander toebehoort van mij zijn!”
(9) “Hij heeft aldus een geest van kwade wil en intenties: “Moge deze wezens geslagen worden, geslacht, afgeslacht, vernietigd of uitgeroeid!”. 
(10) “Hij onderhoudt aldus verkeerde visie en een onjuist perspectief: ‘Er is niets gegeven, niets geofferd, niets aangeboden; er is geen vrucht of gevolg van goede en slechte activiteiten; er is niet deze wereld noch een andere wereld; er is geen moeder, geen vader; er zijn geen spontaan wedergeboren wezens; er zijn in de wereld geen asceten of brahmanen met juist gedrag en juiste beoefening die, na zelf deze wereld en de andere wereld door directe kennis te hebben gerealiseerd, ze bekend maken aan anderen’.
“Het is op deze manier dat er een drievoudige verdorvenheid en ontaarding van mentaal kamma is, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, met een pijnlijke uitkomst en gevolg.
“Het is, bhikkhu’s, vanwege de drievoudige verdorvenheid en ontaarding van lichamelijk kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden in de vlakte van ellende, in een slechte bestemming, in de lagere wereld, in de hel; of het is vanwege de viervoudige verdorvenheid en ontaarding van verbaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden in de vlakte van ellende, in een slechte bestemming, in de lagere wereld, in de hel, of het is vanwege de
drievoudige verdorvenheid en ontaarding van mentaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden in de vlakte van ellende, in een slechte bestemming, in de lagere wereld, in de hel. Net zoals dobbelstenen, wanneer ze omhoog geworpen worden, stevig komen te liggen waar ze dan ook vallen2183, zo is het ook vanwege de drievoudige verdorvenheid en ontaarding van lichamelijk kamma...of het is vanwege de viervoudige verdorvenheid en ontaarding van verbaal kamma...of het is vanwege de
drievoudige verdorvenheid en ontaarding van mentaal kamma, ontstaan vanuit onheilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden in de vlakte van ellende, in een slechte bestemming, in de lagere wereld, in de hel.
“Bhikkhu’s, ik zeg niet dat er een beëindiging is van gewild kamma dat gedaan en verzameld is, zo lang men [diens gevolgen] niet heeft ervaren, en dat kan in ditzelfde leven zijn, of een [volgende] wedergeboorte, of bij een daarop volgende gelegenheid. Maar ik zeg niet dat er een beëindiging van lijden is zolang men niet [de gevolgen van] gewild kamma dat gedaan en verzameld is, heeft ervaren.
“Wat dit betreft, bhikkhu’s, is er een drievoudig succes van lichamelijk kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit, met een plezierige uitkomst en gevolg.
“En hoe, bhikkhu’s, is er een drievoudig succes van lichamelijk kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit met een plezierige uitkomst en gevolg?
(1) “ Na afstand te hebben gedaan van de vernietiging van leven, onthoudt iemand zich hier van de vernietiging van leven. Met de roede en het wapen weggelegd, gewetensvol en vriendelijk, verblijft hij mededogend naar alle levende wezens.
(2) “Na afstand te hebben gedaan van het nemen wat niet gegeven is, onthoudt hij zich van het nemen van wat niet gegeven is. Hij steelt niet de rijkdom en het bezit van anderen in het dorp of in het bos.
(3) “Na afstand te hebben gedaan van seksueel wangedrag, onthoudt hij zich van seksueel wangedrag. Hij heeft geen seksuele relaties met vrouwen die nog onder de bescherming staan van hun moeder, vader, moeder en vader, broer, zuster of familieleden; die beschermt zijn door hun Dhamma; die een man hebben; wiens overtreding een straf met zich meebrengt; of zelfs met iemand die al verloofd is.
“Het is op deze manier dat er een drievoudig succes van lichamelijk kamma is, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit en met een plezierige uitkomst en gevolg.
“En hoe, bhikkhu’s, is er een viervoudig succes van verbaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit met een plezierig uitkomst en gevolg?
(4) “Na afstand te hebben gedaan van valse spraak, onthoudt iemand zich hier van valse spraak. Als hij opgeroepen wordt voor een raad te verschijnen, op een bijeenkomst, voor de aanwezigheid bij zijn familieleden, voor zijn vereniging, of voor het gerecht, en zo als een getuige ondervraagd: ‘Zo, goede man vertel wat je weet’, dan niet wetend zegt hij, ’Ik weet het niet’, of wetend, zegt hij, ‘Ik weet het’;  niet ziend zegt hij, ‘Ik zie niet’, of ziend zegt hij, “Ik zie het’. Dus hij liegt niet doelbewust in zijn eigen belang, of voor andermans belang, of voor enig onbeduidend wereldlijk doel.
(5) “Na afstand te hebben gedaan van verdeeld-zaaiende spraak, onthoudt iemand zich hier van verdeeldheid-zaaiende spraak. Na hier iets gehoord te hebben, herhaalt hij dat niet elders om [die mensen] tegen deze [mensen] op te zetten; of na elders iets gehoord te hebben, herhaalt hij het niet aan deze mensen om [hen] tegen die [mensen] op te zetten. Dus hij is iemand die de mensen herenigt die verdeeld zijn, een promotor van eenheid, iemand die geniet van eendracht, blij is met eendracht, zich verheugt in eendracht, een spreker van woorden die eendracht promoten.
(6) “Na afstand te hebben gedaan van ruwe spraak, onthoudt hij zich van ruwe spraak. Hij spreekt zulke woorden die zachtaardig zijn, aangenaam voor het oor, en lieflijk, die naar het hart gaan, die beschaafd zijn, door velen verlangd en plezierig voor velen.
(7) “Na afstand te hebben gedaan van zinloos geklets, onthoudt hij zich van zinloos geklets. Hij spreekt op een gepaste tijd, spreekt de waarheid, vertelt voordelig woorden, spreekt over de Dhamma en de leer; op een gepast moment spreekt hij zulke woorden die het waard zijn om opgenomen te worden, redelijk, bondig en voordelig”
“Het is op deze manier dat er er een viervoudig succes van verbaal kamma is, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit en met een plezierige uitkomst en gevolg.
“En hoe, bhikkhu’s, is er een drievoudig succes van mentaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit met een plezierig uitkomst en gevolg?
(8} “Hier is iemand zonder verlangen. Hij verlangt niet aldus naar de rijkdom en bezit van anderen: “Oh, mag wat een ander toebehoort van mij zijn!’
(9) “Hij is van goede wil en zijn intenties zijn aldus vrij van haat: ‘Mogen deze wezens gelukkig leven, vrij van vijandigheid, kwelling en ongerustheid!’.
(10) “Hij onderhoudt juiste visie en heeft aldus een correct perspectief: ‘‘Er is wat gegeven is,  geofferd, en aangeboden; er is een vrucht of gevolg van goed en slechte activiteiten; er is deze wereld en een andere wereld; er is een moeder en vader; er zijn spontaan wedergeboren wezens; er zijn in de wereld asceten of brahmanen met juist gedrag en juiste beoefening die, na zelf deze wereld en de andere wereld door directe kennis te hebben gerealiseerd, ze bekend maken aan anderen’.
“Het is op deze manier dat er er een drievoudig succes is van mentaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit en met een plezierige uitkomst en gevolg.
“Het is, bhikkhu’s, vanwege het drievoudig succes van lichamelijk kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden op een goede bestemming, in een hemelse wereld; of het is vanwege het viervoudige succes van verbaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden op een goede bestemming, in een hemelse wereld; of het is vanwege het drievoudige succes van mentaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden op een goede bestemming, in een hemelse wereld. Net zoals dobbelstenen, wanneer ze omhoog geworpen worden, stevig komen te liggen waar ze dan ook vallen, zo is het ook vanwege het drievoudig succes van lichamelijk kamma....of het is vanwege het viervoudige succes van verbaal kamma...of het is vanwege het drievoudig succes van mentaal kamma, ontstaan vanuit heilzame wilsactiviteit, dat bij het scheiden van het lichaam, na de dood, wezens geboren worden op een goede bestemming, in een hemelse wereld.
“Bhikkhu’s, ik zeg niet dat er een beëindiging is van gewild kamma dat gedaan en verzameld is, zo lang men [diens gevolgen] niet heeft ervaren, en dat kan in ditzelfde leven zijn, of een [volgende] wedergeboorte, of bij een daarop volgende gelegenheid. Maar ik zeg niet dat er een beëindiging van lijden is zolang men niet [de gevolgen van] gewild kamma dat gedaan en verzameld is, heeft ervaren”.

Noten

*Ik vind “volitional”, de Engelse naam van de sutta, eigenlijk lastig te vertalen. Je zou het kunnen vertalen als intentioneel/bedoeld/voorbedacht/welbewust maar dat doet mijns inziens toch ook niet helemaal recht aan de betekenis van kamma als wilsactiviteit. Volgens mij hoeft wilsactiviteit niet perse te verwijzen naar welbewuste wilsactiviteit, het kan ook meer verborgen liggen, voorbewust of min of meer onbewust plaatsvinden, zeg maar, en die zin verwijst het dan meer naar de mentale activiteit die de geest ergens naar doet uitgaan of neigen.
Noot 2180: “De tekst heeft de tweede naamval meervoud sancetanikanam kammanam. Uit eerbied van gevestigd Engels, heb ik het enkelvoud “kamma” gebruikt. Gezien het feit dat kamma per definitie wil(sactiviteit) (cetana ‘ham bhikkhave kammam vadami) is, klinkt gewild kamma dubbelop, maar ik volg het Pali. Blijkbaar spelen in de tekst twee betekenissen van kamma, de letterlijk betekenis van daad/actie, en de uitgebreide betekenis van een daad die de capaciteit heeft om ethisch gedetermineerde vruchten voort te brengen. De eerste betekenis wordt, misschien, geaccentueerd door kata, “gedaan”, de laatste door upacita “verzameld/opgeslagen”, als ook door de verwijzing van de tijdsperioden wanneer het kan rijpen.
Noot 2181: “Over de drievoudige rijping van kamma, zie pagina’s 1639-40, noot 372. De Boeddha’s verklaring dat er geen beëindiging van gewild kamma is zolang men diens gevolg niet ervaren heeft, lijkt in tegenspraak met één van de belangrijkste premissen van zijn onderricht, namelijk, dat om bevrijding te bereiken- “om lijden te beëindigen”- men niet alle gevolgen hoeft te ervaren van al het kamma dat men in het verleden heeft verzameld. Deze leerstelling (tenminste volgens de Nikaya’s) werd voorgesteld door de Jains, zoals verklaard in MN 14.17, I 92,*kl35-93,kl*10; MN 101.10, II 218, 1-12. Echter, aangezien de cyclus van wedergeboorten “zonder te ontdekken begin is” (anamatagga samsara) en we in deze lange periode allemaal immens veel kamma hebben verzameld, zou het nagenoeg een oneindigheid duren om zulk kamma uit te putten door het ervaren van diens gevolg. De Boeddha onderwees dat de sleutel tot bevrijding niet de uitwissing was van vroeger kamma (ofwel door het ervaren van het gevolg of door strenge beoefening), maar de eliminatie van de bezoedelingen. Arahants, door het beëindigen van de bezoedelingen, vernietigen de mogelijkheid van het rijpen van al hun vroeger kamma voorbij dat residu dat zou kunnen rijpen in hun laatste leven. Mp legt uit dat de verklaring in de tekst een impliciete betekenis heeft: “Dit is bedoeld om te tonen dat zolang samsara voortduurt, en er kamma is dat de capaciteit heeft om te rijpen (patiladdhavipakarahakamma) ‘er geen plaats op aarde is waar men aan een slechte daad kan ontsnappen’”. (het citaat is van Dhp 127). In andere woorden, het punt is niet dat al het kamma dat gecreëerd is zal moeten rijpen, maar dat elk kamma dat gecreëerd en verzameld is, de mogelijkheid behoudt te rijpen zolang als men rondzwerft in de cyclus van wedergeboorten. [knip Chinese versie, Siebe].
Noot 2182 Kayakammantasandosabyapatti. Mp beduidt dit als “een fout bestaand uit lichamelijke activiteit” (kayakammantasankhata vipatti). Blijkbaar hebben bij Mp sandosa en byapatti dezelfde betekenis, aangeduid door vapatti,  maar ik hou het er op dat de samenstelling een dvanda is: verdorvenheid en ontaarding.
Noot 2183: verwijst naar noot 582. Hier valt te lezen: “Mp zegt dat het een speciaal soort dobbelsteen is met zes oppervlakken, gelijksoortig aan een juweel”(rest weggelaten, Siebe)

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 10.219
Bericht door: Passievrucht op 20-09-2015 12:02
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands. Anders dan in het origineel, heb ik de sutta niet ingekort]

Er is geen beëindiging van lijden zo lang men niet de gevolgen heeft ervaren van gewild kamma dat gedaan en verzameld is.

Slecht kamma dat niet verder gaat: Het effect van het beoefenen van de vier onmetelijken

Anguttara Nikaya 10.219 (9), Het Daad-Geboren Lichaam

“Bhikkhu’s, ik zeg niet dat er een beëindiging van gewild kamma is dat gedaan en verzameld is, zo lang men [diens gevolgen] niet heeft ervaren, en dat kan in ditzelfde leven zijn, of een [volgende] wedergeboorte, of bij een daarop volgende gelegenheid. Maar ik zeg niet dat er een beëindiging van lijden is zo lang men niet [de gevolgen van] gewild kamma dat gedaan en verzameld is, heeft ervaren2185.
“Deze edele leerling, bhikkhu’s, die zo verstoken is van verlangen, verstoken van kwade wil, niet verward, met helder begrip, altijd aandachtig, verblijft één windrichting doordringend met een geest vervuld van liefdevolle vriendelijk, net zo de tweede windrichting, de derde windrichting en de vierde windrichting. Aldus boven, beneden, overdwars en overal, en naar allen als naar hemzelf, verblijft hij de hele wereld doordringend met een geest vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, omvangrijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid, zonder kwade wil. Hij begrijpt het aldus: ‘Eerder was mijn geest beperkt en onontwikkeld, maar nu is het onmetelijk en goed ontwikkeld. Geen meetbaar kamma verblijft daar en houdt daar stand2186.
“Wat denken jullie, bhikkhu’s, als een jongere vanaf zijn kindertijd de bevrijding door liefdevolle vriendelijk-heid zou ontwikkelen, zou hij dan een slechte daad begaan?2187
“Nee, Bhante”.
“Kan lijden hem beïnvloeden hij geen slechte daad doet?”
“Nee, Bhante. Want op basis van wat kan lijden op iemand inwerken die geen slechte daad doet?”2188
“Een vrouw of man dient deze bevrijding van geest door liefdevolle vriendelijkheid te ontwikkelen. Een vrouw of man kunnen dit lichaam niet met zich meenemen wanneer ze gaan. Stervelingen hebben geest als hun essentie (let. kern, Siebe)2189.
“[De edele leerling] begrijpt: Welke slechte daad ik hier in het verleden ook deed met dit daad-geboren lichaam2190, het wordt allemaal hier ervaren. Het zal niet verder volgen/gaan2191. Wanneer de bevrijding van geest door liefdevolle vriendelijkheid op deze manier is ontwikkeld, leidt het tot niet-terugkeren voor een wijze bhikkhu hier2192 die niet doordringt in een verdere bevrijding2193.
“Deze edele leerling, bhikkhu’s, die zo verstoken is van verlangen, verstoken van kwade wil, niet verward, met helder begrip, altijd aandachtig, verblijft één windrichting doordringend met een geest vervuld van mededogen, net zo de tweede windrichting, de derde windrichting en de vierde windrichting. Aldus boven, beneden, overdwars en overal, en naar allen als naar hemzelf, verblijft hij de hele wereld doordringend met een geest vervuld van mededogen, omvangrijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid, zonder kwade wil. Hij begrijpt het aldus: ‘Eerder was mijn geest beperkt en onontwikkeld, maar nu is het onmetelijk en goed ontwikkeld. Geen meetbaar kamma verblijft daar en houdt daar stand
“Wat denken jullie, bhikkhu’s, als een jongere vanaf zijn kindertijd de bevrijding door mededogen zou ontwikkelen, zou hij dan een slechte daad begaan?
“Nee, Bhante”.
“Kan lijden op hem beïnvloeden als hij geen slechte daad doet?”
“Nee, Bhante. Want op basis van wat kan lijden iemand beïnvloeden die geen slechte daad doet?”
“Een vrouw of man dient deze bevrijding van geest door mededogen te ontwikkelen. Een vrouw of man kunnen dit lichaam niet met zich meenemen wanneer ze gaan. Stervelingen hebben geest als hun essentie.
“[De edele leerling] begrijpt: Welke slechte daad ik hier in het verleden ook deed met dit daad-geboren lichaam, het wordt allemaal hier ervaren. Het zal niet verder gaan. Wanneer de bevrijding van geest door mededogen op deze manier is ontwikkeld, leidt het tot niet-terugkeren voor een wijze bhikkhu hier die niet doordringt in een verdere bevrijding.
“Deze edele leerling, bhikkhu’s, die zo verstoken is van verlangen, verstoken van kwade wil, niet verward, met helder begrip, altijd aandachtig, verblijft één windrichting doordringend met een geest vervuld van altruïstische vreugde, net zo de tweede windrichting, de derde windrichting en de vierde windrichting. Aldus boven, beneden, overdwars en overal, en naar allen als naar hemzelf, verblijft hij de hele wereld doordringend met een geest vervuld van altruïstische vreugde, omvangrijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid, zonder kwade wil. Hij begrijpt het aldus: ‘Eerder was mijn geest beperkt en onontwikkeld, maar nu is het onmetelijk en goed ontwikkeld. Geen meetbaar kamma verblijft daar en houdt daar stand.
“Wat denken jullie, bhikkhu’s, als een jongere vanaf zijn kindertijd de bevrijding door altruïstische vreugde zou ontwikkelen, zou hij dan een slechte daad begaan?
“Nee, Bhante”.
“Kan lijden hem beïnvloeden als hij geen slechte daad doet?”
“Nee, Bhante. Want op basis van wat kan lijden iemand beïvloeden die geen slechte daad doet?”
“Een vrouw of man dient deze bevrijding van geest door altruïstische vreugde te ontwikkelen. Een vrouw of man kunnen dit lichaam niet met zich meenemen wanneer ze gaan. Stervelingen hebben geest als hun essentie.
“[De edele leerling] begrijpt: Welke slechte daad ik hier in het verleden ook deed met dit daad-geboren lichaam, het wordt allemaal hier ervaren. Het zal niet verder volgen/gaan. Wanneer de bevrijding van geest door altruïstische vreugde op deze manier is ontwikkeld, leidt het tot niet-terugkeren voor een wijze bhikkhu hier die niet doordringt in een verdere bevrijding.
“Deze edele leerling, bhikkhu’s, die zo verstoken is van verlangen, verstoken van kwade wil, niet verward, met helder begrip, altijd aandachtig, verblijft één windrichting doordringend met een geest vervuld van gelijkmoedigheid, net zo de tweede windrichting, de derde windrichting, en de vierde windrichting. Aldus boven, beneden, overdwars en overal, en naar allen als naar hemzelf, verblijft hij de hele wereld doordringend met een geest vervuld van gelijkmoedigheid, omvangrijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid, zonder kwade wil. Hij begrijpt het aldus: ‘Eerder was mijn geest beperkt en onontwikkeld, maar nu is het onmetelijk en goed ontwikkeld. Geen meetbaar kamma verblijft daar en houdt daar stand.
“Wat denken jullie, bhikkhu’s, als een jongere vanaf zijn kindertijd de bevrijding door gelijkmoedigheid zou ontwikkelen, zou hij dan een slechte daad begaan?
“Nee, Bhante”.
“Kan lijden hem beïnvloeden als hij geen slechte daad doet?”
“Nee, Bhante. Want op basis van wat kan lijden iemand beïinvloeden die geen slechte daad doet?”
“Een vrouw of man dient deze bevrijding van geest door gelijkmoedigheid te ontwikkelen. Een vrouw of man kunnen dit lichaam niet met zich meenemen wanneer ze gaan. Stervelingen hebben geest als hun essentie.
“[De edele leerling] begrijpt: ‘Welke slechte daad ik hier in het verleden ook deed met dit daad-geboren lichaam, het wordt allemaal hier ervaren. Het zal niet verder gaan’. Wanneer de bevrijding van geest door gelijkmoedigheid op deze manier is ontwikkeld, leidt het tot niet-terugkeren voor een wijze bhikkhu hier die niet doordringt in een verdere bevrijding”.

Noten

Noot 2185: In eigen woorden kortgezegd: Bhikkhu Bodhi merkt op dat er hier waarschijnlijk sprake is van een weglating van de beschrijving van de tien richtingen waarin het met kamma kan opgaan zoals in AN 10.217. Voor de structuur raadpleegt Bodhi de Chinese variant van deze sutta. Die structuur is als volgt (nu vertaal ik letterlijk): “Volgend op de openingsverklaring definieert de Boeddha de tien soorten onheilzaam kamma van lichaam, spraak en geest. Hij zegt dan dat een geïnstrueerde edele leerling de drievoudige onheilzame soorten kamma afdankt (lichamelijk, verbaal en mentaal) en de drie heilzame soorten cultiveert. Op dit punt heeft “ldie geïnstrueerde edele leerling”, die zulke energie en verdienste/deugdzaamheid bezit, zijn kamma van lichaam, spraak en geest gezuiverd. Hij is zonder woede en vijandigheid, heeft slaperigheid verdreven, rusteloosheid en zelfgenoegzaam geëlimineerd, heeft afstand gedaan van twijfel en is voorbij eigenwaan gegaan. Hij is aandachtig, in bezit van helder begrip en is niet verward. Hij doordringt dan de tien windrichtingen en de gehele wereld met een geest van liefdevolle vriendelijkheid en de andere drie onmetelijken (mededogen, altruistische vreugde en gelijkmoedigheid, Siebe).
Noot 2186: (weglating pali tekst, Siebe). “Mp identificeert “meetbaar kamma” met zintuiglijke-sfeer kamma (kamavacarakamma), kamma dat genegen is diens gevolg in de zintuiglijke-sfeer voort te brengen. Aangezien de leerling die beschreven wordt vermoedelijk een niet-terugkeerder is (of iemand bestemd om een niet-terugkerende te worden), zal hij of zijn wedergeboorte nemen in het vorm rijk en nooit meer afdalen naar de zintuiglijke-sfeer. Dus het zintuiglijke-sfeer kamma kan geen kans krijgen om te rijpen.
Noot 2187: “Zoals al eerder aangestipt draagt het Pali woord kamma twee betekenissen die vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn: de etymologische betekenis, eenvoudigweg een actie of daad, en de soteriologische betekenis, een daad beschouwd als een morele kracht die vergeldende consequenties met zich mee kan brengen. Het is vreemd dat de tekst op ondubbelzinnige wijze zegt dat iemand die de bevrijding van geest door liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelt, geen slechte daad kan begaan. Het lijkt mij dat hoewel zo’n persoon geen slechte daden meer zou kunnen begaan die gemotiveerd worden door haat en kwade wil, ze toch nog altijd slechte daden kunnen doen, zelfs kleine, gemotiveerd door hebzucht en begoocheling. (voor wie het wat het waard is, ik vermoed toch dat dit anders ligt. Waar liefdevolle vriendelijkheid is, is zeker geen hebzucht en ik denk ook geen begoocheling, Siebe).
Noot 2188: Deze verklaring lijkt ook tegen-intuïtief. Diegene die geen slechte daden in dit leven doen, kunnen zeker de karmische gevolgen ervaren van slechte daden die in het verleden zijn gedaan. Zo werd Moggallana vermoord en de Boeddha zelf werd zwaar verwond door een scherpe steen die van de kei afbrak die naar hem toe werd gesmeten door Devadatta. Deugdzame mensen die geen arahants zijn, kunnen ook psychologisch lijden, en niet enkel fysieke pijn, als een consequentie van onwenselijke situaties. Ananda, bijvoorbeeld, een deugdzame monnik, voelde verdriet en smart toen de Boeddha ziek werd en Visaka, een stroom-intreder, treurde m de dood van haar kleinkind (het laatste commentaar van Bodhi vind ik zelf niet overtuigend. Mensen lijden niet onder onwenselijke-situaties maar onder situaties die men door verlangens als onwenselijk ervaart. Dus het lijden komt van de begeerte, Siebe).
Noot 2189: ”Cittantaro ayam bhikkhave macco. Mp: “Ze hebben geest als hun oorzaak, of hun innerlijk is door geest (cittakarano atha va citten’eva antariko). Want met de geest bij wedergeboorte, die zonder onderbreking de geest bij de dood volgt, wordt men een deva, een hellewezen, of een dier”.
Noot 2190: ”Karajakaya, ik vertaal de uitdrukking letterlijk maar het zou vrijwel hetzelfde kunnen betekenen als zulke Engelse uitdrukkingen als “dit sterfelijk lichaam”, of “dit stoffelijk lichaam”. DOP sv kara zegt: “Een lichaam voortgebracht door actie, het fysieke lichaam”. SN 12.37, II, 65, 1 spreekt over het lichaam als “oud kamma” (puranamidam...kammam). De Chinese variant heeft niks wat met deze term overeenkomt”.
Noot 2191: “Mp: “Door middel van liefdevolle-vriendelijkheid wordt het gevoel dat zou worden ervaren bij wedergeboorte afgesneden en dus volgt het iemand niet verder. Dit is de reflectie van een edele persoon die een stroom-intreder of een eenmaal-terugkerende is”. Vermoedelijk wordt al het slechte kamma hier ervaren (sabbam tam idha vedantyam), in dit leven, en zal niet verder volgen (na tam anugam bhavissati) omdat zijn volgende wedergeboorte in het vorm rijk zal zijn, en hij zal nibbana bereiken in het vorm rijk zonder terug te keren naar deze wereld.
Noot 2192: [knip Pali tekst]. Mp: “Een wijze bhikkhu hier: De wijsheid in dit onderricht wordt ‘wijsheid hier’ genoemd. De betekenis [ van een wijze hier] is een edele leerling die thuis is in de edele wijsheid die behoort tot het onderricht” [knip Pali tekst].
Noot 2193: “Mp noemt dit een staat van een “jhana niet-terugkeerder (jhananagamita). Zulke personen hebben de twee lagere vruchten gerealiseerd en de jhana’s bereikt, maar hebben nog niet echt het stadium van niet-terugkeerder bereikt. Door de karmische kracht van hun jhana’s zullen ze worden wedergeboren in het vorm rijk, waar ze de hogere twee paden en vruchten bereiken zonder ooit weer terug te keren naar de zintuigelijke sfeer; dus ze worden “jhana niet-terugkeerders” genoemd. Zie ook pagina 1664, noot 539.

Persoonlijke Bemerkingen
Ik weet niet precies hoe letterlijk-'Er is geen beëindiging van lijden zo lang men niet de gevolgen heeft ervaren van gewild kamma dat gedaan en verzameld is-' moet worden genomen. Het staat er nogal letterlijk, nietwaar? In ieder geval onthult AN 3.100 (eerder gepost) dat de gevolgen van oud kamma niet op precies dezelfde manier hoeft te worden ervaren als het gecreëerd is.
Bodhi begrijpt het zo dat niet elk zulk gewild kamma dat gedaan en verzameld is moet rijpen, maar het behoudt het potentieel te rijpen zo lang men in samsara rondgaat (zie AN 10.217, noot 2181, eerder gepost).

Het lijkt er op alsof de sutta wil zeggen dat wanneer je vanaf een bepaald moment afstand hebt gedaan van alle onheilzame wilsactiviteit en er mee samenhangend onheilzaam gedrag, en je verstoken bent van geestelijke hindernissen, en de vier onmetelijken cultiveert, je in dit leven te maken blijft houden met de (nadelige) gevolgen (rijpend kamma) van eerdere onheilzame wilsactiviteiten en gedrag, maar deze worden hier, in dit leven ervaren en zullen niet verder gaan.

Groet,
Siebe



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 4.182
Bericht door: Passievrucht op 21-09-2015 10:02
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Kan iemand garanderen dat slecht kamma niet diens gevolg zal voortbrengen?

Anguttara Nikaya 4.182 (2), Garantsteller

“Bhikkhu’s, bij vier dingen kan geen garantsteller zijn, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in de wereld. Welke vier?
(1) “Niemand kan garanderen, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in de wereld, dat wat belast is met verouderen, niet oud zal worden.
(2) “Niemand kan garanderen, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in de wereld, dat wat belast is met ziekte, niet ziek zal worden.
(3) “Niemand kan garanderen, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in  de wereld, dat wat belast is met sterven, niet zal sterven.
(4) “Niemand kan garanderen, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in de wereld, dat slecht kamma- bezoedeld, hernieuwd bestaan bevorderend, rijpend in lijden, leidend tot toekomstige geboorte, verouderen en dood- niet diens gevolg zal voortbrengen.
“Bij deze vier dingen, bhikkhu’s, kan geen garantsteller zijn, noch een asceet, een brahmaan, een deva, Mara, Brahma, noch wie dan ook in de wereld”.

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 10.216
Bericht door: Passievrucht op 22-09-2015 09:57
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands. Op plaatsen met "..." herhaalt de tekst zich als er voor]

Op welke manier zijn wezens erfgenamen van hun kamma?

Sluipend door het leven of Oprecht?

Anguttara Nikaya 10. 216 (6), Sluipend*

“Bhikkhu’s, ik zal jullie een uiteenzetting van de Dhamma over sluipen geven2177. Luister en let goed op. Ik zal spreken.”
“Ja, Bhante”, antwoorden die bhikkhu’s. De Gezegende zei dit:
“En wat, bhikkhu’s, is die uiteenzetting van de Dhamma over sluipen? Bhikkhu’s, wezens zijn de eigenaren van hun kamma, de erfgenamen van hun kamma; ze hebben kamma als hun oorsprong, kamma als hun verwant, kamma als hun resort; welk kamma ze dan ook doen, goed of slecht, ze zijn diens erfgenaam.
(1) “Hier vernietigt iemand leven; hij is moordzuchtig, heeft bloed aan de handen, geeft zich over aan slaan en geweld, is genadeloos naar levende wezens. Hij sluipt voort door lichaam, spraak en geest2178. Zijn lichamelijk kamma is corrupt/scheef/onoprecht/krom/oneerlijk (verder vertaald als “corrupt”, Siebe); zijn verbale kamma is corrupt; zijn mentale kamma is corrupt. Zijn bestemming is corrupt; zijn wedergeboorte is corrupt. Echter, voor iemand met een corrupte bestemming en wedergeboorte, zeg ik, is er één van deze twee bestemmingen: ofwel de uitsluitend pijnlijke hellen of een sluipende diersoort. En wat zijn de sluipende diersoorten? De slang, de schorpioen, de duizendpoot, de mangoeste, de kat, de muis en de uil2179, of enig ander dier dat wegsluipt wanneer ze mensen zien. Dus een wezen wordt wedergeboren vanuit een wezen; iemand wordt wedergeboren door diens daden. Wanneer iemand wedergeboren is, werken contacten op iemand in. Het is op deze manier, zeg ik, dat wezens erfgenamen zijn van hun kamma.
(2) “Iemand neemt wat niet gegeven is...(3)...geeft zich over aan seksueel wangedrag...(4)...spreekt vals...(5)...spreekt verdeeldheid zaaiende woorden...(6)...spreekt op een botte manier...(7)...geeft zich over aan zinloos gekletst...(8}...is vol verlangen...(9)...heeft een geest van kwade wil en haatvolle intenties...(10)...onderhoudt verkeerde visie en heeft aldus een onjuist perspectief: ‘Er is niets gegeven, niets geofferd, niets aangeboden; er is geen vrucht of gevolg van goede en slechte activiteiten; er is niet deze wereld noch een andere wereld; er is geen moeder, geen vader; er zijn geen spontaan wedergeboren wezens; er zijn in de wereld geen asceten of brahmanen met juist gedrag en juiste beoefening die, na zelf deze wereld en de andere wereld door directe kennis te hebben gerealiseerd, ze bekend maken aan anderen’. Hij sluipt voort door lichaam, spraak en geest. Zijn lichamelijk kamma is corrupt; zijn verbale kamma is corrupt; zijn mentale kamma is corrupt. Zijn bestemming is corrupt; zijn wedergeboorte is corrupt. Echter voor iemand met een corrupte bestemming en wedergeboorte, zeg ik, is er één van deze twee bestemmingen: ofwel de uitsluitend pijnlijke hellen of een sluipende diersoort. En wat zijn de sluipende diersoorten? De slang, de schorpioen, de duizendpoot, mangoeste, de kat, de muis en de uil, of enig ander dier dat wegsluipt wanneer ze mensen zien. Dus een wezen wordt wedergeboren vanuit een wezen; iemand wordt wedergeboren door diens daden. Wanneer iemand wedergeboren is, werken contacten op iemand in. Het is op deze manier, zeg ik, dat wezens erfgenamen zijn van hun kamma.
“Bhikkhu’s, wezens zijn de eigenaren van hun kamma, de erfgenamen van hun kamma; ze hebben kamma als hun oorsprong, kamma als hun verwant, kamma als hun resort; welk kamma ze dan ook doen, goed of slecht, ze zijn diens erfgenaam.
(1) “Na afstand te hebben gedaan van de vernietiging van leven, onthoudt iemand zich hier van de vernietiging van leven. Met de roede en het wapen weggelegd, gewetensvol en vriendelijk, verblijft hij mededogend naar alle levende wezens. Hij sluipt niet voort door lichaam, spraak en geest. Zijn lichamelijk kamma is puur/recht/eerlijk (verder vertaald als “puur”; zijn verbaal kamma is puur; zijn mentale kamma is puur. Zijn bestemming is puur; zijn wedergeboorte is puur. Maar voor iemand met een pure bestemming en wedergeboorte, zeg ik, is er een van twee bestemmingen: ofwel de uitsluitend plezierige hemelen of voorname families, zoals die van welgestelde khattiyas, welgestelde brahmanen of welgestelde huishouders, [families die] rijk [zijn], met grote rijkdom en veel bezit, overvloedig goud en zilver, overvloedige schatten en bezittingen, overvloedig fortuin en graan. Dus een wezen wordt wedergeboren vanuit een wezen; iemand wordt wedergeboren door diens daden. Wanneer iemand wedergeboren is, werken contacten op die iemand in. Het is op deze manier, zeg ik, dat wezens erfgenamen zijn van hun kamma.
(2) Na afstand te hebben gedaan van nemen wat niet gegeven is...(3)...onthoudt zich van seksueel wangedrag...(4)...onthoudt zich van valse spraak...(5)...onthoudt zich van tweedracht-zaaiende spraak...(6)...onthoudt zich van botte spraak...(7)...onthoudt zich van zinloos geklets...(8}...is zonder verlangen...(9)...is van goede wil...(10)...heeft juiste visie en heeft aldus een correct perspectief: ‘Er is wat gegeven is, geofferd, en aangeboden; er is een vrucht of gevolg van goed en slechte activiteiten; er is deze wereld en een andere wereld; er is een moeder en vader; er zijn spontaan wedergeboren wezens; er zijn in de wereld asceten of brahmanen met juist gedrag en juiste beoefening die, na zelf deze wereld en de andere wereld door directe kennis te hebben gerealiseerd, ze bekend maken aan anderen’. Hij sluipt niet voort door lichaam, spraak en geest. Zijn lichamelijk kamma is puur; zijn verbale kamma is puur; zijn mentale kamma is puur. Zijn bestemming is puur; zijn wedergeboorte is puur. Maar voor iemand met een pure bestemming en wedergeboorte, zeg ik, is er een van twee bestemmingen: ofwel de uitsluitend plezierige hemelen of voorname families, zoals die van welgestelde khattiyas, welgestelde brahmanen of welgestelde huishouders, [families die] rijk [zijn], met grote rijkdom en veel bezit, overvloedig goud en zilver, overvloedige schatten en bezittingen, overvloedig fortuin en graan. Dus een wezen wordt wedergeboren vanuit een wezen; iemand wordt wedergeboren door diens daden. Wanneer iemand wedergeboren is, werken contacten op die iemand in. Het is op deze manier, zeg ik, dat wezens erfgenamen zijn van hun kamma.
“Bhikkhu’s, wezens zijn de eigenaren van hun kamma, de erfgenamen van hun kamma; ze hebben kamma als hun oorsprong, kamma als hun verwant, kamma als hun resort; welk kamma ze dan ook doen, goed of slecht, ze zijn diens erfgenaam.
“Dit, bhikkhu’s is die uiteenzetting van de Dhamma over sluipen”.

Noten

*”Creeping”, ik heb het hier vertaald als “sluipen”. “Sluipend door het leven”. Dat zie ik hier als welbewust stiekem ergens op uit zijn, op heimelijke motieven.  'Waar valt iets te halen?'. Een egocentrische gerichtheid en zelden tot nooit oprecht, en recht door zee. Dus, sluipend door het leven.
Noot 2177: [knip Pali tekst] “Mp: Een uiteenzetting van de Dhamma dat “sluipen” als diens onderwerp heeft”.
Noot 2178: “met het doen van die actie sluipt hij voorwaarts, sluipt rond, kronkelt rond”.
Noot 2179: Ulaka. De uil kan hier toegevoegd zijn omdat het heimelijk opereert. De Chinese variant te T I 273c27-28 noemt alleen vier dieren: de slang, de muis, de kat en de vos.

Groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 4.171
Bericht door: Passievrucht op 23-09-2015 13:31
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands. In de vertaling van Bhikkhu Bodhi werd de onderstaande sutta gevolgd door een ander deel over 'de vier verworvenheden van individualiteit'. Bodhi geeft aan dat het onduidelijk is of dit deel nu bij deze sutta  hoort of het begin van een nieuwe markeert. Ik heb dit deel weggelaten omdat ik het minder relevant vond en ook vanwege de lengte. Gezien de discussies die we hier gevoerd hebben, leek het me gepast wat meer ruimte te besteden aan persoonlijke bemerkingen.]

Heilzame en Onheilzame Wilsactiviteit Vanuit Jezelf of Aangesticht door Anderen brengen respectievelijk innerlijk Plezier en Pijn voort.


Met Onwetendheid als Voorwaarde

Anguttara Nikaya 4.171 (1), Wil(sactiviteit)863, (Cetana Sutta)

“Bhikkhu’s, wanneer er het lichaam is, dan ontstaat er vanwege lichamelijke wilsactiviteit innerlijk plezier en pijn; wanneer er spraak is, dan ontstaat er vanwege verbale wilsactiviteit innerlijk plezier en pijn; wanneer er de geest is, dan ontstaat er vanwege mentale wilsactiviteit innerlijk plezier en pijn - met onwetendheid zelf als voorwaarde.864
“Ofwel, bhikkhu’s, verricht iemand uit zichzelf die lichamelijke wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat, of anderen zorgen er voor dat iemand die lichamelijke wilsactiviteit voortbrengt op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat. Ofwel met helder begrip verricht iemand die lichamelijke wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat, of zonder helder begrip verricht iemand die lichamelijke wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat.865
“Ofwel, bhikkhu’s, verricht iemand uit zichzelf die verbale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaay, of anderen zorgen er voor dat iemand die verbale wilsactiviteit voortbrengt op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat. Ofwel met helder begrip verricht iemand die verbale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat, of zonder helder begrip verricht iemand die verbale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat.
“Ofwel, bhikkhu’s, verricht iemand uit zichzelf die mentale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat, of anderen zorgen er voor dat iemand die mentale wilsactiviteit voortbrengt op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat. Ofwel met helder begrip verricht iemand die mentale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat, of zonder helder begrip verricht iemand die mentale wilsactiviteit op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat.
“Onwetendheid is vervat in deze staten.866. Maar bij het zonder enig overblijfsel vervagen en beëindigen van onwetendheid, bestaat dat lichaam niet op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat; bestaat die spraak niet op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat; bestaat die geest niet op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat.867 Dat veld bestaat niet, die site bestaat niet, die basis bestaat niet, die locatie bestaat niet op voorwaarde waarvan innerlijk plezier en pijn in iemand ontstaat."868

Noten

Noot 863: Het eerste deel van deze sutta, tot de sectie van de vier verworvenheden van individualiteit, is ook in SN12.25, II 39-41, maar dan gericht aan Ananda”.
Noot 864: Mp verklaart dit met verwijzing naar het Abhidhamma schema van cittas, soorten bewustzijn; zie CMA32-40, 46-64. Ik vat Mp’s verklaring samen: Lichamelijke wilsactiviteit bestaat uit twintig soorten door middel van de acht soorten zintuig-sfeer heilzame cittas en twaalf soorten onheilzame cittas. Zo ook voor verbale wilsactiviteit. Maar mentale wilsactiviteit bestaat ook hier uit plus de negen soorten van sublieme (mahaggata) wilsactiviteit, namelijk, wilsactiviteit verbonden met de vijf jhana’s van het Abhidhamma systeem en de vier vormloze verwezenlijkingen. Vanwege lichamelijke wilsactiviteit ontstaat er plezier op voorwaarde van de acht soorten heilzaam kamma, en pijn op voorwaarde van de twaalf soorten van onheilzaam kamma, dat is, het kamma opgewekt in de corresponderende actieve soorten bewustzijn. Zo ook voor de andere twee poorten/deuren. Onwetendheid is een voorwaarde (avijjapaccayava) omdat, vanwege het er zijn van onwetendheid, wilsactiviteit zich voordoet in de drie poorten als een voorwaarde voor plezier en pijn. Dus deze verklaring in de sutta verwijst naar onwetendheid als de fundamentele oorzaak. Plezier en pijn ontstaan “innerlijk” (ajjhattam) wanneer ze in jezelf ontstaan. Het woord [innerlijk] lijkt het retributieve/vergeldings-aspect van kamma te onderstrepen”. 
Noot 865: “Mp “Iemand handelt vanuit zichzelf” (samam) wanneer men de handeling/actie begint zonder door anderen daartoe aangespoord te zijn. Iemand wekt activiteit op door anderen, wanneer anderen iemand aanmoedigen of opdracht geven te handelen. Iemand handelt met helder begrip (sampajano) wanneer men het heilzame en onheilzame als zodanig kent en hun respectievelijke gevolgen. Als men dit niet begrijpt, handelt men zonder helder begrip”.
Noot 866: Imesu bhikkhave dhammesu avijja anupatita. Mp: “Onwetendheid is vervat  (is altijd ook aanwezig, Siebe) in de wilsstaten die boven geanalyseerd zijn, zowel functionerend als een co-bestaande voorwaarde/gelijktijdig opkomende voorwaarde, als een beslissing-ondersteunende voorwaarde (sahajatavasena ca upanissayavasena ca). Dus de cyclus van bestaan en diens wortel, onwetendheid, worden getoond”.
Noot 867: Mp, “Arahants worden gezien terwijl ze met het lichaam activiteiten verrichten. Ze vegen het terrein van de heilige plaats en de bodhi boom, gaan weg en komen terug, doen uiteenlopende taken, etc., maar in hun geval brengen de twintig soorten wilsactiviteit die zich voordoen bij de lichamelijke poort, niet langer karmische gevolgen voort (avipakadhammatam apajjanti). Hier wordt met het woord “lichaam” de wilsactiviteit bedoeld die zich voordoet bij de lichamelijke poort. Dezelfde methode geldt voor de andere twee”. Mp-t: “Wanneer arahants activiteiten verrichten hoe komt het dan dat ze geen lichamelijk of ander soort kamma creëren? In de zin dat deze daden geen gevolgen dragen, want een activiteit door een arahant gedaan is noch heilzaam noch onheilzaam maar een louter handeling (kiriyamatta) die geen gevolgen voortbrengt”.
Noot 868: Mp: “’Veld’ etc., zijn namen voor heilzame en onheilzaam kamma. Want dat is een veld (khetta) in de zin van een plaats waar gevolgen groeien; een site (vatthu) in de zin van hun fundament; een basis (ayatana) in de zin van een oorzaak; een lokatie (adhikarana) in de zin van een plaats van gebeuren”.

Persoonlijke Bemerkingen

In principe leiden onheilzame wilsactiviteiten innerlijk tot pijn, en heilzame innerlijk tot plezier, ervaren in dit leven, een volgende of enig daarop volgende. Kun je dit nu ook omdraaien en zeggen dat dus elke actuele innerlijke ervaring van plezier en pijn, wordt veroorzaakt door eerdere morele/heilzame en immorele/onheilzame wilsactiviteit/daden? Is al dit soort ervaring van pijn en plezier rijpend kamma?

De visie van de Boeddha hieromtrent wordt besproken in o.a. MN14, MN101, SN 36.21 en AN 3.61. Noot 922 bij sutta MN101 uit de Majjhima Nikaya vertaling van Bhikkhu Nanamoli en Bhikkhu Nanamoli, geeft een antwoord op de vraag of alle actuele pijn en plezier veroorzaakt wordt door kamma in het verleden. Noot 922:  “Het onderricht van de Boeddha erkent het bestaan van gevoelens die niet het gevolg zijn van eerdere activiteit maar een begeleidend/concomitant [verschijnsel] van huidige activiteit, en staat ook toe dat er gevoel is dat noch karmisch actief is noch karmisch gevolg”.
In eigen woorden, stel bijvoorbeeld dat iemand strenge ascetische beoefeningen zou gaan doen (in MN14 wordt het voorbeeld gegeven van constant blijven staan), dan treden onaangename gevoelens (pijn) gewoon op als begeleidende of bijbehorende verschijnselen van die strenge oefeningen. De ervaren pijn is hier dan geen gevolg van wandaden in het verleden. Het is geen rijpend-kamma.

Samyutta Nikaya 36.21 geeft meerdere oorzaken voor het ontstaan van actuele gevoelens, en karma is er eentje van. De andere zijn: 1. ontregeling van wind, gal en slijm of 2. onbalans in de drie (o.a. de tibetaanse geneeskunde hanteert dit systeem); 3. verandering van het klimaat. Ja, als je opeens snijdende koude wind te verwerken krijgt, dan voel je dat wel. Ook wordt 4. achteloos gedrag als oorzaak aangegeven. Als je met je kont in een heet bad gaat zitten, omdat je zo achteloos was om niet wat koud water er bij te mengen en de temperatuur even met je vinger te controleren...5. een aanval/aanranding. En 6. sommige gevoelens hier en nu worden veroorzaakt als gevolg van kamma.

Deze opsomming van zes oorzaken is ook terug te vinden in AN 5.104. Daar wordt gesproken over “ongemak ontstaand vanuit gal, slijm en wind; of hun combinatie; ongemak voortgebracht door verandering van klimaat; ongemak voortgebracht door achteloos gedrag; ongemak voortgebracht door aanvallen/aanrandingen; of ongemak voortgebracht als het gevolg van kamma.

Over het ontstaan van ziekten onthult AN 10.60 iets. Het somt ook weer de voorgaande reeks op: “ziekten ontstaan vanuit gal, slijm, wind of hun combinatie, ziekten voortgebracht door de verandering van klimaat; ziekten voortgebracht door achteloos gedrag; ziekten voortgebracht door aanval/aanranding; of ziekten voortgebracht als het gevolg van kamma.
Ja, als iemand in de winter geen warme jas aandoet, achteloos zich gedraagt, en hij krijg een longontsteking, moet je dat dan zien als vergelding (karmische retributie) voor een eerder begane wandaad? Het lijkt me dat we ons gezond verstand kunnen blijven gebruiken.

Dus in de visie van de Boeddha is niet alle ervaring rijpend- kamma. Ziekte, ongemak, gevoelens van pijn/plezier, kunnen voortgebracht zijn als gevolg van kamma. Hoeft dus niet. Er zijn ook andere oorzaken.

Voor mezelf vind ik het belangrijk twee zaken uit elkaar te houden:

(1). kamma als wilsactiviteit (cetana). De sutta's onderwijzen daarover, en mijn persoonlijke ervaring bevestigt dit, dat er een directe en duidelijke relatie is tussen wat je drijft, wilt, op uit bent, waartoe je neigt, en persoonlijke ervaringen van pijn/plezier, voorspoed/tegenspoed, pijnlijke/plezierige situaties waarin je telkens weer belandt.

(2). Een net iets andere context die veel gebruikt wordt, is kamma in de betekenis van verzameld-kamma. 
Verzameld kamma verwijst naar de verzamelde mentale indruk of afdruk van eerdere morele of immorele wilsactiviteit en daden. Vooral als wilsactiviteit en daden een bepaalde intensiteit had, dan blijft daar iets van bij je, ook als die wilsactiviteit en daden al weer opgehouden zijn. Wat bij je blijft is dus een soort afdruk, mentale indruk. We verzamelen veel van zulke mentale indrukken in dit leven maar hadden bij de geboorte ook al vele bij ons. Dit worden wel karmische zaden genoemd. Daaruit, dus als het ware van binnenuit, vanuit wat op de bewustzijnsstroom is verzameld, kunnen dan gevolgen ontstaan, dus vanuit die karmische zaden. Die kunnen gaan groeien, rijpen, en zo bepaalde gevoelens, ziekte, ongemak etc. voortbrengen. De teksten zeggen dus duidelijk dat niet alle ziekte, ongemak en gevoelens het gevolg zijn van zulke rijpende zaadjes of rijpend kamma dat is verzameld. Het is moeilijk te zeggen hoe dit precies zit en gaat. Het advies is je hoofd er niet over te breken. De precieze details vormen het domein van de Boeddha's (zie reactie 21).

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 23-09-2015 17:46
Je bedoeld 'verzameld' hier niet in de zin van de indeling van karma in:

- karma dat gecreeerd is, maar niet verzameld
- karma dat verzameld is, maar niet gecreeerd
- karma dat zowel verzameld als gecreeerd is
- karma dat noch verzameld, noch gecreeerd is

of wel?
 
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 23-09-2015 18:36
Je bedoeld 'verzameld' hier niet in de zin van de indeling van karma in:

- karma dat gecreeerd is, maar niet verzameld
- karma dat verzameld is, maar niet gecreeerd
- karma dat zowel verzameld als gecreeerd is
- karma dat noch verzameld, noch gecreeerd is

of wel?

Ik heb dit onderscheid nog niet gezien maar ik gebruik het eigenlijk wel zo.

Iemand verzamelt kamma, -zo beschrijft Dagpo Rinpoche dat en ik zie geen afwijking met de sutta's-, wanneer er sprake is van (gerichte) wilsactiviteit. Bijvoorbeeld, je bent er echt op uit iemand te doden, gemotiveerd, er is die wilsactiviteit, en je brengt dit tot uitvoering en iemand sterf. Dan verzamel je het kamma van doden en je creëert ook het kamma van doden, want iemand sterft. Verzamelen draait om wat je zelf verzamelt, je laadt als het ware een schuld op je, er komt iets bij je.

Je kunt natuurlijk ook ongewild bijvoorbeeld een insect doden (de sutta's geven ergens het voorbeeld van mieren die door een blinde monnik per ongeluk worden gedood). Dan wordt het kamma van doden weliswaar gecreëerd, want de insecten zijn immers dood, maar je verzamelt dat kamma niet bij jezelf, omdat er geen sprake was van die wilsactiviteit. Je laadt als het ware geen schuld op jezelf.

Ook geldt, als je langdurige wilsactiviteit hebt om iemand te doden, je bent er langdurig op gericht, maar je ziet daar toch vanaf, dan verzamel je toch dit negatief kamma ook al is het niet gecreeerd. Je bent toch er mee beladen geraakt.

Dus, in het geval van verzamelen speelt wilsactiviteit een beslissende rol. Langdurige of intense wilsactiviteit rondt of als een mentale indruk. Dus zelfs wanneer de wilsactiviteit is beëindigd is daar nog wel een afdruk van bij je, een zaad. Zo'n zaadje, wanneer dit het gevolg is van onheilzame wilsactiviteit (tijdens voornemen of daad), kan pijnlijke gevoelens, ongemak en ziekten veroorzaken etc. Maar dat wil dus niet zeggen dat elk pijnlijk gevoel, ongemak en ziekte zo veroorzaakt wordt. Zie vorige tekst.

Je hebt dus kamma in de betekenis van wilsactiviteit gedurende voornemen en daad, en kamma in de betekenis van verzameld kamma, de sporen/zaden die van zulke wilsactiviteiten overblijven op je eigen geestesstroom en kunnen gaan rijpen.

Er is nog wel meer over te zeggen zoals je weet maar dit is zoals ik het gebruik.

Is het duidelijk zo of knelt er iets bij je?

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 23-09-2015 20:33
duidelijk
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 3.76 en 3.77
Bericht door: Passievrucht op 24-09-2015 09:45
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Kamma het Veld, Bewustzijn het Zaad, Begeerte het Vocht

Anguttara Nikaya 3.76 (6), Bestaan

Toen benaderde de Eerwaarde Ananda de Gezegende, betoonde hem eerbied, ging aan zijn zijde zitten en zei tegen hem:
“Bhante, er wordt gezegd: ‘bestaan, bestaan’. Op welke manier, Bhante, is er bestaan?”503
(1) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het zintuig-rijk was, zou dan zintuig-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte/hunkering, is kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor het zich vestigen van hun bewustzijn in een inferieur rijk. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.504
(2) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het vorm rijk was, zou dan vorm-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte, is  kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor het zich vestigen van hun bewustzijn in het middelste rijk. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.
(3) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het vormloze rijk was, zou dan vormloos-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte, is  kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor het zich vestigen van hun bewustzijn in een superieur rijk. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.
“Het is op deze manier, Ananda, dat er bestaan is”.

Anguttara Nikaya 3.77 (7), Wil en Aspiratie

Toen benaderde de Eerwaarde Ananda de Gezegende, betoonde hem eerbied, ging aan zijn zijde zitten en zei tegen hem:
“Bhante, er wordt gezegd: ‘bestaan, bestaan’. Op welke manier, Bhante, is er bestaan?”
(1) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het zintuig-rijk was, zou dan zintuig-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte, is kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor hun wil en aspiratie505 om in een lager rijk gevestigd te worden. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.
(2) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het vorm rijk was, zou dan vorm-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte, is  kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor hun wil en aspiratie om in een middelste rijk gevestigd te worden. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.
(3) “Indien, Ananda, er geen kamma rijpend in het vormloze rijk was, zou dan vormloze-sfeer bestaan worden onderscheiden?”
“Nee, Bhante.”
“Dus, Ananda, voor wezens belemmerd door onwetendheid en geketend door begeerte, is kamma het veld, bewustzijn het zaad en begeerte het vocht voor hun wil en aspiratie om in een superieur rijk gevestigd te worden. Op deze manier is er de voortbrenging van hernieuwd bestaan in de toekomst.
“Het is op deze manier, Ananda, dat er bestaan is”.

Noten

Noot 503: Bhava. Wat bedoeld wordt is een concrete staat van individueel bestaan in één van de drie rijken. Nibbana wordt bhavanirodha genoemd, de beëindiging van individueel bestaan”.
Noot 504: Ayatim punabbhavabhinibbatti hoti. Mp zegt het bewustzijn dat als het zaad (bija) dient, het karmisch actieve bewustzijn (abhisankharavinnanam) is, dat samen/co-ontstaat met kamma. Bij het benoemen van begeerte als het vocht (sneha) is een woordspel betrokken. Sneha, kan in Pali zowel vocht als affectie/(toe)genegenheid betekenen; in de laatste betekenis wordt sneha soms gebruikt als een synoniem voor begeerte. Het wedergeboorte proces wordt in gelijksoortige termen beschreven in SN 5.9, SN 12.64, SN 22.53, SN 54. Het “inferieure rijk” (hina dhatu) is het zintuig- rijk. Op dezelfde manier, net beneden (?, Siebe), is het “middelste rijk”(majjhima dhatu) het vorm rijk, en het “superieure rijk”(panita dhatu) is het vormloze rijk. Het pad van de Boeddha richt zich op het overwinnen van wedergeboorte in alle rijken”.
Noot 505: Cetana patitthita patthana patitthita: Mp: “De karmische wil en aspiratie”.

Groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 5.175 + 6.86
Bericht door: Passievrucht op 25-09-2015 10:20
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands]

Bijgelovig of gelovend in kamma?

Het geloof in kamma als kwaliteit

Anguttara Nikaya 5.175 (5), Candala

“Bhikkhu’s, in bezit van vijf kwaliteiten is een lekenvolgeling een candala van een lekenvolgeling, een smet van een lekenvolgeling, de laatste onder de lekenvolgelingen.1170 Welke vijf? (1) Hij is verstoken van vertrouwen; (2) hij is immoreel; (3) hij is bijgelovig en gelooft in veelbelovende tekenen, niet in kamma; (4) hij zoekt hier buiten naar een persoon die waard is om aan te offeren1171; en (5) hij doet eerst daar [verdienstelijke] daden. In bezit van deze vijf kwaliteiten is een lekenvolgeling een candala van een lekenvolgeling, een smet van een lekenvolgeling, de laatste onder de lekenvolgelingen.
“Bhikkhu’s, in bezit van vijf kwaliteiten is een lekenvolgeling een juweel van een lekenvolgeling, een rode lotus van een lekenvolgeling, een witte lotus van een lekenvolgeling. Welke vijf? (1) Hij is begiftigd met vertrouwen; (2) hij is deugdzaam; (3) hij is niet bijgelovig en gelooft in kamma, niet in veelbelovende tekenen; (4) hij zoekt niet buiten [de kloosterorde] naar een persoon die het waard is om aan te offeren; en (5) en hij doet eerst hier [verdienstelijke] daden. In bezit van deze vijf kwaliteiten is een lekenvolgeling een juweel van een lekenvolgeling, een rode lotus van een lekenvolgeling, een witte lotus van een lekenvolgeling.”

Noten

Noot 1170: [knip Pali tekst]. De cadala’s waren de laagste van de paria groep (of onaanraakbaren, Siebe).
Noot 1171: [knip Pali tekst]. Dat is, buiten de boeddhistische kloosterorde. Over de relatieve waarde van offers in termen van verdienste, zie MN142.

Kamma als Belemmering

Anguttara Nikaya 6.86 (2), Belemmeringen/Obstructies

“Bhikkhu’s, in bezit van zes kwaliteiten, zelfs als iemand luistert naar de goede Dhamma, is iemand niet in staat om de vaste koers te betreden [bestaand uit] de juistheid* in heilzame kwaliteiten.1433 Welke zes? (1) Iemand wordt belemmerd door kamma; (2) iemand wordt belemmerd door bezoedeling; (3) iemand wordt belemmerd door het gevolg [van kamma]; (4) iemand is zonder vertrouwen; (5) iemand is zonder verlangen; en (6) iemand is niet wijs.1434
In bezit van deze zes kwaliteiten, zelfs als iemand luistert naar de goede Dhamma, is iemand niet in staat om de vaste koers te betreden [bestaand uit] de juistheid in heilzame kwaliteiten.
“Bhikkhu’s, in bezit van zes kwaliteiten, terwijl iemand luistert naar de goed Dhamma, is iemand in staat de vaste koers te betreden [bestaande uit] de juistheid in heilzame kwaliteiten. Welke zes? (1) Iemand wordt niet belemmerd door kamma; (2) iemand wordt niet belemmerd door bezoedeling; (3) iemand wordt niet belemmerd door het gevolg [van kamma]; (4) iemand is begiftigd met vertrouwen; (5) iemand heeft verlangen; en (6) iemand is wijs. In bezit van deze zes kwaliteiten, terwijl iemand luistert naar de goede Dhamma, is iemand in staat de vaste koers te betreden [bestaande uit] de juistheid in heilzame kwaliteiten”.

Noten

* “rightness”: Hier wordt denk ik bedoeld de soort juistheid/gerechtigheid qua geweten en moraliteit.
Noot 1433: (er wordt bij deze noot o.a. verwezen naar noot 358 waar hetzelfde tekstfragment wordt besproken. Hier staat): [knip Pali tekst] “Dit is een technische uitdrukking die het betreden van het wereld-overstijgend pad aanduidt. Mp: “De vaste koers [bestaande uit] de juistheid in heilzame kwaliteiten: juistheid in heilzame kwaliteiten bestaande uit het betreden van het pad”. Hoewel “juistheid in heilzame kwaliteiten” dubbelop klinkt, wordt hier bedoeld, de harmonie en kracht van de heilzame kwaliteiten die nodig zijn om het pad van stroom-intrede te betreden. Voor meer over deze uitdrukking in AN, zie 5.151-53 en 6.86-88. Zie ook SN25.1-10, III 225-28, dat zegt dat bij het betreden van de “vaste koers van juistheid” (sammattaniyama) men de edele vlakte/niveau betreedt en ofwel een dhammanusari of een saddhanusari wordt.
Noot 1434: Mp: Belemmering door kamma (kammavaranata) vindt plaats door de vijf ernstige daden met ogenblikkelijk gevolg (zie AN 6.87). “Belemmering door bezoedeling (kilesavaranata) vindt plaats door verkeerde visie met vast gevolg (dat is, een ernstige verkeerde visie die de werking van kamma ontkent). Belemmering door gevolg (vipakavaranata) is een onheilzaam resulterende wedergeboorte of een wortelloze heilzame resulterende wedergeboorte”. Deze twee soorten van wedergeboorte bewustzijn missen de wortel van wijsheid en dus is iemand die door hen wedergeboren wordt, ook niet in staat op het pad te bereiken. Over de rol van wedergeboorte bewustzijn zie CMA 179, 194-95. Het soort verlangen dat nodig is (chanda) is, is heilzaam verlangen, verlangen om het goede te doen (kattukamyatachandam).

Groetjes,
Siebe
Titel: Kamma in relatie tot de Vier Edele Waarheden en Voorwaardelijk Ontstaan
Bericht door: Passievrucht op 26-09-2015 11:29
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. Sutta fragment door mij vertaald in Nederlands]

Kamma in relatie tot De Vier Edele Waarheden en Afhankelijk Ontstaan

Fragment uit Anguttara Nikaya 3.61

(...)
“En wat, bhikkhu’s, is de edele waarheid van lijden? Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, de dood is lijden; smart, geweeklaag, pijn, moedeloosheid en (doods)angst zijn lijden; niet krijgen wat je wilt is lijden; in het kort, de vijf aggregaten onderwerp/mikpunt van vastklampen zijn lijden. Dit wordt de edele waarheid van lijden genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is het edele waarheid van de oorsprong/oorzaak van lijden? Met onwetendheid als voorwaarde, [komen er] wilsactiviteiten noot Siebe; met wilsactiviteiten als voorwaarde, bewustzijn; met bewustzijn als voorwaarde, naam-en-vorm; met naam-en-vorm als voorwaarde, de zes zintuig bases; met de zes zintuig bases als voorwaarde, contact; met contact als voorwaarde, gevoel; met gevoel als voorwaarde, begeerte; met begeerte als voorwaarde, vastklampen; met vastklampen als voorwaarde, bestaan (soms ook ‘worden’ genoemd, Siebe); met bestaan als voorwaarde, geboorte; met geboorte als voorwaarde, komen ouderdom, de dood, smart, geweeklaag, moedeloosheid en doodsangst. Zo is het ontstaan van deze gehele overvloed aan lijden. Dit wordt de edele waarheid van de oorzaak van lijden genoemd438.
“En wat, bhikkhu’s, is de edele waarheid van het beëindigen van lijden? Met het zonder overblijfsel vervagen en beëindigen van onwetendheid komt de beëindiging van wilsactiviteiten; met het b0ëeindigen van wilsactiviteiten, beëindiging van bewustzijn; met het beëindigen van bewustzijn, beëindiging van naam-en-vorm; met het beëindigen van naam-en-vorm, beëindiging van de zes zintuig basis; met het beëindigen van de zes zintuig basis, beëindiging van contact; met het beëindigen van contact, beëindiging van gevoel; met het beëindigen van gevoel, beëindiging van begeerte; met het beëindigen van begeerte, beëindiging van vastklampen; met het beëindigen van vastklampen, beëindiging van bestaan; met het beëindigen van bestaan, beëindiging van geboorte; met het beëindigen van geboorte, eindigen ouderdom, de dood, smart, geweeklaag, moedeloosheid en (doods)angst. Zo is de beëindiging van deze gehele overvloed aan lijden. Dit wordt de edele waarheid van de beëindiging van lijden genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is de edele waarheid van de weg leidend naar de beëindiging van lijden? Het is eenvoudigweg dit edele achtvoudige pad; dat is, juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juist aandachtigheid en juiste concentratie. Dit wordt de edele waarheid van de weg leidend naar de beëindiging van lijden genoemd”.
(...)

Noten

Noot Siebe: Sankhara. Dit Pali woord wordt op verschillende manieren vertaald heb ik gezien. Als wilsformaties, als formaties en als wilsactiviteit. In AN wordt het als deze tweede schakel in 'afhankelijk ontstaan' vertaald als wilsactiviteiten (volitional activities).
Walshe schrijft in noot 4 bij de inleiding van Digha Nikaya: “De uiteenlopende betekenissen van dit woord zijn goed uiteengezet in BDic, de belangrijkste is die van ‘formaties (de Eerwaarde Nyanatiloka’s woord) in verschillende betekenissen. Hier betekent het ‘alles wat gevormd is of samengesteld’ in de meest algemene zin. In de formule van afhankelijk ontstaan wordt het weergegeven als ‘karma-formaties’, en geeft de karmische patronen aan, goed of slecht, voortgebracht door vroegere onwetendheid, die het toekomstige karakter van het individu gaan vormgeven. Als één van de vijf groepen van aggregaten (khandha’s) zijn de sankhara’s, ‘mentale formaties’, inclusief sommige functies die niet karmisch zijn”.
Dus in de formule van afhankelijk ontstaan verwijst sankhara het puur naar het wilsaspect, en in de khandha opsomming heeft sankhara een ruimere betekenis. Daar verwijst het naar de mentale formaties van wil, emotie en intellect.

In de algemene inleiding van Samyutta Nikaya van Bhikkhu Bodhi, deel I, staat op bladzijde 45:
(...) Dus sankhara’s zijn zowel dingen die samenstellen, construeren en verbinden en de dingen die samengesteld zijn, geconstrueerd zijn en verbonden zijn...
(1) Als de tweede factor in de formule van afhankelijk ontstaan, zijn sankhara’s de karmisch actieve wilsactiviteiten verantwoordelijk, in verbinding met onwetendheid en begeerte, voor het voortbrengen van wedergeboorte en het onderhouden van de voorwaartse beweging van samsara van het ene naar het andere leven. Sankhara is [hier] synoniem met kamma, waar het etymologisch verwant aan is, beide afgeleid zijnde van karoti. Deze sankhara’s worden als drievoudig onderscheiden door het kanaal waarin het tot uitdrukking komt, als lichamelijk, verbaal en mentaal (II 4, 8-10, etc.); ze zijn ook onderverdeeld naar ethische kwaliteit, in verdienstelijk, onverdienstelijk en onverstoorbaar (II 82, 9-13). Om de relevante betekenis van sankhara over te brengen, geef ik hier de term aan met “wilsformaties” (“volitional formations”, Siebe). Het woord kan ook vertaald zijn als “activiteiten” dat de verbinding met kamma expliciet/duidelijk maakt, maar deze weergave zou de connectie met sankhara in andere contexten dan afhankelijk ontstaan, verbreken, waarvan het wenselijk lijkt deze te behouden”. (In AN vertaalt Bodhi de tweede schakel als wilsactiviteiten (volitional activities, Siebe).

In de Majjhima Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi en Bhikkhu Nanamoli staat in de inleiding op bladzijde 30: (...) “Vanwege onwetendheid (avijja)- gedefinieerd als niet-kennis van de Vier Edele Waarheden- houdt een persoon zich bezig met wilsactiviteiten of kamma, die lichamelijk, verbaal of mentaal, heilzaam of onheilzaam kunnen zijn. Deze karmische activiteiten zijn de formaties (sankhara’s), en ze rijpen in staten van bewustzijn (vinnana)- eerst als het wedergeboorte bewustzijn op het moment van bevruchting en daarna als de passieve staten van bewustzijn resulterend vanuit kamma dat in de loop van een leven rijpt”(...).

Noot 438: "Dit is misschien een uniek geval waar de edele waarheden van de oorsprong/oorzaak en beëindiging van lijden worden uitgelegd door middel van de volledige twaalf factoren van afhankelijk ontstaan. In SN 12.43, II 72-73, wordt het ontstaan (samudaya) van lijden verklaard door middel van de schakels van bewustzijn via begeerte; diens heengaan (atthangama) door middel van de beëindiging van de schakels van begeerte via ouderdom en de dood. In de Chinese variant, MA 13 (in T I 435 a24-436 a10), worden de tweede en derde waarheden niet verklaard door middel van afhankelijk ontstaan maar volgens de gangbare formuleringen zoals gevonden in SN 56.11, V 421, en elders.

Voor meer details over kamma in relatie tot voorwaardelijk ontstaan: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,314.msg16746.html#msg16746

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Kamma in relatie tot de Vier Edele Waarheden en Voorwaardelijk Ontstaan
Bericht door: lord rainbow op 26-09-2015 15:01

Noten
Noot Siebe: Sankhara. Dit Pali woord wordt op verschillende manieren vertaald heb ik gezien. Als wilsformaties, als formaties en als wilsactiviteit.

Ook gehoord: karmische formaties.
Titel: Kamma in relatie tot beoefening/instructie
Bericht door: Passievrucht op 27-09-2015 11:26
Kamma in relatie tot Beoefening/Instructie

In deze post heb ik enige informatie verzameld over kamma die meer in de sfeer zit van beoefening en instructie. Een selectie uit enkele sutta’s uit Anguttara Nikaya die hoop ik een aardige indruk geven van Boeddha’s instructies aangaande kamma als wilsactiviteit en het niet creëren van nieuw kamma en het beëindiging van oud kamma.

Fragment uit AN. 3.133 (1), Een Krijger

(...) “Hier ziet een bhikkhu welke soort vorm dan ook- ofwel vroeger, toekomstig of actueel, intern of extern, grof of subtiel, inferieur of superieur, ver of dichtbij- aldus zoals het werkelijk is met correcte wijsheid: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’ (...).
[Hetzelfde doet de bhikkhu met gevoel, waarneming, bewustzijn en ook met wilsactiviteit. Alleen de laatste]: “Hier ziet een bhikkhu welke soort wilsactiviteit dan ook- ofwel vroeger, toekomstig of actueel, intern of extern, grof of subtiel, inferieur of superieur, ver of dichtbij- aldus zoals het werkelijk is met correcte wijsheid: ‘Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf’ (...).

Er worden wat dit betreft zes klassen van wilsactiviteit onderscheiden: met betrekking tot vormen, geuren, smaken, geluiden, tactiele waarnemingen en mentale verschijnselen (later daarover meer). Het gaat er om het bekende patroon te doorbreken van afstoten en aantrekken, willen en niet-willen waarnemen wat je waarneemt.

Dezelfde instructie komt op veel plaatsen voor in de Sutta Pitaka. In Anguttara Nikaya bijvoorbeeld ook in AN 4.181, 4.196.

Een net iets anders maar vergelijkbare manier is te lezen in het vers van Anguttara Nikaya 4.16 (6).

Vers uit AN 4.16
(...)
“Na het kennen van het verfijnde van vorm,
Het ontstaan van gevoelens,
Hoe waarnemingen ontstaan
En waar het verdwijnt;
Na het kennen van wilsactiviteiten
Als wezensvreemd, als lijden en niet als zelf
Waarlijk die bhikkhu die op de juiste manier ziet,
Vredevol, verheugt zich in de vredevolle staat.
Hij draagt zijn laatste lichaam,
Na Mara en zijn berg overwonnen te hebben”.

In Anguttara Nikaya 9.36 (5), genaamd Jhana, geeft de Boeddha aan dat de vernietiging van de asava’s plaatsvindt afhankelijk van de 8 jhana’s en de beëindiging van waarneming en gevoel. In die toestand van jhana’s (exclusief de basis van noch-waarneming-noch-niet-waarneming want die is te subtiel om verschijnselen met inzicht te beschouwen) instrueert de Boeddha dan:

(...) “Hij beschouwt welk verschijnsel daar dan ook bestaat met betrekking tot vorm, gevoel, waarneming, wilsactiviteiten en bewustzijn als vergankelijk, lijden, een ziekte, een puist, een angel, ellende, aandoening, wezensvreemd, desintegrerend, leeg en niet-zelf. Hij keert zijn geest af van die verschijnselen en richt het zo op het doodloze element: ‘Dit is vredevol, dit is subliem, dat is, het kalmeren van alle activiteiten, het loslaten van alle verworvenheden, de vernietiging van begeerte, vrede/bedaardheid, beëindiging, nibbana’. Als hij hier ferm in is, bereikt hij de vernietiging van de asava’s. Maar als hij niet de vernietiging van de asava’s bereikt vanwege die passie voor de Dhamma (voor kalmte en inzicht, zie noot 1917, Siebe), vanwege dat verheugen in de Dhamma (idem, Siebe), dan, met de volledige vernietiging van de vijf lagere ketens, wordt hij iemand van spontane wedergeboorte, dankzij welk hij het definitieve nibbana daar bereikt zonder ooit weer uit die wereld te vertrekken” (...).

Een soortgelijke tekst komt voor in Anguttara Nikaya 4.124 (4). Het gaat daar om dezelfde soort inzichtmeditatie maar toegepast op wat verschijnt in de eerste vier jhana’s. Tevens ontbreekt het deel om de geest te richten op het doodloze. In Anguttara 4.126 wordt de inzichtmeditatie toegepast op alles wat er aan geconditioneerde verschijnselen is (met betrekking tot vorm, gevoel, waarneming, wilsactiviteiten en bewustzijn) maar nu niet toegepast vanuit de jhana stadia maar vanuit de meditatie op de vier onmetelijken; liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, altruïstische vreugde en gelijkmoedigheid.

De bovenstaande beschouwingswijze kan in drie hoofd contemplaties verdeeld worden:
-De contemplatie van het vergankelijke karakter van geconditioneerde verschijnselen: “vergankelijk”, “desintegrerend” (anicca nupassana);
-De contemplatie van het pijnlijke/onbevredigende karakter van geconditioneerde verschijnselen; “lijden”, “ziekte”, “puist”, “angel”, “ellende”, “aandoening” (dukkha nupassana).
-De contemplatie van niet-zelf kenmerk van geconditioneerde verschijnselen: “wezensvreemd”, “leeg/ledig”, “niet-zelf” (anatta of sunnata nupassana).

De kern lijkt me steeds: ook wilsactiviteit is een geconditioneerde verschijnsel. Ook rijpend kamma.
Het kennen als vergankelijk, leedvol/niet aantrekkelijk, en niet-zelf. Er niet aan hechten. Het is een bijkomstigheid.
Van wilsactiviteit verwachten we vaak juist ons heil, investeren er flink in, maar ook dat dient uiteindelijk ook niet in ons voordeel. Want wat op basis van wil ontstaat of voortgebracht is, zal weer vergaan, is instabiel en in die zin draagt het zo de kiem van lijden al weer in zich. Het door wilsactiviteit voortgebrachte kan geen ultieme toevlucht zijn. Dit geldt voor uiterlijke zaken maar natuurlijk vooral ook innerlijke. Wat dat laatste betreft, het geldt ook voor de jhana’s. Dit is onderwerp in Anguttara Nikaya 11.16.

Fragment uit Anguttara Nikaya 11.16
Hier gaat een bhikkhu de jhana’s binnen en verwijlt er in...(...)...”hij overweegt dit en begrijpt het zo: ‘Deze eerste jhana is geconstrueerd en voortgebracht door wil. Maar wat dan ook voortgebracht is door wil, is vergankelijk, zal eindigen’. Als hij hierin ferm is, bereikt hij de vernietiging van de asava’s. Maar als hij niet de vernietiging van de asava’s bereikt vanwege die passie voor de Dhamma, dan, bij de volledige vernietiging van de vijf lagere ketens, wordt hij iemand van spontane wedergeboorte, dankzij welk hij het definitieve nibbana daar bereikt zonder ooit weer uit die wereld te vertrekken” (...).

Dit herhaalt zich dan in sutta voor de tweede, derde en vierde jhana en ook de vier onmetelijken die hier ook op basis van wil bestaan. Hierna gaat het verder op dezelfde wijze met de vormloze jhana’s, ‘de oneindigheid van ruimte’, ‘de oneindigheid van bewustzijn’ en ‘nietsheid’. Steeds beschouwt de beoefenaar: ‘dit is geconstrueerd en voortgebracht door wil. Maar wat dan ook voortgebracht is door wil, is vergankelijk, zal eindigen’. De basis van noch-waarneming-noch-niet-waarneming is niet inbegrepen want diens bouwstenen/samenstellende delen worden als te subtiel beschouwd om objecten te kunnen zijn voor contemplatie (zie noot 2227).

Dus wat op grond van wil wordt voortgebracht is vergankelijk en zal weer eindigen. Kan dus nooit een veilige toevlucht zijn. Is het een ontmoediging van jhana’s? Dat zeker niet. Het wil denk ik vooral tonen dat alles wat op basis van wil wordt voortgebracht, ook concentratiestaten, welke toestanden dan ook, dat is en blijft instabiel en draagt het leed van veranderlijkheid al weer in zich. Niks is vast te houden. Het geconditioneerde kan dus gewoon niet als toevlucht dienen. Dus ontgoocheling met het geconditioneerde. En zo zien wat mogelijk is inzake geluk/welzijn maar ook wat is onmogelijk. Wat is handig/wijs om aandacht te geven en in te investeren en wat niet?

Dat wat zonder wil, inspanningsvrij bestaat, geen product is van methode, beoefening, geloof, het ongeconditioneerde, dat kan eigenlijk alleen toevlucht zijn want dat is stabiel.
Daarom, de Boeddha onderwijst het Pad naar het Ongeconditioneerde.

Ik denk dat de sutta’s tonen dat dit ongeconditioneerde te midden van het geconditioneerde bestaat maar dat we het alleen moeten zien. Zoals AN 9.36 zegt (zie boven): “hij keert zijn geest af van geconditioneerde verschijnselen en richt zich zo op het doodloze element’. Mijns inziens drukt dit uit...dit doodloze, vredevolle element is er al. Het is de natuur van geest. Het is wie of wat we in essentie zijn. Dit ongeconditioneerde wordt niet voortgebracht door beoefening maar vraagt om gezien te worden. Het is begeerte, onze wellust, obsessie met geconditioneerde verschijnselen, ons heil dan weer eens hierin zoekend, dan weer eens daarin zoekend, waardoor het ongeconditioneerde ongezien blijft en daarmee de beëindiging van lijden.
Tot zover dit deel.

Anguttara Nikaya 9.66 bespreekt wilsactiviteit als een khandha, een mikpunt van vastklampen en bespreekt het ontwikkelen van mindfulness om afstand te doen van de vijf aggregaten.

Anguttara Nikaya 9.66 (4), Aggregaten

“Bhikkhu’s, er zijn deze vijf aggregaten onderwerp van vastklampen. Welke vijf? Het vorm aggregaat mikpunt van vastklampen, het gevoel aggregaat mikpunt van vastklampen, het waarneming aggregaat mikpunt van vastklampen, het wilsactiviteiten aggregaat mikpunt van vastklampen en het bewustzijn aggregaat mikpunt van vastklampen. Dit zijn de vijf aggregaten mikpunt van vastklampen. De vier vestigingen van mindfuless moeten worden ontwikkeld voor het afstand doen van deze vijf aggregaten. Welke vier? Hier verwijlt een bhikkhu terwijl hij het lichaam in het lichaam gewaar is*, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij gevoelens in gevoelens gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij verschijnselen in verschijnselen gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij geest in geest gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Deze vier vestigingen van mindfulness moeten ontwikkeld worden voor het afstand doen van deze vijf aggregaten die mikpunt zijn van vastklampen”

* “contemplating body in body...feeling in feeling...etc”.: ik vind dit lastig te vertalen maar volgens mij wordt bedoeld dat je het lichaam gewaar bent zoals in een lichaamsscan. Dus je voelt echt je lichaam, je bent het lichaam gewaar in het lichaam. Ook zo voor  de andere volgens mij. Dus volgens mij wordt hier heel iets anders bedoeld dan beschouwen, denken maar eerder voelen/ervaren/gewaarzijn/registeren.

Om geen nieuw kamma te verzamelen moedigt de Boeddha aan alle verschijnselen die je kunt ervaren via de zintuigen, inclusief mentale verschijnselen ...(...) “gelijkmoedig, aandachtig en op heldere wijze begrijpend”...te ervaren (zie reactie 25). Dat komt neer op keuzeloos of willoos gewaar zijn. Hoe meer de nadruk komt te liggen op puur  ervaren, hoe minder op oordelen. Hoe minder op oordelen (de wilsactiviteit van aantrekken en afstoten) hoe minder nieuw kamma je verzameld. Oud kamma zal waarschijnlijk ook wel rijpen gedurende de beoefening, bijvoorbeeld als mentale pijn. Er wel in contact mee zijn maar ook weer niet oordelend lijkt de manier om de brandstof van dit oude kamma te verbruiken.

Belangrijke kamma zuiverende krachten zijn:
- spijt,berouw(gebaseerd op inzicht)
- het voornemen, de onheilzame handeling niet meer te verrichten
- er iets positiefs tegenover stellen.
- de kracht van het object(hernieuwen van het toevlucht nemen).

Het goede of heilzame doen. Het kwade of onheilzame laten. En het zuiveren van de geest. 

Er kan natuurlijk veel meer over gezegd worden, maar tot zover.

Ter afronding van kamma in Anguttara Nikaya een sutta die wat dit betreft zicht geeft op de Boeddha

Anguttara Nikaya 10.81 (1), Bahuna

De Gezegende verbleef eens te Campa op een oever van de Gaggara Lotus Plas. Toen benaderde de Eerwaarde Bahuna de Gezegende, betoonde hem eerbied, ging aan zijn zijde zitten en zei tegen hem:
“Bhante, van hoeveel dingen is de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt?”
“Bahuna, het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt van tien dingen dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt. Welke tien? (1) Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van vorm dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt. (2-5). Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van gevoel...waarneming...wilsactiviteiten...bewustzijn dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt. (6)-(10). Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van geboorte...ouderdom...dood...lijden...bezoedelingen dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt.
“Net zoals een blauwe, rode of witte lotus bloem, hoewel geboren en ontluikend in het water, boven het water uitsteekt en daar onbezoedeld door het water staat, net zo, Bahuna, het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van deze tien dingen dat hij met een geest vrij van grenzen verwijlt”.

Dit besluit Anguttara Nikaya. Ik zal nu doorgaan met Samyutta Nikaya. Kan even op zich laten wachten.

Hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 27-09-2015 14:57

Anguttara Nikaya 9.66 bespreekt wilsactiviteit als een khandha, een mikpunt van vastklampen en bespreekt het ontwikkelen van mindfulness om afstand te doen van de vijf aggregaten.

Anguttara Nikaya 9.66 (4), Aggregaten

“De vier vestigingen van mindfuless moeten worden ontwikkeld voor het afstand doen van deze vijf aggregaten. Welke vier? Hier verwijlt een bhikkhu terwijl hij het lichaam in het lichaam gewaar is*, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij gevoelens in gevoelens gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij verschijnselen in verschijnselen gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Hij verwijlt terwijl hij geest in geest gewaar is, volijverig, helder begrijpend, na verlangen en moedeloosheid ten aanzien van de wereld verwijderd te hebben. Deze vier vestigingen van mindfulness moeten ontwikkeld worden voor het afstand doen van deze vijf aggregaten die mikpunt zijn van vastklampen”

* “contemplating body in body...feeling in feeling...etc”.: ik vind dit lastig te vertalen maar volgens mij wordt bedoeld dat je het lichaam gewaar bent zoals in een lichaamsscan. Dus je voelt echt je lichaam, je bent het lichaam gewaar in het lichaam. Ook zo voor  de andere volgens mij. Dus volgens mij wordt hier heel iets anders bedoeld dan beschouwen, denken maar eerder voelen/ervaren/gewaarzijn/registeren.

Vertaling de breet/janssen:

"En hoe is een monnik aandachtig?
Welnu een monnik blijft bij het lichaam (de gevoelens enz...),
het lichaam beschouwend, energiek, volbewust, aandachtig,
een einde makend aan de hunkering naar
en het verdriet om de wereld.
Zo is een monnik aandachtig.¨
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Samyutta Nikaya 46.26
Bericht door: Passievrucht op 01-10-2015 10:32
De komende tijd zal ik een selectie posten van sutta's over Kamma uit Samyutta Nikaya. Hieronder de eerste van de serie. Ik hoop dat het leerzaam zal zijn, Siebe


[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. II, Bhikkhu Bodhi, 2000. De sutta op enkele punten meer uitgewerkt. Waar "..." in de tekst staan herhaalt deze zich als eerder].

Met de Vernietiging van Begeerte komt de Vernietiging van Kamma. Met de vernietiging van Kamma, de vernietiging van Lijden

Samyutta Nikaya 46.26 (6), De Vernietiging van Begeerte

“Bhikkhu’s, ontwikkel het pad en de weg dat leidt naar de vernietiging van begeerte. En wat is het pad en de weg die leidt naar de vernietiging van begeerte? Het is: de zeven factoren van verlichting. Welke zeven? De verlichtingsfactor van indachtigheid, welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid/vrede, beëindiging, rijpend/volgroeiend in bevrijding. Hij ontwikkelt de verlichtingsfactor van het onderscheiden van staten dat gebaseerd is...de verlichtingsfactor van energie...de verlichtingsfactor van verrukking...de verlichtingsfactor van kalmte...de verlichtingsfactor van concentratie...de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid, beëindiging, rijpend in bevrijding”.
Toen dit werd gezegd vroeg de Eerwaarde Udayi de Gezegende: “hoe worden de zeven factoren van verlichting ontwikkeld en gecultiveerd zodat ze leiden naar de vernietiging van begeerte?”
“Hier, Udayi, ontwikkelt een bhikkhu de verlichtingsfactor van indachtigheid welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid, beëindiging, rijpend in bevrijding; welke uitgestrekt is, verheven, onmetelijk, zonder kwade wil. Wanneer hij de verlichtingsfactor van indachtigheid ontwikkelt welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid, beëindiging, rijpend in bevrijding; welke uitgestrekt is, verheven, onmetelijk, zonder kwade wil, wordt afstand gedaan van begeerte. Met het afstand doen van begeerte, wordt afstand gedaan van kamma. Met het afstand doen van kamma, wordt afstand gedaan van lijden...[voor de andere verlichtingsfactoren hetzelfde].
“Hij ontwikkelt de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid, beëindiging, rijpend in bevrijding; welke uitgestrekt is, verheven, onmetelijk, zonder kwade wil. Wanneer hij de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid ontwikkelt welke gebaseerd is op afzondering, bedaardheid, beëindiging, rijpend in bevrijding; welke uitgestrekt is, verheven, onmetelijk, zonder kwade wil, wordt afstand gedaan van begeerte. Met het afstand doen van begeerte, wordt afstand gedaan van kamma. Met het afstand doen van kamma, wordt afstand gedaan van lijden.
“Dus, Udayi, met de vernietiging van begeerte komt de vernietiging van kamma; met de vernietiging van kamma komt de vernietiging van lijden”.


hartelijke groet,
Siebe

 
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Samyutta Nikaya 12.37 en 35.146
Bericht door: Passievrucht op 02-10-2015 10:07
[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. II, Bhikkhu Bodhi, 2000. Waar "..." in de tekst staan herhaalt deze zich als eerder. Noten aangeduid met een * zijn door mij toegevoegd. De nummering van de andere noten verwijst naar de nummering van de eerwaarde Bhikkhu Bodhi].

Het lichaam en de zes interne zintuigbases als oud kamma, wat betekent dit?

Samyutta Nikaya 12.37 (7), Niet van Jullie

Te Savathhi. “Bhikkhu’s, dit lichaam is niet van jullie, noch behoort het anderen toe.110 Het is oud kamma, dat moet worden gezien als voortgebracht en vormgegeven door wil(sactiviteit), als iets wat gevoeld wordt111. Daarin, bhikkhu’s, besteedt de geïnstrueerde edele leerling als volgt zorgvuldig en oplettend aandacht aan afhankelijk ontstaan zelf: ‘Wanneer dit bestaat, komt dat te bestaan; met het ontstaan van dit, ontstaat dat. Wanneer dit niet bestaat, dan komt dat niet te bestaan; met de beëindiging van dit, eindigt dat. Dat is, met onwetendheid als voorwaarde komen er wilsformaties; met wilsformaties als voorwaarde, bewustzijn; met bewustzijn als voorwaarde, naam-en-vorm; met naam-en-vorm als voorwaarde, de zes zintuig bases; met de zes zintuig bases als voorwaarde, contact; met contact als voorwaarde, gevoel; met gevoel als voorwaarde, begeerte; met begeerte als voorwaarde, vastklampen; met vastklampen als voorwaarde, bestaan (soms ook ‘worden’ genoemd, Siebe); met bestaan als voorwaarde, geboorte; met geboorte als voorwaarde, komen ouderdom, de dood, smart, geweeklaag, moedeloosheid en doodsangst. Zo is het ontstaan van deze gehele overvloed aan lijden.
Maar met het zonder overblijfsel vervagen en beëindigen van onwetendheid komt de beëindiging van wilsactiviteiten; met het beëindigen van wilsactiviteiten, beëindiging van bewustzijn; met het beëindigen van bewustzijn, beëindiging van naam-en-vorm; met het beëindigen van naam-en-vorm, beëindiging van de zes zintuig basis; met het beëindigen van de zes zintuig basis, beëindiging van contact; met het beëindigen van contact, beëindiging van gevoel; met het beëindigen van gevoel, beëindiging van begeerte; met het beëindigen van begeerte, beëindiging van vastklampen; met het beëindigen van vastklampen, beëindiging van bestaan; met het beëindigen van bestaan, beëindiging van geboorte; met het beëindigen van geboorte, eindigen ouderdom, de dood, smart, geweeklaag, moedeloosheid en (doods)angst. Zo is de beëindiging van deze gehele overvloed aan lijden”.

Noot 110: Spk: Aangezien er feitelijk geen zelf is, is er niets dat aan een zelf toebehoort; dus zegt hij, “Het is niet van jullie”(na tumhakam). En aangezien er geen zelf van anderen is, zegt hij “noch behoort het anderen toe” (na pi annesam). Zie ook SN 22.33 en 35.101.
Noot 111: Spk:  Het is oud kamma (puranam idam kammam): Dit lichaam is niet feitelijk oud kamma, maar omdat het voortgebracht is door oud kamma wordt er over gesproken in termen van diens voorwaarde. Het dient gezien te worden als voortgebracht (abhisankhata) in die zin dat het gemaakt wordt door voorwaarden; als vormgegeven door wil(sactiviteit) (abhisancetayita), in die zin dat het gebaseerd is op wil(sactiviteit), geworteld in wil(sactiviteit); en als iets wat gevoeld wordt (vedaniya) in die zin dat het een basis is voor wat gevoeld wordt [Spk-pt: omdat het een basis en object van gevoel is].
Zie ook SN 35.146 (zie volgende suttar, Siebe) waar hetzelfde idee wordt uitgebreid tot de zes interne zintuigbases. Om het lichaam te beschouwen in termen van afhankelijk ontstaan, overweegt men dat dit lichaam ondergebracht kan worden onder “vorm” in de samenstelling “naam-en-vorm”. Men beschouwt dan dat naam-en-vorm in bestaan komt met bewustzijn, d.w.z. het wedergeboorte-bewustzijn, als een gelijktijdig opkomende voorwaarde, en dat zowel bewustzijn en naam-en-vorm ontstaan vanuit de wilsformaties, d.w.z. De karmische activiteiten van het voorgaande bestaan. Dus het thema van deze sutta is verbonden met de drie die er direct op volgen. (Dit zijn de drie cetana sutta’s die hier binnenkort worden gepost, Siebe)

Samyutta Nikaya 35.146 (1), Kamma

“Bhikkhu’s, ik zal jullie onderwijzen over nieuw en oud kamma, de beëindiging van kamma en de weg leidend naar de beëindiging van kamma. Luister daar naar en wees er met je aandacht goed bij, ik zal spreken...
“En wat, bhikkhu’s, is oud kamma? Het oog* is oud kamma, te worden gezien als voortgebracht en vormgegeven door wil(sactiviteit), als iets wat gevoeld wordt.146. Het oor is oud kamma...de neus is oud kamma...de tong is oud kamma...het lichaam is oud kamma...de geest is oud kamma, te worden gezien als voortgebracht en vormgegeven door wil(sactiviteit), als iets wat gevoeld wordt. Dit wordt oud kamma genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is nieuw kamma? Welke actie men dan ook nu doet** door lichaam, spraak en geest. Dit wordt nieuw kamma genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is het beëindigen van kamma? Wanneer men bevrijding bereikt door het beëindigen van lichamelijke actie, verbale actie en mentale actie**, dit wordt de beëindiging van kamma genoemd.
“En wat, bhikkhu’s, is de weg leidend naar de beëindiging van kamma? Het is dit Edele Achtvoudige Pad: dat is, juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste indachtigheid, juiste concentratie.
“Dus, bhikkhu’s, ik heb oud kamma onderwezen ik heb nieuw kamma onderwezen, ik heb de beëindiging van kamma onderwezen, ik heb de weg leidend naar de beëindiging van kamma onderwezen. Wat er dan ook gedaan dient te worden, bhikkhu’s, door een meedogende leraar vanuit mededogen met zijn leerlingen, hun welzijn verlangend, dat heb ik voor jullie gedaan. Dit zijn de voeten van de bomen, bhikkhu’s, dit zijn lege hutten. Mediteer, bhikkhu’s, wees niet nalatig anders heb je er later spijt van. Dit is onze instructie aan jullie.”

Noten

* met het oog wordt niet het letterlijk het fysieke oog bedoeld maar de interne zintuigbasis
** het lijkt me dat hier bedoeld wordt ...elke gewilde actie door lichaam, spraak en geest
Noot 146: Cp. 12.37 (zie boven, Siebe). Spk biedt hier in essentie dezelfde verklaring zoals die bij SN 12.37 noot 111, er aan toevoegend dat in deze sutta het voorbereidende stadium van inzicht (pubbabhagavipassana) wordt besproken.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Samyutta Nikaya 12.38
Bericht door: Passievrucht op 03-10-2015 11:11
[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. I, Bhikkhu Bodhi, 2000. De nummering van de noten verwijst naar de nummering van de eerwaarde Bhikkhu Bodhi].

In Anguttara Nikaya 6.63 wordt gezegd: “Het is wil(sactiviteit) (cetana, Siebe), bhikkhu’s, dat ik kamma noem. Want gewild hebbend, handelt men door lichaam, spraak en geest”. De komende tijd zal ik drie Cetana sutta's posten die verduidelijken wat cetana behelst en wat de rol van cetana is in afhankelijk ontstaan. Deze sutta’s zijn al eens eerder op het forum gepost. Ik heb ze iets gewijzigd. Verder heb ik nu ook de noten van de eerwaarde Bhikkhu Bodhi vertaald. Dat vond ik een hele klus maar het is wel handig denk ik.

De rol van cetana/kamma/wilsactiviteit in de voorwaartse beweging van afhankelijk ontstaan.

Samyutta Nikaya 12.38 (8}, Wil(sactiviteit) (1), Cetana (1)

Te Savatthi. “Bhikkhu’s, wat men zich voorneemt, en wat men van plan is, en waar men dan ook naar neigt/uitgaat: dit wordt een basis voor de instandhouding/handhaving/onderhoud van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen, is er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan. Wanneer er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan is, is er  toekomstige geboorte, verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid. Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden112.
“Als, bhikkhu’s, men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, maar men heeft nog altijd wel een neiging naar iets: wordt dit een basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen, is er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd worden. Wanneer er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd worden is, is er toekomstige geboorte, verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid. Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden113.
“Maar, Bhikkhu’s, wanneer men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, en men heeft geen neiging naar iets: bestaat er geen basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er geen basis is, is er geen ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn niet gevestigd wordt en niet tot wasdom komt, is er geen voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan. Wanneer er geen voortbrenging is van toekomstig hernieuwd bestaan, eindigen toekomstige geboorte, verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid. Zo is de beëindiging van deze gehele verzameling lijden”114

Noten

Noot 112: Spk: Hier behelst de zinsnede wat men zich voorneemt (ceteti), alle heilzame en onheilzame wilsactiviteit van de drie niveaus van bestaan (Engels; “planes”). Wat men van plan is(pakappeti), de mentale vormingen van begeerte en visies (tanhaditthikappa) in de acht citta’s vergezeld van hebzucht [Spk-pt: de vormingen van visies doen zich alleen voor in de citta’s verbonden met visies]; en waar men dan ook naar neigt/uitgaat (anuseti) betekent de onderliggende neigingen (anusaya) onder de rubriek/de kop van gelijktijdig opkomende- en beslissing ondersteunende voorwaarde voor de twaalf (onheilzame) wilsactiviteiten. (Over de twaalf onheilzame citta’s, zie CMA 1:4-7).
Dit wordt een basis (arammanam etam hoti): Deze uiteenlopende staten zoals wilsactiviteit worden een voorwaarde; want hier is het woord arammana bedoeld als voorwaarde (paccaya; dat is, hier beduidt arammana niet een object van bewustzijn, de gebruikelijke betekenis in de Abhidhamma). Voor de instandhouding van bewustzijn (vinnanassa thitiya): voor het doel van het in standhouden van het karmisch bewustzijn. Wanneer er deze voorwaarde is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn (patittha vinnanassa hoti), d.w.z. Voor het zich vestigen van dat karmisch bewustzijn [Spk-pt: het heeft een capaciteit om vruchten in iemands mentale continuüm voort te brengen]. Wanneer [dat] (karmisch) bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen (tasmim patitthite vinnane ... virulhe): wanneer het, na kamma opgewekt te hebben, is gegroeid, wortels heeft voortgebracht, door diens vermogen om wedergeboorte te versnellen (“precipitate”), is er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan.
Cp 12.64 en 22.53-54 beneden. AN I 223-24 verklaart het proces van hernieuwd bestaan in soortgelijke termen (zie noot 24). Ik zie de werkwoorden ceteti en pakappeti als zinspelingen op sankhara (die, als karmische activiteiten, uitdrukking zijn van cetana- zie AN III 415, kl7-8). Anuseti verwijst duidelijk naar anusaya of onderliggende neigingen, waarbij avijjanusaya is inbegrepen, de onderliggende neiging tot onwetendheid (=onwetendheid in de gebruikelijke formule van afhankelijk ontstaan) en raganusaya, de onderliggende neiging tot wellust (=begeerte in de gebruikelijke formule). De wijze waarop ze bewustzijn in standhouden/onderhouden is dus niet verschillend van de wijze waarop de wilsformaties, gevoed door onwetendheid en begeerte, dienen als de voorwaarde voor bewustzijn: samen, (onder)steunen ze de stroom van bewustzijn, bezielen het met karmische mogelijkheden voor hernieuwd bestaan, en werpen het in een nieuw bestaan, daarbij het proces op gang brengend dat tot een climax komt in geboorte. Ik ben het niet volledig met Spk eens dat het vinnana dat wordt “onderhouden” en “gevestigd” als het karmische bewustzijn ziet. Ik interpreteer het eenvoudigweg als het lopende/voortgaande proces van bewustzijn, met inbegrip van zowel de karmische actieve als de resulterende fasen. In SN 22.53-54 wordt over de andere vier aggregaten gesproken als de aramanna en patittha van vinnana, maar ik betwijfel of deze toepassing hier zal werken. Bij het gebruik van de categorieën van de Abhidhamma lijkt het er op dat in deze sutta de termen arammana en patitthia de beslissing ondersteunende voorwaarde (upanissayapaccaya) voor bewustzijn aanduidt, terwijl ze in de twee sutta’s van de Khandhasamyutta, ze de gelijktijdig opkomende voorwaarde en ondersteunende voorwaarden (sahajatapaccaya, nissayapaccaya) aanduiden.
Ik gebruik “wil(sactiviteit)” als een weergave van cetana maar “zich voorneemt” voor het overeenstemmende werkwoord ceteti; Ik gebruik “intentie”voor het (unrelated?, niet verbonden) zelfstandig werkwoord sankappa. Ik rechtvaardig deze ogenschijnlijke inconsistentie op grond van het feit dat in Pali het werkwoord sankappeti (overeenkomend met sankappa) zich zelden voordoet (als het zich al voordoet), terwijl het Engels een eenvoudig werkwoord mist overeenkomend met “wil(sactiviteit)” (“volition”, Siebe)
“Een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn”, is een weergave van patitthita vinnanassa. Ik vind dat “gevestigd” consistent beter werkt als een weergave van het deelwoord patitthita, maar “ondersteuning” voor het zelfstandig naamwoord patittha, dus om het deelwoord en het zelfstandig naamwoord in de huidige passage (en in SN 22.53-54) te overbruggen, heb ik deze samengestelde uitdrukking gesmeed.

Noot 113: Spk: Dit verwijst naar een moment waarin zich geen [heilzaam en onheilzame] wilsactiviteit van de drie niveaus van bestaan voordoet, en zich geen mentale vormingen voordoen van begeerte en visies.  Maar men heeft nog altijd een neiging: hiermee worden de onderliggende neigingen begrepen omdat er nog niet afstand van is gedaan hier in de resultanten van de drie niveaus van bestaan, in de beperkte functionele staten (de vijf-deur genoemde en geest-deur genoemde cittas (?, Siebe)), en in vorm. Zo lang de onderliggende neigingen bestaan, worden ze een voorwaarde voor het karmisch bewustzijn, want er is geen manier om diens ontstaan te voorkomen.
Spk-pt: Deze tweede sectie wordt verklaard om te tonen dat heilzaam en onheilzaam kamma dat in staat is om wedergeboorte voort te brengen, wordt verzameld in het voorbereidende deel (van het pad van beoefenen) en dat zelfs zonder het maken van plannen (door begeerte en visies), de wilsactiviteiten van inzichtmeditatie in een mediterende die de gevaren in bestaan heeft gezien, nog altijd geconditioneerd worden door de onderliggende neigingen en in staat zijn om wedergeboorte voort te brengen. Het wordt ook verklaard om te tonen dat zelf wanneer heilzame en onheilzame staten zich niet voordoen, er nog altijd een zich vestigen is van karmisch bewustzijn met onderliggende bezoedelingen als voorwaarde; want zo lang als van deze niet afstand is gedaan, liggen zijn ze latent aanwezig in de bestaande resultanten van de drie niveaus van bestaan, etc.

Noot 114: Spk: Wanneer men zich niets voorneemt, etc: Door de eerste zinsnede (“zich niets voorneemt”) toont hij dat de heilzame en onheilzame wilsactiviteiten met betrekking tot de drie niveaus van bestaan zijn geëindigd; met de tweede (“geen plannen maakt”), dat de begeerte en visies in de acht citta’s (vergezeld door hebzucht) zijn geëindigd; met de derde (“geen neiging heeft”) dat de onderliggende neigingen die latent aanwezig zijn in de eerdergenoemde staten geëindigd zijn. Wat wordt hier besproken? De functie van het pad van arahantschap (arahattamaggassa kiccam). Het kan ook geïnterpreteerd worden als de arahant die zijn taak doet (khinasavassa kiccakaranam) en de negen boven-wereldlijke paden (navalokuttaradhamma, d.w.z. De vier paden, hun vruchten en Nibbana)
Spk-pt: In deze sectie wordt de functie van het pad van arahantschap besproken omdat dat pad de voortbrenging (“production, Siebe) van de onderliggende neigingen volledig stopt.  “De arahant die zijn taak doet” kan gezegd worden vanwege de uitsluiting van gevoel, etc. (betekenis niet duidelijk). Er kan over de negen boven wereldlijke staten worden gesproken omdat de onderliggende neigingen ontworteld/vernietigd worden door de series van paden, en de vruchten volgen ogenblikkelijk op de paden, en Nibbana is het object van beide.
Ik begrijp het zo dat met het “niet gevestigde bewustzijn” (appatitthita vinnana) hier een bewustzijn wordt bedoeld zonder het vooruitzicht op een toekomstige wedergeboorte door de voortstuwende kracht van onwetendheid, begeerte en de wilsformaties. Van de arahant wordt gezegd dat hij overlijdt/expireert met bewustzijn “niet gevestigd”, zoals in SN4.23 en SN 22.87".

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Samyutta Nikaya 12.39 en 12.40
Bericht door: Passievrucht op 04-10-2015 11:01
[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. I, Bhikkhu Bodhi, 2000. Waar "..."in de tekst staan herhaalt deze zich als eerder. Een noot met een "*" is door mij toegevoegd. De andere noten en de nummering zijn van de eerwaarde Bhikkhu Bodhi].

De rol van Kamma/Cetana/Wil(sactiviteit) in de voorwaartse beweging van afhankelijk ontstaan

Samyutta Nikaya 12.39 (9), Wil(sactiviteit) (2), Cetana (2)

Te Savatthi. “Bhikkhu’s, wat men zich voorneemt, en wat men van plan is, en waar men dan ook naar neigt: dit wordt een basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen, is er een afdaling van naam-en-vorm115. Met naam-en-vorm als voorwaarde komen de zes zintuigbases [in bestaan]; met deze zes zintuigbases als voorwaarde, contact; met contact als voorwaarde, gevoel...begeerte...vastklampen...bestaan (wordt ook “worden” genoemd, Siebe)...geboorte; met geboorte als voorwaarde, komen verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid in bestaan. Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden.
“Als, bhikkhu’s, men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, maar men heeft nog altijd wel een neiging naar iets, wordt dit een basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom gekomen is, is er een afdaling van naam-en-vorm. Met naam-en-vorm als voorwaarde, komen de zes zintuigbases [in bestaan]... Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden.
“Maar, bhikkhu’s, wanneer men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, en men geen neiging naar iets heeft, bestaat er geen basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er geen basis is, is er geen ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn niet wordt gevestigd en niet tot wasdom komt, is er geen afdaling van naam-en-vorm. Met de beëindiging van naam-en-vorm komt de beëindiging van de zes zintuigbases....Zo is de beëindiging van deze gehele verzameling lijden”.

Noten

Noot 115: Namarupassa avakkanti. Zie SN 12.12, waar de voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan tussen bewustzijn en de zes zintuig bases wordt geplaatst. Deze samen nemend betekenen de twee sutta’s dat de “afdaling van naam-en-vorm” en de “voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan” onderling verwisselbaar zijn (dit ondanks de commentariële voorliefde om de laatste altijd als karmische actief bestaan te zien). Spk verklaart dat er een “link” (sandhi) is tussen bewustzijn en naam-en-vorm; dus in deze interpretatie beduidt bewustzijn het karmisch generatieve bewustzijn van het vorige bestaan, naam-en-vorm het begin van het huidige bestaan. Het lijkt me, echter, meer waarschijnlijk dat vinnana zich zowel over het vroegere leven als het huidige leven uitspreidt (Engels: “straddle”), als het principe van persoonlijke continuïteit.

Samyutta Nikaya 12.40 (10), Wil(sactiviteit) (3), Cetana (3)

Te Savatthi. “Bhikkhu’s, wat men zich voorneemt, en wat men van plan is, en waar men dan ook naar neigt: dit wordt een basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen, is er geneigdheid*. Wanneer er geneigdheid is, is er komen en gaan. Wanneer er komen en gaan is, is er heengaan en weer wedergeboren worden116. Wanneer er heengaan en wedergeboorte is, komen ook toekomstige geboorte, verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid te bestaan. Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden.
“Als, bhikkhu’s, men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, maar men heeft nog altijd wel een neiging naar iets, wordt dit een basis voor de instandhouding van bewustzijn...Zo is de herkomst van deze gehele verzameling lijden.
“Maar, bhikkhu’s, wanneer men zich niets voorneemt, en men geen plannen maakt, en men geen neiging naar iets heeft, bestaat er geen basis voor de instandhouding van bewustzijn. Wanneer er geen basis is, is er geen ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn niet wordt gevestigd en niet tot wasdom komt, is er geen geneigdheid. Wanneer er geen geneigdheid is, is er geen komen en gaan. Wanneer er geen komen en gaan is, is er geen heengaan en weer wedergeboren worden. Wanneer er geen heengaan en wedergeboorte is, eindigen toekomstige geboorte, verouderen-en-dood, smart, geweeklaag, pijn, ongenoegen en radeloosheid. Zo is de beëindiging van deze gehele verzameling lijden”.

Noten

* Inclination: Als niet psychologisch begrip kan het verwijzen naar een inclinatie, een helling, glooiingshoek. Dat geeft denk ik ook aan hoe het woord in een psychologisch of geestelijke context wordt gebruikt. Het kan dan o.a. betekenen: neiging, tendens, genegenheid, begeerte. The FreeDictionary geeft  (door mij vertaald): “een karakteristieke gezindheid of tendens om op een bepaalde manier te reageren; een neiging, beheptheid, geneigdheid. Geneigdheid leek me het meest geschikt.

Noot 116: Spk: Geneigdheid (nati) is begeerte (“craving”), “geneigdheid” genoemd in de zin van neigen naar (namanatthena) aangename vormen, etc. “Er is komen en gaan (agatigati): er is een gaan van bewustzijn door middel van wedergeboorte richting wat opgekomen is (bij de dood), zichzelf presenterend als kamma of het teken van kamma of het teken van toekomstige bestemming. (Er wordt gezinspeeld op de drie objecten van het laatste bewuste proces voorafgaande aan de dood; zie CMA 5:35-37). Er is heengaan, hier heengaand, en wedergeboren worden, wedergeboorte daar.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Samyutta Nikaya 22.56
Bericht door: Passievrucht op 05-10-2015 10:55
[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. I, Bhikkhu Bodhi, 2000. Noten niet op volgorde omdat het een fragment is uit een sutta en het me toch handig leek noot 82 toe te voegen. Dit fragment meer uitgewerkt dan het origineel waar vanwege herhaling "..." werden gebruikt]

Zes klassen van wilsformaties

Fragment uit Samyutta Nikaya 22.56 (4), Fasen van de Kleverige Aggregaten

(...)
“En wat, bhikkhu’s, zijn wilsformaties? Er zijn deze zes klassen van wil(sactiviteit)85: wil(sactiviteit) ten aanzien van vormen, wil(sactiviteit) ten aanzien van geluiden, wil(sactiviteit) ten aanzien van geuren, wil(sactiviteit) ten aanzien van smaken, wil(sactiviteit) ten aanzien van tactiele objecten, wil(sactiviteit) ten aanzien van mentale verschijnselen. Dit worden wilsformaties genoemd. Met het ontstaan van contact is er het ontstaan van wilsformaties. Met het beëindigen van contact is er het beëindigen van wilsformaties. Dit Edele Achtvoudige Pad is de weg leidend naar het beëindigen van wilsformaties; dat is, juist visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste indachtigheid en juiste concentratie.
“Welke asceten en brahmanen dan ook, die wilsformaties zo op rechtstreekse wijze kennen, diens ontstaan, diens beëindigen en de weg leidend naar diens beëindigen, zij beoefenen met de bedoeling zich af te keren*1 van wilsformaties, voor diens vervagen en beëindigen, zij beoefenen goed. Diegenen die op de goede manier beoefenen, hebben vaste voet verkregen in deze Dhamma en Discipline82.
“En welke asceten en brahmanen dan ook die zo op rechtstreekse wijze wilsformaties kennen, diens ontstaan, diens beëindigen, en de weg leidend naar diens beëindigen, worden middels het afkeren van wilsformaties, middels diens vervagen en beëindigen, bevrijd door niet-vastklampen (onthechting, Siebe), ze zijn op de juiste manier bevrijd. Diegenen die goed bevrijd zijn, zijn gerealiseerden. Wat deze gerealiseerden aangaat, er is geen ronde die ze beschrijft*2.
(...)

Noten

*1. “revulsion”; op een archaïsche manier (en dit past denk ik hier het beste) betekent het 'zich afkeren van', dus niet zozeer een afkeer van, maar een afkeren van. Men raakt er niet meer door bekoord. Men zoekt er geen heil meer in. Men neemt er geen toevlucht meer in. Stopt met investeren er in. Wilsformaties zijn ook maar geconditioneerde verschijnselen, niet-zelf, niet duurzaam, en worden ook gezien als corruptie van de geest. In talrijke sutta's komt dit aspect voor van het afwenden van het geconditioneerde. Er geen heil meer in zoeken en van verwachten. Je er niet mee vereenzelvigen. Het zien als louter verschijnselen die komen en gaan maar tijdelijk zijn, niet-zelf. Zo een realistische kijk ontwikkelen op wat geconditioneerde verschijnselen kunnen bieden als het gaat om welzijn. Wanneer de geest inziet dat dat wat komt en gaat geen toevlucht kan zijn en niet-zelf is, houdt ie op zich er aan vast te klampen. Wanneer de geest niet meer gehecht is, houdt ie ook op geagiteerd te zijn.

*2 “consummate ones...there is no round for describing them”. Dit verwijst naar de arahants die de taak hebben volbracht. Er is geen overblijvende cyclus van wedergeboorten meer. “round” kan ook verwijzen naar ‘basis’, dus er is geen basis voor de beschrijving van een arahant.

Noot 85: Het feit dat er een verschil is tussen de naam van het aggregaat (sankharakkhanda) en de (term van de) definitie (sancetana) geeft aan dat dit aggregaat een groter terrein beslaat dan de andere. In de Abhidhamma Pitaka en de commentaren wordt de sankharakkhanda behandeld als een “paraplu categorie” voor het classificeren van alle mentale factoren anders dan gevoel en waarneming. Wil(sactiviteit) wordt alleen genoemd als de belangrijkste factor in dit aggregaat, niet als diens enige bestanddeel.

Noot 82: Deze paragraaf toont leerlingen (sekha) die op directe wijze de Vier Edele Waarheden kennen en beoefenen voor het realiseren van Nibbana, de uiteindelijke beëindiging van de vijf aggregaten. Om deze reden wordt gezegd dat de leerlingen “vaste voet (gadhanti) hebben verkregen in deze Dhamma en Discipline”, in contrast met de arahants die hun werk hebben volbracht.

Persoonlijke bemerkingen


De soort wilsactiviteit in deze post zou ik in voorwaardelijk ontstaan plaatsen na de schakel gevoel. Met zintuiglijk contact als voorwaarde, ontstaat er bij zintuiglijke waarnemingen een bepaald gevoel. Wanneer er eenmaal zulke gevoelens zijn, ontstaan er ook wilsformaties. Je wilt ook iets met die gevoelens. Bijvoorbeeld ze vasthouden, herhalen, als ze aangenaam zijn. Of wellicht juist er van weg, afstoten, afkeren als ze onaangenaam zijn. Deze toch al bestaande neigingen worden zo opnieuw bevestigd en verder versterkt. Dat gaat richting sterkere ketening en niet richting meer vrijheid.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 05-10-2015 15:22
1 ...wat dan met de karmisch formaties tussen
onwetendheid en bewustzijn..?

2 Als je ze na gevoel zet, vallen ze dan samen met de schakel 'verlangen',
en is het meer een impliciet gebeuren..of zet je er een schakeltje bij?
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 05-10-2015 18:02
1 ...wat dan met de karmisch formaties tussen
onwetendheid en bewustzijn..?

2 Als je ze na gevoel zet, vallen ze dan samen met de schakel 'verlangen',
en is het meer een impliciet gebeuren..of zet je er een schakeltje bij?


de wilsformaties die onderwerp zijn van de vorige post die hebben 'contact' als voorwaarde. Dus dat kan niet gaan over de karmische formaties tussen onwetendheid en bewustzijn.
Ik plaats het dan onder begeerte. Er kan hebzucht ontstaan of bijvoorbeeld haat als begeertevolle reactie op gevoelens na zintuiglijke contact. Zulke hebzucht of haat kan het gedrag, verbaal en lichamelijk, gaan beinvloeden. Zie ik iets verkeerd? Het kan zijn dat ik niets begrijp en dan helpt het wanneer je bijvoorbeeld 'gewoon' jouw kennis deelt.

Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, SN 1.57, 3.20 en 3.22
Bericht door: Passievrucht op 06-10-2015 09:58
[Bron: Samyutta Nikaya, Vol. I, Eerwaarde Bhikkhu Bodhi, 2000].

Kamma bepaalt de bestemming. Als een schaduw blijft het bij je.


Samyutta Nikaya 1.57 (7), Voortbrengen (3)

“Wat is het dat een persoon voortbrengt?
Wat heeft hij dat in de rondte gaat?
Wat betreedt samsara?
Wat bepaalt zijn bestemming?”

“Begeerte is wat een persoon voortbrengt;
Zijn geest is wat in de rondte gaat;
Een wezen betreedt samsara;
Kamma bepaalt zijn bestemming.”

Slotverzen van Samyutta Nikaya 3. 20 (2), Kinderloos (2)

(...)
“Graan, rijkdom, zilver, goud,
Of welke andere bezittingen er ook zijn,
Slaven, werkers, boodschappers,
En die leven als afhankelijken van jou:
Zonder ook maar iets mee te nemen moet je gaan,
Alles moet achtergelaten worden.

“Maar wat je gedaan hebt door lichaam,
Of door spraak of geest:
Dit is wat werkelijk van jezelf is,
Dit neem je mee wanneer je gaat;
Dit is wat je verder volgt
Als een schaduw die nooit weggaat.

“Daarom dient men te doen wat goed is
Als een verzameling voor het toekomstig leven.
Verdiensten zijn de ondersteuning voor levend wezens
[wanneer ze geboren worden] in de andere wereld.”


Slotverzen van Samyutta Nikaya 3.22 (2), Grootmoeder

“Alle wezens zullen sterven,
Want het leven eindigt met de dood.
Ze zullen gaan overeenkomstig hun daden,
De vruchten oogstend van hun verdienste en kwaad:
De kwaaddoeners gaan naar de hel,
De verdienstelijken naar een gelukkig rijk.

“Daarom dient men te doen wat goed is
Als een verzameling voor het toekomstig leven.
Verdiensten zijn de ondersteuning voor levend wezens
[wanneer ze geboren worden] in de andere wereld.”

Dit besluit de selectie van sutta's over kamma in Samyutta Nikaya.

hartelijke groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 7
Bericht door: Passievrucht op 10-10-2015 11:06
[tekst afkomstig van: http://www.sleuteltotinzicht.nl/m007.htm, auteur: Peter van Loosbroek- Ananda, bijgewerkt op: 22 mei 2004. In de oorspronkelijke tekst kwamen hyperlinks voor die verwijzen naar meer informatie. Deze heb ik onderstreept gelaten. Gebruik eventueel de hyperlinks op de site voor meer informatie. “(...)” zijn toegevoegd door de auteur. Hier herhaalt de tekst zich zoals eerder]

Kwade daden wegwassen in de rivier? Het innerlijk bad van Dhamma-beoefening.

Majjhima Nikaya 7, Vatthupama Sutta, De gelijkenis van de doek

1. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. Daar wendde hij zich tot de monniken en zei: "Monniken." En zij antwoordden hem: "Eerwaarde Heer." En de Gezegende sprak toen als volgt:

2. "Monniken, veronderstel dat een doek bezoedeld en bevlekt zou zijn, en dat een verver deze in één of andere verf zou dompelen, of die nu blauw, geel, rood of paars zou zijn; de doek zou er armoedig gekleurd uitzien en de kleur zou onzuiver zijn. Waardoor komt dat? Dat komt doordat deze doek niet zuiver is. En ook zo, wanneer de geest bezoedeld is, kan een ongelukkige bestemming worden verwacht. Monniken, veronderstel dat een doek zuiver en helder is, en dat een verver deze dan in een of andere verf zou dompelen, of die nu blauw, geel, rood of paars zou zijn; de doek zou er goed gekleurd uitzien en zuiver van kleur zijn. Waardoor komt dat? Dat komt doordat deze doek zuiver is. En net zo, wanneer de geest onbezoedeld is, kan een gelukkige bestemming worden verwacht."

3. "Wat, monniken, zijn de onvolkomenheden die de geest bezoedelen (Ocittassa upakkilesa)? Begeerte en onrechtvaardige hebzucht is1 een onvolkomenheid die de geest bezoedelt2. Kwade wil (...) woede (...) wrok (...) minachting (...) een dominante houding (...) afgunst (...) gierigheid (...) illusie (...) fraude (...) stijfhoofdigheid (...) verwaandheid (...) eigendunk (...)
zelfverheffingswaan (...) ijdelheid (...) nalatigheid is een onvolkomenheid die de geest bezoedelt.

4. "Wetend dat begeerte en onrechtvaardige hebzucht een onvolkomenheid is die de geest bezoedelt, verlaat een monnik deze3. Wetend dat kwade wil (...) nalatigheid een onvolkomenheid is die de geest bezoedelt, verlaat een monnik deze."

5. "Wanneer een monnik eenmaal weet dat begeerte en onrechtvaardige hebzucht een onvolkomenheid is die de geest bezoedelt en deze verlaten heeft; wanneer een monnik eenmaal weet dat kwade wil (...) nalatigheid een onvolkomenheid is die de geest bezoedelt en deze verlaten heeft, bezit hij aldus een onwrikbaar vertrouwen (aveccappasada)4 in de Boeddha op deze manier: 'Deze Gezegende Heer is een Arahat, een Volledig Verlichte Boeddha, perfect in wijsheid en gedrag, de Goed-Gegane, kenner van de werelden, een onvergelijkbare trainer van wezens, een Leraar van goden en mensen, hij is de Verlichte, de Gezegende.'"

6. "Hij bezit een onwrikbaar vertrouwen in de Dhamma op deze manier: 'De Dhamma is goed verkondigd door de Gezegende, zichtbaar hier en nu, onmiddellijk effectief, nodigt uit tot onderzoek, leidt tot bevrijding en wordt door de wijzen zelf ervaren.'"

7. "Hij bezit een onwrikbaar vertrouwen in de Sangha op deze manier: 'De Sangha van de discipelen van de Gezegende beoefent de goede weg, beoefent de rechte weg, beoefent de ware weg, beoefent de juiste weg, dat wil zeggen, de vier paren van personen, de acht typen individuen. Deze Sangha van de discipelen van de Gezegende is giften waardig, is gastvrijheid waardig, is offerranden waardig, is waardig voor eerbiedige begroeting, het is een onovertrefbaar veld van verdiensten voor de wereld.'"

8. "Wanneer hij (de onvolkomenheden van de geest) heeft opgegeven, uitgedreven, losgelaten, verlaten en gedeeltelijk heeft laten varen5, overweegt hij aldus: 'Ik ben in het bezit van een onwrikbaar vertrouwen in de Boeddha', en hij verwerft inspiratie in de betekenis, hij verwerft inspiratie in de Dhamma, en hij verwerft blijheid die verbonden is met de Dhamma. Wanneer hij blij is, wordt vreugde in hem geboren; van iemand die vreugdevol is, wordt het lichaam kalm; iemand van wie het lichaam kalm is, voelt geluk; de geest van iemand die geluk voelt, raakt geconcentreerd6."

9. "Hij overweegt aldus: 'Ik ben in het bezit van een perfect vertrouwen in de Dhamma', en hij verwerft inspiratie in de betekenis, hij verwerft inspiratie in de Dhamma, en hij verwerft blijheid die verbonden is met de Dhamma. Wanneer hij blij is, wordt vreugde in hem geboren; van iemand die vreugdevol is, wordt het lichaam kalm; iemand van wie het lichaam kalm is, voelt geluk; de geest van iemand die geluk voelt, raakt geconcentreerd."

10. "Hij overweegt aldus: 'Ik ben in het bezit van een perfect vertrouwen in de Sangha, en hij verwerft inspiratie in de betekenis, hij verwerft inspiratie in de Dhamma, en hij verwerft blijheid die verbonden is met de Dhamma. Wanneer hij blij is, wordt vreugde in hem geboren; van iemand die vreugdevol is, wordt het lichaam kalm; iemand van wie het lichaam kalm is, voelt geluk; de geest van iemand die geluk voelt, raakt geconcentreerd."

11. "Hij overweegt aldus: 'De onvolkomenheden zijn door mij gedeeltelijk opgegeven, uitgedreven, losgelaten, verlaten en afgestaan, en hij verwerft inspiratie in de betekenis, hij verwerft inspiratie in de Dhamma, en hij verwerft blijheid die verbonden is met de Dhamma. Wanneer hij blij is, wordt vreugde in hem geboren; van iemand die vreugdevol is, wordt het lichaam kalm; iemand van wie het lichaam kalm is, voelt geluk; de geest van iemand die geluk voelt, raakt geconcentreerd."

12. "Monniken, als een monnik zulke deugdzaamheid heeft, van zulk een staat van concentratie is en zulke wijsheid heeft -- (en vervolgens) aalmoezenvoedsel eet dat bestaat uit heerlijke heuvelrijst met verscheidene sauzen en curry -- dan zal dat geen obstakel voor hem zijn. Net zoals een doek die bezoedeld en bevlekt is, zuiver en schoon wordt met behulp van helder water, of net zoals goud zuiver en stralend wordt met behulp van een vuurhaard; zo ook, als een monnik zulke deugdzaamheid heeft, van zulk een staat van concentratie is en zulke wijsheid heeft -- (en vervolgens) aalmoezenvoedsel eet dat bestaat uit heerlijke heuvelrijst met verscheidene sauzen en curry -- dan zal dat geen obstakel voor hem zijn."

13. "Hij vertoeft terwijl hij één kwadrant doordringt met een geest vol van liefdevolle vriendelijkheid (metta), zo ook het tweede kwadrant, zo ook het derde, zo ook het vierde; zo boven, beneden, rondom en overal, en naar allen zowel als naar hemzelf, vertoeft en verblijft hij terwijl hij de gehele wereld doordringt met een geest vol van liefdevolle vriendelijkheid, overvloedig, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwade wil."

14. "Hij vertoeft terwijl hij één kwadrant doordringt met een geest vol van mededogen (karuna) (...)."
15. "Hij vertoeft terwijl hij één kwadrant doordringt met een geest vol van meelevende vreugde (mudita) (...)."
16. "Hij vertoeft terwijl hij één kwadrant doordringt met een geest vol van gelijkmoedigheid (upekkha), zo ook het tweede kwadrant, zo ook het derde, zo ook het vierde; zo boven, beneden, rondom en overal, en naar allen zowel als naar hemzelf, vertoeft en verblijft hij terwijl hij de gehele wereld doordringt met een geest vol van gelijkmoedigheid, overvloedig, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwade wil."

17. "Hij begrijpt aldus: 'Daar is dit, daar is het lagere, daar is het hogere, en daaraan voorbij is een ontsnapping aan dit gehele veld van waarneming7.'"
18. "Wanneer hij aldus weet en ziet, is zijn geest bevrijd van de bezoedeling van zintuiglijke begeerte (kamasava), van de bezoedeling van begeerte naar bestaan (bhavasava), en van de bezoedeling van onwetendheid (avijjasava). Wanneer het (zijn geest) bevrijd is ontstaat de kennis: 'Het is bevrijd.' Hij begrijpt: 'Geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen enkel worden meer met betrekking tot elke staat van bestaan.' Monniken, deze monnik wordt genoemd: 'iemand die een innerlijk bad heeft gehad'."

19. Tijdens die gelegenheid zat de brahmaan Sundarika Bharadvaja niet ver van de Gezegende en zei: "Gaat Meester Gotama naar de Bahuka Rivier om te baden?"
"Wat voor zin heeft het om naar de rivier de Bahuka te gaan, brahmaan? Wat kan de rivier de Bahuka doen?"
"Meester Gotama, de rivier de Bahuka wordt door velen gezien als dat zij bevrijding schenkt, zij wordt door velen gezien als dat zij verdiensten geeft en velen wassen hun kwade daden weg in de rivier de Bahuka."
Toen sprak de Gezegende de brahmaan Sundarika Bharadvaja in versvorm aan:

Bahuka en Adhikakka,
Gaya en ook Sundarika,
Payaga en Sarassati,
en de rivier de Bahumati --
een dwaas kan er voor altijd baden
maar dit zuivert zijn donkere daden niet.
Wat kan de Sundarika terugdraaien?
Wat de Payaga? Wat de Bahuka?
Zij kunnen een boosdoener niet zuiveren,
een man die wreedheden
en beestachtige daden heeft verricht.
Iemand die zuiver in het hart is
heeft voor altijd de Feestdag van de Lente,
de Heilige Dag8;
iemand die eerlijk in zijn daad is,
iemand die zuiver in het hart is,
brengt zijn deugdzaamheid tot perfectie.
Het is in deze Leer, brahmaan,
waar jij zou moeten baden,
om van jezelf een toevlucht voor alle wezens te maken.
En als je geen leugens spreekt,
noch levende wezens kwelt,
noch dingen neemt die niet gegeven zijn,
als je geloof hebt en vrij van hebzucht bent,
wat heeft het dan voor zin om naar Gaya te gaan?
Elke waterput zou jouw Gaya kunnen zijn.

21. Toen dit was gezegd, zei de brahmaan Sundarika Bharadvaja: "Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Ik wil het thuisloze leven ingaan en de hogere inwijding nabij de Eerwaarde Gotama ontvangen."

22. Toen werd Sundarika Bharadvaja ingewijd als een leek en ontving de hogere inwijding nabij de Boeddha. Later, door een leven te leiden in afzondering, ijverig, energiek en met een vastbesloten wil, begreep, ervoer en verwezenlijkte hij in korte tijd, die hoogste perfectie van een edel leven waarvoor de zonen van goede gezinnen het huiselijke leven op harmonieuze wijze verlaten, en het thuisloze leven aangaan. Wedergeboorte werd ten einde gebracht; een edel leven was geleefd; wat gedaan moest worden was gedaan en in dit aardse bestaan was er niets anders meer wat nog gedaan moest worden: Sundarika Bharadvaja was een van de Arahats geworden.

Eindnoten

Noot 1: Hier wordt het enkelvoud aangehouden omdat begeerte en onrechtvaardige hebzucht in deze als één item in de opsomming beschouwd wordt.
Noot 2: MA biedt een aantal alternatieven voor begeerte (bhijjha) en onrechtmatige hebzucht (visamalobha), maar legt dan uit dat, vanuit het standpunt van de hogere training, dat alle hebzucht onrechtvaardig is en de twee termen daarom kunnen worden verstaan als louter verschillende namen voor dezelfde mentale factor, namelijk hebzucht of hartstocht.
Noot 3: MA vermeld dat het verlaten waarover hier gesproken wordt, begrepen moet worden als 'verlating door uitroeiing' (samucchedappahana), dat is: complete ontworteling door het bovenwereldse pad. De zestien bezoedelingen worden achtergelaten door de edele paden in de volgende volgorde:
Door het pad van de in de stroom getredene (sotapatti magga) worden de volgende factoren uitgeroeid (verlaten): 5. minachting; 6. een dominante houding; 7. afgunst; 8. gierigheid; 9. illusie.
Door het pad van de niet terugkerende (anagami magga) worden de volgende factoren uitgeroeid (verlaten): 2. kwade wil; 3. woede; 5. wrok of vijandigheid; 16. nalatigheid.
Door het pad van Heiligheid (arahatta magga) worden de volgende factoren uitgeroeid (verlaten): 1. begeerte en onrechtmatige hebzucht; 11. stijfhoofdigheid; 12. verwaandheid; 13. eigendunk; 14. zelfverheffingswaan; 15. ijdelheid.
MA handhaaft, door naar een oude verklarende bron te verwijzen, dat in deze passage het pad van de niet terugkerende is beschreven. Daarom moeten wij begrijpen dat de bezoedelingen die volledig achtergelaten worden door het pad van Arahatschap, op dit punt enkel -- in de zin van hun grovere manifestaties -- gedeeltelijk achtergelaten zijn.
Noot 4: Onwrikbaar vertrouwen in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha (aveccappasada) is een eigenschap van een edele discipel, d.w.z. iemand die één van de vier paden verworven heeft. Op het laagste niveau (sotapatti) is er reeds sprake van een perfect vertrouwen omdat hijzelf de waarheid van de Dhamma heeft gezien. Zie ook sotapannassa angani.
Noot 5: Deze vertaling volgt de interpretatie yatodhi en de verklaring van MA hier als de gedeeltelijke verlating van bezoedelingen door de eerste drie paden, in tegenstelling tot de volledige (anodhi) verlating van de bezoedelingen door het vierde en uiteindelijke pad. Bhikkhu Ñanamoli, die de interpretatie yathodhi volgt, vertaalt: "En welke (voor wat betreft deze onvolkomenheden) dan ook overeenkomstig binnen het gebied (van de drie eerste paden welke hij verworven heeft) opgegeven zijn -- zijn (voor altijd) gevallen, losgelaten, verlaten, opgegeven."
Noot 6: De Pali equivalenten zijn: blijheid (pamojja); vreugde (piti); kalmte (passaddhi); geluk (sukha); concentratie (samadhi). Voor meer informatie zie bojjhanga.
Noot 7: MA: De huidige paragraaf toont de inzicht meditatiebeoefening van de niet terugkerende gericht op Arahatschap en de daaropvolgende paragraaf toont zijn verwerkelijking van Arahatschap. De uitspraak, 'daar is dit' duidt op de waarheid van lijden; 'daar is het lagere', duidt op de oorzaak van lijden; 'daar is het hogere', duidt op de waarheid van het pad; en 'de ontsnapping aan dit gehele veld van waarneming', is Nibbana, de opheffing van lijden.
Noot 8: Er is een Pali woord phaggu dat verwijst naar een dag van brahmaanse zuivering in de maand Phagguna (februari - maart).

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 10-10-2015 16:13
Bij noot drie:

Waar is de eenmaal terugkerende?
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 10-10-2015 21:27
Bij noot drie:

Waar is de eenmaal terugkerende?

Goede vraag Dirk. Jij altijd met je kritische vragen :D

Het onderwerp bij noot 3 is complete ontworteling. Ik denk dat de eenmaal terugkerende ontbreekt in de opsomming omdat deze zintuiglijk verlangen en kwade wil/weerstand weliswaar afzwakt maar deze nog niet volledig heeft ontworteld. Door het pad van niet meer terugkeren wordt men ook volledig vrij van zintuiglijk verlangen en kwade wil.

In deze draad: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2120.msg15980.html#msg15980
wordt in deze context een onderscheid gemaakt tussen een grove keten van zintuiglijk verlangen en kwade wil/weerstand die door het pad van eenmaal terugkeren wordt afgesneden en een secundaire, subtielere vorm van zintuiglijk verlangen en kwade wil die dan ook nog door het niet-meer terugkeren pad wordt afgesneden.

Hier wordt hetzelfde net iets anders weer verwoord:
http://www.sleuteltotinzicht.nl/wbk.htm#ariya puggala/ariya

hartelijke groet,
Siebe




Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 45
Bericht door: Passievrucht op 11-10-2015 10:55
[tekst naar een vertaling ervan door Annaputta aan de hand van de volgende bronnen:
www.palikanon.de, Neumann, Karl Eugen (Übertr): Die Reden Gotamo Buddhos. Mittlere Sammlung. I. München 1922. Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikaya). Vol.1. The first fifty discourse (Mulapannasa). Oxford 2000.
Zie ook: https://sites.google.com/site/kammawilsacties/36a]. Enkele aanpassingen gedaan door mij.


Zaaien en oogsten

Majjhima Nikaya 45, Cūladhammasamādāna Sutta, De Kleine Toespraak Over de Manier van het Ondernemen van Dingen

Aldus heb ik gehoord. De Gezegende verbleef eens te Savatthi in Jeta’s Gaarde, Anathapindika’s Park. De Verhevene sprak er zo de monniken toe: “Monniken,”- “Eerwaarde heer, “ antwoordden ze. De Gezegende zei dit:
“Monniken, er zijn vier manieren van het ondernemen van dingen. Welke vier?
1. Een manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als pijn.
2. Een manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als pijn.
3. Een manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als genoegen.
4. Een manier van ondernemen van dingen doen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als genoegen.

Nu aangenaam, later pijn

Wat, monniken, is de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als pijn? Bhikkhu’s, er zijn bepaalde kluizenaars en brahmanen die onderrichten dat er geen kwaad schuilt in het genot van de zintuigen. Zij maken er een gewoonte van in zingenot te zwelgen, en vinden verstrooiing bij rondtrekkende vrouwen2, die hun haar in een knot gebonden dragen. Zij zeggen het volgende: ‘Welke toekomstige verschrikkingen zien die goede monniken en brahmanen in het zingenot wanneer zij praten over het afstand doen ervan en het volledig doorzien van het zingenot beschrijven? Aangenaam is de aanraking van de tedere, zachte, donzige arm van deze rondtrekkende vrouwen!’ Zo wennen zij eraan in zingenot te zwelgen. En ten gevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens. Zij zeggen dan: ‘Dit is de toekomstige verschrikking die de goede monniken en brahmanen in zingenot zagen, toen zij spraken over het afstand doen ervan en het volledige doorschouwen van zingenot beschreven. Want op grond van zingenot, ten gevolge van zingenot ondervinden wij nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens’.

Monniken, stel dat in de laatste maand van het warme seizoen een vruchtscheut van de Maluva-klimplant openbarstte en een zaadje ervan aan de voet van een Sala boom neerviel. Een deva die in die boom huisde, werd daarop bang, verontrust en hij sprong op van schrik. De vrienden en kameraden, naaste en verre familieleden – tuindevas, parkdevas, boomdevas en devas die geneeskrachtige kruiden, gras en machtige bomen bewonen3 – kwamen bijeen en stelden de deva gerust met de woorden: ‘Wees niet bang, heer, heb geen angst. Misschien zal het zaadje van die klimplant door een pauw of een wild dier opgegeten worden of een bosbrand zal het verbranden, of bosarbeiders dragen het weg, of witte mieren eten het op. Of het is misschien zelfs niet eens vruchtbaar.’
Toen werd het door de neerslag van een regenwolk vochtig en ontkiemde het. En de tedere, zachte, donzige rank van de klimplant wikkelde zich om die Sala boom heen. De deva die in de boom woonde, dacht toen: ‘Welke toekomstige verschrikkingen zagen mijn vrienden en familieleden in het zaadje van de Maluva-klimplant dat zij samenkwamen en mij op een dergelijke manier gerust stelden? De aanraking van de tedere, zachte, donzige rank is aangenaam.’
Toen omhulde die klimplant de Sala boom helemaal en kloofde de hoofdtakken van de boom. De deva die in de boom woonde realiseerde toen: ‘Dit is de toekomstige verschrikking die ze zagen in het zaadje van Mulava-klimplant. Wegens dat zaadje ondervind ik nu pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens’.
Op dezelfde manier, monniken, is het met bepaalde kluizenaars en brahmanen die onderrichten dat er niets kwaads schuilt in het genot van de zintuigen. Zij maken een gewoonte van zingenot, wennen eraan, zwelgen in zingenot en ten gevolge van die handelingen verschijnen zij na de dood in omstandigheden die vol ontberingen zijn, in een ongelukkige bestemming, in verdorvenheid, ja zelfs in de hel. Daar ondervinden zij pijnlijke, kwaalvolle, doorborende gevoelens. Dit wordt genoemd, de manier van  ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als pijn. 

Nu pijn, later pijn

En wat, monniken is de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als pijn? Iemand loopt naakt rond, zeden en gewoonten verwerpend. Hij likt zijn handen af, komt niet als erom gevraagd wordt, blijft niet staan als erom gevraagd wordt. Hij neemt geen eten aan dat hem gebracht wordt of dat voor hem gereed gemaakt wordt. Hij neemt geen uitnodiging aan om te komen eten. Hij ontvangt niets uit een pot, niets uit een schotel, niets dat over de drempel, een staf, een stamper aangereikt wordt. Hij ontvangt niets van twee die samen eten, van een zwangere, van een vrouw die borstvoeding geeft, van een vrouw die bij een man ligt, van een plaats waar de verdeling van eten is aangekondigd. Hij ontvangt niets waar een hond wacht, waar vliegen zoemen. Hij neemt geen vis of vlees aan, hij drinkt geen brandewijn, wijn of gefermenteerde brouwsels. Hij houdt zich aan één huishouden, één hap; hij houdt zich aan twee huishoudens, twee happen; hij houdt zich aan drie huishoudens, drie happen; hij houdt zich aan vier huishoudens, vier happen; hij houdt zich aan vijf huishoudens, vijf happen; hij houdt zich aan zes huishoudens, zes happen; hij houdt zich aan zeven huishoudens, zeven happen. Hij leeft van een volle lepel per dag, van twee volle lepels per dag, van drie volle lepels per dag, van vier volle lepels per dag, van vijf volle lepels per dag, van zes volle lepels per dag, van zeven volle lepels per dag. Hij neemt eenmaal per dag eten tot zich; hij neemt alle twee dagen eten tot zich; hij neemt alle drie dagen eten tot zich; hij neemt alle vier dagen eten tot zich; hij neemt alle vijf dagen eten tot zich; hij neemt alle zes dagen eten tot zich; hij neemt alle zeven dagen eten tot zich; en zo verder tot eenmaal per twee weken. Zo houdt hij zich bezig met de praktijk van eten slechts in vastgestelde tussenpozen tot zich te nemen. Hij eet loof of gierst of wilde rijst of spanen van schors, of mos of het kaf van rijst, of afval van rijst of sesam-meel, of gras of koemest. Hij leeft van wortels en vruchten uit het bos, hij voedt zich met afgevallen fruit. Hij kleedt zich in hennep, in hennep bevattende stof, in lijkgewaden, in lompen uit de afval, in boomschors, in antilopenvel, in vodden van antilopenvel, in weefsels van kusa-gras, in weefsels van boomschors, in weefsels van houtspanen, in wol van mensenhaar, in wol uit dierenhaar, in uilenvleugels. Hij is iemand die zich de haren en de baard uittrekt, die de praktijk van het haren en baard uittrekken uitoefent. Hij is iemand die steeds blijft staan en zitgelegenheden verwerpt. Hij is iemand die steeds op de grond hurkt. Hij is iemand die een mat uit doornen gebruikt; hij maakt een mat uit dorens tot zijn bed. Hij beoefent de praktijk driemaal per dag, ook 's avonds, om in het water te staan.
Op die manier houdt hij zich op veelvuldige manier bezig met de uitoefening van de praktijk waarbij hij het lichaam kwelt en doodt. Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit wordt genoemd, de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als pijn.

Nu pijn, later genoegen

En wat, monniken, is de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als genoegen? Hier, monniken, heeft iemand van nature een sterke begeerte in zich en ondervindt voortdurend pijn en droefheid geboren uit begeerte. Van nature heeft hij sterke haat in zich en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid geboren uit haat. Hij heeft van nature een sterke onwetendheid en voortdurend ondervindt hij pijn en droefheid geboren uit onwetendheid. In pijn en met droefheid, wenend met een gezicht dat door tranen overstroomd wordt, leidt hij desondanks het volmaakte en reine heilige leven. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit wordt genoemd, de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst rijpt als genoegen.

Nu aangenaam, later genoegen

En wat, monniken, is de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als genoegen? Hier, monniken, heeft iemand heeft van nature niet sterke begeerte in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid geboren uit begeerte. Hij heeft van nature niet sterke haat in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid geboren uit haat. Hij heeft van nature niet sterke onwetendheid in zich en hij ondervindt niet voortdurend pijn en droefheid geboren uit onwetendheid. Helemaal afgescheiden van zingenot, afgescheiden van onheilzame geestestoestanden treedt hij binnen in de eerste jhana, die met aanvankelijke en blijvende toewending van de geest begeleid is, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit afgescheidenheid ontstaan is. Met het kalmeren van aanvankelijke en blijvende toewending treedt hij binnen in de tweede jhana, die innerlijke rust en eenheid van de geest inhoudt, zonder aanvankelijke en blijvende toewending van de geest, en hij vertoeft erin, met vervoering en gelukzaligheid die uit concentratie is ontstaan. Met het vervagen van de vervoering, in gelijkmoedigheid vertoevend, oplettend en helder bewust, met lichamelijk beleefde gelukzaligheid, treedt hij binnen in de derde jhana waarvan de edelen zeggen: ‘gelukzalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en oplettendheid is,’ en hij vertoeft erin. Met het overwinnen van geluk en pijn en het al eerder verdwijnen van vreugde en droefheid treeft hij binnen in de vierde jhana. Deze heeft op grond van gelijkmoedigheid niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich maar wel zuiverheid van de oplettendheid, en hij vertoeft erin. Na de dood verschijnt hij op een gelukkige plaats van bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit wordt genoemd, de manier van  ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst rijpt als genoegen.
Dit zijn de vier manieren van ondernemen van de dingen.
 
Dat is wat de Verhevene zei. De monniken waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene”.

Noten (van K.E. Neumann)

(Noot 1 niet relevant en hier weggelaten)
Noot 2: Er hoeven geen prostituees mee bedoeld te zijn. Met het woord paribbājikā wordt bedoeld een rondtrekkende spiritueel zoekende. Rondtrekkende vrouwelijke asceet of rondtrekkende non is niet de juiste omschrijving, omdat bedoelde vrouwen met mannen omgang hebben naar het schijnt.
Noot 3: Een interessante toevoeging aan de veel besproken vraag of planten levende wezens zijn en pijn kunnen voelen. Blijkbaar kan het ‘zenuwsysteem’ van planten tot woonplaats dienen van fijnstoffelijke wezens. Dit is een mogelijke uitleg waarom volgens Boeddhistische leer planten geen kamma verrichten maar toch op mentale golven reageren.

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 46
Bericht door: Passievrucht op 12-10-2015 09:33
[tekst naar een vertaling er van door Annaputta aan de hand van de volgende bronnen:
www.palikanon.de, Neumann, Karl Eugen (Übertr): Die Reden Gotamo Buddhos. Mittlere Sammlung. I. München 1922. Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikaya). Vol.1. The first fifty discourse (Mulapannasa). Oxford 2000.
Zie ook: https://sites.google.com/site/kammawilsacties/36b. Enkele aanpassingen doorgevoerd door mij.


Lange toespraak over de manier van ondernemen van dingen

Het verschil tussen de onwetende persoon en de wijze persoon

Er zijn vier manieren waarop men een leven kan leiden:
(1) Men kan nu aangenaam leven maar onaangenaam later.
(2) Men kan nu onaangenaam leven en ook later.
(3) Men kan nu onaangenaam leven en aangenaam later.
(4) En men kan nu en ook later aangenaam leven.

Majjhima Nikaya 46, Mahādhammasamādāna sutta, De grote toespraak over de manier van  ondernemen van dingen

Aldus heb ik gehoord. De Gezegende verbleef eens te Savatthi in Jeta’s Gaarde, Anathapindika’s Park. De Verhevene sprak er zo de monniken toe: “Monniken,”- “Eerwaarde heer, “ antwoordden ze. De Gezegende zei dit:
“Monniken, in de meeste gevallen hebben levende wezens deze wens, dit verlangen, namelijk dat toch onwelkome, ongewenste, onaangename dingen zullen afnemen en welkome, aangename dingen zullen toenemen. Hoewel levende wezens deze wens hebben, nemen ongewenste, onaangename dingen voor hen toe, en gewenste, aangename dingen nemen af. De oorzaken hiervan zijn als volgt.
Een niet onderwezen doorsnee persoon die geen achting heeft voor de edelen en die in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die geen achting heeft voor oprechte mensen  en in hun Dhamma niet geoefend en geschoold is, die persoon weet niet welke dingen wel en welke dingen niet gecultiveerd moeten worden, hij weet niet welke dingen nagevolgd moeten worden en welke niet. Omdat hij dat niet weet, cultiveert hij dingen die niet gecultiveerd moeten worden en cultiveert hij geen dingen die wel gecultiveerd moeten worden. Hij volgt dingen na die niet nagevolgd moeten worden, en hij volgt niet de dingen na die wel nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste en aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die het niet begrijpt (het niet ziet).
De goed onderwezen edele leerling die achting heeft voor de edelen en die in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die achting heeft voor oprechte mensen en in hun Dhamma geoefend en geschoold is, die persoon weet welke dingen wel en welke dingen niet gecultiveerd moeten worden, hij weet wat nagevolgd moet worden en wat niet.
Omdat hij dat weet, cultiveert hij dingen die gecultiveerd moeten worden en cultiveert hij geen dingen die niet gecultiveerd moeten worden. Hij volgt dingen na die nagevolgd moeten worden, en hij volgt geen dingen na die niet nagevolgd moeten worden. Omdat hij dat doet, nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste en aangename dingen nemen toe. Waarom is dat zo? Dat gebeurt met iemand die het begrijpt.

Bhikkhu´s, er zijn vier manieren van ondernemen van dingen, namelijk
1. Een manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt;
2. Een manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt;
3. Een manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt;
4. Een manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt.

(De onwetende persoon)

Een onwetende die de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt, niet kent, begrijpt aldus niet in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu pijnlijk en rijpt in de toekomst als pijn’. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze manier en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die het niet begrijpt.
Een onwetende die de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt, niet kent, begrijpt aldus niet in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu aangenaam en rijpt in de toekomst als pijn. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze manier en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen toe, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt die het niet begrijpt.
Een onwetende die de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt, niet kent, begrijpt aldus niet in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu pijnlijk en rijpt in de toekomst als genoegen. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze manier niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die het niet begrijpt.
Een onwetende die de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt, niet kent, begrijpt aldus niet in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu aangenaam en rijpt in de toekomst als genoegen. Omdat hij dat niet weet en niet begrijpt, beoefent de onwetende deze manier niet maar vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem toe en welkome, gewenste, aangename dingen nemen af. Dat overkomt iemand die het niet begrijpt.

(De wijze persoon)

Een wijze die de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt, kent, begrijpt aldus in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu pijnlijk en rijpt in de toekomst als pijn’. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wijze deze manier niet en vermijdt ze. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt iemand die het begrijpt.
Een wijze die de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt, kent, begrijpt aldus in overeenstemming met de waarheid:
‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu aangenaam en rijpt in de toekomst als pijn’. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wijze deze manier niet en vermijdt ze. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt iemand die het begrijpt.
Een wijze die de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt, kent, begrijpt aldus in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu pijnlijk en rijpt in de toekomst als genoegen’. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wijze deze manier en vermijdt ze niet. Daarom nemen voor hem onwelkome, ongewenste, onaangename dingen af, en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt iemand die het begrijpt.
Een wijze die de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt, kent, begrijpt aldus in overeenstemming met de waarheid: ‘Deze manier van ondernemen van dingen is nu aangenaam en rijpt in de toekomst als genoegen’. Omdat hij dat weet en begrijpt, beoefent de wijze deze manier en vermijdt ze niet. Daarom nemen onwelkome, ongewenste, onaangename dingen voor hem af en welkome, gewenste, aangename dingen nemen toe. Dat overkomt iemand die het begrijpt.

(De vier manieren)

(1) Wat, bhikkhu´s is de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt?
Wel, iemand met pijn en droefheid doodt levende wezens en hij ondervindt pijn en droefheid die het doden van levende wezens als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het nemen van wat niet is gegeven als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid oefent hij verkeerd gedrag uit bij zingenot en hij ondervindt pijn en droefheid die het verkeerde gedrag bij zingenot als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt pijn en droefheid die het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt pijn en droefheid die hatelijk spreken als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt pijn en droefheid die het gebruik van grove woorden als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid kletst hij en hij ondervindt pijn en droefheid die het kletsen als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid is hij hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die hebzucht als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid is zijn geest vol kwade wil en hij ondervindt pijn en droefheid die kwade wil als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt pijn en droefheid die verkeerde visie als voorwaarde hebben.
Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt.

(2) Wat, bhikkhu´s, is de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt?
Iemand vol genoegen en vreugde doodt levende wezens en hij ondervindt genoegen en vreugde die het doden van levende wezens als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde neemt hij wat niet is gegeven en hij ondervindt genoegen en vreugde die het nemen van wat niet is gegeven als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde oefent hij verkeerd gedrag uit bij zingenot en hij ondervindt genoegen en vreugde die het verkeerde gedrag bij zingenot als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde spreekt hij de onwaarheid en hij ondervindt genoegen en vreugde die het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde spreekt hij hatelijk, vijandig, en hij ondervindt genoegen en vreugde die hatelijk spreken als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde gebruikt hij grove woorden en hij ondervindt genoegen en vreugde die het gebruik van grove woorden als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde kletst hij en hij ondervindt genoegen en vreugde die het kletsen als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde is hij hebzuchtig en hij ondervindt genoegen en vreugde die hebzucht als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde is zijn geest vol kwade wil en hij ondervindt genoegen en vreugde die kwade wil als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde heeft hij verkeerde visie en hij ondervindt genoegen en vreugde die verkeerde visie als voorwaarde hebben.
Na de dood verschijnt hij in omstandigheden die vol ontberingen zijn, op een ongelukkige bestemming, in verdoemenis, ja zelfs in de hel. Dit noemt men de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt.

(3) Wat, bhikkhu´s, is de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt?
Iemand vol pijn en droefheid onthoudt zich van het doden van levende wezens en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het doden van levende wezens als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zingenot en hij ondervindt pijn en droefheid die zich onthouden van verkeerd gedrag bij zingenot als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van hatelijk spreken als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt pijn en droefheid die het zich onthouden van kletsen als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt pijn en droefheid die afwezigheid van hebzucht als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid heeft hij geen kwade wil en hij ondervindt pijn en droefheid die het hebben van geen kwade wil als voorwaarde hebben.
Vol pijn en droefheid heeft hij juiste visie en hij ondervindt pijn en droefheid die juiste visie als voorwaarde hebben.
Na de dood verschijnt hij op een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt.

(4) Wat, bhikkhus, is de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt?
Iemand vol genoegen en vreugde onthoudt zich van het doden van levende wezens en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van het doden van levende wezens als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan te nemen wat niet is gegeven en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van te nemen wat niet is gegeven als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan verkeerd gedrag uit te oefenen bij zingenot en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van verkeerd gedrag bij zingenot als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan de onwaarheid te spreken en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van het spreken van de onwaarheid als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan hatelijk, vijandig te spreken en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van hatelijk spreken als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan grove woorden te gebruiken en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van het gebruik van grove woorden als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde onthoudt hij zich ervan te kletsen en hij ondervindt genoegen en vreugde die het zich onthouden van kletsen als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde is hij niet hebzuchtig en hij ondervindt genoegen en vreugde die afwezigheid van hebzucht als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde heeft hij geen kwade wil en hij ondervindt genoegen en vreugde die het hebben van geen kwade wil als voorwaarde hebben.
Vol genoegen en vreugde heeft hij juiste visie en hij ondervindt genoegen en vreugde die juiste visie als voorwaarde hebben.
Na de dood verschijnt hij in een gelukkige bestemming, ja zelfs in de hemelse wereld. Dit noemt men de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt.

(De gelijkenissen)

Bhikkhu´s, stel dat er een bittere pompoen is gemengd met vergif. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die plezier wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat die pompoen met vergif gemengd is en dat hij ervan kan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen en dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder na te denken drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan slecht en hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Net zo is het met de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als pijn rijpt.
Stel dat er een bronzen kopje is vol met een drank die een goede kleur, een goede smaak en goede geur heeft. Maar er zit vergif in. Iemand die wil leven, die niet wil sterven, die plezier wil hebben en die terugdeinst voor pijn, komt naderbij. Men zegt hem dat de drank in het bronzen kopje een goede kleur, goede smaak en goede geur heeft, maar dat de drank met vergif gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen maar dat hij daarna zal sterven of dodelijk lijden zal ondervinden. Zonder na te denken drinkt die persoon ervan; hij ziet er niet van af. Na ervan gedronken te hebben bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan goed maar hij sterft of ondervindt dodelijk lijden. – Net zo is het met de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als pijn rijpt.
Stel dat er gegiste urine is gemengd met verschillende medicijnen. Iemand die aan geelzucht lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat de gegiste urine met verschillende medicijnen is gemengd. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem niet goed zullen bekomen maar dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon drinkt ervan na er over nagedacht te hebben; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan slecht, maar daarna wordt hij gezond. – Net zo is het met de manier van ondernemen van dingen die nu pijnlijk is en die in de toekomst als genoegen rijpt.
Stel dat er een mengsel is van yoghurt, honing, botervet en melasse. Iemand die aan dysenterie lijdt, komt naderbij. Men zegt hem dat het een mengsel is van yoghurt, honing, botervet en melasse. Hij kan ervan drinken als hij wil. Ook zegt men hem dat de kleur, de geur en de smaak ervan hem goed zullen bekomen en dat hij daarna gezond zal worden. Die persoon drinkt ervan na er over nagedacht te hebben; hij ziet er niet van af. Wanneer hij ervan drinkt, bekomt hem de kleur, de reuk en de smaak ervan goed en daarna wordt hij gezond. – Net zo is het met de manier van ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt.
Net zoals de zon in de herfst, in de laatste maand van de regentijd, wanneer de hemel helder en zonder wolken is, zich verheft boven de aarde en met haar licht, haar stralen, haar glans elke duisternis in de ruimte verdrijft, evenzo verdringt de manier van  ondernemen van dingen die nu aangenaam is en die in de toekomst als genoegen rijpt, met haar licht, haar stralen, haar glans elke andere leer van doorsnee kluizenaars en brahmanen.

Zo sprak de Verhevene. De bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 56
Bericht door: Passievrucht op 14-10-2015 10:09
[bron: Majjhima Nikaya, oorspronkelijke vertaling door Bhikkhu Nanamoli, bewerkt en herzien door Bhikkhu Bodhi, Buddhist Publication Society, 1995]

Over de Zwaarte van de Daad/Kamma

De visie van de Boeddha afgezet tegen die van de Nigantha’s (Jains).

De visie van de Boeddha over de zwaarte van de daad wordt hier belicht door deze te plaatsen tegenover deze van de Jain leraar genaamd Nigantha Nataputta. De leer van de Niganthas verschilde op een aantal punten van die van de Boeddha. Zo hadden de Nigantha’s o.a. een doctrine dat je via strenge beoefening (ascese) oude wandaden kon uitboeten en door geen nieuwe wandaden te begaan, kon men, kort gezegd, zo lijden beëindigen en bevrijding realiseren. De Boeddha onderwees niet de zuivering van wandaden door strenge ascese. Een ander verschil komt ter sprake in deze onderhavige sutta, namelijk een verschillende visie over de zwaarte of ernst van de soort daad of activiteit. Is nu de fysieke daad het ernstigst of misschien de verbale of de mentale? Ik heb deze sutta in fragmenten vertaald. Voor wie de gehele sutta in het Nederlands wil lezen:
http://www.suttas.net/suttas/majjhima-nikaya/mn56-upali-sutta.php
 
Fragmenten Majjhima Nikaya 56, Upali Sutta, Aan Upali

De Gezegende vroeg: “Tapassi (een leerling Nigantha), hoeveel soorten acties beschrijft de Nigantha Nataputta voor het uitvoeren van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad?”
“Vriend Gotama, de Nigantha Nataputta is niet gewend om de omschrijving ‘actie, actie’ te gebruiken; de Nigantha Nataputta is gewend om de omschrijving ‘roede, roede’ te gebruiken”.579
“Dan, Tapassie, hoeveel soorten van roede omschrijft de Nigantha Nataputta voor de uitvoering van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad?”
“Vriend, Gotama, de Nigantha Nataputta omschrijft drie soorten roede voor de uitvoering van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad; dat is, de lichamelijke roede, de verbale roede en de mentale roede”.580
(...)
“Van deze drie soorten roede, Tapassie, aldus geanalyseerd en onderscheiden, welke soort roede beschrijft de Nigantha Nataputta als het meest afkeuringwaardig/laakbaar voor het uitvoeren van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad: de lichamelijke roede of de verbale roede of de mentale roede?”
“Van deze drie soorten roede, vriend Gotama, aldus geanalyseerd en onderscheiden, omschrijft de Nigantha Nataputta de lichamelijk roede als het meest afkeuringwaardig voor het uitvoeren van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad en niet zo erg de verbale roede en de mentale roede.”

Tapassi herhaalt dit standpunt desgevraagd drie maal aan de Boeddha. Daarna vraagt de Nigantha Digha Tapassie hoeveel soorten roede de Boeddha onderscheidt. De Boeddha maakt duidelijk dat hij in zijn leer niet over ‘danda/roede’ spreekt maar over ‘actie/daad’.
(...)
“Tapassie, ik beschrijf drie soorten acties voor de uitvoering van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad: dat is, lichamelijke actie, verbale actie en mentale actie”.

Welke is volgens de Boeddha het meest afkeuringwaardig voor het uitvoeren van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad?
(...)
“Van deze drie soorten acties, Tapassi, aldus geanalyseerd en onderscheiden, omschrijf ik de mentale actie als de meest afkeuringwaardig voor het uitvoeren van een slechte daad, voor het begaan van een slechte daad, en niet zo erg de lichamelijke actie en verbale actie581.
De Boeddha herhaalt dit desgevraagd drie maal aan Tapassi. Zo gaan ze uit elkaar.
Tapassi bezoekt hierna zijn leraar Nigantha Nataputta en de leraar is tevreden over hoe zijn leringen zijn overgedragen door zijn leerling. (...) “wat stelt deze triviale mentale roede nou voor in vergelijking met de grove lichamelijke roede?”

De huishouder Upali hoort dit gesprek tussen leraar en leerling Nigantha aan en is het er mee eens. Hij vat het plan op in debat te gaan met de Boeddha en hem om de oren te slaan met dit geweldige standpunt. Strijdlustig gaat Upali naar de Boeddha. Tapassi heeft meteen zijn bedenkingen want die kluizenaar Gotama is een magiër die mensen van andere sekten weet te bekeren.

Het debat vangt toch aan en Upali herhaalt nog maar eens dat de mentale roede triviaal is vergeleken met de fysieke roede/daad. Er ontstaat dan een vraaggesprek. Ik zal kort de argumenten samenvatten die de Boeddha geeft en die weerleggen dat de mentale daad triviaal is, zelfs duidelijk maken dat deze zeer bepalend is, ook binnen de leer van de Nigantha’s:
1. Iemand kan zich houden aan de lichamelijke en verbale regels van de Nigantha’s, geen wandaden begaan via deze poorten, maar door de mentale roede, in de visie van Nigantha’s, wedergeboren worden onder goden genaamd ‘geest-gebonden’. Waarom geest-gebonden? Omdat hij toch niet vrij was van (mentale) gehechtheid. Blijkbaar is dus de mentale roede/daad/actie ook in de leer van de Nigantha’s toch niet zo onbelangrijk als deze de bestemming van wedergeboorte in dit geval bepaalt.
2. Wat niet gewild wordt, zoals niet-intentioneel of per ongeluk wezens doden, is in de discipline van de Nigantha’s (en ook de Boeddha) niet erg afkeuringwaardig. Maar volgens de Nigantha’s wel als men het wil. Dus wil is een beslissende factor. Aangezien wil een mentale zaak (roede) is, is dus ook in dit geval de mentale daad niet te bezien als iets triviaals, integendeel, zelfs niet in de leer van Nigantha’s.
3. Iemand kan magische vermogens en meesterschap over de geest bezitten en zou met een daad van mentale haat een stad tot as kunnen reduceren. Upali erkent dat zulke vermogens bestaan. Dus de mentale roede is zeker niet triviaal.
4. Vergelijkbaar met het voorgaande: zieners hebben met een mentale daad van haat vroeger vier bossen gecreëerd. Blijkbaar is de mentale daad dus niet zo onbeduidend.

De huishouder Upali was eigenlijk al bij het eerste argument overtuigd zegt hij maar verlangde nog meer te horen. De huishouder Upali neemt toevlucht tot de Boeddha. De Boeddha moedigt Upali aan grondig te onderzoeken. Na te zijn onderwezen door de Boeddha in verschillende thema’s, verrees in Upali de smetteloze onberispelijke visie van de Dhamma: “Alles wat onderhevig is aan ontstaan, is onderhevig aan beeindiging”. 588 Toen zag de huishouder Upali de Dhamma, bereikte de Dhamma, begreep de Dhamma, doorgrondde de Dhamma; hij ging voorbij twijfel, deed afstand van verwarring, verwierf onversaagdheid en werd van anderen onafhankelijk in de leraars religieuze systeem”.*589

Noten


Noot 579: Danda, oorspronkelijk een stok of staf, verkrijgt [hier] de betekenis van roede als een instrument om mee te straffen, en krijgt derhalve de betekenis van bestraffing of belasting, zelfs zonder verwijzing naar een instrument. Hier schijnt het idee te worden geopperd dat de Jains lichamelijke, verbale en mentale activiteit beschouwden als instrumenten waarbij het individu zichzelf kwelt door verlenging/bestendiging van zijn gebondenheid aan samsara en kwelt anderen door ze leed te berokkenen.
Noot 580: MA: De Nigantha’s hielden aan dat de eerste twee “roedes” karma creëren onafhankelijk van de betrokkenheid van de geest (acittaka) net zoals, wanneer de wind waait, de takken heen en weer gaan en de bladeren ritselen zonder enig initiatief van geest.
Noot 581 “De Boeddha kan dit gezegd hebben omdat in zijn onderricht wil(sactiviteit) (cetana), een mentale factor,  het essentiële ingredient is van kamma, en in diens afwezigheid- dat is, in het geval van niet intentionele lichamelijke of verbale activiteit- geen kamma wordt gecreëerd. MA, echter, handhaaft dat de Boeddha dit zei verwijzend naar verkeerde visie met vaste consequenties (niyata miccha dtthi) en het citeert ter ondersteuning AN 1:18.3/i.33: “Bhikkhu’s, ik zie niets zo afkeuringwaardig als verkeerde visie. Verkeerde visie is het meest afkeurenswaardig van alle dingen”. Deze soorten van verkeerde visie worden beschreven in MN60.5, 13 en 21.
Noot 588: MA: Visie van de Dhamma (dhammacakkhu) is het pad van stroom-intrede. De uitspraak “Alles wat onderhevig is aan ontstaan, is onderhevig aan beëindiging” toont de manier waarop het pad verrijst. Het pad neemt beëindiging (Nibbana) als diens object, maar diens functie is om alle geconditioneerde staten te doorzien/doordringen als onderhevig aan ontstaan en beëindiging.
Noot 589: De “Dhamma” waar hier naar verwezen wordt, zijn de Vier Edele Waarheden. Na deze waarheden voor zichzelf te hebben gezien, heeft hij de keten van twijfel doorgesneden en bezit nu de “visie die edel is en bevrijdend en (welke) degene die er in overeenstemming mee oefent, leidt naar de volledige vernietiging van lijden” (MN48.7).
* “dispensation”

Aanvullende informatie

Als het gaat om de zwaarte van kamma dan is van de drie lichamelijke daden van doden, stelen en seksueel wangedrag, doden het zwaarst wegend, dan stelen dan seksueel wangedrag. Bij verbaal wangedrag weegt liegen het zwaarst, dan tweedracht zaaien, dan kwetsende taal en dan zinloos kletsen. Bij de drie mentale schadelijke activiteiten weegt vasthouden aan verkeerde visies het zwaarst, dan kwaadwilligheid en dan hebzucht. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat van het ene vaak het andere komt en zo bezien iets onbeduidends kan ontsporen tot iets ernstigs.

De zwaarte/ernst van daad hangt ook af van: [bron: Dagpo Rinpoche, Karma, blz 67, 68]
-het object. Wandaden jegens je ouders of spirituele leraar wegen zwaarder dan tegenover onbekenden, bijvoorbeeld. Ze wegen extra zwaar als mensen kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld ziek of hulpeloos, erg jong, erg oud. Dit geldt zowel voor schadelijke als ook voor heilzame daden. Iets positiefs doen voor een zieke, bijvoorbeeld, is extra krachtig vanwege het object
-de motivatie; Je kunt bijvoorbeeld iets doen vanuit enorme agressie of bijvoorbeeld vanuit gematigde boosheid. Dat maakt verschil qua ernst of zwaarte. Als je daden gemotiveerd worden door mededogen of de verlichtingsgeest, dan worden de activiteiten krachtiger dan wanneer dezelfde activiteiten worden gedaan met een neutrale motivatie.
-de manier van handelen. Een handeling kan schadelijk zijn, zoals doden, maar ook ronduit misdadig zoals iemand doodmartelen.
-frequentie: iets wat we altijd doen is veel ernstiger dan wanneer we bepaald heilzaam of schadelijk gedrag ooit maar één keer gedaan hebben.
-aanwezigheid van tegenkrachten. Door spijt over slechte daad te hebben wordt deze minder ernstig. Als we ons verheugen over slechte daden maakt dit ze ook zwaarder.

hartelijke groet,
Siebe
 
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 14-10-2015 16:38
zie ook:

Contemplaties met betrekking tot karma (http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,272.msg1275.html#msg1275)
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 57
Bericht door: Passievrucht op 15-10-2015 15:04
[tekst afkomstig van: http://www.sleuteltotinzicht.nl/m057.htm, auteur Peter van Loosbroek- Ananda, hyperlinks in de tekst verwijderd maar ter herkenning wel onderstreept gelaten, raadpleeg eventueel de site voor meer informatie betreffende de hyperlinks, “wbk” verwijst naar het woordenboek op de site]

De Boeddha ontmoet twee asceten: de één imiteert het gedrag van een hond; de ander dat van een os. De Boeddha levert hun een toespraak over wilshandelingen (kamma) en het gevolg (vipaka) en openbaart hun bestemming wanneer zij hun oefening vervolmaakt hebben.

Majjhima Nikaya 57, Kukkuravatika Sutta, De hondendienst asceet

1. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het land van de Koliya's, in de stad Haliddavasana.
2. Toen gingen Punna, de zoon van de Koliya's en een ossendienst asceet, en ook Seniya, de naakte hondendienst asceet, naar de Gezegende1. Punna de ossendienst asceet bracht de Gezegende hulde en ging naast hem op de grond zitten; Seniya de naakte hondendienst asceet, wisselde begroetingen met de Gezegende uit en nadat het hoffelijke en vriendelijke gesprek beëindigd was, nam ook hij plaats aan zijn zijde. Hij rolde zichzelf op als een hond.

Toen Punna de ossendienst asceet zat, vroeg hij de Gezegende: "Eerwaarde Heer, deze naakte hondendienst asceet Seniya doet wat moeilijk te doen is: hij eet zijn voedsel als het op de grond geworpen wordt. Dat hondenbestaan is lang geleden door hem opgepakt en is sinds lange tijd door hem beoefend. Wat zal zijn bestemming zijn? Wat zal zijn richting voor de toekomst zijn?"

"Genoeg, Punna, laat dat zo. Vraag me dat niet."

Een tweede maal en een derde maal vroeg Punna de ossendienst asceet aan de Gezegende: "Eerwaarde Heer, deze naakte hondendienst asceet Seniya doet wat moeilijk te doen is: hij eet zijn voedsel als het op de grond geworpen wordt. Dat hondenbestaan is lang geleden door hem opgepakt en is sinds lange tijd door hem beoefend. Wat zal zijn bestemming zijn? Wat zal zijn richting voor de toekomst zijn?"

"Welnu, Punna, omdat ik je kennelijk niet kan overtuigen wanneer ik zeg 'Genoeg, Punna, laat dat zo. Vraag me dat niet', zal ik je antwoorden."

3. "Hier, Punna, ontwikkelt iemand onafgebroken en ten volle de dienst om een hond te worden, hij ontwikkelt onafgebroken en ten volle de gewoontes van een hond, hij ontwikkelt onafgebroken en ten volle de geest van een hond, hij ontwikkelt ten volle en onafgebroken het gedrag van een hond. Omdat hij dat zo gedaan heeft wordt hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in het gezelschap van honden."

"Maar als zijn inzicht zodanig is: 'Door deze verdienste of door dit werk of door dit ascetisme of door dit religieuze leven zal ik een (voorname) god worden of een andere god (van lagere rangorde)', dan is dat in zijn geval een verkeerd inzicht. Ik zeg dat er twee bestemmingen zijn voor iemand met een verkeerd inzicht: de hel of de baarmoeder van een dier. Dus, Punna, als zijn hondenwerk succesvol is, zal het hem naar het gezelschap van honden brengen; zo niet, dan zal het hem naar de hel brengen2."

4. Toen dit gezegd was, weende Seniya de naakte hondendienst asceet, en vergoot hij tranen. Toen richtte de Gezegende zich tot Punna, zoon van de Koliya's en een ossendienst asceet: "Punna, ik kon je niet overtuigen toen ik zei: 'Genoeg, Punna, laat dat zo. Vraag me dat niet.'"

Toen zei Seniya, de hondendienst asceet3: "Eerwaarde Heer, ik ween niet omdat de Gezegende dit over mij heeft gezegd. Maar deze hondendienst is lang geleden door mij opgepakt en is sinds lange tijd door mij beoefend. Eerwaarde Heer, hier is Punna, een zoon van de Koliya's en een ossendienst asceet; dat ossenbestaan is lang geleden door hem opgepakt en is sinds lange tijd door hem beoefend. Wat zal zijn bestemming zijn? Wat zal zijn richting voor de toekomst zijn?"

"Genoeg, Seniya, laat dat zo. Vraag me dat niet."

Een tweede maal... Een derde maal vroeg Seniya de hondendienst asceet aan de Gezegende: "Eerwaarde Heer, hier is Punna, een zoon van de Koliya's en een ossendienst asceet; dat ossenbestaan is lang geleden door hem opgepakt en is sinds lange tijd door hem beoefend. Wat zal zijn bestemming zijn? Wat zal zijn richting voor de toekomst zijn?"

"Welnu, Seniya, omdat ik je kennelijk niet kan overtuigen wanneer ik zeg 'Genoeg, Seniya, laat dat zo. Vraag me dat niet', zal ik je antwoorden."

5. "Hier, Seniya, ontwikkelt iemand onafgebroken en ten volle de dienst om een os te worden, hij ontwikkelt ten volle en onafgebroken de gewoontes van een os, hij ontwikkelt ten volle en onafgebroken de geest van een os, hij ontwikkelt ten volle en onafgebroken het gedrag van een os. Omdat hij dat zo gedaan heeft wordt hij, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, wedergeboren in het gezelschap van ossen."

"Maar als zijn inzicht zodanig is: 'Door deze verdienste of door dit werk of door dit ascetisme of door dit religieuze leven zal ik een (voorname) god worden of een andere god (van lagere rangorde)', dan is dat in zijn geval een verkeerd inzicht. Ik zeg dat er twee bestemmingen zijn voor iemand met een verkeerd inzicht: de hel of de baarmoeder van een dier. Dus, Seniya, als zijn ossenwerk succesvol is, zal het hem naar het gezelschap van ossen brengen; zo niet, dan zal het hem naar de hel brengen."

6. Toen dit gezegd was, weende Punna, een zoon van de Koliya's en een ossendienst asceet, en vergoot hij tranen. Toen richtte de Gezegende zich tot Seniya, de ossendienst asceet: "Seniya, ik kon je niet overtuigen toen ik zei: 'Genoeg, Seniya, laat dat zo. Vraag me dat niet.'"

Toen zei Punna, de ossendienst asceet: "Eerwaarde Heer, ik ween niet omdat de Gezegende dit over mij heeft gezegd. Maar deze ossendienst is lang geleden door mij opgepakt en sinds lange tijd beoefend. Eerwaarde Heer, dit vertrouwen heb ik in de Gezegende: 'De Gezegende is in staat mij de *onderDhamma* te leren op een zodanige wijze dat ik wellicht deze ossendienst kan neerleggen en dat deze naakte hondendienst asceet Seniya wellicht zijn hondendienst kan neerleggen.'"

"Dan, Punna, luister goed naar wat ik zal zeggen."

"Ja, Eerwaarde Heer", antwoordde hij. De Gezegende zei dit:

7. "Punna, er zijn door mij vier soorten kamma verkondigd nadat ik die mijzelf gerealiseerd had door rechtstreekse kennis. Welke zijn die vier? Er is donker kamma met donkere rijping, er is helder kamma met heldere rijping, er is donker-en-helder kamma met donkere-en-heldere rijping, en er is kamma dat noch donker noch helder is met noch donkere noch heldere rijping (vipaka), kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma."

8. "En wat, Punna, is donker kamma met donkere rijping? Hier zet iemand een ongezonde lichamelijke formatie op gang, hij zet een ongezonde verbale formatie op gang, hij zet een ongezonde mentale formatie op gang4. Nadat hij een ongezonde lichamelijke formatie, een ongezonde verbale formatie en een ongezonde mentale formatie op gang heeft gezet, wordt hij wedergeboren in een ongezonde wereld. Wanneer hij in een ongezonde wereld is wedergeboren, zullen ongezonde indrukken hem raken. Geraakt door ongezonde indrukken, voelt hij ongezonde gevoelens, bijzonder pijnlijk, net zoals in het geval van wezens in de hel. Aldus is de wedergeboorte van een wezen toe te schrijven aan het wezen zelf: iemand wordt wedergeboren in overeenstemming met het kamma dat hij heeft verricht. Wanneer iemand is wedergeboren, treffen indrukken hem. Zo, zeg ik, zijn wezens de erfgenamen van hun eigen kamma. Dit wordt genoemd: donker kamma met donkere rijping."

9. "En wat, Punna, is helder kamma met heldere rijping? Hier zet iemand een gezonde lichamelijke formatie op gang, hij zet een gezonde verbale formatie op gang, hij zet een gezonde mentale formatie op gang. Nadat hij een gezonde lichamelijke formatie, een gezonde verbale formatie en een gezonde mentale formatie op gang heeft gezet, wordt hij wedergeboren in een gezonde wereld. Wanneer hij in een gezonde wereld is wedergeboren, zullen gezonde indrukken hem raken. Geraakt door gezonde indrukken, voelt hij gezonde gevoelens, bijzonder aangenaam, net zoals in het geval van de goden van Schitterende Glorie. Aldus is de wedergeboorte van een wezen toe te schrijven aan het wezen zelf: iemand wordt wedergeboren in overeenstemming met het kamma dat hij heeft verricht. Wanneer iemand is wedergeboren, treffen indrukken hem. Zo, zeg ik, zijn wezens de erfgenamen van hun eigen kamma. Dit wordt genoemd: helder kamma met heldere rijping."

10. "En wat, Punna, is donker en helder kamma met donkere en heldere rijping? Hier zet iemand een lichamelijke formatie op gang die en ongezond en gezond is, hij zet een verbale formatie op gang die en ongezond en gezond is, hij zet een mentale formatie op gang die en ongezond en gezond is. Nadat hij een lichamelijke formatie die en ongezond en gezond is, een verbale formatie die en ongezond en gezond is en een mentale formatie op gang heeft gezet die en ongezond en gezond is, wordt hij wedergeboren in een wereld die en ongezond en gezond is. Wanneer hij in een wereld is wedergeboren die en ongezond en gezond is, zullen hem en ongezonde en gezonde indrukken raken. Aangeraakt door en ongezonde en gezonde indrukken, voelt hij en ongezonde en gezonde gevoelens, aangename en onaangename met elkaar gemengd, net zoals in het geval van menselijke wezens, sommige goden en sommige wezens in de lagere werelden. Aldus is de wedergeboorte van een wezen toe te schrijven aan het wezen zelf: iemand wordt wedergeboren in overeenstemming met het kamma dat hij heeft verricht. Wanneer iemand is wedergeboren, treffen indrukken hem. Zo, zeg ik, zijn wezens de erfgenamen van hun eigen kamma. Dit wordt genoemd: donker en helder kamma met donker en heldere rijping."

11. "En wat, Punna, is noch donker noch helder kamma met noch donkere noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma? De intentie van het opgeven van donker kamma met donkere rijping, de intentie van het opgeven van helder kamma met heldere rijping, de intentie van het opgeven van kamma dat donker en helder is met donkere en heldere rijping -- dat is kamma dat noch donker noch helder is met noch donker noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma5. Dit zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik die mijzelf gerealiseerd had door rechtstreekse kennis.

12. Toen dit gezegd was, zei Punna, een zoon van de Koliya's en een ossen-plicht asceet, tegen de Gezegende: "Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een volgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven!"

13. Maar Seniya de naakte honden-plicht asceet zei: "Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Ik wil het thuisloze leven ingaan en de hogere inwijding nabij de Eerwaarde Gotama ontvangen."

14. "Seniya, wie voorheen een volgeling van een andere leerstelling is geweest, en die wil toetreden en de hogere inwijding wil ontvangen in deze Dhamma en Discipline, die heeft een proeftijd van vier maanden. Aan het einde van deze vier maanden, wanneer de monniken tevreden met hem zijn, dan laten zij hem toe en wijden zij hem in als een monnik. Hoe dan ook, ik zie een verschil tussen persoonlijkheden."
"Als, Heer, wie voorheen een volgeling van een andere leerstelling is geweest, en die wil toetreden en de hogere inwijding wil ontvangen in deze Dhamma en Discipline, en die een proeftijd heeft van vier maanden (...) dan zal ik een proeftijd hebben van vier jaren. Als aan het einde van deze vier jaren, de monniken tevreden met mij zijn, laat mij dan toetreden en laat hen mij als monnik inwijden!"

15. Toen werd Seniya ingewijd als een leek en ontving de hogere inwijding nabij de Boeddha. Later, door een leven te leiden in afzondering, ijverig, energiek en met een vastbesloten wil, begreep, ervoer en verwezenlijkte hij in korte tijd, die hoogste perfectie van een edel leven waarvoor de zonen van goede gezinnen het huiselijke leven op harmonieuze wijze verlaten, en het thuisloze leven aangaan. Wedergeboorte werd ten einde gebracht; een edel leven was geleefd; wat gedaan moest worden was gedaan en in dit aardse bestaan was er niets anders meer wat nog gedaan moest worden: Seniya was een van de Arahats geworden.

Eindnoten

Noot 1: MA: Punna droeg hoorns op zijn hoofd en had een staart van achteren vastgebonden. Zo ging hij met de koeien gras eten. Seniya volbracht alle handelingen die kenmerkend voor een hond zijn.
Noot 2: Het dient vermeld te worden dat een verkeerde levenswijze voor een asceet minder zwaardere gevolgen heeft wanneer die levenswijze beoefend wordt zonder verkeerd inzicht dan wanneer dat gepaard gaat met verkeerd inzicht. Hoewel er tegenwoordig slechts enkelen de hondenplicht oefening beoefenen, zijn er vele afwijkende levensstijlen over de gehele wereld verspreid. En naarmate deze verdedigd worden door verkeerd inzicht, des te pijnlijker de gevolgen zullen zijn. Zie ditthi; niyata miccha ditthi; kamma; kamma patha in wbk.
Noot 3: Wie wat zei, kan hier verwarrend overkomen, tenzij je er vanuit gaat dat Punna en Seniya allebei huilen. Dat is overigens niet zo ondenkbaar... Er is hier geen sprake van een naamsverwarring.
Noot 4: Een bezoedeld kamma begaan door het lichaam (spraak, geest).
Noot 5: MA: Dit is de handeling van de vier boven-wereldse paden waarvan Arahatschap het hoogtepunt is. Ofschoon de Arahat wel daden uitvoert, hebben zijn daden geen karmische potentie meer om nieuw bestaan te genereren of gevolgen voort te brengen, zelfs niet in het huidige bestaan.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 61
Bericht door: Passievrucht op 16-10-2015 10:02
[tekst afkomstig van: http://www.sleuteltotinzicht.nl/m061.htm, auteur Peter van Loosbroek- Ananda, hyperlinks in de tekst verwijderd maar wel onderstreept gelaten, raadpleeg eventueel de site voor meer informatie]

Het zuiveren van de drie karmische poorten door het voortdurend bespiegelen van de eigen motieven en consequenties van daden

Majjhima Nikaya 61, Ambalatthikarahulovada Sutta, Advies aan Rahula te Ambalatthika

1. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende te Rajagaha in het Veluvana, bij de eekhoorn voederplaats.
2. Tijdens die gelegenheid leefde de Eerwaarde Rahula te Ambalatthika. Toen het avond was, stond de Gezegende van zijn meditatieplaats op en ging naar de Eerwaarde Rahula in Ambalatthika. De Eerwaarde Rahula zag de Gezegende in de verte aankomen, maakte een zetel gereed en zette water klaar om de voeten te wassen. De Gezegende ging op de zetel zitten die voor hem in gereedheid was gebracht en waste zijn voeten. De Eerwaarde Rahula betuigde hulde aan hem en ging aan zijn zijde zitten.
3. Toen liet de Gezegende een beetje water achter in de kom en vroeg de Eerwaarde Rahula: "Rahula, zie je dit beetje water dat in de kom is achtergebleven?" -- "Ja, Eerwaarde Heer." -- "Net zo'n beetje, Rahula, stelt het monnikschap voor van degene die zich niet schamen om bewust een leugen te vertellen."
4. Toen gooide de Gezegende het beetje water dat over was weg, en vroeg hij de Eerwaarde Rahula: "Rahula, zag je dat beetje water dat weggegooid was?" -- "Ja, Eerwaarde Heer." -- "Net zo, Rahula, hebben degene die zich niet schamen om bewust een leugen te vertellen, hun monnikschap weggegooid."
5. Toen keerde de Gezegende de waterkom ondersteboven en vroeg de Eerwaarde Rahula: "Rahula, zie je deze waterkom die ondersteboven gekeerd is?" -- "Ja, Eerwaarde Heer." -- "Net zo, Rahula, hebben degene die zich niet schamen om bewust een leugen te vertellen, het monnikschap ondersteboven gekeerd."
6. Toen zette de Gezegende de waterkom weer rechtop en vroeg hij de Eerwaarde Rahula: "Rahula, zie je deze holle, lege waterkom?" -- "Ja, Eerwaarde Heer." -- "Net zo hol en leeg, Rahula, is het monnikschap van degene die zich niet schamen om bewust een leugen te vertellen."

De strijdbare olifant die veel kwaad doet door ook zijn slurf te gebruiken

7. "Veronderstel, Rahula, dat er een grote koninklijke olifant was met slagtanden zo groot als de disselbomen van een rijtuig, volgroeid in gestalte, van zuiver ras en strijdvaardig. In de strijd zou hij zijn taak uitvoeren met zijn voorpoten en zijn achterpoten, met zijn voorkant en zijn achterkant, met zijn kop en met zijn oren, met zijn slagtanden en met zijn staart, maar hij zou zijn slurf terughouden."
"Dan zou zijn berijder denken: 'Deze grote koninklijke olifant met slagtanden zo groot als de disselbomen van een rijtuig, volgroeid in gestalte, van zuiver ras en strijdvaardig, voert zijn taak in de strijd uit met zijn voorpoten en zijn achterpoten, met zijn voorkant en zijn achterkant, met zijn kop en met zijn oren, met zijn slagtanden en met zijn staart, maar hij houdt zijn slurf nog terug. Hij heeft zijn leven nog niet voor de koning opgegeven.'"
"Maar wanneer een grote koninklijke olifant (...) zijn taak in de strijd uitvoert met zijn voorpoten en zijn achterpoten, met zijn voorkant en zijn achterkant, met zijn kop en met zijn oren, met zijn slagtanden en met zijn staart, en ook met zijn slurf, dan zou zijn berijder denken: 'Deze grote koninklijke olifant met slagtanden zo groot als de disselbomen van een rijtuig, volgroeid in gestalte, van zuiver ras en strijdvaardig, voert zijn taak in de strijd uit met zijn voorpoten en zijn achterpoten, met zijn voorkant en zijn achterkant, met zijn kop en met zijn oren, met zijn slagtanden en met zijn staart, en ook met zijn slurf. Hij heeft zijn leven voor de koning opgegeven. Nu is er niets dat deze grote koninklijke olifant niet zou doen1.'"
"Zo ook, Rahula, wanneer iemand zich niet schaamt om bewust een leugen te vertellen, is er geen kwaad, zeg ik, dat die persoon niet zal doen. Daarom, Rahula, moet je aldus trainen: 'Ik zal geen enkele leugen vertellen, zelfs niet voor de gein.'"

De gelijkenis van de spiegel

8. "Wat denk je, Rahula? Wat is het doel van een spiegel?" -- "Voor het doel van bespiegeling, Eerwaarde Heer."
"Net zo, Rahula, moet een daad met het lichaam pas begaan worden na herhaaldelijke bespiegeling; moet een daad met de tong pas begaan worden na herhaaldelijke bespiegeling; moet een daad met de geest pas begaan worden na herhaaldelijke bespiegeling."

Lichamelijke handeling

Wanneer de intentie er is
9. "Rahula, wanneer je een daad met het lichaam wilt begaan, moet je diezelfde lichamelijke daad als volgt bespiegelen: 'Zal deze daad die ik met het lichaam wil begaan, tot mijn eigen nadeel leiden, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden? Is het een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten? Als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam wil begaan, zal tot mijn eigen nadeel leiden, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden; het is een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten', dan moet je zulk een daad met het lichaam beslist niet begaan."
"Maar als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam wil begaan, zal niet tot mijn eigen nadeel leiden, niet tot het nadeel van anderen, of niet tot het nadeel van beiden; het is een heilzame lichamelijke daad met aangename gevolgen, met aangename resultaten', dan kun je zulk een daad met het lichaam gerust begaan."

Op het moment van uitvoering
10. "En ook, Rahula, terwijl je een daad met het lichaam begaat, moet je diezelfde lichamelijke daad als volgt bespiegelen: 'Leidt deze daad die ik met het lichaam bega, tot mijn eigen nadeel, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden? Is het een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten? Als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam bega, leidt tot mijn eigen nadeel, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden; het is een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten', dan moet je zulk een lichamelijke daad staken."
"Maar als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam bega, zal niet tot mijn eigen nadeel leiden, niet tot het nadeel van anderen, of niet tot het nadeel van beiden; het is een heilzame lichamelijke daad met aangename gevolgen, met aangename resultaten', dan kun je zulk een daad met het lichaam gerust voortzetten."

Na de uitvoering
11. "En ook, Rahula, nadat je een daad met het lichaam beging, moet je diezelfde lichamelijke daad als volgt bespiegelen: 'Leidt deze daad die ik met het lichaam beging, tot mijn eigen nadeel, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden? Is het een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten? Als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam beging, leidt tot mijn eigen nadeel, tot het nadeel van anderen, of tot het nadeel van beiden; het is een onheilzame lichamelijke daad met pijnlijke gevolgen, met pijnlijke resultaten', dan moet je zulk een lichamelijke daad bekennen, openbaren, en het voorleggen aan de Leraar of aan je wijze metgezellen in het heilige leven. En nadat je het bekend hebt, geopenbaard hebt en het voorgelegd hebt, moet je beteugeling ondernemen voor de toekomst2."
"Maar als je weet, wanneer je bespiegelt: 'Deze daad die ik met het lichaam beging, zal niet tot mijn eigen nadeel leiden, niet tot het nadeel van anderen, of niet tot het nadeel van beiden; het is een heilzame lichamelijke daad met aangename gevolgen, met aangename resultaten', dan kun je gelukkig en blij leven, en dag en nacht in zulke heilzame staten verkeren."

Verbale handeling

Wanneer de intentie er is
12. "Rahula, wanneer je een daad met de spraak wilt begaan (...) (lees verder in 9, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een verbale handeling betreft) (...) dan kun je zulk een daad met de spraak gerust begaan."

Op het moment van uitvoering
13. "En ook, Rahula, terwijl je een daad met de tong begaat (...) (lees verder in 10, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een verbale handeling betreft) (...) dan kun je zulk een daad met de spraak gerust voortzetten."

Na de uitvoering
14. "En ook, Rahula, nadat je een daad met de tong beging... (lees verder in 11, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een verbale handeling betreft) ...dan kun je gelukkig en blij leven, en dag en nacht in zulke heilzame staten verkeren."

Mentale handeling

Wanneer de intentie er is
15. "Rahula, wanneer je een daad met de geest wilt begaan (...) (lees verder in 9, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een mentale handeling betreft) (...) dan kun je zulk een daad met de geest gerust begaan."

Op het moment van uitvoering
16. "En ook, Rahula, terwijl je een daad met de geest begaat (...) (lees verder in 10, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een mentale handeling betreft) (...) dan kun je zulk een daad met de geest gerust voortzetten."

Na de uitvoering
17. "En ook, Rahula, nadat je een daad met de geest beging (...) (lees verder in 11, met in acht neming dat het nu geen lichamelijke, maar een mentale handeling betreft3 (...) dan kun je gelukkig en blij leven, en dag en nacht in zulke heilzame staten verkeren."

Slot

18. "Rahula, welke kluizenaren en brahmanen er ook in het verleden hun lichamelijke handeling, hun verbale handeling en hun mentale handeling zuiverden, zij deden dat allemaal door op deze wijze herhaaldelijk te bespiegelen. Welke kluizenaren en brahmanen er ook in de toekomst hun lichamelijke handeling, hun verbale handeling en hun mentale handeling zuiveren, zij zullen dat allemaal doen door op deze wijze herhaaldelijk te bespiegelen. Welke kluizenaren en brahmanen er ook in het heden hun lichamelijke handeling, hun verbale handeling en hun mentale handeling zuiveren, zij doen dat allemaal door op deze wijze herhaaldelijk te bespiegelen."
"Daarom, Rahula, moet je aldus trainen: 'Wij zullen onze lichamelijke handelingen, onze verbale handelingen en onze mentale handelingen zuiveren door deze herhaaldelijk te bespiegelen.'"
Dat is wat de Gezegende zei. De Eerwaarde Rahula was verheugd en verblijdde zich over de woorden van de Gezegende.

Eindnoten

Noot 1: De tong wordt vergeleken met de slurf van de olifant. Als de olifant ook zijn slurf gebruikt, richt hij veel schade aan. Zo kunnen ook wij, door onze tong op een verkeerde manier te gebruiken, veel schade aanrichten.
Noot 2: Door een verkeerde daad als deze te bekennen, te openbaren en beteugeling te ondernemen voor de toekomst, leidt tot groei in de discipline van de Edelen. Zie M65.13.
Noot 3: In deze sectie echter, wordt de passage 'dan moet je zulk een lichamelijke daad bekennen (...) en het voorleggen' vervangen door het volgende: "Dan dien je je afstoot wekkend, beschaamd en walgelijk te voelen vanwege die mentale handeling (...)" Deze vervanging is gemaakt omdat onheilzame gedachten -- in tegenoverstelling tot lichamelijke en verbale overschrijdingen -- geen schuldbekentenis vereisen als een teken van zuivering.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 57
Bericht door: lord rainbow op 16-10-2015 12:47
11. "En wat, Punna, is noch donker noch helder kamma met noch donkere noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma? De intentie van het opgeven van donker kamma met donkere rijping, de intentie van het opgeven van helder kamma met heldere rijping, de intentie van het opgeven van kamma dat donker en helder is met donkere en heldere rijping -- dat is kamma dat noch donker noch helder is met noch donker noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma5. Dit zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik die mijzelf gerealiseerd had door rechtstreekse kennis.

Staat hier nu dat intentie de boosdoener is.
Ook als het gaat om helder karma met heldere rijping?

Nu kom ik uit op ' intentieloze intentie' .
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 57
Bericht door: Passievrucht op 16-10-2015 13:31
11. "En wat, Punna, is noch donker noch helder kamma met noch donkere noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma? De intentie van het opgeven van donker kamma met donkere rijping, de intentie van het opgeven van helder kamma met heldere rijping, de intentie van het opgeven van kamma dat donker en helder is met donkere en heldere rijping -- dat is kamma dat noch donker noch helder is met noch donker noch heldere rijping, kamma dat leidt tot de uitdoving van kamma5. Dit zijn de vier soorten kamma die door mij zijn verkondigd nadat ik die mijzelf gerealiseerd had door rechtstreekse kennis.

Staat hier nu dat intentie de boosdoener is.
Ook als het gaat om helder karma met heldere rijping?

Nu kom ik uit op ' intentieloze intentie' .

De algemene schets is volgens mij: positieve of heilzame wilsdaden (kamma) die kunnen je bestaan nu en later verheffen, bijvoorbeeld later zorgen voor een wedergeboorte op een gelukkige bestemming. Maar omdat het op deze manier niet zorgt voor bevrijding van samsara, juist mede aanzet tot wedergeboorte in een gelukkige bestemming, zou je het kunnen zien als een boosdoener. Niet iets wat bevrijdt.

Ja, de intentie om intentie/wil op te geven klinkt wat merkwaardig. Maar hier wordt volgens mij niet de soort intentie bedoeld als wilsdaad, maar eerder als een soort inzicht. Noot 5 zegt dat dit de handeling is van de vier boven-wereldlijk paden.

Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 78
Bericht door: Passievrucht op 17-10-2015 11:28
[tekst via https://suttacentral.net die linkt naar http://www.suttas.net, vertaald door Dhammajoti, 2008]

Over de Oorsprong en het Einde van (On)Heilzame Gewoonten en (On)Heilzame Intenties

Is iemand die geen kwaad begaat met lichaam, spraak, geest en qua levensonderhoud een gerealiseerde?

Majjhima Nikaya 78, Samaṇamaṇdikaputta Sutta, De Sutta over Samaṇamaṇdikaputta

<260> 1. Aldus heb ik gehoord. De Gezegende verbleef eens in Anāthapiṇḍika’s Bosklooster, in het Bos van Prins Jeta nabij Sāvatthī. En de rondzwervende asceet Uggāhamāna Samaṇamaṇdikaputta verbleef toen in de debatteer-zaal in Mallikā's Park, omgeven met Tinduka-bomen, samen met een grote groep volgelingen van meer dan driehonderd rondzwervende asceten.
2. En de timmerman Pañcakaṅga verliet Sāvatthī rond het middaguur om de Gezegende te bezoeken. En toen had hij de volgende gedachte: “Het is eigenlijk niet de goede tijd om de Gezegende te bezoeken: hij is nu in retraite. En het is nu ook niet de tijd om de hooggeachte monniken te bezoeken: zij zijn nu in retraite. Als ik nu eens naar de debatteer-zaal in Mallikā's Park zou gaan, naar de rondzwervende asceet Uggāhamāna Samaṇamaṇdikaputta?” En toen ging de timmerman Pañcakaṅga naar de debatteer-zaal in Mallikā's Park, naar de rondzwervende asceet Uggāhamāna Samaṇamaṇdikaputta.
3. En de rondzwervende asceet Uggāhamāna zat toen samen met een grote groep rondzwervende asceten luidruchtig en rumoerig te discussiëren over allerlei banale onderwerpen, en ze maakten daarbij een groot lawaai. Ze hadden het zo over koningen, dieven, ministers, legers, gevaren, oorlogen, eten, drinken, kleding, bedden, rozenkransen, geuren, familie, voertuigen, dorpjes, marktstadjes, steden, landen, vrouwen, helden, straten, waterputten, spoken, trivia, verklaringen van de wereld, verklaringen van de zeeën, en over diverse soorten levens.
En de rondzwervende asceet Uggāhamāna zag de timmerman Pañcakaṅga van verre aankomen. Toen hij hem zag, maande hij zijn groep tot stilte: "Wees stil, eerwaardes, maak geen geluid! Hier komt de timmerman Pañcakaṅga aan, een discipel van de monnik Gotama, één van de in het wit geklede lekenvolgelingen die in Sāvatthī woont. Die eerwaardes houden van rust. Zij zijn onderwezen in rust, en bevelen rust aan. Ik denk dat hij wel hierheen zal komen als hij vind dat onze groep rustig is." En daarop werden die rondzwervende asceten stil. <261>
4. En toen ging de timmerman Pañcakaṅga naar de rondzwervende asceet Uggāhamāna, wisselde vriendelijke beleefdheden met hem uit, en ging de terzijde van hem zitten. Toen de timmerman Pañcakaṅga gezeten was, zei de rondzwervende asceet Uggāhamāna het volgende:

De Vier Eigenschappen van Uggāhamāna

5. "Timmerman, wanneer iemand over vier eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem als iemand die het heilzame volbracht heeft en volkomen bekwaam is, een onoverwinnelijke asceet die het hoogste goed bereikt heeft. En welke vier eigenschappen zijn dat? Hier, timmerman, [1] begaat iemand geen kwade acties met het lichaam, [2] hij spreekt geen kwade woorden, [3] hij heeft geen kwade intenties, en [4] voorziet niet op een kwade manier in zijn levensonderhoud. Dit zijn de vier eigenschappen waarvan ik zeg dat iemand die over ze beschikt, het heilzame volbracht heeft en volkomen bekwaam is, een onoverwinnelijke asceet die het hoogste goed bereikt heeft."
6. En de timmerman Pañcakaṅga keurde deze uitspraak van de rondzwervende asceet Uggāhamāna niet goed en ook niet af. Zonder die uitspraak goed of af te keuren stond hij op en ging weg, denkend: "Van de Gezegende zal ik de betekenis van deze uitspraak te weten komen."
7. En toen ging de timmerman Pañcakaṅga naar de Gezegende. Nadat de timmerman Pañcakaṅga bij de Gezegende aangekomen was en hem eerbied getoond had, ging hij terzijde van de Gezegende zitten. Zo gezeten vertelde de timmerman Pañcakaṅga de Gezegende alles over zijn gesprek met de rondzwervende asceet Uggāhamāna. De Gezegende zei het volgende: <262>

De Staat van een Baby

8. "Als dat zo was, timmerman, dan zou een baby die op zijn rug ligt ook het heilzame volbracht hebben en volkomen bekwaam zijn. Volgens die uitspraak van de rondzwervende asceet Uggāhamāna, zou ook die baby een onoverwinnelijke asceet zijn, die het hoogste goed bereikt heeft! Een baby heeft immers geen notie van het begrip 'lichaam'; hoe kan hij dan kwade acties met het lichaam begaan, buiten een beetje wriemelen? Een baby heeft immers geen notie van het begrip 'woord'; hoe kan hij dan kwade woorden spreken, buiten een beetje huilen? Een baby heeft immers geen notie van het begrip 'intentie'; hoe kan hij dan kwade intenties hebben, buiten een beetje chagrijnig zijn? Een baby heeft immers geen notie van het begrip 'levensonderhoud'; hoe kan hij dan op een kwade manier in zijn levensonderhoud voorzien, buiten het sappelen aan zijn moeders borsten? Daarom, timmerman, zou volgens die uitspraak van de rondzwervende asceet Uggāhamāna, die baby die op zijn rug ligt het heilzame volbracht hebben en volkomen bekwaam zijn, en die baby zou een onoverwinnelijke asceet zijn, die het hoogste goed bereikt heeft. <263>
"Timmerman, wanneer iemand over vier eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem niet als iemand die het heilzame volbracht heeft, noch als iemand die volkomen bekwaam is, noch als iemand die een onoverwinnelijke asceet is die het hoogste goed bereikt heeft. Maar ik beschrijf hem wel als iemand die de staat van een baby bereikt heeft. En welke vier eigenschappen zijn dat? Hier, timmerman, [1] begaat iemand geen kwade acties met het lichaam, [2] hij spreekt geen kwade woorden, [3] hij heeft geen kwade intenties, en [4] voorziet niet op een kwade manier in zijn levensonderhoud. Wanneer iemand over deze vier eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem niet als iemand die het heilzame volbracht heeft, noch als iemand die volkomen bekwaam is, noch als iemand die een onoverwinnelijke asceet is die het hoogste goed bereikt heeft. Maar ik beschrijf hem wel als iemand die de staat van een baby bereikt heeft.

De Tien Eigenschappen

9. "Timmerman, wanneer iemand over tien eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem als iemand die het heilzame volbracht heeft en volkomen bekwaam is, een onoverwinnelijke asceet die het hoogste goed bereikt heeft.1

Voorwaarden voor het Bereiken van de Tien Eigenschappen

"[Maar] ik zeg dat men [eerst] als volgt dient te weten: 'Dit is onheilzaam gedrag', 'Dit is de oorsprong van onheilzaam gedrag', 'Hier komt onheilzaam gedrag tot een einde zonder dat er iets van overblijft', 'Aldus handelend begaat men het pad naar het einde van onheilzaam gedrag.'
"Ik zeg dat men [eerst] als volgt dient te weten: 'Dit is heilzaam gedrag', 'Dit is de oorsprong van heilzaam gedrag', 'Hier komt heilzaam gedrag tot einde zonder dat er iets van overblijft', 'Aldus handelend begaat men het pad naar het einde van heilzaam gedrag.'
"Ik zeg dat men [eerst] als volgt dient te weten: 'Dit zijn onheilzame intenties', 'Dit is de oorsprong van onheilzame intenties', 'Hier komen onheilzame intenties tot einde zonder dat er iets van overblijft', 'Aldus handelend begaat men het pad naar het einde van onheilzame intenties.'
"Ik zeg dat men [eerst] als volgt dient te weten: 'Dit zijn heilzame intenties', 'Dit is de oorsprong van heilzame intenties', 'Hier komen heilzame intenties tot einde zonder dat er iets van overblijft', 'Aldus handelend begaat men het pad naar het einde van heilzame intenties.' <264>

Wat Men Dient te Weten over Onheilzaam Gedrag
(Bhikkhu Bodhi en ook Thanissaro Bhikkhu vertaalt hier en in de rest "gewoonten" i.p.v "gedrag". Omdat ik de nederlandse tekst overgenomen heb, heb ik dit niet veranderd, Siebe)

10. "En wat, timmerman, is onheilzaam gedrag? Onheilzame lichamelijke acties, onheilzame verbale acties en immoreel levensonderhoud: dit noemt men onheilzaam gedrag.
"En wat, timmerman, is de oorsprong van onheilzaam gedrag? Hun oorsprong is vermeld: men moet hier zeggen dat hun oorsprong geestelijk is. Maar welk type geest? Want de geest is veelsoortig, divers en gevarieerd. De geest met verlangen, met boosheid, met onwetendheid: dát is de oorsprong van onheilzaam gedrag.
"En wat, timmerman, is de plek waar onheilzaam gedrag tot einde komt zonder dat er iets van overblijft? Hun einde is vermeld: hier, timmerman, verlaat een monnik slecht lichamelijk gedrag, en ontwikkelt goed lichamelijk gedrag; hij verlaat slecht verbaal gedrag en ontwikkelt goed verbaal gedrag; hij verlaat slecht mentaal gedrag en ontwikkelt goed mentaal gedrag; hij verlaat fout levensonderhoud en verdient de kost met juist levensonderhoud. Hier komt onheilzaam gedrag tot einde zonder dat er iets van overblijft.
"En hoe handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van onheilzaam gedrag? Hier, timmerman, genereert een monnik de wil om nog niet ontstane kwade en onheilzame staten niet tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane kwade en onheilzame staten te verwijderen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om nog niet ontstane goede en heilzame staten tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane goede en heilzame staten te laten voortduren en niet te laten beëindigen, om ze te versterken en tot volledige ontwikkeling te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Zo handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van onheilzaam gedrag.2 <265>

Wat Men Dient te Weten over Heilzaam Gedrag

11. "En wat, timmerman, is heilzaam gedrag? Heilzame lichamelijke acties, heilzame verbale acties en heilzaam levensonderhoud: dit noemt men heilzaam gedrag.
"En wat, timmerman, is de oorsprong van heilzaam gedrag? Hun oorsprong is vermeld: men moet hier zeggen dat hun oorsprong geestelijk is. Maar welk type geest? Want de geest is veelsoortig, divers en gevarieerd. De geest zonder verlangen, zonder boosheid, zonder onwetendheid: dát is de oorsprong van heilzaam gedrag.
"En wat, timmerman, is de plek waar heilzaam gedrag tot einde komt zonder dat er iets van overblijft? Hun einde is vermeld: hier, timmerman, is een monnik deugdzaam maar identificeert zich daar niet mee, en hij kent de Vrijheid van het Hart en de Bevrijding door Wijsheid overeenkomstig de waarheid. Zo komt heilzaam gedrag tot einde zonder dat er iets van overblijft.
"En hoe handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van heilzaam gedrag? Hier, timmerman, genereert een monnik de wil om nog niet ontstane kwade en onheilzame staten niet tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane kwade en onheilzame staten te verwijderen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om nog niet ontstane goede en heilzame staten tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane goede en heilzame staten te laten voortduren en niet te laten beëindigen, om ze te versterken en tot volledige ontwikkeling te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Zo handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van heilzaam gedrag. <266>

Wat Men Dient te Weten over Onheilzame Intenties

12. "En wat, timmerman, zijn onheilzame intenties? Intenties van sensueel verlangen, intenties van kwaadwilligheid, intenties van geweld: deze noemt men onheilzame intenties.
"En wat, timmerman, is de oorsprong van onheilzame intenties? Hun oorsprong is vermeld: men moet hier zeggen dat percepties hun oorsprong zijn. Maar welk type perceptie? Want percepties zijn veelsoortig, divers en gevariëerd. Percepties van sensueel verlangen, van kwaadwilligheid, van geweld: dát is de oorsprong van onheilzame intenties.
"En wat, timmerman, is de plek waar onheilzame intenties tot einde komen zonder dat er iets van overblijft? Hun einde is vermeld: hier, timmerman, betreedt een monnik, afgezonderd van sensueel genot en van onheilzame staten, met sturend en beschouwend denken en met vreugde en geluk geboren uit afzondering, [het meditatiestadium van] de eerste jhāna en verblijft daar. Hier komen onheilzame intenties tot einde zonder dat er iets van overblijft.
"En hoe handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van onheilzame intenties? Hier, timmerman, genereert een monnik de wil om nog niet ontstane kwade en onheilzame staten niet tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane kwade en onheilzame staten te verwijderen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om nog niet ontstane goede en heilzame staten tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane goede en heilzame staten te laten voortduren en niet te laten beëindigen, om ze te versterken en tot volledige ontwikkeling te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Zo handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van onheilzame intenties. <267>

Wat Men Dient te Weten over Heilzame Intenties

13. "En wat, timmerman, zijn heilzame intenties? Intenties van afstand doen, intenties van goedwillendheid, intenties van geweldloosheid: deze noemt men heilzame intenties.
"En wat, timmerman, is de oorsprong van heilzame intenties? Hun oorsprong is vermeld: men moet hier zeggen dat percepties hun oorsprong zijn. Maar welk type perceptie? Want percepties zijn veelsoortig, divers en gevarieerd. Percepties van afstand doen, van goedwillendheid, van geweldloosheid: dát is de oorsprong van heilzame intenties.
"En wat, timmerman, is de plek waar heilzame intenties tot einde komen zonder dat er iets van overblijft? Hun einde is vermeld: hier, timmerman, met het stillen van sturend en beschouwend overwegen, gaat een monnik [het meditatiestadium van] de tweede jhāna binnen en verblijft daar met een innerlijk rustige geest die op één punt gericht is, zonder sturend en beschouwend denken, en beleeft vreugde en geluk die uit concentratie geboren is. Hier komen heilzame intenties tot einde zonder dat er iets van overblijft.
"En hoe handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van heilzame intenties? Hier, timmerman, genereert een monnik de wil om nog niet ontstane kwade en onheilzame staten niet tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane kwade en onheilzame staten te verwijderen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om nog niet ontstane goede en heilzame staten tot ontstaan te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Hij genereert de wil om reeds ontstane goede en heilzame staten te laten voortduren en niet te laten beëindigen, om ze te versterken en tot volledige ontwikkeling te laten komen, en hij maakt een inspanning, zet zich in, wekt geestkracht op, en gaat ertegenaan. Zo handelend, timmerman, begaat men het pad naar het einde van heilzame intenties.3 <268>

Opsomming van de Tien Eigenschappen

14. "En, timmerman, wanneer iemand over welke tien eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem als iemand die het heilzame volbracht heeft en volkomen bekwaam is, een onoverwinnelijke asceet die het hoogste goed bereikt heeft? [1] Hier beschikt een monnik over de juiste visie van een volledig getrainde; [2] hij beschikt over het juiste voornemen van een volledig getrainde; [3] hij beschikt over de juiste spraak van een volledig getrainde; [4] hij beschikt over het juist handelen van een volledig getrainde; [5] hij beschikt over het juiste levensonderhoud van een volledig getrainde; [6] hij beschikt over de juiste inspanning van een volledig getrainde; [7] hij beschikt over de juiste aandacht van een volledig getrainde; [8] hij beschikt over de juiste concentratie van een volledig getrainde; [9] hij beschikt over de juiste kennis van een volledig getrainde; en [10] hij beschikt over de juiste bevrijding van een volledig getrainde. Wanneer iemand over deze tien eigenschappen beschikt, beschrijf ik hem als iemand die het heilzame volbracht heeft en volkomen bekwaam is, een onoverwinnelijke asceet die het hoogste goed bereikt heeft.
Zo sprak de Gezegende. En de timmerman Pañcakaṅga was tevreden en verheugd met de woorden van de Gezegende.

Noten

Noot1: In de Chinese vertaling komt de voorgaande zin pas later voor: aan het begin van §14.
Noot 2: De Chinese vertaling vermeld dat het pad naar het einde van onheilzaam gedrag bestaat uit de Vier Vestigingen van Aandacht in plaats van de Vier Juiste Inspanningen. Hetzelfde geldt voor de paden naar het einde van heilzaam gedrag, onheilzame intenties en heilzame intenties (§11, 12 en 13).
Noot 3: De Chinese vertaling beschrijft hierna gedetailleerd hoe een edele discipel het Achtvoudig Pad ontwikkelt gebaseerd op het kennen van de heilzame en onheilzame varianten van gedachten en gedrag, en gebaseerd op inzicht in het ontstaan en het tot einde komen ervan. Dit maakt dat de overgang van paragraaf 13 naar 14 in de Chinese vertaling soepeler verloopt, omdat zij achtergrondinformatie bevat over de totstandkoming van de tien eigenschappen zoals die in een volledig getrainde aanwezig zijn. De Pali versie van deze beschrijving staat in MN 117: Mahācattārisaka Sutta.

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Juiste Intentie
Bericht door: Passievrucht op 18-10-2015 12:11
[bron: Majjhima Nikaya, oorspronkelijke vertaling door Bhikkhu Nanamoli, bewerkt en herzien door Bhikkhu Bodhi, Buddhist Publication Society, 1995, noten volgen de nummering van Eerwaarde Bodhi]

Wil(sactiviteit) als Onderdeel van het Achtvoudige Pad, Juiste Intentie

Fragmenten uit Majjhima Nikaya 117, Mahacattarisaka Sutta,

(...)
§10 “Daarbij, bhikkhu’s, komt juiste visie eerst. En hoe komt juiste visie eerst? Men begrijpt verkeerde intentie als verkeerde intentie en juiste intentie als juiste intentie: dit is iemands juiste visie.1105
§11 “En wat, bhikkhu’s, is verkeerde intentie? De intentie van zintuiglijk verlangen, de intentie van kwade wil, en de intentie van wreedheid (soms ook vertaald als "geweld" genoemd, Siebe): dit is verkeerde intentie.
§12 “En wat, bhikkhu’s, is juiste intentie? Juiste intentie, zeg ik, is tweevoudig: er is juiste intentie die beïnvloed wordt door bezoedelingen, deelnemend aan verdienste, rijpend aan de kant van gehechtheid, en er is juiste intentie die edel is, smetteloos, boven-wereldlijk, een factor van het pad.
§13 “En wat, bhikkhu’s, is juiste intentie die beïnvloed wordt door bezoedelingen, deelnemend aan verdienste, rijpend aan de kant van gehechtheid? De intentie van verzaking, de intentie van niet-kwade wil, en de intentie van niet-wreedheid:1106 Dit is juiste intentie die beïnvloed wordt door bezoedelingen, deelnemend aan verdienste, rijpend aan de kant van gehechtheid.
§14 “En wat, bhikkhu’s, is juiste intentie die edel is, smetteloos, boven-wereldlijk, een factor van het pad? Het denken, gedachte, intentie, mentale absorptie, mentale standvastigheid, richten van geest, verbale formatie (innerlijke spraak, Siebe) in iemand wiens geest edel is, wiens geest smetteloos is, die het edele pad bezit en het edele pad ontwikkelt:1107 dit is juiste intentie die edel is, smetteloos, boven-wereldlijk, een factor van het pad.
§15 “Men spant zich in om afstand te doen van verkeerde intentie en juiste intentie te betreden: dit is iemands juiste inspanning. Indachtig doet men afstand van verkeerde intenties, indachtig betreedt en verwijlt men in juiste intentie: dit is iemands juiste indachtigheid. Dus deze drie staten draaien rondom juiste intentie, dat is, juiste visie, juiste inspanning en juiste indachtigheid.1108

Noten


Noot 1105: “MA verklaart dit als de juiste visie van inzicht die juiste intentie begrijpt door middels van diens functie en door verwarring op te lossen. Het lijkt, echter, dat een meer elementair onderscheid van de twee soorten intentie [hier] de kwestie is.
Noot 1106: “Dit is de standaard omschrijving van juiste intentie als factor van het Edele Achtvoudige Pad, zie MN 141.25 “. (zie beneden, Siebe)
Noot 1107:  “In deze omschrijving wordt de factor van intentie (sankappa) geïdentificeerd als aangewende gedachte (vitakka), dat verder wordt gespecificeerd als de factor die verantwoordelijk is voor de absorptie (het geabsorbeerd raken, Siebe) door het fixeren en richten van de geest op diens object. Voor aangewende gedachte als “verbale formaties”, zie MN44.15”.
(Toevoeging van mij aan deze noot uit sleuteltotinzicht.nl: vitakka is het op het punt staan vast te grijpen aan een object om het de aandacht te geven. Haar kenmerk is het vastzetten van het bewustzijn op het object).
Noot 1108: “MA, Deze verklaring verwijst uitsluitend naar de samen/co-bestaande factoren die boven-wereldlijke juiste intentie vergezellen. In de voorbereidende fase van de beoefening, ontstaan de drie wereldlijke juiste intenties afzonderlijk, maar op het moment van het boven-wereldlijke pad ontstaat een enkele juiste intentie terwijl het de drievoudige verkeerde intenties doorsnijdt. Dus de boven-wereldlijke juiste intentie kan ook beschreven worden als de intentie van verzaking, niet-kwade wil en niet-wreedheid. Dezelfde methode is van toepassing op juiste spraak, etc.

Fragment uit Majjhima Nikaya 8, §14 (12) “Iemand die verkeerde intentie heeft, heeft de juiste intentie door dit te [willen] vermijden”.

Fragment uit Majjhima Nikaya 60, §11 “Aangezien er feitelijk een andere wereld is, heeft iemand die de visie heeft, ‘er is een andere wereld, juiste visie. Aangezien er feitelijk een andere wereld is, heeft iemand die mikt op ‘er is een andere wereld’, juiste intentie (...) [zo ook voor de andere factoren].
§19: “Aangezien er feitelijk doen* is, heeft iemand die de visie heeft, ‘er is doen’, juiste visie. Aangezien er feitelijk doen is, heeft iemand die mikt op, ‘er is doen’, juiste intentie (...) [zo ook voor de andere factoren].
§27: “Aangezien er feitelijk oorzakelijkheid is, heeft iemand die de visie heeft, ‘er is oorzakelijkheid’, juiste visie. Aangezien er feitelijk oorzakelijkheid is, heeft iemand die mikt op, ‘er is oorzakelijkheid’ juiste intentie (...)

* Een uitleg bij deze doctrine in noot 629: “Deze doctrine van niet-doen (akiriyavada) wordt in de Samannaphala Sutta (Digha Nikaya 2.17/i.52-53) toegeschreven aan Purana Kassapa. Hoewel bij een eerste kennismaking de visie lijkt te berusten op materialistische premissen, zoals de voorgaande nihilistische visie doet, is er canoniek bewijs dat Purana Kassapa een fatalistische doctrine koesterde. Dus zijn morele anti-nomianisme volgt waarschijnlijk vanuit de visie dat alle activiteit voorbestemd is op manieren die de toekenning van morele verantwoordelijkheid aan de handelende persoon tenietdoen. Zie Basman, History and Doctrines of the Ajikika’s, blz. 84)”.

Fragment uit Majjhima Nikaya 141 [in een uitleg van het Achtvoudige Pad]
§25 “En wat, vrienden, is juiste intentie? Intenties van verzaking, intentie van niet-kwade wil, en intenties van niet-wreedheid- dit wordt juiste intentie genoemd”.

Persoonlijke Bemerkingen

Er is dus juiste intentie die beïnvloed wordt door bezoedelingen, die deelneemt aan verdienste, en rijpt aan de kant van gehechtheid. Dit soort juiste intentie, heilzame intentie, zorgt denk ik voor wedergeboorte in gelukkige bestaansvormen, bijvoorbeeld in een hemel, maar aldus bevrijdt het niet van samsara. Zo blijf je gebonden aan samsara.

Dat deze juiste intentie beïnvloed wordt door bezoedelingen, verwijst denk ik niet zozeer naar beïnvloeding door haat of hebzucht, want zulke intentionele activiteit is niet juist. Het verwijst volgens mij vooral naar de invloed van begoocheling, verkeerde visie. Iemand heeft nog niet de visie van de stroom-intreder dus men heeft nog een verkeerde visie van individualiteit of persoonlijk zelf. Onder invloed van zulke begoocheling kan iemands intentie toch goed of heilzaam zijn, bijvoorbeeld vanuit liefdevolle zorg.

Het verschil met de soort juiste intentie die smetteloos is, is volgens mij dat deze laatste geen brandstof vormt voor verdere wedergeboorte, en daarom rijpt het denk ik ook niet aan de kant van gehechtheid (aan de cyclus van geboorte, verouderen en dood) zoals de vorige. Zo iemand heeft ook de visie van het Pad.

Dhammapada vers 412 [uit www.sleuteltotinzicht.nl]
Wie in deze wereld voorbij beide banden is gegaan -- verdienste en kwaad -- hij is zonder verdriet, onbezoedeld en zuiver; hij is degene die ik een brahmaan noem.

Siebe
 
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Majjhima Nikaya 129
Bericht door: Passievrucht op 19-10-2015 09:44
[samenvatting aan de hand van: Majjhima Nikaya, oorspronkelijke vertaling door Bhikkhu Nanamoli, bewerkt en herzien door Bhikkhu Bodhi, Buddhist Publication Society, 1995]

Kamma en de Bestemming van de Dwaas en van de Wijze

Majjhima Nikaya 129, Balapandita Sutta

Een korte samenvatting van de sutta in eigen woorden:

De dwaas

Er zijn drie kenmerken van een dwaas, drie tekenen, drie toeschrijvingen. Welke? Een dwaas is iemand die slechte gedachten denkt, slechte woorden spreekt en slechte daden doet. Hier en nu voelt de dwaas pijn en verdriet op drie manieren: 1. mensen spreken onderling slecht over wangedrag en iemand die het vertoont. De dwaas weet dat hij zich inlaat met zulk wangedrag en dat de mensen dit hebben gezien ook. 2. Mensen worden streng gestraft voor wangedrag. De dwaas weet dat hij ook overtredingen begaat en weet dat dit ook gezien is door anderen. 3. Wanneer de dwaas rust, bedekken en omhullen hem de wandaden die hij beging via geest, spraak en lichaam. Hij heeft niet gedaan wat goed is en zal naar een bijbehorende bestemming gaan. Een dwaas die zichzelf heeft overgegeven aan wangedrag met lichaam, spraak en geest, zal na de ontbinding van het lichaam, na de dood, verschijnen in staat van ontbering, een ongelukkige bestemming, zelfs in de hel. Dit verontrust hem erg.

De Boeddha geeft nu op verzoek een indruk van het intense leed in de slechte bestemmingen van de hellerijken en het dierenrijk. Naast slechte daden wordt ook ‘verheugen in smaken’ aangegeven als een oorzaak van wedergeboorte onder dieren.
De Boeddha geeft aan dat als een dwaas eenmaal naar de verdoemenis is gegaan, de kans dat ie weer de mensenstaat vindt, kleiner is dan dat een blinde schildpad die eens in de honderd jaar aan de oppervlakte komt, zijn kop toevallig zal steken in het enige juk dat drijft op de woeste golven van de zee. Waarom? Omdat in de slechte bestemmingen de Dhamma niet wordt beoefend, er wordt niet gepraktiseerd wat goed is, er wordt niet gedaan wat heilzaam is, er is geen vervulling van verdienste. Wat overheerst is dat ze elkaar onderling opeten en het afslachten van de zwakken.

De wijze

Er zijn drie kenmerken van een wijze, drie tekenen, drie toeschrijvingen. Welke? Een wijze denkt goede gedachten, spreekt goede woorden en doet goede daden.
Hier en nu voelt een wijze plezier en vreugde op drie manieren: 1. mensen spreken onderling slecht over wangedrag en iemand die het vertoont. De wijze weet dat hij zich niet inlaat met zulk wangedrag en niemand dat van hem gezien heeft ook. 2. Mensen worden streng gestraft voor wangedrag. De wijze weet dat hij geen overtredingen begaat en door niemand gezien is ze te begaan. 3. Wanneer de wijze rust bedekken en omhullen hem de goede daden die hij beging via geest, spraak en lichaam. Maar de wijze weet dat hij geen slechte daden heeft begaan maar goede en naar een bijbehorende bestemming zal gaan. Een wijze die zichzelf heeft overgegeven aan goed gedrag met lichaam, spraak en geest, zal na de ontbinding van het lichaam, na de dood, verschijnen in een gelukkige bestemming, zelfs in de hemel.

De sutta geeft nu een beschrijving van het soort geluk in de hemel aan de hand van het welzijn van een zogenaamde Wiel-Draaiende Monarch.

Als op enig moment na het einde van een lange periode de wijze terugkomt naar de menselijke staat wordt hij wedergeboren in een hoge en rijke familie. Hij is mooi, aantrekkelijk en gracieus. Hij heeft een goed leven en gedraagt zich goed. Na de dood zal hij wedergeboren worden op een gelukkige bestemming, zelfs in de hemelse wereld.

De gelukkige worp van een gokker die bij de eerste worp een fortuin wint, is niks vergeleken bij de gelukkige worp van de wijze die zich goed gedraagt met lichaam, spraak en geest.

Dit besluit Majjhima Nikaya

hartelijke groet,
Siebe



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Kamma als Voeding
Bericht door: Passievrucht op 26-10-2015 10:07
[bron: Digha Nikaya vertaling van Maurice Walsh, 1995]

Mentale wilshandeling als één van de vier soorten voeding/voedsel

Fragment uit Digha Nikaya 33, §1.11

(...)
Vier voedingen (ahara): “materieel”1061 (kabalinkara), voedsel, grof of subtiel;1062 contact als tweede; mentale wil (manosancetana)1063 als derde; bewustzijn als vierde.
(...)

Noten

Noot 1061: Gewoonlijk betekent dit normaal menselijk voedsel maar zie noot 1062.
Noot 1062: Dit verwijst naar het voedsel van de deva’s, soms ook kabalinkara (vgl. Noot 74) genoemd.
Noot 1063: Deze wil= kamma

Inleiding
Er is niet alleen honger in de zin van honger naar fysiek voedsel maar ook naar ervaringen, overleven (of bestaan), naar aangename gevoelens bijvoorbeeld, of naar avontuur, naar macht, controle, aanzien, etc. We hongeren op verschillende manieren en voeden ons op verschillende manieren. Wie de honger overwint, gaat voorbij aan het lijden. 

Voedsel heeft hier ook de betekenis van voeding of ondersteuning, zoals zuurstof vuur voedt of ondersteunt. Het ene voedt of ondersteunt het andere. Als er niet dit is, dan ook niet dat. In deze zin verwijst voeding/voedsel naar voorwaardelijkheid. Boeddhisme onderscheidt 24 vormen van voorwaardelijkheid (paccaya) en de voedsel-voorwaarde (ahara paccaya) is daar één van.

Ik zal in het onderstaande alleen ingaan op mentale wil of kamma als voedsel. De andere drie: eetbaar voedsel, zintuiglijke indrukken (contact) en bewustzijn zal ik hier niet bespreken. Wie meer wil weten over de andere drie soorten voedsel kan de onderstaande site raadplegen.

Mentale wil (of vertaald als wilsgedachte) als voeding/voedsel/nutrient
De informatie is afkomstig van:
http://www.accesstoinsight.org/lib/authors/nyanaponika/wheel105.html


(onderstaande tekst letterlijk vertaald van de site)
“Wilsgedachte betekent hier hoofdzakelijk kamma- d.w.z. wedergeboorte voortbrengende en levens-bevestigende activiteit- en de Boeddha heeft dit vergeleken (in SN12.63) met een man die door twee anderen naar en in een kuil van gloeiende kolen (samsara) wordt gesleept . De twee slepende krachten zijn ‘s mens karmische activiteiten, goed (maar nog altijd begoocheld) en slecht. Het zijn onze karmische neigingen, onze levens-bevestigende wilsdaden, onze plannen en ambities, die ons op onweerstaanbare wijze naar die diepe kuil van samsara slepen met diens gloeiende kolen van intens lijden. Dus werd er gezegd dat wilsgedachte, in de zin van kamma, de voeding is van wedergeboorte in de drie niveaus van bestaan (zintuiglijk, fijnstoffelijk/vorm en onstoffelijk/vormloos, Siebe).
Het voedsel van wilsgedachte manifesteert zichzelf in de onophoudelijk drang van de mens om plannen te maken en te aspireren, te worstelen en overwinnen, te bouwen en te vernietigen, te doen en teniet te doen, uit te vinden en te ontdekken, te vormen en veranderen, te organiseren en creëren. Deze drang heeft de mens in de diepten van de oceaan gebracht en in de onmetelijkheid van de ruimte. Het heeft hem de meest kwaadaardige van alle roofdieren gemaakt en hem ook in staat gesteld om de verheven hoogten van een genie in creativiteit en gedachte te bereiken.
De rusteloosheid die aan de basis ligt van al dat verlangen naar activiteit en van de creatieve drang, is de constante honger naar alle vier soorten voeding van het leven en naar een variëteit van hen op verschillende niveaus van grofheid en sublimiteit. Het is wilsgedachte dat moet gaan foerageren om de mens van de andere soorten voeding te voorzien die hij begeert. Het is een onophoudelijke taak, een overwinning opleverend die slechts kort duurt, en eentje die steeds weer eindigt in een nederlaag.
In wilsgedachte verschijnt de wereld als wil en vermogen, en als een scheppende kracht. Gevoed door dit krachtige voedsel zal het proces van het bouwen van de wereld en het vernietigen van de wereld doorgaan totdat samsara in diens ware natuur wordt gezien als een kuil van gloeiende kolen, de grondeloze diepe die niet gevuld kan worden door onze voortdurende onderdompeling er in, welke verschijning we dan ook aannemen in onze migratie”.

Van dezelfde site, fragmenten uit de Eerwaarde Buddhaghosa’s Saarattha-ppakaasini, het commentaar op de Samyutta Nikaya (enkele fragmenten):

“Voeding (aahaara) heeft de betekenis van “voorwaarde”(paccaya); omdat voorwaarden hun eigen gevolgen met zich meebrengen (aaharan.ti)”
“Wilsgedachte is een belangrijke voorwaarde voor bewustzijn” (zie ook reactie 43 en 44 in deze draad; SN 12.38, 12.39 en 12.40; “wat men zich voorneemt, en wat men van plan is, en waar men dan ook naar neigt/uitgaat: dit wordt een basis voor de instandhouding/handhaving/onderhoud van bewustzijn. Wanneer er een basis is, is er een ondersteuning voor het zich vestigen van bewustzijn. Wanneer bewustzijn wordt gevestigd en tot wasdom is gekomen, is er de voortbrenging van toekomstig hernieuwd bestaan)
“Wat is het nu dat wordt gevoed (of geconditioneerd) door elk van de vier soorten voedsel? ...De voeding van wilsgedachte voedt en conditioneert de drie staten van bestaan”.
“De voeding van wilsgedachte, wanneer het zich voordoet als kamma dat leidt tot wedergeboorte in de zintuiglijke sfeer, voedt en conditioneert zintuiglijk bestaan. Wanneer het zich voordoet als kamma dat leidt tot wedergeboorte in de fijn-stoffelijke of onstoffelijke sfeer voedt en conditioneert het het overeenkomende bestaan. Zo voedt en conditioneert de voeding wilsgedachte in alle gevallen de drie staten van bestaan”.
“Wanneer er gezegd wordt dat ‘wilsgedachte de drie staten van bestaan voedt en conditioneert’, wordt alleen gesproken over karmisch heilzame en onheilzame wilsactiviteit, onderhevig aan de bezoedelingen (saasava-kusala-akusala)”.
Onder de vier soorten voedsel... “vervult wilsgedachte de functie van voeding door middel van verzamelen (kamma; aayuuhamaano). Op welke manier? (...) “De voeding van wilsgedachten, in het verzamelen van heilzame en onheilzaam kamma, zorgt voor de onderhoud van wezens door het genereren/verwekken van de wortel van bestaan”. (...)

“Alle gevaar die zich voordoet in de drie staten van bestaan is geworteld in de ophoping van heilzaam en onheilzaam kamma. Derhalve is het gevaar in wilsgedachte de verzameling van kamma”.

“...Als het voedsel van wilsgedachte wordt begrepen (zie de tekst op de site voor een nadere omschrijving hiervan) worden daardoor de drie soorten begeerte begrepen, “d.w.z. zintuiglijke begeerte, de begeerte naar (eeuwig) bestaan en de begeerte naar zelf-vernietiging. Waarom is dit zo? Omdat wils(karmische)gedachte wortelt in begeerte, en als van de oorzaak geen afstand wordt gedaan, kan van het gevolg ook niet afstand zijn gedaan”

De Geconditioneerde Natuur van Voedsel

Fragment uit Samyutta Nikaya 12.11

“Er zijn, o monniken, vier soorten voedsel (of vier nutriënten) voor het levensonderhoud van wezens die geboren zijn en voor de ondersteuning van wezens die geboorte zoeken. Welke vier?
Eetbaar voedsel, grof en subtiel; ten tweede, zintuiglijke-indrukken; ten derde, wilsgedachte (of mentale wil); ten vierde, bewustzijn?
Van deze vier soorten voedsel, O monniken, wat is hun bron, wat is hun oorsprong, van waaruit worden ze geboren, wat geeft ze bestaan?
Deze vier soorten voedsel, O monniken, hebben begeerte als hun oorzaak, hebben begeerte als hun oorsprong, zijn geboren vanuit begeerte, en begeerte geeft ze het bestaan”
(...)

Enkele fragmenten uit Samyutta Nikaya 12.64

-“Als, O monniken, er hartstocht naar wilsgedachte bestaat, als er genoegen in bestaat en begeren er naar, dan vestigt bewustzijn zich daarin en groeit. Waar bewustzijn zich vestigt en groeit, daar zal zich geest-en-lichaam voordoen. Waar zich geest-en-lichaam voordoen daar is de groei van karma-formaties. Waar karma-formaties groeien, is er een toekomstig verrijzen van hernieuwd bestaan. Wanneer er een toekomstig hernieuwd verrijzen is, is er toekomstige wedergeboorte, verval en dood. Dit, zeg ik, O monniken, is beladen met smart, belast met hevig lijden en wanhoop.

-“Maar als, O monniken, er geen lust is naar de voeding van eetbaar voedsel, zintuiglijke-indrukken, wilsgedachte en bewustzijn, als er geen genoegen in ze is en geen begeren naar hen, dan vestigt bewustzijn zich niet daarin en groeit niet. Waar bewustzijn zich niet vestigt noch groeit, daar zal zich geest-en-lichaam niet voordoen. Waar zich geest-en-lichaam niet voordoen daar is niet de groei van karma-formaties. Waar karma-formaties niet groeien, is er geen toekomstig verrijzen van hernieuwd bestaan. Wanneer er geen toekomstig hernieuwd verrijzen is, is er geen toekomstige wedergeboorte, verval en dood. Dit, zeg ik, O monniken, is vrij van smart, van hevig lijden en wanhoop.

Enkele fragmenten uit Samyutta Nikaya 12.31

“’Door de beëindiging van voeding is dat wat in bestaan gekomen is, bestemd te eindigen’- diegene ziet met ware wijsheid, zoals het werkelijk is. En na met ware wijsheid te hebben gezien zoals het werkelijk is, dat ‘door de beëindiging van die voeding, is wat in bestaan gekomen, bestemd te eindigen’, is iemand onderweg naar het zich afkeren van wat onderhevig is aan eindigen, naar onverstoordheid en beëindiging. Aldus, O heer, is iemand in hogere training”.

“’Door de beëindiging van voeding, is dat wat in bestaan gekomen is, bestemd te eindigen’- diegene ziet men ware wijsheid, zoals het werkelijk is. En na het met ware wijsheid te hebben gezien zoals het werkelijk is, dat ‘door de beëindiging van die voeding, is dat wat in bestaan is gekomen, bestemd te eindigen’, dan door het zich afkeren van wat onderhevig is aan eindigen, vanuit onverstoordheid (met het) en de beëindiging (van het) wordt iemand bevrijd zonder hechting. Aldus, O heer is iemand een kenner van de Dhamma...”.

Fragment uit Majjhima Nikaya 9

Voeding als basis voor Juist Begrip (Juiste Visie)

...Toen stelden de monniken een andere vraag aan de eerwaarde Sariputta: “Vriend, kan er een andere manier zijn waarop gezegd kan worden dat een edele leerling iemand is met Juist Begrip, wiens visie juist is, wie in bezit is van stabiel vertrouwen in de Dhamma, die dit goed onderricht heeft gerealiseerd?”
“Dat kan zo zijn, vrienden. Als, vrienden, een edele leerling voeding kent, de herkomst van voeding kent, het beëindigen van voeding kent en de weg die leidt naar het beëindigen van voeding kent, dan is hij, in zoverre, iemand van Juist Begrip, wiens visie juist is, wie in bezit is van stabiel vertrouwen in de Dhamma, die dit goed onderricht heeft gerealiseerd?”
“En wat is voeding? Er zijn vier soorten voeding voor het levensonderhoud van wezens die geboren zijn en voor de ondersteuning van wezens die geboorte zoeken. Wat zijn de vier? Eetbaar voedsel, grof en fijn; zintuiglijke-indrukken is de tweede; wilsgedachte, de derde; en bewustzijn, de vierde.
“Door het ontstaan van begeerte is er het ontstaan van voeding. Door het beëindigen van begeerte is er het beëindigen van voeding. De weg die leidt naar het beëindigen van voeding is het Edele Achtvoudige Pad, namelijk, juist begrip, juiste gedachte, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juist aandachtigheid en juiste concentratie.
“Vrienden, als een edele leerling aldus voeding kent, het ontstaan van voeding kent, het beëindigen van voeding en de weg die leidt naar de beëindiging van voeding, doet hij volledig afstand van de innerlijke neiging tot hebzucht, hij werpt af de innerlijke neiging tot kwade wil, hij elimineert de innerlijke neiging tot de opinie-en-eigenwaan van ‘Ik ben’, hij dankt onwetendheid af, brengt kennis voort en wordt een beëindiger van lijden hier en nu”.

Dit besluit Digha Nikaya

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Nidhi Kanda Sutta
Bericht door: Passievrucht op 27-10-2015 16:50
[bron: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/kn/khp/khp.1-9.than.html#khp-8]

Pali Canon, Khuddaka Nikaya, Khuddakapatha, De Kleinere Lezingen

Het spaartegoed van positief kamma (verdienste)

Nidhi Kanda Sutta - Het Spaartegoed

Een persoon verstopt spaartegoed,
diep onder de grond, aan de waterlijn:
“Wanneer er een behoefte of verplichting ontstaat,
zal dit in mijn behoeften voorzien,
voor mijn bevrijding wanneer ik word aangeklaagd door de koning,
gemolesteerd door dieven,
in geval van schulden, hongersnood, of ongelukken.”
Met zulke doeleinden
wordt in de wereld
wen spaartegoed verstopt.

Maar ongeacht hoe goed het ook opgeslagen is,
diep ondergronds, aan de waterlijn,
het zal niet allemaal altijd in je behoeften voorzien.
het spaartegoed wordt verplaatst,
of iemands geheugen laat hem in de steek;
of - ongezien-
gaan naga’s er mee vandoor,
geesten stelen het,
of haatvolle erfgenamen rennen er mee weg.
Wanneer iemands verdienste geëindigd is
is het volledig vernietigd.

Maar wanneer een man of vrouw
Een goed-opslagen spaartegoed opzij heeft gezet
van geven, deugdzaamheid,
beteugeling & zelfbeheersing,
met betrekking tot een heiligdom,
de Sangha,
een goed individu,
gasten,
moeder, vader,
of een oudere broer of zus:
is dat een goed-opgeslagen spaartegoed.
Het kan niet ontvreemd worden.
Het volgt je verder.
Wanneer, na deze wereld verlaten te hebben,
je waar dan ook naartoe moet gaan,
neem je het mee.
Dit spaartegoed wordt niet gedeeld met anderen,
en kan niet door dieven gestolen worden.

Dus, wijs, dien je verdienste te verzamelen,
het spaartegoed dat je verder zal volgen.
Dit is het spaartegoed
dat alles geeft wat ze willen
aan mensen, goden.

Wat deva’s zich dan ook wensen,
dat alles wordt hierdoor verkregen.
Een mooie teint, mooie stem,
een goed gebouwd lichaam, goed gevormd,
heerschappij, aanhang,
dat alles wordt hierdoor verkregen.
Aards koningschap, oppergezag,
de gelukzaligheid van een keizer,
koningschap over deva’s in de hemelen:
Dat alles wordt hierdoor verkregen.
De verwezenlijking van de menselijke staat,
Iedere vreugde in de hemel,
de verwezenlijking van Bevrijding:
Dat alles wordt hierdoor verkregen.
Uitstekende vrienden,
Juiste toepassing1,
meesterschap van helder weten & bevrijding2:
Dat alles wordt hierdoor verkregen.
Scherpzinnigheid3, bevrijdingen4,
De perfectie van leerlingschap:
Dat alles wordt hierdoor verkregen.
Privé Ontwaken5,
Boeddhaschap:
Dat alles wordt hierdoor verkregen.

Zo krachtig is dit,
De vervulling van verdienste.
Dus de wijzen, de verstandigen,
Prijzen het spaartegoed van verdienste
Dat reeds gemaakt is.

Noten

Noot 1: Juiste beoefening van de Dhamma
Noot 2. Helder weten = kennis van vorige levens, kennis van het heengaan en weer verrijzen (wedergeboorte) van wezens, kennis van het eindigen van de mentale rijpingen (asava’s, Siebe): zintuiglijke passie, worden, visies, onwetendheid. Bevrijding= bevrijding van de cyclus van wedergeboorten.
Noot 3: Scherpzinnigheid = scherpzinnigheid met betrekking tot de Dhamma, mb.t. diens betekenis, m.b.t. taal, & m.b.t. schranderheid. Deze talenten worden gevonden in sommige, maar niet alle, arahants.
Noot 4. Bevrijdingen. (De noot beschrijft de acht soorten bevrijding die in DN15 worden besproken. Hier niet vertaald, Siebe).
Noot 5. Privé Ontwaken: Ontwaken als een Private Boeddha (Pratyeka Boeddha, Siebe), iemand die kan ontwaken zonder te vertrouwen op de onderrichtingen van anderen, maar niet de Dhamma kan formuleren op een manier die een Volledige Boeddha beheerst.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Dhammapada, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 28-10-2015 09:43
[teksten afkomstig van http://www.sleuteltotinzicht.nl]

Een eerste selectie uit Dhammapada, Het Pad van Waarheid

Dhammapada

001. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden dat daardoor is veroorzaakt, zoals het wiel de hoef van de os volgt.
002. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten, volgt geluk dat daardoor is veroorzaakt, zoals iemands schaduw die hem nooit verlaat.

015. Hier lijdt iemand en in het hiernamaals lijdt iemand; op beide manieren lijdt degene die kwaad doet. Iemand lijdt en wordt gekweld wanneer hij zijn eigen onzuivere wilshandelingen ziet.
016. Hier is iemand gelukkig en in het hiernamaals is iemand gelukkig; op beide manieren is degene die goed doet gelukkig. Iemand is gelukkig en verheugt zich wanneer hij zijn eigen zuivere wilshandelingen ziet.
017. Hier brandt iemand en in het hiernamaals brandt iemand; op beide manieren brandt degene die kwaad doet. Berouwvol brandt iemand: 'ik heb kwaad begaan', en nog meer brandt iemand nadat hij naar een ellendige sfeer is gegaan.
018. Hier is iemand gelukkig en in het hiernamaals is iemand gelukkig; op beide manieren verheugt zich degene die goed doet. Sereen is hij: 'verdiensten heb ik verricht', en nog meer verheugt hij zich nadat hij naar een zegenrijke sfeer is gegaan.

024. Volhardend en indachtig, zuiver in handelingen, zorgvuldig in alle activiteiten, een rechtschapen leven leidend; voor zulk een oplettend persoon neemt de glorie toe.

053. Zoals van veel bloemen, veel bloemkransen kunnen worden gemaakt, zo moet door een sterveling veel goede daden worden verricht.

066. Dwazen met een zwak onderscheidingsvermogen zijn als vijanden voor zichzelf, want zij begaan slechte daden die slechte gevolgen hebben.
067. Die daden zijn niet goed, daden waarvan men spijt krijgt, waarvan men de gevolgen met huilen en een betraand gezicht ervaart.
068. Maar die daden zijn goed, daden waarvan men geen spijt krijgt, waarvan men de gevolgen met blijheid en een vreugdevolle geest ervaart.
069. Wanneer slechte daden nog niet tot rijping zijn gekomen, beschouwt de dwaas die daden als honing. Maar wanneer het kwaad rijpt, dan lijdt de dwaas.
071. Zoals melk niet onmiddellijk stremt, zo zijn kwade daden die begaan zijn. Al smeulend vervolgen ze de dwaas zoals vonken die met as bedekt zijn.

117. Als iemand een kwade daad heeft begaan, doe dat dan niet wederom. Wens niet om dat nogmaals te doen, want kwaad leidt tot lijden.
118. Als iemand een verdienstelijke daad heeft verricht, doe dat dan wederom. Wens om dat nogmaals te doen, want verdienstelijke daden leiden tot geluk.

119. Zolang kwade daden niet tot rijping komen beschouwt degene die kwaad doet, dit als het goede. Maar wanneer kwade daden tot rijping komen, dan beschouwt de zondaar de ware natuur van het kwade.
120. Zolang goede daden niet tot rijping komen beschouwt zelfs degene die goed doet, dit als het kwade. Maar wanneer goede daden tot rijping komen, dan beschouwt degene die goed doet dit als werkelijk goed.
121. Denk niet aldus lichtjes over het kwade: 'Dit heeft geen gevolgen voor mij', want ook door het vallen van waterdruppels wordt een waterkan gevuld. De dwaas vult zichzelf met het kwade; hij verzamelt het beetje bij beetje.
122. Denk niet aldus lichtjes over het goede: 'Dit heeft geen gevolgen voor mij', want ook door het vallen van waterdruppels wordt een waterkan gevuld. De heilige vult zichzelf met het goede; hij verzamelt het beetje bij beetje.
123. Zoals een koopman met veel weelde maar met weinig bewaking, een gevaarlijk pad vermijdt, zo vermijdt hij volledig het kwaad, net zoals hij als liefhebber van het leven, gif vermijdt.
124. Als er geen wond in een hand is, dan kan er gif in gedragen worden. Het gif dringt niet binnen als iemand geen wonden in zijn hand heeft. Op dezelfde manier zijn er geen kwade gevolgen voor iemand die geen kwaad begaat.
125. Wie zich vergrijpt aan iemand die smetteloos is, die zuiver is, die zonder bezoedelingen is, op die dwaas valt het kwaad terug zoals stof dat tegen de wind in geworpen is.
126. Sommigen worden geboren in de baarmoeder, kwaaddoeners komen in de hel tot leven, weldoeners gaan naar de hemelen, zij die zonder bezoedelingen zijn verwerven het totale Nibbana.
127. Noch in de lucht, noch midden in de oceaan, noch door te verblijven in een berggrot; nergens is die plaats op aarde te vinden, waar iemand vrij is van zijn kwade daden.

131. Wie dan ook letsel met geweld toebrengt aan wezens die gelukkig willen zijn, zal -- als een wezen dat zelf gelukkig wil zijn-- in zijn volgende geboorte ook geen geluk voor zichzelf verwerven.
132. Wie dan ook geen letsel met geweld toebrengt aan wezens die gelukkig willen zijn, zal -- als een wezen dat zelf gelukkig wil zijn-- in zijn volgende geboorte ook geluk voor zichzelf verwerven.
133. Spreek geen harde woorden tot anderen, want ter vergelding komen harde woorden terug. Twistgesprekken strekken inderdaad tot lijden, want je neemt deel aan veel aanvallen.

136. Als een dwaas slechte daden begaat, kent hij de gevolgen er niet van. Zulk kamma verbrandt de onwijze persoon als iemand die door vuur wordt verschroeid.
137. Wie een geweldloze geweld aandoet, wie de onschuldige slecht behandelt, komt snel tot één van deze tien toestanden: (...)
138. (...) hevige pijn vanwege ontbering, verwonding van het lichaam, een ernstige ziekte, of gestoordheid van geest (...)
139. (...) problemen met koningen, beschuldigingen, het verlies van verwanten, vernietiging van weelde (...)
140. (...) of zijn huizen branden door een vuurzee af. En wanneer het lichaam tot zijn einde komt, wordt die onwijze, kwade persoon in de hel geboren.

161. Kwade daden worden door iemand zelf begaan, zij worden geboren uit hemzelf en voortgebracht door hemzelf. Door het kwaad wordt de onwijze geplet, zoals de diamant de hardste edelsteen plet.
162. Iemand met een zeer slecht gedrag, doet zichzelf aan wat zijn vijanden hem wensen, precies zoals de Maluva klimplant een Sala boom verstikt.
163. Wat slecht en schadelijk is voor jezelf, is makkelijk te doen. Maar wat goed en voordelig is, dat is bijzonder moeilijk om te doen.
164. Een onwetend persoon die vanwege verkeerde inzichten de weg verspert naar het onderwijs van de arahats, van edele personen die een rechtvaardig leven leiden - zijn daad is als de vruchten van de bamboe welke tot zelfvernietiging strekken.
165. Door iemand zelf worden kwade daden begaan, iemand bezoedelt zichzelf. Door iemand zelf worden geen kwade daden begaan, iemand zuivert zichzelf. Zuiverheid en onzuiverheid is afhankelijk van iemand zelf. Niemand kan een ander zuiveren.

[einde eerste selectie]

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 28-10-2015 23:03
001. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden dat daardoor is veroorzaakt, zoals het wiel de hoef van de os volgt.
002. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten, volgt geluk dat daardoor is veroorzaakt, zoals iemands schaduw die hem nooit verlaat.

Hieruit lees ik dat 'geest' synoniem is met 'denken'.

Maar dat zal wellicht de 'denk geest' zijn...
Het aspect van de geest dat denkt.

Kvind deze verzen verwarrend omdat geest en gedachten in vertalingen
vaak door elkaar gebruikt worden in een adem.

De vertaling van Tonny Kurpershoek Scherft doet hetzelfde,
maar dan omgekeerd:

''Eerst komt het denken. Het is het denken
dat de wereld doet ontstaan: de geest stuurt,de wereld is zijn schepping.
Wie spreekt of handelt met verdorven geest -hem volgt leed, als het wagenwiel
de voet van het trekdier.'' enz.

De vertaling van Harischandra Kaviratna :

"Alle verschijningsvormen van het bestaande hebben het denken als voorloper,
het denken als opperste leider, en uit het denken zijn zij gevormd.
Lijden volgt hem die met onreine gedachten spreekt of handelt, zoals het wiel de voet volgt van degeen die de wagen trekt.'' enz

Hier komt het woordje 'geest' niet voor.

Dat is in ieder geval konsekwent.

Op grond van de verschillende vertalingen vermoed ik dat wanneer in een vertaling
zowel 'geest' als 'denken' gebruikt worden er sprake moet zijn van een 'stukje'
van de geest, dat als denken benoemd wordt.
Dan denk ik dat er een pali term moet zijn die overeenkomt met een woord als 'denk geest'.

Immers: ik zie niet dat geest  en denken volledig samenvallen of synoniem zijn van elkaar.

Daarom ben ik geneigd vertalingen die dat wel doen, zoals de jouwe hierboven en die van Tonny K.S. te beschouwen als een vertaling die tekort schiet.

Maar of dat iets zegt over de vertalingen
of meer over mijn eigen verwarring.....
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Dhammapada, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 28-10-2015 23:17
001. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden dat daardoor is veroorzaakt, zoals het wiel de hoef van de os volgt.
002. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten, volgt geluk dat daardoor is veroorzaakt, zoals iemands schaduw die hem nooit verlaat.

Hieruit lees ik dat 'geest' synoniem is met 'denken'.

Anders zou er staan: het denken is de voorloper van alle dingen enz

Hoi Dirk,

Ik ben tegengekomen dat er talloze vertalingen zijn van deze eerste twee verzen. Die verschillen soms nogal vind ik.

Ik heb verder gezien dat 'juiste gedachten/juiste bedoelingen/juiste intenties' wel als een soort synoniemen worden gebruikt. Zie bijvoorbeeld: https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_Achtvoudige_Pad.

Siebe




Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 28-10-2015 23:55
Daarom ben ik geneigd vertalingen die dat wel doen, zoals de jouwe hierboven en die van Tonny K.S. te beschouwen als een vertaling die tekort schiet.

Maar of dat iets zegt over de vertalingen
of meer over mijn eigen verwarring.....

Hoi Dirk,

Ja ik volg je wel. Ik wil wel even duidelijk maken dat het  niet mijn-vertaling was. De tekst heb ik letterlijk overgenomen van de site www.sleuteltotinzicht.nl.

Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 29-10-2015 07:42
De vertaling van de Breet/Janssen is,
evenals die van Harischandra Kaviratna
ook konsekwent, maar dan in het gebruik van het woordje 'geest'.

''De dingen worden voorafgegaan door de geest,
hebben de geest als voorman, worden door de geest gemaakt.
Als iemand met verdorven geest spreekt of handelt,
dan volgt hem leed, als het wiel de voet van het trekdier.''

Er zijn dus vertalingen waarin geest en denken met elkaar verward worden.
Er zijn vertalingen waarin konsekwent over denken gesproken wordt.
En er zijn vertalingen waarin konsekwent over geest gesproken wordt.

Ik houd het erop dat denken en geest niet synoniem zijn.
Dat zou onzin zijn.

Maar wat wil het vers nu eigenlijk zeggen?

Ik vertaal het met zoveel als dat je als mens
verantwoordelijk bent voor je eigen leven.
Het zelf richting geeft.
En dat een belangrijke factor hierin is
hoe je tegen het leven en de wereld aankijkt.
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Dhammapada, slot
Bericht door: Passievrucht op 29-10-2015 15:33
[teksten afkomstig van http://www.sleuteltotinzicht.nl]

Dhammapada, Het Pad van Waarheid, slot

Dhammapada

168. Ontwaak tot de realiteit, wees niet begoocheld. Leef correct volgens de Dhamma. Iemand die realistisch leeft, is gelukkig in deze wereld en in de volgende.
169. Beoefen op correcte wijze de Dhamma, houd geen slechte koersen aan. Iemand die realistisch leeft, is gelukkig in deze wereld en in de volgende.

173. Iemand die zijn slechte daden met goede daden compenseert, verlicht deze wereld zoals de maan wanneer die bevrijd wordt van donkere wolken.

177. Vrekken gaan niet naar de hemelse sferen, dwazen juichen grootmoedigheid nooit toe, maar iemand met wijsheid verheugt zich daarover bij het geven en zal gelukkig zijn in toekomstige levens.

183. Het vermijden van al het kwaad, altijd het goede doen en de eigen geest zuiveren; dit is de Leer van alle Boeddha's.

220. Als verdienstelijke daden zijn verricht en men van deze wereld naar de andere wereld gaat, dan verwelkomen die verdiensten iemand daar op dezelfde manier zoals verwanten een geliefde ontvangen die van een lange reis terugkeert.

240. Roest dat uit ijzer is ontstaan, vreet het ijzer zelf weg. Op dezelfde wijze leiden iemands eigen grensoverschrijdende daden hem naar een staat van ellende.

246. Wie in de wereld leven vernietigt, wie woorden van onwaarheid spreekt, wie neemt wat niet vrijwillig is gegeven of naar de partner van iemand anders gaat, (...)
247. (...) of bedwelmende drank drinkt; hij die dit uitbundig volgt, vernietigt reeds in deze wereld zijn eigen wortel.
248. Daarom, mens, moet je dit weten: kwade daden zijn moeilijk te beteugelen. Laat hebzucht en slechtheid je niet naar beneden halen zodat je voor lange tijd zult lijden.

267. Wie boven goede en slechte daden is uitgestegen en het heilige leven nastreeft, die de wereld op een wijze manier bespiegelt; zulk een persoon wordt terecht 'bhikkhu' genoemd.

281. In spraak altijd waakzaam, met de geest goed beteugeld, nooit met het lichaam onheilzame daden begaan. Op deze manier zal iemand deze drie deuren van kamma zuiveren en de weg bereiken die door de zieners bekend is gemaakt.

306. Iemand die de waarheid ontkent en iemand die iets gedaan heeft en zegt: "Dat heb ik niet gedaan", gaan naar de hel (niraya). Na de dood vergaat het beide typen personen, die deze slechte daden verrichten, hetzelfde.
307. Velen die het gele gewaad dragen, zijn onbeheerst en doen slechte dingen; deze slechteriken worden door hun slechte daden in de hel wedergeboren.
309. Vier dingen overkomen een achteloos persoon die slaapt met iemand die (met iemand anders) gehuwd is: hij wint aan zonde maar schiet tekort in slaap, het derde is ongenade, terwijl het vierde de hel (niraya) is.
310. Zonde verkregen en slechte geboorte, schrikt man en vrouw -- kort is hun vreugde, de koning beveelt een zware straf: daarom moet men niet slapen met iemand die gehuwd is.
311. Zoals kusa gras de hand verwondt wanneer het verkeerd vastgegrepen wordt, zo trekt een verkeerd gehanteerd kloosterleven iemand de hel (niraya) in.
312. Het kan zijn dat daden niet van harte worden uitgevoerd, dat het doen van geloften onzuiver is, dat het heilige leven op een dubieuze wijze geleid wordt. Dit alles brengt geen goede resultaten voort.
313. Als er iets is dat gedaan moet worden, doe het dan met grote standvastigheid, want een slap kloosterleven doet in werkelijkheid het stof alleen maar verder toenemen.
314. Het is beter om geen kwade daad te begaan, want de kwade daad doet later pijn. Het is beter om een goede daad te begaan, want als een goede daad is begaan, krijgt men daar nooit berouw over.
315. Zoals een grensdorp aan zowel de binnenkant als de buitenkant bewaakt wordt, zo moeten ook jullie jezelf beschermen. Laat het juiste moment niet zomaar aan je voorbij gaan, want zij die het juiste moment missen, komen tot ellende doordat zij zichzelf naar de hel (niraya) zenden.
316. Zij schamen zich waar men zich niet voor hoeft te schamen, maar waar men zich voor dient te schamen, daar schamen zij zich niet voor. Zo gaan wezens, door het verkeerde inzicht te omhelzen, naar ellendige staten (niraya).
317. Zij vrezen datgene waar men geen vrees voor hoeft te hebben, maar wat men zou moeten vrezen, daar hebben zij geen vrees voor. Zo gaan wezens, door het verkeerde inzicht te omhelzen, naar ellendige staten (niraya).
318. Men ziet het verkeerde in wat niet verkeerd is, maar wat werkelijk verkeerd is, dat ziet men niet als het verkeerde. Zo gaan wezens, door het verkeerde inzicht te omhelzen, naar ellendige staten (niraya).
319. Het verkeerde wordt gezien als het verkeerde; ook weten zij wat niet verkeerd is. Zo gaan wezens, door het juiste inzicht te omhelzen, naar gelukkige staten.

325. Een verdwaasde luiaard die vraatzuchtig is, die door slaap in beslag genomen is, die zich rolt als hij ligt zoals een groot varken dat helemaal verstopt zit, volgepropt met voedsel, komt steeds weer terug in de baarmoeder.

331. Het is een zegening als je vrienden hebt wanneer je in nood verkeert. Als je met weinig tevreden bent, is dat een zegening voor je. Als je verdienstelijke daden hebt verricht is dat een zegening wanneer het einde van je leven nadert. Het achterlaten van al het lijden is een zegening.
332. Respect voor de moeder brengt zegening in deze wereld, evenals respect voor de vader. In deze wereld komt zegening door de monniken te respecteren en hen die bijzonder deugdzaam zijn (de Arahat's).
333. Het beoefenen van deugdzaamheid tot op hoge leeftijd is een zegening. Het is een zegening wanneer het zelfvertrouwen zeer stabiel is. Een zegening is het wanneer ware wijsheid is verworven. Een zegening is het vermijden van kwade daden.
341. In mensen stroomt begeerte naar aangename dingen. Zij zijn doordrenkt met sensualiteit en jagen het geluk (daarin) na. Zulke mensen gaan steeds van geboorte naar ouderdom.

348. Laat het verleden los, laat de toekomst los, laat het heden los; ga voorbij elke vorm van bestaan. Met de geest bevrijd in elk opzicht, zal je niet meer tot geboorte en ouderdom komen.

351. Iemand die het doel bereikt heeft, die zonder vrees is, die zonder begeerte is en vrij van bezoedelingen is; hij heeft de doornen van het bestaan uitgetrokken. Dit is zijn allerlaatste bestaansvorm.

391. Wie geen verkeerde dingen doet via het lichaam, via de spraak en via de geest; iemand die in deze drie gebieden beheerst is, hij is degene die ik een brahmaan noem.
400. Wie zonder boosheid is en plichtsgetrouw is, vol deugdzaamheid en vrij van begeerte, wie getraind is -- hij is in zijn laatste lichaam. Hij is degene die ik een brahmaan noem.
412. Wie in deze wereld voorbij beide banden is gegaan -- verdienste en kwaad -- hij is zonder verdriet, onbezoedeld en zuiver; hij is degene die ik een brahmaan noem.

Dit besluit Dhammapada

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 29-10-2015 15:56
[knip vertalingen]

Ik vertaal het met zoveel als dat je als mens
verantwoordelijk bent voor je eigen leven.
Het zelf richting geeft.
En dat een belangrijke factor hierin is
hoe je tegen het leven en de wereld aankijkt.

Ja. Via dit vers en verder vele andere sutta's en fragmenten over kamma belicht de Boeddha mijns inziens hoe een mens zichzelf via daden door geest, woord en daad bevuilt, en zo de ellende over zichzelf afroept.
En ook hoe hij ook zichzelf zuivert en zo ook voorspoed over zichzelf afroept. Het kan rijpen in dit leven, volgende of nog later.

Zie bijvoorbeeld Dhammapada vers 165.
165. Door iemand zelf worden kwade daden begaan, iemand bezoedelt zichzelf. Door iemand zelf worden geen kwade daden begaan, iemand zuivert zichzelf. Zuiverheid en onzuiverheid is afhankelijk van iemand zelf. Niemand kan een ander zuiveren.

Visie of zienswijze is zoals je zegt essentieel omdat activiteit door geest, woord en gebaar, vaak aangesticht wordt door een bepaalde visie. 

Zie bijvoorbeeld:
Anguttara Nikaya 1.314 (9)

“Bhikkhu’s, voor een persoon van verkeerde visie, welk fysiek karma, verbaal kamma en mentaal kamma hij dan ook opwekt/aansticht en onderneemt in overeenstemming met die visie, en wat zijn wil, geneigdheid en intentionele activiteiten dan ook zijn, allen leiden tot wat niet wenselijk is, niet verlangd en onplezierig is, tot nadeel en lijden. Om welke reden? Omdat de visie slecht is.

Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Udana, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 30-10-2015 10:17
[bronnen: www.sleuteltotinzicht.nl. Hyperlinks verwijderd en onderstreept gelaten. Raadpleeg eventueel de site voor meer informatie. Udana: Exclamations, a translaton with an introduction & notes by Thanissaro Bhikkhu (Geoffrey DeGraff, 2012)]

Een selectie uit Udana, deel 1

Udana 1.3, De Bodhi boom - 3, Tatiyabodhi Sutta

Afhankelijk ontstaan in voorwaartse en achterwaartse richting. De rol van wilshandelingen of karmische formaties (sankhara) hierin.

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Heer in Uruvela, nabij de rivier de Nerañjara aan de voet van de Bodhi boom, toen hij juist de volledige verlichting gerealiseerd had. In die tijd zat de Heer gedurende zeven dagen met zijn benen gekruist, en hij ervoer de zegen der bevrijding. Toen, aan het einde van die zeven dagen, rees de Heer uit die concentratie op en schonk gedurende de laatste wake van de nacht weldoordachte aandacht aan het afhankelijk ontstaan zowel in voorwaartse als in achterwaartse richting, als volgt:
Doordat het één er is, is er het ander; door het ontstaan van het één, ontstaat het ander; als het één er niet is, is het ander er ook niet; door de opheffing van het één houdt ook het ander op. Dat wil zeggen: met onwetendheid als voorwaarde ontstaan wilshandelingen; met wilshandelingen als voorwaarde ontstaat bewustzijn; met bewustzijn als voorwaarde ontstaan geest en lichaam; met geest en lichaam als voorwaarde ontstaat de zesvoudige basis; met de zesvoudige basis als voorwaarde ontstaat contact; met contact als voorwaarde ontstaat gevoel; met gevoel als voorwaarde ontstaat begeerte; met begeerte als voorwaarde ontstaat hechten; met hechten als voorwaarde ontstaat worden; met worden als voorwaarde ontstaat geboorte; met geboorte als voorwaarde ontstaan ouderdom en dood, verdriet, weeklagen, pijn, smart en wanhoop. Dit is de bron van deze hele massa van lijden.
Maar door de volledige verdwijning en opheffing van onwetendheid, houden wilshandelingen op; door de opheffing van wilshandelingen houdt bewustzijn op; door de opheffing van bewustzijn houden geest en lichaam op; door de opheffing van geest en lichaam houdt de zesvoudige basis op; door de opheffing van de zesvoudige basis houdt contact op; door de opheffing van contact houdt gevoel op; door de opheffing van gevoel houdt begeerte op; door de opheffing van begeerte houdt hechten op; door de opheffing van hechten houdt wording op; door de opheffing van wording houdt geboorte op; door de opheffing van geboorte houden ouderdom en dood, verdriet, weeklagen, pijn, smart en wanhoop op. Dit is de beëindiging van deze hele massa van lijden.
Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Wanneer deze waarheden duidelijk worden
voor de volijverige mediterende brahmaan,
drijft hij Mara's schare uiteen en staat hij
zoals de zon die de hemel verlicht1.

Noten

Noot 1: Mara is in het boeddhisme de Verzoeker, die de krachten personifieert die de vooruitgang in het spirituele leven belemmeren. Hij wordt in de boeddhistische kunst afgebeeld als het hoofd van een vijandelijk leger dat tegenover de toekomstige Boeddha staat opgesteld op de vooravond van zijn verlichting. Voor een uitleg over Mara's leger zie Snp3-02 en Mara in het Woordenboek. (raadpleeg de site, Siebe)

Udana 2.3, De Stok, Danda Sutta

De gevolgen van het pijnigen van wezens die ook geluk zoeken.

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. In die periode, daar tussen Savatthi en het Jetavana, sloegen een aantal jongens een slang met een stok. Nadat de Heer in de ochtend zijn gewaad had aangedaan en zijn bedelnap en bovenpij genomen had, ging hij naar Savatthi om voedsel te verzamelen. Toen zag hij die jongens daar, tussen Savatthi en het Jetavana, terwijl zij een slang sloegen met een stok.
Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

Hij, die voor zichzelf geluk wenst,
wezens die ook geluk zoeken, met een stok pijnigt,
verwerft geen geluk in het hiernamaals.
Hij, die voor zichzelf geluk wenst,
wezens die ook geluk zoeken, niet pijnigt,
verwerft geluk in het hiernamaals.

Udana 3.1, Kamma, Kamma Sutta

Het Rijpen van Oud Kamma verdragen, het Stof van het Verleden Afgeschud

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, Anathapindika’s klooster. En bij die gelegenheid zat een bepaalde monnik niet ver weg van de Gezegende, zijn benen gekruist, zijn lichaam rechtop, felle pijnen verdragend, scherp en heftig, die het gevolg waren van oud kamma- indachtig, waakzaam, zonder lijden. De Gezegende zag hem daar zitten niet ver weg, zijn benen gekruist, zijn lichaam rechtop, felle pijnen verdragend, scherp en heftig, die het gevolg waren van oud kamma- indachtig, waakzaam en niet door hen verslagen.
Toen, zich het belang ervan realiserend, deed de Heer bij die gelegenheid deze  uitspraak:

Voor de monnik die
al het kamma
achter zich heeft gelaten,
het stof van het verleden afgeschud
stabiel, niet bezitterig,
Zoéén1:
Het heeft geen zin om
Het aan een ander te vertellen.

Noten

Noot 1: Zoéén (Engels “such”, Pali tadin), een bijvoeglijk naamwoord toegepast op de geest van iemand die het doel gerealiseerd heeft. Het geeft aan dat de geest “is wat het is”- onbeschrijfelijk maar niet onderhevig aan verandering of wijziging.

Persoonlijke bemerkingen
Ik denk, de monnik identificeert zich niet meer met de felle pijnen die het rijpend gevolg zijn van oude wandaden. Niet meer identificerend heeft het voor zo iemand geen zin meer om over ‘zijn’ felle pijn te communiceren met anderen.

Op https://suttacentral.net/en/ud3.1 wordt het vers als volgt weergegeven (door mij vertaald uit het Engels):

“Voor de monnik die alle daden heeft opgegeven,
Voor hij die het stof van wat eerder gedaan is, afschudt,
Voor hij die onzelfzuchtig is, stabiel, [voor] Zoéén,
Is er geen behoefte om met mensen te spreken”.

Udana 4.2, Hoog-gespannen (Uddhata Sutta)

Voortdurend Indachtig, niet-identificerend, worden slechte bestemmingen achtergelaten

Ik heb gehoord dat de Gezegende eens in Upavattana verbleef, het Mallan Salbos nabij Kusinara1. Bij die gelegengheid, niet ver weg van de Gezegende, verbleven vele monniken in hutten in de wildernis: hooggespannen, luidruchtig, lichtzinnig, babbelziek, met loze woorden en met een wanordelijke indachtigheid, niet waakzaam, ongeconcentreerd, hun geesten verstrooid, met hun [zintuiglijke] vermogens wijd open. De Gezegende zag deze vele monniken die in de hutten in de wildernis verbleven: hooggespannen, luidruchtig, lichtzinnig, babbelziek, met loze woorden en met een wanordelijke indachtigheid, niet waakzaam, ongeconcentreerd, hun geesten verstrooid, met hun [zintuiglijke] vermogens wijd open. Toen, zich het belang er van realiserend, verkondigde de Gezegende bij die gelegenheid:

Door het onbeschermd laten van je lichaam
In verkeerde visie ondergedompeld
Overwonnen door luiheid en traagheid,
Komen jullie onder Mara’s heerschappij.
Daarom,
Met een beschermde geest,
Gericht op juist voornemen,
Toegewijd aan Juiste visie
Komen-en-gaan kennend,
Luiheid en traagheid overwinnend,
Laat een monnik
Alle slechte bestemmingen
Achter zich.

Noot 1: Dit is de locatie waar de Boeddha later volledig bevrijd werd.

einde Udana, deel 1

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Udana, slot
Bericht door: Passievrucht op 31-10-2015 11:17
[bronnen: www.sleuteltotinzicht.nl. Hyperlinks verwijderd en onderstreept gelaten. Raadpleeg eventueel de site voor meer informatie. Udana: Exclamations, a translaton with an introduction & notes by Thanissaro Bhikkhu (Geoffrey DeGraff, 2012]

Een selectie uit Udana, slot

Samenvatting van Udana 5.3, De Lepralijder (Kutthi Sutta)

Het rijpend gevolg van verwensingen aan het adres van een Pratyeka-Boeddha

Deze sutta beschrijft hoe Suppaboeddha, de lepralijder, na les van de Boeddha een stroom-intreder wordt, iemand die de drie lagere ketens heeft verbroken en (dus) niet meer in een slechte bestemming zal worden wedergeboren, op weg naar zelf-ontwaken.  Korte tijd later overlijdt Suppaboeddha, de lepralijder.
Als de monniken vragen waarom Suppaboeddha in dit leven zo’n armzalig, ellendig hoopje mens was, antwoordt de Boeddha dat in een vorig leven Suppaboeddha de zoon was een rijke bankier. Op een dag op weg naar een park, schold hij de Pratyeka-Boeddha Tagarasikhin uit voor lepralijder. Hij bespuugde hem en toonde hem disrespect door hem zijn linkerzijde toe te keren en te vertrekken. Als gevolg van deze daad kookte hij in de hel voor vele jaren, vele honderden jaren, vele duizenden jaren, vele honderden duizend jaren. En toen, als een overblijfsel van die daad, werd Suppaboeddha, de lepralijder, een armzalig ellendig wrak van een mens in dit leven.

De sutta eindigt met het vers

“Zoals iemand met ogen en energie
Verraderlijke, oneffen plaatsen zou vermijden
Zo dient een wijze, in de wereld van het leven,
Slechte daden te vermijden.”

Udana 5.4, De Jongens, Kumaraka Sutta

Wezens pijnigen leidt tot zelf pijn ervaren later

Aldus heb ik gehoord. Eens leefde de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. In die periode, daar tussen Savatthi en het Jetavana, kwelden een aantal jongens een vis (in een vijver). Nadat de Heer in de ochtend zijn gewaad had aangedaan en zijn bedelnap en bovenpij genomen had, ging hij naar Savatthi om voedsel te verzamelen. Toen zag hij die jongens daar, tussen Savatthi en het Jetavana, bezig met het kwellen van de vis.
Toen hij dit zag, ging hij naar hen toe en vroeg: "Jongens, vrezen jullie, pijn?" -- "Ja, Eerwaarde Heer, wij vrezen pijn. Wij verafschuwen pijn."
Toen, zich de betekenis ervan realiserend, uitte de Heer bij die gelegenheid deze geïnspireerde uitspraak:

"Als jullie pijn vrezen, als jullie pijn verafschuwen,
doe dan geen slechte daad in het openbaar of stiekem.
Als jullie een slechte daad begaan hebben
of er nu één begaan,
dan zullen jullie niet aan pijn ontkomen,
ook al zouden jullie daarvoor willen vluchten".

Udana 7.3, Gehecht aan Zintuiglijke Genoegens (1), Kamesu Satta Sutta

De sterke karmische ketening door zintuiglijke begeerte

Ik heb gehoord dat de Gezegende eens nabij Savatthi in het Jetavana verbleef, het klooster van Anathapindika. En bij die gelegenheid waren de meeste mensen in Savatthi  buitensporig gehecht aan zintuiglijke genoegens. Ze leefden in vuur en vlam voor, waren hebzuchtig naar, verslaafd aan, verkleefd met, opgaand in zintuiglijke genoegens. Toen trokken in de vroege morgen een groot aantal monniken hun onderkleed aan en- hun bekers en gewaad dragend- gingen ze Savatthi in voor aalmoezen. Na op aalmoesronde te zijn geweest in Savatthi, na de maaltijd, terugkerend van hun aalmoesronde, gingen ze naar de Gezegende. Bij aankomst bogen ze voor de Gezegende en gingen aan een kant zitten. Terwijl ze daar zaten, zeiden ze tegen de Gezegende, “De meeste mensen in Savatthi zijn buitensporig gehecht aan zintuiglijke genoegens. Ze leven in vuur en vlam voor, zijn hebzuchtig naar, verslaafd aan, verkleefd met, gaan op in zintuiglijke genoegens”.
Toen, het belang hiervan realiserend, verkondigde de Gezegende bij die gelegenheid:

“Gehecht aan zintuiglijke verlangens,
Gehecht aan zinnelijke banden,
Geen kwaad in de keten ziend,
Nooit zullen diegenen gehecht aan de keten, de band,
De stroom oversteken,
Die zo groot en breed is”.

Udana 7.4, Gehecht aan Zintuiglijke Genoegens (2), Kamesu Satta Sutta

De sterke karmische ketening door zintuiglijke begeerte

Ik heb gehoord dat de Gezegende eens nabij Savatthi in het Jetavana verbleef, het klooster van Anathapindika. En bij die gelegenheid waren de meeste mensen in Savatthi  buitensporig gehecht aan zintuiglijke genoegens. Ze leefden in vuur en vlam voor, waren hebzuchtig naar, verslaafd aan, verkleefd met, opgaand in zintuiglijke genoegens. Toen deed de Gezegende vroeg in de morgen zijn onder gewaad aan en- zijn beker en gewaad dragend- ging Savatthi binnen voor de aalmoesronde. Hij zag dat de meeste mensen in Savatthi buitensporig gehecht zijn aan zintuiglijke genoegens. Ze leven in vuur en vlam voor, zijn hebzuchtig naar, verslaafd aan, verkleefd met, opgaand in zintuiglijke genoegens. Toen, het belang hiervan realiserend, verkondigde de Gezegende bij die gelegenheid:

“Verblind door wellustigheid
Bedekt door het net
Versluierd door de sluier van begeerte,
Gebonden door de bloedverwant van de achtelozen1,
Als vissen in de opening van een val2,
Gaan ze naar verouderen en dood,
zoals een melk-drinkend kalf naar zijn moeder".

Noten

Noot 1. Mara. Er is hier een allitererend woordspel tussen het woord “gebonden” (bhandu) en “bloedverwant” (bhanduna).
Noot 2. Dit vers is tot op dit punt identiek aan een vers dat toegeschreven wordt aan de Eerwaarde Rahula in Thag 4.8 (vers 297 in de PTS editie).

Fragment uit Udana 8.6, Pataligamiya Sutta

De vruchten van een immoreel en moreel leven

De vruchten van een immoreel leven

En de Heer sprak de lekenvolgelingen van Pataligama als volgt toe2: "Huishouders, deze vijf gevaren ontmoet iemand die immoreel is, iemand die van deugdzaamheid is afgebogen. Welke zijn deze? Ten eerste: hij lijdt grote verliezen aan bezittingen door onoplettendheid omtrent zijn zaken. Ten tweede: hij krijgt een slechte naam vanwege zijn ondeugdzaamheid en zijn misdragingen. Ten derde: hij is te midden van welke gemeenschap dan ook -- of het een gemeenschap is van Khattiya's, brahmanen, huishouders of asceten -- onzeker en verlegen. Ten vierde: hij sterft onrustig. Ten vijfde: hij wordt, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een ongelukkige staat geboren, in een sfeer van ellende, in de lagere werelden, in een hel. Dit zijn de vijf gevaren voor iemand met een slechte moraliteit."

De vruchten van een moreel leven

"En deze vijf zegeningen, huishouders, komen tot iemand die een goede moraliteit heeft en die deugdzaamheid beoefent: Welke zijn deze? Ten eerste: hij wint aan weelde door zorgvuldig aandacht te schenken aan zijn zaken. Ten tweede: hij krijgt een goede naam vanwege zijn deugdzaamheid en zijn goede gedrag. Ten derde: hij is te midden van welke gemeenschap dan ook -- of het een gemeenschap is van Khattiya's, brahmanen, huishouders of asceten -- vol zelfvertrouwen en is zelfverzekerd. Ten vierde: hij sterft rustig. Ten vijfde: hij wordt, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een gelukkige staat geboren, in een hemelse wereld. Dit zijn de vijf zegeningen die tot iemand komen die een goede moraliteit heeft en die deugdzaamheid beoefent."

Noten

Noot 2: Een voorbeeld dat de Boeddha zijn toespraak aanpast aan zijn toehoorders. Hier predikt hij over de hemelse sferen als het gevolg van deugdzaamheid. Voor de meer ontwikkelden predikte hij over de Vier Edele Waarheden met Nibbana als resultaat.

Dit besluit Udana

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Itivuttaka, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 01-11-2015 11:34
[bron: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/kn/iti/index.html, sutta’s door mij vertaald]. 

Een selectie

Itivuttaka, deel 1.

Uit de Groep van Enen.

Het gevolg van vrij zijn van hebzucht

Iti 1.1 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van hebzucht als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren1. Dit was de betekenis van wat de Gezegende zei. Dus aangaande dit werd gezegd2:

De hebzucht waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan3,
  Hunkerend:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die hebzucht,
Laten diegene die het helder zien
  los.
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Dit was, ook, de betekenis van wat door de Gezegende werd gezegd, aldus heb ik  het gehoord4.

Noten


Noot 1: Niet terugkeren: het derde van de vier niveaus van Ontwaken. Bij het bereiken van dit niveau zal men nooit meer wedergeboren worden in deze wereld. Een niet-terugkeerder die niet doorgaat met het bereiken van arahantschap in dit leven, zal wedergeboren worden in de Brahma werelden genaamde de Zuivere Verblijven en zal daar nibbana verwezenlijken.
Noot 2,4: Deze verklaringen worden in elke rede herhaalt. Om eentonigheid te vermijden worden ze hier alleen in de eerste en laatste rede gegeven (ik neem dat over, Siebe).
Noot 3:. De slechte bestemmingen: wedergeboorte in de hel, als een hongerige geest, als een kwade demon of als een gewoon dier. Wat de goede bestemmingen aangaat- wedergeboorte als een mens, in de hemel of in de Brahma werelden- deze staten zijn niet duurzaam en afhankelijk van kamma.

Het gevolg van vrij zijn van afkeer

Iti 1.2 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van afkeer als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren.

De afkeer waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan,
  Overstuur:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die afkeer,
Laten diegene die het helder zien
  Los
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Het  gevolg van vrij zijn van begoocheling

Iti 1.3  Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van begoocheling als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren.

De begoocheling waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan,
  verward:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die begoocheling,
Laten diegene die het helder zien
  Los.
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Het gevolg van vrij zijn van woede

Iti 1.4 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van woede als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren.

De woede waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan,
  razend:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die woede,
Laten diegene die het helder zien
  Los.
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Het gevolg van vrij zijn van minachting

Iti 1.5  Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van minachting als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren.

De minachting waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan,
  laatdunkend:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die minachting,
Laten diegene die het helder zien
  Los.
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Het gevolg van vrij zijn van eigendunk

Iti 1.6 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Doe afstand van één kwaliteit, monniken, en ik garandeer je niet-terugkeren. Welke ene kwaliteit? Doe afstand van eigendunk als die ene kwaliteit en ik garandeer je niet-terugkeren.

De eigendunk waarmee
Wezens naar een slechte bestemming gaan,
  trots:
Vanuit het op de juiste wijze onderscheiden van die eigendunk,
Laten diegene die het helder zien
  Los.
Loslatend,
Komen ze nooit meer in deze wereld terug.

Het gevolg van onwetendheid

Iti 1.14 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “monniken, ik voorzie geen enkele andere belemmering- belemmerd waardoor mensen voor een lange, lange tijd rondzwerven en transmigreren- als de belemmering van onwetendheid. Belemmerd door de belemmering van onwetendheid zwerven en transmigreren mensen voor lange, lange tijd.”

Geen ander ding
Belemmert mensen zo
Dat ze rondzwerven, dag en nacht,
Als wanneer ze verstrikt zijn
In begoocheling.
Maar diegene die begoocheling loslaten,
De hoop duisternis verdrijven,
Zwerven niet verder.
Hun oorzaak wordt niet gevonden.

De voortstuwende kracht van begeerte

Iti 1.15 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Monniken, ik voorzie geen enkele andere keten- geketend waarmee wezens samengevoegd voor een lange lange tijd rondzwerven en transmigreren- als de keten van begeerte. Geketend door de keten van begeerte, gaan wezens samengevoegd voor een lange lange tijd rondzwerven en transmigreren.”

Met begeerte als zijn gezelschap, zwerft
Een mens voor een lange, lange tijd.
Noch in deze staat hier
Noch elders
Gaat hij voorbij
Het rondzwerven.
Deze schaduwzijde kennend-
Dat door begeerte stress in het spel komt-
Leeft de monnik
Vrij van begeerte,
Verstoken van vastklampen,
Indachtig
het leven van een bedelmonnik.

Het gevolg van het verdelen van de Sangha

Iti 1.18 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Eén ding, wanneer dat ontstaat, ontstaat voor het nadeel van wezens, voor het ongeluk van velen, voor het nadeel en het ongeluk van vele wezens, zowel mensen als goden. Welk ene ding? Verdeeldheid in de Sangha. Wanneer de Sangha verdeeld wordt, is er onderlinge onenigheid, er is onderling misbruik, kliekjesvorming, elkaar verlatend. Dan verliezen diegenen met weinig vertrouwen [in het onderricht] alle vertrouwen, terwijl sommige van diegene die vertrouwensvol zijn anders worden.”

Gedoemd voor een eon
In ontbering
In de hel:
Iemand die de Sangha heeft verdeeld.
Zich verheugend in partijvorming,
Onoordeelkundig-
Zijn bescherming voor ketening
Is geblokkeerd.
Een eendrachtige Sangha verdeeld hebbend
Kookt hij voor een eon
In de hel.

[Iti 1.19. Iemand die helpt bij het onderhouden van eendracht kan zich een eon verheugen in de hemel]

Het gevolg van een verdorven geest

Iti 1.20 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Er is het geval dat een bepaalde persoon een verdorven geest heeft. Die geest met [mijn] bewustzijn omvat hebbend, ontwaar ik, ‘Als deze persoon op dit moment zou sterven, dan zou hij, alsof hij weggedragen zou worden, in de hel geplaatst worden’. Waarom is dat zo? Omdat zijn geest verdorven is. Het is vanwege verdorvenheid van geest dat er situaties zijn waarin wezens- na het scheiden van het lichaam, na de dood- herrijzen in de sfeer van ontbering, de slechte bestemming, de lagere rijken, in de hel.”

Het geval kennend
Van een persoon met een verdorven geest,
Legde de Ontwaakte diens betekenis uit
In de aanwezigheid van de monniken.
Als die persoon
Op dit moment zou sterven
Zou hij herrijzen in de hel
Omdat diens geest verdorven is-
Als hij weggedragen werd
En daar geplaatst.
Het is vanwege verdorvenheid van geest
Dat wezens naar
Een slechte bestemming gaan.

[Iti 1.21 iemand met een heldere geest zal herrijzen in een hemel, alsof hij daar naar toe gedragen werd]

Dit besluit deel 1

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Itivuttaka, slot
Bericht door: Passievrucht op 02-11-2015 11:36
[bron: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/kn/iti/index.html, sutta’s door mij vertaald].

Een selectie

Itivuttaka, slot

Uit de Groep van Enen

Iti 1.22 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Monniken, wees niet bang voor verdienstelijke daden. Dit is een andere manier van vertellen wat gelukzalig is, wenselijk, aangenaam, innemend, begerenswaardig-  d.w.z. verdienstelijke daden. Ik weet dat, na lang verdienstelijke daden te hebben verricht, ik langdurig wenselijke, aangename, innemende, begerenswaardige gevolgen ervoer. Na zeven jaar een geest van goede wil te hebben ontwikkeld, keerde ik zeven eonen van inkrimping en uitdijing niet terug in deze wereld. Wanneer het eon dan ook inkrimpte, ging ik naar het rijk van Stromende Straling. Wanneer het eon dan ook uitdijde, herrees ik in een leeg Brahma verblijf. Daar was ik de Grote Brahma, de Onverslagen Overwinnaar, Al-ziend en Uitoefenaar van Macht. Toen was ik zesendertig keer Sakka, heerser van de goden. Vele honderden keren was ik een koning, een wiel-draaiende keizer, een rechtvaardige koning van Dhamma, veroveraar van de vier windstreken van de aarde, een  stabiele heerschappij over het land handhavend, voorzien van de zeven schatten- om maar niet te spreken over de keren dat ik een lokale koning was. De gedachte deed zich bij me voor: ‘Van welke daad van mij is dit de vrucht, van welke daad het gevolg, dat ik nu zulke grote kracht en macht bezit?’. Toen kwam de gedachte in me op: ‘Dit is de vrucht van mijn drie [soorten] daden, dat ik nu zo’n grote kracht en macht bezit: d.w.z. geven, zelfbeheersing en beteugeling”’(self-control en restraint)

Train in verdienstelijke daden
Die langdurige gelukzaligheid brengen-
Ontwikkel geven
Een leven in balans
Een geest van goede wil.
Deze drie dingen ontwikkelend
Die gelukzaligheid brengen
Herrijzen de wijzen
In een wereld van gelukzaligheid
Zuiver.

Uit de Groep van Tweeën

Iti 2.28 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Behept met twee dingen leeft een monnik in stress in het huidig leven- verontrust, ontdaan, opgewonden- en bij het scheiden van het lichaam, na de dood, kan een slechte bestemming worden verwacht. Welke twee? Het niet bewaken van de zintuig-poorten, en geen matiging kennen wat voedsel aangaat. Behept met deze twee dingen leeft een monnik in het huidige leven in stress- verontrust, ontdaan, opgewonden- en bij het scheiden van het lichaam, na de dood, kan een slechte bestemming worden verwacht.

Oog en oor en neus,
Tong en lichaam en geest:
Wanneer een monnik deze poorten onbewaakt laat
- geen matiging kent wat eten betreft
Zijn zintuigen niet beteugeld-
Ervaart hij stress:
Stress in het lichaam, stress
In de geest
Branden in het lichaam
Branden in geest
Ofwel overdag of s’ nachts
Hij leeft
In lijden en stress.

Iti 2.29 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Behept met twee dingen leeft een monnik in comfort in het huidige leven- niet verontrust, niet ontdaan en niet opgewonden- en bij het scheiden van het lichaam, na de dood, kan een goede bestemming worden verwacht. Welke twee? Een bewaken van de zintuig-poorten en matiging kennen wat voedsel aangaat. Behept met deze twee dingen leeft een monnik in het huidige leven in comfort- niet verontrust, niet ontdaan en niet opgewonden- en bij het scheiden van het lichaam, na de dood, kan een goede bestemming worden verwacht.

Oog en oor en neus,
Tong en lichaam en geest:
Wanneer een monnik deze poorten goed beschermt
- matiging kent wat voedsel aangaat,
Zijn zintuigen beteugeld-
Ervaart hij comfort:
Comfort in het lichaam, comfort
In geest.
Geen branden in het lichaam,
Geen branden in de geest,
Ofwel overdag of s’ nachts
Hij leeft
In comfort.

Iti 2.32 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: Behept met twee dingen wordt een persoon- alsof weggedragen- zo in de hel geplaatst. Welke twee? Slechte gewoonten en slechte zienswijzen. Behept met deze twee dingen wordt een persoon- alsof hij weggedragen wordt- zo in de hel geplaatst.

Slechte gewoonten
En slechte visies1:
Een persoon, niet ontwarend
Behept met deze twee dingen
Bij het scheiden van het lichaam
Herrijst in de hel.

Noten

Noot 1: MN 117 geeft het volgende voorbeeld van een slechte zienswijze: “Er is niets gegeven, niets aangeboden, niets geofferd. Er is geen vrucht of gevolg van goede of slechte daden. Er is niet deze wereld, geen volgende wereld, geen moeder, geen vader, geen spontaan wedergeboren wezens; geen brahmanen of contemplatieven die, op de juiste wijze voortgaand en beoefenend, deze en de volgende wereld bekend maken na het voor zichzelf op rechtstreekse wijze gekend en gerealiseerd te hebben”.

Iti 2.33 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: Behept met twee dingen wordt een persoon- alsof weggedragen- zo geplaatst in de hemel. Welke twee? Gunstige gewoonten en gunstige zienswijzen. Toebedeeld met deze twee dingen wordt een persoon- alsof weggedragen- zo geplaatst in de hemel.”

Gunstige gewoonten en
Gunstige zienswijzen:
Een persoon, ontwarend,
Toebedeeld met deze twee dingen,
Bij het scheiden van het lichaam
Herrijst in de hemel.

Uit de Groep van Drieën

Iti 3.60 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Er zijn deze drie bases voor verdienstelijke activiteit. Welke drie? De basis voor verdienstelijke activiteit gemaakt van geven, de basis voor verdienstelijke activiteit gemaakt van deugdzaamheid, en de basis voor verdienstelijke activiteit gemaakt van ontwikkeling [meditatie]. Dit zijn de drie bases voor verdienstelijke activiteit”.

Train in verdienstelijke daden
Die langdurige gelukzaligheid brengen-
Ontwikkel geven,
Een leven in balans,
Een geest van goede wil.
Deze drie dingen
ontwikkelend
Herrijzen de wijzen
In een wereld van gelukzaligheid
Zuiver.

Iti 3.64 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Er zijn deze drie soorten wangedrag. Welke drie? Lichamelijk wangedrag, verbaal wangedrag, mentaal wangedrag1. Dit zijn de drie soorten wangedrag.”

Zich hebben beziggehouden
Met lichamelijk wangedrag,
Verbaal wangedrag
Wangedrag van de geest,
Of wat dan ook nog meer gebrekkig is,
Niet gedaan hebbend wat vaardig is,
Veel gedaan hebben wat dat niet is,
Bij het scheiden van het lichaam,
Herrijst de niet-wijze in
De hel.

Noten

Noot 1. (hier wordt verwezen naar een noot bij Iti 1.30. Daar wordt uitgelegd dat het bij lichamelijk wangedrag gaat om doden, stelen en seksueel wangedrag; bij verbaal wangedrag gaat het om liegen, verdeeldheid zaaien, grove kwetsende taal, en ijdel geklets; en bij mentaal wangedrag gaat het om hebzucht, kwade wil en verkeerde visies/zienswijzen)

[Iti 3.65 geeft aan dat de wijze door het afstand doen van lichamelijk, verbaal en mentaal wangedrag na de dood in een hemel herrijst. (ik schrijf ‘herrijs’. Het Engels vertaalt hier als “reappears”.

Iti 3.89 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: “Overwonnen door drie vormen van verkeerde Dhamma- zijn geest overweldigd- is Devadatta1 op onherstelbare wijze (Engels "incurably") gedoemd tot ontberingen, tot de hel, voor een eon. Welke drie? Overwonnen door slechte verlangens- zijn geest overweldigd- is Devadatta op onherstelbare wijze gedoemd tot ontberingen, tot de hel, voor de duur van een eon. Overwonnen door vriendschap met slechte mensen- zijn geest overweldigd- is Devadatta op onherstelbare wijze gedoemd tot ontberingen, tot de hel, voor de duur van een eon. En, terwijl er nog meer gedaan moest worden, stopte hij niettemin halverwege met een klein beetje onderscheidende realisatie. Overwonnen door deze drie vormen van verkeerde Dhamma- zijn geest overweldigd- is Devadatta op onherstelbare wijze gedoemd tot ontberingen, tot de hel, voor een eon”.

Moge niemand in de wereld
Ooit wedergeboren worden
Met slechte verlangens.
Weet dat
Door dat
Slechte verlangen
Zijn bestemming
Die is van allen met slechte verlangens.

Ik heb gehoord hoe Devadatta
- beschouwd als wijs, bedaard,
Gloeiend van eer-
Geknecht door achteloosheid,
De Tathagata aanviel
En in de vier-poortige, angstaanjagende plek viel,
Avici, de niet verzachtende hel.

Wie dan ook een complot smeedt
Tegen iemand die vrij is van verderf
Wie geen slechte daad begaan heeft:
Dat kwaad treft hem zelf,
Verdorven in de geest,
Oneerbiedig.

Wie dan ook denkt
De oceaan te vervuilen
Met een pot vergif
Kan niet slagen,
Want de hoeveelheid water is groot.
Zo is het
Wanneer iemand
De Tathagata mishandelt
-op de juiste manier gegaan,
Met een vredevolle geest-
Want mishandeling treft hem niet.
Een wijs persoon zou vriendschap moeten sluiten,
Zou omgang moeten hebben
Met een persoon als hij-
Wiens pad een monnik kan volgen
En het einde van
Lijden en stress bereiken.

Noten

Noot 1: Devadatta, één van de neven van de Boeddha, smeedde een complot om de Sangha over te nemen, en het liep uit op het creëren van een tweedeling. Zijn verhaal wordt verteld in Cv VII (zien ook 1.18). Zijn “klein beetje onderscheidende realisatie” was zijn meesterschap over psychische krachten. 

Iti 3.93 Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik het gehoord: Monniken, er zijn deze drie vuren. Welke drie? Het vuur van passie, het vuur van afkeer, het vuur van begoocheling. Dit, monniken, zijn de drie vuren.” Dit was de betekenis van wat de Gezegende zei. Dus aangaande dit werd gezegd:


Het vuur van passie brandt in een sterveling
Opgewonden, verkikkerd
Op zintuiglijke verlangens;
Het vuur van afkeer, in een kwaadwillig persoon
Die doodt;
Het vuur van begoocheling, in een verward persoon
Onwetend
Over de edele onderrichtingen.
Deze vuren niet begrijpend,  mensen
- dol op zelf-identiteit-
Niet bevrijd van Mara’s boeien
Zwellen aan de rangen van de hel,
De baarmoeders van gewone dieren, demonen,
Het rijk van de hongerige geesten.

Terwijl diegenen die dag en nacht,
Toegewijd zijn
Aan de onderrichtingen
Van de juiste zelf-ontwaakte,
Het vuur van passie doven,
Constant het onreine waarnemend.
Zij, voortreffelijke mensen,
Doven het vuur van afkeer
Met goede wil,
En het vuur van begoocheling
Met de scherpzinnigheid die leidt
Tot doordringen.
Zij, de meesterlijken, dag en nacht onvermoeid,
[de vuren] gedoofd
Na, zonder overblijfsel
Stress begrepen te hebben,
Zijn volledig ongebonden. 
Zij, de wijzen, met een realiseerder-van-wijsheids
Edele visie
Juiste gnosis
Op rechtstreekse wijze
Het einde van geboorte kennend
Worden niet meer wedergeboren.

Dit was, ook, de betekenis van wat door de Gezegende werd gezegd, aldus heb ik  het gehoord.

Dit besluit de selectie uit Itivuttaka

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: gouden middenweg & de wilde natuur op 04-11-2015 23:43
001. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met onzuivere gedachten, volgt lijden dat daardoor is veroorzaakt, zoals het wiel de hoef van de os volgt.
002. De geest is de voorloper van alle dingen, de geest is hun leider, ze zijn door de geest geschapen. Als iemand spreekt of handelt met zuivere gedachten, volgt geluk dat daardoor is veroorzaakt, zoals iemands schaduw die hem nooit verlaat.

Hieruit lees ik dat 'geest' synoniem is met 'denken'.

Maar dat zal wellicht de 'denk geest' zijn...
Het aspect van de geest dat denkt.

Kvind deze verzen verwarrend omdat geest en gedachten in vertalingen
vaak door elkaar gebruikt worden in een adem.

De vertaling van Tonny Kurpershoek Scherft doet hetzelfde,
maar dan omgekeerd:

''Eerst komt het denken. Het is het denken
dat de wereld doet ontstaan: de geest stuurt,de wereld is zijn schepping.
Wie spreekt of handelt met verdorven geest -hem volgt leed, als het wagenwiel
de voet van het trekdier.'' enz.

De vertaling van Harischandra Kaviratna :

"Alle verschijningsvormen van het bestaande hebben het denken als voorloper,
het denken als opperste leider, en uit het denken zijn zij gevormd.
Lijden volgt hem die met onreine gedachten spreekt of handelt, zoals het wiel de voet volgt van degeen die de wagen trekt.'' enz

Hier komt het woordje 'geest' niet voor.

Dat is in ieder geval konsekwent.

Op grond van de verschillende vertalingen vermoed ik dat wanneer in een vertaling
zowel 'geest' als 'denken' gebruikt worden er sprake moet zijn van een 'stukje'
van de geest, dat als denken benoemd wordt.
Dan denk ik dat er een pali term moet zijn die overeenkomt met een woord als 'denk geest'.

Immers: ik zie niet dat geest  en denken volledig samenvallen of synoniem zijn van elkaar.

Daarom ben ik geneigd vertalingen die dat wel doen, zoals de jouwe hierboven en die van Tonny K.S. te beschouwen als een vertaling die tekort schiet.

Maar of dat iets zegt over de vertalingen
of meer over mijn eigen verwarring.....

In het engels :
Mind precedes all mental states. Mind is their chief; they are all mind-wrought. If with an impure mind a person speaks or acts suffering follows him like the wheel that follows the foot of the ox.

In het pali :

Manopubbaṅgamā dhammā,
 manoseṭṭhā manomayā;
 Manasā ce paduṭṭhena,
 bhāsati vā karoti vā;
 Tato naṃ dukkhamanveti,
 cakkaṃva vahato padaṃ.

woord voor woord vertaling (sleuteltotinzicht) :
dhamma: ervaring; manopubbhangama: gedachten gaan vooraf; manosettha: gedachten zijn overheersend; manomaya: door gedachten gecreëerd; ce: daarom; padutthena: (met) onzuivere; manasa: gedachten; bhasati va: (iemand) spreekt; karoti va: of handeld; tato: daarom; dukkham: lijden; nam: die persoon; anveti: volgt; vahato padam: trekkende dier; cakkam iva: zoals het wiel van de kar.

----------
Stel dat ik en xxxx over jou aan het slecht spreken zijn. Maar in jou afwezigheid. Dan zal je waarschijnlijk hierover geen enkele reactie vertonen.

Stel dat ik en xxxx over jou aan het slecht spreken zijn. In jou aanwezigheid, maar in een voor jou onverstaanbare taal, en met een lichaamstaal waaruit niets negatiefs blijkt. Dan zal je waarschijnlijk hierover geen enkele reactie vertonen.

Stel dat ik iets tegen jou zeg dat je krenkt. En je innerlijke mentale staat is boos zijn, gekrenkt zijn in je trots.

Wanneer je geen reactie hebt wanneer we slecht spreken in je afwezigheid, kan men daaruit concluderen dat het niet het slecht spreken op zich is, dat iemand krenkt, of boos maakt.
Zelfs als men slecht spreekt in iemands aanwezigheid, en de persoon begrijpt het niet of ziet er niets slechts in, zal er geen reactie zijn.

dit toont aan dat de mens zelf, de schepper is van de mentale staat, van bv. boosheid.

Wat zorgt er nu voor dat ik bv. gekrenkt ben in mijn trots wanneer iemand iets zegt ?

Is het (mijn) geest of zijn het (mijn) gedachten ?
Is het mogelijk om te spreken over geest zonder gedachten ?
Of is het mogelijk om te spreken over gedachten zonder geest ?

de menselijke geest behelzen gedachten, en gedachten omvatten ook geest. In die zin lijken me beide vertalingen wel juist, maar tegelijkertijd ook alweer verkeerd als men daaruit concludeert dat er zoiets bestaat als een menselijke geest zonder gedachten, of gedachten die louter op zichzelf bestaan, los van de geest.

Ik veronderstel dat honden niet denken, maar ze kunnen wel boos zijn. Dit gegeven lijkt me te bewijzen dat geest een betere vertaling is dan gedachten en denken.

Maar wat ik ook kies als vertaling, wanneer iemand iets tegen me zegt, zou het kunnen zijn dat ik me gekrenkt in mijn trots voel.



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 05-11-2015 17:50
Is het (mijn) geest of zijn het (mijn) gedachten ?
Is het mogelijk om te spreken over geest zonder gedachten ?
Of is het mogelijk om te spreken over gedachten zonder geest ?

de menselijke geest behelzen gedachten, en gedachten omvatten ook geest. In die zin lijken me beide vertalingen wel juist, maar tegelijkertijd ook alweer verkeerd als men daaruit concludeert dat er zoiets bestaat als een menselijke geest zonder gedachten, of gedachten die louter op zichzelf bestaan, los van de geest.

Zie bijvoorbeeld deze draad: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2281.0.html.

Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Sutta Nipata, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 06-11-2015 14:29
[teksten (en noten) afkomstig van: http://www.sleuteltotinzicht.nl/snp0-00.htm. Hyperlinks die doorverwijzen naar meer informatie heb ik verwijderd, hier zijn ze onderstreept. Raadpleeg voor meer informatie de hyperlinks op de site]

Sutta Nipata, Collectie van toespraken

Een eerste selectie

Sutta Nipata 2.6, Het Goede leven, Dhammacariya Sutta

De bestemming van de rotte appel. De rotte appel verwijderen

274. Als iemand het huiselijke leven opgeeft, een kluizenaar wordt en een puur en celibatair leven leidt, is dit het waardevolste juweel.
275. Hoe dan ook, als hij een praatziek karakter heeft en beestachtige gewoontes heeft die voortkomen uit het plezier hebben in het kwetsen van anderen; het leven van zo een wordt dan minderwaardig en zijn bezoedelingen nemen toe.
276. Een monnik die geniet van redetwisten, die versluierd is door begoocheling, die verstaat de Dhamma niet die door de Boeddha gepredikt is, zelfs niet als deze uitgelegd wordt.
277. Geleid door onwetendheid (avijja), begrijpt hij niet dat het kwetsen van degene wiens geest goed geordend is, wangedrag is dat naar een onheilzame staat voert.
278. Deze monnik, zal absoluut na de dood ellende ervaren, naar plaatsen van lijden gaan, van geboorte tot geboorte, van duisternis naar nog grotere duisternis.
279. Zoals een beerput die al enkele jaren gevuld wordt moeilijk te zuiveren is, zo is ook een onzuiver wezen moeilijk te zuiveren.
280. Monniken, als jullie zo iemand kennen die sterk gehecht is aan het wereldse leven, die onheilzame verlangens heeft, achterbakse motieven en wiens gedrag kwaadaardig is.
281. Verban hem dan en stoot hem uit, volledig; veeg hem eruit zoals stof, weiger hem, verwijder hem!
282. Verwijder dan deze niet deugenden die geen monniken zijn, maar doen alsof ze dat wel zijn; verwerp hen die hiervoor genoemde ongewenste karaktertrekken bezitten!
283. Wees zuiver en ga om met de zuiveren; ben waakzaam, eendrachtig en sta op; maak een einde aan lijden!

Sutta Nipata 3.10, Kokalika, Kokalika Sutta

De ernstige gevolgen van onheilzaam spreken. Geboren met een bijl in de mond.

Eens, toen de Boeddha in het Jetavana klooster te Savatthi verbleef, kwam er een monnik genaamd Kokalika naar hem toe die de volgende opmerking maakte:
"Heer, Sariputta en Maha Moggallana zijn vol van kwade verlangens. Zij zijn door kwade verlangens in beslag genomen."
De Boeddha antwoordde hierop: "Kokalika, zeg zoiets niet! Heb vertrouwen in de geest voor wat hen betreft; Sariputta en Maha Moggallana zijn deugdzaam."
Maar Kokalika herhaalde zijn beschuldiging jegens de twee discipelen. De Boeddha antwoordde als tevoren, maar de monnik beschuldigde de discipelen als tevoren. Voor de derde keer werd hem door de Boeddha gevraagd dit niet te doen. Toen maakte Kokalika een diepe buiging voor de Boeddha en ging weg.
Hij had nog maar een klein stukje gelopen toen hij zich niet goed voelde worden. Overal op zijn lichaam verschenen puisten ter grootte van mosterdzaden. De puisten begonnen te zwellen, ze groeiden en groeiden totdat ze zo groot waren als erwten. De puisten werden zo groot als bonen, als eieren, als wilde appels, als peren. Toen barstten de puisten open en er stroomde pus en bloed uit. Kokalika stierf aan deze ziekte en ten gevolge van de kwade wil die hij getoond had, werd hij in één van de ellendige sferen geboren die bekend staat als de Paduma, de Lotus.
Tegen het einde van de nacht kwam Brahma Sahampati naar de Boeddha en vertelde hem hoe Kokalika gestorven was en dat zijn kwade wil er de oorzaak van was dat hij werd wedergeboren in de Paduma. De volgende morgen riep de Boeddha de monniken bijeen om uit te leggen wat Brahma Sahampati hem had verteld over Kokalika's dood. "Monniken, het leven van een wezen in de Paduma wereld duurt zo lang, dat wij de jaren bijna niet in aantallen kunnen uitdrukken. Kokalika is daar wedergeboren vanwege zijn kwade wil jegens Sariputta en Maha Moggallana."
En als Leraar, ging de Boeddha verder door dit te zeggen:
657. Iemand die geboren wordt, wordt geboren met een bijl in zijn mond. Hij, van wie zijn spraak onheilzaam is, snijdt zichzelf met deze bijl.
658. Als een persoon iemand prijst terwijl die berispt dient te worden, of iemand benadeelt die prijzenswaardig is, dan verzamelt deze persoon kwaad met zijn mond. Dit kwaad zal niet tot geluk leiden.
659. Het doet maar een beetje pijn wanneer iemand geld verliest tijdens het gokken met dobbelstenen, zelfs wanneer alles wordt verloren wat hem toebehoorde. Maar als iemand haatdragend is ten opzichte van deugdzame mensen, dan is dit inderdaad veel pijnlijker.
660. Het beledigen van mensen die de waarheid spreken, haatdragend zijn in gedachte en in spreken, leidt tot wedergeboorte in een staat van ellende voor lange, lange wereldtijdperken.
661. Liegen leidt tot deze sferen. Iets doen en dan te zeggen 'Dit heb ik niet gedaan'; dit is liegen. In de zin van de dood en van wedergeboorte zijn beide handelingen gelijk: op het moment van de dood moet je de gevolgen onder ogen zien van onheilzame daden.
662. Als een persoon iemand aanvalt die vreedzaam is, die puur en integer is, dan keert de aanval zich naar de dwaas die de aanval uitvoerde, net zoals zand dat tegen de wind in gegooid wordt.
663. De persoon met een hebzuchtig karakter beledigt anderen met woorden1. Hij is zonder geloof, hebzuchtig, ellendig en vol laster.
664. Als jij zo iemand bent, onbetrouwbaar en onwaardig, vol laster, kwaad en van slecht gedrag, gemeen en slecht, dan kun je het best maar niet zoveel spreken anders kom je in een sfeer van ellende!
665. Als je zo handelt, verspreid je bezoedelingen. Het is een belediging voor mensen die het goede doen en het is een bezoedelde handeling op zichzelf. Als je handelingen vergaart zoals deze, dan zal je in het meer van ellendige staten vallen.
666. Waarom is dat zo? Het is vanwege het feit dat dingen die mensen doen, niet in het verleden verdwijnen. Deze daden komen naar ons terug, ze keren terug naar hun dader. Een persoon van wiens handelingen bezoedeld zijn, is een dwaas. Op een dag zal hij de pijn zelf voelen.
667. De pijn die hij zal voelen zal zijn als de pijn van ijzeren staven waarmee hij afgeranseld wordt en als ijzeren pinnen die hem priemen. In een sfeer zoals deze, voelt alles wat hij eet aan als roodgloeiende ijzeren kogels.
668. Er is daar niets, zo wordt er gezegd, wat niet zwaar en niet pijnlijk is. Er zijn geen aangename woorden van vertroosting, niets biedt een ontsnapping voor degene die in deze sfeer lijden, de sfeer waar de wereld een vuurhaard is. Zelfs een bed is van roodgloeiende as.
669. Verwikkeld in netten, verpletterd door hamerslagen, zijn zij ondergedompeld in diepe duisternis die zich in alle richtingen uitstrekt.
670. Dan bevinden ze zich in een grote ketel, brandend en kokend, op en neer bubbelend in de hitte van de vuurhaard waardoor hun lichamen helemaal worden opgeslokt.
671. De persoon van onheilzame daden verkeert in deze staat: zwetend en kokend in bloed en rottend vlees. Waarheen hij zich ook beweegt, hij rot weg vanaf waar hij met deze rottende massa in aanraking is.
672. Dan kookt de persoon van onheilzame daden in water dat geïnfecteerd is door wormen. Het is onmogelijk voor hem om stil te staan. Bovendien hebben de kokende potten, die rond zijn en zo glad zijn als kegels, geen oppervlakten waaraan hij zich vast kan houden.
673. Dan komt hij in de jungle van de zwaardbladen, waar ledenmaten worden gehavend en gehakt, de tong opengehaald door haken, het lichaam geslagen en geranseld.
674. Vervolgens komt hij in Vetarani, een waterachtige sfeer waar moeilijk doorheen te komen is vanwege zijn twee stromen die snijdend zijn zoals scheermessen. De arme wezens vallen erin en zitten daar hun onheilzame daden die ze in het verleden hebben begaan, uit.
675. Aangevreten door hongerige jakhalzen, raven en zwarte honden, gespikkelde gieren en kraaien, kreunen de lijdenden.
676. De Paduma sfeer duurt een lange tijd. De wetenschappers berekenen haar lengte in termen van het aantal vrachtladingen met sesamzaadjes: wanneer één zaadje per honderd jaar zou worden verwijderd, en als de wagen dan leeg is, zo lang duurt het verblijf in de Paduma. Daarbij zeggen ze, dat het aantal dat vrachtladingen bevat, vijfduizend honderd en twintig miljoen zaadjes is.
678. En zo lang als de ellendige sferen door de mensen in deze wereld 'ellendig' worden genoemd, voor zo'n lange tijd zullen mensen in die sferen moeten leven. Wees daarom voorzichtig. Wees vol met zuivere, heilzame en vriendelijke eigenschappen. Bewaak constant de bewegingen van de geest en de bewegingen van de spraak.

Noten

Noot 1: In het geval van Kokalika hangt de hebzucht direct samen met zijn ambities. Later werd hij de hoofdmonnik van Devadatta toen deze een scheuring in de Sangha teweegbracht. Om zelf beter of meer te lijken, spreken immorele mensen slecht over een ander die de kwaliteiten heeft waarover ze zelf zouden willen beschikken. Mocht het jou overkomen, trek je er dan niets van aan, blijf altijd jezelf en vertrouw op de wet van oorzaak en gevolg.

Einde eerste selectie Sutta Nipata

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Sutta Nipata, slot
Bericht door: Passievrucht op 07-11-2015 12:16
[inleiding, tekst van de sutta, en noten  afkomstig van: http://www.sleuteltotinzicht.nl/snp0-00.htm, hyperlinks die in de tekst doorverwijzen naar meer informatie heb ik hier verwijderd, hier zijn ze onderstreept. Raadpleeg voor meer informatie de hyperlinks op de site. De Pali woorden tussen haken die steeds herhaald worden in de tekst, heb ik verwijderd]

Een selectie, slot

Sutta Nipata , slot

Inleiding

In de Dvayatanupassana Sutta komt een essentieel aspect van de Dhamma naar voren, namelijk dat er geen allereerste begin van fenomenen is. Hoewel hij begeerte (tanha) als hoofdoorzaak van lijden aanwijst, laat de Boeddha ook hier weer overduidelijk zien dat fenomenen onderling van elkaar afhankelijk zijn. Alles heeft een 'voorwaardelijke conditie' om te kunnen 'bestaan'. En als wij dingen een naam geven (zoals contact, gevoelens, begeerte etc.), is dat slechts een conventionele aanduiding om communiceren met elkaar mogelijk te maken. Wat we goed dienen te begrijpen is, dat in diepe werkelijkheid dat ding dat we een naam hebben gegeven, daarom nog geen dingen zijn die op zichzelf kunnen bestaan. Vanwege die reden is het dan ook mogelijk om op vele manieren een einde aan lijden te maken, zoals de Boeddha hier laat zien.
Er is een basisformule waarmee het afhankelijk ontstaan wordt aangegeven (zie paticcasamuppada). Om zijn Leer voor meer mensen toegankelijk te maken, heeft de Boeddha, zoals elk praktisch leraar dat zou doen, de Dhamma op verschillende manieren uiteengezet. Deze sutta is daar een goed voorbeeld van.
Ik heb voor de verschillende onderwerpen de exacte (en letterlijke) betekenis van het Pali aangehouden zodat er een goed beeld ontstaat van wat de Boeddha werkelijk heeft gezegd. Uiteraard zijn die Pali termen weer zoals gewoonlijk toegevoegd waardoor de betekenis van alles nog duidelijker wordt.

Sutta Nipata 3.12, Tweevoudige bespiegeling, Dvayatanupassana Sutta

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Boeddha in het oostelijke park van Migaramatu's landgoed te Savatthi. Op een avond toen het volle maan was, zat hij in de open lucht met zijn monniken om hem heen. Toen hij zag dat ze zwegen, sprak hij tot hen.
"Monniken", zei hij, "in deze wereld gebeurt het soms dat dingen gezegd worden omtrent vakkundigheid, dat er edele en bevrijdende uiteenzettingen gedaan worden die naar volledige verlichting leiden. Welnu, monniken, waarom zou je naar zulke uiteenzettingen luisteren? Mensen kunnen je dezelfde vraag stellen, en, als ze dat doen, dien je ze als volgt te antwoorden: 'Het is voor het begrijpen van twee dingen zoals zij werkelijk zijn1.'"

Lijden en het ophouden van lijden

"Men kan je vragen wat die twee dingen dan zijn, en, als men dat doet, dien je als volgt te antwoorden: 'De eerste bespiegeling (nupassana) is dit: dit is lijden (dukkha) en dit is de oorzaak (samudaya) van lijden. De tweede bespiegeling is dit: dit is waar lijden ophoudt (nirodha) en dit is het pad (magga) dat leidt naar het ophouden van lijden.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning (viriya), oplettendheid (sati) en vastberadenheid (adhimokkha), kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis (d.w.z. arahatta phala), of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust2, de vrucht van de niet meer terugkerende (anagami phala)."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
1. "Er zijn mensen die niet begrijpen wat lijden is. Zij weten niet waar het vandaan komt, waar het volledig ophoudt, en zij kennen het pad niet, de manier om het lijden te doen ophouden."
2. "Dus, in hun geringe kennis omtrent het bevrijden van de geest en (daarom) geen bevrijding kunnen verwerven door kennis, zijn zij niet in staat een einde aan lijden te maken. Zij gaan alsmaar door met geboren worden en tot ouderdom komen."
3. "Er zijn ook mensen die wel begrijpen wat lijden is. Zij weten waar het vandaan komt, zij kennen de oorzaak, en zij kennen het pad, de manier om het lijden te doen ophouden."
4. "Zij hebben de bevrijding van geest verkregen en (begrijpen zij) de bevrijding door kennis. Nu kunnen zij een einde aan lijden maken. Zij gaan niet meer door met geboren worden en tot ouderdom komen3."

De basis gehechtheden

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat de basis gehechtheden (upadhi)4, de voorwaardelijke conditie (paccaya) van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van deze basis gehechtheden er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid, en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis , of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
5. "Er zijn veel vormen van lijden in deze wereld5 en elke vorm ontstaat aan dezelfde bron: de basis gehechtheden. Als iemand niet beter weet, geeft hij toe aan deze basis gehechtheden; traag en stompzinnig gaat hij van de ene ellende door naar de andere ellende. Dus, maak die ellende niet voor jezelf; gebruik je kennis om te zien waar lijden begint en waar het zich verder ontwikkelt in gehechtheid6."

Onwetendheid

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat onwetendheid (avijja) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van deze onwetendheid er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid, en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
6. "Voortdurend reizen van geboorte (jati) naar geboorte, van deze vorm naar die vorm, telkens weer; dit is het resultaat van onwetendheid."
7. "Het is vanwege deze onwetendheid dat mensen stompzinnig en verward zijn, dat zij eindeloos van het ene leven naar het andere reizen. Maar als je naar kennis reist, dan laat je dit steeds maar worden wedergeboren, achter je, dan ga je niet door met het alsmaar worden (bhava)."

Mentale formaties

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat mentale formaties (sankhara's) de voorwaardelijke conditie van al het lijden zijn. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van deze mentale formaties er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
8. "Elke vorm van lijden ontstaat uit mentale formaties. Ruk de mentale formaties uit en er wordt geen lijden meer geproduceerd."
9. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van de mentale formaties, dat zij de voorwaardelijke conditie van lijden zijn. Door het volledige bedaren van de mentale formaties en het stoppen van de nasleep van waarnemingen (sañña), verdwijnt het lijden."
10. "Wijze mensen begrijpen dit overeenkomstig de realiteit (sacca). Met de juiste kennis7 overwinnen de wijzen de onderworpenheid aan Mara. Voor hen is er geen wedergeboorte (patisandhi) meer."

Bewustzijn

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat bewustzijn8 (viññana) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van dit bewustzijn er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning,  oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
11. "Elke vorm van lijden ontstaat uit bewustzijn. Vanwege het ophouden van bewustzijn wordt er geen lijden meer geproduceerd."
12. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van bewustzijn, dat het de voorwaardelijke conditie van lijden is. Maar als bewustzijn volledig tot een einde gekomen is, wordt daarmee de begeerte van een persoon beëindigd9; dan is totale ongebondenheid verwerkelijkt10."

Contact

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat contact (phassa) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van contact er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
13. "Voor sommige mensen is contact, het moment waarop een zintuig (adhyatma ayatana) en een zintuigobject (bahir ayatana) elkaar ontmoeten, betoverend. En zo worden zij door de getijden van het bestaan heen geconditioneerd, zwervend over een lege, doelloze weg. En nergens is er enig teken van doorbroken banden (saññojana)."
14. "Maar anderen begrijpen hun zintuiglijke activiteit, en omdat zij dat begrijpen, vult de stilte hen met vreugde. Zij zien precies wat contact doet, en vrij van begeerte, realiseren zij totale ongebondenheid."

Gevoelens

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat gevoelens (vedana) de voorwaardelijke conditie van al het lijden zijn. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van gevoelens er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
15-16. "Of het nu een aangenaam gevoel, een onaangenaam gevoel of een neutraal gevoel betreft; of het nu intern of extern waargenomen wordt, men dient dit allemaal te zien als lijden, als het verdraaien (vipallasa) van je inzicht (vipassana), als een fragiele ervaring. Men dient met wijsheid de opkomende en verdwijnende aard te zien en daardoor er onthecht van te raken. De monnik wordt vrij van begeerte en wordt volledig kalm vanwege de uitroeiing van gevoelens11."

Begeerte

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat begeerte (tanha) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van begeerte er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
17. "Wanneer een man begeerte als zijn metgezel heeft, zal hij van geboorte tot geboorte reizen, nu weer hier en dan weer daar, zonder dat daar ooit een einde aan komt12."
18. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van begeerte, dat het de voorwaardelijke conditie van lijden is. Met deze kennis kun je begeerte doen verdwijnen. Het hechten verdwijnt daarmee eveneens zodat je vrij kunt zijn om echt te leven, altijd waakzaam, een waar asceet."

Hechten

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat hechten (upadana) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van hechten er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis , of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
19. "Van hechten als een voorwaardelijke conditie komt worden. Als iemand wordt13, dan komt iemand tot lijden. Een persoon die geboren wordt, moet ook sterven. Dit is de productie van lijden."
20. "En zo, volleerd in wijsheid, verdrijven de wijzen elke vorm van hechten. Zij hebben gezien hoe de kracht van worden (bhava) kan worden gestopt. Daarom gaan zij niet meer van geboorte tot geboorte."

Energie van geboorte

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat de energie van geboorte (arambha)14 de voorwaardelijke conditie  van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van de energie van geboorte er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
21. "Elke vorm van lijden ontstaat uit de energie van geboorte. Roei de energie van geboorte uit en er wordt geen lijden meer geproduceerd."
22. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van de energie van geboorte, dat het de voorwaardelijke conditie van lijden is. Maar wanneer die energie is verlaten, is er de vrijheid van de energieloze15."
23. Voor de persoon wiens koortsachtige begeerte16 vernietigd is en de geest kalm geworden is, is de cyclus van geboorte en wedergeboorte achtergelaten en is er geen terugvallen naar wedergeboorte meer.

Voeding

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat voeding (ahara) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van voeding er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis , of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
24. "Elke vorm van lijden ontstaat uit voeding. Roei de voeding uit en er wordt geen lijden meer geproduceerd."
25. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van voeding, dat het de voorwaardelijke conditie van lijden is. Maar wanneer je alle vormen van voeding leert begrijpen, raak je er niet meer aan gehecht."
26. "Wanneer iemand volledig begrijpt wat gezond is, kan hij het mentale vergif vaarwel zeggen17. Hij kan dan sterk en met helder inzicht midden in de Leer staan, als een wijs mens, als een wezen dat voorbij elke definitie is18."

Verstoringen

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat verstoringen (iñjita) de voorwaardelijke conditie van al het lijden is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van verstoringen er geen lijden meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
27. "Elke vorm van lijden ontstaat uit verstoringen als voorwaardelijke conditie. Roei de verstoringen uit en er wordt geen lijden meer geproduceerd."
28. "Overdenk dit pijnlijke gevolg van verstoringen, dat ze de voorwaardelijke conditie van lijden zijn. Geef daarom verstoringen op, doorbreek de mentale formaties. Laat de monnik, vrij van verstoringen en gehechtheid, indachtig (sati) door het leven gaan."

Afhankelijkheid

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat afhankelijkheid (nissito) de voorwaardelijke conditie van wankelen19 is. De tweede bespiegeling is, dat door het volledig bedaren en ophouden van afhankelijkheid er geen wankelen meer geproduceerd wordt.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
29. "De onafhankelijke mens beeft niet en wordt niet verward. Maar een mens die zich afhankelijk opstelt klampt zich vast, hij grijpt zich op allerlei manieren aan het bestaan vast; hij kan daarom niet ontsnappen aan het bestaan."
30. "Overdenk dit kwalijke gevolg dat er een ernstig gevaar (adinava) schuilt in het afhankelijk zijn. Daarom gaat de oplettende monnik verder zonder ergens op te leunen en zonder zich ergens aan te hechten."

Het stoffelijke en het onstoffelijke

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat er meer vrede (santi) is in het onstoffelijke (arupa) dan in het fijnstoffelijke (rupa). De tweede bespiegeling is, dat er meer vrede is in het ophouden20 (nirodha) dan in het onstoffelijke.'"
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
31. "Wezens van zowel de stoffelijke sfeer (rupavacara) als van de onstoffelijke sfeer (arupavacara) die het ophouden niet begrijpen, komen keer op keer in het bestaan21."
32. "Maar die wezens die de ware aard van het stoffelijke hebben begrepen, die goed gegrondvest zijn in het onstoffelijke en zichzelf bevrijden middels het ophouden, dat zijn degenen die de dood achter zich laten."

Het meest verheven inzicht

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat in de wereld, inclusief zijn mara's en brahma's, kluizenaren (samana) en brahmanen (brahmana), met zijn koningen en gewone mensen, dingen gezien worden als zijnde waar, terwijl de hogere wezens, de edelen van geest22, heel helder vanwege hun verheven wijsheid, die dingen zien als zijnde onwaar23. De tweede bespiegeling is, dat in de wereld, inclusief zijn mara's en brahma's, kluizenaren (samana) en brahmanen (brahmana), met zijn koningen en gewone mensen, dingen gezien worden als zijnde onwaar, terwijl de hogere wezens, de edelen van geest, heel helder vanwege hun verheven wijsheid, die dingen zien als zijnde waar."
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende ."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
33. "In de wereld, inclusief zijn goden (deva's), ziet men in wat geen zelf (anatta) is, een zelf (atta). Gebonden aan geest en lichaam (nama rupa) denken zij dat dit waar is."
34. "In welke termen zij het ook begrijpen, de werkelijkheid is altijd anders dan dat, en dat is wat er verkeerd aan is: het verandert. Want wat slechts een moment duurt, is bedrieglijk van aard."
35. "Maar het niet-bedrieglijke is het Ongebondene (Nibbana). Dat is wat de edelen van geest kennen als zijnde waar. Met dit inzicht in realiteit eindigt hun begeerte. Zij zijn volkomen ongebonden."

Lijden en geluk

"Er is nog een manier om deze tweevoudige bespiegeling uit te leggen: 'De eerste bespiegeling is, dat in de wereld, inclusief zijn mara's en brahma's, kluizenaren (samana) en brahmanen (brahmana), met zijn koningen en gewone mensen, dingen gezien worden als geluk, terwijl de hogere wezens, de edelen van geest, heel helder vanwege hun verheven wijsheid, die dingen zien als lijden (dukkha). De tweede bespiegeling is, dat in de wereld, inclusief zijn mara's en brahma's, kluizenaren (samana) en brahmanen (brahmana), met zijn koningen en gewone mensen, dingen gezien worden als lijden, terwijl de hogere wezens, de edelen van geest, heel helder vanwege hun verheven wijsheid, die dingen zien als zijnde geluk."
"Dit is de tweevoudige bespiegeling. Wanneer je deze twee begrijpt, en als je een leven leidt van inspanning, oplettendheid en vastberadenheid, kun je één van deze twee resultaten verwachten: er zal of de vrucht zijn van perfecte kennis, of, als enkele van de essentiële factoren van hechten nog niet zijn uitgeblust, de vrucht van de niet meer terugkerende."
Nadat de Boeddha dit tegen de monniken had gezegd, vervolgde de Tathagata, de Leraar, zijn betoog:
36. "Alle beelden, geluiden, geuren, smaken, tastbare objecten en ideeën, zijn aangenaam en verlokkelijk, zolang men denkt dat deze werkelijk bestaan; deze worden door de wereld, inclusief zijn goden (deva's) gezien als een zegening."
37. "Maar wanneer ze verdwijnen24, worden ze door hen gezien als lijden (dukkha)."
38. "Het stoppen van zelfidentiteit (nama rupa), dat wordt door de edelen van geest gezien als zegening. Maar dit verschilt erg van de manier waarop het door de wereld in het algemeen wordt gezien."
39. "Wat anderen zegen (sukha) noemen, wordt door de edelen van geest lijden (dukkha) genoemd. En wat anderen lijden noemen, kennen de edelen van geest als zegen. Begrijp deze paradox goed; het is moeilijk dit te begrijpen en de onwetenden zijn hieromtrent verdwaasd."
40. "Er is duisternis voor hen die bezoedeld zijn. Er is blindheid voor hen die niet zien. Maar voor de waakzamen is het zonneklaar; voor hen die kunnen zien, is er licht. De dwaas ziet de Dhamma niet, hij begrijpt de ware aard van dingen niet."
41. "Voor hen die overmand zijn door de begeerte om te worden (bhava tanha), die voortgaan in de stroom van worden (bhava), zij die onder de invloed van Mara zijn, is het niet makkelijk om volledig tot deze Dhamma te ontwaken."
42. "Wie anders dan de edelen van geest, zijn bekwaam om verlichting te begrijpen? Door die staat perfect te kennen, worden alle bezoedelingen (asava's) uitgeblust."
Dit is wat de Boeddha zei. De monniken waren vol van vreugde toen zij de woorden van de gezegende hoorden. Toen deze uiteenzetting werd gedaan, werden ongeveer zestig monniken in hun geest bevrijd van de aanwezige bezoedelingen (asava's).

Noten

Noot 1: Kort gezegd heeft de Boeddha ons twee belangrijke aspecten geleerd, namelijk het lijden en het ophouden van lijden. Heel deze sutta duidt daarom ook op een tweevoudige bespiegeling die tot het ultieme inzicht van die twee aspecten leidt.
Noot 2: Hiermee worden de banden (saññojana) 6-10 bedoeld.
Noot 3: Het is misschien goed om 1-4 te verduidelijken en hier te verwijzen naar de drie aspecten van de Vier Edele Waarheden: Zie de eindnoot drie aspecten in S56-011 voor meer informatie.
Noot 4: De meeste vertalers gebruiken hier het woord 'hechten', maar dat is niet helemaal juist; het betreft hier specifiek de basis gehechtheden (upadhi).
Noot 5: Zowel de interne als externe wereld wordt hier bedoeld.
Noot 6: Begeerte is de hoofdoorzaak van lijden; daar begint lijden. Begeerte ontwikkelt zich verder in gehechtheid.
Noot 7: Ik heb hier steeds het woord 'kennis' gebruikt, maar 'wijsheid' is daar gelijk aan, dus dat kan ook.
Noot 8: Besef dat het om 'zelfbewustzijn' gaat.
Noot 9: Dus dat 'zelfbewustzijn' voedt begeerte en begeerte het 'zelfbewustzijn' of ego.
Noot 10: Dit verwijst naar Nibbana. 'Ongebondenheid' is onafhankelijkheid; Nibbana is niet iets wat afkomstig is van iets anders, het valt niet binnen een wet van oorzaak en gevolg zoals alle dingen binnen samsara dat wel doen.
Noot 11: Betekent niet dat hij onverschillig is of dat gevoelens er niet mogen zijn, maar hij hecht er niet aan.
Noot 12: Het is wellicht het best te begrijpen dat door begeerte het wezen, het ego, oneindig in stand gehouden wordt.
Noot 13: D.w.z. als het proces van worden (bhava) in iemand continueert.
Noot 14: Hier gebruikt de Boeddha (de letterlijk door mij vertaalde term) 'energie van geboorte'. In de formule van het afhankelijk ontstaan (paticcasamuppada) gebruikt hij de term worden (bhava).
Noot 15: Oftewel van degene die vrij van de wordingsdrang is.
Noot 16: Hier wordt verwezen naar de begeerte om te worden (bhava tanha).
Noot 17: Hier wordt verwezen naar de bezoedelingen (asava's).
Noot 18: Dit betekent dat je dan fenomenen niet meer als losse entiteiten of stukjes ziet zoals we ze noemen (definiëren), maar je het hele bestaan als een proces ziet. Dat is 'voorbij de definitie'.
Noot 19: 'Wankelen' of 'onzekerheid', 'onvrede', 'angst', 'beven', 'verwarring'.
Noot 20: Is gelijk aan de derde Edele Waarheid oftewel Nibbana.
Noot 21: Dit heeft betrekking op zowel de wezens die in die sferen leven, als de wezens die aan die sferen gehecht zijn.
Noot 22: 'De edelen van geest' zijn zij die één of meer graden van heiligheid hebben verworven, maar hier worden de Arahat's in het bijzonder bedoeld. Zie ariya puggala/ariya.
Noot 23: In de oorspronkelijke tekst wordt verwezen naar een specifieke aanduiding, namelijk yathabhutam, hetgeen op het diepste inzicht duidt.
Noot 24: Wanneer die aangename en verlokkelijke beelden, geluiden etc. veranderen... Daarom zijn ook aangename dingen een voorwaardelijke conditie van lijden (dukkha).

Persoonlijke bemerking

Sankhara, hier aangeduid als mentale formaties, mag hier denk ik begrepen worden als de wedergeboorte voortbrengende heilzame en onheilzame wilsactiviteit (ook wel karmische formaties).

hartelijke groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Vimanavatthu
Bericht door: Passievrucht op 09-11-2015 10:54
[bron: Stories of the Mansions, new translation of the verses and commentarial excerpts by I. B Horner, assisted by N.A Jayawiekrama, 1974, Pali Text Society]

Inleiding

Anguttara Nikaya 6.63, de Nibbedhika Sutta beschrijft:
-“En wat is de diversiteit van kamma? Er is kamma dat wordt ervaren in de hel; er is kamma dat wordt ervaren in het dierenrijk; er is kamma dat wordt ervaren in het rijk van gekwelde geesten; er is kamma dat wordt ervaren in de mensen wereld; en er is kamma dat wordt ervaren in de deva wereld. Dit wordt de diversiteit van kamma genoemd”.

Wat het bovenstaande aangaat, in de Vimanavatthu, het zesde boek van Khuddaka Nikaya, wordt het kamma beschreven wat in de deva wereld wordt ervaren. Wat de titel aangaat, ‘vimana’ betekent 'verblijf'. Hier verwijst de term naar hemelse verblijven die door wezens verworven zijn die verdienstelijke daden (puñña) hebben verricht. ‘Vatthu’ betekent ‘verhaal’. Het betreft hier 85 verzen in 7 hoofdstukken (vagga's) over welke verdienstelijke daden er voor hebben gezorgd dat een wezen werd wedergeboren in een hemelse sfeer (als deva). In de eerste 4 vagga's doen vrouwelijke hemelwezens verslag over de verdienstelijke daden die zij hebben verricht gedurende hun vorige bestaansvormen als menselijke wezens en hoe zij werden geboren in de deva loka met prachtige verblijven als gevolg. In de laatste 3 vagga's vertellen de mannelijke hemelwezens hun verhaal. Er zijn ook twee verhalen over dieren die worden wedergeboren als deva, namelijk over een kikker en een paard (verhaal 51 en 81).

Vimanavatthu

In het eerste verslag wordt beschreven hoe koning Pasenadi van Kosala zeven dagen lang ongeëvenaarde aalmoezen gaf aan de Sangha en de Boeddha. En Anathapindika, de grote bankier/handelaar had drie dagen lang aalmoezen gegeven. Dit werd bekend in heel Jambudipa. En mensen begonnen zich af te vragen, ‘brengt het geven van aalmoezen alleen grote vruchten voort wanneer het zulk soort grandioze vrijgevigheid betreft of eerder een vrijgevigheid die overeenkomt met je eigen middelen?’
Dit kwam de Gezegende ter ore en hij zei hierover: ‘Niet enkel vanwege de geschiktheid van de gift brengt vrijgevigheid geweldige vruchten voort, maar veeleer door de geschiktheid van de gedachte [er achter] en de geschiktheid van het veld van diegene aan wie de aalmoezen worden gegeven’. Ik zie dit zelf zo dat deze thema's met concrete voorbeelden worden uitgewerkt in de vimanavatthu.

Wat veel verhalen me duidelijk hebben gemaakt is dat zelfs een kleine gift grote voordelige gevolgen heeft wanneer deze gegeven wordt aan een bijzonder verdienstelijk wezen, iemand die offerwaardig is, eerbied waardig, zoals een Boeddha of arahant of een leerling van de Boeddha.

Dus, in 85 korte verhalen wordt in vimanavatthu door de deva’s beschreven welke verdienstelijke daden er voor zorgden dat men werd wedergeboren in de pracht en praal en gelukzaligheid van de hemelse deva verblijven. In de verhalen speelt vooral Maha-Moggallana de rol van degene die in staat is de deva’s te ontmoeten en met ze te communiceren over dit soort zaken. De Boeddha (en enkele anderen) kon dit ook. Maar meestal is het Maha-Moggallana die op een zogenaamde deva-tour is. Dan past hij zijn psychische bijzondere vermogens toe, ziet en beschrijft de schitterende pracht en praal van de deva verblijven en vraagt dan naar de verdienstelijke daden die de oorzaak waren van al dat moois. De deva weet dit en doet dan verslag van diens verdienstelijke daden als mens in diens vorige leven.

Ik had de vimanavatthu nog niet gelezen. Het gaat me te ver om alle 85 verhalen kort samen te vatten.
Het onderstaande is een korte weergave van wat mij opviel.

Het veld van verdienste, dus aan wie je offert of geeft of wie je eerbied betoont, doet er zeer toe. Zelfs een kleinigheid gegeven aan een Boeddha of arahant of boeddhistische monnik zoals een enkele bloem, een klein beetje van je eten, kan al veroorzaken dat je als hemels wezen wordt wedergeboren. Ook het enkel betonen van eerbied kan dit veroorzaken. Belangrijker dan de soort gift lijkt dus vooral de eerbied, het vertrouwen waarmee je geeft, de devotie die je voelt bij het geven en aan wie je geeft. Wat dit laatste betreft, de soort verdienstelijke activiteit in de vimanavatthu heeft vooral betrekking op de Boeddha en de Sangha, als degene die eerbied waardig zijn en hulp etc ontvangen.

Voorbeelden van vrijgevigheid/geven: het aanbieden van je eigen stoel aan een bedelmonnik, het aanbieden van naalden aan monniken die hun gewaden verzorgen, fruit, bloemen, aalmoezen, medicijnen, een lamp, wat water, onderdak verzorgen, verblijven voor de monniken bouwen, wat sesamzaad, zorgen voor verkoeling etc. Met eten, verzorging, onderdak wordt de Boeddha en de Sangha in de verhalen geholpen. De verhalen in de vimanavatthu maken duidelijk dat dit zeer verdienstelijke activiteit is en kan rijpen als geboorte in een hemels verblijf. Offers aan de relikwieën in een stupa wordt ook beschreven als mogelijke oorzaak van een wedergeboorte als deva.

Naast eerbied en vrijgevigheid die de deva’s hebben genoemd als oorzaak van hun wedergeboorte in een hemels verblijf, wordt ook ander positief gedrag genoemd, zoals: het toevlucht nemen en onderhouden van de vijf voorschriften; niet-doden, niet-stelen, niet vreemd gaan (kuisheid), niet liegen en geen sterke of bedwelmende dranken gebruiken. Ook zelfbeheersing (geduld) speelt hierbij een rol, zoals niet woedend worden of gaan schelden al ben je woedend en zou je willen schelden. Ook het zorgen voor je oude ouders wordt genoemd. Het luisteren naar de Dhamma en het zien van het doodloze wordt genoemd. Dus kortweg, geven, zelf-beheersing, beteugeling en ontwikkeling.

Wat ik ook in de Vimanavatthu tegenkwam is dat de Boeddha soms voorzag dat mensen spoedig zouden sterven en het kamma hadden om wedergeboren te worden in verdoemenis. De Boeddha regelde dan iets waardoor ze een verdienstelijke daad konden verrichten (bijvoorbeeld aan de Boeddha eten konden geven). Daarna, als gevolg van deze verdienstelijke daad, werd iemand dan wedergeboren in een hemels vertrek in plaats van de hel.

In de meeste verhalen wordt gesproken over een wedergeboorte als deva in ‘the realm of the Thirty-Three’, het rijk van de Drieëndertig, de Tavatimsa hemel. Dit is een rijk in de kama-loka, de zintuiglijke wereld, waartoe ook het mensenrijk behoort. Sakka, is de heerser in dit rijk. Zie: http://www.accesstoinsight.org/ptf/dhamma/sagga/loka.html

Dit besluit de Vimanavatthu.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Petavatthu
Bericht door: Passievrucht op 11-11-2015 10:09
[bron: Stories of the Departed (Petavatthu), together with excerpts from the frame stories from dhammapala's commentary, translated from Pali into English by Henry Snyder Gehman, 1942]

Petavatthu

Petavatthu is het zevende deel van Khuddaka Nikaya. Het betreft de 'verhalen van de hongerige geesten' (ook wel gekwelde geesten). Het zijn tekenende verslagen over de ellendige staten van wezens die in ongelukkige bestaansvormen zijn geboren (de peta's) als gevolg van hun slechte daden. Er zijn 51 verhalen die in 4 hoofdstukken (vagga's) zijn onderverdeeld. Hier staat het ellendige leven van de kwaaddoeners beschreven; dit, in contrast met het schitterende leven van de deva's beschreven in vimanavatthu, het vorige deel van Khuddaka Nikaya (zie vorige post).

Wederom worden weer de voordelige gevolgen van vrijgevigheid en andere morele kwaliteiten benadrukt, terwijl kwaadwilligheid, jaloezie, gierigheid, begeerte en verkeerde inzichten aangewezen worden als de oorzaken voor de geboorte in de ongelukkige staten van de peta's. Het grootste lijden in deze sfeer is een ernstig gebrek aan voedsel (honger en dorst), kleding en onderkomen voor het 'verdoemde' wezen (staat tussen aanhalingstekens omdat alles voorbijgaat). Een zekere en onmiddellijke bevrijding van zulke ellendige sferen kan het ongelukkige wezen worden verschaft, als zijn verwanten verdienstelijke daden (puñña) verrichten en de gevolgen ervan met hem willen delen. In Tirokuttapeta Vatthu wordt een gedetailleerd verslag gegeven over hoe koning Bimbisara bevrijding aan zijn vorige verwanten brengt die als ongelukkige peta's leden, door middel van het grootschalig offeren van voedsel, kleding en verblijven aan de Boeddha en zijn gevolg van monniken.
[bron: www.sleuteltotinzicht.nl]

Het bovenstaande vat alles als geheel goed samen vind ik en daarom heb ik het vrijwel letterlijk overgenomen van de bovenstaande site. Wat is mij verder opgevallen is in de petavatthu:

Ik was vertrouwd met het beeld van peta’s met dikke buiken en met een hals ter grootte van een speldeknop waar niks doorheen kan. Dit beeld ben ik niet tegengekomen. Het algemene beeld van peta’s in petavatthu is dat van een uitgemergeld wezen, zeer dun, met aderen duidelijk zichtbaar, ribben die uitsteken, en vaak ook stinkend (uit hun mond). Peta’s kunnen verder allerlei soorten persoonlijke aandoeningen hebben die samenhangen met hun wandaden in het verleden. Soms eten ze dwangmatig delen van zichzelf op, of worden door wormen aangevreten. Als ze willen drinken verdwijnt al het water of ze moeten pus en bloed drinken. Zoeken ze schaduw dan verandert dat in hitte. Ze worden dus meer dan alleen door honger en dorst gekweld. Ze vinden niet wat ze zoeken.

Het komt ook in de verhalen voor dat peta’s soms samen met zulke ellende ook in relatief mooie omstandigheden kunnen leven of bepaalde fraaie kanten hebben. Dat hangt dan samen met het rijpen van deugdzame daden verricht in het verleden. Dus die combinatie van ellende tot rijping gekomen als gevolg van immoreel gedrag, en iets moois tot rijping gekomen door eigen moreel gedrag, komt bij sommige peta’s ook voor.

Zoals boven al aangegeven is, kunnen peta’s verlost worden van bepaalde ellende door het overdragen van verdienste. Bijvoorbeeld als men iets offert of geeft aan de Boeddha, een arahant of een een monnik (personen die offerwaardig zijn), en men draagt de verdienste daarvan op aan de peta, dan wordt beschreven hoe dit onmiddelijk voordelig is voor het welzijn van de peta’s. Zo zijn er ook verhalen van peta’s die zelf weinig goeds gedaan hebben in hun leven als mens maar door het overdragen van verdienste door verwanten toch in relatief aardige omstandigheden leven als peta.

Een overzicht van wandaden die ik ben tegengekomen en die er (mede) voor zorgden dat men als peta werd wedergeboren:
- liegen, jaloezie, hebzucht (niet geven, bezitterigheid, niet delen), wellust,
- misbruik maken van machtspositie,
- verdeeldheid zaaien tussen twee monniken die het goed met elkaar kunnen vinden,
- negatief staan tegenover, of het misgunnen van giften aan de Boeddha en Sangha,
- ongelovig zijn, niet religieus zijn,
- op een bepaalde manier misbruik maken van kluizenaars/monniken en brahmanen,
- geen respect hebben voor verdienstelijke daden en anderen hierin ontmoedigen of zelfs blokkeren,
- vreemd gaan, daar over liegen,
- verkeerd levensonderhoud zoals vissen en jagen, of op frauduleuze wijze (bijvoorbeeld frauderen met maten en gewichten) rijkdom vergaren,
- geen eerbied hebben voor de Boeddha of Sangha,
- verkeerde visies onderhouden (zie Boek IV, verhaal 3 voor een overzicht)
- gehechtheid aan een geliefde. Zelfs wanneer veel goede daden zijn verricht kan die affectie toch voor een peta geboorte zorgen, zie boek IV, verhaal 11).

Er worden ook wezens beschreven die eerst wedergeboren waren in de hel en nu als peta leefden.

Wat ik ook een opvallend punt vond in de Petavatthu is dat in enkele verhalen de nutteloosheid van geweeklaag of het rouwen om een overledene wordt benadrukt. De wijzen keren hun geest af van verdriet en rouw en moedigen anderen ook aan dit te doen. Het verdriet en de rouw helpt de overledene helemaal niet en deze komt er niet mee terug. Men kan beter iets offeren aan iemand die offerwaardig is en de verdienste er van opdragen aan de overledene.

Ter afsluiting, Anguttara Nikaya 6.63, de Nibbedhika Sutta beschrijft:
-“En wat is de diversiteit van kamma? Er is kamma dat wordt ervaren in de hel; er is kamma dat wordt ervaren in het dierenrijk; er is kamma dat wordt ervaren in het rijk van gekwelde geesten; er is kamma dat wordt ervaren in de mensen wereld; en er is kamma dat wordt ervaren in de deva wereld. Dit wordt de diversiteit van kamma genoemd”.

Petavatthu beschrijft dus het kamma dat wordt ervaren in het rijk van gekwelde of hongerige geesten, de peta's.

Dit besluit Petavatthu.

hartelijke groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Theragatha, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 16-11-2015 10:05
[bron voor de verzen: https://suttacentral.net/thag, verzen door mij vertaald uit het Engels]

Theragatha, Verzen van de Monniken

Inleiding

‘De Theragatha 'verzen van monniken' biedt buitengewone prachtige persoonlijke optekeningen in versvorm van monniken ten tijde van de Boeddha. In hun gedichten vertellen zij vaak met hartverscheurende eerlijkheid de ellende die zij in hun leven hebben ontmoet en hoe zij vervolgens de strijd zijn aangegaan op hun weg naar de verwerkelijking van Arahatschap. En zo vormen deze verzen voor ieder van ons inspirerende herinneringen om deze buitengewone mannen in hun voetstappen te volgen’.
[bron: http://www.sleuteltotinzicht.nl/thag00-000.htm]

Ik heb een aantal verzen uit Theragatha, het zevende deel van Khuddaka Nikaya, geselecteerd die betrekking hebben op het onderwerp kamma. De komende tijd zal ik dit in delen posten.

Theragatha, een eerste selectie

Thag. 1.25, Nandiya

Duistere, als je zo’n monnik aanvalt,
Wiens geest vol licht is
En de vrucht bereikt heeft
Zal je ten prooi vallen aan lijden.

Thag. 1.48, Sanjaya

Sinds ik het leven als huishouder
Verruilt heb voor het thuisloze leven
Ben ik niet enige intentie gewaar geweest
Die immoreel en haatvol is.

Thag. 1.67, Ekadhammasavaniya

Mijn bezoedelingen zijn weggebrand door het beoefenen van jhana;
Wedergeboorte in alle staten van bestaan is voorbij,
Transmigratie door geboorten is geëindigd,
Nu is er geen wedergeboorte meer in enige staat van bestaan.

Thag 1.80, Ugga

Welke activiteiten ik dan ook heb verricht,
Ofwel onbeduidend of belangrijk
Zijn alle volledig uitgeput;
Nu is er geen wedergeboorte meer in enige staat van bestaan.

Thag. 1.81, Samitigutta

Wat voor kwaad ik ook gedaan heb
In vorige geboorten,
Het moet hier ervaren worden,
En niet op enige andere plek.

Thag. 1.96, Khandasumana

Ik offerde een enkele bloem,
En daarna vermaakte ik me in de hemel
Gedurende 800 miljoen jaar;
Met wat er van overgebleven is, heb ik nibbana gerealiseerd.

Thag. 1.98, Abhaya

Als je gericht bent op het aangename aspect
Van aanblikken die je ziet, zul je je aandachtigheid verliezen.
Het ervarend met een begeertevolle geest
Blijf je er aan vasthouden.
Je bezoedelingen groeien,
Leidend tot de wortel van wedergeboorte in een of ander staat van bestaan.


Thag. 1.99, Uttiya

Als je gericht ben op het aangename aspect
Van geluiden die je hoort, zul je je aandachtigheid verliezen.
Het ervarend met een begeertevolle geest
Blijf je er aan vasthouden.
Je bezoedelingen groeien,
Leidend tot transmigratie.

Thag. 2.12, Jotidasa

Mensen die zich ruw gedragen-
Mensen aanvallend,
Ze vastbindend,
Ze op allerlei manieren pijnigend-
Ze worden op dezelfde manier behandeld;
Hun daden verdwijnen niet.

Wat voor daden een persoon dan ook doet
Ofwel goede of slechte,
Ze zijn de erfgenaam van alle
En iedere daad die ze verrichten.

Thag. 2.13, Herannakani

De dagen en nachten vliegen voorbij
En dan wordt het leven korter.
De vitaliteit van stervelingen verspilt,
Als het water in kleine stromen.

Maar wijl slechte daden verrichtend
Beseft de dwaas niet-
Het zal later bitter worden;
Ja, het gevolg zal slecht voor hem zijn.

Thag. 3.7, Varana

Wie dan ook onder de mensen
Die andere wezens leed berokkend:
Vanuit deze wereld en de volgende,
Zal die persoon vallen.

Maar iemand met een geest van liefdevolle vriendelijkheid,
Mededogend naar alle wezens:
Die soort persoon
Veroorzaakt verdienste in overvloed.

Men dient te trainen in goede spraak,
In de nabijheid zijn van asceten,
In het alleen zitten in verscholen plaatsen,
En in het kalmeren van de geest.

Einde eerste selectie.

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Theragatha, deel 2
Bericht door: Passievrucht op 17-11-2015 15:16
[bron voor de verzen: https://suttacentral.net/thag, verzen door mij vertaald uit het Engels]

Theragatha, Verzen van de Monniken, deel 2

Thag. 4.5, Jambuka

Gedurende vijfenvijftig jaar
Droeg ik modder en vuiligheid;
Eén maal per maand etend,
Ik trok mijn haar en baard uit.

Ik stond op één voet;
Ik sloeg stoelen af;
Ik at opgedroogde mest;
Ik nam geen voedsel aan dat voor mij opzij gezet was.

Na veel van dit soort daden te hebben verricht,
Die tot een slechte bestemming leiden,
Terwijl ik verzwolgen werd door de grote vloed,
Ging ik naar de Boeddha voor toevlucht.

Zie het toevlucht nemen!
Zie de voortreffelijkheid van de Dhamma!
Ik heb de drie soorten kennis bereikt,
En de instructies van de Boeddha vervuld.

Thag. 4.10, Dhammika

“Dhamma beschermt je echt als je de Dhamma beoefent;
Op de juiste manier beoefende Dhamma brengt geluk.
Als je de Dhamma beoefent, is dit het profijt-
Je zult niet naar een slechte bestemming gaan.

Dhamma en wat niet-Dhamma is
Leiden niet beide tot dezelfde gevolgen.
Wat niet-Dhamma is leidt tot de hel,
Terwijl de Dhamma je op een goede bestemming brengt.

Dus je dient enthousiast te zijn om daden van Dhamma te verrichten,
Je verheugend in de Zegenrijke, de vredige.
Leerlingen van de beste van de Gezegenden zijn ferm in de Dhamma;
Die wijzen moedigen aan naar de allerbeste van de toevluchten te gaan”.

  “De puist is losgebarsten van diens oorsprong,
  Het net van begeerte is ongedaan gemaakt.
  Hij heeft transmigratie geëindigd, hij heeft niets,
  Net als de volle maan aan een heldere nachtelijke hemel”.

Thag. 5.7, Gayakassapa

Drie keer per dag-
S’ morgens, s’ middags en s’ avonds-
Ging ik te water in Gaya,
Voor het Gaya lente festival.

“Wat voor soort slechte daden ik ook gedaan heb
In vorige geboorten,
Ik zal het hier nu wegwassen”-
Dit is de visie is ik vroeger had.

Na de goed-gesproken woorden gehoord te hebben
Betreffende de Dhamma en het doel,
Dacht op ik op een wijze manier na
Over het ware, wezenlijke doel.

Ik heb alle slechte dingen weggewassen
Ik ben smetteloos, gereinigd, zuiver;
De zuivere erfgenaam van de zuivere
Een rechtmatige zoon van de Boeddha.

Toen ik in de achtvoudige stroom dook,
Werden alle slechte dingen weggewassen.
Ik heb de drie soorten kennis verworven,
En de instructies van de Boeddha vervuld.

Thag 6.8, Migajala

Het werd goed onderwezen door degene die ziet,
De Boeddha, Verwante van de Zon,
Die voorbij alle ketens is gegaan,
En al het omwentelen1 vernietigde.

Leidend tot bevrijding, oversteken,
De wortel van begeerte opdrogend,
De wortel van vergif afsnijdend, het slachthuis,
En leidend tot nibbana

Door het doorhakken van de wortel van niet-weten2
Verpulvert het mechanisme van daden,
En maakt de bliksemschicht van kennis los
Bij het oppakken van bewustzijn.

Ons informerend over onze gevoelens,
Ons bevrijdend van grijpen,
Wijselijk alle staten van bewustzijn beschouwend
Als een kuil vol brandende kolen.

Erg fijn, erg diep,
Geboorte en dood voorkomend,
Leidend tot het beeindigen3 van lijden, gelukzaligheid-
Het is het edele achtvoudige pad.

Daad als daad kennend,
En gevolg als gevolg;
Afhankelijk ontstaande verschijnselen ziend
Alsof ze in een helder licht staan;
Leidend tot grote veiligheid, vrede,
Het is voortreffelijk aan het einde.

1.  ”rolling-on”, 2. “unknowing”, 3 “stilling”

Thag. 8.2, Sirimitta

Zonder kwaadheid of wrok,
Zonder bedriegerij, en vrij van kwaadsprekerij,
Zo’n monnik, in balans,
Treurt niet na de dood.

Zonder kwaadheid of wrok,
Zonder bedriegerij, en vrij van kwaadsprekerij,
Een monnik met de zintuigpoorten bewaakt,
Treurt niet na de dood.

Zonder kwaadheid of wrok,
Zonder bedriegerij, en vrij van kwaadsprekerij,
Een deugdzame monnik
Treurt niet na de dood.

Zonder kwaadheid of wrok,
Zonder bedriegerij, en vrij van kwaadsprekerij,
Een monnik met goede vrienden
Treurt niet na de dood.

Zonder kwaadheid of wrok,
Zonder bedriegerij, en vrij van kwaadsprekerij,
Een wijze monnik
Treurt niet na de dood.

Wie dan ook vertrouwen heeft in de Tathagata,
Dat onwankelbaar is en stevig gevestigd,
Wiens ethiek goed is,
De edelen welgevallig, en prijzenswaardig,

Die vertrouwen heeft in de Sangha,
En wiens visie in orde is-
Ze worden “vrij van armoede” genoemd;
Hun leven is niet verspild.

Daarom zou een wijs persoon zichzelf wijden
Aan vertrouwen, deugdzaamheid,
Zekerheid, en de visie van Dhamma,
De onderrichtingen van de Boeddha herinnerend.

Einde tweede selectie

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Theragatha, deel 3
Bericht door: Passievrucht op 18-11-2015 11:42
[bron voor de verzen: https://suttacentral.net/thag, verzen door mij vertaald uit het Engels]

Theragatha, Verzen van de Monniken, deel 3

Thag. 10.5, Kappa

Gevuld met verschillende soorten viezigheid,
Een geweldige producent van mest,
Als een stagnerende beerput
Een grote puist, een grote wond,

Vol pus en bloed,
Gezonken in een toilet-kuil,
Druipend van vloeistoffen
Dit stinkende lichaam lekt altijd.

Verbonden door zestig pezen,
Gecoat met een vlezige coating
Gekleed in een jas van huid,
Dit stinkende lichaam is waardeloos.

Bij elkaar gehouden door een skelet van beenderen,
En verbonden door zenuwen;
Het neemt houdingen aan
Door een complex van vele dingen.

We starten met de zekerheid van de dood,
In de aanwezigheid van de koning van de dood;
En na het lichaam hier afgedankt te hebben,
Gaat een persoon waar hij naar toe wil.

Omhult door onwetendheid,
Verknoopt door de vier knopen,
Zinkt dit lichaam weg in de vloed,
Gevangen in het net van onderliggende neigingen.

Het juk opgelegd door de vijf hindernissen,
Aangedaan door gedachten,
Vergezeld door de wortel van begeerte,
Verholen door begoocheling.

Zo gaat het lichaam door,
Voortgedreven door het mechanisme van daden.
Maar bestaan eindigt in heengaan;
Gescheiden, het lichaam geeft de geest.

Die blinde, niet ontwaakte mensen
Die dit lichaam beschouwen als het hunne,
Doen het afgrijzen van het knekelveld toenemen,
En nemen weer wedergeboorte in één of andere staat van bestaan.

Diegene die dit lichaam vermijden,
Als een met uitwerpselen ingesmeerde slang,
Zij verdrijven de wortel van wedergeboorte,
En realiseren nibbana, zonder bezoedelingen.

Thag. 12.1, Silava

Men dient gewoon in deugdzaamheid te trainen,
Want in deze wereld, wanneer deugdzaamheid is
Gecultiveerd en goed getraind,
Voorziet het in alle succes.

Drie soorten geluk verlangend-
Lof, voorspoed,
En zich verheugen in de hemel na het heengaan-
De wijze dient deugdzaamheid te beschermen.

De deugdzamen hebben vele vrienden,
Vanwege hun zelfbeheersing.
Maar iemand zonder deugdzaamheid, met slecht gedrag,
Jaagt zijn vrienden weg.

Een persoon met slecht gedrag heeft
Een slechte reputatie en is berucht.
Een deugdzaam persoon heeft altijd
Een goede reputatie, faam, en lof.

Deugdzaamheid is het vertrekpunt en fundament;
De moeder aan het hoofd
Van alle goede kwaliteiten:
Daarom dien je deugdzaamheid te zuiveren.

Deugdzaamheid is een begrenzing en een zelfbeheersing,
Een genoegen voor de geest;
De plaats waar alle Boeddha’s oversteken:
Daarom dien je deugdzaamheid te zuiveren.

Deugdzaamheid is de weergaloze kracht;
Deugdzaamheid is het ultieme wapen;
Deugdzaamheid is de beste versiering;
Deugdzaamheid is een prachtig harnas.

Deugdzaamheid is een sterke brug;
Deugdzaamheid is de onovertroffen geur;
Deugdzaamheid is het beste parfum,
Dat zich in alle richtingen verspreidt.

Deugdzaamheid is het beste proviand;
Deugdzaamheid is de onovertroffen voorraad voor een reis;
Deugdzaamheid is het beste voertuig,
Dat je in alle richtingen brengt.

In dit leven worden ze bekritiseerd;
Na het heengaan zijn ze ongelukkig in een lager rijk;
Een dwaas is overal ongelukkig,
Omdat ze niet behept zijn met deugden.

In dit leven zijn ze beroemd;
Na het heengaan zijn ze gelukkig in de hemel;
Een persoon met begrip is overal gelukkig,
Omdat ze behept zijn met deugden.

Deugdzaamheid is heel goed in dit leven,
Maar een persoon met begrip is superieur
Onder mensen en goden,
Overwinnend met deugdzaamheid en begrip.

Einde derde selectie

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Theragatha, deel 4
Bericht door: Passievrucht op 20-11-2015 09:46
[bron: https://suttacentral.net/thag, verzen door mij vertaald uit het Engels]

Theragatha, Verzen van de Monniken, deel 4

Thag. 16.4, Ratthapala

Zie deze chique marionet,
Een hoop zweren, een samengesteld lichaam,
Ziekelijk, hevig verlangend,
Zonder blijvende stabiliteit.

Zie deze chique vorm,
Met diens edelstenen en oorbellen;
Het zijn beenderen verpakt in huid,
Mooi gemaakt door diens kleding.

Versierde voeten
En gepoederd gezicht
Is genoeg om een dwaas te misleiden,
Maar niet een zoeker van de overkant.

Haar in acht vlechten
En lijntjes rondom de ogen,
Is genoeg om een dwaas te misleiden,
Maar niet een zoeker van de overkant.

Zoals een nieuw versierde make-up doos,
Het walgelijk lichaam helemaal versierd
Is genoeg om een dwaas te misleiden
Maar niet een zoeker van de overkant.

De jager legde zijn val,
Maar het hert raakte niet verstrikt;
Na het lokaas opgegeten te hebben, gaan we,
De herten-vanger jammerend achterlatend.

De val van de jager is stuk,
En het hert raakte niet verstrikt;
Na het lokaas opgegeten te hebben gaan we,
De herten-vanger jammerend achterlatend.

Ik zie rijke mensen in de wereld,
Die, vanwege begoocheling, de rijkdom niet weggeven die ze hebben verworven.
Hebzuchtig hamsteren ze hun rijkdom,
Belust op altijd meer zintuigelijke genoegens.

Een koning die de aarde met geweld heeft veroverd,
Van zee tot zee over het land heersend,
Ontevreden met deze oever van de oceaan
Zou nog altijd verlangen naar de overkant.

De koning en de meeste andere mensen
Bereiken de dood terwijl ze nog niet vrij zijn van begeerte.
Alsof ze ontbreken, doen ze afstand van het lichaam;
Want zintuiglijke genoegens geven geen voldoening in deze wereld.

Familieleden jammeren, hun haar laat los,
Zeggend “Oh, helaas, ze zijn niet onsterfelijk!”
Het lichaam gewikkeld in een lijkwade halen ze er uit,
Maken een brandstapel, en verbanden het.

Het wordt met staken gepookt terwijl het verbrandt,
Een enkel kledingstuk dragend, alle rijkdom achtergelaten.
Noch verwanten noch vrienden noch metgezellen
Kunnen je helpen wanneer je sterft.

Erfgenamen nemen de rijkdom,
Maar wezens gaan verder in overeenstemming met hun daden.
Rijkdom volgt je niet wanneer je sterft;
Noch kinderen, vrouw, rijkdom, noch koninkrijk.

Een lang leven wordt niet verkregen door rijkdom,
Noch verbant weelde ouderdom;
Want de wijzen hebben gezegd dat dit leven kort is,
Het is niet eeuwig, diens aard is verval.

De rijken en de armen voelen diens aanraking;
De dwazen en de wijzen voelen het ook;
Maar de dwaas ligt erbij alsof hij neergeslagen is door zijn eigen verdwaasdheid,
Terwijl de wijzen niet huiveren bij de aanraking.

Daarom is wijsheid zeker beter dan rijkdom,
Aangezien je door wijsheid in dit leven perfectie kan bereiken;
Maar als je onperfectioneerd blijft, dan zal je vanwege begoocheling,
Leven na leven slechte daden verrichten.

Eén persoon gaat de baarmoeder binnen en de wereld aan gene zijde,
Transmigrerend van het ene leven naar het volgende;
Terwijl iemand met weinig wijsheid, vertrouwen in hen stellend,
Ook een baarmoeder binnengaat en de wereld aan gene zijde.

Net zoals een dief gepakt bij de ingang van het huis
Wordt gestraft vanwege zijn eigen slechte daden;
Zo worden na het heengaan, in de wereld aan gene zijde
Mensen gestraft vanwege hun eigen slechte daden.

Zintuiglijke genoegens zijn divers, fijn, heerlijk,
Maar hun variatie aan vormen, stresseren de geest;
Gevaar ziend in de soorten van zintuiglijke genoegen,
Vertrok ik, O Koning.

Zoals vruchten van een boom vallen, zo vallen mensen,
Jong en oud, wanneer het lichaam eindigt.
Dit ziend vertrok ik ook, O Koning;
Zonder twijfel, het leven van een asceet is beter.

Behept met vertrouwen, ging ik verder,
Het onderricht van de overwinnaar binnengaand.
Mijn vertrek was niet voor niks;
Ik eet schuldenvrij voedsel.

Ik zag zintuiglijke genoegens als branden,
Goud als een scheermes
Conceptie in een baarmoeder als lijden
En de hellen als zijn zeer angstaanjagend.

Dit gevaar kennend,
Werd ik bevangen door ontzag
Ik werd neergestoken, en toen werd ik vredevol;
Ik heb het einde van bezoedelingen gerealiseerd.

Ik heb de leraar gevolgd
En de instructies van de Boeddha vervult.
De zware last is neergelegd,
Ik heb de gehechtheid om wedergeboren te worden in enige staat van bestaan ongedaan gemaakt.

Ik heb het doel bereikt
Omwille waarvan ik vertrok
Van thuis in thuisloosheid-
Het eindigen van alle ketens.

Einde vierde selectie

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Theragatha, slot
Bericht door: Passievrucht op 21-11-2015 10:48
[bron: https://suttacentral.net/thag, verzen door mij vertaald uit het Engels]

Theragatha, Verzen van de Monniken, slot

Thag. 16.8, Angulimala

  “Asceet, je loopt, maar je zegt ‘ik sta stil;’
  En ik sta stil maar je vertelt me dat dit niet zo is.
  Ik vraag je dit, asceet:
  Waarom sta jij stil en ik niet?”
  
  “Angulimala, ik sta altijd stil-
  Ik heb gewelddadigheid jegens alle levende wezens opgegeven.
  Maar jij hebt geen beheersing jegens levende wezens;
  Daarom sta ik stil en jij niet”.
  
  “Het is lang geleden sinds een asceet,
  Een grote wijze die ik eer, dit grote bos heeft betreden.
  Nu ik uw verzen over de Dhamma heb gehoord
  Zal ik duizend kwaden afdanken”.
  
  Met deze woorden smeet de rover zijn zwaard en wapens
  In een kuil, een klif, een afgrond.
  Op dat moment vereerde hij de voeten van de Gezegende,
  En vroeg de Boeddha om de toevlucht.
  
  Toen zei de Boeddha, de meedogende grote wijze,
  De leraar van de wereld samen met diens goden,
  Tegen hem, “Kom monnik!”
  Enkel dit was voor hem genoeg om een monnik te zijn.

“Wie dan ook eerder achteloos was,
En dat naderhand niet is,
Verlicht de wereld,
Zoals de maan bevrijd van een wolk.

Iemand wiens slechte daden
Worden geblokkeerd door vaardige activiteit,
Verlicht de wereld,
Zoals de maan bevrijd van een wolk.

De jonge monnik
Die toegewijd is aan de onderrichtingen van de Boeddha
Verlicht de wereld
Zoals de maan bevrijd van een wolk.

Moge zelfs mijn vijanden een Dhamma-gesprek horen!
Moge zelfs mijn vijanden zich toewijden tot de onderrichtingen van de Boeddha!
Moge zelfs mijn vijanden omgaan wanneer ze kunnen
Met diegenen die mensen vestigen in de Dhamma!

Moge zelfs mijn vijanden de Dhamma horen op geschikte tijden,
Van diegenen die spreken over aanvaarding,
Berusting prijzend;
En moge ze op overeenkomstige wijze beoefenen!

Ze zouden zeker mij of enig ander
Zeker geen leed berokkenen;
Maar zouden de ultieme vrede realiseren,
Omkijkend naar zowel sterke en kwetsbare wezens.

Een bewateraar leidt het water,
Pijlmakers vormen pijlen,
Timmermannen geven vorm aan hout;
De gedisciplineerden temmen zichzelf.

Sommigen temmen met stokken,
Met gekromde staken of zwepen;
Maar de vredige temde mij
Zonder roede of zwaard.

Mijn naam is “Onschadelijk”
Hoewel ik vroeger schadelijk was.
Vandaag is mijn naam waarachtig,
Omdat ik niemand kwaad doe.

Ik was vroeger een rover,
De beruchte Angulimala.
Meegevoerd door een grote vloed,
Ging ik naar de Boeddha als een toevlucht.

Ik had vroeger bloed aan mijn handen,
De beruchte Angulimala.
Zie mijn toevlucht nemen-
Ik heb de gehechtheid aan wedergeboorte in enige staat van bestaan ongedaan gemaakt.

Ik heb veel van zulke daden gedaan
Die leiden naar een slechte bestemming.
Ik heb de gevolgen van mijn daden ervaren,
Dus ik geniet van mijn voedsel vrij van schuld.

Dwazen en domme mensen
Wijden zich aan achteloosheid.
Maar de intelligente beschermt aandachtigheid
Als hun beste schat.

Wijd jezelf niet aan achteloosheid,
Noch verheug je in seksuele intimiteit.
Als je aandachtig bent en jhana beoefent
Zal je het hoogste geluk bereiken.

Ik was welkom, niet onwelkom,
Het advies dat ik kreeg was goed.
Van de dingen die gedeeld worden
ontmoette ik het beste.

Ik was welkom, niet onwelkom.
Het advies dat ik kreeg was goed.
Ik heb de drie soorten kennis verworven,
En de instructies van de Boeddha vervult.

In de wildernis, aan de voet van een boom,
In bergen, of in grotten;
In die tijd, waar ik dan ook was,
Was mijn geest ongerust. 

Maar nu ga ik gelukkig liggen en sta gelukkig op,
Ik leef mijn leven gelukkig,
Buiten het bereik van Mara;
De leraar had mededogen met mij.

Ik hoorde vroeger bij de kaste van brahmanen,
Hooggeboren aan beide kanten,
Nu ben ik een zoon van de Gezegende,
De leraar, de Koning van de Dhamma.

Ik ben vrij van begeerte, zonder grijpen,
Mijn zintuig-poorten worden bewaakt en goed beteugeld.
Ik heb de wortel van narigheid vernietigd,
En het einde van bezoedelingen gerealiseerd.

Ik heb de leraar gevolgd
En de instructies van de Boeddha vervuld.
De zware last is neergelegd.
Ik heb de gehechtheid aan wedergeboorte in enige staat van bestaan ongedaan gemaakt”.

Dit besluit de selectie uit Theragatha.

hartelijke groet,
Siebe


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Therigatha, Verzen van nonnen
Bericht door: Passievrucht op 02-12-2015 10:15
Bron: http://digital.library.upenn.edu/women/davids/psalms/psalms.html#C-I
Door mij vertaald. Ik vond het lastig te vertalen. Oud Engels. Verbeteringen altijd welkom. 


Inleiding

De laatste posten betroffen gedichten uit Theragatha. Verzen van monniken die arahantschap realiseerden. Het volgende boek in de Pali Canon, in Khuddaka Nikaya is Therigatha. Dit zijn de persoonlijke verslagen in versvorm van de vrouwen, de nonnen, die arahantschap bereikten. Ik heb enkele gedichten geselecteerd en vertaald die relateren aan het onderwerp kamma. Soms is dat misschien maar met enkele regels of zijdelings. Het leek me ook leuk de gedichten hier te delen. Het biedt als zodanig ook een overzicht van wat er te vinden is allemaal in de Pali Canon.
De indeling is net als in Theragatha. Het start met de gedichten bestaande uit 1 vers. Dit loopt op en eindigt met een gedicht met zeer vele verzen, genaamd het grote hoofdstuk.


Therigatha, De verzen van nonnen, Een eerste selectie

Thag. 1.2, Mutta

De Boeddha verscheen aan de mediterende Mutta en uitte het onderstaande vers aan deze leerlinge. Standvastig in deze aansporing realiseert zuster Mutta niet lang daarna arahantschap en uit triomfantelijk het vers. Vlak voor het sterven uit ze het vers opnieuw.

“Word vrij, Bevrijd80, vrij zoals de maan
vanuit de bek van de draak helder in de hoogte uitvaart.
Wis de schulden uit die je belemmeren, en zo,
Met opgeruimd hart, breek je snel door”.

Noot 80: Mutta=bevrijd (vrouw)

Thig. 1.5, Een andere non Tissa (Thig. 1.4 is ook genaamd “Tissa", Siebe)

Deze Tissa beoefent inzicht. De meester verscheen aan haar en uitte het onderstaande vers. Toen ze het vers hoorde nam inzicht toe en ze realiseerde arhantschap. Daarna werd het haar gewoonte om de regels te herhalen.

“Tissa! Leg goed op je hart het juk
Van de edelste ontwikkeling. Zie het moment daar!
Laat het niet aan je voorbij gaan! want voor velen
Die in narigheid treuren ging dat moment voorbij”.

Thig. 1.9, Bhadra

Bhadra beoefende ook inzicht. De meester verscheen op dezelfde manier aan haar als bij de andere non Tissa. De meester uitte het onderstaande vers. Toen ze het vers hoorde nam inzicht toe en ze realiseerde arhantschap. Daarna werd het haar gewoonte om de regels te herhalen.

“Bhadra, die met overtuigd hart verscheen
Tot zekere gelukzaligheid, O Zegenrijke!
Dat devote hart. Ontwikkel alles dat goed is,
Zich begevend naar de uiterste Veiligheid”.

Thag 1.11, Mutta

Mutta beoefende inzicht maar haar gedachten gingen aldoor uit naar externe objecten die haar interesse hadden. Dus beoefende ze zelfbeheersing, en haar vers herhalend, streefde ze naar inzicht totdat ze Arhantschap bereikte; toen jubelend, herhaalde ze:

“O vrij inderdaad! O glorieus vrij
Ben ik vrij van drie verdraaide dingen:-
Van handmolen, vijzel, van mijn gebochelde heer!
Ja, maar ik ben vrij van wedergeboorte en van de dood,
En alles dat me terug sleurde, is weggeworpen”. 

Thig. 1.13, Visakha

Na het bereiken van arahantschap reflecteerde ze over de gelukzaligheid van bevrijding en kondigde AÑÑĀ (hoogste kennis, gnosis, perfecte kennis van de arahant) af:

“De Boeddha’s wil wordt gedaan! Zorg er voor dat
Je zijn wil doet. En als je het gedaan hebt, hoef je nooit meer
de daad te berouwen. Was, dan, haastig je
Voeten en ga apart zitten; alleen”.

Thig. 1.15, Uttara

Haar jubelvers na het verwezenlijken van arhantschap:

“Ik heb mezelf goed gedisciplineerd in daad,
In spraak en ook in gedachte, verrukt en aandachtig.
Begeerte samen met de wortel van begeerte110 is overwonnen;
Koel ben ik nu; ik ken Nibbana’s vrede111.

Noot 110: d.w.z.onwetendheid (commentaar).
Noot 111: [knip pali] ‘koel geworden ben ik, tevreden’ of ‘vredig’...[knip rest]

Thig. 2.9, Abhaya

De non Abhaya mediteerde op enkele smerige dingen. De Boeddha veroorzaakte dat ze voor haar de objecten zag die ze daarbij had gekozen. Ze werd door vrees bevangen. Glorie uitstralend verscheen de Boeddha voor haar alsof hij daar zat en zei:

“Broos, O Abhaya, is het lichaam,
Waartoe het geluk van de wereldling is beperkt.
Voor mezelf zal ik deze sterfelijke omlijsting neerleggen,
Aandachtig en beheerst in alles wat ik doe.

Want geheel mijn hart lag in het werk waarbij
Ik me ontworstelde aan al dat gekweekte kwaad.
Begeerte heb ik vernietigd, en heb overgebracht
dat wat de Boeddha’s aan mensen hebben onthuld"144.

Noot 144. Let. (als in vele andere verzen), ‘gedaan is de wil, of eerder het systeem van onderrichtingen (sasanan) van de Boeddha’, [knip rest van de noot]

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Therigatha, 16, Punna
Bericht door: Passievrucht op 03-12-2015 16:32
Bron: http://digital.library.upenn.edu/women/davids/psalms/psalms.html#C-I
Door mij vertaald. Ik vond het lastig te vertalen. Oud Engels. Verbeteringen altijd welkom.

Therigatha, Verzen van nonnen, een tweede selectie

Thig. 16, Psalm van zestien verzen, toegeschreven aan Punna of Punnika

Punna of Punnika bekeerde (let. temde) een brahmaan die geloofde dat je door de doop in water jezelf kon zuiveren. Met de bekering verdiende ze het respect van haar meester Anathapindika en werd van  slaaf in zijn huishouding een vrije vrouw. Ze trad toe tot de Sangha. Niet lang er na realiseerde ze arahantschap. Nadenkend over haar verwezenlijking sprak ze de volgende verzen:

Bezweerder van water1, ik ging naar de rivier,
zelfs in de winter, met vrees klappen te krijgen,
Achtervolgt door de vrees voor verwijten van maitresses.

‘Wat, brahmaan, vrees je dat je altijd zo
de rivier in gaat? Waarom onderga je met
bevende ledematen bittere koude?’

‘Wel, weet je, jongedame Punnika, waarom
iemand vragen die door rechtvaardig kamma aldus het
gevolg van slecht kamma wegneemt? Wie in zijn jeugd,
Of ouderdom slechte daden heeft verricht, wordt door de water doop
van dat kamma verlost.’

‘Neen welnu, wie, onwetend aan de onwetenden,
Heeft je dit verteld: dat de water doop
Je kan helpen vrij te worden van slecht kamma?
Waarom gaan dan de vissen, en de schildpadden,
De kikkers, de waterslangen, de krokodillen
En allen die in het water rondspoken, niet rechtstreeks
Naar de hemel? Ja hoor, allen met karmisch slecht werk-
Slagers van schapen en varkens, plezier jagers,
Dieven, moordenaars- spatteren wat met water
Worden vrij van slecht kamma!
En als deze stromen het kwaad wat je vroeger
Hebt gedaan kunnen wegnemen, dan zou het ook je
Verdienste wegnemen, je naakt en berooid achterlatend.
Die, vrees waarmee jij, brahmaan, hier steeds weer
Komt baden en beven, die, zelfs die maak je niet ongedaan,
En bescherm je huid voor bevriezing’.

‘Mensen die verkeerde wegen waren ingeslagen
Leidt je nu op het Edele Pad.
Jongedame, ik geef je mijn badkleding”.

‘Hou je kleding! Ik zoek geen kleding.
Als je lijden2 vreest, als je er niet van houdt,
Doe dan geen openlijk noch verborgen kwaad.
Maar als je kwaad zal doen, of hebt gedaan,
Dan is er voor jou geen ontsnappen aan lijden,
Zelfs als je het ziet aankomen en wegvlucht.
Als je lijden vreest, als lijden je niet verheugt,
Ga dan en zoek de Boeddha en de Norm
En de Sangha voor je toevlucht; leer van hen
de voorschriften te onderhouden. Zo zal je het goede vinden’.

Zie! Ik neem mijn toevlucht in de Boeddha,
En in de Norm en Sangha. Ik zal van hen leren
De voorschriften op me te nemen en te onderhouden;
Zo zal ik inderdaad het goede vinden.

Eens werd ik maar als een zoon van brahmanen geboren.
Vandaag sta ik als zodanig op in daad.
De edele Drievoudige Wijsheid heb ik verworven,
Verworven de ware Veda-kennis, en gepromoveerd
Ben ik, van beter sacrament teruggekeerd,
Gereinigd door het innerlijk spiritueel bad.’

“drawer of water”, 2 ‘ill”, euvel, kwaad, ziek, naar

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Therigatha 20.2
Bericht door: Passievrucht op 04-12-2015 10:59
Bron: http://digital.library.upenn.edu/women/davids/psalms/psalms.html#C-I
Door mij vertaald. Ik vond het lastig te vertalen. Oud Engels. Suggesties voor verbeteringen welkom.


Therigatha, Verzen van nonnen, een derde selectie

Thag. 20. 2, Rohini

Na het horen van het onderricht van de Boeddha werd Rohini een stroom-betreder. Ze onderwees haar ouders de leer. Die accepteerden het en stemden in met haar toetreden tot de Sangha. Studerend voor inzicht bereikte ze niet lang hierna arahantschap, samen met een grondig begrip van de Norm en de betekenis. Nadenkend over een discussie die ze had met haar vader terwijl ze alleen nog maar de Stroom had betreden, uitte ze de essentie daarvan als triomfantelijke/jubel verzen:

‘”Zie de kluizenaars!” zeg je altijd.
“Zie de kluizenaars!” die me wakker maken.
Lof voor kluizenaars gaat altijd over je tong.
Zeg, jongedame, heb je een kluizenaars geest in wording?
Je geeft deze kluizenaar wanneer ze komen,
voedsel en drinken in overvloed. Kom op, Rohini,
Ik vraag je, waarom zijn kluizenaar je dierbaar?
Ze werken niet graag, het luie gezelschap.
Ze komen rond van wat anderen hun geven.
Klaplopers zijn het, en gulzig naar lekkernijen-
Ik vraag je, waarom zijn kluizenaars je dierbaar?’

Gedurende vele dagen, beste vader, heb je gevraagd naar
ontroerende kluizenaars. Nu zal ik hun deugden
en hun wijsheid en hun werk verkondigen.

Vol werklust zijn ze, geen lui gezelschap.
Ze doen het edelste werk, ze drijven wellust
En haat uit. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

De drie wrede wortels van kwaad verdrijven ze,
Het van binnen helemaal zuiver makend, geen bezoedeling achterlatend,
Geen smet. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Hun werk in daden is zuiver, zuiver is hun werk
In spraak, en niet minder zuiver hun werk in gedachte.
Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Onbevlekt als een schelp of als een parel,
Van een schitterend bondig karakter, van buiten,
Van binnen347. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Geleerd en bekwaam in de Norm; gekozen*,
En levend volgens de Norm die ze uiteenzetten
En onderwijzen. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Geleerd en bekwaam in de Norm; gekozen,
En levend volgens de Leer; bedaard,
Aandachtig. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Ver en afgelegen trekken ze rond, beheerst;
Wijs in hun woorden en zachtmoedig, ze kennen het einde
Van lijden. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

En wanneer ze over straat gaan
Kijken ze voor niks om; niet nieuwsgierig
Lopen ze. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Ze bewaren geen schat voor het vlees,
Noch opbergkist noch krat. Ze volmaakten
Hun zoektocht. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Ze grijpen geen munt; geen goud pakt hun hand,
Noch zilver. In hun behoeften voorziet de dag.
Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

Vanuit menige stam en menig platteland
Voegen ze zich bij de Sangha, onderling verbonden
In liefde. Daarom zijn kluizenaar me dierbaar.

‘Welnu, werkelijk voor ons welzijn, O Rohini,
Werd je als dochter geboren in dit huis!
Je vertrouwen is in de Boeddha, de Norm
En in de Sangha; levendig je devotie.
Want je weet goed dat dit het superieure Veld is
Waar verdienste gecreëerd kan worden. We zullen ons voortaan
Ook wenden tot heilige mensen.
Want daardoor zal voor ons eigen baat 
Een register aan vrijgevige offerandes opstapelen’.

‘Als je lijden vreest, als je er niet van houdt
Ga dan naar en zoek de Boeddha en de Norm
En de Sangha voor je toevlucht; leer van hen
En onderhoudt de voorschriften. Zo zal je welzijn vinden’.

Zie! Ik neem mijn toevlucht in de Boeddha,
En in de Norm en Sangha. Ik zal van hen leren
De voorschriften op me te nemen en te handhaven;
Zo zal ik inderdaad welzijn vinden.

Eens werd ik maar als een zoon van brahmanen geboren.
Vandaag sta ik op als brahmaan in daad.
De edele Drievoudige Wijsheid heb ik verworven,
Verworven de ware Veda-kennis, en gepromoveerd
Ben ik, van beter sacrament teruggekeerd,
Gereinigd door het innerlijk spiritueel bad.’

Noot 347: onbezoedeld door hebzucht, haat of begoocheling; vol van de A-sekha’s kwaliteiten-deugdzaamheid, contemplatie, concentratie, inzicht (Commentaar).
* “elect”

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Therigatha, Sumedha, slot
Bericht door: Passievrucht op 05-12-2015 12:32
Bron: http://digital.library.upenn.edu/women/davids/psalms/psalms.html#C-I
Door mij vertaald. Ik vond het lastig te vertalen. Oud Engels. Suggesties voor verbeteringen welkom.


Therigatha, Verzen van nonnen, slot

Psalm van het Grote Hoofdstuk, Sumedha

Sumedha was dochter van koning Konca (ook koning Heron genoemd). Zij wilde haar leven wijden aan religie en zwoer zintuiglijke verlangens en genoegens af. Ze verliet de wereld en trad toe tot de bhikkhuni’s. Niet lang daarna, inzicht vestigend, en rijp voor bevrijding, verwezenlijkte ze arahantschap, met een grondig begrip van de Norm in vorm en betekenis. En nadenkend over haar overwinning, sprak ze deze triomfantelijke verzen:

Koning Heron’s dochter te Mantavati
Geboren uit diens belangrijkste gemalin, was Sumedha,
Toegewijd aan de makers van de Wet413
Een deugdzame jongedame was ze en welbespraakt,
Geleerd en goed getraind in het systeem van onze Heer.
Zij, voor wie haar ouders een geschikte partner zochten, sprak;
‘Luister nu, vader, moeder, jullie beiden!
Geheel de liefde van mijn hart is aan Nibbana gegeven.
Alles dat ontstaat is vergankelijk,
Zelfs als het de natuur van een god heeft.
Wat voor ruil is dat, dan, voor mij met het lege
Leven van de zintuigen, dat weinig geeft, veel om zeep helpt?
Bitter als het gif van slangen zijn zintuiglijke
Verlangens, waarnaar jeugdige dwazen smachten.
Voor die vele nachten in volledige misère
Rekken ze de gepijnigde levens in de rijken van ongeluk.
De kwaadwillenden, kwaaddoeners rouwen
In levens van loutering. Altijd zijn dwazen
Zonder beheersing in daad en woord en gedachte.
Oh! Maar de dwazen hebben geen weet of wil.
Ze kunnen niet bevatten wat er voor zorgt dat smart ontstaat-
Indien onderwezen, leren ze het niet; in hun ingedutte geesten
Ontwaakt de Viervoudige Waarheid niet.
Die Waarheden, O moeder, die de Ontwaakte,
De Beste, de Boeddha aan ons heeft onthuld,
Zij, de meerderheid, kennen ze niet, en ze
Verheugen zich in het weer in het bestaan komen,
En verlangen er naar wedergeboren te worden onder de goden.
Zelfs bij de goden is geen eeuwig thuis.
Behoeftig worden moet niet duurzaam zijn.
Niettemin zij, de dwaze zielen, zijn opnieuw niet bevreesd
Om ergens weer geboren te worden.
Er zijn vier manieren van akelig leven en alleen twee
manieren van voorspoed416- en hoe moeilijk deze te verwerven!
Noch als iemand in de vier terecht komt
Is daar verzaking van die wereld;
Lijden jullie beide opdat ik mijn wereld verzaak;
En in de gezegende onderrichtingen van de Heer,
Hij van de Tien Krachten, ongeacht wat dan ook,
Zal ik er naar streven om geboorte en dood te ontwortelen.
Hoe kan ik me verheugen in vele geboorten,
In dit armzalig lichaam, schuim zonder ziel?
Dat ik een volkomen einde mag maken aan de dorst er
Weer te zijn, lijden dat ik achter me laat.
Nu is het tijdperk van Boeddha’s! Gegaan de behoefte
Aan een kans. Het moment is daar!
O laat me zolang ik leef nooit de
Voorschriften onderschatten, noch bezwaar hebben tegen het heilige leven!’.

Zo sprak Sumedha en opnieuw: ‘Moeder en vader van mij, nooit zal ik
Als lekenvrouw mijn vasten verbreken en eten.
Ik zal hier eerder gaan liggen en sterven!’

De aangedane moeder huilde, de vader, verbijsterd
Van verdriet, wilde het uit haar hoofd praten en haar
geruststellen, zij die daar languit op de paleis vloer lag:-
“Sta op, lief kind. Waarom dit ongeluk voor jou? Je bent verloofd en aanstaande
te gaan regeren in Varanavati, met de toegezegde bruidegom
koning Anikaratta, knappe jongeheer.
Je bent bestemd zijn belangrijkste gezellin te worden, zijn koningin.
Het is moeilijk, klein kind, om de wereld te verlaten,
Moeilijk zijn de voorschriften en het heilige leven.
Als koningin zal je gezag hebben,
Rijkdom en oppergezag en weelde.
Jij die hiermee gezegend bent en jong, geniet
Van de genoegens die het leven je schenkt.
Op naar je huwelijk, kind’.

Toen antwoordde Sumedha aan hen: Nee, niet zo!
Geen ziel, geen essentie kan worden voortbrengen.
Eén van de twee zal het zijn- kiezen jullie welke:
Of laat me de wereld verlaten, of laat me sterven.
Zo, en zo alleen zou ik er voor kiezen om te trouwen.
Wat is het waard- dit lichaam smerig, onrein,
Geuren afscheidend, bron van angsten, een tas
Van huid gevuld met een karkas, ondertussen
Onzuiverheid afscheidend? Wat is het me waard die weet-
Weerzinwekkend karkas, bepleisterd met vlees en bloed,
De prooi van wormen, diner voor vogels-
Aan wie zal zo’n ding als dit gegeven worden?
Bijna gereed om naar het knekelveld gedragen te worden.
Daar wordt dit lichaam neergegooid, wanneer geest is vervlogen,
Als nutteloos houtblok, waarvan zelfs verwanten zich afkeren.
Weggeworpen het ding dat ze in bad gedaan hebben
Het voedsel van walgelijke dingen, waarvan zelfs de eigen ouders terugdeinzen,
Laat staan hun verwanten.
Ze hebben een liefde voor deze zielloze omlijsting,
Deze aan elkaar geregen beenderen en zenuwen, smerig lichaam,
Gevuld met veelvuldige afscheidingen.
Zou men het lichaam ontleden, en binnenste buiten keren,
De geur zou bewijzen zelfs voor je eigen moeder niet te verduren te zijn.
De factoren van mijn bestaan, organen, elementen,
allen zijn een vergankelijke samenstelling, diep geworteld
In geboorte, zijn lijden, en zonder meer wat ik niet wil*.
Wie, dan, kan ik dan kiezen om te trouwen?
Eerder zou ik dag na dag dood gaan
Door telkens weer opnieuw met 300 speren doorboord te worden,
Zelfs gedurende 100 jaar, als dit dan uiteindelijk pijn zou eindigen, anders niet eindigend. 
De wijzen zouden deze [deal] sluiten, en
Volledige vernietiging ontmoeten, ziend dat Zijn Woord,
Die van de Meester, gaat: “Langdurig is het ronddolen van hen die,
verkikkerd, steeds weer opnieuw verrijzen”.
Ontelbaar de manieren waarop we dood gaan,
Onder goden en mensen, als demonen of als dieren,
Onder de geesten, of in de krochten van de hel.
En daar hoeveel verdoemde gekwelde levens!
We hebben zelfs in de hemel geen veilige toevlucht.
Daarenboven, voorbij Nibbana’s gelukzalig is niets.
En zij hebben die gelukzaligheid verworven die al hun harten
Hebben verbonden met het gezegende Woord van Hem
Die de Tienvoudige Kracht had, en gefocust,
Er naar hebben gestreefd geboorte en dood verre van zich te houden.
Deze dag, mijn vader, zal ik voortgaan!
Ik moet niets hebben van lege weelde! Zintuiglijke verlangens
Staan me tegen en maken me ziek, en zijn geworden
Als de stomp van waar eens een palm stond’.

Zo sprak ze tegen haar vader. De koning,
Anikararra, op weg zijn jeugdige bruid het hof te maken, kwam nu
Dichterbij op het afgesproken tijdstip. Maar Sumedha
Maakte haar zachte bos haar los
En sneed het met een dolk af. Toen sloot
Ze de deur die naar eigen kamers met terras leiden,
En ogenblikkelijk verwierf ze de gelukzaligheid van de eerste jhana.
Daar zat ze verloren in verrukking terwijl
Anikaratta in de hoofdstad aankwam.
Toen beschouwde ze vergankelijkheid,
De gedachte ontwikkelend425. Daarna is ze handelswaar
terwijl Anikaratta snel de treden van
het paleis beklimt, rijkelijk behangen met edelstenen
En goud, en diep buigend voor Sumedha.

‘Heers in mijn koninkrijk en geniet van mijn rijkdom
En macht. Rijk, gelukkig en zo jong ben je,
Geniet van de genoegens die het leven en liefde kunnen voortbrengen,
Ondanks dat ze moeilijk te verkrijgen zijn en door maar weinig verworven.
Aan jou sta ik mijn koninkrijk af!
Doe nu weg wat je dan ook wilt, geef giften in overvloed.
Wees niet neerslachtig. Je ouders zijn ontdaan’.

Aan hem antwoordde Sumedha, voor wie verlangens van
zinnelijke liefde waardeloos waren, noch bezig
Om op een dwaalspoor te geraken: ‘O richt
de toegenegenheden van het hart niet op deze zinnelijke liefde.
Zie al het gevaar, de zintuiglijke verzadiging.
Mandhata, koning van de vier continenten van de wereld,
Had meer rijkdom om zijn zintuigen te verzadigen
Dan enig ander man, stierf niettemin
Ontevreden, zijn wensen onvervuld.
Nee, zelf als de regen-god het liet regenen met alle zeven soorten
Edelstenen tot de aarde en hemel vol waren, dan nog altijd zouden
De zintuigen hunkeren, en mensen onverzadigd sterven.
‘Als de scherpe lemmets van zwaarden zijn zintuiglijke verlangens’.
‘Als de balancerende koppen van slangen klaar om weg te schieten’.
‘Als laaiende fakkels’, en ‘als afgekloven beenderen’.
Vergankelijk, onstabiel zijn zintuiglijke verlangens,
Zwanger van lijden en vol gevaarlijk gif,
Verzengend om aan te raken, als een verhitte ijzeren bol.
Verderfelijk hun wortel, onheilspellend de vrucht.
Als ‘vruchten’ die de klimmer tot val brengen,
Zijn zintuiglijke verlangens; slecht als de ‘hompen vlees’
Die gulzige vogels van elkaar afpikken;
Als bedrieglijke ‘dromen’; als ‘geleende goederen’ die weer opgeëist worden.
‘Als lansen en speren zijn zintuiglijke verlangens’,
‘De pest, een puist, en bron van verderf en onheil.
Een fornuis van gloeiende kolen’, de wortel van verderf,
Moordzuchtig en de bron van verschrikkelijke ellende.

Zo is de onheilspellendheid van zintuiglijke verlangen,
die blokkades van bevrijding, verklaard.
Ga, verlaat me, want ik vertrouw mezelf niet,
Terwijl ik aan deze wereld toch part en deel heb.
Wat moet een ander voor me doen? Voor mij
Wiens hoofd in vuur en vlam staat, wiens stappen worden achtervolgt
Door geboorte en dood die niet talmen. Om ze
Volledig te verpletteren moet ik me onvermijdelijk inspannen.

Toen ze bij haar deur aankwam, zag ze de koning,
Haar huwelijkskandidaat, en haar ouders daar zitten
En ze weenden. En sprak nogmaals tegen hen:

‘Lang moeten ze nog door de werelden ronddolen
Die onwetend altoos hun tranen vernieuwen,
Een eindeloos huilende wereld om vaders dood,
Of vermoorde broer, of dat ze zelf moeten sterven.
Roep in je geest op hoe gezegd werd dat tranen
En melk en bloed over de wereld vloeien zonder einde.
En haal in je geest die grafheuvel aan beenderen,
Die wezens opstapelen die ronddolen in de werelden.
Herinner je de vier oceanen die vergeleken worden
Met al de stromen van tranen, melk en bloed.
Herinner de ‘grote stapel beenderen van 1 mens,
Van alleen maar 1 eon, gelijk aan Vipula’;
En hoe ‘groot India niet zou volstaan
te bedekken met kleine tel-balletjes van aarde
om alle voorouders mee te tellen
Van je eigen levensronde zonder einde.
Herinner hoe ‘de kleine vierkanten van riet
En takken en twijgen nooit kunnen volstaan
Als telramen voor je verwekte werelden zonder begin’
Herinner je hoe de parabel werd verteld
Van een ‘bijziende schildpad in de Oosterse Zeeën,
Of andere oceanen, die eens in de loop van de tijd’,
Zijn hoofd door het gat van een drijvend juk steekt’;
Zo zeldzaam als dit is de kans op geboorte als mens.
Herinner je ook de ‘lichaam’-parabel,
De ‘hoop schuim’, van spuug zonder kern,
Op drift zijnde. Zie hier de vijf vergankelijke factoren.
En O vergeet niet de hel waar velen lijden.
Herinner je hoe we de knekelvelden doen aanzwellen,
Nu stervend, nu weer ergens anders wedergeboren.
Herinner wat over ‘krokodillen433’ werd gezegd,
En wat die gevaren voor ons betekenden, en O!
bewaar in je geest de Vier, de Edele Waarheden.

HET NECTAR VAN DE NORM IS HIER! O hoe
Kun je voldaan zijn met de bittere teugen
Van zintuiglijke bevrediging? Alle zintuiglijke genoegens
Zijn bitterder voor het vervolgend vijfvoudige Lijden435

HET NECTAR VAN DE NORM IS HIER! O hoe
Kun je voldaan zijn met koortsachtige charges
Van zintuiglijke bevrediging? Alle zintuiglijke genoegens
Zijn brandend, kokend, gistend, stovend.

ER IS, WAAR VIJANDIGHEID NIET IS437. O hoe
Kun je voldaan zijn met zintuiglijke genoegens
Terwijl ze je zoveel vijanden bezorgen- de toorn
Of hebzucht van de koning, of dief, of rivaal, leed door
Vuur, of water- ja, zo veel vijanden!

BEVRIJDING WACHT! O hoe kun je
Voldaan zijn met zintuiglijke genoegens, waarin
ketens liggen en dood? Ja, in precies die genoegens
Schuilen kerker en beul. Zij die zich willen overgeven aan
Hun lusten moeten daarna onvermijdelijk tegenspoed ondergaan.
Voor hem wie ze lang vasthoudt en niet loslaat
Zullen stroo-fakkels branden. Dus, in de parabel440
Branden zintuiglijke verlangens hem die niet loslaat.
Gooi, vanwege wat ijdel zintuiglijk genoegen, niet
weg, het ruimere sublieme geluk,
Anders slik je net als de vin karper de haak in,
Alleen maar om jezelf in verderf terug te vinden.
Tem jezelf in zintuiglijke verlangens, noch laat
Jezelf door hen ketenen, zoals een hond
Aan de ketting vastzit; anders zullen ze waarlijk
Met jou doen als de hongerige paria’s met die hond442.
Ik zeg nogmaals, onmetelijke hoeveelheid tegenspoed
En vele uitputtende narigheid van de geest
Zul je ondergaan, het juk opgelegd door zinnelijk leven. Geef op,
Geef verlangens van de zintuigen op! Ze vergaan.

ER IS, DAT WAT NOOIT OUDER WORDT! O hoe
Kun je voldaan zijn met zintuiglijke verlangens
Die zo snel verouderen? Worden niet alle dingen wedergeboren,
Waar dan ook, gegrepen door ziekte en dood?
DIT dat nooit ouder wordt, dat niet sterft,
DIT nooit verouderend, nooit stervend Pad-
Daar komt geen smart, geen vijanden,
Noch is daar enige menigte; geen bezwijmen of falen,
Er komt geen angst, noch wat dan ook dat kwelt-
Naar DIT, het Ambrozijnen Pad, zijn velen
volledig gegaan. En vandaag, zelf nu kan het verworven worden.
Maar alleen door een leven dat zich volkomen
Overgegeven heeft aan devotie. Zwoeg niet**,
En je zult het niet realiseren!’.

  Zo beëindigde Sumedha
wat ze te zeggen had, zij die geen vreugde vond
In alle activiteiten die van leven tot leven leiden,
En, aan Anikarrata aldus haar geest
verklarend, liet ze haar lokken op de grond vallen.
Toen stond hij op met uitgestrekte gevouwen handen,
En met haar vader die zo voor haar opkwam:
‘O sta Sumedha toe om de wereld te verlaten,
Dat ze de Waarheid en Vrijheid mag zien!’

De ouders dulden het haar en weg was ze.
Bevreesd om te blijven en angst en hartzeer op te bouwen.
Zes vertakkingen van Inzicht realiseerde ze,
Als leerling, de Hoogste Vrucht verwervend.
  ------------------

O wonderbaarlijk dit! O waarlijk wonderbaarlijk!
Nibbana voor de dochter van een koning!
Haar staat en gedrag in eerdere geboorten,
Zoals ze in haar laatste leven vertelde, waren deze:
‘Toen Konagamana hier Boeddha was,
En een nieuw verblijf, Het Park van de Sangha,
Tot zijn onderkomen nam, bouwden twee van mijn vrienden en ik
Een vihara te gebruiken door de meester.
En vele gewonnnen en eeuwen van levens
Leefden we onder de goden, om naar niet te spreken van onder de mensen.
Machtig onze glorie en kracht onder
De goden, noch hoef ik te spreken over de faam op aarde.
Was ik niet een gezellig van een keizer,
De schat-vrouw onder de Zeven Schatten?

Geduld*** in de Waarheid onderwees de Meester-
Dit was de oorzaak, de bron, de wortel,
Dit is de Eerste Schakel in de lange Oorzakelijke Lijn,
Dit is Nibbana indien we de Norm liefhebben.

Zo handelend, zij die hun vertrouwen in Hem stellen,
Superieure Wijsheid451, verliezen elke wens en hoop
Om terug tot bestaan te komen- en zo bevrijd
Worden ze van alle smetten van de hartstochten gezuiverd.


Noten


Noot 413: Sasanakara, is volgens het commentaar, Ariyanas- d.w.z. Arahants, inclusief de Boeddha’s. Daar net onder, sasana is weergegeven door ‘systeem’. Sumedha=erg wijs.
Noot 416: Wedergeboorte in ‘hel’, als dier, als ‘geest’, als demon zijn vier (louterende levens’, vinipata, in 452): als mens of als god zijn de twee.
Noot 425: het commentaar geeft aan dat ze door ging met de andere ‘tekenen’-lijden, of smart, en zielloosheid.
Noot 433: Het gevaar van krokodillen wordt, in twee van de Nikaya’s, metaforisch gebruikt voor gulzigheid; een van de vier gevaren van ‘van diegene die naar het water toe gaan’; het wordt in de Canon alleen toegepast voor de verleidingen van een Bhikkhu (Majjh. Nik., i. 460; Ang. Nik. ii.124)
Noot 435: Let. ‘Zijn bitterder voor het vijfvoudige-bitter’, door het commentaar verklaard als ‘door het er op volgend nog scherper Lijden (dhukkam). Vijfvoudig verwijst naar de vijf zintuigen.
Noot 437: let. Het niet-vijandige zijn’ (absoluut lokatief). Het Pali heeft geen metafoor voor plaats.
Noot 440; In Majjhima Nik. i 365, waar gezegd wordt dat de fakkel die tegen de wind in wordt gedragen niet lang vastgehouden wordt.
Noot 442: De hond, volgens het commentaar, niet in staat om aan ze te ontsnappen, wordt gedood en vermoedelijk opgegeten. [knip rest]
Noot 451: Let. ‘Die onmetelijke wijsheid heeft’.
* “and first and last the thing i would not”
** “labour not”, werk niet?
*** "endurance", uithoudingsvermogen


Dit besluit de selecties uit Therigatha, De Verzen van Nonnen

hartelijke groet,
Siebe



Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Patisambhida Magga
Bericht door: Passievrucht op 08-12-2015 10:45
[vertaald uit: The Path of Discrimination, (Patisambidamagga), translated from the Pali by Bhikkhu Nanamoli, 1982]

Patisambhidamagga

Inleiding.

Patisambhida Magga is het twaalfde deel of verhandeling van Khuddaka Nikaya. Het wordt toegeschreven aan de Eerwaarde Sariputta. Hier worden de meest belangrijkste leerstellingen van de Boeddha behandeld in de stijl van de Abhidhamma. De Patisambhida Magga is onderverdeeld in 3 hoofdstukken (vagga's): Maha vagga, Yuganaddha vagga, en Pañña vagga. Elke vagga bestaat uit 10 subgroepen, katha's genaamd, zoals Nana Katha, Ditthi Katha, etc.
De verhandeling van elk onderwerp is zeer gedetailleerd en biedt het theoretische fundament voor de beoefening van het Pad. http://www.sleuteltotinzicht.nl/ptsm0-00.htm

Het onderstaande betreft hoofdstuk 7, Kammakatha, uit Mahavagga (“Great Division”), de Verhandeling over Actie (of daad/handeling). Ik heb dit iets meer uitgeschreven dan in het boek van Nanamoli.

Patisambhidamagga, Kammakatha, Over Actie [daad, handeling]

Er is actie [een daad, handeling] geweest, er is actie-gevolg geweest: er is actie geweest, er is geen actie-gevolg geweest.
Er is actie geweest, er is actie-gevolg: er is actie geweest, er is geen actie-gevolg.
Er is actie geweest, er zal actie-gevolg zijn: er is actie geweest, er zal geen actie-gevolg zijn.
Er is actie, er is actie-gevolg: er is actie, er is geen actie-gevolg
Er is actie, er zal actie-gevolg zijn: er is actie, er zal geen actie-gevolg zijn.
Er zal actie zijn, er zal actie-gevolg zijn: er zal actie zijn, er zal geen actie-gevolg zijn.

2. Er is voordelige [heilzame] actie geweest, er is voordelig actie-gevolg geweest: er is voordelige actie geweest, er is geen voordelig actie-gevolg geweest.
Er is voordelige actie geweest, er is voordelig actie-gevolg: er is voordelige actie geweest, er is geen voordelig actie-gevolg.
Er is voordelige actie geweest, er zal voordelig actie-gevolg zijn: er is voordelige actie geweest, er zal geen voordelig actie-gevolg zijn.
Er is voordelige actie, er is voordelig actie-gevolg: er is voordelige actie, er is geen voordelig actie-gevolg.
Er is voordelige actie, er zal voordelig actie-gevolg zijn: er is voordelige actie, er zal geen voordelig actie-gevolg zijn.
Er zal voordelige actie zijn, er zal voordelig actie-gevolg zijn: er zal voordelige actie zijn, er zal geen voordelig actie-gevolg zijn.

3. Er is onvoordelige [onheilzame] actie geweest, er is onvoordelig actie-gevolg geweest: er is onvoordelige actie geweest, er is geen onvoordelig actie-gevolg geweest.
Er is onvoordelige actie geweest, er is onvoordelig actie-gevolg: er is onvoordelige actie geweest, er is geen onvoordelig actie-gevolg.
Er is onvoordelige actie geweest, er zal onvoordelig actie-gevolg zijn: er is onvoordelige actie geweest, er zal geen onvoordelig actie-gevolg zijn.
Er is onvoordelige actie, er is onvoordelig actie-gevolg: er is onvoordelige actie, er is geen onvoordelig actie-gevolg.
Er is onvoordelige actie, er zal onvoordelig actie-gevolg zijn: er is onvoordelige actie, er zal geen onvoordelig actie-gevolg zijn.
Er zal onvoordelige actie zijn, er zal onvoordelig actie-gevolg zijn: er zal onvoordelige actie zijn, er zal geen onvoordelig actie-gevolg zijn.

4. Er is afkeuringswaardige [verwerpelijke] actie geweest, er is afkeuringswaardig actie-gevolg geweest: er is afkeuringswaardig actie geweest, er is geen afkeuringswaardig  actie-gevolg geweest.
Er is afkeuringswaardige actie geweest, er is afkeuringswaardig actie-gevolg: er is afkeuringswaardige actie geweest, er is geen afkeuringswaardig actie-gevolg.
Er is afkeuringswaardige actie geweest, er zal afkeuringswaardig actie-gevolg zijn: er is afkeuringswaardige actie geweest, er zal geen afkeuringswaardig actie-gevolg zijn.
Er is afkeuringswaardige actie, er is afkeuringswaardig actie-gevolg: er is afkeuringswaardige actie, er is geen afkeuringswaardig actie-gevolg.
Er is afkeuringwaardige actie, er zal afkeuringswaardig actie-gevolg zijn: er is afkeuringswaardige actie, er zal geen afkeuringswaardig actie-gevolg zijn.
Er zal afkeuringswaardige actie zijn, er zal afkeuringswaardig actie-gevolg zijn: er zal afkeuringswaardig actie zijn, er zal geen afkeuringswaardig actie-gevolg zijn.

5. Er is niet afkeuringswaardig [niet verwerpelijke] actie geweest...etc.

6. Er is donkere actie geweest...etc

7. Er is heldere actie geweest, er is helder actie-gevolg geweest: er is heldere actie geweest, er is geen helder actie-gevolg geweest.
Er is heldere actie geweest, er is helder actie-gevolg: er is heldere actie geweest, er is geen helder actie-gevolg.
Er is heldere actie geweest, er zal helder actie-gevolg zijn: er is heldere actie geweest, er zal geen helder actie-gevolg zijn.
Er is heldere actie, er is helder actie-gevolg: er is heldere actie, er is geen helder actie-gevolg.
Er is heldere actie, er zal helder actie-gevolg zijn: er is heldere actie, er zal geen helder actie-gevolg zijn.
Er zal heldere actie zijn, er zal helder actie-gevolg zijn: er zal heldere actie zijn, er zal geen helder actie-gevolg zijn.

8. Er is actie vruchtbaar [productief] voor plezier geweest...

9. Er is actie vruchtbaar [productief] voor pijn geweest...

10. Er is actie resulterend in plezier geweest...

11. Er is actie resulterend in pijn geweest, er is actie-gevolg resulterend in pijn geweest: er is actie resulterend in pijn geweest, er is geen actie-gevolg resulterend in pijn geweest.
Er is actie resulterend in pijn geweest, er is actie-gevolg resulterend in pijn: er is actie resulterend in pijn geweest, er is geen actie-gevolg resulterend in pijn.
Er is actie resulterend in pijn geweest, er zal actie-gevolg resulterend in pijn zijn: er is actie resulterend in pijn geweest, er zal geen actie-gevolg resulterend in pijn zijn.
Er is actie resulterend in pijn, er is actie-gevolg resulterend in pijn: er is actie resulterend in pijn, er is geen actie-gevolg resulterend in pijn.
Er is actie resulterend in pijn, er zal actie-gevolg resulterend in pijn zijn: er is actie resulterend in pijn, er zal geen actie-gevolg resulterend in pijn zijn.
Er zal actie resulterend in pijn zijn, er zal actie-gevolg resulterend in pijn zijn: er zal actie resulterend in pijn zijn, er zal geen actie-gevolg resulterend in pijn zijn.
                                                                                              *
                                                                          Einde Verhandeling over Actie

Ja, Abhidhamma-stijl,

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 12-12-2015 11:09
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890]

Inleiding Milandapanha

Milindapanha is denk ik een aantrekkelijk werk voor iedereen die veel vragen en twijfels heeft bij boeddhisme. In dit werk speelt koning Milinda de rol van een soort criticus van het boeddhisme. Koning Milinda was Yonaka (Graeco-Bactrian) koning van Sagala (Griekenland). Hij heeft allerlei vragen en bedenkingen bij allerlei boeddhistische leerstellingen. Eerwaarde Nagasena, een arahant, gaat daarover met de koning in gesprek, licht zo het onderricht toe en neemt als het ware de twijfel of scepsis bij koning Milinda weg. Beide zouden zo'n 500 jaar na het overlijden van de Boeddha geleefd hebben.
Ik heb het zo begrepen dat Milandapanha niet door iedereen wordt erkend als een canoniek werk. Het schijnt niet opgenomen te zijn in de Singhalese en Thaise editie maar wel in de Birmese editie van de Tipitaka en schijnt later toegevoegd te zijn. Het is het achttiende en laatste werk van Khuddhaka Nikaya.
De komende tijd zal ik een aantal teksten posten uit Milindapanha waarbij het onderwerp kamma een rol speelt.

Milandapanha, een eerste selectie

Boek II, Hoofdstuk 2

§6. De koning zei: “Wat is het, Nagasena, dat wordt wedergeboren?”
“Naam en vorm wordt wedergeboren.”
“Wat, is het deze zelfde naam-en-vorm die wordt wedergeboren?”
“Nee, maar door deze naam-en-vorm worden daden verricht, goed of slecht, en door deze daden (dit karma) wordt een andere naam-en-vorm wedergeboren”
“Als dat zo is, heer, zou het nieuwe wezen dan niet bevrijd worden van diens slechte karma?”
“De oudere monnik antwoordde: “Ja, als het niet wedergeboren werd. Maar precies omdat het wedergeboren wordt, O koning, wordt het daarom niet bevrijd van diens slechte karma”
“Geef me iets ter illustratie.”

“Stel, O koning, een man zou een mango stelen van een andere man, en de eigenaar van de mango zou hem grijpen en hem voor de koning brengen en hem van het misdrijf beschuldigen. En de dief zou zeggen: ‘Uwe Hoogheid! Ik heb de mango’s van deze man niet gestolen. Die hij in de grond stopte, dat zijn anderen dan diegenen die ik wegnam. Ik verdien het niet om gestraft te worden’. Hoe dan? Zou hij schuldig zijn?”
“Zeker, heer. Hij zou het verdienen om gestraft te worden”.
“Maar op basis van wat?”
Omdat, ondanks wat hij dan ook mag zeggen, hij zou schuldig zijn met betrekking tot de laatste mango die resulteerde van de eerste (die de eigenaar in de grond stopte)”.
“Net zo, grote koning, worden goede en slechte daden gedaan door deze naam-en-vorm en een andere wordt wedergeboren. Maar die andere wordt daardoor niet bevrijd van diens slechte daden (diens karma).”
“Geef me een nog een voorbeeld”

Het is als rijst of suiker dat ook zo gestolen wordt, waarvan hetzelfde gezegd kan worden als de mango. Of het is als een vuur dat een man, in het koude seizoen, zou kunnen aansteken, en, nadat hij zichzelf opgewarmd had, laat branden en weggaat. Als dan dat vuur een andermans veld in brand zou steken, en de eigenaar van het veld zou hem grijpen, en hem voor de koning brengen en hem beschuldigen van de schade, en hij zou zeggen: ‘Uwe Majesteit! Ik was het niet die het veld van deze man in brand stak. Het vuur dat ik liet branden was een ander vuur dan dat diens veld afbrandde. Ik ben niet schuldig”. Wel, zou de man, O koning, schuldig zijn?”
“Zeker, heer”
“Maar waarom?”
“Omdat, ondanks wat hij dan ook mag zeggen, hij zou schuldig zijn met betrekking tot het er op volgend vuur dat uit het eerdere ontstond.”
“Net zo, grote koning, worden goede en slechte daden gedaan door deze naam-en-vorm en een andere wordt wedergeboren. Maar die andere wordt daardoor niet bevrijd van diens slechte daden (diens karma).
“Geef me nog een voorbeeld”

“Stel, O koning, een man zou een lamp pakken en naar de bovenste verdieping van zijn huis gaan, en daar zijn maaltijd opeten. En de oplaaiende lamp zou het strodak in brand zetten, en van daaruit zou het huis vlam vatten, en nadat het huis vlamvatte zou het hele dorp platbranden. En ze zouden hem grijpen en hem vragen: ‘Waarom, kerel, zette je ons dorp in de brand?’ En hij zou antwoorden: “Ik heb jullie dorp niet in brand gestoken! De vlam van de lamp, bij wiens licht ik aan het eten was, was één ding; het vuur dat uw dorp afbrandde was een ander ding”. Wel, als ze zo ruziënd, dit bij u voor het gerecht zouden brengen, O koning, in wiens voordeel zou u dan in dit geval beslissen?
“In het voordeel van de dorpelingen.”
“Maar waarom?
“Omdat, heer, ondanks wat de man dan ook zou zeggen, het ene vuur werd door het andere voortgebracht.”
“Net zo, grote koning, is het één naam-en-vorm dat eindigt met de dood, en een andere naam-en-vorm welk wordt wedergeboren. Maar de tweede is het gevolg van de eerste, en wordt daarom niet bevrijd van diens slechte daden”.
“Geef me nog een voorbeeld.”

“Stel, O koning, een man zou een jong meisje kiezen om te huwen en een prijs betalen en weggaan. En zij zou in de loop der tijd opgroeien tot een vrouw, en dan zou een andere man een prijs voor haar betalen en haar trouwen. En wanneer de eerste dan terug zou komen, zou deze zeggen: “Waarom, mijn kerel, heb je mijn vrouw meegenomen?” En de ander zou antwoorden: 'Het is niet jouw vrouw die ik meegenomen heb! Het kleine meisje, het nog enkel kind, die je koos om te huwen en een prijs voor betaalde is één, het meisje opgegroeid tot vrouw die ik koos om mee te trouwen en een prijs voor betaalde is een ander'. Nu, als ze zo ruziënd het bij u voor het gerecht zouden brengen, O koning, wiens kant zou u dan in dit geval kiezen?”
“De kant van de eerste”
“Maar waarom?”
“Omdat, ondanks wat de tweede ook zou zeggen, het opgegroeide meisje zou afgeleid zijn van het andere meisje”.
“Net zo, grote koning, is het één naam-en-vorm dat eindigt met de dood, en een andere naam-en-vorm welk wordt wedergeboren. Maar de tweede is het gevolg van de eerste, en wordt daarom niet bevrijd van diens slechte daden”.
“Geef me nog iets ter illustratie.”

“Stel dat een man, O koning, een kan melk zou kopen van een herder, zou weggaan en het bij hem in bewaring zou laten terwijl hij zou zeggen: ‘Ik zal het morgen ophalen'. En de volgende dag zou het wrongel worden. En wanneer de man zou komen en er naar zou vragen, stel dan dat de ander hem de wrongel zou aanbieden, en hij zou zeggen: 'Ik kocht van jou geen wrongel; geef me mijn kan met melk'. En de ander zou antwoorden: 'Zonder een fout van mijn kant is je melk in wrongel veranderd'. Nu, als ze zo ruziënd het bij u voor het gerecht zouden brengen, O koning, ten gunste van wie zou u dan in dit geval kiezen?”
“Ten gunste van de herder”
“Maar waarom?”
“Omdat, ondanks wat de ander ook mag zeggen, de wrongel is afgeleid van de melk”.
“Net zo, grote koning, is het één naam-en-vorm dat eindigt met de dood, en een andere naam-en-vorm welk wordt wedergeboren. Maar die andere is het gevolg van de eerste, en wordt daarom daardoor niet bevrijd van diens slechte daden (diens slechte karma)”.
“Uitstekend, Nagasena!”

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon
Bericht door: lord rainbow op 12-12-2015 16:08
Milindapanho

De vragen van milinda
tweespraak tussen een griekse koning
en een boeddhistische monnik

vertaald uit het pali door Tonny Kurpershoek-Scherft

uitgeverij asoka

isbn: 9 5670 014 6 / nugi613

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 2
Bericht door: Passievrucht op 13-12-2015 12:12
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, een tweede selectie

Boek III, hoofdstuk 4

§1. De koning zei: “Worden de vijf ayatana’s* (oog, oor, neus, tong en lichaam), Nagasena, geproduceerd door uiteenlopende acties of door één actie?” (dat is, het gevolg van uiteenlopende karma’s of door één karma).
“Door uiteenlopende acties, niet door één.”
“Geef me een voorbeeld.”
“Wel, wat denkt u, koning? Als ik in een veld vijf soorten zaden zou zaaien, zou het product van deze verschillende zaden dan van uiteenlopende soorten zijn?”
“Ja, zeker.”
“Wel, precies zo met betrekking tot de productie van ayatana’s.”
“Uitstekend, Nagasena!”

Persoonlijke noot:

* zintuigbasis. In dit fragment wordt gesproken over vijf zintuig bases. Er wordt in teksten ook gesproken over een zesde ayatana, namelijk de basis van de geest, manayatana, (bron: www.sleuteltotinzicht.nl).
zie ook: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17557.html#msg17557

§2. De koning zei: “Waarom, Nagasena, zijn niet alle mensen gelijk, maar leven sommige kort en sommige  lang, zijn sommige ziekelijk en sommige gezond, sommige lelijk en sommige mooi, sommige zonder invloed en sommige met grote macht, sommige arm en sommige rijk, sommige laag geboren en sommige hoog geboren, sommige dom en sommige wijs?”
“De oudere antwoordde: “Waarom zijn niet alle groenten gelijk, maar sommige wrang, en sommige zout, en sommige bitter, sommige zuur, en sommige scherp en sommige zoet?”
“Ik denk, heer, dat het komt omdat ze van verschillende soorten zaden komen.”
“En net zo, grote koning, moeten de door u genoemde verschillen onder mensen verklaard worden. Want door de Gezegende is gezegd: “Wezens, O brahmaan, hebben elk hun eigen karma, zijn erfgenamen van karma, behoren tot de stam van hun karma, zijn familieleden door karma, hebben elk hun karma als hun beschermende opperheer. Het is karma dat ze opdeelt in laag en hoog en soortgelijke verdelingen”.
“Uitstekend Nagasena!”

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 3
Bericht door: Passievrucht op 14-12-2015 10:07
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, een derde selectie

Boek III, hoofdstuk 5

§7 De koning zei: “Is er, Nagasena, enig wezen dat van dit lichaam naar een ander verhuisd? [als in een zielsverhuizing, Siebe]”
“Nee, dat is er niet”
“Maar als dat zo zou zijn, zou het dan niet vrij worden van diens slechte daden?”
“Ja, als het niet wedergeboren werd; maar als het werd wedergeboren, nee.”
“Geef me een illustratie.”
“Stel, O koning, dat een man andermans mango’s zou stelen, zou de dief dan straf verdienen?”
“Ja”
“Maar hij zou niet de mango’s gestolen hebben die de andere man in de grond geplant heeft. Waarom zou hij straf verdienen?”
“Omdat diegene die hij stal het gevolg waren van diegenen die geplant werden”
“Net zo, grote koning, deze naam-en-vorm verricht daden, ofwel zuiver of onzuiver, en door dat karma wordt een andere naam-en-vorm wedergeboren. En daarom wordt het niet bevrijd van diens slechte daden”.
“Uitstekend, Nagasena!”

§8 De koning zei: “Wanneer daden worden verricht, Nagasena door één naam-en-vorm, wat wordt er dan van die daden [wat gebeurt er dan met die daden]?”
“De daden zouden het volgen, O koning, als een schaduw die het nooit verlaat”.
“Kan iemand die daden aanwijzen, zeggend: ‘Hier zijn deze daden, of daar?”’
“Nee”
“Geef me een voorbeeld.”
“Welnu, wat denk u, O koning? Kan iemand de vruchten aanwijzen die een boom nog niet voortgebracht heeft, zeggend: ‘Hier zijn ze, of daar’”?
“Zeker niet, heer.”
“Precies zo, grote koning, zolang de continuïteit van het leven niet wordt afgesneden, is het onmogelijk om de daden die verricht worden aan te wijzen."
“Uitstekend Nagasena!”

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 4
Bericht door: Passievrucht op 15-12-2015 11:20
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, een vierde selectie

Boek IV, hoofdstuk 1

De Boeddha’s zondeloosheid; Is alle pijn geworteld in karma?

§62. “Eerwaarde Nagasena, had de Gezegende, toen hij een Boeddha werd, alle kwaad in hemzelf opgebrand, of was daar nog altijd enig resterend kwaad in hem aanwezig?”
“Hij had alle kwaad opgebrand. Er was niets van over”.
“Maar hoe kan dat, heer? Leed de Tathagata niet lichamelijke pijn?”
“Ja, O koning. Te Ragagaha doorboorde een scherf/fragment van een rots zijn voet, en eens leed hij aan dysenterie, en eens, toen de humeuren/energieen1 van zijn lichaam verstoord waren, werd hem een purgatief toegediend, en eens toen hij gehinderd werd door wind, gaf de oudere die op hem wachtte (dat is Ananda) hem heet water”.
“Dan, heer, als de Tathagata bij zijn Boeddha worden al het kwaad in zichzelf heeft vernietigd-moeten deze andere verklaringen dat zijn voet doorboord werd door een scherf, dat hij dysenterie had, enzovoort, onjuist zijn. Maar als ze waar zijn dan kan hij niet vrij geweest zijn van kwaad, want er is geen pijn zonder karma. Alle pijn is geworteld in karma, en het is op basis van karma dat lijden ontstaat. Dit dilemma is aan jou gepresenteerd en jij moet het oplossen”.

§63. “Nee, O koning. Niet al het lijden is geworteld in karma. Er zijn acht oorzaken waardoor leed2 ontstaat, waardoor vele wezens pijn lijden. En wat zijn deze acht? Een overvloed aan wind, aan gal en aan slijm, de vereniging van deze humeuren, variaties in temperatuur, het vermijden van verschillen/ongelijkheden3, extern(e) medium/werking4 en karma. Vanuit elk van deze ontstaan er soorten leed, en dit zijn de acht oorzaken waardoor vele wezens pijn lijden. En wie dan ook handhaaft dat het karma is dat wezens bezeert, en daarnaast geen andere reden voor pijn bestaat, zijn stelling is onjuist”.
“Maar, heer, alle andere zeven soorten pijn hebben elk ook karma als diens oorsprong, want ze worden allemaal geproduceerd door karma.
“Als, O koning, alle aandoeningen5 werkelijk afgeleid zouden zijn van karma, dan zouden er geen karakteristieke kenmerken zijn waarmee ze van elkaar onderscheiden konden worden. Wanneer de wind [energie] verstoord is, is dat zo op één of andere van de [volgende] tien manieren- door koude of door hitte, of door honger, of door dorst, of door teveel eten, of door te lang staan, of door teveel inspanning, of door te snel lopen, of door medische behandeling of als het gevolg van karma. Van deze tien, treden negen niet op in een vorig leven of in een volgend leven, maar in iemands huidige bestaan. Daarom is het niet juist om te zeggen dat alle pijn door karma ontstaat. Wanneer het gal [energie], O koning, verstoord wordt, is dat op één of andere van [de volgende] drie manieren-door koude, of door hitte, of door ongeschikt voedsel. Wanneer het [de] slijm [energie] wordt verstoord is dat zo door koude, of door hitte, of door voedsel en drank. Wanneer ofwel één van deze drie humeuren worden verstoord of vermengd, geeft dat diens eigen speciale, kenmerkende pijn. Dan zijn er de speciale pijnen die ontstaan vanuit variaties in temperatuur, vermijding van verschillen, en externe werking/medium. En daar is de daad die karma als diens vrucht heeft, en de pijn zo teweeggebracht ontstaan vanuit de verrichte daad. Dus wat ontstaat als de vrucht van karma is veel minder dan wat vanuit andere oorzaken ontstaat. En de onwetenden gaan te ver als ze zeggen dat elke pijn voortgebracht wordt als de vrucht van kamma. Niemand zonder het inzicht van een Boeddha kan de reikwijdte van de activiteit van karma bepalen.

§64. Welnu, toen de voet van de Gezegende gescheurd werd door een scherf van een rots, werd de pijn die volgde, niet voortgebracht door enig ander van de acht oorzaken die ik noemde, maar alleen door een externe werking/medium4. Want Devadatta, O koning, had gedurende honderden duizenden opeenvolgende geboorten haat gekoesterd jegens de Tathagata. Het was in zijn haat dat hij een grote rots greep, en het over de rand duwde in de hoop dat het op zijn hoofd zou vallen. Maar twee andere rotsen kwamen samen, en onderschepten het voordat het de Tathagata had bereikt; en door de kracht van die botsing werd er een fragment afgerukt en viel op de voet van de Gezegende, en liet het bloeden. Welnu, deze pijn moet in de Gezegende voortgebracht zijn ofwel als het gevolg van zijn eigen karma, of door iemand anders zijn daad. Want anders dan deze twee kan er geen ander soort pijn zijn. Het is zoals wanneer een zaadje niet ontkiemt- dat moet zijn door ofwel de slechtheid van de grond, of door een defect in het zaadje. Of het is zoals wanneer voedsel niet wordt verteerd- dat moet zijn ofwel door een defect in de maag, of door de slechtheid van het voedsel.”

§65. Maar hoewel de Gezegende nooit pijn leed dat het gevolg was van zijn eigen karma, of teweeggebracht door de vermijding van verschillen, leed hij toch pijn vanuit elk van de andere zes oorzaken. En door de pijn die hij kon hebben, was het niet mogelijk om hem van het leven te beroven. Er komen tot dit lichaam van ons, O koning, samengesteld uit de vier elementen, wenselijke sensaties/gevoelens en het omgekeerde, plezierig en onplezierig. Stel, O koning, een kluit aarde zou in de lucht gegooid worden, en weer op de grond neervallen. Zou het de consequentie/gevolg zijn van enige daad die het eerder had gedaan dat het zo zou vallen?”
“Nee, heer. Er is geen reden op de uitgestrekte aarde [te vinden] waardoor die kluit het gevolg zou kunnen ervaren van een daad, ofwel goed of slecht. Het zou vanwege een huidige oorzaak zijn onafhankelijk van karma dat de kluit weer op de aarde valt.”
“Wel, O koning, de Tathagata moet beschouwd worden als de uitgestrekte aarde. En zoals de kluit er op zou vallen ongeacht enige daad die het verricht heeft, zo was het ook ongeacht enige daad door hem gedaan dat het fragment van de rots op zijn voet viel”.

§66. “Nogmaals, O koning, mensen halen de grond open en ploegen de aarde. Maar is dat het gevolg van een daad die eerder gedaan is?”
“Zeker niet, heer.”
“Precies zo met het vallen van die scherf. En de dysenterie die hem overviel was op dezelfde manier geen gevolg van een eerdere daad, het werd veroorzaakt door de vereniging van de drie humeuren. En welke lichamelijk ziekte hij dan ook kreeg, dat had diens oorsprong, niet in karma, maar in één van andere zes oorzaken waar naar verwezen is. Want er is gezegd door de Gezegende, O koning, door hem die boven alle goden staat, in de glorieuze verzameling genaamd de Samyutta Nikaya, in de Sutta genoemd naar Moliya Sivaka: “Er zijn bepaalde pijnen, Sivaka, die in de wereld ontstaan vanuit galachtige humeur. En je moet zeker weten welke dat zijn, want het is een zaak van algemene kennis in de wereld welke dat zijn. Maar die Samana’s en Brahmanen, Sivaka, die van mening zijn en de visie verkondigen dat welk plezier of pijn of neutraal gevoel, iemand dan ook ervaart, dat altijd is vanwege een eerdere daad- ze gaan voorbij aan zekerheid, ze gaan voorbij kennis, en daarin zeg ik dat ze verkeerd bezig zijn. En zo ook voor de pijnen die veroorzaakt worden door het slijm-humeur, of door het wind-humeur, of door de vereniging van die drie, of door variaties in temperatuur, of door vermijding van verschillen, of door externe actie, of als het gevolg van karma. In elk van deze gevallen dien je zeker te weten welke die zijn, want het is een zaak van algemene kennis welke die zijn. Maar die Samana’s of Brahmanen die van mening zijn of de visie verkondigen dat wat voor plezier, of pijn, of neutraal gevoel een mens ook zou kunnen ervaren, altijd het gevolg is van een eerdere daad- ze gaan voorbij zekerheid, ze gaan voorbij doorsnee kennis. En daarin zeg ik dat ze verkeerd bezig zijn. Dus, O koning, niet alle pijn is het gevolg van karma. En je moet als feit accepteren dat toen de Gezegende een Boeddha werd, hij alle kwaad binnenin hem had opgebrand”
“Uitstekend, Nagasena! Het is zo; en ik accepteer het zoals je zegt”

Persoonlijke noten (door mij ingevoegd):

1. In de oosterse geneeskunde onderscheidt men ‘humeuren’ of basisenergieën zoals, wind, gal en slijm, bijvoorbeeld in de Tibetaanse geneeskunde. Bij ziekte kan zo’n humeur of basisenergie te actief zijn of in overvloed aanwezig of te zwak/weinig, of er kan een disbalans zijn in alle drie samen. Hoe dit precies zit weet ik niet. Het werken met en herstellen van zulke energieën via behandelingen is wat een arts-heler onder andere doet om te genezen.
2. “Sufferings”, verschillende soorten lijden, hier vertaald als "leed".
3. “the avoding of dissimilarities”: Ik weet niet wat hier wordt bedoeld. Misschien kan iemand dit in de vertaling van Tonny Kurpershoek-Scherft nakijken en hier delen. Ik heb geen noot gevonden die dit toelicht.
4. “external agency”. Verderop in de sutta wordt duidelijk dat met deze laatste onder andere ‘externe actie’ wordt bedoeld. External agency kan vertaald worden als "externe kracht", "extern medium", "externe werking". In dit geval was de lang gekoesterd haat van Devadatta jegens de Boeddha als externe kracht/werking, oorzaak van het bezeren van zijn voet, en dus niet het karma van de Boeddha.
5. "diseases", ziekten leek me hier minder gepast dan "aandoeningen".

Zie eventueel ook: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17449.html#msg17449

Hier zie je dus dat de besproken lichamelijke pijnen die de Boeddha ervoer niet worden verklaard als het rijpen van slechte daden eerder begaan. Ook hier blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling is te denken dat alle pijn of onaangenaam gevoel het gevolg is van eerder verrichte slechte daden (kamma), in dit of vorige levens. Er worden dus 7 andere oorzaken onderscheiden voor pijnlijke gevoelens. Vier hiervan zou je medische/fysiologische/biologische verklaringen kunnen noemen, lijkt me, te weten; overvloed aan wind, overvloed aan gal, overvloed aan slijm en de vereniging van die drie. 'Variaties in temperatuur', wellicht een klimatologische verklaring. De betekenis van 'vermijding van verschillen', als oorzaak van pijn, is me niet duidelijk. Zou fijn zijn als iemand dat opheldert. 'Externe werking/kracht/medium' als verklaring voor pijn spreekt min of meer voor zich. En dan is er nog karma als verklaring voor pijn. Het is denk ik goed te realiseren dat het begrip 'karma' in verschillende betekenissen wordt gebruikt. In deze context als-verklaring wordt het vooral gebruikt in de betekenis van kamma-vipaka. In vorige of dit leven zijn door iemand slechte daden verricht. Die zijn als een soort zaadjes bij die iemand. Op enig moment kunnen die zaden ontkiemen en dat kan dan een onaangenaam gevoel geven. Zo kunnen onaangename gevoelens nu dus verklaart worden als veroorzaakt door karma, als rijpend gevolg van eerder verrichte slechte daden.

Deze, en andere tekstfragmenten, geven dus uiteenlopende verklaringen voor het ontstaan en hebben van onaangename gevoelens.

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 4
Bericht door: lord rainbow op 15-12-2015 21:23
3. “the avoding of dissimilarities”: Ik weet niet wat hier wordt bedoeld. Misschien kan iemand dit in de vertaling van Tonny Kurpershoek-Scherft nakijken en hier delen. Ik heb geen noot gevonden die dit toelicht.


'Avoding' ?


De vragen van Milinda is er in drie en in zeven hoofdstukken.
Volgens Tonny KS  en anderen, zijn alleen de eerste drie origineel
en zijn de hoofdstukken vier t/m zeven later toegevoegd.

In haar boekje staan  alleen de  drie...
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 4
Bericht door: Passievrucht op 15-12-2015 22:07
3. “the avoding of dissimilarities”: Ik weet niet wat hier wordt bedoeld. Misschien kan iemand dit in de vertaling van Tonny Kurpershoek-Scherft nakijken en hier delen. Ik heb geen noot gevonden die dit toelicht.


'Avoding' ?


De vragen van Milinda is er in drie en in zeven hoofdstukken.
Volgens Tonny KS  en anderen, zijn alleen de eerste drie origineel
en zijn de hoofdstukken vier t/m zeven later toegevoegd.

In haar boekje staan  alleen de  drie...

Oke, bedankt, weer zo wat...

Ik heb Samyutta Nikaya 36.21, Sivaka, die hier in Milindapanha wordt aangehaald, nog eens er op nageslagen en dit vergeleken met bovenstaande Milindapanha tekst. Het rijtje oorzaken voor pijnlijke gevoelens (niet in dezelfde volgorde als in teksten):

Samyutta Nikaya 36.21                                           Milindanpanha (boek 4, h.1 §63)

ontregeling van wind                                                overvloed aan wind
ontregeling van slijm                                                overvloed aan slijm
ontregeling van gal                                                   overvloed aan gal
onbalans in de drie                                                   vereniging van deze drie
verandering van weer                                               variaties in temperatuur
aanslag/aanval                                                         externe werking/kracht/medium
karma                                                                      karma

Dit lijkt me identiek,
blijft over

achteloos gedrag                                                 vermijden/vermijding van ongelijkheden/onderscheid
(careless behaviour)                                                      (avoiding/avoidance of dissimilarities)

Ja, je kan 'vermijden of niet zien of niet erkennen van onderscheid misschien wel de basis van achteloos gedrag noemen? Misschien snijdt dit hout zo en als iemand meent dat het anders zit hoor ik het graag.
Dus mogelijk verwijst "avoidance of dissimilarities" naar 'achteloos gedrag'.

Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 5
Bericht door: Passievrucht op 16-12-2015 09:45
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, een vijfde selectie

Boek IV, hoofdstuk 4

De overheersende kracht van zich eenmaal uitwerkend kamma

§1. “Eerwaarde Nagasena, er is door de Gezegende gezegd: ‘dit is de leider van die van mijn leerlingen in de Sangha die de kracht van Iddhi1 bezitten, ik bedoel Moggallana’. Maar aan de andere kant zeggen ze dat zijn dood plaatsvond doordat hij doodgeslagen werd met knuppels, zodat zijn schedel barstte en zijn beenderen vermalen tot poeder, en al zijn vlees en zenuwen gekneusd en samen gebeukt waren. Welnu, Nagasena, als de oudere [monnik], de grote Moggallana, werkelijk suprematie had bereikt in de magische kracht van Iddhi, dan kan het niet waar zijn dat hij doodgeknuppeld werd. Maar als zijn dood zo geschiedde, dan moet de bewering dat hij de leider was van diegenen die Iddhi bezitten, wel onjuist zijn. Hoe kon hij die zelfs niet in staat was, met de kracht van zijn Iddhi, zijn eigen moord te voorkomen, niettemin het waard zijn om door te gaan als helper van de wereld van goden en mensen? Dit is ook een dilemma, nu aan jou voorgelegd en je moet het oplossen”.

§2. "De Gezegende verklaarde, O koning, dat Moggallana de leider was onder de leerlingen met de kracht van Iddhi. En hij werd toch doodgeknuppeld. Maar dat was omdat hij toen in bezit genomen werd door de nog grotere kracht van karma.”

§3. "Maar, eerwaarde Nagasena, zijn niet deze beide dingen bijkomstig [minder belangrijk] voor hem die de krachten van Iddhi heeft--dat is het bereik van zijn kracht en het gevolg van zijn karma--beide net zo onvoorstelbaar? En kan het onvoorstelbare niet bedwongen worden door het onvoorstelbare? Net zo, heer, als diegenen die de vruchten willen, een bos appel naar beneden zullen halen met een bos appel, of een mango met een mango, moet zo op dezelfde manier het onvoorstelbare niet beteugeld worden door het onvoorstelbare?”

“Zelfs onder dingen die voorbij het bereik van het voorstellingsvermogen gaan, grote koning, overtreft toch het ene het andere, is één meer krachtig dan de ander. Net zo, O koning, als de vorsten in de wereld van dezelfde categorie zijn, maar onder hen, zo van dezelfde categorie, kan eentje de rest overwinnen en hen onder zijn gezag brengen--net zo is onder de dingen voorbij het begrip van het voorstellingsvermogen, het voortbrengende gevolg van karma veruit het meest krachtig. Het is precies het gevolg van karma dat de rest overwint, en hen onder diens heerschappij heeft; en geen andere invloed is van enig nut voor de mens in wie karma diens onvermijdelijke afloop uitwerkt. Het is, O koning, zoals wanneer een man een overtreding van de wet heeft begaan. Noch zijn moeder noch zijn vader, noch zijn zusters noch zijn broers, noch zijn vrienden noch zijn intieme partners kunnen hem dan beschermen. Hij staat hierin onder het gezag van de koning die zijn bevel zal uitvaardigen ten aanzien van hem. En waarom is dat zo? Vanwege het verkeerde wat hij gedaan heeft. Zo is het precies het gevolg van kamma dat alle andere invloeden overwint, en ze onder diens heerschappij heeft, en geen andere invloed kan de mens van nut zijn in wie karma diens onvermijdelijke afloop uitwerkt. Het is zoals wanneer een bosbrand is ontstaan op de aarde, dan zijn zelfs niet een duizend emmers water van nut om het te blussen, maar de vuurzee overmeesterd alles, en brengt het onder diens controle. En waarom is dat zo? Vanwege de hevigheid van diens hitte. Zo is het precies het gevolg van karma dat alle andere invloeden overwint, en ze onder diens heerschappij heeft; en geen andere invloed kan de mens van nut zijn in wie karma diens onvermijdelijke afloop uitwerkt. Dat is, grote koning, waarom de eerwaarde, de grote Moggallana, toen hij op het moment dat hij in bezit genomen werd door karma, doodgeknuppeld werd, toch niet in staat was gebruik te maken van diens Iddhi krachten”.
“Uitstekend, Nagasena! Dat is zo, en ik accepteer het zoals jij het zegt”.

Persoonlijke noot

1. Iddhi: "Nu, monniken, geniet de monnik verscheidene magische krachten (iddhi vidha), zoals dat hij één iemand is geweest, hij velen wordt, en nadat hij velen is geweest, wordt hij weer één iemand. Hij verschijnt en verdwijnt. Zonder gehinderd te worden gaat hij door muren en bergen, net zoals hij door de lucht gaat. Hij duikt in de aarde en komt daar weer uit tevoorschijn, net zoals in het water. Hij loopt over water zonder te zinken, net zoals hij over aarde loopt. Met zijn benen gekruist zweeft hij door de lucht, net zoals een vogel op zijn vleugels. Met zijn hand raakt hij de zon en de maan aan, deze zo machtige, zo krachtige. Tot zelfs de Brahma-wereld is hij meester over zijn lichaam." http://www.sleuteltotinzicht.nl

"En geen andere invloed kan de mens van nut zijn in wie karma diens onvermijdelijke afloop uitwerkt", dit betekent niet dat er een onvermijdelijke afloop is wat kamma betreft. Verzameld kamma kan gezuiverd of geneutraliseerd worden. Het is geen noodlot. Maar als kamma zich eenmaal uitwerkt, als die uitwerking eenmaal op gang komt, dan overheerst die uitwerking, op dat moment, kennelijk, andere invloeden.

Over de uitwerking van kamma zie ook: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17430.html#msg17430

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, deel 6
Bericht door: Passievrucht op 17-12-2015 10:47
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, een zesde selectie

Boek IV, hoofdstuk 7

Over manieren van voortbrengen, Kamma-geboren bewuste wezens

§18. “Eerwaarde Nagasena, wat zijn zij waarvan, in deze context, wordt gezegd,  “karma-geboren” en “oorzaak-geboren”, en “seizoen-geboren" te worden?” En wat is het dat niets van al deze is?”
“Alle wezens, O koning, die bewust zijn, worden karma-geboren (komen in bestaan als gevolg van karma). Vuur en alle dingen die uit zaden groeien, worden oorzaak-geboren (het gevolg van een vooraf-bestaande materiele oorzaak). De Aarde, en de heuvels, water en wind--al deze worden seizoen-geboren (voor hun bestaan afhankelijk van redenen verbonden met het weer). Ruimte en Nirvana bestaan gelijkelijk onafhankelijk van karma, en oorzaak en seizoenen. Van Nirvana, O koning, kan niet gezegd worden dat het karma-geboren wordt of oorzaak-geboren of seizoen geboren; dat het is geweest, of niet is geweest, of voortgebracht1 kan worden, dat het verleden of toekomst of heden is, dat het waarneembaar is door het oog of de neus of het oor of de tong of door het tactiele zintuig. Maar het is waarneembaar, O koning, door de geest. Door middel van zijn zuivere hart, verfijnd en puur/(op)recht2, vrij van de belemmeringen, vrij van lage begeerten, die leerling die volledig gerealiseerd is, kan Nirvana zien.
“Eerwaarde Nagasena, deze fijne puzzel is goed onderzocht, vrij gemaakt van twijfel, tot zekerheid gebracht. Aan mijn verwarring is een einde gemaakt zodra ik u consulteerde, O beste van de beste leiders van scholen!”

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “produced”
2. “straight”

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Milindapanha, slot
Bericht door: Passievrucht op 18-12-2015 11:10
[bron: The Questions of King Milinda, translated from the Pali by T.W. Rhys Davids, Part I, 1890, fragmenten door mij vertaald, suggesties voor verbeteringen welkom]

Milindapanha, slot

Boek IV, hoofdstuk 8, Dilemma van voortijdige dood

Dood door de werking van karma is dood op het gepaste moment (geen voortijdige dood)

§39. “Eerwaarde Nagasena, wanneer wezens sterven, sterven ze dan allemaal in de volheid/compleetheid van tijd, of sterven sommige buiten het gepaste moment1?”
“Er is zoiets, O koning, als de dood op het gepaste moment, en zoiets als voortijdige dood”.
“Wie zijn zij dan wiens overlijden op het gepaste moment is, en wie zijn zij wiens overlijden voortijdig is?”
“Hebt u ooit opgemerkt, O koning, dat in het geval van mango bomen of Gambu bomen of andere vrucht dragende bomen, hun vruchten zowel vallen als ze rijp zijn en wanneer ze niet rijp zijn?”
“Ja, dat heb ik”
“Wel, die gevallen vruchten, vallen die allen op het gepaste moment, of vallen sommige voortijdig?”
“Zulke vruchten, Nagasena, die rijp en volgroeid zijn wanneer ze vallen, vallen in de compleetheid van tijd. Maar van de rest vallen sommige omdat ze doorboord worden door wormen, sommige omdat ze neergehaald worden door een lange stok, sommige omdat ze door de wind er af geblazen worden, sommige omdat ze rot geworden zijn--en al deze vallen niet op het gepaste moment.
“Net zo, O koning, die mensen die sterven als gevolg van ouderdom, sterven in compleetheid/volheid van tijd . Maar van de rest sterven sommige door het vreselijke gevolg van het karma (van slechte daden), sommige door buitensporig rondtrekken2, sommige door overdadige activiteit’.

§40. “Eerwaarde Nagasena, diegene die door karma sterven, of door reizen of door activiteit, of door ouderdom, ze sterven allemaal in de compleetheid van tijd: en zelfs hij die in de baarmoeder sterft, dat is diens bestemde tijd3, zodat ook hij in de compleetheid van tijd sterft; en zo ook bij hem die op het kraambed sterft, of wanneer hij een maand oud is, of op welke leeftijd dan ook tot honderd jaar. Het is altijd diens bestemde moment, en het is in de compleetheid van tijd dat hij sterft. Dus, Nagasena, er is niet zoiets als de dood buiten het gepaste moment. Want allen die sterven, sterven op het bestemde moment”.

“Er zijn zeven soorten personen, O koning, die, terwijl er nog altijd een stuk van hun bestemde leeftijd over is, sterven buiten de tijd. En welke zijn de zeven? De verhongerende mens, O koning, die geen voedsel kan krijgen, wiens ingewanden worden verteerd--en de dorstige mens die geen water kan krijgen, wiens hart opgedroogd is--en de mens door een slang gebeten, die, terwijl hij verteerd wordt door de heftige energie van het vergif, geen genezing kan vinden-- en hij die vergif ingenomen heeft en terwijl al zijn ledematen branden, niet in staat is om medicijnen te verwerven--en iemand die in het vuur gevallen is, die wanneer hij in brand staat, geen middelen kan vinden om het vuur te doven--en hij die in het water gevallen is en geen vaste grond kan vinden om op te staan--en de mens verwond door een pijl die met zijn kwaal geen chirurg kan vinden--al deze zeven, terwijl er nog altijd een portie van hun bestemde tijd loopt, sterven buiten het passende moment. En hierin (in alle zeven gevallen) verklaar ik dat ze allemaal van één natuur zijn164-1. De dood van stervelingen, O koning, vindt plaats op acht manieren--door overvloed van het wind humeur, of van het gal humeur, of van het slijm humeur, door de kwalijke vereniging van deze drie, door variaties in temperatuur, door ongelijkheid in bescherming, door (medische) behandeling, en door de werking van karma164-2. En van deze, O koning, is het alleen dood door de werking van karma, de dood op het passende moment, de rest zijn gevallen van de dood buiten het passende moment. Want er wordt gezegd:

“Door honger, dorst, door vergif, en door beten,
Verbrand, verdronken, of vermoord, mensen sterven buiten de [gepaste] tijd;
Door de drie humeuren, en door de drie gecombineerd,
Door hitte, door ongelijkheden, door hulpmiddelen,
Door al deze zeven sterven mensen buiten de [gepaste] tijd164-3

§41. Maar er zijn sommige mensen, O koning, die sterven door de werking van één of andere slechte daad die ze verricht hebben in een vorige geboorte. En van deze, O koning, zal wie dan ook anderen heeft laten verhongeren, na zelf gedurende vele honderden duizenden jaren gekweld te zijn door honger, uitgehongerd, uitgeput, uitgemergeld en weggekwijnd met het hart, opgedroogd, weggekwijnd, verhit, en van binnen helemaal in brand, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, ook van honger sterven. En die dood zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook anderen heeft laten sterven door uitdroging, zal, na gedurende vele honderden duizenden jaren een Peta te zijn geworden die verteerd wordt door dorst, dun en ellendig, zelf ook, ofwel als jeugdige of als volwassene of oudere, sterven van de dorst. En die dood zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook andere doodt door ze te laten bijten door slangen, zal, na vele honderden duizenden jaren rondgedoold te hebben van bestaansvorm tot bestaansvorm, waarin hij voortdurend wordt gebeten door boa constrictors en zwarte slangen, zelf ook, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, sterven door een slangenbeet. En dat zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook anderen heeft laten sterven door vergif, zal, na voor vele honderden duizenden jaar bestaan te hebben met brandende ledematen en gebroken lichaam, en de geur van een lijk inhalerend, zelf ook, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, sterven aan vergif. En dat zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook anderen gedood heeft door vuur, hij die van hellerijk165-2 tot hellerijk heeft rondgedoold, van de ene massa van brandende kolen naar de anderen, met brandende en gemartelde ledematen, gedurende vele honderden duizenden jaren, zal zelf ook, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, door verbranding sterven. En dat zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook anderen verdronken heeft, zal, nadat hij vele honderden duizenden jaren geleden heeft als invalide wezen, geruïneerd, gebroken, zwak van ledematen, en gespannen in de geest/hart, zelf ook, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, sterven door verdrinking. En dat zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment.
Wie dan ook anderen gedood heeft door het zwaard, zal, na vele honderden duizenden jaren geleden te hebben onder sneden en wonden en klappen en kneuzingen, of (indien geboren als mens) steeds vernietigd door wapens, zelf ook, ofwel als jeugdige of volwassene of oudere, sterven door het zwaard. En dat zal voor hem een dood zijn op het bestemde moment”.

§42. “Eerwaarde Nagasena, de dood buiten de gepaste tijd waarover je ook spreekt--kom, vertel me de reden daarvan”.
“Zoals een groot en machtig vuur, O koning, waarop droog gras en stokken en takken en bladeren zijn opgehoopt, niettemin, wanneer diens voedsel is verbruikt, zal uitsterven door de uitputting van de brandstof. Toch wordt van zo’n soort vuur gezegd dat het gedoofd is in de compleetheid van tijd, zonder dat er een calamiteit of ongeluk (met het is gebeurd). Net zo, O koning, geldt dat van de mens, wanneer hij vele duizenden dagen heeft geleefd, wanneer hij oud is en de jaren zich tonen, uiteindelijk sterft van ouderdom, zonder dat een calamiteit of ongeluk met hem gebeurd is, wordt gezegd dat hij de dood bereikt heeft in de volheid/compleetheid van tijd. Maar als er een groot en machtig vuur zou zijn, O koning, waarop droog gras en stokken en takken en bladeren was opgehoopt, en daarna zou een machtige regenwolk zijn regen er op loslaten, en het zou zo uitgaan zelfs voordat de brandstof was verbruikt, kan dan gezegd worden, O koning, dat dat grote vuur uitgegaan is in de volheid van tijd?”.
“Nee, heer, dat kan niet.”
“Maar waarin zou het tweede vuur, in diens natuur, verschillen van de eerste?”
“De tweede, heer, dat leed onder de aanval van de regen--dat vuur zou voor diens tijd uitgegaan zijn.”
“Net zo, O koning, wie dan ook voor zijn tijd sterft doet dat als gevolg van het lijden onder de aanval van één of andere aandoening4, --van overvloed aan wind humeur, of van gal humeur, of van slijm humeur, of van de vereniging van de drie, of van variaties in temperatuur, of van ongelijkheid in bescherming, of van behandeling, of van honger, of van dorst, of van vuur, of van water, of van het zwaard. Dit, O koning, is de reden waarom er zoiets bestaat als sterven voor iemands tijd”.

[knip andere voorbeelden van §43 t/m 49 die elk op hun eigen manier illustreren dat er zoiets bestaat als sterven buiten de gepaste tijd]

§50. “Zeer wonderbaarlijk, Nagasena zeer vreemd! Heel goed heb je, door redenering en met voorbeelden, uitgelegd hoe het is dat mensen voor hun tijd sterven. Dat er zoiets bestaat als voortijdige dood heb je helder gemaakt en eenvoudig en duidelijk. Een onnadenkend mens, en Nagasena, zelfs een verwarde kerel, zou door één van je vergelijkingen tot de conclusie kunnen komen dat voortijdige dood zich voordoet;- om maar niet te spreken over een competent mens! Heer, ik was bij de eerste van uw voorbeelden al overtuigd dat zo'n dood zich voordoet, maar toch, vanuit de wens om steeds meer oplossingen te horen, wilde ik niet toegeven”.

<hier eindigt het dilemma van voortijdige dood>

Noten van de Engelse vertaling (nummering afkomstig van een word-versie)

164:1 Hînati-kumburê werd kennelijk anders gelezen (misschien ekamse na vadâmi).
Want hij vertaalt, blz. 444, 'In deze dood zeg ik niet dat er één oorzaak is’
164:2 Zoals boven was opgemerkt op blz. 112 (van de Pali), zijn sommige van deze medische termen erg onzeker, en de Singhalese [versie] biedt geen hulp.
164:3 Niet gevonden in de Pitakas.
165:2 Yama-visaya, 'verblijf van de god van de dood.' (Het Engels vertaalt “purgatory”, vagevuur. De hellen zijn een plaats van loutering (het negatieve karma wordt verbruikt) en verblijf is niet eeuwig, Siebe).

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “..in fullness of time, or do some die out of due season?”...oftewel, is er zoiets als voortijdige dood of sterven wezens eigenlijk altijd op het ‘juiste/gepaste/bestemde’ moment. Dat laatste is de positie van koning Milinda. Nagasena, de arahant, geeft aan dat er wel zoiets bestaat als voortijdige dood.
2. “excessive journeying”
3. “appointed time”, toegewezen, aangewezen, vastgestelde tijd
4. “disease”

Er wordt dus hier binnen boeddhisme wel zoiets als ‘voortijdige dood’ onderscheiden. Maar als een wezen sterft door de werking van karma, dan is dat géén voortijdige dood.

Dit besluit de selectie van fragmenten over karma in Milindapanha, het laatste en achttiende werk van Khuddaka Nikaya, Birmese editie van de Tipitaka.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Buddhavamsa
Bericht door: Passievrucht op 24-12-2015 12:29
[bron: The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III, Chronicles of Boeddha’s (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyapitaka, translated by I.B Horner, PTS, Oxford, 2000; fragmenten door mij vertaald]

Buddhavamsa

De Buddhavamsa is het veertiende deel van Khuddaka Nikaya. In dit deel vertelt de Boeddha hoe zijn besluit tot stand kwam om een Boeddha te worden. Bovendien geeft hij de geschiedenis weer van de 24 Boeddha's die hem zijn voorgegaan. Daarbij kun je onder andere denken aan een korte beschrijving van de omwentelingen van het wiel van Dhamma, het aantal gemeenschappen, kort iets over de familie, hoe lang die Boeddha huishouder was, hoe die Boeddha het thuisloze leven in ging, wie de belangrijkste leerlingen waren, de levensduur destijds, waar die Boeddha stierf, etc. Bij de beschrijving van al die 24 Boeddha’s wordt ook aangegeven wie de latere Boeddha Gotama destijds was. Vaak een brahmaan en edele-krijger, wat keren een strenge asceet met geklit haar, een paar keer een naga koning, een enkele keer een dier, namelijk een leeuw, en een enkele keer Sakka, een yakkha en heer van de vier continenten. Al de Boeddha’s voorspellen het Boeddhaschap van deze brahmaan, edele krijger etc., de latere Boeddha Gotama.

De eerste Boeddha die hier ter sprake komt is Boeddha Dipankara. In zijn tijd was de latere Boeddha Gotama een zeer strenge asceet met geklit haar genaamd Sumedha.
Deze asceet Sumedha raakte erg geinspireerd toen hij het woord “Boeddha” hoorde. Hij vernam dat deze Boeddha Dipankara binnenkort zou arriveren. Mensen waren al druk bezig de weg vrij en schoon te maken voor hem. Hieronder heb ik de paragrafen vertaald waarin de bodhicitta wordt beschreven van Sumedha en waarin hij Boeddha Dipankara ontmoet die het Boeddhaschap van Sumedha voorspelt, of in de woorden van de tekst: “...mijn kamma bekend makend”. 

Hoofdstuk IIA, Relaas van Sumedha

(...)
§42. Toen ik “Boeddha” hoorde kwam meteen enthousiasme in me op. “Boeddha, Boeddha” zeggend, drukte ik mijn geluk uit.
§43 Daar uitgelaten staand, met opgewonden geest, redeneerde ik, “Hier zal ik zaden [van verdienste] zaaien; inderdaad, laat het moment niet voorbijgaan!
§44. Als jullie voor een Boeddha schoonmaken, geef mij dan [ook] een stuk [van de weg]. Ik zal zelf ook de directe weg, het pad en de route schoonmaken”.
§45. Ze gaven me toen een stukje van de directe weg om schoon te maken. Denkend “Boeddha, Boeddha”, maakte ik toen de weg vrij/schoon.
§46. Voordat mijn stuk gereed was, betrad de grote wijze Dipankara, de Overwinnaar, de directe weg, samen met vier honderdduizend standvastigen die de zes soort super kennis hadden, wiens bezoedelingen waren vernietigd, smetteloos.
§47 Er waren velen die, op drums slaand, voorwaarts gingen om hem te ontmoeten. Mensen en godheden, zich verheugend, applaudisseerden.
§48 Deva’s zagen de mensen en mensen zagen devata’s, en beide, hun handen gevouwen, volgden de Tathagata.
§49. De deva’s met deva-achtige muziek instrumenten, de mensen met door de mens gemaakte [instrumenten], beide ze bespelend, volgden de Tathagata.
§50 Godheden in de zenit van de hemel strooiden in alle richtingen deva-achtige mandarava bloemen naar beneden, lotussen, bloemen van de koraalboom.
§51 De mensen op het oppervlak van de aarde gooiden in alle richtingen bloemen van campaka, salala, nipa, naga, punnaga en ketaka omhoog.
§52 Mijn haar losmakend, mijn schors-kleding en een stuk huid daar uitspreidend in de modder, ging ik languit liggen met het gezicht naar beneden.
§53 “Laat de Boeddha over mij heen lopen met zijn leerlingen. Laat hem niet de modder betreden- het zal voor mijn welzijn zijn”.
§54 Terwijl ik zo op de aarde lag, ging dit om in mijn geest: Als ik zou wensen zou ik mijn bezoedelingen vandaag kunnen opbranden.
§55 Wat is het nut terwijl ik hier onbekend [blijf] met het realiseren van Dhamma? Na alwetendheid bereikt te hebben, zal ik een Boeddha worden in de wereld met de deva’s.
§56 Wat is het nut dat alleen ik oversteek, een man zijnde bewust van mijn kracht? Na alwetendheid bereikt te hebben, zal ik veroorzaken dat de wereld samen met de deva’s oversteekt*.
§57 Door deze daad van verdienste van mij jegens de superieure onder mensen zal ik alwetendheid bereiken, ik zal veroorzaken dat vele mensen oversteken.
§58 De stroom van samsara doorsnijdend, de drie wordingen1 verpletterend, inschepend op het schip van Dhamma2, zal ik veroorzaken dat de wereld met de deva’s oversteekt.
§59 Menselijk bestaan, het realiseren van de (mannelijke) sexe4, oorzaak, een Leraar zien, vertrekken5, het verwezenlijken van de speciale kwaliteiten, een daad van verdienste, en wilskracht- door het combineren van deze acht dingen slaagt het voornemen.
§60 Dipankara, kenner van de wereld(en), ontvanger van offerandes, dichtbij mijn hoofd staande, sprak deze woorden:



§61 Zie je deze erg strenge asceet, een asceet met geklit haar? Ontelbare eons vanaf nu zal hij een Boeddha in de wereld zijn.
§62 Na vertrokken te zijn van de heerlijke stad Kapila, zal de Tathagata zich inspannen voor het streven en strenge oefeningen uitvoeren.
§63 Na het zitten aan de wortel van de Ajapa boom en het accepteren daar van melk-rijst, zal de Tathagata naar de Neranjara gaan.
§64 Wanneer hij de melk-rijst op de bank van Neranjara heeft genuttigd, zal die Overwinnaar naar de wortel van de Boom van Ontwaken gaan door de glorieuze weg voorbereid.
§65 Daarna, na een rondgang om het podium van de Boom van Ontwaken te hebben gemaakt, zal de ongeëvenaarde van grote faam ontwaken aan de wortel van een Assattha boom.
§66 Diens verwekker en moeder6 zal Maya worden genoemd, zijn vader Suddhodana; hij zal Gotama worden genoemd.
(...)
§76 Dipankara, kenner van de wereld(en), ontvanger van offerandes, mijn kamma bekend makend, lifte zijn rechter voet op.”
§77 Alle zonen van de Overwinnaar die daar waren gingen om me heen, hun rechterkant naar mij gericht houdend; deva’s, mensheid en demonen vertrokken (toen), op respectvolle wijze groetend.
§78 Toen de leider van de wereld met de Sangha buiten mijn gezichtsveld waren, uit mijn prosternatie houding komend, ging ik met mijn benen kruislings zitten.
§79 Ik was gelukkig van geluk, vreugdevol van vreugde en overspoeld met enthousiasme toen ik daar met mijn benen gekruist zat.
(...)

Later in deze tekst onderzoekt Sumedha de dingen die een Boeddha maken, zaken die volgroeien in Ontwaken. Hij ziet dat dit de tien paramita’s of perfecties zijn, van: 1. Geven of vrijgevigheid. 2. Moraliteit of Ethisch Gedrag, 3 Verzaking, 4. Wijsheid of Begrip, 5. Energie, 6. Geduld of Verdraagzaamheid, 7. Waarheid(-spreken), 8. Resolute Vastberadenheid, 9. Liefdevolle Vriendelijkheid, 10. Gelijkmoedigheid of Evenwichtigheid. De Bodhisattva beoefende dit doorlopend in al zijn levens en vestigde zich er stevig in.

Noten bij de Engelse tekst

1. De zintuiglijke, fijn-stoffelijke en onstoffeljke sferen waar bezoedelingen door kamma zijn, BvAC. 91
2. Dit is het edele achtvoudige Pad voor het oversteken van de vier vloeden, BvAC. 91. Vergelijk de drie kwaliteiten van een schip die aangenomen moeten worden, Miln.376f.
4. “Het is onmogelijk dat een vrouw....een Volledig Zelf-Ontwaakte kan zijn”, M.iii.65, A.i.28. “Bodhisattva’s die de aspiratie hebben gemaakt...gaan niet naar de vrouwelijke status”, itthibhavam na gacchanti, CpA. 330.
5. Alleen Bodhisattva’s die vertrokken in thuisloosheid, bereiken Zelf-Ontwaken, huishouders kunnen dat niet doen, BvAC 92. Dit vers wordt vaak geciteerd.
6. De woorden janika mata worden gebruikt om Maya, de moeder die hem baarde, te onderscheiden van Mahapajapati, zijn tante die hem opvoedde en optrad als zijn tweede moeder.

Persoonlijke noot (door mij toegevoegd)

* Je kunt wel zeggen, lijkt me, dat Sumedha, de strenge asceet met geklit haar, hier een wens of motivatie tot uitdrukking brengtt waarvan meestal wordt gezegd dat deze het Mahayana kenmerkt. Theravada zou alleen gaan over individuele of persoonlijke bevrijding met ook die bijbehorende motivatie. Maar hier zie je toch duidelijk, vind ik, dat ‘de eerste’ voornemens van de latere Boeddha, diens prille bodhicitta, in de persoon van Sumedha, ruim was, kennelijk niet alleen gericht op persoonlijke bevrijding maar juist op het bevrijding van de gehele wereld en deva’s.

Ps. Hoewel het slechts raakt aan het onderwerp kamma- "mijn kamma bekend makend"-vond ik het leuk deze fragmenten hier te posten.

hartelijke groet,
Siebe

Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Cariya Pitaka
Bericht door: Passievrucht op 26-12-2015 12:52
[Bron: "Basket of conduct", in Minor Anthologies III, tweede editie, vertaald door I. B. Horner, 1975, Pali Text Society, Bristol]

Cariya Pitaka, Inleiding

In het Theravada boeddhisme worden tien paramita’s of perfecties onderscheiden. Tien kwaliteiten of deugden die naar Boeddhaschap leiden: 1. Perfectie van Geven of Vrijgevigheid (dana paramita), 2. van Moraliteit of Ethisch Gedrag (sila paramita), 3. van Verzaking (nekkhamma paramita), 4. van Begrip/Wijsheid (panna paramita), 5. Van Energie (virya paramita), 6. Van Geduld of Volharding (khanti paramita), 7. Van Waarheid of Waarachtigheid (sacca paramita), 8. Van Vastberadenheid (adhitthana paramita) 9. Van Liefdevolle vriendelijkheid (metta paramita) en 10. Gelijkmoedigheid of Evenwichtigheid (upekkha paramita).

Er wordt gezegd dat de Boeddha als Bodhisattva in eindeloos veel geboorten, door talloze tijdperken heen, de 10 perfectheden vele malen ten uitvoer heeft gebracht en heeft vervolmaakt. De Cariya Pitaka doet hiervan verslag via 35 korte verhalen.
Het doet verslag van het perfectioneren van 7 paramita’s, te weten, die van Geven (10 verhalen), Moraliteit (10 verhalen), Verzaking (5 verhalen), Resolute Vastberadenheid (1 verhaal), Waarheid (6 verhalen), Liefdevolle Vriendelijkheid (2 verhalen) en Gelijkmoedigheid (1 verhaal). Van de andere drie paramita’s, Wijsheid, Energie en Geduld wordt niet in aparte hoofdstukken verslag gedaan, maar ze worden wel genoemd in de slotverzen. Ze worden ook genoemd in de Buddhavamsa. De slotverzen van de Cariya Pitaka heb ik hieronder compleet vertaald.

De verhalen schijnen verteld te zijn door de Boeddha op verzoek van Sariputta en beslaan bestaansvormen in dit wereldtijdperk [bron: http://www.sleuteltotinzicht.nl/ca0-00.htm].
Ik ben in de Cariya Pitaka ook verslagen tegengekomen van dierlijke geboorten, namelijk als haas, olifant, buffel, hert, aap, jonge kwartel en vis.

Cariya Pitaka, Een Indruk van Enkele Verhalen

Om een indruk te geven van de soort verhalen heb ik hier beneden vier in eigen woorden samengevat.

In het eerste hoofdstuk over de perfectie van Geven (HI.8} staat een verhaal waarin de Boeddha in een vorig leven een krijger-edele genaamd Sivi was. Kennelijk een (soort) koning. Hij had naar eigen zeggen zo’n beetje alles gegeven aan mensen wat gegeven kan worden. “Zelfs als iemand me om een oog zou vragen, zou ik die, onbewogen, geven”,  zo zegt hij. Sakka, heer van de deva’s, vangt dit op, en verschijnt aan de koning als een bevende, ziekelijke, blinde oude man. En zeker, hij geeft beide ogen aan de man, zonder enige spoor van spijt. Alwetendheid was hem meer lief dan zijn eigen ogen.

Een ander verhaal in het hoofdstuk over Geven (H.I.10) beschrijft een geboorte als haas. Deze wijze haas gaf andere dieren les over welke daden goed zijn en welke slecht zijn en alleen het goede te doen. De haas wilde een grote gift geven maar hij had weinig. Hij besloot dat als iemand voor voedsel in zijn buurt zou komen, hij zichzelf zou geven, als ultiem offer aan een hongerige. Sakka, koning van de deva’s, ving deze intentie op en stelde hem op de proef. Hij verscheen aan de haas als een brahmaan. De haas zag dat hij een geschikte ontvanger was. De brahmaan maakte een groot vuur en de haas sprong er midden in. Het brandende vuur was voor de haas als heerlijk verkoelend water voor iemand die het heet heeft. De haas gaf zijn gehele lichaam. De deugd van geven was hem zelfs meer lief dan zijn eigen leven.

Hoofdstuk III.6 doet verslag van de Perfectie van Resolute Vastberadenheid. In het verleden was de latere Boeddha de enige koningszoon genaamd Mugapakkha. Geen van de zestien duizend vrouwen van de koning had geboorte gegeven aan een jongetje. Om nog maar eens aan te geven hoe speciaal dit jongetje werd behandeld als potentiele troonopvolger. Maar dit kind zag dat het leven met de macht van een koning, ook ruw is en nadelig voor het bereiken van bevrijding. Het heeft ook een schaduwkant. Hoe kon hem deze ellende bespaard blijven? Een devata adviseerde hem geen enkele intelligentie te tonen, wees als een dwaas voor alle wezens, laat alle mensen je minachten. Hij volgde dit advies zestien jaar op. Doktoren etc. onderzochten hem wel maar ze vonden ook geen gebreken. Ze wisten niet wat er met hem aan de hand was en ze wisten geen raad met hem. Ze gaven hem dan maar de naam ‘de onheilspellende/ongeluk-brenger’. De generaal en priesters en alle andere wezens besloten toen dat ze van hem af moesten, deze onheilbrenger. Mugapakkha was zeer verheugd over dit besluit van deze mensen. Zelfs toen voor hem een kuil werd gegraven, zag hij niet af van zijn resolute vastberadenheid om in het leven door te gaan voor een soort idioot, om maar niet het negatieve karma te verzamelen dat komt met de heerschappij van een koning. Moeder en vader vond hij niet naar, noch had hij een hekel aan zichzelf. Maar Alwetendheid was hem lief en daar was hij op gericht.

Hoofdstuk III.15 behandelt de Perfectie van Gelijkmoedigheid. Het beschrijft een vorige geboorte waarin de Bodhisattva op een begraafplaats leefde en leunde tegen een skelet. Kinderen spotten met hem en anderen betuigden hem juist eerbied en brachten voedsel, bloemenkransen, parfums mee. Hij was dezelfde tegen hen die hem leed bezorgden of geluk. Vriendelijkheid1 en woede bestonden niet. De Bodhisattva was in balans ten aanzien van lijden en geluk, verering en terechtwijzingen. Hij was dezelfde in alle omstandigheden. Dit was de perfectie van Gelijkmoedigheid.

Dit enkel om een indruk te geven van de soort verhalen.

Na de 35 verhalen zijn er slotverzen. Deze heb ik hieronder volledig vertaald:

1(7)”Na aldus menig lijden en geluk ervaren te hebben in uiteenlopende bestaansvormen, realiseerde ik superieur Zelf-Ontwaken.
2(8} Na giften gegeven te hebben die behoren te worden gegeven, na moraliteit in diens totaliteit voltooid te hebben, na verzaking te hebben geperfectioneerd, realiseerde is superieur Zelf-Ontwaken.
3(9) Na de geleerden bevraagd te hebben5, na me ingelaten te hebben met superieure energie, na naar de perfectie van geduld te zijn gegaan, realiseerde ik superieur Zelf-Ontwaken.
4(10). Na resolute vastberadenheid ferm gemaakt te hebben, waarheid-spreken bewakend, na naar de perfectie van liefdevolle vriendelijkheid te zijn gegaan, realiseerde ik superieur Zelf-Ontwaken.
5(11) Jegens winst en niet-winst, jegens eer en terechtwijzing, jegens respect en disrespect- na hetzelfde te zijn geweest in alle omstandigheden2, realiseerde is superieur Zelf-Ontwaken.
6(12) Na luiheid te hebben gezien als een gevaar en uitvoer van energie als vrede, wees opwekkers van energie3- dit is het onderricht van de Boeddha’s.
7(13) Na conflict4 te hebben gezien als een gevaar en niet-conflict als vrede, wees verenigd, warmhartig- dit is het onderricht van de Boeddhas.
8(14) Na nalatigheid als een gevaar te hebben gezien en toewijding als vrede, ontwikkel het acht-voudige Pad- dit is het onderricht van de Boeddha’s.

De Heer, op deze manier zijn eigen eerdere gedrag illustrerend, sprak de verhandeling over Dhamma genaamd Heroïsche Verhalen van de Boeddha”.

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)


1. In de tekst staat “kindliness”, wordt vertaald als welwillendheid, vriendelijkheid, goedheid.
2. dit verwijst naar de perfectie van gelijkmoedigheid
3. “be putters forth of energy”
4. “contention”, ik denk hier in de betekenis van; conflict, strijd, twist, rivaliteit, competitie.

Noten bij de Engelse vertaling

5. Dit geeft de perfectie van Wijsheid aan, CpA. 274. Geen van de drie perfecties van dit vers heeft een overeenkomende cariya in Cariya Pitaka.

Cariya Pitaka en Kamma

Je kunt alle verhalen over vorige levens in deze Cariya Pitaka, maar ook in andere delen van de Tipitaka, mijns inziens niet los zien van het onderwerp kamma. De verhalen willen denk ik illustreren hoe gedurende vele levens een uiterste verdienstelijke basis werd gelegd. Het streven om alle levende wezens naar de overkant te brengen, het verdienstelijk bezig zijn, het ontwikkelen, mediteren etc. is allemaal niet begonnen in het leven van de persoon die Gotama werd genoemd en de latere Boeddha werd. Vele levens daarvoor stonden al in het teken van afstand doen van al het kwaad, al het goede tot ontwikkeling te brengen en het hart te zuiveren. Praktisch gezien hier uitgewerkt in het perfectioneren van tien paramita’s.

Je zou ook kunnen zeggen dat de verhalen willen illustreren dat er over de vele levens heen continuïteit is, in de zin dat sporen/zaden/krachten van zulke verdienstelijke activiteit (en trouwens ook onverdienstelijke) op de een of andere manier niet verloren gaat.
Je zou immers kunnen denken dat alles toch eindigt met de dood (nihilisme) en dat het beoefenen van deugd of kwaliteiten zo ook weinig zin heeft, omdat het nooit de drempel van de dood passeert, maar dat lijkt niet op wat de teksten onthullen.

Technisch wordt het zo uitgelegd dat bewustzijn van moment tot moment ontstaat, even bestaat en weer verdwijnt. Een stroom van discrete momenten. Als kralen aan een ketting. Deze stroom gaat door totdat de voorwaarden daarvoor zijn verdwenen.
Het ontstaan van een volgend moment bewustzijn wordt geconditioneerd door de eigenschappen van een vorig moment. Misschien te vergelijken met een proces dat bij een nieuwe processtap ook weer oude opgeslagen informatie inlaadt of verzamelt. Het nieuwe moment is daardoor geconditioneerd door het oude. Zo blijft er een link tussen wat eerder gedaan is en een nieuw er op volgend moment.

hartelijke groet,
Siebe






 


Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Nettippakarana, deel 1
Bericht door: Passievrucht op 28-12-2015 10:35
[bron: Nettippakarana: The Guide (Netti-ppakaranam), according to Kaccana Thera, translated from the Pali by Bhikkhu Nanamoli, The Pali Text Society, London, 1977; fragmenten door mij vertaald, persoonlijke noten toegevoegd, suggesties voor verbeteringen welkom].

Nettippakarana, inleiding

Dit werk bevindt zich (ook) alleen in de Birmese editie van de Tipitaka en is later toegevoegd. Het is het zestiende werk van Khuddaka Nikaya. Voor meer algemene informatie: https://en.wikipedia.org/wiki/Nettipakarana. In het onderstaande heb ik een selectie gemaakt met fragmenten over kamma.

Nettippakarana, een eerste selectie

§ 238
<Geen enkel soort kwaad doen,
Het perfectioneren van profijtelijke vaardigheden,
En je eigen hart zuiveren:
Dit is de Boeddha’s Leer
1>
                                                                            (Pe 54, 91; Dh. 183; D. ii, 49)

Wat “geen enkel soort kwaad” wordt genoemd, is de drie soorten wangedrag, namelijk lichamelijk wangedrag, verbaal wangedrag en mentaal wangedrag. Dit zijn de tien onprofijtelijke [onvoordelige/onheilzame] loop der daden2, namelijk, ademende wezens doden, nemen wat niet gegeven is en wangedrag in sensuele verlangens; valse spraak, arglistige spraak, ruwe spraak en roddel; en hebzucht, kwade wil en verkeerde visie238/1.
§239. Dit zijn twee soorten actie3, namelijk keuze/beslissing en concomitant4 van bewustzijn239/1 (vgl. Pe 35-6).
§240. Hierbij, het doden van ademende dingen, arglistige spraak en ruwe taal worden vorm gegeven door haat5; nemen wat niet gegeven is, wangedrag in sensuele verlangens, en valse spraak worden vorm gegeven door hebzucht; en roddel wordt vorm gegeven door begoocheling. Deze zeven soorten daden zijn actie als keuze240/1.
§241. Hebzucht is hebberigheid als een wortel van het niet profijtelijke; kwade wil is haat als een wortel van het niet profijtelijke; verkeerde visie is het verkeerde pad. Deze drie soorten handeling zijn actie als concomitant van bewustzijn. Daarom werd er gezegd ‘actie als keuze en actie als concomitant van bewustzijn’ (zie §239).
§242. Wanneer een wortel van het niet profijtelijke tot [expressie] komt [door] de middelen [bestaande uit lichaam of spraak], komt het tot [expressie als] één [van de vier] slechte manieren, namelijk die door wil, haat, angst of begoocheling.
§243. Hierbij, wanneer het tot [expressie] komt [als] de slechte manier door wil, wordt het vorm gegeven door hebzucht; wanneer het tot [expressie] komt [als] de slechte weg door haat, wordt het vorm gegeven door haat; wanneer het tot [expressie] komt [als] de slechte manieren door angst en begoocheling, wordt het vorm gegeven door begoocheling.
§244. Hierbij, van hebzucht wordt afstand gedaan door middel van [het contempleren] over lelijkheid [of afzichtelijkheid], haat door middel van liefdevolle vriendelijkheid, en begoocheling door middel van begrip. Tevens, van hebzucht wordt afstand gedaan door middel van toeschouwende-gelijkmoedigheid, en haat door middel van liefdevolle vriendelijkheid en mededogen, en van begoocheling wordt afstand gedaan en verdwijnt door meelevende blijdschap/vreugde. Dat is waarom de Gezegende zei:

Geen enkel soort kwaad doen,
Het perfectioneren van profijtelijke vaardigheden,
En je eigen hart zuiveren:
Dit is de Boeddha’s Leer’.

§245.En wat wordt genoemd ‘elk soort kwaad’ is de acht onjuistheden6, namelijk onjuiste visie, onjuiste intentie, onjuiste spraak, onjuist handelen, onjuist levensonderhoud, onjuiste inspanning, onjuiste aandachtigheid, en onjuiste concentratie. Deze worden genoemd ‘elk soort kwaad’. Ieder niet-bewerkstelligen van, niet-doen, niet-beoefenen van deze acht onjuistheden wordt genoemd ‘geen enkel soort kwaad doen’.
§246. Wanneer van de acht onjuistheden afstand wordt gedaan, bereiken de acht juistheden uitmuntendheid (sampajjanti). Ieder bewerkstelligen van, voortbrengen van uitmuntendheid in (sampadana) de acht juistheden, wordt genoemd ‘het perfectioneren (upasampada) van profijtelijke vaardigheden’.
§247. “En je eigen hart zuiveren’, is het bewerkstelligen van, in bestaan houden van7 het <Eeuwenoude Pad8> (S. ii, 105)247/1, het is indachtigheid daarvan.
Wanneer het hart wordt gezuiverd, worden de categorieën gezuiverd. Dat is waarom de Gezegende zei <Bhikkhu’s, een heilig leven9 wordt onder de Volmaakte geleefd met het doel het hart te zuiveren>
§248. Het zuiveren bestaat uit twee soorten, namelijk het afstand doen van belemmeringen en het ontwortelen van onderliggende/latente neigingen. Er zijn ook twee niveaus/terreinen10 van zuiveren, namelijk het niveau van zien en het niveau van in-bestaan-houden.
§249. Hierbij, dat waarvan men bij het doorzien11 er van zuivert, is Lijden. Dat waar vanuit men zuivert is de Oorsprong12. Dat waardoor men zuivert is het Pad. En dat wat gezuiverd wordt, is Beeindiging13 (vgl. Pe 91). Dit zijn de vier Waarheden. Derhalve zei de Gezegende: 

Geen enkel soort kwaad doen,
Het perfectioneren van profijtelijke vaardigheden,
En je eigen hart zuiveren:
Dit is de Boeddha’s Leer’.

Noten behorend bij de Engelse vertaling

238/1: De eerste drie staan bekend als lichamelijke, de volgende vier als verbale, en de laatste drie als mentale niet profijtelijke activiteiten [daden/handelingen].
239/1: Deze tweevoudige verdeling schijnt typisch te zijn voor dit werk en de Pe (Petakopadesa, Siebe). Vanuit de volgende paragrafen [kan afgeleid worden dat], de eerste, klaarblijkelijk, staat voor lichamelijke en verbale activiteit samen en de tweede voor mentale.
240/1: De analyse van activiteit wordt hier gemakkelijker begrepen als het volgende onderscheid in gedachten wordt genomen. Een ‘loop der daad’ (kammapatha) is een volbrachte ‘historische daad’ beschouwd als iets wat voortgaat van de eerste planning er van tot en met de uitvoering er van, wiens ‘loop/koers’ lichaam en/of spraak met zich meebrengt. De ‘keuze/beslissing’ (cetana) is hier het kortstondige mentale ‘willen’ (of ‘bevestiging’) op ieder en alle stadia van de ‘loop/koers’. ‘Mentale activiteit’- ‘actie als concomitant van bewustzijn’, is hier eenvoudigweg hebzucht, kwade wil, en verkeerde visie, en hun respectievelijke profijtelijke tegendelen. Zie DhsA. 82ff.
(persoonlijk toevoeging: Dagpo Rinpoche beschrijft in zijn boek ‘Karma’ dat de drie schadelijke mentale activiteiten van hebzucht, kwade wil en verkeerde zienswijze zelf geen kamma zijn maar verstorende emoties, zie blz. 60).
247/1: Het ‘Eeuwenoude Pad’ verwijst niet naar een ander pad dan het ‘Edele Pad’ [knip tussendeel]. Het is hetzelfde pad dat alle Boeddha’s ontdekken.

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “Dispensation”
2. “courses of action”, de tien koersen of loop die daden/activiteit neemt. Het begint bijvoorbeeld bij een bepaalde wilsactiviteit, bijvoorbeeld intentie en mondt uit bijvoorbeeld in iets stelen. 
3. “two kinds of action”, twee soorten daden of handelingen
4. ”concomitant”, samengaand, begeleidend of tegelijkertijd voorkomend, gelijktijdig
5. Het lijkt me niet dat hier bedoeld wordt dat dit de enige mogelijkheid is. Ik heb bijvoorbeeld wel eens gelezen dat het doden van levende wezens ook vorm gegeven kan worden door hebzucht of bijvoorbeeld door begoocheling. Bij hebzucht zou je kunnen denken aan het pronken met de vacht of veren van dieren. Bij begoocheling aan het offeren van dieren om God(en) te behagen.
6. “wrongnesses”
7. “keeping in being”
8. “Ancient Path”
9. “divine life”
10. “planes”
11. “the penetration”,
12. “Origin”
13. “Cessation”

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Nettippakarana, deel 2
Bericht door: Passievrucht op 30-12-2015 10:39
[bron: Nettippakarana: The Guide (Netti-ppakaranam), according to Kaccana Thera, translated from the Pali by Bhikkhu Nanamoli, The Pali Text Society, London, 1977; fragmenten door mij vertaald, persoonlijke noten toegevoegd, puntjes in de tekst geven aan dat de tekst zich herhaalt als er voor; suggesties voor verbeteringen welkom].

Nettippakarana, een tweede selectie

§552 (...)

<Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven
Omdat het einde van leven de dood is.
Overeenkomstig hun daden gaan ze
verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]:
Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel;
Verdienste-makers gaan verder naar de hemel
> (Pe 9; S. I, 97);
<Anderen onderhouden/handhaven het pad in (het) bestaan
En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen
1> (vgl. Dh. 126)

§553. ‘Alle wezens’ edel en immoreel; diegene die belichaamt zijn (vgl. Ps. ii, 131) en diegenen voorbij belichaming553/1. ‘Zullen sterven’ door de twee soorten dood, namelijk door langzame dood en door niet-langzame dood. Niet-langzame dood is dat van diegenen die belichaamt zijn en langzame dood is dat van die voorbij belichaming553/2.
‘Omdat het einde van leven de dood is’: het volledig eindigen van leven, het volledige einde door de dood, [komt] met de uitputting van de levensduur, met het stoppen van de vermogens (vgl. M. i, 295). ‘Overeenkomstig hun daden gaan ze’ [betekent] eigenaarschap van actie/daad2. ‘Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]’ [betekent] de staat van het zien van de vruchten van daden en [het] niet-gescheiden zijn [van hen]. Diegenen die beslissingen van onverdienste3 hebben gemaakt, zijnde ‘kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’ terwijl ‘verdienste-makers [verder gaan] naar de hemel’: diegene die beslissingen van verdienste hebben gemaakt, zullen naar een goede bestemming gaan. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan en vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’ [betekent] het te boven gaan/overwinnen van alle beslissingen4. Dat is waarom de Gezegende zei, ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven Omdat het einde van leven de dood is. Overeenkomstig hun daden gaan ze, Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]: Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel, Verdienste-makers gaan verder naar de hemel. ’Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’.

§554. ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven Omdat het einde van leven de dood is. Overeenkomstig hun daden gaan ze, Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]: Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’ zijn de [twee extreme] manieren van luxe/weelde [hedonisme. Siebe] en van boetedoening [strenge ascese, Siebe]. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’ is de middenweg.

§555. ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven Omdat het einde van leven de dood is. Overeenkomstig hun daden gaan ze, Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]: Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’: dit is verderf. Dit is wat er voor zorgt dat cyclus [van geboorte en dood] zich voordoet.

§556.  ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven Omdat het einde van leven de dood is. Overeenkomstig hun daden gaan ze, Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]: Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’: er zijn deze drie ronden/cycli: de ronde van lijden, de ronde van actie, en de ronde van bezoedeling. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’, is het stoppen (het zich niet voordoen) van de drie ronden/cycli.

§557. ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven...Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’: is de teleurstelling. ‘De verdienste makers [gaan door] naar de hemel’, is de beloning. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’, is de ontsnapping (vgl. §32).

§558. ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven...Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’ is oorzaak en vrucht. De vijf categorieën zijn de vrucht en het begeren de oorzaak. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’ is het pad en diens vrucht.

§559. ‘Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven...Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’ is verderf. Dat verderf is er in drie soorten: verderf door begeerte, verderf door visies, verderf door wangedrag (zie §760). Hierbij, verderf door begeerte kan gedemonstreerd worden door de drie soorten begeerte, namelijk begeerte naar zintuiglijke verlangens, begeerte naar bestaan, en begeerte naar niet-bestaan (§425); of anders kan het gedemonstreerd worden door waar men dan ook aan hecht. In detail is het de zesendertig manieren van gedrag van het net van begeerte (A. ii, 211ff.). Hierbij, ook verderf door visies kan gedemonstreerd worden [namelijk] door nihilisme [vernietigingsleer, Siebe] en eternalisme [eeuwigheidsleer, Siebe]; of anders kan het gedemonstreerd worden door waar iemand dan ook op staat door zo’n [verkeerde] visie: ‘Alleen dit is waar; al het andere is onjuist’ (M. ii, 233). Diens detail is de tweeënzestig soorten visies (zie D, Sutta 1; M. Sutta 102). En hierbij, verderf door wangedrag kan gedemonstreerd worden door actie als keuze en als concomitant van bewustzijn (§§239-41), [dat is], door de drie soorten wangedrag, namelijk lichamelijk wangedrag en verbaal wangedrag [als de eerste] en mentaal wangedrag [als de laatste]. Diens detail is de tien niet profijtelijke loop/koers der daden. ‘Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’ is zuivering5 (vgl. §760). Welnu, deze zuivering is er ook in drie soorten, dat wil zeggen: verderf door begeerte wordt gezuiverd door kalmte, en die kalmte is de concentratie categorie; verderf door visies wordt gezuiverd door inzicht, en dat inzicht is de begrip/wijsheid categorie; en verderf door wangedrag wordt gezuiverd door goed gedrag, en dat goede gedrag is de deugdzaamheid/moraliteit categorie.

§560. ’Alle wezens zullen (zeer zeker) sterven Omdat het einde van leven de dood is. Overeenkomstig hun daden gaan ze Verdienstelijke en slechte vruchten [oogstend]: Kwaaddoeners [gaan verder] naar de hel’ is de weg van onverdienste. ‘De verdienste-makers gaan verder naar de hemel’ is de weg van verdienste. ’Anderen onderhouden het pad in (het) bestaan En vinden uitdoving vrij van bezoedelingen’; is de weg die verdienste en onverdienste overstijgt.

§561. Hierbij, wat betreft ‘de weg van verdienste’ en de ‘weg van onverdienste’ dit is één weg die waar dan ook naar toe leidt6, één onder de staten van onbehagen en één andere onder de goden. En wat betreft de ‘weg die verdienste en onverdienste te boven gaat’, deze weg leidt ofwel naar hier of daar (zie §562).

§562. Welnu, er zijn drie klassen, namelijk de klasse van diegenen zeker-van-onjuistheid, de klasse van diegenen zeker-van-juistheid en de klasse van diegenen niet-aldus-zeker7 (vgl. Pe 32; D. iii, 217). Terwijl de zeker-van-onjuistheid klasse en de zeker-van-juistheid klasse hierbij één weg zijn, namelijk die ofwel naar hier of daar leidt (§561) is het de klasse van diegenen zonder deze zekerheid dat hierbij de weg is die waar dan ook naar toe leidt. Om welke reden? Als iemand [in deze klasse] de [vereiste-] voorwaarde had, zou hij herrijzen8 in de hel, als hij de [vereiste] voorwaarde had, zou hij herrijzen onder de dieren, als hij de [vereiste] voorwaarde had, zou hij herrijzen in het geestenrijk, als hij de [vereiste] voorwaarde had zou hij herrijzen onder Asura Demonen, als hij de [vereiste] voorwaarde had, zou hij herrijzen onder de goden, als hij de [vereiste] voorwaarde had, zou hij herrijzen onder de mensen, als hij de [vereiste] voorwaarde had, zou hij uitdoving realiseren. Daarom is dit de weg  die waar dan ook naar toe leidt.

§563. Ongelimiteerde Kennis aangaande de oorzaak en aangaande voorval hierover,  wordt genoemd: De Tweede Kracht van de Volmaakte bestaande uit Kennis van de Weg die waar dan ook naar toe Leidt (vgl. Pe 34-5).

Noten bij de Engelse vertaling

553/1. Wat zijn diegene voorbij belichaming’? NettiA en Tika negeren dit beide. Voor het bereik van ‘belichaming’ zie M. ii, 265. (Wordt hier niet de wezens in het vormloze rijk bedoeld?, Siebe)
553/2. Wat is dit voor soort dood? NettiA en Tika negeren dit beide.

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. "find extinction free from taints” (bevrijding, lijkt me).
2. Eigenaarschap van kamma.
3. “determinations of demerit” (en even verder) “determinations of merit”. ‘Determination’ kan ook ‘voornemen’ betekenen. Maar ik denk dat ‘beslissing’ hier beter is. Men is overgegaan tot een morele of immorele daad.
4. “the surmounting of all determinations”, voorbij kamma.
5. “cleansing”, reiniging
6. “leads anywhere”, overal, om het even waar
7. ”those certain-of-wrongness”, “those-certain-of-rightness”, “those not-thus-certain.”
8. “reappear”, opnieuw verschijnen, wedergeboren worden.


hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Nettippakarana, slot
Bericht door: Passievrucht op 01-01-2016 11:56
[bron: Nettippakarana: The Guide (Netti-ppakaranam), according to Kaccana Thera, translated from the Pali by Bhikkhu Nanamoli, The Pali Text Society, London, 1977; fragmenten door mij vertaald, persoonlijke noten toegevoegd, suggesties voor verbeteringen welkom].

Nettippakarana, slot

§570. Zoals deze [wezens] geloven, zo komen ze tot bestaan570/1. [Want] ze starten deze of die soort van het ondernemen van actie. Ze ondernemen actie op zes manieren: sommige door hebzucht, sommige door haat, sommige door begoocheling, sommige door vertrouwen, sommige door energie, en sommige door begrip.
§571. Die [actie kan] verdeeld [ worden] in tweeën als die actie die samen gaat met de cylcus1 en die naar uitdoving gaat2.
§572. Hierbij, iedere actie die [iemand] verricht door hebzucht, en door haat en door begoocheling is zwarte actie met zwarte rijping (zie §844). Hierbij, iedere actie die hij doet door vertrouwen en door energie is witte actie met witte rijping. Hierbij, iedere actie die hij doet door hebzucht en door haat en door begoocheling en door vertrouwen is zwarte-en-witte actie met zwarte-en-witte rijping. Hierbij, iedere actie die hij doet door energie en door begrip is actie die niet zwart en niet wit is met noch-zwarte-noch-witte rijping. Dat is de superieure actie, de beste actie, en het draagt bij aan de uitputting van actie3 (vgl. M. i, 389f.)

(...)

§846. <Bhikkhu’s, er zijn deze vier soorten actie/daden. Welke vier? Er is zwarte actie met zwarte rijping. Er is witte actie met witte rijping. Er is zwart-witte actie met zwarte-witte rijping. Er is niet-zwarte-niet-witte actie met niet-zwarte-niet-witte rijping, welke de superieure soort actie is, de beste soort actie, welke bijdraagt aan de uitputting van actie> (A. ii, 230).
Hierbij, iedere ‘zwarte actie met zwarte rijping’ en ieder ‘zwart-witte actie met zwarte-witte rijping’ zijn verderf4. Iedere ‘witte actie met witte rijping’ is moraliteit. Iedere ‘niet-zwarte-niet-witte actie met niet-zwarte-niet-witte rijping, welke de superieure soort actie is, de beste soort actie, welke bijdraagt aan de uitputting van actie’ is inzicht5.

Noten behorend bij de Engelse vertaling

570/1. Er dient een punt, niet een vraagteken, te staan achter bhavanti. Dit is een verwijzing naar de schakel van de formule van Afhankelijk Ontstaan: upadanappaccaya bhavo (voor een speciale vervanging daar van upadana door adhimokkha in sommige gevallen- dat staat voor saddha- zie Vbh. 165).
(toevoeging van mijn kant: saddha is geloof of zelfvertrouwen, bron: www. sleuteltotinzicht.nl.

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “goes with the roundabout”, ‘roundabout’ verwijst hier volgens mij naar samara, de cyclus van geboorte en dood. ‘goes with de roundabout’. Dat samsara begeleidt, bestendigt, de cyclus van wedergeboorte blijft voeden.
2. “goes to extinction”, actie die geen verdere voeding vormt voor wedergeboorte in samsara en leidt tot bevrijding.
3. “exhaustion of action”, actie die bijdraagt aan de beëindiging van kamma.
4 “corruption”
5. “penetration”; volgens bhikkhu samahita betekent dit dat je echt in de materie bent doorgedrongen. Dus je begrip van de Leer (bijvoorbeeld de Vier Edele Waarheden) is niet meer louter intellectueel.

Zie ook:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17390.html#msg17390

Dit besluit een selectie van fragmenten over karma in Nettippakarana.

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Anguttara Nikaya 8.40
Bericht door: Passievrucht op 02-01-2016 11:53
[bron: Anguttara Nikaya vertaling van Bhikkhu Bodhi, 2012. De sutta door mij vertaald in Nederlands, suggesties voor verbetering welkom]

Anguttara 8.40 (10), Sabba,lahusa, Sutta1, Bevorderlijk

(1) “Bhikku’s, de vernietiging van leven, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert de vernietiging van leven minimaal een korte levensduur.
(2) “Nemen wat niet gegeven is, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert het nemen wat niet gegeven is minimaal het  verlies van rijkdom.
(3) “Seksueel wangedrag, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert seksueel wangedrag minimaal vijandschap en rivaliteit.
(4) “Valse spraak, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert valse spraak minimaal valse beschuldigingen.
(5) “Verdeeldheid zaaiende spraak, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert verdeeldheid zaaiende spraak minimaal dat je gescheiden wordt van je vrienden.
(6) “Grove spraak, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert grove spraak minimaal onaangename geluiden.
(7) “Zinloos gebabbel, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert zinloos gebabbel minimaal dat anderen je woorden niet vertrouwen.
(8} “Drank en wijn drinken, herhaaldelijk beoefend, ontwikkeld en gecultiveerd, is bevorderlijk voor de hel, voor het dierenrijk en voor de sfeer van gekwelde geesten; voor iemand wedergeboren als mens bevordert het drinken van drank en wijs minimaal waanzin.

Persoonlijke noot (door mij toegevoegd)

1. Deze Sutta wordt ook wel de Duccarita Vipaka Sutta genoemd, de Verhandelingen over de Gevolgen van Slecht Gedrag. Een alternatieve, Engelse, vertaling, is hier te vinden: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/an/an08/an08.040.than.html

Persoonlijke Bemerkingen
Je ziet hier twee manieren beschreven waarop verzameld kamma kan rijpen. Het bepaalt de soort wedergeboorte (daarover in een latere post meer details). Slecht gedrag bevordert wedergeboorte in lagere of ongelukkige bestaansvormen. Positief of deugdzaam gedrag in gelukkige bestaansvormen. In meer technische verhandelingen over kamma behoort dit tot het volledig rijpend gevolg van kamma.
Ook wordt in de bovenstaande sutta het spiegelend of echo-achtig effect van kamma beschreven. Doodt je, bijvoorbeeld, een wezen, kortom verkort je diens leven, dan leidt dat volgens de sutta kennelijk bij een menselijke wedergeboorte minimaal tot het verkorten van je eigen levensduur. Dus je krijgt terug wat je hebt veroorzaakt. Steel je iets, kortom maak je iemand armer, dan kan dat zo rijpen dat je zelf moeite hebt rijkdom te vergaren of vast te houden. Etc. In meer technische verhandelingen over kamma noemt men dit spiegelend effect een (latere) ervaring overeenkomstig de oorzaak. Dus je krijgt later een ervaring die qua aard overeenkomt met de soort daad die je zelf eerder verrichte. Overigens, je kunt dit ook uitwerken voor positieve daden. Die leiden in principe 'opwaarts', naar gelukkige bestemmingen. En als je als mens wordt wedergeboren leiden ze ook tot positieve ervaringen.

Een andere manier waarop kamma kan rijpen, in deze sutta niet beschreven, is als neiging overeenkomstig de oorzaak. Heb je in vorige levens, bijvoorbeeld, herhaaldelijk wezens gekweld of gedood, die neiging gehad, gevolgd en sterk gemaakt, dan kan dat een neiging worden in een volgend leven. Dus dit beweegt zich dan op het vlak van karakter, geneigdheden, van aanleg. Een nogal extreem voorbeeld hiervan is te vinden in Majjhima Nikaya 57 waarin een asceet wordt beschreven die als spirituele beoefening het leven van een os imiteert. Een andere asceet imiteert het leven van een hond. De Boeddha geeft dan aan dat als ze dit werkelijk vervolmaken, dus alle trekken of neigingen van een hond of os zullen vervolmaken, ze ook geboren zullen worden onder respectievelijk de ossen en honden. Zie: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17651.html#msg17651
Het verzameld kamma kan ook situaties bepalen, zoals of je wordt wedergeboren in arme omstandigheden of juist welgestelde. Of je wordt wedergeboren in een voorname familie of juist van lage komaf. Of je invloedrijk bent of eerder onbeduidend. Dat wordt bijvoorbeeld beschreven in Majjhima Nikaya 135. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2287.msg17327.html#msg17327

hartelijke groet,
Siebe
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma, Kamma Prioriteit & Wedergeboorte
Bericht door: Passievrucht op 04-01-2016 10:32
Inleiding

In de Visuddhimagga, H. XIX, §15, vermeldt Buddhaghosa een viervoudige indeling van kamma:
1. Zwaarwegend kamma (garuka kamma), 2. Gewoontevol kamma (acinnaka (acchinna-) of bahula kamma), 3. Dood-drempel kamma (asanna kamma) en 4. Kamma opgeslagen door verricht te zijn (katatta kamma). Voor een omschrijving hiervan zie verder.

Buddhaghosa geeft ook een volgorde aan waarin het rijpt en schrijft hierover:
“Hierbij, wanneer er zwaarwegend kamma is en niet-zwaarwegend kamma, rijpt het kamma het eerst naarmate dat zwaarwegender is, ofwel profijtelijk of onprofijtelijk, ofwel kamma bestaande uit het doden van je moeder of kamma van de verheven sferen (Jhana, Siebe). Op dezelfde manier geldt dat wanneer er gewoontevol kamma is en niet-gewoontevol kamma, het kamma het eerste rijpt naarmate dat gewoontevoller is, ofwel bestaande uit goed of slecht gedrag. Dood-drempel kamma is dat wat wordt herinnert op het moment van de dood: want wanneer een mens nabij de dood (kamma) kan herinneren, wordt hij overeenkomstig dat geboren. Kamma dat niet inbegrepen is in de vorige drie soorten (en) dat vaak herhaald is, wordt genoemd, kamma (opgeslagen) door te verricht te zijn. Dit veroorzaakt wedergeboorte-koppeling1 als de anderen tekortschieten” (Vism. H. XIX, §15).

Kamma Prioriteit & Wedergeboorte

Hoe spelen deze vier soorten kamma een rol bij wedergeboorte? Eerwaarde Narada Mahathera werkt dat uit in zijn boek “The Buddha and His Teachings”, H.20, bladzijde 284/85. Ik heb dit deel hier onder vertaald en de tekst aangevuld met voorbeelden van de site: https://shivaboddha.wordpress.com/kamma/)

1. De eerste is garuka kamma wat betekent een zwaarwegende of serieuze daad. Het wordt zo genoemd omdat het diens gevolg zeker voortbrengt in dit leven of het volgende. Van de morele kant zijn de zwaarwegende daden de Jhana’s of Extases, terwijl van de immorele kant dit de daarna-effectieve2 afgrijselijke misdaden zijn (anantariya kamma)- namelijk, je moeder doden, je vader doden, een arahant doden, de Boeddha verwonden en de eenheid van de Sangha verbreken.
Als, bijvoorbeeld, een bepaald persoon de jhana’s zou ontwikkelen en later één van deze ernstige misdaden zou begaan, zou zijn goede kamma weggevaagd3 worden door het krachtige slechte kamma. Zijn volgende geboorte zal geconditioneerd worden door het slechte kamma ondanks dat hij eerder de jhana’s heeft verworven. Als voorbeeld: Devadatta verloor zijn psychisch krachten en werd in een slechte staat geboren omdat hij de Boeddha verwondde en een splijting in de Sangha creëerde.
Koning Ajatasattu, zoals de Boeddha opmerkte, zou het eerste stadium van heiligheid gerealiseerd hebben als hij niet zijn vader had vermoord. In dit geval belemmerde het krachtige slechte kamma zijn spirituele verwezenlijking.
(Permanent scepticisme (niyata micchaditthi), als verkeerde visie, wordt ook één van de zwaarwegende kamma’s genoemd, Siebe).

2. Wanneer er geen zwaarwegend kamma is om de toekomstige geboorte te conditioneren kan een dood-nabij/drempel (asanna) kamma functioneren. Dit is de actie die men doet, of herinnert, onmiddellijk voor het moment van sterven. Dankzij diens belang bij het bepalen van de toekomstige geboorte, heerst de gewoonte in boeddhistische landen nog altijd om een stervende persoon te herinneren aan zijn goede daden en er voor te zorgen dat hij goed doet op zijn sterfbed.
Soms kan een slecht persoon gelukkig sterven en een goede wedergeboorte hebben als hij zich gelukkigerwijs op het laatste moment een goede daad herinnert of doet.
Het verhaal gaat dat een zekere beul, die toevallig wat aalmoes had gegeven aan de eerwaarde Sariputta, deze goede daad op het moment van sterven herinnerde en werd geboren in een staat van gelukzaligheid. Dit betekent niet dat hij, hoewel hij een goede geboorte geniet, zal worden vrijgesteld van de gevolgen van de slechte daden die hij tijdens zijn leven heeft verzameld. Ze zullen hun passend gevolg krijgen als gelegenheden ontstaan.
Soms kan, aan de andere kant, een goed persoon ongelukkig sterven door het plotseling herinneren van een slechte daad van hem/haar of door het koesteren van een onplezierige gedachte, mogelijkerwijs opgedrongen door ongunstige omstandigheden. Koningin Millika, de gemalin van koning Kosala, leefde een rechtvaardig leven, maar als gevolg van het herinneren tijdens het moment van sterven van een leugen die ze eens had gedaan, moest ze zeven dagen lijden in een staat van ellende.

3. Gewoontevol (acinna) Kamma is de volgende in prioriteit van gevolg. Dit is het kamma dat men constant verricht en herinnert en waar men erg van houdt. Gewoonten, ofwel goed of slecht, worden een tweede natuur. Ze geven min of meer vorm aan het karakter van een persoon. In de vrije tijd houden we ons vaak bezig met gewoontevolle gedachten en daden. Op dezelfde manier brengen we op het moment van de dood, tenzij beïnvloed door andere omstandigheden, in de regel, gewoontevolle gedachten en daden weer te binnen in de geest. Het kan wedergeboorte veroorzaken in afwezigheid van de bovenste twee.
Cunda, een slager, die in de nabijheid van het klooster van de Boeddha leefde, stierf gillend als een varken omdat hij in zijn levensonderhoud voorzag door het slachten van varkens.
Koning Dutthagamani van Ceylon had de gewoonte om aalmoezen te geven aan de bhikkhu’s voordat hij zelf aan het eten begon. Het was dit gewoontevol kamma dat hem verblijdde op het moment van de dood en hem een geboorte gaf in het rijk van Tusita.

4. De laatste in deze categorie is Opgestapelde/Opgehoopte/Verzameld (katatta) kamma dat alles omvat dat niet inbegrepen kan worden in de voorgaande drie. Dit is als het ware het spaartegoed van een bepaald wezen.

In “The Buddha and his Teachings” schrijft Eerwaarde Narada Mahathera ook: “In de regel hangt het laatste gedachte-proces af van het algemene gedrag van de persoon"...Dit geeft ook het belang aan van het ontwikkelen van goede gewoonten en het afleren van slechte. Hij vervolgt: "In sommige uitzonderlijke gevallen, misschien door gunstige of ongunstige omstandigheden, kan een goed persoon een slechte gedachte ervaren en een slecht persoon een goede op het moment van de dood. De toekomstige geboorte zal bepaald worden door dit laatste gedachte-proces, ongeacht het algemene gedrag”. Dus kennelijk prevaleert dan het gewoontevol-kamma niet.[The Buddha and his Teachings, Eerwaarde Narada Mahathera, H. 20, blz. 283].

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “rebirth-linking”
2. “subsequently effective”, het kenmerk van dit zwaarwegend of ernstig kamma schijnt te zijn dat het sowieso gevolg krijgt en wel in dit leven of het leven er direct op volgend.
3. “obliterated”, uitgewist, doorgehaald, vernietigd. Het kan ook betekenen dat iets aan het zicht wordt onttrokken, zoals wanneer je een naam op een deur zou overschilderen met een dikke laag zwarte verf. 

Persoonlijke bemerkingen
Het rijtje van deze vier soorten kamma ben ik, als zodanig, nog niet in teksten van de Pali Canon tegengekomen. Hoort het dan thuis in sutta's of sutta fragmenten over kamma in de Pali Canon? Ik meen van wel. Mijn indruk is dat het wel af te leiden is uit de teksten. In ieder geval biedt het een soort overzicht welk soort kamma prioriteit heeft en hoe dit een rol speelt bij het proces van wedergeboorte.

hartelijke groet,
Siebe




Titel: Re: Sutta's of fragmenten over Kamma, Factoren die Werking van Kamma beinvloeden
Bericht door: Passievrucht op 07-01-2016 11:56
Inleiding

“... Inherent aan kamma is de potentie om diens bijpassende gevolg voort te brengen. De oorzaakt brengt het gevolg voort, het gevolg verklaart de oorzaak. Het zaad brengt de vrucht voort, de vrucht verklaart het zaad, zo is hun relatie. Net zo zijn kamma en diens gevolg”. 
[The Buddha and His Teaching, H.19, Narada Mahathera].

Hoewel kamma kennelijk de potentie heeft om diens bijpassende gevolg voort brengen, zijn er wel factoren/omstandigheden die de werking van kamma beïnvloeden. Die er bijvoorbeeld voor zorgen dat verzameld negatief kamma eerder zal rijpen dan verzameld positief kamma, of omgekeerd. Het onderstaande is een vertaling van een beschrijving van deze factoren/omstandigheden in “The Buddha and His Teachings, Hoofdstuk 21, pag. 298 t/m 301, eerwaarde Narada Mahathera.

Factoren/krachten/omstandigheden die de werking van kamma beïnvloeden


<begin vertaling>

“Bij de werking van kamma dient begrepen te worden dat er voordeel brengende en nadeel brengende krachten (factoren/omstandigheden) zijn die deze zelf-opererende wet tegenwerken en ondersteunen. Geboorte (gati), tijd of voorwaarden/omstandigheden (kala), persoonlijkheid of uiterlijk (upadhi) en inspanning (payoga) zijn zulke hulpmiddelen en belemmeringen voor het rijpen (vrucht dragen) van kamma.

1. Geboorte
(Gati)
Als, bijvoorbeeld, een persoon in een edele familie wordt geboren of in een staat van geluk, zal zijn fortuinlijke geboorte soms het rijpen van zijn slechte kamma belemmeren.
Als hij, aan de andere kant, in een staat van ellende wordt geboren of in een onfortuinlijke familie, dan zal zijn onfortuinlijke geboorte een gemakkelijk kans bieden voor zijn slechte kamma om te functioneren.
Dit staat op een technische manier bekend als Gati Sampatti (gunstige geboorte) en Gati Vipatti (ongunstige geboorte).
Een niet intelligent persoon, die door enig goed kamma wordt geboren in een koninklijke familie, zal op basis van zijn edele bloedverwanten, door de mensen geëerd worden. Als dezelfde persoon een minder fortuinlijke geboorte zou hebben, zou hij niet op dezelfde manier behandeld worden.
Koning Dutthagamani van Ceylon, bijvoorbeeld, verwierf slecht kamma door oorlog met de Tamils te voeren, en goed kamma door zijn uiteenlopende religieuze en sociale daden. Dankzij zijn goede reproductieve kamma werd hij geboren in een hemelse gelukzalige staat. De traditie zegt dat hij zijn laatste geboorte zal hebben in de tijd van de toekomstige Boeddha Metteyya (Maitreya). Zijn slechte kamma kan, daarom, niet succesvol functioneren dankzij zijn gunstige geboorte.
Om een ander voorbeeld te citeren, koning Ajatasutta, die vadermoord beging, werd later beroemd om zijn vroomheid en devotie dankzij zijn samenwerking met de Boeddha. Hij lijdt nu in een ellendige staat als gevolg van zijn ernstige daad (vadermoord). Zijn ongunstige geboorte zou hem daarom niet in staat stellen om van de voordelen van zijn goede daden te genieten.

2. Persoonlijkheid of Uiterlijk (Upadhi)
Schoonheid (Upadhi Sampatti) en lelijkheid (Upadhi Vipatti) zijn twee andere factoren die de werking van kamma hinderen en begunstigen. Als, door een bepaald soort goed kamma, een persoon een gelukkige geboorte verkrijgt maar op onfortuinlijk wijze misvormd is, zal hij niet volledig kunnen genieten van de voordelige gevolgen van zijn goede kamma. Zelfs een legitieme erfgenaam van de troon zou misschien niet opgevoed worden voor die verheven positie als hij fysiek misvormd is. Schoonheid, aan de andere kant, zal een aanwinst zijn voor de bezitter. Een goed uitziende zoon van een arme ouder zou de aandacht van anderen kunnen trekken en zou in staat kunnen zijn om via hun invloed zich te onderscheiden.

3. Tijd of voorwaarden/omstandigheden (Kala)
Gunstige tijd of gelegenheid/omstandigheid en ongunstige tijd of gelegenheid/omstandigheid (Kala Sampatti en Kala Vipatti) zijn twee andere factoren die de werking van kamma beïnvloeden; de ene helpt de ander belemmert de werking van kamma.
In het geval van een hongersnood zal iedereen zonder uitzondering hetzelfde lot moeten ondergaan. Hier opent de ongunstige conditie de mogelijkheid voor slecht kamma om te gaan functioneren. Aan de andere kant zullen de gunstige condities het functioneren van slecht kamma voorkomen.

4. Inspanning (Payoga)
Van deze voordeel brengende en nadeel brengende krachten (factoren) is inspanning (payoga) het belangrijkste. In de werking van kamma speelt inspanning of gebrek aan inspanning een grote rol. Door huidige inspanning kan men nieuw/vers kamma creëren, nieuwe omstreken, nieuwe omgeving, en zelfs een nieuwe wereld. Hoewel geplaatst in de meest gunstige omstandigheden en voorzien van alle faciliteiten, als men geen krachtige inspanning doet, mist men niet alleen gouden kansen maar men zou zichzelf ook kunnen ruineren. Persoonlijke inspanning is essentieel voor zowel wereldlijke als spirituele vooruitgang.
Als een persoon geen poging doet om zichzelf te genezen van een ziekte of zichzelf te bevrijden van zijn moeilijkheden, of met ijver voor zijn vooruitgang streeft, dan zal zijn slechte kamma een geschikte kans vinden om diens bijpassende gevolgen voort te brengen. Aan de andere kant, als hij zich van zijn kant inspant om zijn problemen te boven te komen, om zijn omstandigheden te verbeteren, om het beste gebruik te maken van de zeldzame kansen, om krachtig te streven voor zijn echte vooruitgang, zal zijn goede kamma hem bijstaan/hem steunen.
Toen de Bodhisattva Maha Janaka schipbreuk leed in diepe zee deed hij een grote inspanning om zichzelf te redden, terwijl de anderen tot de goden baden en hun lot in hun handen legde. Het gevolg was dat de Bodhisattva ontsnapte terwijl de anderen verdronken.
Deze twee belangrijke factoren staan op technische wijze bekend als Payoga Sampatti en Payoga Vipatti.

Hoewel we noch op absolute wijze de bedienden zijn van kamma noch de meester over ons kamma, is het vanuit deze tegenwerkende en ondersteunende factoren duidelijk dat het rijpen van kamma tot op zekere hoogte beïnvloed wordt door externe omstandigheden, omgevingen, persoonlijkheid, individueel streven en soortgelijke zaken.
Het is deze doctrine van kamma dat troost, hoop, vertrouwen en morele moed geeft aan een boeddhist.
Wanneer het onverwachte gebeurt, moeilijkheden, mislukkingen en hij tegenslag ontmoet, realiseert de Boeddhist dat hij oogst wat hij heeft gezaaid, en wist een oude schuld uit. In plaats van het op te geven, alles aan kamma overlatend, spant hij zich krachtig in om het onkruid er uit te trekken en nuttige zaden te zaaien, want de toekomst is in zijn handen.
Hij die in kamma gelooft veroordeelt zelfs niet de meest verderfelijke want zij hebben elk moment de kans om zichzelf te hervormen. Hoewel bestemd1om te lijden in ellendige staten, hebben ze hoop op het realiseren van eeuwige vrede. Door hun daden creëren ze hun eigen hellen en door hun eigen daden kunnen ze ook hun eigen hemelen creëren.

Een boeddhist die volledig overtuigd is van de wet van kamma bidt niet tot een ander om gered te worden, maar vertrouwt op zelfbewuste wijze op zichzelf voor zijn bevrijding. In plaats van zichzelf over te geven, of enig bovennatuurlijke macht te bevredigen/sussen/verzoenen2, zou hij vertrouwen op zijn eigen wilskracht en onophoudelijk werken voor het welzijn en geluk van allen.
Dit geloof in kamma, “valideert zijn inspanning en doet zijn enthousiasme ontsteken”, omdat het individuele verantwoordelijkheid leert.

Voor een doorsnee boeddhist dient kamma als een afschrikwekkend middel terwijl het voor een intellectueel dient als een stimulans om goed te doen.
Deze wet van kamma verklaart het probleem van lijden, het mysterie van het zogenaamde lot en voorbestemming van sommige religies, en boven alles de ongelijkheid van de mensheid. We zijn de architecten van ons eigen lot. We zijn onze eigen scheppers. We zijn onze eigen vernietigers. We bouwen onze eigen hemelen. We bouwen onze eigen hellen.
Wat we denken, spreken en doen, wordt van onszelf3. Het zijn deze gedachten, woorden en daden die de naam kamma aannemen en van leven op leven verder gaan, ons verheffend en verlagend in de loop van onze omzwervingen in Samsara.

De Boeddha zegt-
“s’ Mens verdiensten en zonden die hij hier heeft verricht:
Dat is het ding dat hij bezit, dat neemt hij hier vandaan mee,
Dat volgt zijn stappen, als achtervolgende schaduwen.
Laat hem daarom een goede voorraad aanleggen voor het leven elders.
Zeker podium in enig andere toekomstige wereld,
Beloningen van verdienstelijk goed wacht wezens”.
<einde hoofdstuk 21, einde vertaling>

Persoonlijke noten (door mij toegevoegd)

1. “bound to”
2. “or propitiating any supernatural agency”,
3. “what we think, speak en do, become our own”.

Persoonlijke bemerkingen
Je kunt het denk ik zo zien dat iedereen een verzameling positief kamma (verdienste) en een verzameling negatief kamma heeft als mens. Je kunt wel nagaan dat omstandigheden, bijvoorbeeld, werkloosheid, armoede, slechte vooruitzichten, bijvoorbeeld, eerder een appèl zullen doen op negatieve tendensen in jezelf. Je zult waarschijnlijk eerder kwaad worden, bitter misschien, kwade wil zal misschien gaan overheersen. Waardoor je nog meer negatief kamma verzameld. Je kunt in een neerwaartse negatieve spiraal terecht komen en anderen zitten misschien in het momentum van een opwaartse spiraal.
Het zal denk ik maar weinigen gegeven zijn dat de omstandigheden er nauwelijks te doen.

Aan de ene kant is het goed zaken te aanvaarden als ze eenmaal ontstaan zijn, niet met kwaadheid te reageren bijvoorbeeld. Maar het onderricht over kamma stimuleert juist ook actieve en wijze inspanning. Ik kwam een illustratief verhaal hierover tegen dat als volgt gaat:

Op een dag ving een visser drie vissen. Eén van de vissen geloofde in kamma (als lot). Het deed geen enkele moeite om te ontsnappen en bleef gewoon rustig liggen in de boot omdat het geloofde dat het wel geluk zou hebben, het zou ontsnappen, en het was niet noodzakelijk om iets anders te doen. De tweede vis geloofde in zich inspannen. Het geloofde dat als het zich maar genoeg zou inspannen, het zou kunnen ontsnappen. Dus het deed zijn best om te ontsnappen door steeds maar weer op en neer te springen. De visser ging zich daar zo aan ergeren dat hij het dood sloeg. De arme “gelover in enkel extreme inspanning” werd daar ter plekke gedood. De derde vis was erg slim. Het geloofde dat wijsheid en inspanning noodzakelijk waren voor succes. Het wachtte tot het juiste moment om uit de boot te springen. Het moment dat de boot even naar een kant overhelde, sprong het er uit en kreeg het voor elkaar om te ontsnappen. De arme “extreme kamma-gelover” (fatalistische visie, lot) werd door de vrouw van de visserman gekookt. [uit Patthana in Daily Life, An Introduction to the Law of Conditionality, U Hla Myint, 2010, vbladzijde 171].

Dit verhaal zou een Jataka zijn. Ik heb niet kunnen achterhalen naar welke Jataka dit verhaal verwijst.

Hartelijke groet,
Siebe

Titel: Over Kamma, uit de Abhidhamma van de Pali Canon
Bericht door: Passievrucht op 30-05-2017 20:26
Het onderstaande betreft niet sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon maar het stamt uit werken van de Abhidhamma van de Pali Canon. Het leek me goed dit hier te plaatsen.

Wat wordt geproduceerd door kamma?


1. Wedergeboorte-bewustzijn, patisandhi-citta.

Ons leven wordt gezien als een ononderbroken serie van citta’s. Als een soort stroom waarbij de ene citta geheel wegvalt en een ander weer ontstaat. Ook tijdens bewusteloosheid of diepe droomloze slaap is dit gaande. Citta wordt wel vertaald als bewustzijn maar bedenk daarbij dus dat er ook tijdens bewusteloosheid en diepe droomloze slaap de ene citta eindigt en de andere ontstaat.
De eerste citta van het leven wordt wedergeboorte-bewustzijn genoemd, patisandhi citta. De laatste van het vorige leven, cuti -citta.

De patisandhi-citta is het resultaat van ofwel akusala (onheilzaam, immoreel niet-vaardig) kamma of kusala (heilzaam/moreel/vaardig)  kamma. Een geboorte als mens wordt gezien als het resultaat van kusala kamma, dus van heilzaam/moreel/vaardig kamma.

De patisandhi citta is een zogenaamde vipaka citta, geproduceerd door kamma, of het rijpend gevolg van kamma. De patisandha citta bij een mens kan vergezeld gaan van zogenaamde mooie wortels, zoals panna (wijsheid), adosa (afwezigheid van afkeer) en alobha (gulheid). Het kan ook zijn dat de patisandhi citta van een mens niet vergezeld gaat van deze wortels (ahetuka kusala vipaka). Een mens is dan vanaf de geboorte gehandicapt, bijvoorbeeld het oog- of oorzintuig ontwikkelt zich niet of er zijn andere handicaps. Dat mensen worden geboren met verschillende karakters en capaciteiten en niveaus van wijsheid etc. wordt verklaart door verschillen in patisandhi citta die weer verschillend zijn door verschillende soorten kamma.

De patisandhi citta heeft enkel de functie van wedergeboorte-bewustzijn, het linkt als het ware het vorige leven aan het huidige. Het neemt geen zintuiglijke objecten waar. Toch ‘ervaart’ het wel een object, zoals alle citta’s samen bestaan met een object. Het object van de patisandhi citta is het object dat de laatste javana citta’s van het vorige leven ervoeren. Dus de laatste impuls-momenten van het leven. Wat daar als object werd waargenomen dat is ook het object van de patisandhi-citta.

De cuti citta (het laatste citta moment van dit leven) van een arahant wordt niet meer opgevolgd door een nieuwe patisandhi citta. Het proces van wedergeboorte is daarmee beëindigd. Bij een niet-arhant volgt na de cuti-citta weer een patisandhi citta. Geneigdheden komen mee. Er is geen zelf dat overgaat van het ene leven na het andere, maar een cuti-citta moment wordt opgevolgd door een patisandhi-citta moment.

Het soort wedergeboorte-bewustzijn en daarmee de bestemming wordt geproduceerd of is rijpend gevolg van kamma, is vipaka citta.

2.Kamma en het cognitieve proces. Tijdens het leven brengt kamma zintuiglijke gewaarworden voort, citta of bewustzijnsmomenten van zien, horen, proeven, tactiel voelen en ruiken. Er is geen Ik of zelf dat ziet, hoort etc. maar dit is een functie van een citta, een bewustzijnsmoment (panca vinnanas). De citta's die gewaarworden zijn vipaka citta's, resultaat of rijpend gevolg van karma.
Nina van Gorkom hanteert in haar boeken consequent de zienswijze dat wanneer er iets onaangenaams wordt ervaren, dat dus ook het resultaat is van akusala kamma (onheilzaam, immoreel, niet-vaardig) van jezelf. Wordt er iets plezierigs ervaren dan is dat het resultaat van kusala kamma van jezelf. Je kunt denk ik wel zeggen dat deze uitleg, deze systematiek, afwijkt van de sutta’s, want daarin wordt aangegeven dat er ook andere oorzaken voor onaangename ervaringen kunnen zijn dan kamma.
Kamma produceert ook het zogenaamde ontvangende bewustzijnsmoment (sampathicchana citta) en onderzoek-bewustzijnsmoment (santirana-citta). Dit zijn momenten in het cognitieve proces. Het zijn korte momenten voordat bepaalt wordt wat wordt ervaren (votthanapona citta).

3.Tijdens het levens brengt kamma de sensitieve delen van de zintuigen voort. Doorgaans wordt hier naar verwezen als de zintuigorganen, het oog, oor, etc. Het zijn de middelen waarmee citta een object gewaarwordt. Deze sensitieve delen zijn het fysiek gevolg van kamma. Het schijnt niet precies hetzelfde te zijn als de fysieke zintuigorganen zoals de ogen, oren, neus, mond/tong, huid/lichaam maar het schijnt te verwijzen naar die zintuiglijke delen die zintuiglijke data kunnen verwerken. Dit wordt een zintuigdeur genoemd (dvara).
De citta die ziet, doet dat bijvoorbeeld via de deur van het oogzintuig. Zo ook voor de andere zintuigelijke domeinen. Gedurende het leven ontstaan deze deuren en deze vallen ook weer weg. Gedurende ons leven wordt dit geproduceerd door kamma. Het oogzintuig, oor-zintuig, etc. zijn rupa’s en deze rupa’s worden voortgebracht door kamma. Zoals ik het begrijp moet je ook deze rupa’s  zien als iets wat dus niet continue aanwezig is. Dit is wel ons idee, onze beleving, maar er is geen continue zien of continue horen. Het zijn hele korte elkaar razendsnel opeenvolgende momenten.
Het niet zien/kennen van de vergankelijkheid van waarnemingen van moment tot moment geeft ons de indruk dat alles op een soort onvergankelijke wijze bestaat. Bovendien, we denken ook dat we zaken als 'een huis' kunnen zien of dat we beweging kunnen zien, maar dit zijn geen objecten van visueel bewustzijn maar van denken. In de praktijk husselen we dus waarnemen en denken door elkaar, oftewel de zintuigpoorten en de geest-poort.

4.Kamma bepaalt sexe. Kamma produceert vanaf het eerste moment van ons leven en gedurende ons leven vrouwelijkheid (feminity-faculty) en mannelijkheid (masculinity-faculty). Dit zijn twee subtiele rupa’s. Het is dus door kamma dat men geboren wordt als man of vrouw. Geboorte als vrouw wordt gezien als een minder soort (lesser degree) kusala kamma dan bij geboorte als man. De vrouwelijke en mannelijke kenmerken worden geconditioneerd door de rupa’s van vrouwelijkheid en mannelijkheid. Deze rupa’s doordringen het gehele lichaam. We houden onze sexe voor onszelf maar het is, volgens van Gorkom, enkel een geconditioneerd element.

5.Levens-vermogen (life-faculty; rupa-jivitindrya) is ook een subtiele rupa die door kamma wordt geproduceerd vanaf het eerste begin van het leven en gedurende het leven. Het ontstaat alleen in levende wezens. Het onderhoudt en handhaaft de rupa’s in een groep die het vergezelt. Deze rupa komt niet voor in planten en dode materie. Rupa’s van een levend lichaam worden ondersteund door dit levens-vermogen.

6.Hart-basis (hadayavatthu). Dit is ook een rupa die enkel door kamma wordt geproduceerd. In de rijken van bestaan waar nama en rupa is, zoals de onze, hebben citta’s een fysieke plaats van herkomst, een basis (vatthu). Visueel bewustzijn heeft als diens basis de oog-basis, de rupa die het (sensitief) deel van het oogzintuig is en zo ook voor de andere soorten bewustzijn. Naast de zintuig-bases is er ook een andere basis, de hart-basis. Dit is de plaats van herkomst van alle andere citta’s uitgezonderd de zintuig-cognities (visueel bewustzijn, auditief bewustzijn etc). De fysieke basis van de patisandhi-citta is bijvoorbeeld de hart-basis. Kamma produceert deze rupa, deze hart-basis, van het eerste moment van leven en gedurende het leven. De Visuddhimagga verklaart dat de hart-basis binnenin het hart is.
Wanneer we boos zijn, bijvoorbeeld, ontstaan citta’s die geworteld zijn in afkeer en zij ontstaan bij de hart-basis.

Bronnen:
-The Buddhist Teaching on Physical Phenomena, Nina van Gorkom, 2008
-Abhidhamma in Daily Life, Nina van Gorkom, 2010


groet,
Titel: Re: Sutta's of sutta fragmenten over Kamma uit de Pali Canon, Zwaarte van Daden
Bericht door: Passievrucht op 08-05-2019 12:47
Zwaarte van verdienstelijke en onverdienstelijke daden

Niet elk gedrag weegt even zwaar. Hieronder heb ik fragmenten verzameld die iets onthullen over de verschillende zwaarte van verdienstelijk en onverdienstelijk gedrag (kamma).

-Als je rechtvaardig leeft en niet geeft om iets goed te maken, is dat geven verdienstelijker dan wanneer je geeft om iets goed te maken. (SN1.32)

-Bij succesvolle of verdienstelijke vrijgevigheid spelen drie factoren aan de kant van de gever: de gever is blij voor het geven; de gever heeft een serene geest tijdens het geven, vertrouwen stellend in de daad van geven; en de gever is opgetogen na het geven.
Er spelen ook drie factoren aan de kant van de ontvanger die een gift succesvol of verdienstelijk maken: de ontvangers zijn verstoken van wellust of oefenen om wellust te verwijderen, de ontvangers zijn verstoken van haat of oefenen om haat te verwijderen, en de ontvanger is verstoken van begoocheling of oefent om begoocheling te verwijderen. De verdienste van zo’n gift is niet gemakkelijk te meten. (AN6.37)

-De Sangha wordt een onovertroffen veld van verdienste genoemd (DN16§2.9, DN24§1.6, en vele andere).
De Boeddha onderwees niet dat alleen geven aan hem en zijn Sangha tot grote vrucht leidt en niet aan andere Sangha’s. Echter, een gift aan een deugdzaam persoon is vruchtbaarder dan aan een immoreel persoon. De meest (offer) waardige persoon is degene die afstand heeft gedaan van de vijf mentale hindernissen en vijf kwaliteiten bezit, namelijk, deugdzaam gedrag, concentratie, wijsheid, bevrijding en kennis en visie van bevrijding van iemand die voorbij training is (oftewel een arahant of Boeddha). (AN3.57, SN3.25)

-Wanneer een monnik immoreel is, met een slecht karakter, ongeacht hoe lang hij dan ook is ingetreden, giften aan hem zijn niet van grote vrucht. Omgaan met zo’n persoon leidt tot lijden voor lange tijd. Men dient geen toevlucht te zoeken bij zo’n persoon.
Wanneer een monnik moreel is, met een goed karakter, ongeacht hoe lang hij dan ook is ingetreden, giften aan hem zijn van grote vrucht. Omgaan met zo’n persoon leidt tot geluk voor lange tijd. Men dient toevlucht te zoeken bij zo’n persoon. (AN3.99)

-Wanneer men vertrouwt op een goed  persoon zijn vier voordelen te verwachten: men groeit in edel deugdzaam gedrag; men groeit in edele concentratie; men groeit in edele wijsheid; men groeit in edele bevrijding (AN4.242)

Aansluitend: Waar draagt een gift grote vrucht?
-“Iemand die zijn vorige geboorten kent,
Die de hemelen ziet en de ellendige rijken
Die de vernietiging van geboorte heeft bereikt
Een wijze, volleerd in ware kennis.” (SN7.13)

-In SN11.16 beschrijft de Boeddha dat een gift aan de vier personen die de weg beoefenen en de vier die de vruchten hebben gerealiseerd, grote vrucht draagt.

-SN1.33 bespreekt de verdienste van vrijgevigheid. De sutta geeft ook aan dat op een onderscheidende manier geven, goed is. Hiermee wordt bedoeld dat men onderscheidt maakt in wat je offert en ook aan wie je geeft. Geven is des te verdienstelijk naarmate degene aan wie je geeft zuiverder is. Een gift aan de Sangha, dus de edelen, wordt gezien als zeer verdienstelijk (zie SN, noot 68). Ook in deze sutta geeft de Boeddha aan dat geven geprezen dient te worden maar het pad van de Dhamma dat leidt tot Nibbana, overtreft geven.

-Een aalmoes gegeven aan een monnik die achteloos is, die zintuiglijke verlangens heeft ten opzichte van het aangeboden voedsel, die er verkikkerd op is, er het gevaar niet van inziet, die kwade wil heeft en gedachten aan leed toebrengen, is niet van grote vrucht, niet erg verdienstelijk. Het is wel verdienstelijk als iemand niet gehecht raakt aan het aangeboden voedsel, het gevaar er van inziet, gedachten van verzaking heeft in relatie tot dat voedsel, gedachten heeft van goede wil en mededogen (AN3.123)

-“Op onderscheidende wijze geven wordt geprezen door de Gezegende-
Aan diegene offers waardig
Hier in de wereld van de levenden.
Wat aan hen gegeven wordt, draagt grote vrucht
Als zaden gezaaid in vruchtbare aarde.” (SN1.33, vers 99)

-Geven is verdienstelijk en het is verdienstelijker als het zonder verwachtingen, met een niet beperkte geest, een geest niet op zoek naar beloningen, wordt gedaan. Verwachtingen zouden kunnen zijn dat men geeft om een geboorte als deva te krijgen. Het verschil tussen geven met een zonder zulke verwachtingen, is dat men na de deva staat weer terug zal komen als mens. Zonder verwachtingen dus niet. (AN7.52)

-Om verdienste te verzamelen dient men toevlucht te zoeken bij iemand met juiste visie, juiste intentie, juiste spraak…juiste bevrijding. Zoekt men toevlucht bij iemand met onjuiste visie, onjuiste intentie..onjuiste bevrijding dan verzamelt men veel onverdienste. (AN10.166)
Op dezelfde manier dient men toevlucht te nemen tot iemand die geen leven vernietigt, niet steelt, niet seksueel wangedrag vertoont, niet vals spreekt, niet verdeeldheid zaait, niet grof spreekt, iemand die zonder verlangen is, van goede wil en juiste visies koestert. Tot iemand die tegengesteld gedrag vertoont moet men geen toevlucht nemen want dat is onverdienstelijk. (AN10.210) 

-“Monniken, al de gronden voor het verzamelen van verdienste die leiden naar een spontane geboorte [in de hemel] zijn niet gelijk aan een zestiende van de bewustzijns-bevrijding door goede wil (metta). Goede wil-hen overtreffend- schijnt, gloeit, en verblindt (Iti§27)

-Iemand kan maand na maand, honderd jaar duizend offers brengen, maar als iemand slechts één moment eerbied betuigt aan degene met een ingetoomde en gedisciplineerde geest, dan is zulk een eerbetoon veel beter dan een eeuw lang offers brengen. (Dhp 106)

-De laatste maaltijd bereid door Cunda, waardoor de Boeddha waarschijnlijk fataal ziek werd, moet gezien worden als verdienste. Cunda hoeft hierover geen berouw te voelen Twee aangeboden maaltijden zijn extra verdienstelijk, van grote vrucht, degene waarna de Boeddha opperste verlichting realiseert en de maaltijd waarna de Boeddha het Nibbana element zonder enig overblijfsel realiseert (parinibbana). Cunda’s daad, diens bereiden van de laatste maaltijd draagt bij aan het lang leven, tot een mooi uiterlijk, tot geluk, roem, tot de hemel en heerschappij. (DN16§4.42).

-Een gift aan iemand die het verkeerde pad bezit draagt geen vrucht en is niet voordelig. Een gift aan een persoon die de acht factoren van het edele achtvoudige pad bezit is van grote vrucht en voordeel. (AN8.34)
Het object van wangedrag maakt ook uit. Haat bijvoorbeeld jegens iemand die al juiste visie heeft, weegt heel zwaar. Zo’n persoon is minimaal stroom-intreder. Dit weegt nog zwaarder dan haat jegens leraren en leerlingen van andere sekten. (AN6.54, AN7.73) De Sangha van de Boeddha (de edelen) is het onovertroffen veld van verdienste. Dit betekent ook dat wangedrag jegens die Sangha extra zwaar weegt.

De zwaarste karmische daden, de ergste onverdienste zijn: het doden van je vader, het doden van je moeder, het doden van een arshant, het verwonden van een Boeddha en het veroorzaken van tweedeling in de Sangha. Van deze daden wordt gezegd dat ze niet te genezen zijn. Eenmaal begaan leiden ze na de dood tot een ogenblikkelijke geboorte in de hel.
https://suttacentral.net/an5.129/en/sujato
https://suttacentral.net/an5.129/en/thanissaro
Ook als je later weer geboren zou worden als mens kun je nog ellendige gevolgen van deze wandaden moeten meemaken. Dit wordt gezegd van Moggallana. Hij kwam op gewelddadige wijze om het leven. Het wordt verklaard doordat hij in een vorige leven zijn ouders had vermoord.
https://www.accesstoinsight.org/lib/authors/hecker/wheel263.html#top