Toon bijdragen

Deze sectie stelt je in staat om alle bijdragen van dit lid te bekijken. Je kunt alleen de bijdragen zien waar je op dit moment toegang toe hebt.


Topics - nico70+

Pagina's: [1] 2
1
Theravada Boeddhisme / Uit het Sutta Nipata
« Gepost op: 23-02-2019 16:27 »
Uit het Sutta Nipata

Beste,

Het belangrijke boek Sutta Nipata gaat vooral over het gaan naar en het bereiken van de andere oever = Nibbana.
Onregelmatig probeer ik enkele suttas uit het Sutta Nipata hier te posten.
Dominique is me al voorgegaan met het Sutta over de slang, zie:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2762.0
_____

Mijn vertaling is aan de hand van:
Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London: PTS, 1984.
Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

De noten zijn van Nyanaponika.
[Toevoegingen van mij staan tussen rechte haakjes.]
__________

Sn.iv.1. 766-771  kaama sutta, zintuiglijke genoegens

766
Indien een sterveling verlangt naar zintuiglijke genoegens, indien hij krijgt wat hij begeert,{1} dan is hij zeker blij gestemd.
767
Maar wanneer de zintuiglijke genoegens bij die persoon die er erg naar verlangt, afnemen of verdwijnen, dan heeft hij verdriet en is hij gekweld alsof hij door een pijl is doorboord.
768
Wie zintuiglijke genoegens vermijdt,{2} zoals hij met zijn voet de kop van een slang vermijdt, die gaat oplettend en overwint de gehechtheid aan de wereld.
769
Wie begerig is naar velden, land en schatten, naar runderen, paarden, dienstpersoneel, naar vrouwen, vrienden, veel lustobjecten,
770
die wordt overweldigd door wat machteloos schijnt;{3} de gevaren{4} bedwingen hem. Dan dringt lijden in hem binnen, zoals water in een lekke boot.
771
Daarom moet de mens steeds oplettend zijn en de zintuiglijke genoegens vermijden. Als hij ze heeft opgegeven, zal hij de stroom oversteken, zoals iemand die naar de andere oever gaat{5} na zijn boot leeggeschept te hebben.{6}

_______
Noten:

{1} wat hij begeert = 'kaamam'. 'Kaama' heeft hier de betekenis van lustobject, dwz de objecten van de vijf lichamelijke zintuigen. Volgens MNidd., het Mahaa Niddesa (commentaar op het Atthakavagga van het Sutta Nipata) heeft het woord 'kaama' twee aspecten:
1) het objectieve aspect, aangeduid als 'vatthu-kaama', dwz het lustobject, in de teksten vaak omschreven als 'kaama-guna', dwz de vijf zinsobjecten.
2) een subjectief aspect, aangeduid als 'kilesa-kaama', d.w.z. lust als bevlekkende hartstocht. In deze betekenis te vertalen als: lust (der zintuigen), zinnelijkheid, etc.
   
{2} wie zintuiglijke genoegens vermijdt: MNidd. "Op tweevoudige manier vermijdt men de lusten: (a) door terugdringen (vikkhambhana) en (b) door uitroeien (samuccheda).
(a) het terugdringen gebeurt volgens MNidd.
1) Door vaak die dringende gelijkenissen voor de lusten te beschouwen die in M.22 zijn gegeven en die in M.54 gedeeltelijk zijn uitgelegd (deze suttas volgen hierna in het kort).
2) Door oefening van de "tien overwegingen" over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha, over eigen  deugdzaamheid en vrijgevigheid, over godheden, dood, lichaam, in-en uitademen, en over de vrede.
[ De tien overwegingen zijn voornamelijk voor degenen die zich op het pad van heiligheid bevinden. Wereldlingen kunnen wel overwegen over dood, lichaam en de ademhaling.]
3) door ontwikkeling van de acht verdiepingen. - Het uitroeien van de lusten gebeurt trapsgewijs op de hoge paden naar heiligheid, te beginnen met stroomintrede.

{3} wat machteloos schijnt (abalaa-va). Het 'va' werd hier als 'iva' opgevat. Het commentaar legt 'abalaa' uit als zwakke geestelijke bezoedelingen. Bedoeld is zeker dat ook een aanvankelijk zwakke lustgedachte enorm kan groeien en de mens volledig kan beheersen.

{4} gevaren (parissaya). MNidd. "Twee gevaren zijn er: openbare en verborgene." - Als openbare gevaren worden genoemd: wilde dieren, rovers, ziekten, etc.; verborgen gevaren zijn: het drievoudige slechte gedrag (in daden, woorden en gedachten); de vijf hindernissen: [begeerte, zintuiglijk verlangen; haat, afkeer, kwaadwil; traagheid, luiheid; rusteloosheid, gewetenswroeging; twijfel.]

{5}  'paragu', letterlijk: degene die naar de overkant gaat. MNidd. "Het is degene die de wens heeft naar de 'andere oever' ('paaram' d.w.z. naar Nibbana) te gaan, die naar de andere oever gaat en die de andere oever heeft bereikt."

{6} Zie voor de leeggeschepte boot ook Dhp. 369: "Schep de boot leeg, monnik, dan gaat ze snel en licht; wanneer begeerte en haat zijn uitgeroeid, dan is Nibbana bereikt."
__________

M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta

Te Sāvatthi. De monnik Arittha begreep de leer van de Boeddha verkeerd. Hij beweerde dat de Boeddha toonde hoe men zich in zinnelijke genietingen kon verheugen zonder op het pad gehinderd te worden. De Boeddha weerlegde zijn verkeerde ideeën maar de monnik bleef koppig. De Verhevene sprak toen tot de monniken over de verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren.

Gelijkenis van de slang. Het hebben van verkeerde ideeën over de Dhamma is als het vastpakken van een slang bij de staart. Die slang keert zich om en bijt de man. Evenzo kan men verwachten dat het religieuze leven iemand veel schade kan brengen als het niet serieus beoefend wordt.

Sommigen leren de Dhamma maar zij onderzoeken de betekenis ervan niet met wijsheid. Daarom komen zij er niet toe ze reflectief aan te nemen. In plaats daarvan leren zij de Dhamma alleen om kritiek op anderen te kunnen geven. Zij hebben geen vooruitgang in de leer. Omdat zij de leer niet juist opnemen, draagt dat lang bij tot hun nadeel en leed.

De leer wordt er vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig. Het is dan niet meer nodig dat hij of zij zich aan de Dhamma hecht.

Verder spreekt de Boeddha er over anatta. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

Daarom geef op wat niet van u is.

De Boeddha spreekt dan verder erover dat sommigen zijn woorden verkeerd uitleggen. Maar hij wordt er niet boos of verdrietig over. Wanneer anderen ons beledigen, op ons schelden en ons lastig vallen, dan moet geen ergernis, geen verbittering of neerslachtigheid gekoesterd worden. En wanneer anderen ons eren, respecteren en hoogachten, dan moet geen vreugde gekoesterd worden.

Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken.

De Dhamma is goed verkondigd, helder, open, duidelijk. In deze Dhamma is geen beschrijving van een toekomstige ronde van bestaan voor volmaakte heiligen. Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog een keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, zijn in de stroom getredenen; zij zijn op weg naar de Verlichting. Degenen die de Dhamma navolgen, of die vol vertrouwen zijn, zij allen gaan de Verlichting tegemoet. Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet.
__________

M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta.

Te Apana. De Boeddha legt aan Potaliya de ware betekenis uit van het opgeven van de wereld.

Het gezinshoofd Potaliya had wereldlijke zaken achtergelaten teneinde een heilig leven te leiden. Toen de Boeddha hem zag gekleed in gewone dagelijkse kleding, sprak de Boeddha hem aan als “gahapati”, gezinshoofd. Potaliya ergerde zich eraan. De Boeddha legde hem uit dat in de termen van de Vinaya men met iemand die beweerde zich te hebben afgezonderd van de wereld, bedoelde iemand die afzag van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefende en een beheerst gemoed had.

Uitleg:

Het doden van levende wezens is te overwinnen. Niet nemen wat niet is gegeven is te overwinnen. Liegen is te overwinnen. Lasteren is te overwinnen. Gierigheid, hebzucht is te overwinnen. Uitschelden is te overwinnen. Toorn is te overwinnen. Hoogmoed is te overwinnen.

Men overweegt aldus: als ik zou doden, stelen, liegen, lasteren, schelden, als ik gierig ben, hebzuchtig, toornig, of hoogmoedig, dan zou ik mij zelf daarvoor verwijten maken. En ook de wijze mensen zouden dat doen. Na de dood zou een ongelukkige sfeer van bestaan te verwachten zijn vanwege die dingen. En zelf zijn die dingen een boei en een hindernis. Terwijl neigingen, ergenis en koorts door het doden van levende wezens of door diefstal, liegen, lasteren, gierigheid, hebzucht, schelden, toorn of hoogmoed kunnen ontstaan, is er geen neiging, geen ergernis en geen koorts in iemand die zich ervan onthoudt.

Dit is het achterlaten van wereldlijke zaken. Maar het is nog niet volledig.

Men moet verder overwegen dat zinsgenot leed brengt. Men moet er niet aan hechten en gelijkmoedigheid gebaseerd op eenheid ontwikkelen. Nadat hij dan bij de hoogste oplettendheid is aangekomen waarvan de reinheid berust op gelijkmoedigheid, herinnert de edele discipel zich aan vele vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties. Dan treedt hij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij is van neigingen. En hij vertoeft erin. Dan is het opgeven van de wereld in de discipline van de edelen volledig.
__________

Met vriendelijke groet
Nico

2
Theravada Boeddhisme / Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 05-09-2018 20:11 »
Saddhā (vertrouwen)


Inleiding
   
   Een van de methoden van meditatie of contemplatie bestaat uit vertrouwen (saddhā). Dit is vertrouwen hebben in de Boeddha, in zijn leer en in de Orde van de heilige monniken, de Ariyasangha.
   Ook door vertrouwen kan men het hoogste heil verwerven. Door vertrouwen en devote meditatie worden de gedachten gericht op één punt. Het denken is goed wanneer wij de gedachten vestigen op de Boeddha, op zijn leer of op de gemeenschap van de monniken. Ook kan men dagelijks aandachtig een stukje lezen over de Boeddha of zijn leer, of een bepaald facet van de leer overdenken. Dit behoort eveneens tot saddhā.

   Saddhā, devote meditatie, vertrouwen voert tot een kalme, rustige geest. En daardoor kan het hoogste geluk bereikt worden.

   De Boeddhist(e) heeft vertrouwen indien hij of zij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte (M.53) of in de Drie Juwelen door zijn/haar toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Dat vertrouwen moet dan gemotiveerd zijn door en gegrond in begrip. Ook wordt aan de Boeddhist(e) gevraagd om het object van zijn/haar vertrouwen te onderzoeken en te testen. (M.47)
   Het vermogen van vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met het vermogen van wijsheid. Door begrip en wijsheid wordt vertrouwen een innerlijke zekerheid en een vaste overtuiging die gebaseerd is op eigen ervaring. Geloof is het zaad genoemd van alle heilvolle toestanden (Sn.I.4, vers 77). Want het inspireert de geest met zelfvertrouwen en vastberadenheid om de stroom van samsāra (het steeds weer geboren worden en sterven) over te steken.
Saddhā, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste.*1] Ook is vertrouwen een van de vijf geestelijke eigenschappen*2] en één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.*3]

   Vertrouwen is het zaaigoed en ascese is de regen;
   wijsheid is juk en ploeg.
   Schaamte is de dissel
   en de geest is de verbinding;
   oplettendheid is ploegschaar en drijfstok.
   (Sn.I.4, vers 77).

   Volgens het commentaar op bovenstaand vers is de betekenis ervan als volgt. Het zaad hecht zich beneden vast door middel van de wortels en laat een kiem ontstaan naar boven. Zo is het ook met vertrouwen. Van onderen staat het vast als wortel van deugdzaamheid; naar boven laat het de kiem van geestelijke rust en inzicht ontstaan.

   Als men geneigd is tot piekeren, tot bezorgdheid, dan is een denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde een grote hulp. Het gemoed wordt stil, en met een stil en vredig gemoed ziet men de dingen anders dan voorheen. De slang die vrees inboezemde, wordt met kalme geest gezien voor wat ze werkelijk is: een gewoon touw waarvoor men geen angst hoeft te hebben. Het reciteren van (Pali-)teksten of het denken aan het Drievoudige Juweel heeft dus ook een geruststellende functie.

   Denken aan het Drievoudige Juweel behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het brengt kalmte van geest. Want de Gezegende is vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van illusie. Daarom is hij niet meer geneigd tot angst, vrees, bezorgdheid en gejaagdheid. En om die reden straalt er een grote rust uit van de Boeddha, van zijn leer en van zijn heilige volgelingen. (zie: S.XI.3)
   Het principe is eigenlijk heel eenvoudig. Er ontstaat steeds maar één gedachte. Twee of meer gedachten kunnen niet op eenzelfde moment bij iemand verschijnen. Door nu onze gedachten te richten tot de verheven Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen kunnen gedurende die tijd geen andere en nadelige gedachten onze geest beïnvloeden. Een zekere mate van stilheid van geest kan men dus bereiken door te denken aan het Drievoudige Juweel.
_____
1] Zie puñña-dhārā in: Nyanaponika: Buddhist Dictionary, 4th ed. 1980, p. 180.
2] zie indriya in: Buddhist Dictionary 1980, p. 78.
3] zie dhana, in: Buddhist Dictionary 1980, p. 57.


3

Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden


   In het Boeddhaforum is al eens iets gepost over afhankelijk of oorzakelijk ontstaan. Zie o.a. het topic: Algemeen: vraagje aangaande afhankelijk ontstaan. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,314.0.html
en het topic: Wijsheden: Voorwaardelijk ontstaan http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,136.msg480.html#msg480
   
Ik post dit thema hier iets uitgebreider als deel van de contemplaties die leiden naar Nibbana. Het is daarbij onvermijdelijk dat herhaald wordt wat al gepost is.


Nico

4
Theravada Boeddhisme / Oplettendheid bij het in- en uitademen
« Gepost op: 27-08-2018 19:17 »

Oplettendheid bij het in- en uitademen



Inleiding

      Door de concentratie op de ademhaling wordt rust, kalmte verkregen. De adem wordt daarbij niet op een speciale manier langer of korter ingehouden. Maar de ademhaling is het punt waarop de aandacht steeds weer gevestigd wordt. Of wij nu kort of snel in- en uitademen, of wij langzaam in- en uitademen, wij letten er gewoon op, zonder de natuurlijke ademhaling te verstoren. En als de gedachten afdwalen, dan moet de oplettendheid die gedachten weer terugbrengen naar de ademhaling.

   Concentratie op de ademhaling behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)
   
   De concentratie op het in- en uitademen is stil, uitstekend, een vertoeven in smetteloos geluk. Welke slechte onheilzame dingen ontstaan, die worden terstond tot verdwijnen gebracht en komen tot rust. (S.54.9)

   De Verhevene vertoefde vaak in de concentratie op de ademhaling. Hij noemde het “edel vertoeven”. Deze concentratie, ontplooid en ontwikkeld, voert naar de opheffing van de neigingen.
   En degenen die volmaakte heiligen zijn, hen voert de concentratie op het in- en uitademen al in dit leven tot een gelukkig vertoeven in oplettend helder bewustzijn. (S.54.12; zie ook A .I.26)

   Wie wenst dat zijn lichaam niet moe wordt noch zijn ogen, en wie zonder hechten verlost wil worden van de neigingen, die moet zijn opmerkzaamheid richten op de concentratie van bedachtzame in- en uitademing.
   Wenst men dat de herinneringen en plannen waaraan men gewend is, overwonnen worden, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men dat men het niet walgelijke als walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men dat men het walgelijke als niet walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men dat men het niet walgelijke en het walgelijke als iets walgelijks waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men dat men het walgelijke en het niet walgelijke als iets niet walgelijk waarneemt, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men dat men het niet walgelijke en het walgelijke beide achter zich laat en gelijkmoedig vertoeft, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men de vier jhanas te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men de vier vormloze meditatieve verdiepingen te bereiken en erin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wenst men na volledige overwinning van de grens van mogelijke waarneming de opheffing van waarneming en gevoel te bereiken en daarin te vertoeven, dan moet men concentratie bij het in- en uitademen beoefenen.
   Wanneer de concentratie op de ademhaling op die manier ontplooid en ontwikkeld is, en wanneer men dan een aangenaam of een onaangenaam gevoel ondervindt, dan ziet men in dat het onbestendig is, onvoldaan. Men eigent zich dat gevoel niet meer toe.
   Men ziet in dat, wanneer het lichaam uiteenvalt en de levenskracht opgebruikt is, alles wat hier nog als waarneembaar is, koel geworden is hoewel ook zonder voldoening. (S.54.8 )

   Wanneer de oplettendheid op de ademhaling (ānāpānasati) ontplooid en geoefend wordt, heeft zij grote vrucht en veel nut. Zij vervolmaakt de vier grondslagen van oplettendheid (satipatthāna). Wanneer de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en geoefend worden, vervolmaken zij de zeven factoren van Verlichting (bojjhanga). Wanneer de zeven factoren van Verlichting ontplooid en geoefend worden, vervolmaken zij echt weten en bevrijding. (M.118; zie ook S.54.13)

5
Theravada Boeddhisme / Het beschouwen van het lichaam
« Gepost op: 14-08-2018 13:17 »
Het beschouwen van het lichaam   


   De beschouwing van het lichaam is een van de 37 elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35)
   Wanneer iemand de beschouwing van het lichaam vaak heeft geoefend, dan voert dat tot hoge zekerheid, tot het verkrijgen van inzicht, tot tegenwoordig welbevinden. Het lichaam wordt kalm en ook de geest; denken en overwegen worden kalm en ook zullen alle dingen die naar het weten voeren tot volle ontplooiing komen. De beschouwing van het lichaam brengt de vrucht van de bevrijding door weten tot bloei.

Beschouwing van het lichaam I

   Wanneer iemand zijn gedachten richt op de oceaan, dan zijn daarin voor hem ook ingesloten de kleine rivieren die erin uitmonden. Evenzo zijn voor degene die de beschouwing van het lichaam heeft ontplooid en vaak heeft geoefend, daarin inbegrepen alle heilzame dingen die naar het weten voeren.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze tot sterke ontroering, tot hoog heil, tot hoge zekerheid, tot oplettendheid en helder weten, tot het verkrijgen van inzicht, tot tegenwoordig welbevinden, en ze brengt de vrucht van de bevrijding door weten tot bloei.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, wordt daardoor het lichaam kalm, de geest wordt kalm, denken en overwegen worden kalm en ook zullen alle dingen die naar het weten voeren tot volle ontplooiing komen.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, komen daardoor de niet ontstane onheilzame dingen niet tot ontstaan en de ontstane onheilzame dingen verdwijnen.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, dooft daardoor de onwetendheid uit, het weten ontwaakt, de waan van “ik” verdwijnt, de neigingen (anusaya) worden uitgeroeid en de boeien (samyojana) vallen af.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar de veelvuldige soorten weten en naar het Nibbana zonder hechten (anupādā-parinibbāna).
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het doordringen van de veelvuldige, verschillende elementen, tot onderscheid van de veelvuldige elementen.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, brengt ze de vrucht van stroomintrede tot rijpheid, en ook de vrucht van eenmaal wederkeer, de vrucht van niet meer wederkeer en de vrucht van heiligheid.
   Wanneer de beschouwing van het lichaam ontplooid en vaak geoefend wordt, voert ze naar het verkrijgen van weten, tot toename en overvloed ervan, tot toestanden van het hoge, brede, grote, diepe, onvergelijkbare, uitgebreide en rijke weten, tot toestanden van het snelle, wendige, heldere, aansporende, scherpe en doordringende weten. (A.I.36)


6
Theravada Boeddhisme / Contemplatie over de dood
« Gepost op: 02-08-2018 20:18 »
Contemplatie over de dood


   De contemplatie over de dood behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

   Contemplatie over de dood, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoog loon en zegen; ze mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61; A.V.71; A.V.303; A.VII.45; A.IX.16; A.IX.93; A.X.56; A.X.217-219)

   Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van de dood, diens geest deinst terug voor de levenslust, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII.45)

1. Contemplatie over de dood I.
   
   Eens vertoefde de Verhevene in het bakstenen huis nabij Nātika. Daar wendde hij zich tot de monniken met de volgende woorden:
   "De contemplatie over de dood, monniken, ontplooid en vaak beoefend, brengt hoge beloning en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze.
   Monniken, beoefenen jullie wel de contemplatie over de dood?"
   Na deze woorden gaf een van de monniken aan de Verhevene ten antwoord: "Heer, ik beoefen de contemplatie over de dood."
   "Hoe dan, monnik, beoefen je de contemplatie over de dood?"
   "Ik denk dan, Heer: 'Dat het mij toch vergund is om nog een dag en een nacht te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.' Op deze manier, Heer, beoefen ik de contemplatie over de dood."
   Iemand anders van de monniken echter sprak tot de Verhevene: "Ook ik, Heer, beoefen de contemplatie over de dood." - "Hoe dan, monnik, beoefen jij ze?"
   "Heer, dan denk ik: 'Dat het mij toch vergund is om nog deze dag te blijven leven. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overdenken. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.’"
   (En andere monniken antwoordden:) 'Dat het mij toch vergund is om nog een halve dag te blijven leven - nog zo lang als een aalmoezenmaaltijd duurt - nog zo lang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - nog zo lang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen rijst duurt - nog zo lang als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. - Dat het mij toch vergund mag zijn om nog te blijven leven gedurende de tijdspanne die tussen een inademing en een uitademing ligt of tussen een uitademing en een inademing. Ik wil nog graag de instructie van de Verhevene overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken!"

   Na deze woorden sprak de Verhevene als volgt tot de monniken:
   "Monniken, degenen die de contemplatie over de dood beoefenen door te denken: 'Dat het mij toch vergund is om één dag en één nacht te blijven leven - nog één dag - een halve dag - zo lang als een aalmoezenmaaltijd duurt - zo lang als een halve aalmoezenmaaltijd duurt - zo lang als het samenkneden en inslikken van vier of vijf happen duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken!' - van deze monniken zegt men dat zij achteloos leven en op een langzame manier de contemplatie over de dood beoefenen, om de opdroging van de neigingen te bereiken.
   Maar van die monnik die de contemplatie over de dood beoefent waarbij hij denkt: 'Dat het mij toch vergund is om zo lang te blijven leven als het samenkneden en inslikken van een enkele hap rijst duurt. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.'
   Of hij denkt: ‘Dat het mij toch vergund is om nog in leven te blijven gedurende de tijdspanne die ligt tussen inademen en uitademen, of tussen uitademen en inademen. Ik zou nog graag de instructie van de Verhevene willen overwegen. Waarlijk, veel zou ik dan nog kunnen bereiken.'
   Van een degelijke monnik zegt men dat hij in volle ernst leeft en ijverig de contemplatie over de dood beoefent om de opdroging van de neigingen te bereiken.
   Daarom moeten jullie ernaar streven: 'Vol ernst willen wij leven en ijverig de contemplatie over de dood beoefenen, om de opdroging van de neigingen te bereiken.' Monniken, dat moet jullie streven zijn." (A.VIII.73)


7
Theravada Boeddhisme / Contemplaties: op weg naar heiligheid
« Gepost op: 02-08-2018 15:22 »
Contemplaties, inleiding


Inleiding
 
     Ten tijde van de Boeddha waren er twee monniken: de een was nog een wereldling maar was wel bedreven in de verzen van de leer. In de praktijk oefende hij echter niet uit wat hij theoretisch wist. De andere monnik kende weinig van buiten maar hij beoefende de leer in de praktijk. Na niet lange tijd verwerkelijkte hij Nibbāna en genoot de vruchten van het heilige leven. De geleerde monnik wilde de ander in de war brengen door hem enkele ingewikkelde vragen te stellen in tegenwoordigheid van de Boeddha. Maar de Verhevene kende de lage beweegreden. Zelf stelde hij enkele vragen die verband hielden met de verwerkelijking van de leer. De arahant beantwoordde ze allemaal vanuit eigen ervaring. Maar de geleerde monnik kon dat niet omdat hij geen enkel van de paden van heiligheid bereikt had. Daarop prees de Boeddha de arahant met de woorden:
      “Al reciteert men ook veel uit de heilige teksten, maar als men er niet overeenkomstig naar handelt, dan is die onoplettende persoon als een koeherder die het vee van anderen telt. Hij heeft geen deel aan de vruchten van het heilige leven.
      Al reciteert men weinig uit de heilige teksten, maar als men wel overeenkomstig de leer handelt, als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.”  (Dhp.19 en 20).
 
   In diverse topics is geschreven over de vrede van de volmaakte heilige en over Nibbana, het doodloze, het hoge doel, de opperste vrede. Maar door schrijven en/of lezen erover bereikt men die vrede niet.

   Omdat niet iedereen een gelijke aard heeft, heb ik enkele manieren bijeengebracht door welke men door dagelijkse oefening dat doel kan bereiken. Of waardoor ten minste het pad van heiligheid betreden kan worden. Door het beoefenen van een of meerdere ervan is succes verzekerd.

   In het topic >De leek – overwegingen< http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2385.0.html
zijn de vijf overwegingen voor iedereen vermeld. Ook zijn er opgenomen de toespraak over uitwissing en de overweging van de tien volmaaktheden.
   In het topic >Metta< http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2383.0.html
is het overdenken en uitstralen van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid behandeld.
   De grondslagen van oplettendheid zijn besproken in het topic >De vier grondslagen van oplettendheid< http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2570.0.html
   En de drie kenmerken van het leven, dukkha, anicca, anatta, onvoldaanheid, vergankelijkheid, niet-zelf, zijn behandeld in het topic >De drie aspecten van het leven<
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2492.0.html


   In dit topic hier behandel ik contemplaties, overwegingen die vroeger vooral voor monniken bedoeld waren. Maar zij kunnen tegenwoordig ook door leken beoefend worden. Het regelmatig overwegen ervan leidt naar onthechting, naar het inzien van de waarheid, naar de bevrijding, naar de volledige vrede van het gemoed.

   De volgende thema's zullen worden vermeld:
Contemplatie over de dood.
Het beschouwen van het lichaam.
Oplettendheid bij het in- en uitademen.
Oorzakelijk ontstaan en opheffing van lijden.
Saddha, eerbetoon en vertrouwen.

   Wanneer iemand op zo'n manier ook maar een ogenblik oefent, dan oefent hij niet tevergeefs. Hij volgt de regels van de Meester, handelt in overeenkomst met zijn instructies. (A.I.35)

        Contemplatie is in één opzicht als veel andere activiteiten, zoals sport, kunstnijverheid en vaardigheden van allerlei soorten. Voor al die activiteiten zal men nooit bekwaam worden door er alleen maar over te praten of erover te lezen. In elke vaardigheid krijgt men deskundigheid door ze te doen.
   Contemplatie zal slechts van beperkt nut zijn indien men ze af en toe beoefent. De sleutel tot succes erin is het zich inzetten om minstens één keer per dag  te contempleren. Als men alleen oefent wanneer men er zin in heeft, dan zal de contemplatie zeer waarschijnlijk niet veel resultaat brengen.
   Dagelijkse contemplatie – al is het maar 5, 10 of 15 minuten – brengt vooruitgang op het pad.

Met vriendelijke groet
Nico

Verder gaat het met: Contemplatie over de dood. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2703.0.html

8
Theravada Boeddhisme / De toekomst van het Boeddhisme
« Gepost op: 30-07-2018 11:37 »
De toekomst van het Boeddhisme
 
   In een leerrede (D.26) heeft de Boeddha Gotama gesproken over de aanstaande Boeddha Metteyya. Deze Verhevene zal geboren worden in Jambudipa (India/Nepal) in een tijd als dat land bloeiend en welvarend zal zijn. Maar eerst zal er een lange periode van geleidelijk verval komen.
   Als het verval op een dieptepunt is gekomen, zal er een wending ten goede volgen. Er zal een tijd van opbloei komen. En dan zal de Boeddha Metteyya verschijnen, tot heil en zegen voor goden en mensen. (D.26)
   Maar thans leven wij nog in het tijdperk van de Boeddha Gotama. Diens leer zal verdwijnen. Na de instelling van de Bhikkhuni Sangha zou de Boeddha gezegd hebben dat zonder vrouwen de Brahma-weg 1000 jaren duurde, maar met vrouwen in de Orde zou die weg slechts 500 jaren duren.*1] Echter, die tekst is later toegevoegd. Het verval en het verdwijnen van de leer van de Boeddha is afhankelijk van het wel of niet goed nakomen van de plichten van de monniken. De Boeddha noemde meerdere gevaren:
_____
*1] Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in
: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 164-165.

9
Theravada Boeddhisme / Ontwikkeling van het Boeddhisme
« Gepost op: 22-07-2018 18:05 »
Ontwikkeling van het Boeddhisme

Ook de leer van de Boeddha is onderhevig aan verandering en verval. Na de serie met informatie over het leven en de leer van de Boeddha Gotama geef ik hier wat informatie over de ontwikkeling van de leer van de Verhevene.
Hoewel ook het Mahayana kort besproken wordt, post ik dit onderwerp toch liever bij het Theravada, en niet bij Mahayana of bij Algemeen.


Nico


Inleiding

   Volgens de traditie van het Theravāda is de Boeddha geboren in 623 voor Christus te Lumbini, in de zuidelijke vlakte van Nepal. Hij is overleden[1] in 543 voor Christus, te Kusinara (Kushinagar) in de deelstaat Bihar, India.[2] De boeddhistische tijdrekening begint met het overlijden van de Boeddha, niet met zijn geboorte. Dit is in tegenstelling tot de christelijke tijdrekening die met de geboorte van Jezus Christus begint.
   In Europa is de christelijke tijdrekening gebruikelijk en niet de boeddhistische. Daarom worden zoveel mogelijk beide tijdrekeningen vermeld. Hier is de Theravāda-traditie gevolgd en is geen rekening gehouden met andere tradities of met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de juiste data van geboorte en overlijden van de Boeddha.
   Volgens de Theravāda-traditie is de Boeddha overleden in de maand Vesakha (mei), op de dag van volle maan. Het boeddhistische jaar zou dus eigenlijk moeten beginnen in mei. Maar het is nu de gewoonte geworden om het nieuwe boeddhistische jaar te beginnen op 1 januari.

   In het begin was de leer van de Boeddha een leer van zending. Want de Verhevene wilde niet eerder definitief heengaan voordat zijn monniken en nonnen en zijn mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen het woord van de Meester konden meedelen, tonen, verkondigen, vestigen, openbaar maken, in detail uitleggen en duidelijk maken. Niet eerder wilde hij definitief uitdoven totdat zij, wanneer vijandige opinies ontstonden, in staat waren die grondig en wel te weerleggen. Niet eerder wilde hij definitief uitdoven totdat zij de leer die overtuigt en bevrijdt, konden verkondigen.
   Na het eerste regenseizoen zond de Boeddha zijn discipelen die allen volmaakte heiligen waren, heen in alle richtingen om de leer te verkondigen.[3]
_____
[1] Overlijden wordt hier in de letterlijke betekenis van het woord gebruikt, namelijk: “over het lijden heen.” Alleen de volmaakte heiligen overlijden; de anderen sterven, gaan dood of gaan heen naar een andere sfeer van bestaan. Voor hen is de aanduiding “overlijden” niet juist.
[2] Volgens anderen is het jaar 483 voor Chr. waarschijnlijker. (Geiger, Wilhelm (tr.):
The Mahāvamsa or the Great Chronicle of Ceylon. London 1980, p. xxii-xxxi).
[3] Piyadassi Thera:
The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970. The Wheel No. 5ab; Vin.Mv.Kh.1. Zie ook: Piyadassi Thera: Aspects of Buddhism. (repr.) Kandy 1976, Bodhi Leaves No. B 21; en D.14.


10
Smetten van de geest, niveaus van heiligheid, soorten van bevrijding

   Door Sybe is al gepost het topic: de vier paden en zuivering http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2120.0.html , en het topic stroom-intrede(r) http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2398.0.html . In beide topics is iets over de paden van heiligheid en de smetten uitgelegd.
   In 2016 ben ik begonnen met het topic: Niveaus van heiligheid. Ik kon toen niet verder gaan met dat thema. Nu vind ik dat die titel de inhoud niet helemaal dekt, en daarom dit nieuwe topic.
     Hier ga ik het thema heiligheid in het Boeddhisme uitgebreid bespreken. Eerst worden de hindernissen, boeien en smetten van de geest uitgelegd, dan volgen de vier niveaus van heiligheid, en tot slot worden de soorten van bevrijding besproken.

   Bij de vermelding van de suttas gebruik ik nog de afkortingen zoals die in West-Europa gebruikelijk zijn/waren voordat door Amerikaanse invloed andere afkortingen in zwang kwamen.
A = AN = Anguttara Nikaya
D = DN = Digha Nikaya
M = MN = Majjhima Nikaya
S = SN = Samyutta Nikaya
Sn = Sutta Nipata

Geraadpleegde bronnen

Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy : BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 73.
Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden : Fourier, [s.a.]
Dhammananda, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988.
The Discours on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8,’ in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy: BPS, 1964, The Wheel Publication 61/62, p. 30-42.
Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy : BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.
Horner, I.B. (transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy : BPS, 1974,The Wheel No. 198.
Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya), Vol. I. : The first fifty discourses (Mūlapaņņāsa). Oxford 2000,
Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.
Ireland, John D. (tr.): The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy : BPS, 1991.
Katz, Nathan: Buddhist Images of Human Perfection. The Arahant of the Sutta Pitaka Compared with the Bodhisattva and the Mahâsiddha. Delhi, 1989 [1982]
Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).
Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).
Ñânananda, Bhikkhu: An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972, The Wheel No. 183/185
Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 188, p. 19-22.
Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy : BPS, 2524/1980.
Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).
Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pāli-Kanons, Wien 1956,
Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.
Nyânaponika Thera: The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Edited by Nyânaponika Thera. Kandy : BPS, 1964, The Wheel No. 61/62.
Nyanaponika Thera (comp. & tr.) The Five Mental Hindrances and their Conquest. Selected Texts from the Pali Canon and the Commentaries. (repr.) - Kandy : BPS, 1973, The Wheel No. 26. (1st ed. Colombo 1947).
Nyanaponika (Übers.) Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).
Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.
Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.
Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).
Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).
Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.
Perera, T.H.: The Four Cankers (Āsavas). Kandy : BPS, 1967, Bodhi Leaves No. B 35.
Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1960. The Wheel no. 1,
Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.
Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford : PTS, 1993. (1st. ed. 1915).
Seidenstücker, Karl (übers.) Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]
Soma Thera (tr.): The Lesser Discourse of the Buddha on the Elephant-footprint Simile, Kandy 1960, Bodhi Leaves No. B.5.
Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.
The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.
Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).
Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).


11
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 8. Definitieve heengaan, crematie en de verdeling van de relieken.




Kushinagar, crematiestoepa



8.1. De volledige uitdoving van de Verhevene
 
      Toen trad de Verhevene in de eerste meditatieve verdieping. Hieruit dook hij op en trad in de tweede meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de derde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de vierde meditatieve verdieping. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van ‘oneindige ruimte’. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van ‘oneindig bewustzijn’. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van ‘niets is er’. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van ‘noch waarneming noch niet waarneming’. Hieruit opduikend trad hij in de sfeer van ‘ophouden van waarneming en gevoel’. (S.VI.15; D.16) [350]
      Toen zei de eerwaarde Ānanda tot de eerwaarde Anuruddha: “Heer Anuruddha, de Verhevene is volledig uitgedoofd.” – “Neen, vriend Ānanda, de Verhevene is niet volledig uitgedoofd. Ingegaan is hij in de sfeer van ‘ophouden van waarneming en gevoel’.” (D.16) [351]
      Uit de sfeer van het ophouden van waarneming en gevoel opduikend trad de Verhevene achtereenvolgend in de sfeer van ‘noch waarneming noch niet waarneming’, de sfeer van ‘niets is er’, de sfeer van ‘oneindig bewustzijn’ en de sfeer van ‘oneindige ruimte’. Hieruit opduikend trad hij achtereenvolgend in de vierde meditatieve verdieping, de derde meditatieve verdieping, de tweede meditatieve verdieping en de eerste meditatieve verdieping. Uit de eerste meditatieve verdieping opduikend trad hij weer in de tweede meditatieve verdieping, de derde meditatieve verdieping en de vierde meditatieve verdieping.[352] En hieruit opduikend is dan de Verhevene volledig uitgedoofd. (S.VI.15; D.16)  [353]
_____
[350] Volgens de tekst van het sutta doorliep de Boeddha alle fasen van meditatieve verdiepingen die zowel tot de grofstoffelijke als de fijnstoffelijke sferen behoren (met vorm en zonder vorm). Rhys Davids merkte op dat niemand geweten kan hebben wat er precies gebeurde. De grenzen tussen de negen fasen berusten zuiver op vermoedens. (Gnanarama 1997, p. 30-31).
[351] In de sfeer van ‘ophouden van waarneming en gevoel’ is er geen in- en uitademing meer. (An 2003, p. 184 noot 5).
[352] Niemand kan precies hebben geweten wat er toen precies gebeurde in de geest van de Boeddha. (An 2003, p. 185 noot 4).
[353] Volgens de Sarvastivādins was het overlijden van de Boeddha op de achtste dag van de tweede helft van de maand Kartika, d.i. oktober-november. Dit is niet volgens de traditie van het Theravāda, maar deze datum is dichter bij de volgorde van gebeurtenissen die in het sutta vermeld worden. (Gnanarama 1997, p. 35).

12
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan.


7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan
   
   Deze toespraak is niet te vinden in de Pāli-Canon maar is tot ons gekomen via de Chinese vertaling van Acarya Kumarajiva die gestorven is in het jaar 956 na Boeddha (= 412 na Chr.). Deze toespraak is weliswaar gericht tot monniken, maar er is ook veel goede raad voor leken in te vinden. Deze toespraak is in China erg populair. Ze is in het Engels vertaald door Bhikkhu Khantipālo: The Buddha's Last Bequest. A Translation from the Chinese Tripitaka. Kandy 1967. The Wheel No. 112. - Door de eerwaarde Bhikkhu Khantipālo is opgemerkt dat deze redevoering zeer overeenkomt met de strekking van de leer. De leringen erin zijn in overeenstemming met de canonieke traditie. Gedeeltes ervan komen ook voor in het Mahāparinibbāna Sutta (D.16).

7.1. Aansporing over het houden van de voorschriften
 
      “Monniken, na mijn definitieve heengaan moeten jullie de voorschriften van de Patimokkha eerbiedigen en hoogachten.[319] Behandelt ze als een licht dat jullie hebben ontdekt in de duisternis; of behandelt ze zoals een arme man een door hem gevonden schat zou behandelen. Jullie moeten weten dat zij jullie belangrijkste gids zijn. En ze moeten na mijn heengaan door jullie niet anders nagekomen worden dan toen ik nog in de wereld verbleef. Als jullie de voorschriften in zuiverheid willen onderhouden, dan moeten jullie u niet overgeven aan kopen, verkopen of ruilhandel. Jullie moeten geen velden of gebouwen begeren, noch knechten, dienaren of dieren verzamelen.[320] Jullie moeten alle soorten van bezit en rijkdom ontvluchten zoals jullie een vuur of een diepe kuil zouden vermijden. Jullie moeten geen gras snijden of bomen kappen, noch nieuw zaad zaaien of de aarde ploegen. Evenmin moeten jullie medicijnen samenstellen, waarzeggerij of toverij uitoefenen volgens de positie van de sterren of horoscopen trekken bij het opkomen of verdwijnen van de maan. Noch moeten jullie dagen van geluk berekenen. Al deze dingen zijn onjuist voor een monnik.
      Gedraagt u in zuiverheid door alleen op de juiste tijden te eten en door een leven te voeren in zuiverheid en eenzaamheid. Jullie moeten u niet inlaten met wereldse zaken en ook geen geruchten verspreiden. Jullie moeten geen toverformules prevelen noch magische dranken mengen. Ook moeten jullie uzelf niet in vriendschap verbinden met machtige personen en aan hen en aan de rijken speciale vriendschap tonen en degenen die wereldse rijkdom, macht etc. missen, met minachting behandelen. Al zulke dingen moeten niet gedaan worden.
      Met standvastige geest[321] en met juiste oplettendheid moeten jullie zoeken naar Verlichting. Verbergt jullie (inwendige) fouten niet, noch verricht (uitwendige) wonderen, door welke beide dingen jullie zelf en andere mensen op het verkeerde pad geleid worden. Wat betreft de vier offergaven, bent er tevreden mee en weet wat voldoende is.[322] Neemt ze in ontvangst als ze aangeboden worden maar hamstert ze niet. Dit is in het kort wat bedoeld wordt met het nakomen van de voorschriften. Deze voorschriften zijn fundamenteel voor een leven dat gebaseerd is op de leer en discipline en zij komen precies overeen met vrijheid (mokkha), en daarom heten zij Pātimokkha. Door erop te vertrouwen, kunnen jullie alle graden bereiken van geconcentreerdheid (samādhi) en eveneens de kennis van de uitdoving van onvoldaanheid (dukkha).[323] Om deze reden, monniken, moeten jullie steeds de voorschriften in zuiverheid onderhouden en ze nooit breken. Als jullie deze voorschriften zuiver kunnen houden, bezitten jullie een uitstekende methode om de Verlichting te bereiken; maar als jullie dat niet doen, zal geen verdienste van enige soort aan u toekomen. Jullie behoren om die reden te weten dat de voorschriften de voornaamste verblijfplaats zijn van de verdienste die als resultaat heeft dat zowel lichaam als geest tot rust komen.”
_____
[319] Definitieve heengaan = parinibbana; Patimokkha: de 227 fundamentele regels van oefening voor Boeddhistische monniken.
[320] dieren: dit heeft ongetwijfeld betrekking op dieren als bezit, zoals vee. In het oude India werd rijkdom gemeten aan het bezit van koeien, paarden en andere veestapels. (Khantipālo 1967, p. 26 noot 4).
[321] geest: hoewel ‘citta’ meestal gemakshalve vertaald wordt met ‘geest’, moet men in gedachten houden dat de term ‘citta’ gevoelens, gewaarwordingen, wilsactiviteiten en bewustzijn insluit. (Khantipālo 1967, p. 26 noot 5).
[322] Leken bieden aan Boeddhistische monniken en nonnen aan: kleren, voedsel, onderdak en medische benodigdheden. Dit zijn de vier ondersteuningen van een monnik. (Khantipālo 1967, p. 26 noot 6).
[323] Hoewel ‘dukkha’ vaak weergegeven wordt met ‘lijden’, kan dit misverstand veroorzaken, omdat ‘lijden’ niet de volle omvang of kracht van het Pāli-woord ‘dukkha’ omvat. Elke ervaring, ruw of fijn, geestelijk of lichamelijk, die op de een of andere manier onvoldaanheid is, is dukkha. (Khantipālo 1967, p. 26 noot 7).






13
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. – 6. Te Kusinara.
 
6. Te Kusināra
 

Kushinagar, liggende Boeddha in Nibbana tempel



6.1. De verering van de Volmaakte
 
      Daarna zei de Verhevene tot Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar de andere oever van de rivier Hiraññavatī[222] gaan, naar het sala-bosje van de Mallas,[223] het stadspark van Kusināra.” - “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord. Toen begaf de Verhevene zich samen met een grote schare monniken[224] naar de andere oever van de rivier Hiraññavatī, naar het sala-bosje van de Mallas, het stadspark van Kusināra. Daar sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Maak a.u.b. tussen de tweeling-salabomen voor mij een ligplaats[225] gereed, met het hoofd naar het noorden.[226] Ik ben moe en zou graag gaan liggen.”[227] – “Ja, Heer,” gaf de eerwaarde Ānanda aan de Verhevene ten antwoord en deed wat hem verzocht was. Toen ging de Verhevene op de rechterzijde neerliggen, in de leeuwenpositie,[228] met de ene voet op de andere,[229] oplettend en helder bewust.
      In die tijd nu waren de tweeling-sālabomen in volle bloei, hoewel het niet het seizoen ervoor was. Een regen van bloesem daalde neer op het lichaam van de Volmaakte, bestrooide en overdekte het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte.[230] Hemelse koraalbloemen vielen uit de lucht naar beneden. Zij bestrooiden het lichaam van de Volmaakte en overdekten het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte. Hemelse poeder van sandelhout[231] viel uit de lucht naar beneden, bestrooide en overdekte het lichaam van de Volmaakte geheel en al,[232] als teken van verering voor de Volmaakte. In de lucht speelden hemelse muziekinstrumenten als teken van verering voor de Volmaakte. En ook weerklonk in de hoogte hemels gezang als teken van verering voor de Volmaakte.[233]
      Toen sprak de Verhevene tot Ānanda: “Ānanda, in volle bloei zijn de tweeling-salabomen hoewel het niet het seizoen ervoor is. Zij bestrooien het lichaam van de Volmaakte, overdekken het, bedekken het geheel en al, als teken van verering voor de Volmaakte. Ook vallen hemelse koraalbloemen en valt hemels poeder van sandelhout uit de lucht omlaag, waardoor het lichaam van de Volmaakte bestrooid en geheel en al overdekt wordt, als teken van verering voor de Volmaakte. En hemelse muziekinstrumenten spelen in de lucht en ook weerklinkt hemels gezang in de hoogte, als teken van verering voor de Volmaakte.” (D.16)
 _____
[222] Deze rivier is geïdentificeerd met de huidige Kleine Gandaka. (An 2003, p. 132 noot 6).
[223] In het commentaar van Buddhaghosa heette dit sala-bosje Upavattana.  (An 2003, p. 132).
[224] Nadat de Verhevene zijn pijn had onderdrukt in het dorp Beluva, kwamen de monniken die vernomen hadden dat hij weldra parinibbāna zou bereiken, van heinde en ver terwijl geen enkele monnik wegging. Daarom zou geen specifiek aantal zijn aangegeven. (An 2003, p. 132).
[225] Naar men zegt was er een bank in het park die bij grote gelegenheden alleen door de leiders van de naburige republiek gebruikt mocht worden. Bij andere gelegenheden konden voorbijgangers er gebruik van maken. (An 2003, p. 133 noot 2).
[226] Het is mogelijk dat de reden voor deze positie is dat het zuiden in India de richting van de dood is. Het zou ongeluk brengen als men met het hoofd naar het zuiden ligt. (An 2003, p. 133 noot 2).
[227] Commentaar: “Vanaf de stad Pāvā zijn het drie ‘gavutas’ tot Kusinārā. De Verhevene legde die afstand met grote inspanning af, waarbij hij onderweg op 25 plaatsen ging zitten. Zo bereikte hij het sala-bosje ten tijde van de schemering, toen de zon reeds onder was gegaan.”  (Vajira [et al.] 1964, p. 98 noot 49). – Een gavuta is een afstand die door een span ossen op één dag afgelegd kan worden. Ze is gelijk aan een vierde van een yojana.  – Volgens het Navakovāda is één yojana gelijk aan 15 km. Drie gavutas zijn dan 11,25 km.
   Volgens Chinese versies leed de Boeddha toen aan rugpijn. (An 2003, p. 133 noot 4). – Waarom maakte de Boeddha zoveel inspanningen om tot daar te komen? Hij kon op elke plek parinibbāna bereiken. Buddhaghosa noemde in zijn commentaar meerdere redenen, en wel (a) De Verhevene dacht: “Als ik parinibbāna ergens anders bereik, is er geen noodzaak om het Mahāsudassana sutta te onderrichten. (b) Als ik parinibbāna bereik in Kusinārā, zal ik het verworvene onderrichten dat ik ondervond in de menselijke wereld en dat ook in hemelse sferen van de goden ondervonden kan worden. (c) Nadat veel mensen naar mijn leer geluisterd hebben, zullen zij denken dat zij goed moeten doen.” En verder overlegde de Boeddha: “Als ik elders parinibbāna bereik, zal de monnik Subhadda mij niet zien. En die monnik kan alleen door de Boeddha bekeerd worden en niet door een van mijn discipelen. Als elders parinibbāna bereikt wordt, zal er grote ruzie ontstaan over de verdeling van de relieken. Maar in Kusināra zal de brahmaan Dona de ruzie bijleggen en de relieken verdelen.” (An 2003, p. 135-136). – De Boeddha zal zeer waarschijnlijk niet zo geredeneerd hebben. Het is aan te nemen dat Buddhaghosa’s vermelding van deze redenen gebaseerd is op zijn kennis van wat er verder in het Mahāparinibbāna sutta genoteerd is.
[228] Leeuwenpositie: de leeuw rust op zijn rechter zijde. (Masefield 1995 II, p. 1030). Zie ook voetnoot 216.
[229] De ene voet op de andere: de linker voet iets vóór de rechter. Als de ene enkel of knie op de andere enkel of knie drukt, wordt dat pijnlijk en de geest is dan niet geconcentreerd. De houding wordt onbehaaglijk. Maar als men de ene voet iets vóór de andere plaatst, wordt die houding niet pijnlijk, de geest wordt geconcentreerd en de houding is behaaglijk. (An 2003, p. 138; Masefield 1995 II, p. 1030).
[230] Volgens Buddhaghosa is bedoeld dat de takken van die sala-bomen geschud werden door de aardgodheden (bhummadevatā) en dat de bloesem afviel.  (An 2003, p. 139). - De aardgodheden behoren tot de laagste categorie van godheden. (A.IV.119) (Malalasekera 1974, Vol. II p. 384). Zij leven niet in de hemelse sferen maar op aarde, in bomen, in grotten, op bergen en in schrijnen.
[231] De poeder van sandelhout geschikt voor godheden. En niet alleen dat poeder, maar alle soorten van hemelse geurige poeders. (An 2003, p. 140).
[232] De geurige poeder viel alleen op het lichaam, niet ernaast. (An 2003, p. 140).
[233] Volgens Buddhaghosa wilden de goden met naam Varavāranā, wier levensspanne lang is, guirlandes maken bij de conceptie van de Verhevene. Die guirlandes waren bij de conceptie nog niet klaar. Zij wilden toen op andere gelegenheden die guirlandes aanbieden. Maar steeds waren de guirlandes niet gereed. Toen vernamen zij dat de Boeddha parinibbāna zou bereiken. Binnen de tijdsspanne van één hemelse dag was de conceptie, geboorte, Verlichting, en nu het definitieve heengaan van de Verhevene. Zij kwamen toen met onafgemaakte guirlandes en vonden een plaats aan de rand. Daar dansten zij met de armen op elkaars schouder en zij zongen over de drie Juwelen, de 32 kentekenen van de grote man, de 6-kleurige stralen, de tien volmaaktheden, de 550 Jātakas en de 14 soorten van kennis van de Boeddha. (An 2003, p. 141-143). - In alle Chinese versies, behalve een, ontbreekt het verslag van godheden die de Boeddha vereren met guirlandes, hemels sandelhout en hemelse muziek. Eén Chinese versie geeft een verhaal waarin de Boeddha een gandhabba (god van muziek) bekeert toen die godheid onder de sala-bomen lag. (An 2003, p. 141-143).



14
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 5. Van Vesali naar Kusinara.

 
5. Van Vesali naar Kusinara

Kushinagar, Nibbana tempel en stoepa;
op voorgrond ruïnes van klooster




5.1. De vier hoofdindelingen van de leer
 
      Te Bhandagāma sprak de Verhevene de monniken toe met de woorden: “Door het niet verwerkelijken, monniken, door het niet begrijpen van vier dingen is deze lange weg van geboortes en sterven doorlopen en ondergaan zowel door mij als door jullie. Het zijn de volgende vier dingen: (1) edele deugdzaamheid, (2) edele concentratie, (3) edele wijsheid, en (4) edele bevrijding.[181] Maar wanneer deze edele deugdzaamheid, en ook deze edele concentratie, deze edele wijsheid en deze edele bevrijding is begrepen en verwerkelijkt, dan is de begeerte naar bestaan afgesneden. Uitgeput is dan datgene wat voert naar nieuw bestaan. En er is geen nieuw worden meer.”
      Zo sprak de Verhevene. En daarna zei de Gezegende, de Meester, het volgende: “Deugdzaamheid, concentratie, wijsheid en onvergelijkbare bevrijding, al deze dingen zijn verwerkelijkt door Gotama, de beroemde; hij, de Boeddha, weet ze en hij onderwees de leer aan zijn monniken. Hij, de vernietiger van lijden, de Meester, de Ziener, is in vrede.”[182]
     
      En ook toen de Verhevene te Bhandagāma vertoefde, gaf hij aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”
 
      Toen dan de Verhevene te Bhandagāma had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar Hatthigāma gaan.” – “Jawel, Heer.”
       En de Verhevene nam zijn verblijf te Hatthigāma samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen dan de Verhevene daar naar zijn believen vertoefd had, nam hij zijn verblijf te Ambagāma en daarna te Jambugāma. En in elk van die plaatsen gaf de Verhevene veelvuldig aan de monniken deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.”
      En toen de Verhevene in Jambugāma naar zijn believen had vertoefd, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Bhoganagara gaan.” – “Jawel, Heer.”  (D.16)
 _____
[181] Deugdzaamheid (sīla), concentratie (samādhi), wijsheid (pañña) en bevrijding (vimutti) zijn de vier dingen waarop de Boeddhistische leer is gebaseerd.
[182]  Deze verzen zijn in het Kathavatthu vermeld m.b.t. het vernietigen van smetten door wereldlingen (Points of Contr. I.5, p. 84).




15
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 4. Te Vesali en Beluva.

4. Te Vesali en Beluva

Opgravingen te Vesali (1987)



Resten van de oude stad Vesali (2004); links op de achtergrond de zuil van Asoka


4.1. Oplettendheid en helder begrip

 
      Toen de Verhevene te Nādikā had vertoefd zolang als het hem behaagde, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Vesāli gaan.” – “Jawel, Heer.”
      En de Verhevene nam zijn verblijf te Vesāli samen met een grote gemeenschap van monniken. En hij vertoefde er in het bosje van Ambapāli.[113]
      Daar richtte de Verhevene zich tot de monniken met de woorden: “Monniken, oplettend moeten jullie leven, met helder begrip;[114] aldus spoor ik jullie aan. En hoe, monniken, leeft een monnik oplettend? Hij doet dat wanneer hij verblijft bij het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En ook leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van gevoelens bij gevoelens, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. Eveneens leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van de geest bij de geest, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En hij leeft ook oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van geestelijke objecten bij de geestelijke objecten, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen.
      En hoe, monniken, heeft een monnik helder begrip? Wanneer hij volledig bewust blijft van zijn komen en gaan, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn vooruit en zijwaarts kijken, en van zijn buigen en strekken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van het dragen van zijn gewaden en van het dragen van zijn nap, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn eten en drinken, van zijn kauwen en slikken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn ontlasten en urineren, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn gaan, staan, zitten, neerliggen, slapen gaan of wakker blijven, van zijn spreken of zwijgen, dan heeft hij helder begrip.
      Oplettend moeten jullie leven, monniken, met helder begrip; aldus spoor ik jullie aan.” (D.16)
 ____
[113] Het was het mango-park van de courtisane Ambapāli. (An 2003, p. 68-69).
[114] Volgens Buddhaghosa legde de Boeddha hier speciale nadruk op de meditatie van oplettendheid om de monniken in oplettendheid te vestigen bij het zien van de mooie Ambapāli. (An 2003, p. 69).


Voor de leerrede over oplettendheid, zie het topic: De vier grondslagen van oplettendheid.
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2570.0.html

16
2. Te Nālanda en te Pataligama
 
2.1. In het mango-bosje
 
      En ook in Nālandā, in het mango-bosje van Pāvārika, gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.” (D.16)
 
2.2. In het rusthuis
 
      Toen de Verhevene te Nālandā had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar Pātaligāma[80] gaan.” - “Jawel, Heer.”
      En de Verhevene ging op weg naar Pātaligāma samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen kwam het de toegewijde mensen van Pātaligāma ter ore: “Het schijnt dat de Verhevene te Pātaligāma is aangekomen.” En zij kwamen naar de Verhevene toe, groetten hem vol eerbied, gingen terzijde neerzitten en spraken hem toe met de woorden: “Heer, moge het de Verhevene behagen om ons rusthuis te bezoeken.”[81] Door zijn zwijgen stemde de Gezegende toe.
      Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, stonden de toegewijde mensen van Pātaligāma van hun zitplaatsen op. Zij groetten de Verhevene vol eerbied en gingen, met hun rechter zijde naar hem toegewend, naar het rusthuis. Zij maakten de zaal ervan gereed door de vloer ervan helemaal te bedekken. Zij maakten zitplaatsen klaar en stelden water en een olielamp gereed. Nadat zij dit gedaan hadden, keerden zij naar de Verhevene terug, groetten hem vol eerbied en gingen naast hem staan. Daarna deelden zij hem mede: “Heer, de zaal is gereed, de vloer ervan is helemaal bedekt. Zitplaatsen zijn klaargemaakt en water en een olielamp zijn gereed gezet. Heer, nu is het tijd voor de Verhevene om te doen wat hij passend vindt.”
      En de Verhevene maakte zich gereed, nam zijn nap en oppergewaad en begaf zich naar de zaal samen met de gemeenschap van monniken. Hij waste zijn voeten,[82] betrad de zaal en ging dicht bij de middenzuil zitten, met het gelaat naar het oosten gewend. Ook de monniken betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen zitten nabij de westelijke muur, met het gezicht naar het oosten, zodat de Verhevene voor hen was. En de toegewijde mensen van Pātaligāma betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen neerzitten nabij de oostelijke muur, met het gezicht naar het westen, zodat de Verhevene voor hen was.
 _____
[80] Pātaligāma was de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna. (An 2003, p. 51-52, noot 5).
[81] Rusthuis: Naar men zegt kwamen de aristocraten van Ajātasattu en die van de Licchavi koningen van tijd tot tijd samen te Pātaligāma en verdreven de bewoners van die plaats uit hun woningen. Zij bleven er dan een halve tot een hele maand en dat bracht veel ongemak voor de gezinnen. Daarom besloten de bewoners van Pātaligāma een grote hal te bouwen in het centrum van de stad. Die hal moest groot genoeg zijn dat iedereen er kon verblijven zonder anderen te storen. Een deel van de hal was bestemd om de goederen van de aristocraten op te slaan. Een ander deel ervan was om er te wonen. Weer een ander deel was voor reizigers op doortocht, en een ander deel was voor arme mensen. Een ander gedeelte van de hal was voor de zieken. De naam van die hal was “het rusthuis”. Aldus het commentaar van Dhammapāla en ook van Buddhaghosa. (Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford 1995, Vol. II, p. 1035-1036; en An 2003, p. 52).
   Volgens Dhammapāla was dat rusthuis juist klaar op de dag dat de Verhevene aankwam. De bewoners van Pātaligāma vonden het een grote eer als de Verhevene als eerste in hun rusthuis vertoefde. Daarom gingen zij naar de Boeddha toe en nodigden hem uit om het rusthuis te bezoeken. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1036). Volgens Buddhaghosa vroegen zij dit omdat zij dachten dat de Boeddha niet graag midden in een dorp of stad wilde vertoeven. (An 2003, p. 52).
[82] Volgens Dhammapāla was het wassen van de voeten niet nodig omdat stof en zweet nooit de voeten van de Verhevene bezoedelen. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1044).




17
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 

1. Te Rajagaha


Rajgir, op weg naar de residentie van de Boeddha
boven op de top van de Gierepiek




Rajgir, residentie van de Boeddha boven op de Gierepiek





1.1. Het verlangen van de koning van Magadha
 
      In de 43e regenperiode na de Verlichting verbleef de Verhevene te Rājagaha op de heuvel genaamd Gierepiek (Gijjhakuta).[26] Te dien tijde nu wilde koning Ajātasattu van Magadha, zoon van de Vedeha-koningin,[27] oorlog voeren tegen de Vajjis.[28] Hij sprak op deze manier: “Deze Vajjis, machtig en roemrijk als zij zijn, zal ik vernietigen, zal ik verdelgen, zal ik geheel en al verwoesten.”[29]
      En koning Ajātasattu van Magadha richtte zich tot zijn hoofdminister, de brahmaan Vassakāra, met de woorden: “Kom, brahmaan, begeef je naar de Verhevene en bewijs in mijn naam eer aan de voeten van de Verhevene. Vraag of hij vrij is van ziekten en of hij een goede gezondheid, sterkte en geluk heeft. En zeg hem dat ik oorlog wil voeren tegen de Vajjis en ze wil vernietigen. Wat de Verhevene je ten antwoord geeft, moet je goed onthouden en me laten weten; want Tathāgatas[30] spreken geen onwaarheid.” - “Jawel, heer,” zei de brahmaan Vassakāra toestemmend tot koning Ajātasattu van Magadha. En hij liet een groot aantal prachtige wagens klaarmaken, besteeg zelf één ervan en reed, vergezeld van de rest, vanuit Rājagaha weg naar de Gierepiek. Zover als de wagen gebruikt kon worden, ging hij per wagen. Daarna steeg hij uit en ging te voet verder naar de Verhevene. Na het uitwisselen van hoffelijke begroetingen met de Verhevene welke gepaard gingen met vele prettige woorden, ging hij terzijde neerzitten. En hij vertelde wat de koning hem had opgedragen. (D.16)
 _____
[26] Commentaar van Buddhaghosa: De heuvel werd Gierepiek genoemd omdat gieren er leefden en er hun nest bouwden. (An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 1).
[27] Vedehiputta = zoon van Vedehi. Volgens het commentaar was Ajātasattu's moeder een Kosala-prinses en niet de dochter van de Vedeha-koning. Het commentaar legt ‘Vedehiputta’ uit als ‘zoon van een wijze moeder’. - Ajātasattu werd koning na het vermoorden van zijn vader, koning Bimbisara. (Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy 1964. The Wheel No. 67/69.)
[28] Vajji was een van de zestien grote landen ten tijde van de Boeddha. De Vajjis (Vrjjis) vormden een soort van statenbond van acht groepen. De statenbond was gelegen op de noordelijke oever van de rivier de Ganges. De voornaamste groepen ervan waren de Licchavis en de Videhas. Na verloop van tijd werden de Licchavis de machtigste groep in de Vajji-statenbond. De hoofdstad van de Licchavis was Vesāli. De gemeenschap van de Vajjis was erg rijk en gelukkig. Maar na het overlijden van de Boeddha was er onenigheid onder de Vajjis en Ajātasattu veroverde hun gebied.
[29] Buddhaghosa merkte op dat Ajātasattu de Vajjis wilde vernietigen vanwege een tolkwestie. Aan de rivier de Ganges was een havenplaats (waarschijnlijk Pātaligāma). Een deel ervan werd beheerd door Ajātasattu en een ander deel door de Licchavis. De handelslieden moesten in de havenplaats tol betalen voor hun vaak zeer kostbare koopwaar. De Licchavis waren steeds als eerste ter plekke omdat zij onderling geen ruzie maakten maar in harmonie met elkaar leefden. Ajātasattu liep zo elk jaar veel tolgeld mis. (An 2003, p. 3).
[30] Tathāgata betekent letterlijk: ‘zó-gegaan’ of ‘zó-gekomen’. Deze benaming werd in het algemeen door de Boeddha gebruikt wanneer hij over zichzelf sprak.  (Vajira 1964; en Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.] p. 885 noot 38).

 
 

18
Inleiding


Kaart van India ten tijde van de Boeddha



0.1. Korte schets van het leven van de Boeddha
 
      De Boeddha werd geboren te Lumbini.[1] Volgens de Theravāda-traditie was het in het jaar 623 voor Christus. Hij kreeg de naam Siddhattha. Zijn moeder heette Māhā Māyā. Zijn vader was Suddhodana Gotama, gouverneur van de stam van de Sakyas. De hoofdstad van de Sakyas was Kapilavatthu. In die stad bracht Siddhattha zijn jeugd door.
      Op 16-jarige leeftijd trouwde hij met zijn nicht Yasodharā. Zij was de enige dochter van koning Suppabuddha en koningin Pamita van de stam van de Koliyas.
      Siddhattha leefde in weelde en zonder zorgen. Maar tijdens zijn tochten in de omgeving zag hij dat de mens gebukt gaat onder ouderdom, ziekte en dood. Hij ontmoette er ook een asceet die zijn leven voerde tot heil van de mensen. Ook Siddhattha wilde een dergelijk leven voeren. Juist op de dag dat hij het voornemen nam om zijn weelderig leven op te geven, werd hem een zoon geboren. Siddhattha besefte dat hij nu niet gemakkelijk huis en echtgenote kon verlaten. Maar hij had geen verlangen ernaar om het luxueuze leven als hoofd van een gezin te voeren. Ook verlangde hij er niet naar om een groot man te worden door anderen te doden in de oorlog. Zijn gemoed was vastbesloten en hij gaf alle weelde, troon en heerschappij en geluk met vrouw en kind op om op zoek te gaan naar de onvergelijkbare innerlijke vrede.
      Hij verliet paleis, stad en land en begon het huisloze leven van een asceet. Hij ging op zoek naar de weg die naar de hoogste vrede voert. Eerst ging hij naar beroemde leraren. Maar die konden hem de weg naar die vrede niet leren. Siddhattha ging toen alleen verder. In etappes kwam hij aan te Senānigāma[2] nabij Uruvelā. Daar bleef hij. Vijf andere asceten voegden zich weldra bij hem.
       Siddhattha dacht dat strenge ascetische oefeningen hem naar de hoogste vrede zouden brengen. Maar dat was niet zo. Uiteindelijk zag hij in dat hij door zelfkwelling en vasten geen resultaat bereikte. Hij herinnerde zich hoe hij in zijn jeugd onder een boom zat en er een meditatieve verdieping bereikte. En hij besefte dat concentratie geleid door geordende beschouwingen de weg was naar de hoogste vrede.
      Hij nam weer vast voedsel tot zich. De vijf asceten dachten dat hij zijn streven had opgegeven en gingen van hem weg. Siddhattha ging in een lieflijk bos neerzitten aan de voet van een vijgenboom. Hij dacht er geconcentreerd na over ouderdom, geboorte en dood. Hij zag dat alles onderling afhankelijk is. En op 35-jarige leeftijd vond hij de weg die voert naar de onvergelijkbare innerlijke vrede. Hij werd de volmaakt Ontwaakte, de Verhevene, de Verlichte, de Boeddha van dit tijdperk.
      Nadat de Verhevene de volmaakte Verlichting bereikt had, begon hij zijn leer te onderwijzen. Die leer is in enkele woorden samen te vatten:
                 Doe het goede,
                 vermijdt het kwade,
                 reinig de eigen geest.
 
      De Boeddha leerde niet alleen wat en hoe er gedacht en gehandeld moet worden om de hoogste vrijheid te verkrijgen, maar ook de redenen waarom. Al spoedig had hij veel aanhangers, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, monniken en nonnen.
      Met zijn discipelen trok hij rond over de hoofd- en zijwegen van Noord-India en Zuid-Nepal. Zijn verdere leven besteedde de Boeddha om zijn leer in alle facetten te onderwijzen. Hij maakte geen onderscheid in persoon. Hij onderrichtte oude en jonge mensen, rijken en armen, zieken en gezonden. Ieder die naar hem wilde luisteren, kon genieten van zijn wijsheid.
      De Orde van de monniken werd weldra uitgebreid tot duizenden en er ontstonden veel kloosters.
      Gedurende de eerste twintig jaren na de Verlichting zorgden de monniken Nagasamala, Nagita, Upavāna, Sunakkhatta, Sagata, Radha en Meghiya, en de novice Cunda voor de Boeddha, hoewel niet regelmatig. Maar na het twintigste jaar wenste de Verhevene een vaste verzorger te hebben. De eerwaarde Ānanda werd toen door de Boeddha aangewezen om voor hem te zorgen.
      In de regentijd trokken de Boeddha en zijn discipelen niet rond, maar bleven zij op één plaats. Zo verbleef hij er te Rājagaha (2e, 3e, 4e, 17e, 20e regentijd), Kapilavatthu (5e, 15e regentijd), Sāvatthi (6e, 12e, 14e, 21e t/m 42e regentijd), Kosambi (9e, 10e regentijd), het dorp Ekanāla nabij Rājagaha (11e regentijd), Cālika (13e, 18e, 19e regentijd), en Ālavi (16e regentijd).
      In het 43e regenseizoen verbleef de Verhevene weer te Rājagaha. Over wat er gebeurde na die tijd handelt dit topic.
 _____
[1] Lumbini ligt in de Therai-vlakte van Nepal.
[2] Dit is het tegenwoordige Buddhagayā, in de deelstaat Bihar, India.


19
Leven en leer van de Boeddha. VI. - Het 21e-42e jaar na de Verlichting


1. Inleiding

       Het 21e tot en met het 42e regenseizoen na de Verlichting bracht de Boeddha door te Sāvatthi. Van deze 22 regentijden vertoefde hij er achttien in het Jetavana-klooster en de overige in het klooster Pubbarama.
       De belangrijkste ondersteuners van de Boeddha en zijn Orde waren Anāthapindika en Visākhā.[1]
       Vanaf het 21e jaar na de Verlichting is het moeilijk een chronologische volgorde van de gebeurtenissen te geven. Meerdere gedeeltes uit de Pali-canon zijn daarom hier naar persoonlijke voorkeur opgenomen. Het is daarbij mogelijk dat ze gesproken werden tijdens de eerste twintig jaren na de Verlichting. 
_____
[1] [1] Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970. The Wheel No. 5ab.



20
Theravada Boeddhisme / De citta en het Doodloze
« Gepost op: 08-03-2018 18:09 »
De citta en het Doodloze

Verkorte versies van leerreden van de eerwaarde Thaise Arahant Maha Bua Nyanasampanno.

Inleiding

In eerdere posten heb ik geschreven dat het doel van de leer van de Boeddha is om het bewustzijn vrij te maken. Dat vrije bewustzijn is het enkelvoudige bewustzijn. Ik verwees toen naar de volgende woorden: "Iemand met een dergelijk enkelvoudig bewustzijn beschouwt het gevoel, de waarneming, de formaties, het bewustzijn niet als het zelf, als een ik. Hij is niet geboeid door de banden van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn; hij is inwendig en uitwendig ongeboeid. Hij vindt de andere oever, is volledig bevrijd van lijden. (S.XXII.117; zie ook S.XXII.115).
Tot zover alles goed. Maar verder schreef ik dat het enkelvoudige bewustzijn geen eenheid is die op zichzelf bestaat, maar dat bewustzijn is iets dat ontstaat en vergaat, afhankelijk van voorwaarden.

   Ik kreeg commentaar van Siebe dat een bewustzijn dat ontstaat niet als vrij kan worden aangeduid. Mijn antwoord was toen: Het bewustzijn dat zich nergens vestigt, zich nergens aan hecht, is bevrijd, omdat het niet groeit en niet samenstelt. Bewustzijn dat niet samenstelt, is bevrijd.
   Lord Rainbow (alias Dirk Knol, Dirkjan en Marcel) vroeg welk bewustzijn van leven naar leven gaat. Hij vroeg hoe wedergeboorte plaatsvindt.

   Ik moet toegeven dat er een fout is gemaakt en wel door het niet bekend zijn met het Pali. Ik dacht dat de Pali woorden viññāna en citta dezelfde betekenis hadden (bewustzijn). De woordenboeken en teksten die ik daarover heb geraadpleegd, vermelden het volgende.

   >>Het begrip "geest", "het geestelijke" wordt in het Pāli-Boeddhisme o.a. aangeduid met de woorden: viññāna of citta.
   Het woord viññāna betekent bewustzijn. Het is een stroom van bewustzijn. Er is geen blijvende geest-substantie. Zonder voorwaarden ontstaat er geen bewustzijn (M.38). Afhankelijk van karma-formaties ontstaat bewustzijn (viññāna).
   Het woord citta betekent: geest, bewustzijn, staat van bewustzijn, gedachte, het denken, het verstand, het denkorgaan. Het is een synoniem van viññāna.<<


   Tot zover wat ik uit de boeken leerde. Maar de eerwaarde Thaise leermeester Maha Bua Nyanasampanno, een Arahant, die leefde in Wat Pa Baan Taad, Udon Thani, Thailand, legde uit eigen ervaring uit dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen viññāna enerzijds en citta anderzijds.

Viññana is dat deel van de geest dat ontstaat en vergaat als bewustzijn, het zich bewust worden van iets door contact van de zintuigen met een zintuiglijk waarneembaar object.
De citta daarentegen is bewustzijn, het weten, “degene die weet”. En dat deel van de geest sterft niet. De eerwaarde Arahant Maha Bua legt de citta anders uit dan wat gebruikelijk is.

Hij heeft veel leerreden gehouden, zowel tot zijn mede-monniken als tot devote leken. Hij werd geboren op 12 augustus 1913, ontving de hogere wijding op 12 mei 1934, bereikte Arahantschap op 15 mei 1950 en overleed op 30 januari 2011.
Meerdere van zijn leerreden zijn op verzoek van een Thaise mevrouw die kanker had en in zijn tempel raad ging vragen hoe om te gaan met de pijn en er wekenlang ging mediteren, op band opgenomen en later in druk verschenen. Dankzij een eerwaarde monnik van de tempel die mijn vrouw en ik regelmatig bezoeken, heb ik twee gratis boeken met leerreden van wijlen de eerwaarde leermeester Maha Bua ontvangen, zodat ik die leerreden herhaaldelijk kan raadplegen. En ik moet mijn eerdere visie corrigeren op grond van de ervaringen en inzichten van de heilige leermeester.
Van de eerwaarde Ajahn Dick Silaratana kreeg ik de toestemming om de leerreden van de eerwaarde Arahant Maha Bua in verkorte vorm weer te geven, en/of er een samenvatting van te maken. In die leerreden legde deze eerwaarde Arahant uit hoe de citta en hoe wedergeboorte en het Doodloze verstaan moeten worden.
Ik hoop dat mijn korte weergave van de soms lange leerreden een goede indruk geeft van wat met citta bedoeld wordt; en ook enig licht brengt inzake wedergeboorte.

In de Engelse vertaling zijn meerdere Pali woorden niet vertaald omdat ze niet met een enkel woord omschreven kunnen worden. In voetnoten zijn die Pali woorden dan nader uitgelegd.

Nico



21
2. Het tweede t/m het 20e jaar na de Verlichting

2.1.1. De regentijd in het 2e jaar
 
       In het tweede jaar na de Verlichting bracht de Boeddha de regentijd door te Rājagaha, in het Veluvana-park.[102]
 
2.1.2. Bouw van het Jetavana-klooster
 
       Ook het derde regenseizoen na de Verlichting vertoefde hij daar. In die tijd had er een ontmoeting plaats van de Verhevene met Sudatta. Deze laatste was buitengewoon vrijgevig en was daarom bekend als Anāthapindika. Die naam betekent: de voeder van de armen.
       Reeds bij zijn eerste ontmoeting met de Boeddha werd hij diens volgeling. Sudatta bereikte toen het eerste niveau van heiligheid (sotapatti). Hij nodigde de Verhevene uit om gedurende het regenseizoen naar Sāvatthī te komen. Maar de Boeddha kon aan dat verzoek geen gevolg geven omdat in die plaats geen klooster was.
       Sudatta keerde naar huis terug en keek er uit naar een geschikte plek. Alleen het park van prins Jeta had de vereiste eigenschappen. De prins vroeg echter een zeer hoge prijs, namelijk 100.000 goudstukken die de grond van het park moesten bedekken. Onmiddellijk stemde Sudatta ermee in: zó groot was zijn devotie voor de Boeddha. Hij liet de grond van het park met gouden munten bedekken. Aanvankelijk waren de muntstukken die gebracht werden, niet voldoende; een plek nabij de noordelijke poort bleef onbedekt. Anāthapindika liet nog meer goud halen en toen dacht prins Jeta: “Dit kan geen gewone zaak zijn; want Anāthapindika besteedt er zoveel goud voor.” Hij zei daarom tot Anāthapindika: “Hou maar op, bedek die plek niet. Laat ze voor mij over; ze zal mijn gave zijn.”
       Anāthapindika dacht: “Prins Jeta is een vooraanstaand en welbekend persoon. Het zal goed zijn als zulke lieden vertrouwen verkrijgen in de leer en in de regels van goed gedrag.” Dus liet hij die plek over voor prins Jeta die er een tempel liet bouwen. Anāthapindika liet in het park een klooster bouwen, het Jetavana-klooster.[103]

Rajgir, klooster in het Jetavana geschonken door prins Jeta



2.1.3. De vierde regentijd
 
       Ook het vierde regenseizoen bracht de Boeddha door in het Veluvana-park te Rājagaha.[104]
 ____
[102] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab; Ñânamoli 1978, p. 87.
[103] Vin.Cv.Kh.6 ; S.X,8.
[104] Piyadassi 1970, The Wheel No. 5ab.


[meer gegevens over het Jetavana klooster, zie het topic: Boeddhistische plaatsen, reactie 2. Sravasti http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2500.msg19031.html#msg19031



22
Leven en leer van de Boeddha. IV.  Het eerste jaar na de Verlichting

Inleiding

   Ook in dit deel van het leven van de Boeddha zijn legenden en andere toevoegingen te vinden.
 
1. Het eerste jaar na de Verlichting
1.1. De eerste zeven weken na de Verlichting
1.1.1. De rechtstreekse weg

 
       Nu de Verhevene de volledige Verlichting bereikt had, vertoefde hij alleen, in afzondering. En deze gedachte kwam in zijn geest op: “Dit is de rechtstreekse weg voor de reiniging van de wezens, voor het te boven komen van verdriet en gejammer, voor het verdwijnen van lichamelijk en geestelijk lijden. Dit is de rechtstreekse weg om het juiste pad te bereiken, om Nibbāna te verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid. En die vier grondslagen zijn aldus: Een monnik behoort te leven in de beoefening van contemplatie op het lichaam gericht op het lichaam; hij behoort te leven in de beoefening van contemplatie van gevoel gericht op gevoel; hij behoort te leven in de beoefening van contemplatie van de geest gericht op de geest; hij behoort te leven in de beoefening van contemplatie van mentale objecten gericht op mentale objecten. En hij behoort dat energiek te doen, met helder begrip en vol oplettendheid, nadat hij begeerte en verdriet betreffende de wereld te boven is gekomen. Dit is de rechtstreekse weg, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid.”[1]
       Brahma Sahampati werd zich in zijn geest gewaar van de gedachte van de Verhevene. En hij verdween toen in een handomdraai vanuit de Brahma-wereld en verscheen voor de Verhevene. Nadat hij zijn opperkleed over een schouder had geschikt, boog hij met gevouwen handen voor de Verhevene en sprak: “Zo is het, Heer, zo is het, Gezegende. Dit is inderdaad de rechtstreekse weg voor de reiniging van wezens, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid.”
       Zo sprak Brahma Sahampati. En na deze woorden zei hij verder: “Hij ziet de rechtstreekse weg om geboorte te beëindigen; vol mededogen kent hij het pad. Door dit pad is vroeger de stroom overgestoken, door dit pad zal in de toekomst de stroom overgestoken worden, en door dit pad wordt in de tegenwoordige tijd de stroom overgestoken.”[2]
_____
[1] Voor een uitvoerige beschrijving van deze vier grondslagen van oplettendheid, zie het topic: De vier grondslagen van oplettendheid http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2570.0.html
[2] S.XLVII,18.

23
Leven  en leer van de Boeddha Gotama. III. -  Verzaking, zoektocht en Verlichting

Ten geleide
 
       Ook de verhalen over de verzaking van de wereld en over het zoeken naar de Ontwaking bevatten veel legenden. Niet alles moet als historisch waar gebeurd verhaal beschouwd worden. Eveneens zijn hier opgenomen gebeurtenissen die voor de Bodhisatta Vipassin verhaald zijn. Zij moeten ook van toepassing zijn voor de Bodhisatta Gotama. Want alle Bodhisattas bereiken de Verlichting op gelijke wijze.

24
Leven en leer van de Boeddha Gotama. II.  - Van conceptie tot volwassenheid.
 

 
Inleiding
 
       De verhalen die handelen voor, over en na de geboorte van Siddhattha Gotama, en ook andere gebeurtenissen uit zijn leven, zeker tot aan de Verlichting, worden door meerderen als legenden beschouwd. Onder legende verstaat men een niet op historische gronden maar op volksoverlevering berustend verhaal. Vaak geeft zo'n overlevering op symbolische wijze iets weer. Wij moeten dan ook niet alles letterlijk nemen.

1. Conceptie

       Bezonnen, vol bewust verdween de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden en bezonnen, vol bewust daalde hij af in het moederlichaam. Dat is zo de gebruikelijke manier.
       Toen de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden verdween en in het moederlichaam afdaalde, verscheen er in de wereld met haar goden, haar Maras, haar Brahmas, met haar menigte boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen, een onmetelijk verheven glans die de goddelijke pracht van de goden overtrof. En ook in die onpeilbare wereldtussenruimten[2] van chaos, somberheid en volslagen duisternis, waar zelfs deze machtige zon en maan met hun licht niet schijnen, - ook daar verscheen een onmetelijk verheven glans die de pracht van de goden overtrof. En de wezens die daar wedergeboren waren, beseften in die glans: “Er zijn hier, zo schijnt het, ook andere wezens ontstaan.”
       En dit systeem van de 10.000 werelden sidderde, trilde en beefde. Dat is zo de gebruikelijke manier.
 
       Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, omgaven hem aan de vier hemelse richtingen[5] ter bescherming vier jonge godheden[6] met de gedachte: “Moge deze Bodhisatta of diens moeder niet door een mens of door een niet-menselijk wezen of door iets anders schade toegebracht worden.” Dat is zo de gebruikelijke manier.
       Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, was zijn moeder van een natuurlijke deugdzaamheid. Zij onthield zich van het beroven van leven, onthield zich van het nemen wat niet is gegeven, onthield zich van zinnelijke begeerte, onthield zich van verkeerd taalgebruik, onthield zich van alle geestrijke drank, van alle bedwelmende en zwakmakende dingen. Dat is zo de gebruikelijke manier.[8]
       Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, ontstonden er bij zijn moeder geen gedachten aan mannen; er ontstonden geen gedachten die iets met zinnelijkheid te maken hadden. En ontoegankelijk was zijn moeder toen voor elke mannelijke hartstocht. Dat is zo de gebruikelijke manier.
       Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, werd zijn moeder deelachtig aan de vijf zinnelijke genietingen; zij was met de vijf zinnelijke genietingen begiftigd.[9] Dat is zo de gebruikelijke manier.
       Toen de Bodhisatta in het moederlichaam was afgedaald, kreeg zijn moeder niet de een of andere ziekte; zij was toen gezond, vrij van lichamelijke plagen. En zijn moeder werd de Bodhisatta gewaar zoals hij binnen in haar lichaam was, van alle ledematen voorzien, met ontwikkelde zinsorganen. Juist zoals wanneer er een edelsteen is, een diamand, stralend, van volmaakte hoedanigheid, en daaromheen is een draad gewikkeld, een blauwe, gele, rode, witte of kleurloze. Die edelsteen wordt dan door iemand in de hand genomen en beschouwd. En die denkt dan: “Dit hier is een edelsteen, met acht hoeken, goed bewerkt, doorzichtig, helder, van alle kenmerken voorzien.” Evenzo ook werd de moeder van de Bodhisatta hem gewaar binnen in haar schoot, met al zijn ledematen, zonder gebreken. Dat is zo de gebruikelijke manier.
      
      Volgens een legende droomde koningin Māyā na de conceptie dat een witte olifant met zes slagtanden in haar schoot was gekomen. De koning liet deze droom uitleggen door brahmanen. Zij zeiden dat deze droom betekende dat zij een zoon zou baren met bijzondere kentekenen. Het kind zou volgens hen een groot man worden met buitengewone vermogens.
 __________
[2] wereldtussenruimten: Volgens Boeddhistische opvatting is er een oneindig aantal werelden. Elk ervan heeft een eigen zon. Ze zijn in groepen van drie geordend. De driehoekige ruimte in het centrum van elke groep wordt opgevuld door de hellewereld en wordt door geen zon beschenen. Ze is eeuwig in duisternis.
[5] Noorden, zuiden, oosten en westen.
[6] Jonge godheden: letterlijk: godenzonen. Goden worden spontaan geboren, zij hebben dus geen ouders. Er zijn dan ook geen zonen. Daarom is hier gekozen voor de omschrijving: “jonge godheden”.
[8] Deze grote deugdzaamheid wijst erop dat de vijf regels van goed gedrag (pañca sīla) al bestonden vóór de tijd van de Boeddha Gotama. - Deze vijf regels zijn een deel van het oude pad dat door de Boeddhas van weleer is betreden.
[9] De vijf zinnelijke genietingen: de genietingen van het oog, het oor, de neus, de tong en het lichaam; m.a.w. alles wat zij zag, hoorde, rook, proefde en aanraakte, was haar aangenaam, daar genoot zij van, daar schepte zij behagen in.

25
Theravada Boeddhisme / Leven en leer van de Boeddha
« Gepost op: 07-01-2018 14:34 »

Leven en leer van de Boeddha.


Inleiding
   Een denken aan de Boeddha, zijn leer en de gemeenschap van de heiligen is één van de manieren waardoor men een rustig gemoed krijgt. Men volgt dan het pad van vertrouwen (saddha).
Het vermogen van vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met dat van wijsheid. Door begrip en wijsheid wordt vertrouwen een innerlijke zekerheid en een vaste overtuiging die gebaseerd is op eigen ervaring.
   Saddha, vertrouwen, is een noodzakelijke faktor in het evenwicht van vermogens die benodigd zijn voor uiteindelijke bevrijding. Vertrouwen (saddha) in al z'n aspekten (waaronder devotie) is nodig voor het oplossen van een stagnatie en van andere tekortkomingen die het resultaat zijn van een eenzijdige ontwikkeling van de intellektuele vermogens. Zo'n eenzijdige ontwikkeling leidt vaak eindeloos in kringen rond zonder dat een doorbraak teweeggebracht kan worden. Hier kan devotie, vertrouwen (op wat voor manier wij het Pali-woord saddha ook wensen te vertalen) snel hulp bieden.

   Vertrouwen is het zaad genoemd van alle heilvolle toestanden (Sn. vers 77). Want het inspireert de geest met zelfvertrouwen en vastberadenheid om de stroom van samsara (het steeds weer geboren worden en sterven) over te steken.
   Saddha, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste en het is één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.  (De zes andere schatten zijn: moreel goed gedrag, morele schaamte, morele vrees, zich kennis eigen maken, vrijgevigheid, wijsheid).

   Omdat in het Boeddhaforum nog niets gepost is over het leven van de Boeddha, ga ik de komende tijd daarover iets posten. Ik begin met (I) twee legenden over het begin van de loopbaan van de Boeddha Gotama. Daarna volgen (II) Van conceptie tot volwassenheid  en (III) Verzaking tot en met de Verlichting. Dan komt (IV) het 1e jaar na de Verlichting en (V) Het 2e-20e jaar na de Verlichting, gevolgd door (VI) het 21e-42e jaar na de Verlichting. Tot slot worden dan de gebeurtenissen in (VII) het laatste levensjaar van de Boeddha verhaald.
   Het lezen over het leven van de Boeddha geeft een vredig gemoed. Onheilzame gedachten worden verdreven en heilzame gedachten ontstaan. Lezen over de Boeddha of het overdenken van een aspect van zijn leer behoort tot devote meditatie waardoor een kalme, rustige geest verkregen wordt. En ook zo kan het hoogste geluk bereikt worden.

Geraadpleegde bronnen over de legenden en het leven van de Boeddha

   Advice to Rahula. Four Discourses of the Buddha. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 33. (1st ed.1961).
   An, Yang-Gyu (transl.):  The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford : PTS, 2003.
   Bapat, P.V.: 2500 Years of Buddhism. (5th repr.) New Delhi : Publications Division, 1987. 1st. ed. 1956. - Publ. by the Director Publications Division Ministry of Information and Broadcasting Government of India Patiala House New Delhi.
   Barua, Dipak K.: Buddha Gaya Temple, its history. (2nd rev. ed.) Buddha Gaya : Buddha Gaya Temple Management Committee, 1981. (1st ed. 1975).
   Basham, A.L.:  The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims.  (repr.) London: Sidgwick and Jackson, 1961. (1st.ed. 1954).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.)  Buddhist Legends. Translated from the original Pali text of the Dhammapada Commentary.  London : PTS, 1979.  (Harvard Oriental Series, Vol. 28, 29, 30).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.) 'Life of the Buddha,' Buddhist Legends, London 1979, Book 1, Story 8a (Vol. 28, p. 193-198).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'By righteousness men honor the Buddha,'   Buddhist Legends, London 1979, Book 12, Story 10 (Vol. 29, p. 366).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.): 'The Buddha visits Kapila,' Buddhist Legends, London 1979, Book 13, Story 2 (Vol. 30, p. 2-4).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.) :'The Buddha spurns the Dauhters of Mâra,' Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 1b (Vol. 30, p. 33-35).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.):  'The Twin Miracle,' Buddhist Legends, London 1979, Book 14, Story 2 (Vol. 30, p. 35-55).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.):  ‘On moderation in eating,’ Buddhist Legends, London 1979, Book 15, Story 6 (Vol. 30, p. 76-78). 
   Burlingame, Eugene Watson (tr.)  'By righteousness men honor the Buddha,'  Buddhist Legends, London 1979, Book 15, Story 7 (Vol. 30, p. 78).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.):  'Is there a path through the air?’  Buddhist Legends, London 1979, Book 18, Story 12 (Vol. 30, p. 139).
   Burlingame, Eugene Watson (tr.): A Treasury of Buddhist Stories from the Dhammapada Commentary. Select. & rev. by Bhikkhu Khantipâlo Kandy 1996
   Conze, Edward: Der Buddhismus : Wesen und Entwicklung. (6., unveränd. Aufl.) Stuttgart (etc) : Kohlhammer, 1977. (Urban-Taschenbücher Bd. 5). orig. titel: Buddhism, its Essence and Development.
   Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden: Fourier, [s.a.].
   Dhammananda, K. Sri (tr.)  The Dhammapada.  Kuala Lumpur: Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.
   Elbaum Jootla, Susan: The Scale of Good Deeds. The Message of the Velâma Sutta. Kandy 1990. The Wheel No. 372.
   Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg 1930.
   Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore : Ti-Sarana Buddhist Association, 1997. 
    Gombrich, Richard F.:  Theravâda Buddhism. A social history from ancient Benares to modern Colombo.  London (etc) : Routledge & Kegan Paul, 1988. (The Library of Religious Beliefs and Practices).
   Grotefend, H. (Entw.): Taschenbuch der Zeitrechnung des deutschen Mittelalters und der Neuzeit. (10. erw. Aufl.). Hannover 1960.
   Hartmann, Jens-Uwe: 'Der Buddha über die vier Arten von Asketen : ein Beitrag zum Text des Mahāparinirvānasutra,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 131-150.
   Hecker, Hellmuth: 'Father and Mother Nakula,' The Wheel No. 115 (Kandy 1967), p. 18-24.
   Hecker, Hellmuth:  Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy : BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.
   Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples. Angulimala. A Murderer's Road to Sainthood. Kandy : BPS, 1984. The Wheel No. 312.
   Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Anâthapindika, The Great Benefactor. Kandy 1986, The Wheel No. 334.
   Horner, I.B. (tr.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy 1974, The Wheel No. 198.
   Horner, I.B. (tr.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Translated from the Pāli by I.B. Horner. Oxford: PTS, 2000.
   Ireland, John D. (tr.):  The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha.  Kandy: BPS, 1990.   
   Jayawickrama, N.A. (ed. and tr.): The Chronicle of the Thupa and the Thupavamsa. London : PTS, 1971.
   Johnston, E.H. (tr.): The Buddhacarita or Acts of the Buddha. Part III : Cantos XV to XXVIII, translated from the Tibetan and Chinese Versions. (repr.) Delhi (etc): Motilal Banarsidass, 1984. (1st ed. 1936).
   Khantipālo, Bhikkhu: With Robes and Bowl. Glimpses of the Thudong Bhikkhu Life. Kandy: BPS, 1965. The Wheel No. 83/84.
   Khantipālo, Bhikkhu (tr.): The Buddha's Last Bequest. A Translation from the Chinese Tripitaka. Kandy : BPS, 1967. The Wheel No. 112.
   Khantipâlo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207.
   Khantipālo, Phra (comp.): The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha.  Bangkok : Mahamakut Radjavidyalaya Press, Vol. 1. 2533/1990; Vol. 2. 2530/1987   (1st ed. 2519/1976).
   Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.):  The Khuddakapātha - Dhammapada - Udāna - Itivuttaka - Suttanipāta (Khuddhakanikāya. Vol. I).  [s.l.]:  Pâli Publication Board (Bîhar Government), 1959. (Nâlandâ-Devanâgarî-Pâli-Series).
   Das Lexikon des Buddhismus. Verfasser und Herausg. Franz-Karl Ehrhard und Ingrid Fischer-Schreiber; Redaktion: Stephan Schuhmacher und Gert Woerner. München (etc) : Barth, 1992.
   Malalasekera, G.P.:  Dictionary of Pāli Proper Names.  London : PTS, 1974. (Vol. I & II). 
   Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford : PTS, 1995.
   Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy : BPS, 1961. The Wheel No. 4.
   Ñânamoli Thera: Three Cardinal Discourses of the Buddha. 1. The First Sermon; 2. The Sermon on Not-Self; 3. The Fire Sermon. With Introduction and Notes. Transl. by Ñânamoli Thera. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 17 (1st. ed. 1960).
   Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974), p. 100-101.
   Ñānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha According to the Pali Canon = The Life of the Buddha as it appears in the Pali Canon the oldest authentic record. Translation from the Pali, selection of material and arrangement by Bhikkhu Ñānamoli. (2nd ed.) Kandy: BPS, 1978. (1st ed. 1972).
   Ñânamoli, Bhikkhu (tr.): The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford : PTS, 1997. (1st ed. 1960).
   Ñanananda, Bhikkhu: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta. Kandy: BPS, 1973. The Wheel No. 188.
   Nārada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes.  (3rd ed.) Colombo: BMS, 2522-1978.  (1st ed. 1963).
   Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings.  (4th enlarged ed.) - Kandy : BPS, 2524/1980.
   Nârada Thera [et al.]: 'Ambalatthikâ-Râhulovâda Suttanta. The Ambalatthikâ Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kany 1974), p. 8-18.
   Nârada Thera [et al.]: 'Mahâ Râhulovâda Suttanta. The Great Exhortation to Râhula,' Transl. by Nârada Thera & Bhikkhu Mahinda; with Introduction by Dr. Cassius A. Pereira. The Wheel No. 33 (Kandy 1974), p. 19-33.
   Naudou, Jean:  Buddha. Aus dem Französischen übertragen von Peter Kamnitzer. Paris: Somogy, [s.a.]. (Die grossen Religionsstifter).
   Neumann, Karl Eugen: Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikâyo des Pâli-Kanons. Bd. 1. Übers. von Karl Eugen Neumann. (3. Aufl.) München: Piper, 1922.
   Norman, K.R.: Pāli Literature. Wiesbaden: Harrassowitz, 1983.
   Nyānaponika Thera: The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Edited by Nyânaponika Thera. Kandy: BPS, 1964. The Wheel No. 61/62.
   Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. Übers. von Nyanaponika. (2. revid. Aufl.) Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).
   Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln: DuMont Schauberg, 1969.  Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage. 
Bd. 1. Einer- bis Dreier-Buch.
Bd. 2. Vierer-Buch.
Bd. 3. Fünfer- und Sechser-Buch.
Bd. 4. Siebener- bis Neuner-Buch.
Bd. 5. Zehner- und Elfer-Buch.
   Nyānatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) Kandy : BPS, 1980.  (1st ed. 1952).
   Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' Kandy: BPS, 1974. The Wheel No. 202/204.
   Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.
   Oldenberg, Hermann (Übers.): Reden des Buddha. Lerhre / Verse / Erzählungen. München: Wolff, 1922.
   Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1960. The Wheel No. 1.
   Piyadassi Thera: Buddhist Observances and Practices. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 48.
   Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.
   Piyadassi Thera: Dependent Origination. Paticca-samuppâda. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1971. The Wheel No. 15ab (1st. ed. 1959).
   Piyadassi Thera (tr.): The Book of Protection, Paritta.  Colombo : Gunasekera Trust, 1975.
   Piyadassi Thera: Aspects of Buddhism. (repr.) Kandy : BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 21. (first ed. 1964).
Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford: PTS, 1993.  (1st. ed. 1915).
   Rhys Davids, T.W.: The Questions of King Milinda. 2 Parts. Transl. from Pâli by T.W. Rhys Davids. (repr.) Delhi (etc): Motilal Banarsidass, 1982. (Sacred Books of the East, Vol. 35). Part I, 1st. publ. Oxford 1890. Part II, 1st publ. Oxford 1894.
   Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1980.
   Siridhamma, Rev.: The Life of the Buddha. Part I. Kuala Lumpur: BMS, s.a. (Buddhist Student Series, No. 1).
   Takakusu, J.: A Life of the Buddha. by J. Takakusu; transl. & annot. by Kosho Yamamoto. Tokyo : Numata, 1964.
   Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History.  (repr.) London: Routledge & Kegan Paul, 1969.  (The History of Civilization). (1st. publ. 1927).
   Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).
  The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.
   Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy: BPS, 1964. The Wheel No. 67/69.
   Venkataramayya, M.: Shrâvasti. (2nd ed.) New Delhi: Archaeological Survey of India, 1981. (1st ed. 1956).
   Waldschmidt, Ernst: Die Legende vom Leben des Buddha : In Auszügen aus den heiligen Texten. Aus dem Sanskrit, Pali u. Chinesischen übers. u. eingef. von Ernst Waldschmidt. Berlin : Wegweiser-Verlag, [1929]. (Volksverband der Bücherfreunde).
   Walshe, Maurice  (tr.):  The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy: BPS, 1996.  (The Teachings of the Buddha).
   Webb, Russell (Ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy : BPS, 1975. The Wheel No. 217/220.
   Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 47.
   Winternitz, Maurice: A History of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz : Geschichte der indischen Literatur. Band II.
   Woodward, F.L. (tr.):  Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.). London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935). 

http://www.palikanon.com/

en verder nog veel goede raadgevingen van de eerwaarde Phramaha Narong Paundaeng van de Buddharama tempel, Waalwijk

Afkortingen:

BPS = Buddhist Publication Society
n.C. = na Christus
PTS = Pali Text Society
v.C. = voor Christus


26
Algemeen / goede wensen
« Gepost op: 01-01-2018 15:56 »
Voor het nieuwe jaar wens ik alle lezers van Boeddha forum het volgende toe:

Ratanattayānubhāvadigāthā - Verzen over de macht van het Drievoudige Juweel

Mogen door de macht van het Drievoudige Juweel, door de kracht van het Drievoudige Juweel, onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid zonder overblijfsel vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.

Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. En moge u honderd jaar worden en succes hebben in het leven.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van de gehele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

Nico

27
Theravada Boeddhisme / De vier edele waarheden en het middenpad
« Gepost op: 18-11-2017 22:11 »
De vier edele waarheden en het middenpad

Inleiding

   Toen de Boeddha na de Verlichting alleen vertoefde, kwam deze gedachte bij hem op: “Deze leer die ik heb ontdekt, is diep en moeilijk te zien, is moeilijk te ontdekken, moeilijk te begrijpen. Ze is de meest vredige en is het opperste doel van alles. Deze leer is niet bereikbaar door alleen maar redeneren; ze is subtiel, door de wijze te ervaren. [...]  Het is moeilijk deze waarheid te zien, namelijk oorzakelijk ontstaan en ook het tot rust komen van alle formaties, het opgeven van alle gehechtheden, het verdwijnen van de levensdorst, uitdoving van begeerte, het wegkwijnen van lust, onthechting, beëindiging, Nibbāna. [...]. (M.26)

   Ook kwam bij de Boeddha deze gedachte op in zijn geest: “Dit is de rechtstreekse weg voor de reiniging van de wezens, voor het te boven komen van verdriet en gejammer, voor het verdwijnen van lichamelijk en geestelijk lijden. Dit is de directe weg om het juiste pad te bereiken, om Nibbana te verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid. 

   Zeven dagen lang, onmiddellijk na zijn Verlichting zat de Boeddha neer aan de voet van de Maha Bodhi-boom. Hij ondervond toen de hoogste verheven zaligheid van de Bevrijding. Op het einde van die zeven dagen rees hij op uit die concentratie en zijn geest hield zich weer bezig met oorzakelijk ontstaan.
   Hij ontdekte dat wanneer het ene ontstaat, het andere ontstaat; wanneer het ene niet ontstaat, ontstaat het andere ook niet. Aan alle voorwaarden moet voldaan worden om iets te doen ontstaan.
[zie verder eventueel: Oorzakelijk ontstaan en oorzakelijke opheffing van het lijden]
https://sites.google.com/site/oorzakelijkontstaan/



Verkondiging van de leer

   Hij ging naar Varanasi, naar het hertenpark te Isipatana. Daar verbleven de vijf asceten die samen met hem strenge ascese hadden beoefend. En hij richtte het gebruikelijke gesprek tot hen, namelijk het gesprek over het geven (vrijgevigheid),*1] over deugdzaamheid*2] en over een betere wereld,*3] en hij verkondigde de ellende, de leegheid en onreinheid van begeerte en de zegen van ontzegging en verzaking. (D.14) Toen de Verhevene merkte dat hun geest goed voorbereid was, gedwee, vrij van hindernissen, bevredigd, verkondigde hij datgene wat de karakteristieke leer van de Boeddhas is: lijden, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en de weg naar de beëindiging ervan. (D.14) En hij sprak de volgende leerrede:
_____
*1] Zie eventueel het topic: Dana, geven. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2369.0.html
*2] Zie eventueel het topic: Richtlijnen en adviezen voor leken. Reactie 1, sub 3. Deugdzaamheid. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2479.0.html
*3] Zie eventueel het topic: De werelden van bestaan. Reactie 14-17. De gelukkige sferen. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2497.0.html


28
Theravada Boeddhisme / De vier grondslagen van oplettendheid
« Gepost op: 04-11-2017 22:50 »
   In het topic >De vier edele waarheden en het middenpad< worden als middenpad o.a. genoemd de beschouwingen over lichaam, gevoel, geest en objecten van de geest.
   Een vertaling met commentaar van die beschouwingen volgt hier. (Zie D.22: Mahasatipatthana sutta; en M.10: Satipatthana sutta).

Nico

De vier grondslagen van oplettendheid

Inleiding

   In de zevende week na de Verlichting kwam bij de Boeddha de volgende gedachte op: “Het pad van de vier grondslagen van oplettendheid is een pad dat slechts in één richting voert: naar de zuivering van wezens, naar het te boven komen van verdriet en geweeklaag, naar het bereiken van het ware doel, de verwerkelijking van Nibbāna. Die vier grondslagen zijn: de beschouwing van het lichaam, de beschouwing van de gevoelens, de beschouwing van bewustzijn, en de beschouwing van mentale objecten.” (S.47,18).
      Bij andere gelegenheden zei de Verhevene eveneens dat de grondslagen van oplettendheid rechtstreeks naar Nibbana voeren, dat zij een rechtlijnige weg zijn voor zuivering van de wezens, om leed en gejammer te overwinnen, om pijn en droefenis te beëindigen. (S.47.1 en S.47.18)
   De beoefening van de grondslagen van oplettendheid behoort tot één van de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)
   De vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, voeren naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, naar overzicht, naar ontwaking, naar Nibbana.
   Wie met de vier grondslagen van oplettendheid begint, die is begonnen met het edele achtvoudige pad naar de volledige opheffing van lijden.
   Die vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, voeren van deze oever naar de andere oever. (S.47.32-34)
   Wie de vier grondslagen van oplettendheid verwaarloost, verwaarloost ook het edele pad dat voert naar de vernietiging van lijden. (S.52.1.)

   Diegenen met wie jullie medelijden hebben en van wie jullie menen dat ze zullen luisteren, jullie vrienden en kennissen, familieleden en verwanten, die moeten door jullie aangespoord, versterkt en gevestigd worden in de ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid. (S.47.48)
   
   Wie de vier grondslagen van oplettendheid ten dele heeft ontplooid, die is iemand die nog oefent.
   Wie de vier grondslagen van oplettendheid volledig heeft ontplooid, die is klaar met oefenen. (S.47.26-27)
   Niet alleen volgelingen die pas beginnen, maar ook de volmaakte heiligen beoefenen de vier pijlers van oplettendheid. (S.47.4)

   Wie de vier grondslagen van oplettendheid ontplooit en ontwikkelt, krijgt een groot overzicht. Men kan dan lage eigenschappen als laag onderkennen, middelmatige als middelmatig en voortreffelijke als voortreffelijk. (S.52.3)
   Bij de beoefening van de grondslagen van oplettendheid beschouwt men de wet van ontstaan, beschouwt men de wet van vergaan, beschouwt men de wet van ontstaan-vergaan.
   De procedure die naar ontwikkeling ervan voert, is het edele achtvoudige pad. (S.47.40)
   
   Het begin van de heilzame dingen is zuivere deugdzaamheid en rechtlijnige visie. Wanneer de deugdzaamheid goed gezuiverd is en de visie rechtlijnig is, dan kan men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien. Dat doet men inwendig en uitwendig, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis. Wanneer men de vier grondslagen van oplettendheid aldus drievoudig ontplooit, dan is een toename van heilzame dingen te verwachten, geen terugval. (S.47.3; S.47.15)
   De heilzame deugden zijn die deugden waarmee men de vier grondslagen van oplettendheid kan ontplooien. (S.47.21)
 
   Bewandel geen verkeerde wegen. Verdwaal niet. Wat zijn verkeerde wegen? – Het zijn de vijf genietingen van de zintuigen, namelijk de vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen die in het bewustzijn treden door oog, oor, neus, tong, lichaam. Ze zijn dierbaar, geliefd, aangenaam. Dat is vreemd gebied.
   De juiste weg zijn de vier grondslagen van oplettendheid. (S.47.6-7)

   Alles wat lief en dierbaar is, zal vergaan, zal veranderen, zal vernietigd worden. Het is niet mogelijk dat iets wat geboren, samengesteld is, niet aan verval onderhevig is. Wees daarom een toevlucht voor jezelf. Heb de leer als toevlucht, en wel: Waak bij het lichaam over het lichaam, waak bij de gevoelens over de gevoelens, waak bij het bewustzijn over het bewustzijn, waak bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis. (S.47.13)

   Wanneer de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooid en ontwikkeld worden, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene geen lang voortbestaan. En wanneer de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en ontwikkeld worden, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene een lang voortbestaan. (S.47.22-23)

   Wie de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en ontwikkeld heeft, kan niet meer terugvallen tot het normale leven. (S.52.8 )


29
Theravada Boeddhisme / kastensysteem
« Gepost op: 29-08-2017 12:17 »
Het kastensysteem en wat de Boeddha erover dacht

   In de oude teksten wordt melding gemaakt van brahmanen, krijgers, landbouwers en zakenlieden, dienaren en verschoppelingen. Enige informatie over hen is hier samengevat.
   In de leer van de Boeddha is geen kastensysteem. Iedereen kan tot de leer van de Boeddha zijn of haar toevlucht nemen. Hoe de Boeddha over het kastensysteem dacht, wordt hier eveneens besproken.

Het kastensysteem

   Het woord kaste is afkomstig van het Portugese woord casta. Toen de Portugezen in de 6e eeuw in India kwamen, noemden zij de vele verschillende groepen “castas”. Dit betekent stammen, groepen of families. De naam “casta”, kaste bleef het gebruikelijke woord voor de Hindoe sociale groep. Wat wij in Europa algemeen onder een kaste (jāti) verstaan, is eigenlijk een klasse (varna). Door huwelijk en onderverdeling zijn er tegenwoordig ongeveer 3000 kasten. Maar het aantal klassen is beperkt gebleven tot vier.
     Omdat het gebruikelijk is het woord kaste ook te gebruiken voor klasse, worden die vier klassen hier beschreven onder het hoofd kastensysteem.
     
     In het tweede duizendtal voor Chr. drongen veel volkeren India binnen. De Ariërs, een groep van verwante stammen, hadden priesters die de heilige teksten in versvorm mondeling overdroegen. Dat werd de Rig Veda.
     De Ariërs onderwierpen geleidelijk alle inheemse stammen. De stammen werden geregeerd door hoofden die de titel "rājā" droegen. Zij waren geen absolute heersers. De stammen werden democratisch bestuurd in stamvergaderingen. (Democratie is geen "uitvinding" van de Grieken).
     Toen de Ariërs India binnendrongen was er al een klassenindeling in hun stamstructuur. In de oude verzen is al te lezen over de "ksatra", de edelen, en de "vish", het gewone volk.
     "Varna," het Sanskrietwoord voor klasse, betekent kleur. Het wijst erop dat de blanke minderheid van de Ariërs heerste over de oerbewoners die een donkere huid hadden. De oorspronkelijke bewoners kregen een plaats aan de onderkant van de maatschappij. Zij hadden weinig rechten.
     Het centrum van de Arische cultuur was de offergave. Het belangrijkste doel ervan was de goden gunstig te stemmen om hun gunsten te verkrijgen. Alleen de priesters kenden de juiste rituelen.
     In de Rig Veda periode (circa 1500-500 voor Chr). bestond het geloof dat het universum ontstaan was uit een oeroffer. Ook was er het geloof in een god-schepper met naam Prajapati, later genoemd Brahmā. Hij werd voorgesteld als een oermens die bestond vóórdat het universum gemaakt werd. In een grote hymne wordt beschreven dat de oermens verdeeld werd. Zijn mond was de brahmaan, de priester. Uit zijn armen werd de krijger (ksatriya) gemaakt en uit de heupen de vaiśya (vaishya). Uit zijn voeten werd de śudra (shudra) geboren.
 
De brahmaan
 
     De plicht van de brahmaan was te studeren en te onderrichten, offergaven te geven en gaven te ontvangen. Er waren twee typen van brahmanen. Er waren geleerde brahmanen die de rituelen van de Ariërs uitvoerden en grote achting kregen. Maar er waren ook dorpsbrahmanen die veel tijd besteedden aan het voorspellen van de toekomst en aan hekserij. Zij werden minder gewaardeerd.
     De beroepspriesters kunnen in verscheidene typen ingedeeld worden. Er waren de zieners (rishis) die de Vedische verzen samenstelden. Voor rituele offergaven was een aantal priesters vereist, met gespecialiseerde taken. Het woord ‘brāhmana’ betekende oorspronkelijk: iemand die ‘brahman’ bezit, een mysterieuze magische kracht. Het woord brahmaan werd eerst toegepast voor de speciaal geoefende priester die aan het hoofd stond van het hele offeren en die met zijn magische spreuken elke boze invloed kon tegengaan. Op het einde van de Rig Vedische periode werd de term gebruikt voor alle leden van de priesterlijke klasse.
     Vaak leefde de brahmaan onder bescherming van een koning of stamhoofd. Hij kreeg dan toelagen van belastingvrij land dat bewerkt werd door kleine boeren die hun pacht aan de brahmaan gaven in plaats van aan de koning.
     Andere brahmanen werkten als leraren van de Veda, en van andere takken van onderricht.
     Een brahmaan die een goede plaatselijke reputatie kreeg voor het goed uitvoeren van de offers en ceremonies kon aanzienlijk rijk worden. Vaak woonden zij op grote boerenbedrijven die bewerkt werden door werklieden. Brahmanen die de Vedas niet zo goed konden uitleggen of die niet goed geoefend waren om te offeren, kregen hoge posities aan het hof of zij werden rijk door handel.
   De brahmanen moeten niet vergeleken worden met de hoge geestelijkheid in Europa. In werkelijkheid vindt men onder de brahmanen priesters en religieuze bedelaars, koks, soldaten, boeren, metselaars en zelfs dieven.
   
De ksatria, de krijger
 
     De tweede klasse was die van krijgers, de rājanya, later genoemd ksatriya. Zij waren de heersende klasse. De plicht van de leden van deze klasse was het volk beschermen, het land verdedigen. Dit betekende in oorlogstijd vechten en in vredestijd besturen. Ook moesten zij offeren en studeren.
     De ksatriyas hadden bepaalde privileges. Zo mochten de ksatriyas hun bruid roven. Een meisje mocht haar man uitkiezen onder de samengekomen vrijers.
     Hoewel de Ksatriyas de strijders waren, namen bij oorlog alle klassen daaraan deel. Er is sprake van brahmanen in hoge militaire functies. Ook shudras en onaanraakbaren konden hoge militaire functies bekleden, zelfs die van generaal.
 
De vaishya, de zakenman
 
     De hoofdfunctie van de vaishya is landbouw en veelteelt, handel drijven en geld uitlenen. Maar ook de shudras oefenden landbouw uit. De ideale vaishya had een goede kennis van juwelen, metalen, kleren, stoffen, specerijen, reukwerken en alle manieren van handeldrijven. Hij was in feite de Indiase zakenman.
     Er waren veel rijke kooplieden die in grote weelde leefden. Zij waren goed georganiseerd in gilden. Rijke vaishyas werden door de koning gerespecteerd en genoten hun gunst en vertrouwen. Zij begunstigden de opkomst van het Boeddhisme.
 
De shudra, de dienaar
 
     De vierde klasse was die van de shudras. Zij waren de dienaren van de andere klassen. Er was een scherp onderscheid tussen de drie hogere klassen en de shudra. De drie hogere klassen waren twee keer geboren, één keer bij de natuurlijke geboorte en de tweede keer bij de initiatie. De shudra had geen initiatie, werd soms helemaal niet als een Ariër beschouwd. De shudra was in feite een tweede klas burger. Hij moest de resten van het eten van zijn baas opeten, moest diens weggeworpen kleding dragen en diens oude huisraad gebruiken. Hij mocht niet rijk worden zelfs als hij daartoe de gelegenheid had. Hij had weinig rechten en zijn leven was weinig waard.
     Maar er is ook sprake van shudras die een handwerk uitoefenden en handel dreven. In de Maurische tijden waren er veel shudras die kleine boeren waren.
     De shudra mocht niet naar de Vedas luisteren of ze herhalen. Hij had wel deel aan devotionele religie.
 
De onaanraakbaren, de verschoppelingen
 
     Onder de shūdras stonden de onaanraakbaren, de verschoppelingen. Enkele eeuwen voor Chr. bestonden al meerdere groepen van mensen die diensten verrichtten voor de Ariërs. Zij deden het vuile werk en werden beschouwd als buitenstaanders. Zij waren helemaal buitengesloten van de Arische sociale orde.
     Vermoedelijk waren zij afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners van India. De belangrijkste van deze groep was de candāla. Die term werd gebruikt voor vele typen van onaanraakbaren. De candāla mocht niet in een Arische plaats vertoeven maar moest wonen in speciale wijken buiten de dorps- of stadsgrenzen. Hun belangrijkste taak was het dragen van lijken en het cremeren ervan. Zij oefenden ook beroepen uit als beul.
     Volgens de wetboeken moest de candāla de kleren dragen van de lijken die hij cremeerde. Hij moest eten uit gebroken potten en mocht alleen ijzeren sieraden dragen. Iemand van een hogere kaste mocht geen relatie aangaan met een candāla. In de Gupta periode moesten de candālas met een houten klepper geluid maken als zij een stad binnenkwamen, om de Ariërs te waarschuwen voor hun komst.
     Het lot van de onaanraakbare was niet altijd zonder hoop. Als de onaanraakbare stierf wanneer hij brahmanen, koeien, vrouwen en kinderen verdedigde, werd hij met zekerheid herboren in de hemel. (Aan de volgorde is te zien dat de koeien hoger geacht werden dan de vrouw).


     

30
Theravada Boeddhisme / De Bodhisatta in het Theravada
« Gepost op: 22-07-2017 23:55 »
De Bodhisatta in het Theravada Boeddhisme

Voorwoord

    In de inleiding tot het Mahayana Boeddhisme staat o.a. dat het wordt gekenmerkt door het ideaal van de Bodhisattva. Ook het Theravada kent het begrip van de Bodhisatta. Hij is er weliswaar niet het hoogste doel, maar wel een goed voorbeeld dat door leken nagevolgd kan worden. De Boeddha heeft immers onderwezen dat een leek geen edele monnik als voorbeeld moet nemen, maar een goede leek. (Zie: A.II,131-134).
   In het Mahāyāna worden aan de Bodhisattva bovennatuurlijke krachten en zekere graden van heiligheid toegekend. Maar volgens de Theravāda-traditie behoort de Bodhisatta nog tot de wereldlingen en nog niet tot de Ariyasangha, de gemeenschap van de Boeddhistische heiligen van het eerste, tweede, derde of vierde niveau.
   Tussen het Pāli-woord Bodhisatta en het Sanskriet-woord Bodhisattva is slechts één letter verschil. Er is echter een wezenlijk onderscheid tussen deze twee opvattingen. Diverse deelstudies zijn er gepubliceerd die direct of indirect te maken hebben met de leer over de Bodhisatta in het Theravāda. Een systematisch overzicht ervan is nog niet verschenen, voor zover mij bekend. Omdat ik al vele jaren geïnteresseerd ben in dit onderwerp, leek het me nuttig een compilatie te maken van de vele gegevens. Ik werd hiertoe aangespoord door de eerwaarde Rassagala Seewali uit Sri Lanka die toen in Thailand studeerde. Hij had eveneens een grote belangstelling voor dit onderwerp. Een eerste poging werd ondernomen begin 2000. De beschikbare gegevens bleken echter nog te beperkt. Een gelukkige omstandigheid was dat mijn goede kennis Dr. Karl Hubertus Eckert uit Augsburg mij meer dan 1100 van zijn boeken over het Boeddhisme schonk. - Moge die schenking hem lang tot heil en zegen strekken. - Ik had nu de beschikking over een grote bibliotheek van onschatbare waarde.
   De tekst van het eerste concept werd in het Engels vertaald en naar enkele van mijn eerwaarde kennissen in Sri Lanka en Thailand gestuurd. De eerwaarde Dr. Sangharatana Thero, hoofd van de tempel te Pitaramba, Bentota, Sri Lanka, adviseerde mij, na lezing ervan, om iets meer uit te weiden over het Mahāyāna. Deze goede raad werd dankbaar opgevolgd en bleek van groot voordeel te zijn voor de studie van het concept van de Bodhisatta.
   De tweede poging om deze facetten over de leer van de Bodhisatta samen te stellen, werd ondernomen in 2002/2545, welke enigszins herzien werd in 2003/2546.
   De Engelse versie ervan werd opgestuurd naar de redactie van de Buddhist Publication Society te Kandy, Sri Lanka. Het typoscript werd zorgvuldig gelezen en gecorrigeerd door Mr. Dennis Candy en Prof. Handunukanda. Zij maakten meerdere suggesties om deze studie te verbeteren welke suggesties in dank aangenomen werden.
 
   In de suttas van de Pāli Canon is weinig informatie te vinden over de Bodhisatta. De term Bodhisatta wordt er gebruikt om er de Boeddha Gotama mee aan te duiden vóórdat hij de Verlichting bereikte. In het Cakkavatti- Sīhanāda sutta (Digha Nikaya 26) is sprake van de toekomstige Boeddha. En in het Buddhavamsa en het Cariyapitaka zijn gegevens over vroegere Boeddhas. Verdere boeddhistische literatuur over dit onderwerp is het Dasabodhisattuppattikathā (betreffende de levens van de tien Bodhisattas). Over de waarde van deze werken zal later ingegaan worden.
 
   Deze studie handelt voornamelijk over de Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme. Over de Bodhisattvas in het Mahāyāna zijn reeds erg veel werken gepubliceerd. Daarom wordt over hen hier niet veel verteld. Eerst probeer ik duidelijk te maken hoe er een verschil in denken is ontstaan en welke de hoofdverschillen zijn tussen het Theravāda enerzijds en het Mahāyāna anderzijds. Vervolgens wordt in het kort de opvatting over de Bodhisattvas in het Mahāyāna beschreven. En daarna volgt het concept van de Bodhisatta in het Theravāda. Een hoofdstuk is gewijd aan de Jātakas en een ander aan de Pāramis. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de toekomstige Boeddhas. Tot slot is er een korte samenvatting, en een vergelijking van de opvattingen van Theravāda en Mahāyāna.
 
   Om de leer van de Boeddha goed te begrijpen, moeten wij proberen alle vreemde en niet ter zake doende elementen te identificeren die in de loop der jaren erbij zijn gekomen. Dit geldt ook voor de leer over de Bodhisatta. Ik hoop dat ik daarin enigszins geslaagd ben.
 
Nico

31
Theravada Boeddhisme / Boeddhistische plaatsen
« Gepost op: 05-07-2017 22:13 »
Een bezoek aan enkele Boeddhistische plaatsen

   In het Mahaparinibbāna sutta worden vier plaatsen aangewezen als bezienswaardig en aangrijpend voor devote, toegewijde Boeddhisten. Het zijn de plaatsen waar de Boeddha geboren is, waar hij de Verlichting bereikte, waar hij voor het eerst de verheven leer verkondigde en waar hij heenging in het opperste geluk van de bevrijding van lijden en onvoldaanheid. Die plaatsen zijn respectievelijk Lumbinī, Bodh-Gayā (Buddhagaya), Sarnath en Kushinagar. De eerste plaats ligt in Nepal, de overige plaatsen liggen in India.
   Behalve deze vier aangrijpende plaatsen heeft de Verhevene ook nog als bezienswaardig en aangrijpend genoemd de plekken waar een stoepa is opgericht voor de relieken van de Verhevene. Bezienswaardig zijn verder de plaatsen waar de Boeddha vaak heeft vertoefd.

Bij het lezen en gedeeltelijk vertalen van het leven en de leer van de Boeddha ontstond in 1984 het verlangen de vier plaatsen op te zoeken die door de Ontwaakte zijn aanbevolen. In 1987, 1990, 1996, en 2004 werden weer pelgrimstochten gemaakt. Behalve de in 1984 al bezochte steden en dorpen werden in de route toen ook opgenomen enkele plaatsen waar stoepas voor de relieken van de Boeddha zijn en plaatsen die gewijd zijn doordat de Verhevene er vaak vertoefde. Tevens was ik op een van die reizen in de gelegenheid de beroemde grottempels van Ellora en Ajanta te bezoeken. Ook die plaatsen worden hier kort beschreven.



   Het is niet iedereen vergund de gewijde Boeddhistische plaatsen te gaan opzoeken. Maar gevoelens van verering kunnen ook opgewekt worden door te lezen over die plaatsen. Tevens is het denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen een goede meditatiemethode op weg naar het Doodloze. Deze compilatie van gegevens is enerzijds een beschrijving van de gewijde plaatsen en anderzijds een hulp bij het mediteren, bij het overdenken van de deugden van de Boeddha. Een dergelijk overdenken kan ook troost schenken en kracht in nood.
   
   Vier pelgrimstochten werden gemaakt in begeleiding van wijlen de eerwaarde Dr. Phra Maha Tuan Pim-Aksorn; hij was mijn tolk en gids en dank zij hem heb ik er veel kunnen leren.
   
   De Verhevene heeft gezegd dat als laatste eer voor hem op een kruispunt van wegen een gedenkteken opgericht moet worden. “En aldegenen die daar bloemen of reukwerk of iets kleurigs neerleggen, of die vol eerbied een buiging maken, of die zich innerlijk verheugen, wier geest daar kalm wordt, hen zal dat lange tijd tot heil en zegen strekken.”
   “En de Volmaakte is zo'n gedenkteken waard op grond van de innerlijke kracht, namelijk de gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van de Verhevene, de Heilige, de volledig Ontwaakte.’ Die gedachte maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en blij en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij na de dood herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van die innerlijke kracht is de Volmaakte een gedenkteken waard.” (Maha-Parinibbana sutta).

   Mogen door deze impressies van mijn pelgrimstochten alle lezers en lezeressen zich innerlijk verheugen. Moge hun en haar geest kalm worden. En mogen allen aldus eveneens heil en zegen verkrijgen voor een lange tijd.

   De plaatsen worden besproken in de volgorde van de route die tijdens de pelgrimstochten genomen werd. Dus niet als eerste de geboorteplek en als laatste de plek van definitieve heengaan.

   Samen met de eerwaarde Phra Maha Tuan werd eerst Sarnath bezocht. Vandaar ging het naar Sravasti. Daarna volgt Piprahwa. Kapilavatthu ligt er vlak bij maar in Nepal. Omdat de grens naar Nepal daar is afgesloten vanwege onenigheid over de identificatie van Piprahwa, gingen we via Gorakhpur naar Lumbini. De plaats Kapilavatthu ligt niet ver ervandaan. Maar drie bruggetjes waren door zware regenval weggespoeld. Dus moesten we een omweg maken van ca 100 km via Butwal naar Kapulavatthu. Van Kapilavatthu terug naar India, naar Kushinagar. Via Patna naar Vaisali, Nalanda en Rajgir. Daarna naar Buddhagaya waar we meerdere dagen bleven.
In Varanasi studeren Thaise monniken aan de Hindoe-universiteit (BHU). Die monniken werden steeds met een bezoek vereerd.

Nico


32
Theravada Boeddhisme / De werelden van bestaan
« Gepost op: 13-06-2017 14:31 »
DE WERELDEN VAN BESTAAN
 
Inleiding

       Niet iedereen streeft in dit leven naar volledige of gedeeltelijke heiligheid. Maar de Boeddha heeft ons ook de weg gewezen naar gelukkige oorden van bestaan. Want de aarde is niet de enige bewoonde wereld; en mensen zijn niet de enige levende wezens. De wereldsystemen en ook de levende wezens zijn ontelbaar.

       De gelukkige oorden, werelden of sferen van bestaan heten de hemelen. Verder kent het Boeddhisme nog de ongelukkige sferen van bestaan. Al die werelden of sferen zijn niet blijvend. Zij duren niet eeuwig. Een wezen in de meest verschrikkelijke hel (de avīci-hel) en ook de hoogste god is onderworpen aan het feit dat niets blijvend is wat samengesteld is. En verder geldt dat alles wat een begin heeft, ook een einde kent. Alleen de sfeer van Nibbāna is zonder einde, omdat die sfeer niet samengesteld en niet geschapen is.

       Sommige van die werelden van bestaan in het universum zijn op de een of andere manier superieur aan onze aardse wereld en aan het doorsnee menselijk bewustzijn. Maar ze zijn dat niet in alle opzichten. De bewoners van zulke werelden kunnen in verschillende graden machtiger zijn dan menselijke wezens, gelukkiger of met een langere levensduur. Maar zij hoeven niet wijzer dan de mens te zijn.

       Het Boeddhisme leert dat er meer dan 30 werelden van bestaan zijn waarin wedergeboorte mogelijk is. Deze werelden kunnen onderverdeeld worden in (I) drie sferen (loka of avacara), of (II) negen verblijfplaatsen van wezens (sattāvāsa).

33
De drie aspecten van het leven

   De Boeddha onderwees dat er geen kern, geen ego, geen zelf is, nergens, niet ergens binnen in ons en niet ergens buiten ons. Dat was toen en is ook nu nog steeds heel tegengesteld aan wat de gangbare gedachtengang is. Er is geen ziel die van het ene leven verhuist naar een ander leven.
   Ook onderwees de Boeddha dat alles wat samengesteld is, veranderlijk en vergankelijk is. Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden blijft eeuwig bestaan. Ook de hoogste god zal eens van dat goddelijk leven afscheid moeten nemen.
   Omdat alles verandert en vergaat, ontstaat er frustratie. Dat komt omdat men zich eraan hecht, omdat men iets wel of niet wil hebben.
   
   Deze drie aspecten van het leven zijn door de Boeddha in vele toespraken behandeld en uitgelegd. Hij sprak met geleerden en koningen, maar ook met bedelaars en niet zo heel snuggere mensen. En soms begrepen de minder bedeelden zijn leer eerder dan de geleerde mensen.
   Die drie aspecten zijn: dukkhā (onvoldaanheid), aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid) en anattā (niet-zelf).


 

34
Theravada Boeddhisme / De Sangha
« Gepost op: 22-05-2017 01:17 »
     Na iets over de leek gepost te hebben, volgen hier enkele gegevens over de Sangha. Dat het  leven van een bhikkhu of bhikkhuni heel anders is dan het leven van een leek, moge hieruit duidelijk worden.

Nico


1. Het begin van de Sangha

      Het woord “ Sangha” kan twee betekenissen hebben. Elke gemeenschap van bhikkhus van vier of meer in aantal is een bhikkhu-sangha.[1] De gemeenschap van alle mensen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben, zij allen vormen de ariya-sangha of edele sangha. Leken kunnen die vier niveaus ook bereiken. Hier bespreken wij de Sangha als gemeenschap van de bhikkhus (monniken) en de bhikkhunis (nonnen).

      Op het einde van de eerste toespraak in het hertenpark te Isipatana (Sarnath) bereikte Kondañña het eerste niveau van heiligheid. Hij vroeg aan de Boeddha of hij een discipel van hem mocht worden.[2] De Boeddha nam hem aan met de woorden: “Kom, bhikkhu”. Het woord bhikkhu werd toen al gebruikt voor religieuze rondtrekkende asceten. Thans wordt het alleen gebruikt voor Boeddhistische monniken. Letterlijk betekent bhikkhu: iemand die bedelt. Maar bhikkhus bedelen niet; zij nemen alleen aan wat vrijwillig gegeven is.[3]

      Na de eerste toespraak tot de vijf asceten en nadat Añña-Kondañña een bhikkhu en stroomintreder was geworden, wordt in de Vinaya vermeld dat de Verhevene die asceten onderwees met een gesprek over de Dhamma. We weten niet wat hij toen precies onderwees.[4] De overige vier asceten werden verder onderwezen totdat zij het eerste niveau van heiligheid bereikt hadden. Daarna richtte de Boeddha zich tot hen met de tweede ons bekende toespraak, en wel over niet-zelf. Alle vijf bereikten toen Arahantschap. De vier andere asceten vroegen toen of ook zij bhikkhu konden worden.[5]

      Eén of twee bhikkhus vormen geen Sangha. Er moeten minstens vier monniken samen zijn. [6] Het begin van de Sangha is dus in het hertenpark te Isipatana nadat die vier asceten bhikkhu waren geworden.
 
      Na de bekering van de vijf asceten volgde de bekering van Yasa, diens vader en vier vrienden. Zij allen werden Arahants. Yasa vroeg om als bhikkhu toegelaten te worden. De Boeddha antwoordde: “Kom bhikkhu, de leer is goed uitgelegd. Voer het heilige leven om aan het lijden een einde te maken.”[7]
 
      De vrouw en de moeder van Yasa wachtten tevergeefs. Zij gingen naar het hertenpark en ook zij werden er onderwezen. Zij werden de eerste vrouwelijke lekenvolgelingen.
      Vijftig andere vrienden van Yasa volgden en ook zij werden volmaakte heiligen. Er waren toen in totaal 61 heiligen (Arahants) in de wereld.
 
      Toen het regenseizoen ten einde liep, zond de Boeddha zijn directe discipelen - die allen volledig bekwaam waren om anderen te onderwijzen – heen in alle richtingen om de leer te verspreiden. Zij moesten de leer verkondigen in haar eigen zin en haar eigen wijze, naar bedoeling en naar de letter.
      Na afloop van zes jaar moesten zij weer samenkomen om op plechtige wijze de orde-regels op te zeggen. Hoewel het er niet uitdrukkelijk bij vermeld is, moeten die orderegels toen al bij die bhikkhus bekend zijn geweest. En het is aan te nemen dat zij ook de tien regels van discipline navolgden.
 
      Toen vertrokken al die monniken, op één en dezelfde dag. En steeds na afloop van een jaar verkondigden godheden dat een jaar verstreken was en hoeveel jaren er nog over waren.
 
_____
[1] Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants, Kandy 1979, p. 7.
[2] Khantipalo 1979, p .5.
[3] idem.
[4] Khantipalo 1979 p. 53.
[5] Khantipalo 1979, p. 6.
[6] Khantipalo 1979, p. 7.
[7] Khantipalo 1979, p. 11.

35
Theravada Boeddhisme / Richtlijnen en adviezen voor leken
« Gepost op: 01-05-2017 19:17 »
De Boeddha heeft veel gesproken tot de monniken. Maar hij heeft ook veel gesprekken gevoerd tot leken.
De richtlijnen en adviezen die hij voor leken heeft gegeven, heb ik enigszins bij elkaar gezet.

1. Leven in de wereld
 
   Er zijn mensen die menen dat het Boeddhisme in deze geïndustrialiseerde en technische wereld niet of slechts met veel moeite nagevolgd kan worden. Zij denken dat de leer van de Boeddha in volle afzondering van de wereld beoefend moet worden, dat zij naar een klooster of naar de een of andere stille plek moeten gaan, ver weg van de bewoonde wereld. Dat is een verkeerde mening. Het is een niet begrijpen van de verheven leer. In sommige gevallen kan het voor iemand misschien goed zijn enige tijd in afzondering te leven om zijn geest en karakter te verbeteren. Maar voor de meesten is het niet goed steeds alleen te leven of in een kloostergemeenschap. De leer van de Boeddha is niet alleen bedoeld voor monniken, maar ook voor mensen die thuis leven met hun gezin. Het edele achtvoudige Pad dat de Boeddhistische levensweg is, is er voor allen, zonder uitzondering, zo schreef de  Walpola Rahula.
   De eerste volgelingen van de Verhevene waren leken, daarna pas volgde de instelling van de Orde van de monniken. En de leek ook zal de leer langer handhaven dan de monniken.
   Ware verzaking en afzondering is niet het weglopen, is niet het zich lichamelijk verwijderen uit de wereld. De eerwaarde Sariputta zei eens dat iemand in een bos kan leven, toegewijd aan meditatie en ascese. Maar die persoon kan dan toch vol onzuivere gedachten zijn en vol belemmeringen. Iemand anders daarentegen kan in stad of dorp leven zonder ascetische oefeningen. Het gemoed van de laatste kan echter rein zijn en vrij van belemmeringen. Van die twee personen zei de eerwaarde Sariputta dat degene die een zuiver leven leidt in dorp of stad beslist superieur is aan en groter dan degene die in het bos leeft. Ook de Boeddha bevestigde met stelligheid dat er niet een of twee, niet honderd of tweehonderd, maar veel meer leken waren - zowel mannen als vrouwen - die een gezinsleven leidden en die zijn leer met succes volgden en hoge geestelijke staten bereikten.
 
   De Boeddha leerde dat er drie soorten afzondering bestaan:
(a)       lichamelijke afzondering: het alleen leven, als een kluizenaar, afgezonderd van de buitenwereld, in bos of andere stille plaats;
(b)        geestelijke afzondering: de stilte van het gemoed in de diepe sferen van meditatie; de afzondering ook van de diverse belemmeringen in de staten van heiligheid;
(c)        afzondering van de steunen van bestaan: die steunen van bestaan zijn de besmettende hartstochten, de groepen van bestaan en de wilsacties met gevolgen. De afzondering van dit alles is Nibbāna.
 
   De Boeddha haalde het leven niet uit de samenhang van zijn sociale en economische achtergrond. Hij bezag het in zijn geheel, met alle sociale, economische en politieke aspecten. Als de mensen in een land voorzien zijn van de gelegenheden om een voldoende inkomen te verdienen, zullen zij tevreden zijn. Zij zullen dan geen angst of vrees meer hebben en ook het land zal vredig zijn en vrij van misdaad. Daarom vertelde de Boeddha aan leken hoe belangrijk het is om de economische omstandigheden te verbeteren. Dit betekent niet dat hij ermee instemde rijkdom te vergaren uit begeerte en gehechtheid. Materieel welzijn is niet een doel op zich. Het is alleen een middel om naar een hoger doel te geraken. Geluk in de wereld, zo zei de Boeddha, is niet het zestiende deel waard van het geestelijke geluk dat ontspringt uit een rein, smetteloos en goed leven.
 
   Het is voor de leek moeilijk steeds goed te doen. Ook voor de monnik is het moeilijk. Maar de leek is omringd door wereldse zaken en voor hem heeft de Boeddha enkele instructies gegeven waardoor zowel in de wereld als op religieus gebied vooruitgang geboekt kan worden. Die instructies zijn geen geboden of verboden. Wij moeten uiteindelijk zelf weten wat we doen.
   De resultaten van onze daden zullen wij zelf oogsten. Er is geen beloning en geen straf; er is alleen een resultaat van onze wilsacties. En zo'n resultaat kan onheilzaam, neutraal of heilzaam zijn, overeenkomstig de daad die er aan vooraf ging.  Wie goed doet, goed ontmoet; maar ook: wie niet goed doet, niet goed ontmoet. Het is daarom aan te bevelen steeds goed te doen.
    Er zijn instructies voor monniken en ook instructies voor leken. De monnik heeft 227 regels die hij moet navolgen. De leek heeft maar vijf regels. Om goede resultaten te behalen, moeten al die vijf regels nagevolgd worden.

Nico

36
Theravada Boeddhisme / Factoren van Verlichting
« Gepost op: 24-02-2017 14:43 »
Factoren van Verlichting

   Er zijn meerder hindernissen, boeien, smetten van de geest die vooruitgang naar het hoge doel belemmeren. Maar er zijn ook factoren die gunstig zijn voor de vooruitgang. Zij zijn een steun op de weg naar de bevrijding. Zij bevleugelen het ontwaken.

   Er worden zeven speciale factoren van Verlichting genoemd, en dertig andere elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35; A.I.18)

   De zeven factoren van Verlichting (bojjhanga) zijn: [1] oplettendheid, [2] het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya), [3] energie (viriya), [4] enthousiasme (pīti), [5] kalmte (passaddhi), [6] concentratie (samādhi), en [7] gelijkmoedigheid (upekkha).

   De andere dertig elementen van de Verlichting zijn:

[8-11] De vier grondslagen van oplettendheid (satipattana)
   [8] Men vertoeft in de beschouwing van het lichaam; [9] van de gevoelens; [10] van de toestanden van bewustzijn; [11] van de objecten van de geest.

[12-15] De vier juiste inspanningen (samma-ppadhana)
   Men spant zich in [12] om de niet ontstane slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan; [13] om de ontstane slechte, onheilzame dingen te overwinnen; [14] om de niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan; [15] om de ontstane heilzame dingen te vestigen, niet te laten verdwijnen, maar ze tot groei en volle ontplooiing te brengen.

[16-19] De vier krachten (iddhi-pada)
   Of men ontplooit krachten die bestaan uit [16] de concentratie van gedachten; [17] de concentratie van de wilskracht; [18] de concentratie van de geest; [19] de concentratie van onderzoek.
 
[20-24]: De vijf vaardigheden (indriya)
   Of men ontplooit de geestelijke vaardigheden, namelijk:  [20] vertrouwen (saddhindriya), [21] energie (viriya-indriya), [22] oplettendheid (sati-indriya), [23] concentratie (samādhindriya) en [24] wijsheid (paññindriya).

[25-29] De vijf geestelijke krachten (bala)
   Of men ontplooit de geestelijke krachten, namelijk: [25] vertrouwen, [26] energie, [27] oplettendheid, [28] concentratie en [29] wijsheid.

(30-37]: Het achtvoudige pad (atthangika-magga)
   Of men ontplooit [30] juist inzicht, [31] juist denken, [32] juist spreken, [33] juist handelen, [34] juist levensonderhoud, [35] juiste inspanning, [36] juiste oplettendheid, [37] juiste ontwikkeling van de geest.

   De zeven factoren van Verlichting worden ook vermeld bij de andere dertig elementen van de Verlichting. Ik probeer die factoren en elementen hier iets nader uit te leggen.

Groeten
Nico

37
Theravada Boeddhisme / niveaus van heiligheid
« Gepost op: 20-07-2016 18:21 »
Het topic: niveaus van heiligheid is vervallen en vervangen door het topic: smetten van de geest, niveaus van heiligheid, soorten van bevrijding

http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2673.0.html

Nico

38
Theravada Boeddhisme / De leek - overwegingen
« Gepost op: 01-05-2016 16:42 »
De leek - overwegingen

   Ware verzaking en afzondering is niet het weglopen, is niet het zich lichamelijk verwijderen uit de wereld. Iemand kan in een woud leven, toegewijd aan meditatie en ascese. Maar die persoon kan dan toch vol onzuivere gedachten zijn en vol belemmeringen. Iemand anders daarentegen kan in stad of dorp leven zonder ascetische oefeningen. Het gemoed van de laatste kan echter rein zijn en vrij van belemmeringen. Van die twee personen zei de Eerwaarde Sariputta dat degene die een zuiver leven leidt in dorp of stad beslist superieur is aan en groter dan degene die in het woud leeft. Ook de Boeddha bevestigde met stelligheid dat er niet een of twee, niet honderd of tweehonderd, maar veel meer leken waren - zowel mannen als vrouwen - die een gezinsleven leidden en die zijn leer met succes volgden en hoge geestelijke staten bereikten.

   De Boeddha heeft onderwezen dat het leven van de leek niet gelijk is aan dat van de monnik. En daarom moet de leek niet een monnik als voorbeeld nemen maar een goede leek.

        Voor de leek heeft de Boeddha meerdere richtlijnen en adviezen gegeven. Behalve de vijf regels van goed gedrag gaf hij ook de raad om te denken aan de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Hij onderwees metta. En hij onderwees ook vijf contemplaties die geschikt zijn voor iedereen.

   De vijf regels van goed gedrag acht ik bekend. Ze zijn ook vermeld in het topic Dana, geven 01, bij: Voordelen van geven, en bij: Acht stromen van verdienste.
   Het denken aan de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha is vermeld in het topic Dana, geven 02a, bij: De zes overwegingen – Mahanama sutta.
   Metta is als afzonderlijk topic vermeld.

   Daarom nu alleen de vijf contemplaties voor iedereen die door de Boeddha zijn aanbevolen. Door het vaak overwegen van de volgende vijf onderwerpen krijgt men een rustig gemoed.

Vijf overwegingen voor iedereen

1. 'Het is zeker dat ik oud word; ik kan het proces van veroudering niet ontgaan.
2. Het is zeker dat ik ziek word; ik kan ziekte niet ontgaan.
3. Het is zeker dat ik zal sterven; ik kan de dood niet ontgaan.
4. Bij alle dingen die dierbaar en geliefd zijn, zal er verandering komen en er zal scheiding ervan komen.
5. Ik ben de eigenaar van mijn wilsacties en de erfgenaam ervan; mijn daden zijn de moederschoot waaruit ik ontsproot; wilsacties zijn mijn familie en mijn bescherming. Welke daden ik ook zal doen, goede of slechte, ik zal de erfgenaam ervan zijn.'

(1)   Om welke goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men zeker oud wordt en dat men het proces van veroudering niet kan ontgaan?
   Als men jong is, is men trots op de jeugd. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ouderdom zeker is, zal de hoogmoed van de jeugd helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het ouder worden.

(2)   En om welke goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men zeker ziek wordt en dat men ziekte niet kan ontgaan?
   Als men gezond is, is men trots op de gezondheid. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ziekte zeker is, zal de hoogmoed vanwege de goede gezondheid helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over ziekte.

(3)   En om welke goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men zeker zal sterven en dat men de dood niet kan ontgaan?
   Als men vol leven is, is men trots op het leven. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat de dood zeker is, zal de hoogmoed vanwege vol leven te zijn helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over de dood.

(4)   En om welke goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen?
   Men heeft een krachtig verlangen naar wat dierbaar en geliefd is. Verdwaasd door verlangen leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over het feit van verandering en scheiding, zal het krachtige verlangen naar wie of wat dierbaar en geliefd is helemaal verdwijnen of verzwakken.
   Om deze goede reden moet men vaak nadenken over de dood.

(5)   En om welke goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men eigenaar en erfgenaam is van eigen wilsacties, dat de daden de moederschoot zijn waaruit men ontsproten is, dat wilsacties onze familie en onze bescherming zijn, en dat wat voor daden men ook zal doen, goede of slechte, men er de erfgenaam van is?
   Er zijn mensen die een slecht leven leiden in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over zijn/haar verantwoordelijkheid van eigen daden, zal een slecht gedrag helemaal verdwijnen of verzwakken. Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men verantwoordelijk is voor eigen daden.

   De edele volgeling(e) overweegt aldus: 'Ik ben niet de enige die met zekerheid oud en ziek zal worden en die zal sterven. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, zij allen zijn onderhevig aan veroudering, ziekte en dood.'
   Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij/zij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen.

   Verder overweegt de edele volgeling(e) aldus: 'Ik ben niet de enige voor wie er verandering is bij wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de verantwoordelijke eigenaar en erfgenaam is van zijn daden. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, voor allen van hen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is. En zij allen zijn eigenaren en erfgenamen van hun daden.'
   Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij/zij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen."

   “Van wezens die onderhevig zijn aan ouderdom, ziekte en dood, heeft de wereldling een afkeer. Maar liever moet hij of zij denken:
   'Als ik weerzin voel ten opzichte van wezens met zo'n aard, dan is dat niet juist voor mij want ik ben van dezelfde aard. Terwijl ik met zulke gedachten vertoef en weet heb van Nibbāna's onbezwaarde staat, zal ik die drievoudige trots bij gezondheid en jeugd en overdaad van leven helemaal verslaan. Met het oog gericht op Nibbāna ontstond vurige ijver in mij: Nu kan ik nooit voor zinsverlangens zwichten. Een niet-meer-wederkerende zal ik worden. Het heilige leven is nu mijn hoogste doel.”

   Dit betekent dus dat men als leek door het regelmatig nadenken over deze feiten een in de stroom getredene kan worden, dat men het eerste niveau van heiligheid kan bereiken. En men kan zelfs meer niveaus van heiligheid bereiken.

39
Metta, welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid

   Wanneer men 's morgens, 's middags of 's avonds een maaltijd geeft, brengt dat rijke vrucht. Maar veel meer verdiensten verwerft men wanneer men 's morgens, 's middags of 's avonds de gedachte van welwillendheid (metta) ontplooit, al is het maar in geringe mate.
      Daarom moet men aldus oefenen: "de welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden." (S.20.4 = SN II.9.4)

   Wanneer iemand slechts voor een oogwenk de gedachte van Metta koestert, die gedachte ontplooit en overdenkt, dan geldt hij als iemand die niet tevergeefs de leer van de Boeddha navolgt.
   Wat kan dan wel gezegd worden van iemand die deze gedachte van metta vaak koestert. (A.I.12 = A.VI,3-5)
   
   Wie de meditatie van welwillendheid (metta) niet heeft ontplooid, niet sterker heeft gemaakt, die kan gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.
   Maar wie de meditatie van welwillendheid (metta), de bevrijding van het gemoed, ontplooid en versterkt heeft, die kan niet gemakkelijk door booswichten aangevallen worden.
   Daarom moet men aldus oefenen: "De welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden." (S.20.3 = SN II.9.3)

   Een booswicht die meent de geest te kunnen verwarren van iemand die metta ontplooid heeft, metta als basis heeft, vermeerderd en goed voltooid heeft, die booswicht zal zich alleen maar moeite en pijn bezorgen.
   Daarom moet men aldus oefenen: "De welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden." (S.20.5 = SN II.9.5)
 
   De snelheid van een afgeschoten pijl is groot. De snelheid van zon en maan is veel groter. Maar nog veel sneller drogen de levenskrachten op.
   Daarom moet men aldus oefenen: "De welwillendheid, de bevrijding van het hart, moet door ons ontplooid, versterkt worden, moet als vervoermiddel, als basis gemaakt worden, moet vermeerderd en goed voltooid worden." (S.20.6 = SN II.9.6)

   Behalve bovengenoemde voordelen van metta zijn nog meer zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid genoemd.
   “Elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door zichzelf vertrouwd te maken met de gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (mettā), door het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, door deze gedachten steeds te laten toenemen, door liefdevolle vriendelijkheid te beschouwen als een voertuig van uitdrukking, en eveneens als iets dat gewaardeerd moet worden, door in overeenstemming met deze gedachten te leven, door deze denkbeelden in praktijk te brengen en door ze te vestigen. Die elf zegeningen zijn:
1) men slaapt aangenaam;
2) men ontwaakt aangenaam;
3) men heeft geen boze dromen;
4) men is dierbaar aan de mensen;
5) men is dierbaar aan niet-menselijke wezens;
6) de hemelse wezens waken over iemand;
7) vuur, vergif en wapens kunnen iemand niet deren;
8 ) de onrustige geest concentreert zich;
9) de gelaatsuitdrukking is helder;
10) men sterft met onverward gemoed;
11) en als men hier en nu niet de hoogste heiligheid bereikt, dan komt men in de Brahma-wereld weer tot bestaan.

   Deze elf zegeningen kunnen verwacht worden van de bevrijding van het hart door liefdevolle vriendelijkheid.” (A.VIII.1)

   “Als iemand vanaf zijn jeugd liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de daad het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: 'Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.'
    Liefdevolle vriendelijkheid, indien op zo'n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van Niet-Wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding. (A.X,208).

   En hoe beoefent men metta? – De Boeddha heeft dit duidelijk uitgelegd.

De toespraak over liefdevolle vriendelijkheid
 Sn. I.8 = verzen 143-152

     “Wie de staat van vrede wenst te bereiken, moet het heilzame weten, moet energiek zijn en geheel en al oprecht. Hij of zij moet vriendelijk zijn, zachtmoedig en zonder hoogmoed, tevreden en gemakkelijk in onderhoud te voorzien, met weinig bezigheden en zonder veel benodigdheden. Met de zinnen bedaard, voorzichtig, bescheiden, zonder begeerte gaat hij of zij onder de mensen. En niet in het geringste mag enige overtreding begaan worden waarvoor andere wijze mensen hem of haar zouden kunnen berispen. En laat hij of zij denken: 'Mogen alle levende wezens gelukkig zijn en vol vrede, moge hun hart vervuld zijn van geluk, mogen zij gelukzalig van harte zijn. Wat voor levende wezens er ook mogen zijn, hetzij zwak of sterk, allen zonder uitzondering, groot of klein of middelmatig, dun of dik, zichtbare en onzichtbare wezens, de wezens die veraf zich bevinden of nabij, bestaande wezens en de wezens die naar bestaan zoeken, - moge geluk al hun harten vervullen, mogen zij gelukzalig van harte zijn.’
       Laat niemand de ander bedriegen en laat men niemand verachten, om welke reden dan ook. Laat men nooit iemand anders iets kwaads toewensen, uit ergernis of uit vijandige gezindheid.
       Zoals een moeder haar eigen zoon, haar enig kind beschermt met haar leven, laat men zo voor alle levende wezens z'n gemoed ontvouwen. Laat men vol goedheid en mededogen voor de gehele wereld z'n gemoed ontvouwen, onbegrensd: opwaarts, neerwaarts, rondom en kruiselings in het midden, naar alle richtingen; ongestoord, vrij van haat en vrij van vijandschap. En of men nu staat of gaat, zit of ligt, laat men, steeds als men van vermoeidheid vrij is, zich vestigen in deze oplettendheid. Dat geldt hier reeds als goddelijk vertoeven.
       En wie niet meer in verkeerde meningen is gevangen, wie deugdzaam is, aan wie inzicht eigen is, wie begeerte naar zinnelijk genot heeft overwonnen, hij of zij komt beslist niet meer in een moederschoot."

40
Dana, geven - 10. Geven als een van de volmaaktheden


   In het Buddhavamsa, de kroniek van Boeddhas, zijn 24 vroegere levens van de Boeddha Gotama tijdens zijn loopbaan als Bodhisatta beschreven. Deze kroniek is zeer waarschijnlijk pas ná het 3e concilie in de Pāli Canon opgenomen. De volmaaktheden worden niet in de oudere nikāyas aangetroffen.
   In het Cariyāpitaka, het 15e en laatste boek van de Khuddaka Nikāya, worden zeven van de tien volmaaktheden (dasa pārami) getoond. Die verhalen zijn verdeeld in drie groepen (vaggas). De eerste groep bevat tien verhalen over de Volmaaktheid van geven (dāna).
   De vraag doet zich voor of deze verhalen allemaal betrouwbaar zijn. Zijn zij alleen symbolisch bedoeld of moeten zij als educatieve verhalen opgevat worden?

   Ik denk dat de verhalen uit Buddhavamsa en Cariyāpitaka vergeleken moeten worden met de fabels uit de Indiase wereld. Volgens mij moeten zij allemaal beschouwd worden op dezelfde manier als de Jātakas. En dan zijn zij enkel educatieve verhalen, zonder enige historische waarde. De daden die hij er volvoerde om Boeddhas te eren, zijn voorbeelden van respect en vroomheid en moeten niet als feiten opgevat worden.


   In het Buddhavamsa zijn tien bodhi-pācana dhammā genoemd, eigenschappen die leiden naar de ontplooiing van volmaakte Verlichting. Die eigenschappen zijn de tien volmaaktheden (pāramīs), de tien transcendente deugden. Een van deze volmaaktheden is edelmoedigheid, vrijgevigheid (dāna).
   De volmaaktheid van geven bestaat in de wilsuiting om zichzelf of zijn bezittingen op te geven, gepaard gaande met mededogen en bekwame middelen. Ze heeft het kenmerk van edelmoedigheid; de functie ervan is door te geven gehechtheid aan iets of begeerte naar iets te vernietigen.
   De Bodhisatta ontwikkelt mettā voor alle wezens en geeft hun vreesloosheid. Hij denkt aan het heil van de wezens en duldt hun lijden niet. Hij wenst hun geluk voor een lange tijd en ook koestert hij voor allen een gelijke gezindheid. Daarom geven zij gaven aan alle wezens tot hun geluk, zonder te controleren of deze of gene de gaven waard is of niet.
   In vroegere vormen van bestaan, als mens wedergeboren, ondernam de Bodhisatta grote heilzame daden, onwankelbaar in edelmoedigheid. Hij maakte zich geliefd door edelmoedigheid en vrijgevigheid. Hij gaf uitgelezen spijzen en dranken, smakelijke maaltijden. Hij werd een bekwaam leraar in een handwerk en in wetenschap, kunst of beroep. Hij leerde de bekwaamheden welke anderen geen letsel toebrengen. Hij hield ervan gaven uit te delen, fijn geweven dekens en gewaden van linnen, wol, zijde.
   Hij verenigde lang verloren verwanten en vrienden die uit elkaar waren geraakt. Hij verenigde ouders met hun kinderen, broers met broers, broers met zusters. Hij stichtte vrede, bracht lieden die uit elkaar waren geraakt, bij elkaar en verheugde zich erover. Eendracht maakte hem blij.
   Hij was velen behulpzaam, verschafte troost en verzachting. Hij verlangde naar het welzijn en voordeel van de mensen. Hij probeerde de mensen in zekerheid te brengen, en dacht eraan hoe zij kunnen toenemen in vertrouwen, deugdzaam gedrag, kennis, ontzegging, het juiste begrijpen, wijsheid, rijkdom en bezittingen. Hij had graag dat zij veel vee hadden, dat het goed ging met hun vrouw en kinderen, personeel en verwanten; en dat zij goede collega’s en vrienden hadden. Hij leefde voor het geluk van velen, als iemand die angst en vrees verjoeg. Hij gaf wettelijke bescherming en onderdak en voorzag in alle noden.
   Hij hield zich verre van achterklap. Wat hij hier gehoord had, vertelde hij elders niet verder om onenigheid te stichten. Hij probeerde vrede te stichten. Over harmonie verheugde hij zich.
   Kortom, de Bodhisatta gaf materiële dingen en moedigde ook de ontwikkeling aan van geestelijke eigenschappen, zoals vreesloosheid, eendracht, harmonie, troost en zekerheid.

   De volmaaktheid van geven moet beoefend worden door wezens van nut te zijn op vele manieren: door zijn bezittingen, lichaam en leven voor anderen op te offeren, door angst te verdrijven, en door ze in de leer te onderwijzen. Het geven is drievoudig door het object dat gegeven wordt: (1) het geven van materiële dingen; (2) het geven van vreesloosheid, of het geven van bescherming aan wezens wanneer zij angstig zijn geworden; (3) het geven van de leer (Dhamma).
   Volgens het Buddhavamsa en het commentaar erop vervult de Bodhisatta de basis volmaaktheid van geven door het offer van zijn bezittingen; hij vervult de hogere volmaaktheid door het offer van een van zijn ledematen; en hij vervult de opperste volmaaktheid door het offer van zijn leven.
   De Eerwaarde Nārada schreef dat geven wijs moet gebeuren. Als bijvoorbeeld een dronkaard of een drugsverslaafde een aalmoes zou vragen, en indien de Bodhisatta ervan overtuigd was dat zijn gave niet goed gebruikt zou worden, dan zou hij dat zonder aarzelen weigeren.

   De volmaaktheid van geven kan door iedereen tot een bepaald niveau uitgeoefend worden. Wij hoeven immers niet tot in de perfectie de deugd van geven uit te voeren.

*

Geraadpleegde bronnen over de volmaaktheden:
     Nārada Maha Thera: ‘Pārami – Perfections,’ in: The Buddha and His Teachings. Kandy 1980, p. 576-611.
     D.30 : ‘Lakkhana Sutta: The Marks of a Great Man’, in: Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha, Kandy 1996, p. 441-460.
     Ledi Sayadaw, Ven.: A Manual of the Excellent Man, Uttamapurisa Dīpanī. Transl. from the Burmese by U Tin Oo; edited by Bhikkhu Pesala. Kandy 2000.
     Bodhi, Bhikkhu (tr.): ‘A Treatise on the Pāramīs,’ in: The Discourse on the All-Embracing Net of Views : The Brahmajāla Sutta and its Commentaries. Kandy 1978, p. 254-330.
     Upatissa, Arahant: The Path of Freedom (Vimuttimagga). Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapāla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977), p. 188-190.

Buddhaghosa, Bhadantācariya: The Path of Purification (Visuddhimagga). Transl. by Bhikkhu Ñānamoli. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956], p. 353.
     Horner, I.B. (tr.): Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyāpitaka). London 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXI); (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III), p. 20 (II A:120).
     Horner, I.B. (tr.): The Clarifier of the Sweet Meaning (Madhuratthavilāsinī). Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London 1978. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXIII).
     Nārada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) Kandy 2524/1980, p. 578.


* * * * *

41
Dana, geven - 09. Het geven aan gestorvenen

   
A.X.177. Gaven voor gestorvenen
   Een brahmaan zei eens tot de Verhevene dat brahmanen gaven geven, dodenoffers aanbieden met de woorden: "Moge deze gave onze gestorven familieleden en verwanten ten goede komen. Mogen zij van deze gave genieten."
   De brahmaan vroeg of die gave werkelijk de gestorvenen ten goede komt, of zij werkelijk ervan genieten.
   De Boeddha gaf ten antwoord dat die gave hen op een geschikte plaats ten goede komt, niet op een ongeschikte plaats.
   De brahmaan: "Heer, wat is de geschikte plaats en wat is de ongeschikte plaats?"
   De Boeddha: "Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in een hel. Daar leeft hij van het voedsel van de hellenwezens, en daarmee voedt hij zich. Dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
   Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de dierenwereld. Daar leeft hij van het voedsel van de dieren, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
   Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren onder de mensen. Daar leeft hij van het voedsel der mensen, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
   Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de hemelse wezens. Daar leeft hij van het voedsel van de hemelse wezens, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; degene die daar vertoeft komt die gave niet ten goede.
   Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de sfeer van de ongelukkige geesten. Daar leeft hij van het voedsel van de wezens in de sfeer van de ongelukkige geesten; daarmee voedt hij zich. En wat hem hier door zijn vrienden, familieleden en verwanten aangeboden wordt, daarop teert hij; daarmee voedt hij zich. Dat is de geschikte plaats; daar komt die gave hem ten goede."
   De brahmaan: "Heer Gotama, wanneer nu het gestorven familielid niet op die plaats wedergeboren wordt, wie geniet dan van die gave?"
    De Boeddha: "Ook anderen van zijn familieleden of verwanten zijn op die plaats wedergeboren. Het is onmogelijk dat die plaats in deze lange tijd onbewoond is gebleven door gestorven bloed- of aanverwanten. Overigens blijft ook de gever niet zonder loon."
   De brahmaan: "Heer Gotama belooft dus succes zelfs op een ongeschikte plaats?"
   De Boeddha: "Brahmaan, zelfs op een ongeschikte plaats komt succes. Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, vijandig, heeft verkeerde inzichten. Maar hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren onder olifanten, paarden, runderen of honden. Daar echter krijgt hij eten en drinken, guirlanden en velerlei sieraden. Vanwege zijn slechte gedrag in daden, woorden en denken [doden etc], is hij daar wedergeboren. Maar vanwege zijn gedrag t.o.v. asceten en priesters krijgt hij daar eten en drinken, guirlanden en sieraden.
   Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van vijandigheid, en hij heeft juiste inzichten. En hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de mensen of bij de hemelse wezens. Daar heeft hij deel aan menselijke of hemelse zinnelijke vreugden. En wel vanwege zijn goede boven vermelde gedrag.
   Zo blijft ook de gever niet zonder beloning."

*

Petavatthu.III.2.  Het verhaal over Sanuvasin
   Het Petavatthu bestaat uit 51 verhalen over de ongelukkige geesten van de doden (petas) vanwege onheilzame daden. Door de Eerwaarde Nārada wordt er aan ongelukkige geesten gevraagd welke slechte daad ze in een vorig leven hebben gedaan met een dergelijk triest resultaat. In het kort wordt die daad dan verteld.
   De petas kunnen uit hun ongelukkige toestand verlost worden door gaven aan hen te geven. Maar ze profiteren niet van directe gaven. Het is erg belangrijk dat de gever de verdienste van de gave aan de peta overdraagt. Zo kan de geest verlost worden van de peta-zuiveringsplaats (vagevuur) door de devotie van verwanten of vrienden en de begeleidende overdracht van verdienste. Een peta kan door een overvloed van verdiensten van goede daden die aan hem of haar aangeboden zijn, in een hemel wedergeboren worden. De overdracht van verdiensten aan petas maakt het mogelijk de werking van de wet van kamma-vipaka te wijzigen. (Gehman, H.S. (tr.). Petavatthu : Stories of the Departed. London 1974, p. xi-xii).


   Het verhaal over Sanuvasin maakt het bovenstaande duidelijk. 
   Heel lang geleden keerde een prins te Varanasi van het park terug naar het paleis. Onderweg zag hij een Pacceka-Boeddha met naam Sunetta. Deze laatste was op zijn ronde voor aalmoezen, maar de prins sprak hem met ruwe woorden toe. Het gevolg hiervan kwam direct. De prins voelde een hevig branden van zijn lichaam. Hij stierf en werd herboren in de grote hel Avīchi. Toen de tijd daar afgelopen was, werd hij wedergeboren als een peta. En in deze Boeddha-periode werd hij herboren in een vissersdorp.
   Hij was zich echter bewust van vroegere levens en daarom ging hij niet met anderen op visvangst. Hij gooide de vissen die zij meebrachten, terug in de zee. Zijn verwanten joegen hem toen het huis uit. Maar zijn broer bleef hem goedgezind.
   Door toedoen van de Eerwaarde Ānanda werd de weggejaagde man een monnik. En hij bereikte het vierde niveau van heiligheid: hij werd een arahant. Samen met twaalf monniken vertoefde hij toen op een berg.
   Zijn verwanten werden na de dood herboren als petas. Zijn vader en moeder voelden zich beschaamd dat zij hem toen uit het huis hadden gezet. Zij stuurden zijn peta-broer naar de arahant. De peta-broer maakte zich aan de arahant bekend met de woorden: “Eerwaarde Heer, ik ben uw broer, herboren als peta. Ook uw moeder en vader zijn diep ongelukkige wezens in de wereld van Yama. Omdat zij verkeerde daden deden, gingen zij vanhier naar de peta-wereld. Zij zijn mismaakt, naakt en vol angst. Wees a.u.b. genadig en vol mededogen. Geef een gave en schrijf de verdienste ervan aan ons toe. Dan zal het beter met ons gaan.”
   Toen de Ouderling en de twaalf andere monniken hun rondgang voor aalmoezen beëindigd hadden, kwamen zij op dezelfde plaats samen om een maaltijd klaar te maken. De Ouderling sprak hun aldus toe: “Geef mij wat jullie hebben ontvangen. Ik zal een maaltijd gereed maken voor de Orde, uit mededogen met mijn verwanten.”
   Zij stemden ermee in. De Ouderling nodigde de andere monniken uit; en toen hij de maaltijd opdiende, droeg hij de verdienste van de gave op aan zijn moeder, vader en broer met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.” Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste was er voedsel voor de petas, zuiver, smakelijk en goed klaargemaakt.
   De broer die nu knap, sterk en gelukkig was, zei toen: “Eerwaarde Heer, er is voldoende voedsel, maar kijk, wij zijn naakt. Heer, maak dat wij kleren krijgen.”
   De Ouderling raapte hierop enkele flarden van weggegooide kleren op, naaide ze aaneen tot gewaden en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
   Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden kleren geproduceerd voor de petas. En de broer, met mooie kleren aan, toonde zich aan de Ouderling met de woorden: “Eerwaarde Heer, wij hebben nu meer kleren dan er in dit koninkrijk zijn. Ze zijn van zijde en van wol, van vlas en van katoen; het zijn er veel en ze zijn kostbaar. En ze hangen in de lucht. Eerwaarde Heer, wij hadden nog graag een huis.”
   De Ouderling bouwde een hut van bladeren en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
   Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden huizen geproduceerd voor de petas. Het waren mooie gebouwen met voorraadkamers. En de peta-broer zei: “Eerwaarde Heer, bij de mensen zijn niet zulke woningen als wij hier hebben. Wij hebben nu huizen zoals bij de devas. Maar Heer, zorg ervoor dat wij een slok water kunnen drinken.”
   De wijze Ouderling vulde hierop een waterpot en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
   Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd drinkwater voor de petas geproduceerd. Er waren vier diepe vijvers met een goede wal en helder water. Het water was koel en rook aangenaam. En de vijvers waren bedekt met lotussen en waterlelies.
   Nadat zij een bad hadden genomen en gedronken, verschenen zij voor de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, wij hebben genoeg water, maar onze voeten doen pijn en zitten vol kloven. Als wij buiten rondgaan, stappen wij op het grind en op doornen van struiken. Heer, zorg ervoor dat wij een voertuig krijgen.”
   De Ouderling nam een schoen en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”
   Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd een rijtuig voor de petas geproduceerd. Hierin kwamen zij tot bij de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, uit mededogen zijn wij nu voorzien van voedsel en kleren. Ook kregen wij een huis, drinkwater en een voertuig. Heer, wij komen om u die vol mededogen bent, eer te betonen.”
   De Ouderling vertelde dit voorval aan de Verhevene die het tot leerthema maakte.
(Petavatthu III.2)

*

Offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten.

   In het Khuddhakapāta staat als nr. 7 het Tirokudda Sutta. Het is een gedicht bij het brengen van offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten. Dit gedicht staat ook in Petavatthu I.5. De verzen 7 en 8 worden in Sri Lanka en Thailand gereciteerd bij het verbranden van het lijk.

1.      Buiten de muren staan ze, in nissen en op kruisingen van wegen. Bij de deurposten staan ze als ze hun oude tehuis weer opzoeken.
2.      Wanneer een maaltijd met uitbundig voedsel en drank wordt opgediend, denkt tengevolge van zijn werk niemand aan hen.
3.      Maar degenen die sympathie en mededogen voelen voor hun gestorven verwanten, geven op passende tijden gaven van zuiver en heerlijk voedsel en drinken met de gedachte: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn verwanten gelukkig zijn.”
4.      En de geesten van de verwanten in de peta-sfeer komen er samen en nemen aandachtig en met dank het vele eten en drinken aan, [met de woorden]:
5.      “Mogen onze verwanten lang leven, onze verwanten van wie wij deze gave(n) hebben gekregen. Wij zijn ge-eerd [met een offergave] en de gevers blijven niet zonder beloning."
6.      Want daar [bij de petas] is geen akkerbouw, geen veeteelt, daar is geen handel [zoals hier bij ons]. De hongerige geesten daar wier tijd hier voorbij is, leven van wat aan hen hier is gegeven.
7.      Zoals water op een heuvel regent en omlaag stroomt naar het dal, juist zo is datgene wat hier gegeven is, van voordeel voor de gestorvenen.
8.      Zoals rivieren vol water de oceaan vullen, juist zo is datgene wat hier gegeven is, de gestorvenen tot voordeel.
9.      "Hij gaf mij geschenken, hij deed iets goeds voor mij, hij was mijn verwant, mijn vriend, mijn kameraad." Terwijl men zo denkt en zich herinnert aan wat vroeger gedaan is, moge men dan aan de gestorven geesten een gave brengen.
10.      Want geen huilen, geen leed of ander geweeklaag van verwanten is van voordeel voor de gestorvene. 
11.      Maar als die gave met een goede basis is gegeven aan de Sangha, dan werkt het lange tijd voor hun voordeel en zij hebben onmiddellijk resultaat ervan.
12.      Op die manier is de juiste plicht t.o.v. familieleden aangetoond, is een uitstekende gave aan de gestorvenen gegeven en is aan de monniken kracht geschonken. De verdienste die jullie hebben verworven, is niet gering.
 

*****

42
Dana, geven - 08. Achteruitgang door niet-geven


uit: Sn.91-115. – Parābhava sutta
           “Als men veel rijkdom heeft
           en genoeg geld en voedsel,
           maar dan zijn luxe alleen geniet
      [d.w.z. geen aalmoezen geeft]
           dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

*

A.I.31. (A.XVI,3. 5-12)  Goede en slechte heilsleer
   In een slecht verkondigde leer en discipline moet de gever [bij het geven aan asceten of brahmaan] de maat kennen, niet de ontvanger. En wel omdat de leer slecht verkondigd is.
   In een goed verkondigde leer en discipline moet de ontvanger de juiste maat kennen, niet de gever. En wel omdat de leer goed verkondigd is.

*

S.I.49. Gierig
   Wie in de wereld krenterig en gierig zijn, wie anderen die bereidwillig zijn te geven, daaraan hinderen, zij worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van Yama. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij in arme gezinnen ter wereld, waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning slechts met moeite verkregen worden. De dwazen verwachten het ergens anders, maar zij krijgen het niet.

*

A.IV.20.  Onbeteugeld
   Iemand die voedsel verdeelt en de volgende vier eigenschappen heeft, gaat naar de hel. Die vier eigenschappen zijn: hij gaat over de kwade weg van begeerte, gaat over de kwade weg van haat, gaat over de kwade weg van onwetendheid, gaat over de kwade weg van angst.
   "Die onbeteugeld de begeerten nagaan,
die onrechtvaardig en zonder eerbied voor de leer zijn,
met begeerte en haat vervuld, met angst en illusie,
zij gelden als schandvlek van de gemeenschap."

*

Dhp.249
   De mensen geven overeenkomstig gunst, geloofsovertuiging. Wie daarom naar het drinken en eten van anderen kijkt met afgunst, hem ontbreekt bij de concentratie overdag en 's nachts de innigheid.

   
Dhp.250
   Maar wie aan een dergelijke afgunst een einde maakt, hem valt de meditatieve verdieping gemakkelijk zowel overdag als 's nachts.

*
 
Dhp.251
   Geen vuur lijkt op het vurig verlangen; geen haai lijkt op de haat. Geen net lijkt op de waan; geen waterstraat lijkt op de drang.
   
*

Dhp.42. Een slecht gerichte geest is de ergste vijand
   Een veehoeder gaf enkele dagen maaltijden aan de Boeddha en zijn monniken. Op de laatste dag na de preek bereikte de veehoeder het eerste niveau van heiligheid. Toen de Verhevene vertrok vergezelde hij hem enige tijd en keerde daarna terug. Op zijn terugweg werd hij gedood door de pijl van een jager. De monniken merkten op dat de veehoeder niet zou zijn gedood door die pijl als de Boeddha hem niet had bezocht. De Boeddha gaf ten antwoord dat die veehoeder onder geen enkele omstandigheden had kunnen ontsnappen aan de dood tengevolge van een vroegere slechte wilsactie. Hij voegde toe dat de met opzet slecht gerichte geest erg vijandig tegen iemand kan zijn.
   “Wat voor kwaad een dwaas toebrengt aan een andere dwaas, of een hater aan een andere hater, een slecht gerichte geest kan veel meer kwaad doen.”

*

A.III.58. Het geven - Vacchagotta Sutta

   “Wie iemand ervan afhoudt aan anderen gaven te geven, die veroorzaakt nadeel voor drie personen, legt drie personen een hindernis in de weg. (1) Hij verhindert de goede daad van de gever. 2) Hij voorkomt dat de ontvanger de gaven ontvangt. (3) Voordien al benadeelt hij zijn eigen karakter."

*

A.IV.64. De vier slechte daden
   Wie de volgende vier daden verricht, die gaat overeenkomstig zijn daden naar de hel. Wie levende wezens ombrengt, wie zich toeëigent wat niet gegeven is, wie onjuist geslachtsverkeer begaat en wie de onwaarheid spreekt, - wie deze vier daden verricht die gaat overeenkomstig zijn daden naar de hel.

*****

43
Theravada Boeddhisme / Dana, geven - 07. Juist gebruik van bezit
« Gepost op: 23-04-2016 07:40 »
Dana, geven - 07. Juist gebruik van bezit


A.IV.61  Over het juiste gebruik van het bezit - Pattakamma Sutta
   De Verhevene zei tot Anathapindika: “Vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden zijn moeilijk in de wereld te verkrijgen, namelijk:
1. Dat iemand op terechte manier rijkdom krijgt.
2. Dat, wanneer men op terechte manier rijkdom verkregen heeft, iemand eer ondervindt samen met zijn verwanten en bekenden.
3. Dat, wanneer men op terechte manier bezit en samen met verwanten en bekenden eer verkregen heeft, iemand een lang leven, een hoge ouderdom toebedeeld is.
4. Dat, wanneer  men op terechte manier rijkdom en samen met verwanten en bekenden eer gekregen heeft en ook een lang leven, een hoge ouderdom heeft bereikt, - dat men dan na de dood in een hemelse wereld wedergeboren wordt.
   
   Vier eigenschappen voeren naar het verkrijgen van deze vier omstandigheden die zo moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk:
• Meesterschap in het vertrouwen;
• Meesterschap in de deugdzaamheid;
• Meesterschap in de vrijgevigheid; en
• Meesterschap in de wijsheid.

   Wat is meesterschap in het vertrouwen?
• Daar bezit de edele volgeling vertrouwen, hij gelooft aan de Verlichting van de Volmaakte, aldus: “Waarlijk, dit is de Verhevene, hij is de heilige, de volmaakt Verlichte, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die leiding nodig hebben, de meester van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.”
   Dat noemt men meesterschap in het vertrouwen.

   Wat nu is meesterschap in de deugdzaamheid?
• Daar onthoudt de edele volgeling zich van het vernietigen van leven; onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven;
onthoudt zich van onjuist gedrag in de zintuiglijke lusten;  onthoudt zich van leugens; onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die oorzaak zijn van onverschilligheid.
   Dat noemt men meesterschap in de deugdzaamheid.

   Wat nu is meesterschap in de vrijgevigheid?
• Daar leeft de edele volgeling thuis met een gemoed dat vrij is van de ondeugd van gierigheid. Hij is vrijgevig en geeft met open handen. Hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.
   Dat noemt men meesterschap in de vrijgevigheid.

   Wat nu is meesterschap in wijsheid?
• Wiens gemoed door ongeremde begerigheid beheerst wordt,
die doet wat hij niet zou moeten doen, en wat hij moest doen,  dat laat hij achterwege. Wanneer hij dan doet wat hij niet zou moeten doen, en achterwege laat wat hij moest doen, dan verdwijnen bij hem eer en geluk. Wiens gemoed door ergenis beheerst wordt, - door starheid en matheid, - door opgewondenheid en gewetensonrust, - door twijfel, die doet wat hij niet zou moeten doen, en hij laat achterwege wat hij wel moest doen. In dat geval verdwijnen bij hem eer en geluk.
   Als de edele volgeling de ongeremde begerigheid als een bezoedeling van het gemoed onderkent, dan overwint hij die ongeremde begerigheid, deze bezoedeling van het gemoed. En als hij ergenis, starheid en matheid, opgewondenheid en gewetensonrust, en twijfel heeft onderkent als bezoedelingen van het gemoed, dan overwindt hij die bezoedelingen van het gemoed. En als de edele volgeling deze bezoedelingen van het gemoed als zodanig heeft onderkend en overwonnen, dan geldt hij als groot aan wijsheid, rijk aan wijsheid, met helder inzicht, volmaakt in wijsheid.
   Dat noemt men meesterschap in wijsheid.

   Dit zijn de vier eigenschappen tot verkrijging van die vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden die in de wereld moeilijk te verkrijgen zijn.

   Een dergelijke volgeling die zijn bezit verworven heeft door eigen kracht, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op rechtmatige, eerlijke manier, hij verricht daarmee vier goed toegepaste daden, namelijk:
• hij maakt zichzelf ermee gelukkig en tevreden en hij verschaft zich een volmaakt geluk.
• Vader en moeder maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.
• Vrouw en kind(eren), en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volkomen geluk.
• Vrienden en makkers maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.
   Zo heeft zijn bezit dit eerste doel vervult, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.
   En verder nog, door middel van zijn bezit dat hij door eigen inspanning en op eerlijke manier verworven heeft, wendt de edele volgeling tegenslag af die hem door vuur of water, door de overheid, dieven of vijandige erfgenamen zou kunnen ontstaan; en zo beschermt hij zijn eigen persoon. Zo heeft zijn bezit dit tweede doel vervuld, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.
   En verder nog, door middel  van zijn door inspanning en op eerlijke manier verworven bezit brengt de edele volgeling vijf soorten gaven: gaven voor verwanten, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, belastingen aan de overheid, gaven voor de godheden.
   Zo heeft zijn bezit dit derde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   En verder nog: aan de asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en onverschilligheid, die geduld en mildheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven – aan zulke asceten en priesters brengt hij door middel van zijn bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende. Zo heeft zijn bezit dit vierde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   Deze vier goed toegepaste daden verricht de edele volgeling met zijn bezit dat hij door eigen inspanning en vlijt verworven heeft, op rechtmatige, eerlijke manier.

    Bij wie het bezit op een andere manier vermindert dan door deze vier goed toegepaste daden, diens bezit heeft zijn doel niet vervuld, heeft geen goede toepassing gevonden, werd niet doelmatig gebruikt.   
   Maar bij wie het bezit tengevolge van die vier goed toegepaste daden vermindert, diens bezit heeft zijn doel vervuld, heeft een goede toepassing ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   “Juist werd mijn goed gebruikt: voor tegenslag hielp het mij behouden en ook mijn personeel en allen onder mijn hoede. Het heeft ook gediend als zeer voortreffelijke gave: vijfvoudige plicht van gaven en dienst aan degenen die rein van deugd, bedwongen, een heilig leven voeren. Tot welke doel een verstandige, in huis levende, voor zich bezit wenst, dat doel heb ik waarlijk bereikt, gedaan wat nooit spijt brengt.”
   Als een mens dit wijs overdenkt, iemand die vast tot de edele leer houdt, dan krijgt hij hier de lofprijzing van de wijzen en daar de hemelse zaligheid.
(vgl. ook A.V.58)

*

A.V.63-64.    Edele vooruitgang   I-II

   Een edele volgeling(e) die in vijf dingen een vooruitgang maakt, die maakt een edele vooruitgang, kiest voor zich het meest waardevolle en het beste.
   Die vijf dingen zijn: de vooruitgang in vertrouwen, in deugdzaamheid, in weten, in vrijgevigheid en in wijsheid.
   Vertrouwen, deugdzaamheid, ook vooruitgang in ontzegging, in weten en in wijsheid, zo’n deugdzame lekenvolgeling(e) die rein van zeden is, bereikt al in dit leven wat wezenlijk is.

*

A.V.41 Juist gebruik van vermogen - Âdiya Sutta
   De Verhevene zei tot Anathapindika:
   "Het bezit kan op vijf manieren gebruikt worden, namelijk:
   Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij zichzelf gelukkig en tevreden en bewaart hij voor zich een volkomen welzijn. En vader en moeder, vrouw, kind(eren) en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij bewaart voor hen een volkomen welzijn.
   Verder maakt de edele volgeling met dit bezit vrienden en goede kennissen gelukkig en tevreden en bewaart voor hen een volkomen welzijn.
    Verder wendt de edele volgeling met dit bezit ongeluk af, dat hem door vuur of water, door de overheid, dieven of door hatelijke erfgenamen kan ontstaan. Zo beschermt hij zijn eigen persoon.
   Verder brengt de edele volgeling met dit bezit vijf soorten uitgaven: gaven voor familieleden, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, uitgaven aan de overheid, gaven voor de godheden.
   Verder geeft hij met dit bezit geschenken aan die asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en luiheid, die geduld en verdraagzaamheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven, aan zulke asceten maakt hij met dit bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, naar de hemel voerende.
   Wanneer nu bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit afneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij wordt mijn bezit kleiner.” Hij is daarbij zonder spijt.
   En wanneer bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit  op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit toeneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij neemt mijn bezit toe.”  Hij is zo daarbij op tweevoudige wijze vrij van spijt."

*

Ongeveer hetzelfde is onderwezen in de volgende leerrede.

A.V.58.  De zegen van geven
   Eens vertoefde de Verhevene te Vesali in het grote bos, in de hal van het Gevelhuis. In de vroegte kleede hij zich aan, nam oppergewaad en nap en ging naar Vesali voor aalmoezenvoedsel.  Na het rondgaan voor aalmoezen, na het beëindigen van de maaltijd, 's middags, ging hij diep het grote bos in en ging aan de voet van een boom neerzitten om daaar de dag door te brengen.
   Meerdere Licchavi-prinsen echter die toen juist, met gespannen bogen uitgerust en door een meute honden omgeven, in het grote bos rondzwierven, zagen de Verhevene aan de voet van de boom zitten. Zij legden toen de gespannen bogen weg, dreven de honden weg en gingen naar de Verhevene toe. Zij begroetten hem eerbiedig en gingen stil en zwijgzaam zitten met de handpalmen samengevouwen. De Licchavier Mahānāma was toen in de buurt en zag hoe de prinsen stil en zwijgzaam daar neerzaten. Ook hij ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en riep uit: "Zij zullen toch nog goede vorsten van Vajji worden."
   De Verhevene vroeg toen: "Mahānāma, wat bedoel je daarmee?"
   "Heer, deze Licchavi-prinsen zijn wild, onbeschaafd en koppig. Wat er in hun huizen aan zoetigheden gestuurd wordt, zoals suikerriet, bessen, koek en suikergoed, dat nemen zij er weg, eten ervan en bekogelen van achteren de fatsoenlijke vrouwen en meisjes ermee. Maar nu zitten zij stil en zwijgzaam voor de Verhevene met gevouwen handen."
   De Boeddha: "Mahānāma, of het nu een gezalfde koning is of een burger die van zijn vaders erfenis leeft, of een veldheer, een dorpsheer, de voorzitter van een gilde, of iemand die in de stam alleen de leiding heeft, bij welke edele zoon vijf dingen zijn te vinden, daar heeft men zegen te verwachten en geen nadeel. Die vijf dingen zijn:
   Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij geschenken aan zijn ouders, en hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem hun zegen: "Moge je lang leven; moge een lang leven je toebedeeld worden." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.
   Verder geeft de edele zoon met zijn bezit geschenken aan zijn vrouw en kinderen, knechten en arbeiders – hij geeft geschenken aan de buren van zijn veld en van zijn werkplaats, en ook aan de landmeters, - hij geeft geschenken aan de godheden die offers ontvangen, (de beschermgeesten van de familie) - hij geeft geschenken aan asceten en priesters, hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem met goedgunstig hart hun zegen: "Moge u lang leven; moge een lang leven u toebedeeld zijn." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.

   "Werk verichtend voor de ouders
   en liefdevol voor vrouw en kind,
   strekt hij tot zegen voor het gezin
   en voor degenen die hem zijn toevertrouwd.

   De deugdzame, vol grootmoedigheid,
   hij werkt tot welzijn van beiden,
   van de eens gestorven verwanten
   en van degenen die nog in leven zijn.

   Aan de monniken en ook de priesters,
   ja zelfs aan de hemelse wezens
   wordt vreugde gebracht door de wijze man
   die deugdzaam thuis woont.

   Doordat hij goede werken verricht
   wordt lof en eer hem ten deel.
   Hier prijzen hem allen
   en daar bereikt hij hemels geluk."

*

A.IV.62   Het geluk
   De Verhevene sprak tot Anathapindika aldus:
   "Vier soorten van geluk kan het in het genot van de zintuigen levende gezinshoofd af en toe verkrijgen, namelijk:
• het geluk van het bezitten,
• het geluk van het genot,
• het geluk van vrijheid van schulden,
• het geluk van onberispelijkheid.
   
   Het geluk van bezitten bestaat hierin: een zoon uit goede familie bezit schatten die hij door eigen inspanning en vlijt rechtmatig, op eerlijke manier heeft verworven. En hij ondervindt geluk en vreugde bij de gedachte dat hij schatten bezit die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke
manier verworven heeft. Dat is het geluk van bezitten.
   Het geluk van het genot bestaat hierin: een zoon uit goede familie geniet van de schatten die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke manier verworven heeft, en hij doet goede werken. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van het genot.
   Het geluk van vrijheid van schulden bestaat hierin: een zoon uit goede familie is niemand iets verschuldigd, noch veel noch weinig. En bij het denken eraan dat hij niemand iets schuldig is, noch veel noch weinig, ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van vrijheid van schulden.
   Het geluk van onberispelijkheid bestaat hierin: een edele jongeling heeft onberispelijke daden verricht in werken, woorden   en gedachten. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van onberispelijkheid.

   Deze vier soorten van geluk kan het gezinshoofd dat in het genot van de zintuigen leeft, af en toe verkrijgen.
   
   Wie daar denkt aan het geluk van de vrijheid van schulden,  en het geluk van het bezitten, wie ook de vreugden van het genot kent, en dat alles wijs onderzoekt, ziet duidelijk het geluk van beide soorten en weet dat dit geluk der wereld geen zestiende waard is van het geluk van onberispelijkheid.

*

A.IV.60.  Het passende pad van de leek
   De Verhevene sprak tot het gezinshoofd Anāthapindika aldus:
   "Door het vervullen van vier voorwaarden gaat de edele volgeling op het passende pad van een leek, welk pad aanzien brengt en naar de hemel leidt. Die vier voorwaarden zijn:
   De edele volgeling verzorgt de gemeenschap van de monniken met kleding; met voedsel; met een slaapplaats; met medicijnen.
   "De mensen met inzicht volgen het passende pad van de leek: de goede en deugdzame bedienen zij met kleding, voedsel en slaapplaats en in geval van ziekte met medicijnen.
   Bij zulke mensen wordt hun zedelijke verdienste dag en nacht voortdurend groter. En wie iets goeds heeft gedaan, stijgt omhoog naar de hemel."

*****

44
Theravada Boeddhisme / Dana, geven - 06. Voordelen van geven
« Gepost op: 23-04-2016 07:35 »
Dana, geven - 06. Voordelen van geven


A.V.31. Het voordeel van aalmoezen geven - Sumana Sutta
   Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana klooster te Savatthi. De vorstendochter Sumanâ ging toen met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:
   “ Heer, stel dat er twee volgelingen van de Verhevene zijn die hetzelfde vertrouwen hebben, dezelfde deugdzaamheid en dezelfde wijsheid. Maar de een geeft aalmoezen en de ander niet. Als beiden na de dood in een hemelse wereld wedergeboren worden, bestaat er dan verschil, een onderscheid tussen beide hemelbewoners?”
   “Ja, Sumanâ, er bestaat een verschil, een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als hemelbewoner de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, en wel in vijf dingen: in hemelse levensduur, in hemelse schoonheid, in hemels geluk, in hemelse eer en in hemelse heerschappij.”
   “Heer, wanneer nu beiden van daar heengaan en naar deze wereld terugkeren, bestaat ook dan nog voor de als mensen wedergeborenen een verschil, een onderscheid?”
   “Ja, Sumanâ, degene die aalmoezen heeft gegeven zal als een menselijk wezen de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, overtreffen in vijf dingen: in menselijke levensduur, menselijke schoonheid, menselijk geluk, menselijke eer en menselijke heerschappij.”
   “Heer, wanneer nu beiden van huis uit in de huisloosheid gaan, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid?”
   “Ja, Sumanâ, er bestaat een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als huisloze de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, in vijf dingen: Alleen na vragen gebruikt  hij rijkelijk gewaden; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen geniet hij rijkelijk aalmoezenspijs; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijke woonplek; een bescheidene echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijk geneesmiddelen en medicijnen; weinig echter wanneer niet gevraagd. De medemonniken echter met wie hij samenwoont, zijn hem steeds in daden, woorden en gedachten vriendelijk gezind, nooit onvriendelijk. Zij maken hem steeds alleen maar vriendelijke verzoeken, geen onvriendelijke.
   “Heer, wanneer nu beiden de volmaakte heiligheid bereiken, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid.”
   “Tussen bevrijding en bevrijding bestaat natuurlijk geen enkel verschil.”
   “Voortreffelijk, heer. Men heeft alle reden om aalmoezen te geven en goede werken te doen, in zoverre de goede werken iemand als hemels wezen tot voordeel strekken, als mens tot voordeel strekken, als monnik tot voordeel strekken.”
   “Inderdaad”, zei de Verhevene.

   “Zoals de onbevlekte maan met zijn glans de sterren overstraalt, zo overstraalt de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, door zijn vrijgevigheid de gierigen in alle werelden.
   Zoals de regen bij onweer de vlakten en dalen vult, zo wordt de gierige man in vijf punten overtroffen door degene vol inzicht, de volgeling van de Verlichte, de wijze mens,en wel:
in hoge ouderdom, hoog aanzien, in schoonheid en in welzijn; hier wordt hij met schatten overstelpt, en daar wordt hemels geluk zijn deel.”

*

A.V.34.  De zichtbare vruchten van aalmoezen geven - . Sîhasenâpati Sutta

   Eens vertoefde de Verhevene in het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis. De veldheer Siha ging toen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:
   “Heer, is het mogelijk een zichtbare vrucht van het geven van aalmoezen aan te tonen?”
   “Siha, dat is mogelijk. De gever is veel  mensen lief en aangenaam. Dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven.
Verder zoeken goede, edele mensen omgang met iemand die gaven geeft. Ook dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven. Verder verspreidt zich over de gever van gaven een goede faam. Verder, tot welke vergadering een gever ook gaat, hetzij edelen, brahmanen, gezinshoofden of asceten, daar treedt hij vol zekerheid op, vrij van bevangenheid. Verder komt de gever na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.“
   Na deze woorden zei de veldheer Siha tot de Verhevene: “Wat deze door de Verhevene genoemde vruchten van aalmoezen geven betreft, zo ken ik vier ervan uit eigen ervaring. Want ik geef aalmoezen, ben veel mensen dierbaar; goede, edele mensen zoeken mijn omgang, en een goede faam heeft zich over mij verspreid. In elke vergadering  treed ik vol zekerheid op, onbevangen. En wat betreft de vrucht na de dood, zo vertrouw ik daarbij op de woorden van de Verhevene.”
   
   "Geliefd is wie geeft; hem zoeken velen op. Een goede naam wordt hem deelachtig; zijn aanzien groeit. Vrij van verwarring treedt hij onder de mensen, vol zekerheid, omdat hij niet gierig is.
      Daarom geven alle wijzen gaven, de laster van de gierigheid  schuwend, op hun heil bedacht. Dan zullen zij lange tijd in de hemel vertoeven en worden zij gelukkig onder de hemelse wezens.
   De toegang voor zich openend door hun goede daden wanneer vrijgevigen uit dit leven heengaan, zelflichtend zullen zij door de hemelse sferen gaan, zich verheugend in geluk, welgemoed en vrolijk, in het volle bezit van de vreugden der zinnen zullen zij daar leven.
   
   Het woord van de heilige, de Bevrijde, navolgend, zal de volgeling van de Verlichte hemels geluk ondervinden."
(vgl. A.VII.54; A.VIII.2)

*

A.IV. 197.  Koningin Mallikā
   Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana klooster. Koningin Mallika (echtgenote van koning Pasenadi) ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:
   "Heer, wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw lelijk is, niet mooi van gedaante, er slecht uitziet, bovendien arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht?
   En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is (van gelaat), met een niet mooie gestalte, er heel slecht uitziet, maar daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en met grote macht?
   En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is (van gelaat) met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, maar daarbij arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht?
   En wat is de oorzaak, wat is de reden ervan dat een vrouw mooi is (van gelaat) met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en macht?"

   De Boeddha gaf ten antwoord: 
   [Dat een vrouw lelijk is, niet mooi van gestalte, er slecht uitziet, bovendien arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is driftig en buitengewoon opvliegend. Als men haar ook maar het geringste zegt, wordt zij ontstemd, raakt in toorn en woede, is koppig, toont ontstemming, toorn en wantrouwen. Aan asceten en priesters geeft zij geen maaltijden en te drinken, geen kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is afgunstig gezind, is jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is jaloers en wantrouwend.
   Indien zij nu na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, lelijk zijn, niet mooi van gestalte, er slecht uitziet, en zij zal arm en behoeftig zijn, zonder vermogen en macht.

   [Dat een vrouw mooi is (van gelaat), met een niet mooie gestalte, er heel slecht uitziet, maar daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en met grote macht, heeft als oorzaak] - ""Een vrouw is driftig en buitengewoon opvliegend. Als men haar ook maar het geringste zegt, wordt zij ontstemd, raakt in toorn en woede, is koppig, toont ontstemming, toorn en wantrouwen. Maar aan asceten en priesters geeft zij maaltijden en te drinken, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is niet afgunstig gezind, is niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is niet jaloers en wantrouwend.
   Indien zij nu na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, lelijk (van gezicht) zijn, niet mooi van gestalte, er slecht uitziet, maar zij zal rijk en welgesteld zijn, met een groot vermogen en grote macht.

    [Dat een vrouw mooi (van gelaat) is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, maar daarbij arm en behoeftig is, zonder vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is zachtmoedig en geduldig. Wanneer men haar ook veel zegt, zij wordt niet boos, raakt niet in toorn en woede, is niet koppig en toont geen ontstemming, woede en wantrouwen. Maar aan asceten en priesters geeft zij geen maaltijden en te drinken, geen kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is afgunstig gezind, is jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is jaloers en wantrouwend.
   Indien zij na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, er mooi en statig uitzien, bevalligheid en buitengewone schoonheid hebben, maar zij zal arm en behoeftig zijn, zonder vermogen en macht."

   [Dat een vrouw mooi is met een statige figuur, bevalligheid en buitengewone schoonheid heeft, daarbij rijk en welgesteld is, in het bezit van een groot vermogen en macht, heeft als oorzaak:] - "Een vrouw is zachtmoedig en geduldig. Wanneer men haar ook veel zegt, zij wordt niet boos, raakt niet in toorn en woede, is niet koppig en toont geen ontstemming, woede en wantrouwen. Ook geeft zij aan asceten en priesters maaltijden en te drinken, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij is niet afgunstig gezind, is niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij is niet jaloers en wantrouwend.
   Indien zij na de dood naar deze wereld terug keert, dan zal zij, waar zij ook wedergeboren wordt, er mooi en statig uitzien, bevalligheid en buitengewone schoonheid hebben, en zij zal rijk en welgesteld zijn, met een groot vermogen en grote macht."

   "Dat zijn de oorzaken, de redenen waarom een vrouw lelijk of mooi is, arm of rijk, zonder of met macht."

   Na deze woorden zei koningin Mallika aan de Verhevene dat zij voortaan zachtmoedig en geduldig zou zijn, dat zij niet boos, toornig of woedend zou worden, niet koppig en zonder ontstemming, woede en wantrouwen. Ook zou zij aan asceten en priesters maaltijden en te drinken geven, kleding, voertuig, bloemen, reukmiddelen, balsem en het nodige aan slaapplaats, onderdak en verlichting. Zij zou niet afgunstig gezind zijn, niet jaloers op anderen vanwege wat hun aan geschenken, hoogachting, eer, verering en hulde ten deel valt, zij zou niet jaloers en wantrouwend zijn.
   Zij prees de Boeddha voor zijn leerrijke woorden en nam haar toevlucht tot het Drievoudige Juweel. Zij werd een lekenvolgelinge van de Verhevene.


NB. Bovengenoemde oorzaken gelden natuurlijk ook voor mannen.

*

A.V.35.  Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven
   “Het geven van aalmoezen brengt vijfvoudige zegen, namelijk:
Men is veel mensen lief en aangenaam;
goede, edele mensen zoeken iemand op;
een goede naam verspreidt zich over iemand;
men vervult de plichten als gezinshoofd;
na de dood komt men in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.

   Wie gaven geeft, is geliefd, omdat hij de leer van goeden navolgt. Goede mensen, die zelfbeheerst en heilig zijn, sluiten zich bij hem aan. Zij leggen hem de leer uit die alle leed laat uitdrogen. Als hij ze helemaal begrijpt, wordt hij reeds hier vrij van elke neiging.

*

A.VI.37.  Zes voordelen bij het geven van aalmoezen
   Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavanaklooster te Savatthi. De lekenvolgelinge Nantamâtâ uit Velukantaka  gaf de gemeenschap van de monniken, met aan het hoofd de eerwaarden Sâriputta en Moggallâna, een met zes voordelen begeleide aalmoezenmaaltijd. De Verhevene zag dit met zijn bovennatuurlijk oog en zei tot de monniken:
   “Zes voordelen heeft deze gave van Nandamâtâ, drie voordelen voor de geefster en drie voor de ontvangers.
De gever is al vóór het geven blijgestemd; tijdens het geven verblijdt zich de geest; na het geven voelt de gever zich tevreden.
   De ontvangers zijn aan de begeerte ontkomen of op weg aan de begeerte te ontkomen; ze zijn aan de haat ontkomen of op weg aan de haat te ontkomen; ze zijn aan de onwetendheid ontkomen of op weg aan de onwetendheid te ontkomen.”
   Moeilijk kan men de verdienste van deze aalmoezengave meten. Het is - net zoals het water van de grote oceaan onmetelijk is - een grenzeloze, onmetelijke verdienste.
   Wanneer men zich vóór het geven verheugt, en blij gestemd is wanneer men geeft, en gelukkig is na het geven, dan is dat geven een winst.
   Degenen bij wie begeerte, haat en onwetendheid en alle neigingen zijn opgedroogd, die zelfbedwongen en kuis zijn, zij zijn het beste veld van de gaven.
   Wie, na zich goed gewassen te hebben, eigenhandig de gave brengt, hem of haar brengt een dergelijke gift in latere tijden hoog loon.
   Wie zo’n goede gave brengt, vrijgevig en vol vertrouwen, een wijs en verstandig mens, die gaat naar de leedloos-zalige wereld.”

*

A.V.44.   Wie schenkt, krijgt geschenken   - Manâpadâyî Sutta
   Eens verbleef de Verhevene in het grote bos bij Vesâlî, in de hal van het gevelhuis. Op een morgen kleedde hij zich aan en ging met gewaad en nap naar de woning van het Vesalier gezinshoofd Ugga. Deze ging naar de Verhevene toe, groette hem vol eerbied, ging terzijde neerzitten en zei:
   “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’  Heer, mijn sâlabloesem-gebak [uit rijstemeel,honing e.d.] is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”
   En de Verhevene nam die spijs aan, uit medelijden.
   Ugga zei weer: “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’  Heer, mijn varkensvlees met zoete bessen is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”
   Ook andere gerechten en kostbare gewaden van Benares werden door Ugga als iets goeds genoemd. En de Verhevene nam die aan, uit medelijden.
   “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’  Heer, mijn rustbed is iets goeds. Het is belegd met een geitenharen deken, een witte wollen deken, een deken uit zeer fijn antilopenvel, en voorzien van een bovendeken en purperen kusssens aan beide einden. Ik weet echter, Heer, dat iets dergelijks voor de Verhevene niet aanneembaar is. Maar deze blok sandelhout, die 100.000 waard is, moge de Verhevene die van mij aannemen, uit medelijden.”
   En de Verhevene nam die blok sandelhout aan, uit medelijden. Daarop sprak de Verhevene zijn waardering voor het gezinshoofd Ugga uit met de volgdende woorden:
    “Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds. Wie graag aan degenen met een oprecht gedrag gewaad en verblijfplaats geeft, en ook drank en eten en andere dingen die nuttig zijn, de heiligen als een vruchtbaar veld beschouwend, hij heeft geen spijt van wat hij schenkt en weggeeft. Een goed mens, die weggeeft wat moeilijk te ontberen is, krijgt het goede dat hij zo schenkt, terug."
   Na deze woorden van de Verhevene stond gezinshoofd Ugga op en verwijderde zich.
   Korte tijd daarna stierf Ugga en verscheen na zijn dood in een geestgeproduceerde wereld weer. De Verhevene vertoefde toen in het Jetavanaklooster te Sâvatthi. Ugga, de hemelszoon, kwam in de nacht, met zijn heerlijke glans het hele Jetavanapark verlichtend, naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en bleef terzijde staan. Toen zei de Verhevene:
   “Ugga, gaat het goed met je, is alles naar wens?”
   “Ja, heer, alles is naar mijn wens.”
   De Verhevene zei toen in verzen tot Ugga, de hemelbewoner (hemelszoon):
   “Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds; wie het hoogste geeft, krijgt het hoogste; wie het verhevene schenkt, krijgt ook het verhevene. Wie het beste geeft, komt aan het beste oord aan. Wie uitgelezen gave schenkt, iemand die de beste gave geeft, verwerft zich roem en een lang leven, waar hij ook in het bestaan treedt (waar hij ook wedergeboren wordt).”

*

A.IV. 55 Nakulapitā en Nakulamātā
   Eens verbleef de Verhevene in het land van de Bhaggas, in de nabijheid van Sumsumāragira (Krokodillenheuvel), in het wildpark van het Bhesakala-bos. In de morgen maakte de Verhevene zich gereed, nam [opper]gewaad en aalmoezennap en ging naar het huis van Nakulapitā, de huisvader. Daar ging hij op de hem aangeboden zitplaats neerzitten. Daarna kwamen huisvader Nakulapitā en huismoeder Nakulamātā, groetten de Verhevene eerbiedig en gingen terzijde neerzitten.
   Nakulapitā vertelde over zijn gelukkig huwelijk: “Heer , toen ik met Nakulamātā trouwde, was ik nog vrij jong en zij was nog een meisje. Heer, sinds wij getrouwd zijn, ben ik me er niet van bewust iets tegen haar te hebben gehad, zelfs niet in gedachten. Heer, wij willen heel graag samen blijven, niet alleen in dit leven maar ook in het volgende.” En Nakulamātā sprak op gelijke wijze.
       Hierop zei de Boeddha: “Indien én vrouw én man wensen samen te zijn zowel in dit leven als in het volgende, dan moeten beiden op gelijke wijze vertrouwen, deugdzaamheid, edelmoedigheid en wijsheid ontwikkelen. Zó blijven zij samen, nu en later.”
    "Beiden zijn mild en devoot, zelfbedwongen en trouw aan de leer. Zulke echtelieden praten met liefdevolle woorden tegen elkaar.
   Hun aandeel is rijke zegen; huiselijk geluk is hun toegedaan, en de vijand voelt zich verslagen, omdat beiden in deugdzaamheid gelijk zijn.
    En omdat zij hier juist gehandeld hebben, evenwaardig in deugdzaamheid, zullen zij in de hemel jubelen, in het geluk van de liefde juigen."

*

A.V.36. Te juister tijd geven  (korte versie)
   Vijf gaven zijn er op de juiste tijd, namelijk:
Men biedt de aankomende gast gaven aan; men biedt de vertrekkende gaven aan; de zieke biedt men gaven aan; bij gebrek aan voedsel biedt men gaven aan; maar wat er aan eerste graan en eerste vruchten is, dat biedt men als eerste de deugdzamen aan.
   Gaven op de juiste tijd geeft de wijze, die mild gezind is, vrij van gierigheid. Wie gaven aanbiedt aan de edelen die oprecht en heilig zijn, wie dit vol vertrouwen doet, diens gave is van hoge waarde.
   En degenen die zo’n goede daad goedkeuren, en gewillig daarbij dienst verlenen, ook hun gave is niet klein; zij hebben deel aan de verdienste ervan.
   Daarom moet men onverschrokken geven, waar gaven hoog loon brengen. Want goede werken zijn voor de wezens de ondersteuningen voor de volgende wereld.

*

A.IV. 79. De zaak
   Waarom lukt de ene zaak en de andere niet? Waarom gaat de ene zaak niet naar wens en de andere wel?  -
   Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Maar hij geeft niets. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan mislukt hem iedere zaak wat hij ook verricht.
   Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt geeft hij niet naar wens. Wanneer hij na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak niet naar wens, wat hij ook verricht.
   Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt, geeft hij naar wens. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak naar wens, wat hij ook verricht.
   Iemand gaat naar een asceet of priester en vraagt wat hij nodig heeft. Wat hij aanbiedt, is meer dan wat gewenst is. Wanneer die persoon na de dood hier wedergeboren wordt, dan gaat zijn zaak beter dan hij wenste.

*

A.V.37.  Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel
 
   Door het geven van voedsel verschaft de gever aan de ontvanger vijf voordelen, namelijk: hij verschaft hem een lang leven, schoonheid, welzijn, kracht en scherpzinnigheid.
   De wijze die hulp biedt voor een lang leven, voor scherpzinnigheid, schoonheid, kracht en die andere mensen gelukkig maakt, hij krijgt deel aan gelukzaligheid.
   Degene die leven, schoonheid, kracht, verstand en welzijn helpt bevorderen, wacht roem en een lang leven, waar hij ook wedergeboren wordt.

*

S.1.42. Geven
   Een devata vroeg aan de Verhevene wat men moet geven om kracht, schoonheid, welvaart, inzicht te verkrijgen.   

   De Verhevene gaf ten antwoord:
   "Voedsel geeft degene die kracht wil schenken;
   kleding geeft degene die schoonheid wil schenken;
   een vervoermiddel geeft degene die welvaart wil schenken;
   een lamp geeft degene die inzicht wil schenken.
   Maar wie een tehuis schenkt
   is iemand die alles geeft.
   En niet sterven geeft degene
   die de leer van de waarheid verkondigt."

*

A.IV. 57.  Suppavasa
   Eens vertoefde de Verhevene in het land Koliya, in een stad met naam Sajjanela. 's Morgens vroeg nam hij oppergewaad en aalmoezennap en ging naar de woning van Supavasa   . Daar ging hij op de hem aangeboden zitplaats neerzitten. En mevrouw Suppavasa bediende de Boeddha en gaf hem eigenhandig harde en zachte spijzen. Na de maaltijd nam de Verhevene zijn hand van de nap weg en Suppavasa ging terzijde neerzitten. De Verhevene sprak haar als volgt toe:
   "Suppavasa, een edele lekenvolgelinge die voedsel aanbiedt, geeft de ontvanger viervoudige zegen. En wel: zij geeft lang leven, geeft schoonheid, geeft geluk, geeft kracht.
   En doordat zij lang leven geeft, krijgt zij zelf een lang hemels of menselijk leven; doordat zij schoonheid geeft, krijgt zij zelf hemelse of menselijke schoonheid; doordat zij geluk geeft, krijgt zij zelf hemels of menselijk geluk; doordat zij kracht geeft, krijgt zij zelf hemelse of menselijke kracht. Een edele lekenvolgelinge die voedsel aanbiedt, geeft de ontvanger deze viervoudige zegen."
 
   "Het goed gekookte eten dat men geeft,
het zuivere, uitgezochte, goed gekruide,
als men dat aan oprecht levenden als gave aanbiedt,
met een edel gedrag, hoge geestelijke grootte,
en zo verdienste aan verdienste rijgt,
- een dergelijke gave van voedsel brengt heel rijke vrucht,
en wordt door de Kenner der werelden ook geprezen.

   Die zeer gelukkig gestemd door het leven gaan
en een dergelijk offer steeds herdenken,
de smet van gierigheid aan de wortel vellend,
zij gaan zonder verwijten heen in een hemelse wereld."

*

A.IV. 58.  Anāthapindika
   De Verhevene sprak tot de huisvader Anāthapindika aldus:
   "Een edele lekenvolgeling die voedsel overhandigt, geeft aan de ontvanger viervoudige zegen, en wel: Hij geeft lang leven, geeft schoonheid, geeft geluk, geeft kracht.
   Daardoor echter, dat hij lang leven geeft, krijgt hij zelf een lang hemels of menselijk leven. Daardoor dat hij schoonheid geeft, krijgt hij zelf hemelse of menselijke schoonheid. Daardoor dat hij geluk geeft, krijgt hij zelf hemels of menselijk geluk. Daardoor dat hij kracht geeft, krijgt hij zelf hemelse of menselijke kracht.
   Een edele lekenvolgeling, die voedsel overhandigt, geeft aan de ontvanger deze viervoudige zegen."
   
   "Wie aan zelfbedwongenen die leven van de gaven van anderen, te juister tijd in eerbied voedsel geeft, die geeft hen viervoudige grote zegen: een lang leven, schoonheid, geluk en kracht.
   Degene echter die schoonheid geeft, een lang leven, geluk en kracht, verwerft voor zich aanzien en een lang leven, overal daar waar hij in het bestaan treedt."
(Deze tekst is bijna gelijkluidend met A.IV.59).

*

A.III.45. Door wijzen geprezen
   Drie dingen worden door wijze en goede mensen geprezen: het geven; het gaan in de huisloosheid; het ondersteunen van de ouders.
   "De goeden prijzen hoog het geven, beheerstheid, discipline en vredelievendheid, en ook het ondersteunen van de ouders en van heiligen met zuiver gedrag. Wie deze raad van de heiligen als wijze discipel navolgt, zo’n edel persoon, met inzicht, komt in een zalige hemelse wereld."

*

S.I.49. Vrij van gierigheid
   Degenen die als mens geboren barmhartig zijn en vrij van gierigheid, vertrouwen hebben in de Boeddha, zijn leer en de gemeenschap [van de heiligen], zij stralen in de hemel waar zij wedergeboren worden. En als zij als mens wedergeboren worden, dan komen zij ter wereld in een welgesteld gezin waar kleding, voeding, vermaak en ontspanning zonder moeite verkregen worden.

*

S.1.43. Geven
   Een devata vroeg aan de Verhevene: "Goden en mensen verheugen zich beiden over voedsel. Maar wie is de yakkha die zich niet over voedsel verheugt?"
   De Verhevene gaf ten antwoord:
   "Het voedsel dat men in vertrouwen geeft met een verheugd gemoed, dat volgt iemand na in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven en gaven geven, en de onreinheid van hebzucht overwinnen. Verdienstelijke werken zijn voor de levende wezens een vaste basis in de andere wereld."

*

S.1.47. Verdienste
   Een devata vroeg aan de Verhevene: "Bij welke mensen neemt dag en nacht de verdienste toe? Welke mensen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel?" 
   De Verhevene gaf ten antwoord:
   "Degenen die parken aanleggen, bossen planten, die bruggen bouwen, en cisternen en bronnen aanleggen, die een tehuis gereed maken: bij deze mensen neemt dag en nacht de verdienste toe. Deze personen gaan, op de waarheid gebaseerd, begiftigd met deugdzaamheid, naar de hemel."

*

D.23. Payasi sutta 
   In de stad Setabyā van Kosala geloofde gouverneur Pāyāsi, een Khattiya leraar en filosoof, dat er na de dood niets meer is en dat goede of slechte daden geen resultaat hebben. De monnik Kumārakassapa bekeerde Pāyāsi. Hij overtuigde hem ervan dat er na de dood een wedergeboorte is en dat de goede en slechte daden later resultaat hebben. De gouverneur nam zijn toevlucht tot het Drievoudige Juweel. Kumārakassapa onderwees hem ook over de juiste soort van offergaven en dat die met respect en eigenhandig gegeven moeten worden. Gouverneur Pāyāsi stierf en de monnik Gavampati ging op bezoek in de hemel en kwam er Payasi's staat van wedergeboorte te weten.

*

A.IV.52.   Stromen van verdienste II
   Er zijn vier stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die vier stromen zijn:
   De edele volgeling is vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Boeddha, aldus:
   "Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene."
   Dit is de eerste stroom van verdienste.

    Verder is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de leer, aldus:
   "Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf."
   Dit is de tweede stroom van verdienste.

   Verder is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Orde [van de heiligen], aldus:
   "Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld."
   Dit is de derde stroom van verdienste.

   En verder beschermt de edele volgeling de regels van deugdzaamheid die aan de edelen dierbaar zijn, welke regels ongebroken, ongedeerd, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend zijn, door wijzen geprezen, onbeïnvloed, bevorderlijk voor de geestelijke concentratie.
   Dit is de vierde stroom van verdienste.

   Deze vier stromen van verdienste, stromen van het heilzame zijn er; ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, tot heil en zegen. 

   "Wie tot de Ontwaakte vertrouwen heeft, dat onwankelbaar is, diep geworteld, aan wie edele deugd, edele gewoonte eigen is, zoals ze de heilige dierbaar zijn, wie blij op de Orde vertrouwt, en helder, juist inzicht heeft, - waarlijk, zo iemand is niet arm; hij heeft zijn leven niet voor niets geleefd.
   Wie wijs is moge daarom zich wijden aan de deugdzaamheid en aan het vaste vertrouwen, en ook aan begrip van de leer, de instructie van de Boeddha voor ogen houdend.

*

S.I.41.  Naar de hemel
   Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven werd, is wel gered. Wat gegeven werd, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven werd. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel. (S.I.41)

*
 
A.V.42.   De invloed van de goede mens  - Sappurisa Sutta
   De in een goede familie wedergeboren edele mens strekt veel mensen tot heil, zegen en welzijn. Vader en moeder, vrouw en kind, personeel, vrienden en makkers, asceten en priesters: hen allen strekt hij tot heil, zegen en welzijn.
   Zoals een sterke regen het hele gewas tot rijpheid brengt en daardoor velen tot heil, zegen en welzijn strekt, evenzo strekt de in een goede familie wedergeboren edele mens veel mensen tot heil, zegen en welzijn.
   De mensenvriend die veel gaven geeft, de hoeder van deugdzaamheid, hij wordt ook door de goden behoed. Een goede faam volgt steeds degene die rijk aan weten is, zuiver in deugdzaam gedrag, plichtgetrouw. Wie zou de plichtbewuste, deugdzame mens, oprecht, vol schaamtegevoel, gelijk aan zuiver goud, kunnen berispen? Zelfs hemelse wezens prijzen zo iemand en Brahma zelf brengt hem zijn lofprijzing.

*

A.IV.20. Voedsel verdelen
   Iemand die voedsel verdeelt en de volgende vier eigenschappen heeft, komt in een hemels bestaan. Die vier eigenschappen zijn: hij gaat over de goede weg van begeerteloosheid, gaat over de goede weg van haatloosheid, gaat over de goede weg van niet onwetendheid, op de goede weg van angstloosheid.
   "Daarom komt de goede mensen lof toe
die juist leven en niets kwaads doen,
die vrij van begeerte en haat, vrij van angst en illusie zijn.
Zij gelden als sieraad van de gemeenschap."

*

Dhp.16. Gelukkig is de weldoener hier en hierna
   Een vrome jongeman leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken de doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken te Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen. Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.
   “Hier en later verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.”

*

A.VIII.32.  Het geven II
   Vertrouwen, schaamte en edel geven
   zijn alle goede mensen dierbaar;
   want ze zijn voorwaar een hemelvoertuig,
   waarmee men naar de hemel gaat.

*

Dhp.224. De weg naar de hemel
   Eens bezocht de Eerwaarde Maha Moggallāna de wereld van de goden (devas). En hij zag dat veel goden er in luxueuze herenhuizen leefden. Hij vroeg hun welke goede daden zij verricht hadden dat zij in de godenwereld herboren waren. Zij gaven hem verschillende antwoorden. Een van hen zei dat hij in de godenwereld herboren was omdat hij steeds de waarheid had gesproken. Een vrouwelijke godheid zei dat zij daar was herboren omdat zij als hulp in de huishouding niet boos was geworden op haar baas. Zij had ook geen kwaadwil jegens hem gekoesterd hoewel hij haar vaak had geslagen en had uitgescholden. Vanwege het feit dat zij zich had beheerst en zonder haat alles had verdragen, was zij in de godenwereld wedergeboren. Weer anderen waren in de godenwereld herboren omdat zij iets dat binnen hun mogelijkheden lag, gegeven hadden voor het welzijn van anderen.
            Bij zijn terugkeer uit de godenwereld vroeg de Eerwaarde Maha Moggallāna aan de Boeddha of het mogelijk was door zulke nietige dingen, zoals het spreken van de waarheid of het geven van kleine bedragen of geringe gaven, zulke grote voordelen te verkrijgen. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Heb je niet zelf met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord wat de goden zeiden? Er mag bij jou geen enkele twijfel over bestaan. Zelfs kleine daden van verdienste voeren iemand beslist naar de wereld van de goden.”
      En verder sprak hij: “Men moet de waarheid spreken. Men moet niet boos worden. Men moet geven zelfs van een karige voorraad aan degene die vraagt. Over deze drie paden kan iemand in de godenwereld komen.”

*

Dhp.219-220. Verdiensten verwelkomen de deugdzame
   Nandiya, een devote en rijke persoon hoorde de preken van de Boeddha over het voordeel van het bouwen van kloosters voor de bhikkhus. Daarom liet hij te Isipatana het Mahavihara klooster bouwen. Toen het klooster klaar was, bood hij het aan de Boeddha aan. Terstond rees een herenhuis voor Nandia op in de Tavatimsa hemel. Nog voor zijn dood was een plaats in de hemelse wereld voor hem gereed om hem te ontvangen. De Boeddha sprak toen de versen:
   “Iemand die lang afwezig was en veilig van verre terugkeert, wordt door zijn verwanten, vrienden en goede kennissen verwelkomd.
   Evenzo zullen de goede daden van iemand die goed doet hem ontvangen die van deze wereld naar de volgende is gegaan, zoals verwanten die een dierbare ontvangen bij zijn terugkeer.”

*

Dhp. 119-120.  Aan de vrucht kent men kwaad of goed
   Anathapindika steunde heel edelmoedig de Sangha en verloor het grootste deel van zijn vermogen. Hij werd bekritiseerd vanwege zijn buitengewone gaven. Hij ignoreerde alle kritiek en bleef doorgaan met zijn edelmoedige daden. De Boeddha waardeerde zijn edelmoedigheid en zei:
   “Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.”
   “Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.”
   Anathapindika werd in de hemel wedergeboren.

*

A.VIII.35 Wedergeboorte afhankelijk van geven
   Er zijn acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van geven, en wel:
   1. Men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men ziet machtige edelen, brahmanen of burgers in het bezit en genot van de vijf zintuiglijke vreugden, omgeven met de vijf zintuiglijke vreugden. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood onder machtige edelen, brahmanen of burgers wedergeboren mag worden." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zulke gedachten, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voeren hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij onder machtige edelen, brahmanen of burgers. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartewens van de deugdzame gaat ten gevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.

   2-7. Verder, men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de hemelse wereld van de Vier Grote Koningen – de goden in de hemelse wereld van de Drieëndertig – de gelukzalige goden – de tevreden goden – de goden die graag scheppen – de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden in de hemel van de Vier Grote Koningen – in de hemel van de Drieëndertig – in de hemel van de gelukzalige goden – in de hemel van de tevreden goden – in de hemel van de goden die graag scheppen – in de hemel van de goden die heersen over de scheppingen van anderen." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En een dergelijke gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voert hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij in de hemel van die goden. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen. Want de hartewens van de deugdzame gaat tengevolge van de zuiverheid ervan in vervulling.

   8. Verder, men geeft een asceet of priester eten en drinken, kleding, voertuig, bloemen, specerijen, medicijnen, onderdak en verlichting. En voor die gaven hoopt men een beloning te krijgen. Men heeft gehoord van de hoge levensduur, de schoonheid en het grote geluk van de goden in de wereld van Brahma. Dan komt het hem aldus in de zin: "Ach, dat ik toch na de dood wedergeboren mag worden bij de goden in de hemel van Brahma." Aan die gedachte hecht hij zich, houdt hij vast en die gedachte koestert hij. En zo'n gedachte, op het lagere gericht, en niet hoger ontplooid, voert hem juist daar tot wedergeboorte. En na de dood verschijnt hij bij de goden in de hemel van Brahma. Dit geldt echter voor deugdzame mensen, niet voor zedelozen; voor begeertelozen, niet voor mensen die vol begeerte zijn. Want de hartewens van de deugdzame gaat tengevolge van de begeerteloosheid ervan in vervulling.

   Dit zijn de acht soorten wedergeboorte die afhankelijk zijn van gaven.

*

A.VIII.36.  De drie soorten van verdienstelijk handelen
   Er zijn drie soorten van verdienstelijk handelen, namelijk: het in het geven bestaande verdienstelijke handelen, het in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen, en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen.

   Daar is bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen zwak ontwikkeld; en het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in erbarmelijke omstandigheden onder de mensen.
   Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen middelmatig ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood in gelukkige omstandigheden onder de mensen.
   Daar is evenwel bij iemand het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen sterk ontwikkeld; maar het in de ontplooiing van de geest bestaande verdienstelijke handelen is niet aanwezig. Die persoon verschijnt na de dood bij de goden in de hemel van de Vier Grote Koningen.
   Daar echter overtreffen de Vier Grote Koningen die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker ontwikkeld hebben, de goden van hun gevolg in tien dingen: in hemelse levensduur, hemelse schoonheid, hemels geluk, hemels roem, hemelse heerschappij, hemelse vormen, hemelse geluiden, hemelse geuren, hemelse smaken en hemelse aanrakingen.   
   Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden van de Drieëndertig. Daar evenwel overtreft Sakka, de koning van de goden, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de goden van de Drieëndertig in juist die tien dingen.
   Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de gelukzalige goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Suyama, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de gelukzalige goden in juist die tien dingen.
   Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de tevreden goden. Daar evenwel overtreft de godenzoon Santusita, die het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker heeft ontwikkeld, de tevreden goden in juist die tien dingen. 
   Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die graag scheppen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Sunimitta, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de goden die graag scheppen in juist die tien dingen.
   Of een dergelijk persoon verschijnt weer onder de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Daar evenwel overtreft de godenzoon Vasavatti, bij wie het in het geven en in de deugdzaamheid bestaande verdienstelijke handelen nog sterker is ontwikkeld, de over de scheppingen van anderen heersende goden in juist deze tien dingen.
 
   Dat zijn de drie soorten van verdienstelijk handelen.

*****

45
Theravada Boeddhisme / Dana, geven - 05. Soorten van geven
« Gepost op: 23-04-2016 07:22 »
Dana, geven - 05. Soorten van geven

A.II.142-151. Twee soorten gaven
   Er zijn twee soorten gaven, namelijk de materiele gave en de gave van de waarheid.  De beste gave is de gave van de waarheid.
   Er zijn twee soorten offergaven, namelijk de materiele offergave en de offergave van de waarheid. De beste offergave is de offergave van de waarheid.
   Er zijn twee soorten vrijgevigheid, namelijk de vrijgevigheid in het materiele en de vrijgevigheid in het geven van de waarheid. De beste vrijgevigheid is die in het geven van de waarheid.

*

A.II.152-163.  Twee soorten hulp

   Er zijn twee soorten hulp, namelijk materiele hulp en de hulp van de waarheid. De laatste is de beste hulp.
   Twee soorten hulpbetoon, materieel hulpbetoon en hulpbetoon van de waarheid. Het beste is hulpbetoon van de waarheid.
   Twee soorten gastgeschenken, het materiele gastgeschenk en dat der waarheid. Het beste is het  gastgeschenk van de waarheid.
   Twee soorten rijkdom, materiele rijkdom en de rijkdom der waarheid. Het beste is de rijkdom der waarheid.

*

It.98.  Twee soorten gaven.
   Er zijn  twee soorten gaven, namelijk materiele gave en de gave van de leer. Van deze twee is de gave van de leer de hoogste.
   Er zijn twee soorten hulp, namelijk de materiele hulp en de hulp van de leer. Van deze twee is de hulp van de leer de hoogste.

   De gave die men de hoogste, onvergelijkbaar noemt,
   het geven dat door de Verhevene geprezen is,
   wie wil niet graag, geheel tevreden met dit veld,
   als wijze, kenner te passender tijd zo offeren?

   Degenen die beide doen, praten en ook luisteren,
   tevreden in het hart met de goed uitgelegde leer,
   ernstig in de goed uitgelegde leer,
   zij zuiveren zich tot het hoogste heil.    

*

A.VIII.31.  Het geven I
   Er zijn acht soorten van geven, namelijk:
1. Men geeft spontaan gaven.
2. Of men geeft gaven uit angst [voor verwijten].
3. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men heeft ook aan mij gegeven."
4. Of men geeft gaven omdat het geven iets goeds is.
5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Men zal mij iets terug geven."
6. Of men geeft met de gedachte: "Ik kook immers, maar deze niet; en het is niet juist voor mij die kook, aan de niet-kokende geen gaven te geven."
7. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal zich over mij een goede naam verspreiden."
8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart.

   Deze acht soorten van geven zijn er.

*

A.VIII.33.  Het geven III
   Er zijn acht soorten van geven, namelijk:
1. Men geeft gaven uit genegenheid [d.w.z. uit persoonlijke toeneiging].
2. Men geeft gaven uit ergernis.
3. Men geeft gaven uit verblinding.
4. Men geeft gaven uit angst.
5. Of men geeft gaven met de gedachte: "Wat vroeger door de grootvader gegeven en gedaan werd, van die oude familietraditie mag ik niet afwijken."
6. Of men geeft met de gedachte: "Wanneer ik deze gave geef, zal ik na de dood op een goede weg, in de hemelse wereld weer verschijnen."
7. Of men geeft met de gedachte: : "Wanneer ik deze gave geef, verblijdt zich mijn gemoed, en tevredenheid en blijdschap komen bij mij op."
8. Of men geeft gaven vanwege de veredeling van het hart, de zuivering van het hart.

   Deze acht soorten van geven zijn er.


*

S.I.32. Geven in vroomheid   
   Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden [om beurten]:
   "Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."
   "Waarvoor de gierigaard bang is en daarom niets geeft, dat is juist het gevaar voor degene die niets geeft. Honger en dorst treffen de vrek in deze wereld en in de andere. Daarom moet men de gierigheid verdrijven, het vuil van de hebzucht overwinnen en gaven geven. Verdienstelijke werken zijn in de andere wereld een vast steunpunt voor de levende wezens."
   "Het is een eeuwige wet dat diegenen niet dood zijn onder de doden, die iets geven van gering bezit. En anderen willen niets geven hoewel ze rijk zijn. Een gave van iemand die weinig heeft, wordt aan duizend gelijk geschat."
   "Degenen die geven wat moeilijk te geven is, die iets doen wat moeilijk te doen is, worden door de slechte mensen niet nagevolgd. Moeilijk te volgen is de goede leer. Daarom is het heengaan uit deze wereld bij goeden en slechten verschillend. De slechte mensen gaan naar de hel, de goeden hebben de hemel als doel."
    Een Devata vroeg toen aan de Verhevene wie goed had gesproken.
   De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. In vroomheid leeft degene die, hoewel arm, zijn vrouw onderhoudt en van zijn kleine bezit iets geeft. Honderdduizend van degenen die duizend offeren zijn niet het zestiende deel waard van een dergelijke gever."
   Een andere Devata vroeg toen: "Waarom komt een rijk offer van zulke mensen aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd?"
   De Verhevene: "Velen geven, verstrikt in het kwaad, nadat zij geslacht, gedood en leed veroorzaakt hebben. Zo'n gave vol tranen en kwelling komt aan waarde niet gelijk aan datgene wat in vroomheid gegeven werd. Daarom zijn 100.000 van degenen die 1000 offeren, niet het zestiende waard van een dergelijke gever."

*

A.V.147. verkeerd en juist geven

   Op vijfvoudige manier geeft de slechte mens gaven, namelijk:
hij geeft zonder ijver,
hij geeft zonder eerbied,
hij geeft niet eigenhandig,
hij geeft resten, afval,
hij geeft zonder vertrouwen in een toekomstige vergelding.

   Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:
hij geeft vol ijver,
hij geeft vol eerbied,
hij geeft eigenhandig,
hij geeft geen resten, geen afval,
hij geeft met vertrouwen in een toekomstige vergelding.

*

A.V.148  juist geven
   Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:
hij geeft vol vertrouwen;
hij geeft vol ijver;
hij geeft op de juiste tijd;
hij geeft met een vrijgevig hart;
hij geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen.

   Degene die vol vertrouwen een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend, en hij of zij heeft een mooie gestalte, een bevallig uiterlijk, vol charme en heeft een edele verschijning.
    Degene die vol ijver een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, met veel goederen, zeer vermogend. En zijn vrouw en kinderen evenals zijn dienstpersoneel luisteren naar hem, gehoorzamen hem, proberen hem met begrip van dienst te zijn.
   Degene die op de juiste tijd een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En te juister tijd [d.w.z. niet pas op hoge leeftijd] komt hij of zij in het bezit van rijkelijke goederen.
   Degene die met een vrijgevig hart een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn hart is geneigd naar het genot van uitgelezen vreugden der vijf zintuigen.
   Degene die een gave geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn bezit kan door niets schade lijden, noch door vuur, water, vorst, dieven noch door liefdeloze erfgenamen.
   Op deze vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven.

*

A.VII.49.  Het aalmoes
   Eens verbleef de Verhevene te Campa, (in het land Anga) aan de oever van de Gaggara-vijver. Talrijke lekenvolgelingen uit Campa gingen toen naar de eerwaarde Sariputta. Zij begroetten hem eerbiedig en zeiden dat zij al lang geen leerrede meer gehoord hadden van de  Boeddha. De eerwaarde Sariputta gaf hun de raad om op de Uposatha dag te komen. Dan zouden zij een leerrede van de Verhevene kunnen horen.
   "Goed, heer," gaven de lekenvolgelingen ten antwoord, namen vol eerbied afscheid van de eerwaarde Sariputta en gingen terug naar huis.

    Op de Uposatha dag kwamen de lekenvolgelingen uit Campa naar de eerwaarde Sariputta toe. Samen gingen zij naar de Verhevene. De eerwaarde Sariputta begroette de Verhevene eerbiedig, ging terzijde neerzitten en vroeg:
   "Heer, is het mogelijk dat een gave die door de een wordt gebracht, hoog loon en zegen brengt, terwijl dezelfde gave, door een ander gebracht, geen hoog loon en zegen brengt?"
   "Dat is mogelijk, Sariputta."
    "Heer, wat is de oorzaak en reden ervoor?"
   "Sariputta, iemand geeft uit egoïstisch verlangen, met geboeid hart, uit zucht naar winst in de hoop dat hij de beloning voor die gave na de dood zal genieten.
   Als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"
   "Zeker, heer."
   "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.

   Verder Sariputta, iemand geeft een gave weliswaar niet uit egoïstisch verlangen, niet met geboeid hart, niet uit zucht naar winst noch in de hoop dat hij de beloning daarvoor na de dood zal genieten. Maar hij geeft een gave met de gedachte dat geven iets goeds is. Of hij geeft een gave omdat zijn ouders en voorvaderen eveneens vroeger aalmoezen gegeven en zo gehandeld hebben, en het daarom voor hem niet juist is om van dat oude familiegebruik af te wijken. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat hij zelf kookt maar dat de anderen niet koken, en dat het daarom voor de kokende niet juist is het geven aan niet kokenden na te laten. Of hij geeft een gave omdat hij overweegt dat zijn verdeling van gaven zijn moet zoals dat grote offer dat door de zieners van de voortijd gebracht werd, zoals Atthaka, Vāmaka, Vāmadeva, Vessāmitta, Yamataggi, Angīrasa, Bhāradvāja, Vāsettha, Kassapa und Bhagu. Of hij geeft gaven omdat bij het geven zich bij hem het hart verblijdt en bevrediging en vreugde ontstaat.
   En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"
   "Zeker, heer."
   "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de Vier Grote Koningen. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, daalt hij weer naar beneden, keert hij naar deze wereld terug.

      Verder Sariputta, iemand geeft een gave niet uit bovengenoemde redenen, maar hij geeft een gave als een veredeling en zuivering van zijn geest. En als gave geeft hij dan aan een asceet of priester voedsel, drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, cremes, slaapplaats, woonplaats en verlichting. Wat meen je, Sariputta, kan iemand op een dergelijke manier gaven geven?"
   "Zeker, heer."
   "Maar Sariputta, wie op een dergelijke manier gaven geeft, die verschijnt tengevolge van die gave na de dood bij de schare van de goden in de Brahma-wereld. Evenwel, na uitwerking van die daad, van die macht, die waardigheid, die heerschappij, komt hij niet meer naar deze wereld terug.(Hij wordt een niet meer wederkerende).

   Sariputta, dat is de reden, de oorzaak dat een gave die door de een gegeven is, hoog loon en zegen brengt, terwijl diezelfde gave, door iemand anders gegeven, geen hoog loon en zegen brengt.

*

A.VIII.37. Hoe een goed mens gaven geeft

   Acht gaven geeft een goed mens, namelijk:
Hij geeft een zuivere gave, hij geeft een uitgelezen gave, hij geeft op de juiste tijd, hij geeft (wat voor de monnik) geoorloofd is, hij geeft met overleg, hij geeft vaak, bij het geven verheugt zich zijn hart en na het geven voelt hij zich tevreden.
   Deze acht gaven van een goed mens zijn er.

Geoorloofde drank, geoorloofd voedsel,
voortreffelijk, rein, te juister tijd,
geeft hij vaak als gave
aan het sublieme veld van de heiligen.

Waar geen berouw ontstaat
zelfs als men veel schenkt,
daar wordt de gave die men geeft
geprezen door ieder met inzicht.

Degene die wijs gaven geeft,
vol vertrouwen, met vrijgevig gemoed,
een dergelijke wijze persoon zal daarom
naar een leedloze zalige wereld gaan.

*

A.IV. 78  Zuiverheid van de gave 
   Er zijn vier soorten waarop een gave zuiver is, namelijk:
1. Er is de gave die van de kant van de gever zuiver is, maar niet van de kant van de ontvanger.
2. Er is de gave die van de kant van de ontvanger zuiver is, maar niet van de kant van de gever.
3. Er is de gave die niet van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger zuiver is.
4. Er is de gave die zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger zuiver is.
   (ad 1) Hoe is een gave zuiver van de kant van de gever maar niet van de kant van de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.
   (ad 2) Hoe is een gave zuiver van de kant van de ontvanger maar niet van de kant van de gever? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter.
   (ad 3) Hoe is een gave niet zuiver van de kant van de gever noch van de kant van de ontvanger? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.
   (ad 4) Hoe is een gave zuiver zowel van de kant van de gever als van de kant van de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is  deugdzaam, met een goed karakter."

   Dit zijn de vier soorten van zuivere gaven. (vgl. M. 142).

*

A.VIII.34 De vruchtbare bodem
   Het zaad dat op een veld is uitgestrooid dat de volgende acht eigenschappen heeft, toont geen grote vruchten, geen goede smaak, geen hoge groei. Die acht eigenschappen zijn:
   Het veld is vol verheffingen en dalingen, vol stenen en steenslag, bevat zout, is niet diep genoeg gelegen, bezit geen toevoer, geen afvoer, geen watergeul, geen indammingen.
   Evenzo brengt de gave die men geeft aan asceten en priesters die de volgende acht eigenschappen bezitten, geen rijke vruchten, geen hoge zegen, is zonder grote waarde en invloed. Die eigenschappen zijn:
   De asceet of priester heeft verkeerd inzicht, heeft een verkeerd denken, heeft verkeerd taalgebruik, heeft verkeerd handelen, verkeerd levensonderhoud, verkeerd streven, verkeerde oplettendheid en verkeerde geestelijke concentratie.
   De gave die men iemand geeft die deze acht eigenschappen bezit, draagt geen grote vruchten, brengt geen hoge zegen, is zonder waarde, zonder invloed.

   Maar het zaad dat uitgestrooid is over een veld dat acht eigenschappen bezit, brengt grote vruchten, een goede smaak en hoge groei. Die acht eigenschappen zijn:
   Het veld heeft geen verheffingen en dalingen, geen stenen en steenslag, bevat geen zout, is diep gelegen, bezit een toevloed en afvoer, heeft een watergeul en indammingen.
   Evenzo brengt de gave die men geeft aan een asceet of priester die de volgende acht eigenschappen heeft, rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed. Die acht eigenschappen zijn:
   De asceet of  brahmaan heeft juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juist levensonderhoud, juist streven, juiste oplettendheid en juiste geestelijke concentratie.
   De gave die men aan iemand met deze acht eigenschappen geeft, brengt rijke vruchten, hoge zegen, en is van grote waarde en invloed.
 

   "Volmaakte gave aan degene die rein van zeden is
   brengt aan de gever een volmaakt geluk,
   omdat de daad volmaakt is.
   Wie naar volmaakt geluk streeft,
   moet daarom eerst zelf volmaakt zijn
   en wijze vrienden navolgen.
   Dan vindt hij of zij volmaaktheid.
   Wie wetend rondgaat, heeft meesterschap bereikt,
   is ook volmaakt in het hart;
   die verricht alleen volmaakte daad
   en hij bereikt volmaakt heil.
   Hij onderkent de wereld zoals ze is
   en heeft de juiste blik bereikt.

   Hij volgt het juiste pad
   en gaat met juiste geest.
   Wie alle stof heeft afgeschud
   wie het geluk van Nibbana heeft bereikt,
   die is van alle lijden bevrijd.
   Dat is het hoogste heil.

*

S.I.33.  Goed is het geven
   Te Savatthi. De Verhevene verbleef er in het Jetavana klooster. 's Nachts kwamen Satullapa godheden naar de Verhevene toe. Met hun glans verlichtten zij het hele kloostergebied. Zij groetten de Verhevene eerbiedig en zeiden:
   "Goed is het geven. Uit gierigheid en nalatigheid wordt geen gave gegeven. Van degene die naar verdienste streeft, die de juiste gave kent, van hem komt ze."
   "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Sommigen geven ook al hebben ze niet veel. Anderen willen niets geven ook al zijn ze rijk. Een gave die gegeven wordt uit een klein bezit, wordt gelijk aan duizend geschat."
   "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. Wanneer het geven gebeurt in vertrouwen, dan is het geven goed. Men zegt dat geven en strijden gelijk zijn. Hoewel er weinigen zijn, behalen zij de zege (overwinning) over velen. Wanneer men vroom ook maar weinig geeft. Dan wordt men daardoor al gelukkig in de andere wereld."
   "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed.  Iemand die uit rechtvaardig verworven bezit een gave geeft, van datgene wat door inspanning en energie gewonnen werd, die komt over de stroom van de dodengod Yama heen, en gaat na de dood naar hemelse sferen."
   "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Dat is door de Verhevene aanbevolen. (Zie ook Dhp. 181 en Dhp. 356). Wat aan hen die de gave waardig zijn, in dit leven gegeven werd, dat draagt rijke vrucht."
   "Goed is het geven, juist bij een klein bezit. En wanneer het geven in vertrouwen gebeurt, dan is het geven goed. En ook geven uit rechtvaardig verworven bezit is goed. En ook geven met keuze is goed. Goed is ook zelfbeheersing tegenover de levende wezens. Wie leeft zonder levende wezens te kwetsen, en niets kwaads doet, omwille van de berisping van anderen, de angstige prijst men daar, niet de vrijpostige. Want uit angst [voor de zonde] doen de vromen niets kwaads."
   Een andere Devata vroeg toen wie van de vorige spreeksters goed had gesproken.
   De Boeddha: "Allen hebben goed gesproken. Luistert nu naar mij. Het geven in geloof (vertrouwen) is veelvuldig geprezen. Maar beter dan een gave is een woord van waarheid. Vroeger al, en nog veel vroeger zijn de goeden die inzicht hadden, tot Nibbana gekomen."

*****



46
Dana, geven - 04. Voorwaarden van vrijgevigheid

   Het geven van offergaven moet met respect gebeuren en eigenhandig. (D.23)

*

A.III.41. Drie voorwaarden van de vrijgevigheid
   Wanneer drie voorwaarden aanwezig zijn, krijgt een van vertrouwen vervulde achtenswaardige persoon grote verdienste.
Wanneer vertrouwen aanwezig is; wanneer gaven aanwezig zijn; wanneer iemand aanwezig is die de gaven waard is.

   (Het samentreffen van deze drie voorwaarden geeft aan de daad van vrijgevigheid zijn grote volmaaktheid. Volgens het commentaar zijn de beide laatste voorwaarden naar verhouding gemakkelijker aan te treffen. Maar juist vertrouwen in de leer van de Boeddha is bij een wereldling (d.w.z. iemand die nog geen niveau van heiligheid heeft bereikt) iets zeldzaams; want zijn vertrouwen is onbestendig en kan al bij de volgende stap die hij zet, aan twijfel onderhevig zijn.)

* * *

47
Dana, geven - 03. Het offeren van dieren en mensen

   Het offeren van mensen en dieren om onheil te voorkomen is nutteloos. Dieren- en mensenoffers zijn niet goed. Ze dragen geen heilzame vruchten. Maar offers waar geen levende wezens gedood worden, zijn heilzaam en brengen rijke vrucht. (S.III.9)


A.IV.39. Het offer I 
   Eens ging de brahmaan Ujjaya naar de Verheven toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Daarna vroeg hij of de Boeddha elke offergave goedkeurde.
   De Verhevene gaf ten antwoord: "Brahmaan, ik keur niet elk offer goed en ik keur niet elk offer af. Een offer waarbij runderen, schapen en geiten geslacht worden, kippen en varkens omkomen, waarbij talrijke levende wezens gedood worden, een dergelijk gewelddadig offer keur ik af. Want van een dergelijk gewelddadig offer wenden zich de heiligen af en degenen die het pad naar heiligheid hebben betreden.
   Maar een offer waarbij geen runderen, schapen en geiten, kippen en varkens geslacht worden, en waar ook geen talrijke levende wezens de dood vinden, een dergelijk geweldloos offer waarlijk keur ik goed, namelijk voortdurende weldadigheid, als een offer van het familiegebruik. En waarom? Tot een dergelijk geweldloos offer komen immers de heiligen en degenen die de weg naar heiligheid betreden hebben."

   "Dierenoffers en mensenoffers brengen leed en geen loon. Zulke offers worden gemeden door zuiveren, door alle grote wijzen.
   Maar wie een leedloos offer brengt, offer van het familiegebruik, waarbij geen rund, schaap noch geit, geen enkel levend wezen de dood vindt, een dergelijk waardig offer wordt door heiligen en wijzen opgezocht. Zo'n offer betaamt de wijze en brengt hoog loon. Het brengt zegen en nooit onheil; en wanneer dat offer rijkelijk is, dan verheugen zich ook de goden."

*

A.IV. 40 Het offer II
(De vragende is hier de brahmaan Udāyi. Het proza gedeelte is gelijk aan A.IV.39. Alleen de verzen zijn anders, namelijk:)
   "Waardig is een leedloos offer, dat te juister tijd wordt aangeboden. Zoiets zoeken zelfbedwongenen die het heilige leven voeren, die bevrijd zijn van de sluier der wereld, ontkomen aan het wanordelijke bestaan.
   Aan een dergelijk offer geven ook Boeddhas lofprijzing, zij kenners van alle goeds (letterlijk: kenners van zedelijke verdienste).

   Offer of dodenmaal, juist gegeven gave die men met een goed hart geeft aan een heilige, het veld van verdienste, juiste offers, juiste gaven, die men de waardige overhandigt;
   en wanneer dit offer rijkelijk is, verheugen zich ook de goden. Als een wijze op die manier offert, met een vrij hart, vol vertrouwen, dan is hem vast en zeker een wereld voorbestemd zonder leed, gelukkig."

*

D.5. Kutadanta sutta
   Tweegesprek waarin het offeren van dieren veroordeeld wordt. De brahmaan Kūtadanta vroeg aan de Boeddha op de avond voor een groot offerfeest hoe hij het beste dieren kon offeren. De Boeddha gaf toen eerst het voorbeeld van de vroegere koning Mahāvijita. Die offerde met veel moeite en met weinig resultaat. De brahmaan vroeg of er een offergave was met minder moeite en met meer resultaat. De Boeddha vertelde hem toen over het geven van de vier benodigdheden aan deugdzame monniken. Minder moeite en nog voorspoediger was het geven van een klooster aan de Orde. Nog beter was 1) zijn toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha; 2) de vijf regels na te volgen; 3) vanuit het huiselijke leven naar het huisloze leven te gaan en het heilige leven te leiden met als resultaat Nibbāna. Het laatste overtrof alle andere offergaven.

*

A.VII.44.  Het grote offer
   Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana klooster. Op die tijd zou een groot offerfeest van de brahmaan Uggata-Sarīra gehouden worden. Vijfhonderd stieren had men voor het offer naar de offerpaal gebracht. Hetzelfde was gebeurd met vijfhonderd jonge stieren, vijfhonderd vaarsen, vijfhonderd geiten en vijfhonderd rammen. De brahmaan Uggata-Sarīra ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei aan de Verhevene:
   Heer Gotama, ik heb vernomen dat het brengen van vuuroffers en het oprichten van offerpalen hoog loon en zegen brengt."
   "Ook ik heb dat vernomen, brahmaan." 
   "Heer Gotama, dan stemmen wij dus hierin met elkaar overeen."
   
   Na deze woorden zei de eerwaarde Ananda to de brahmaan Uggata-Sarīra dat men op zo'n manier niet met de Volmaakte moest omgaan. Maar op de volgende manier moest men aan de Volmaakte de vraag stellen: "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."
   Daarop zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene:  "Heer, ik wil een vuuroffer brengen en offerpalen laten oprichten. Moge de Verhevene mij onderrichten opdat het mij lang tot heil en zegen strekt."

   De Verhevene gaf ten antwoord: "Brahmaan, wie een vuuroffer brengt en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende. Het is het zwaard in daden, het zwaard in woorden en het zwaard in gedachten.
 
   Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die laat al voor het offeren deze gedachten in zich opkomen: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit eerste zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.
   Verder brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die spreekt al voor het offeren woorden zoals: 'Zo en zoveel stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen moeten voor het offer geslacht worden.' Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit tweede zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.
   Verder, brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die begint zelf als eerste met het slachten van stieren, jonge stieren, vaarsen, geiten en rammen. Hij gelooft dat hij iets verdienstelijks doet, maar hij doet iets schuldigs. Hij gelooft dat hij iets heilzaams doet, maar hij doet iets onheilzaams. Hij gelooft dat hij de weg naar een gelukkige wedergeboorte zoekt, maar hij zoekt de weg naar leedvolle wedergeboorte. Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren in gedachten dit derde zwaard op, het onheilzame, leed producerende, leed brengende.

   Brahmaan, wie een vuuroffer laat brengen en de offerpaal laat oprichten, die richt al voor het offeren deze drie zwaarden op, onheilzame, leed producerende, leed brengende.
 
   Brahmaan, drie soorten vuur moet men verwerpen, moet men vermijden, niet onderhouden, namelijk het vuur van begeerte, het vuur van haat en het vuur van onwetendheid. Want door begeerte, haat en onwetendheid gedreven en overweldigd, met geobsedeerd hart, heeft men in daden, woorden en gedachten een slecht gedrag. En daardoor komt men na de dood in een lagere wereld, op een weg van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel. Daarom, brahmaan, moet men deze drie soorten van vuur verwerpen, vermijden, niet onderhouden.

   Maar drie soorten van vuur moet men in een goede toestand houden, doordat men ze hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt. Die drie soorten vuur zijn het offerwaardige vuur, het vuur van het gezinshoofd en het vuur dat gaven waard is.

   Het offerwaardige vuur bestaat hierin: wanneer iemands vader en moeder nog in leven zijn, dan gelden zij voor hem als offerwaardig vuur. En wel omdat men door hen ter wereld werd gebracht, van hen afstamt. Daarom moet men dit offerwaardige vuur in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

   Het vuur van het gezinshoofd bestaat hierin: wat iemand bezit aan vrouwen, kinderen, dienaren en arbeiders, dat noemt men het vuur van het gezinshoofd. Daarom moet men dit vuur van het gezinshoofd in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

   Het vuur dat gaven waard is, bestaat hierin:
Er zijn asceten en priesters die afkerig zijn van verkeerde leer, die gevestigd zijn in verdraagzaamheid en goedertierenheid, die alleen hun ik bedwingen, tot rust brengen en laten uitdoven. Dat noemt men het vuur dat gaven waard is. Daarom moet men dit vuur dat gaven waard is, in een goede toestand houden doordat men het hoogacht, eert, waardeert en in ere houdt.

   Brahmaan, het houtvuur moet men van tijd tot tijd aansteken; men moet er van tijd tot tijd naar kijken; men moet het van tijd tot tijd uitdoven; men moet het van tijd tot tijd brandend houden."
 
   Na deze woorden zei de brahmaan Uggata-Sarīra aan de Verhevene dat hij voortreffelijk gesproken had. De brahmaan nam zijn toevlucht tot de Boeddha en werd een lekenvolgeling. De offerdieren liet hij vrij.

*****



48
Dana, geven - 02a. Geven door of aan iemand die in de stroom is ingetreden   
   
   Degene die in de stroom is getreden, heeft onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Ook heeft hij of zij de deugden die aan edelen dierbaar zijn. (S.55.53) [d.w.z. de vijf regels van goed gedrag navolgen]. (S.55.3; S.55.26-37; S.55.44-45).
   Verder richt hij zijn aandacht op het oorzakelijk ontstaan. Als dit is, volgt dat; als dit niet is, volgt dat niet. (etc.)  (S.55.28; S.55.31-33; S.55.41-43; S.12.41)
   Ook is hij vrij van gierigheid, geeft met open hand, is vrijgevig. (S.55.1, 4, 6-20, 22-23, 53).

*

A.III.42. Kenmerken van de persoon vol vertrouwen
   Aan drie omstandigheden kan men de persoon herkennen die vervuld is van vertrouwen en toewijding. [d.w.z. de in de stroom ingetredene].
   Hij ziet graag deugdzame personen; hij luistert graag naar de goede leer [of leest ze graag]; hij leeft zijn huiselijk leven met een van gierigheid onbevlekt hart; hij is vrijgevig, met open handen; hij vindt vreugde aan het schenken, is de behoeftigen toegedaan; hij vindt vreugde aan het uitdelen van gaven.
   "Wie graag de deugdzamen ziet, de goede leer graag hoort, en ook de vlek van gierigheid heeft verwijderd, die geldt als persoon vol vertrouwen." (A.III.42)

*

A.VI.9.  De zes overwegingen  (van iemand die in de stroom is ingetreden) - Anussatitthana Sutta
         Er zijn zes onderwerpen van overweging, namelijk:
1. De overweging over de Verlichte,
2. De overweging over de leer,
3. De overweging over de gemeenschap van de monniken,
4. De overweging over deugdzaamheid,
5. De overweging over vrijgevigheid,
6. De overweging over de godheden.


   Deze overwegingen worden in de volgende leerrede uitgelegd.

A.VI.10. De zes overwegingen - Mahanama Sutta
   Eens vertoefde de Verhevene in het vijgenbosje bij Kapilavatthu in het land van de Sakyers. De Sakyer Mahanama (een Sakyer-vorst  en oom van de Boeddha) kwam naar de Verhevene, groette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. Hij vroeg toen:
   "Heer, wie als edele volgeling succes heeft en de leer begrepen heeft, in welke toestand vertoeft zo iemand vaak?" -
"Mahanama, zo’n edele volgeling vertoeft vaak in de volgende toestand:
   De edele volgeling denkt aan de Volmaakte aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’
   Wanneer de edele volgeling aan de Volmaakte denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Volmaakte is zijn geest juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over de Verlichte.
   Verder denkt een edele volgeling aan de leer: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’
   Wanneer de edele volgeling aan de leer denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de leer is zijn geest  juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer.  In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over de leer.
   Verder denkt een edele volgeling aan de gemeenschap van de Orde: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’
   Wanneer de edele volgeling aan de Orde denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de Orde is zijn geest  juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer.  In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen
vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over de Orde.
   Verder denkt de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid, die ongebroken is, niet gekwetst, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend, door wijzen geprezen, niet beinvloedbaar en die de geestelijke concentratie bevordert.
   Wanneer de edele volgeling aan eigen deugdzaamheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de deugdzaamheid is zijn geest  juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer.  In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over eigen deugdzaamheid.
   Verder denkt de edele volgeling aan eigen vrijgevigheid: ‘Goed heb ik het getroffen dat ik temidden van de mensen die omsponnen zijn met de kwaal van gierigheid thuis leef met een gemoed dat vrij is van de kwaal van gierigheid, vrijgevig, met open handen, tot geven geneigd, de armen toegedaan, vreugde hebbend aan het uitdelen van gaven.'
   Wanneer de edele volgeling aan de vrijgevigheid denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de vrijgevigheid is zijn geest  juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer. In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over de vrijgevigheid.
   Verder denkt de edele volgeling aan de godheden: ‘Er zijn de Vier Grote Koningen, er zijn de goden van de Drieëndertig, er zijn de Yama-goden (gelukzalige goden), er zijn de tevreden goden (in de Tusita-hemel), er zijn de goden die graag scheppen, er zijn de goden die heersen over de scheppingen van anderen, er zijn de goden in de wereld van Brahma, en er zijn goden in sferen hoger dan deze.
   Die goden hadden zo’n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden. Zo’n vertrouwen is ook in mij aanwezig.
   Die goden waren deugdzaam, edelmoedig en vrijgevig, ze waren leergierig en hadden begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.'
   Wanneer de edele volgeling aan de goden denkt, dan wordt zijn geest niet omsponnen door begeerte, noch door afkeer of onwetendheid. In het aanzicht van de goden is zijn geest  juist gericht. Met juist gerichte geest krijgt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer, krijgt vreugde aan de leer.  In de vreugdige ontstaat vervoering; met vervoerde geest wordt het innerlijke rustig; van binnen vredig ondervindt hij geluk, en de geest van de gelukkige concentreert zich. Van deze edele volgeling zegt men dat hij onder de verkeerd gerichte mensen
vertoeft in het bezit van het juiste, dat hij onder de lijdende mensen zonder lijden vertoeft. In de stroom van de leer ingetreden, ontplooit hij de overweging over goden. 
   Wie als edele volgeling succes heeft en de leer heeft begrepen, die vertoeft vaak in deze toestand.
(vgl. A.XI.12-13)

*

A.V.179. Het in de stroom ingetreden gezinshoofd
   Het gezinshoofd Anāthapindika ging, samen met 500 lekenvolgelingen, naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Daarop wendde de Verhevene zich tot de eerwaarde Sāriputta en zei:
   "Sariputta, diegene onder de in het wit geklede gezinshoofden van wie u weet dat hij zich in zijn handelingen beheerst volgens de regels van deugdzaamheid, en dat hij de vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden naar wens, zonder moeite en inspanning deelachtig wordt, diegene kan, wanneer hij wil, van zich zeggen dat hij ontkomen is aan de hel, aan het dierenrijk, aan het rijk van de ongelukkige geesten, dat hij ontkomen is aan de lagere werelden van bestaan. Hij kan van zich zeggen dat hij in de stroom is ingetreden, niet meer onderhevig aan de afgronden van bestaan. Hij is veilig, zeker van de Verlichting.
   Sariputta, wat zijn die regels van deugdzaamheid volgens welke hij zich beheerst? -    De edele volgeling ziet af van doden, ziet af van stelen, ziet af van seksueel verkeerd gedrag, ziet af van liegen, ziet af van het gebruik van bedwelmende middelen.
   Welke vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden wordt hij naar wens, zonder moeite en inspanning deelachtig? - De edele volgeling is vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Verhevene, aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’
   Deze eerste verheven geestelijke, gelukkig makende  toestand heeft hij bereikt welke voert naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar helder worden van de onheldere geest.

   Verder, Sariputta, is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de leer, aldus: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’
   Deze tweede verheven geestelijke toestand heeft hij bereikt welke voert naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar helder worden van de onheldere geest.

   Verder, Sariputta, is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen (monniken, nonnen en leken), aldus: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’
   Deze derde verheven geestelijke, gelukkig makende  toestand heeft hij bereikt welke voert naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar helder worden van de onheldere geest.

   Verder, Sariputta, is de edele volgeling voorzien van de deugden welke aan de edelen dierbaar zijn, de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onbedorven, bevrijdende deugden die door wijzen geprezen worden, die onbeïnvloedbaar zijn en die geestelijke concentratie bevorderen.
   Deze vierde verheven geestelijke, gelukkig makende  toestand heeft hij bereikt welke voert naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar helder worden van de onheldere geest.

   Deze vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden wordt hij naar wens deelachtig, zonder moeite en inspanning.

   Sariputta, diegene onder de in het wit geklede gezinshoofden  van wie u weet dat hij zich zo gedraagt en dat hij die toestanden deelachtig wordt, zo iemand kan van zich zeggen dat hij in de stroom is ingetreden, dat hij zeker is van de Verlichting."

"Denkende aan de verschrikking van de hel
wordt elke slechte daad vermeden
door de wijze mens die op zich nam
wat als "edel reglement" geldt
[d.w.z. de 5 regels van deugdzaamheid].

Hij doet geen enkel wezen pijn,
zelfs niet als hij de macht ertoe bezit;
Hij spreekt nooit bewust een leugen uit
en vergrijpt zich niet aan andermans goed.
Hij heeft genoeg aan eigen vrouw
en begeert niet de vrouw van een ander.
Van wijn en bedwelmende drank blijft hij verre
omdat ze de geest in de war brengen.

Hij denkt aan de Boeddha
en denkt na over de leer;
Hij koestert een liefdevol gemoed
dat naar de hemel voert.

Wanneer degene die naar het goede streeft,
de gaven die gereed gemaakt zijn
eerst aan de heiligen verdeelt,
ontstaat voor de gever een hoog loon.

Sariputta, de heiligen zal ik je tonen,
dus luister goed naar mij.

Of het nu een zwart of een wit rund is,
een rood of geelbruin kleurig,
gevlekt, met één kleur,
of de kleur van een duif, hoe het ook zij,
als het een goed getemde stier is
die krachtig als een lastdier dient,
met edele snelheid gaat,
alleen zo'n rund spant men aan,
en op de kleur let men niet.

Evenzo is het bij de mensen:
of zij krijgers, priesters of burgers zijn,
dienaren, schoonmakers of Candālas,
degene die onder al dezen
van welke kaste hij ook mag zijn,
zelfbeheersing heeft en deugdzaam is,
de waarheid spreekt en schaamte heeft;
die ontgaan is aan de geboorte, aan de dood;
het heilige leven helemaal vervullend,
wie zonder lasten en zonder boeien,
wie vrij van plichten, vrij van neigingen is,
een meesterkenner van alle dingen,
die zonder hechten de bevrijding ziet,
- op een dergelijke onbevlekte bodem
brengen gaven hoog loon.

Maar de onverstandige dwazen,
zonder inzicht en zonder kennis,
geven de gaven buiten de Orde
en zoeken niet de heiligen op.

Wie evenwel zulke heiligen vereren,
zulke waarachtig oprechte wijzen,
wier vertrouwen tot de Verhevene
diep geworteld en onwrikbaar is,
die gaan naar de hemel
of hier naar een hoge stand;
en geleidelijk zullen zij wijs
tot Nibbana aankomen."

*

Ud.VIII.6. Het dorp Patali
   In het laatste jaar van het leven van de Boeddha ging deze van Nalanda naar Pātaligāma, de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna.
   In Pataligama was een grote hal in het centrum van de stad. Daar onderwees de Boeddha de toegewijde inwoners van Pataligama in de leer. Hij zei o.a.:
   “Gezinshoofden, de immorele mens ontmoet door zijn gebrek aan deugdzaamheid vijf gevaren: a) groot verlies van rijkdom door zijn onoplettendheid; b) een slechte reputatie; c) een verlegen houding, een verstoord gedrag en gebrek aan zelfvertrouwen in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of van asceten; d) een dood in verbijstering; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een sfeer van ellende, in een ongelukkige staat, in de lagere wereld, tot zelfs in de hel.
   Maar, gezinshoofden, vijf zegeningen komen tot een oprecht mens door zijn uitoefening van deugdzaamheid: a) grote toename van rijkdom door zijn ijver; b) een gunstige reputatie; c) een zelfverzekerd gedrag zonder verlegenheid in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een onverstoorde dood; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een gelukkige staat, tot zelfs in een hemelse wereld.”
   Een groot deel van de nacht besteedde de Verhevene met het onderrichten van de toegewijde mensen van Pātaligāma in de leer. Hij stichtte en verblijdde hen. Daarna zond hij ze weg met de woorden: “De nacht is ver voortgeschreden, gezinshoofden; handelt nu zoals jullie passend vinden.” – “Ja, Heer.”
       En de toegewijde mensen van Pātaligāma stonden van hun zitplaatsen op, groetten de Verhevene vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend. En weldra na hun vertrek trok de Verhevene zich terug in afzondering.
       Op die tijd lieten Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha, een vesting bouwen te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis. In duizendtallen hadden godheden bezit genomen van huizen in Pātaligāma. Nu is het zo dat door godheden invloed uitgeoefend wordt op de geesten van ambtenaren. Godheden van grote, middelmatige en mindere macht beïnvloeden de geesten van ambtenaren van respectievelijk grote, middelmatige en mindere macht zodanig dat dezen er gebouwen laten oprichten.

   Met het hemelse oog dat zuiver is en dat het vermogen van mensen te boven gaat, zag de Verhevene die godheden in duizendtallen te Pataligama. En hij zei aan de eerwaarde Ananda  dat die vesting van alle handelscentra de belangrijkste stad zal zijn, met naam Pataliputta. Maar ze zal bedreigd worden door drie gevaren: vuur, water en onenigheid.”

       Toen begaven de hoofdministers Sunīdha en Vassakāra zich naar de Verhevene, groetten hem hoffelijk en wisselden vele aangename woorden. Zij gingen terzijde staan en spraken tot de Verhevene aldus: “Moge het de Eerwaarde Gotama behagen om samen met de gemeenschap van monniken onze uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen.” En door zijn zwijgen stemde de Verhevene toe.
   Sunīdha en Vassakāra vertrokken toen naar hun eigen verblijven en lieten er uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen klaarmaken. En toen het tijd was, deelden zij de Verhevene mede: “Het is tijd, Eerwaarde Gotama; de maaltijd is gereed.”
       Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam zijn nap en gewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Sunīdha en Vassakāra. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En Sunīdha en Vassakāra bedienden zelf de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Boeddha. En zij dienden hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen. Toen de Verhevene zijn maaltijd beëindigd had en zijn hand van de nap had weggenomen, namen zij lagere zitplaatsen en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene dankte hen met deze strofe:
   “Waar een wijs mens ook moge verblijven,
   laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,
   die vol zelfbeheersing het goede leven voeren.
   En wanneer hij aan deze waardige personen
   gaven heeft geschonken,
   deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.
   Aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer
   en zijn hem goedgunstig gezind,
   juist zoals een moeder is jegens haar eigen,
   haar enige zoon.
   En degene die aldus door de goden geliefd is
   en hun gunst geniet,
   ziet steeds geluk.”


*      Hier wordt men verzocht gaven te geven aan de deugdzamen en de verdiensten ervan over te dragen aan de goden. Dit gebruik gaat terug tot pre-boeddhistische tijden. Oorspronkelijk werd geld gegeven of een gave aan de priester als beloning voor zijn diensten. Nog tijdens het leven van de Boeddha veranderde dit. Benodigdheden voor monniken werden aangeboden en de verdiensten ervan werden overgedragen aan de overleden verwanten of aan de goden. (Gnanarama, Ven. Pategama. The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 150-151). De Eerwaarde Talawe Sangharata Thero, hoofd van de Pitaramba Tempel te Bentota, Sri Lanka, wees erop (brief van 28-06-1995) dat er goddelijke sferen zijn die dicht bij de menselijke sfeer zijn. Als wij verdiensten aan hen overdragen, worden zij nog gelukkiger. Zij vermijden moeilijkheden die door geesten over ons gebracht kunnen worden.

*

De laatste maaltijd van de Verhevene
 

   Dat elke gave aan de Boeddha een groot resultaat heeft, toont het verhaal over de laatste maaltijd van de Verhevene. Na die maaltijd werd hij (weer) ziek. Sommigen geven daarom de gever van die maaltijd de schuld van de ziekte van de Boeddha.
   In het laatste levensjaar van de Boeddha ging hij van Bhoganagara naar Pāvā. Daar woonde hij in het mango-park van de goudsmid Cunda. Die goudsmid vernam dat de Verhevene in zijn park vertoefde, ging naar de Verhevene toe, begroette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. Hij werd door de Verhevene onderwezen en verblijd met een gesprek over de leer.
   Daarna nodigde de goudsmid Cunda de Verhevene uit om samen met de gemeenschap van de monniken bij hem de maaltijd aan te nemen. De Verhevene stemde toe in stilzwijgen.
       In die nacht liet de goudsmid in zijn huis uitgelezen vaste en vloeibare spijzen toebereiden en ook een rijkelijke massa varkensragout. Daarna deelde hij dit de Verhevene mee met de woorden: “Heer, het is tijd; de maaltijd is klaar.” Daarop maakte de Verhevene zich in de morgen gereed, nam oppergewaad en nap en begaf zich samen met de gemeenschap van de monniken naar het huis van de goudsmid Cunda. Daar aangekomen ging hij op de gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En vervolgens zei hij tot de goudsmid Cunda: “Wat je daar aan varkensragout hebt laten klaarmaken, bedien mij daarmee; wat je evenwel aan andere vaste en vloeibare spijzen hebt laten klaarmaken, bedien daarmee de gemeenschap van de monniken.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord en deed wat hem verzocht was. Toen sprak de Verhevene tot Cunda: “Wat er aan varkensragout overblijft, Cunda, begraaf dat in een kuil. In de wereld met haar goden, haar Māras en haar Brahmas, in deze generatie met haar boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen zie ik niemand die deze ragout, na hem genoten te hebben, volledig zou kunnen verteren, uitgezonderd alleen de Volmaakte.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord. Wat er aan varkensragout overgebleven was, begroef hij in een kuil en daarna begaf hij zich naar de Verhevene. Hij begroette de Verhevene vol eerbied en ging terzijde neerzitten. (D.16; Ud. VIII.5)
   Cunda werd in de leer onderwezen. De Boeddha sprak tot hem over de vergankelijkheid in deze wereld van bestaan, en over niet-zelf. Rijkdom kan in armoede veranderen en gezondheid in ziekte, Jeugd maakt plaats voor ouderdom, sterkte voor zwakte. Er is geen ware vreugde in de wereld omdat alles leeg van zelfstandigheid is, onderhevig aan verandering en verval. Ook de wereld van de godheden is van een dergelijke aard. Door het afleggen van begeerte wordt vrede verkregen.
   Vervolgens verhief de Verhevene zich van zijn zitplaats en vertrok. (Uit het Mahāparinirvāna Sūtra, geciteerd in Khantipālo, Phra (comp.) The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhâsakathâ). A Life of the Buddha. Vol. 2. Bangkok 2530/1987, p. 353-354).

   Spoedig nadat hij de maaltijd van de goudsmid Cunda had genuttigd, werd de Verhevene door een zware ziekte getroffen met een stroom van bloed en met hevige, levensgevaarlijke pijnen. Maar de Verhevene verdroeg die volbewust, bezonnen, met onverstoord gemoed. Daarna ging hij op weg naar Kusināra. (D.16; Ud. VIII.5)
   Onderweg had hij nog een gesprek met Pukkusa van de stam van de Mallas. Toen deze was vertrokken, verscheen de huid van de Verhevene helder en stralend. Hij legde aan de eerwaarde Ānanda uit dat de huid van de Tathāgata buitengewoon helder en stralend verschijnt op de avond voordat de Tathāgata tot zijn uiteindelijke heengaan komt in de staat van Nibbāna waarin geen enkel element van hechten overblijft. En juist nu, in de laatste wacht van die nacht, zou de Verhevene in het sala-bosje van de Mallas, in de buurt van Kusināra, tussen twee salabomen, tot zijn parinibbana komen.
   Na deze uitleg ging hij samen met Ānanda en een grote groep van monniken naar de rivier Kakutthā. (D.16)
   Daar nam hij een bad en omdat hij moe was, ging hij neerliggen op zijn in vieren gevouwen oppergewaad.
   Toen sprak de Verhevene tot Ānanda: “Het zou kunnen zijn dat de een of ander de goudsmid Cunda met het verwijt kwelt: ‘Vriend Cunda, het is voor jou geen verdienste, maar daadwerkelijk een nadeel dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs heeft genuttigd, definitief is uitgedoofd.’ De goudsmid Cunda echter, Ānanda, moet van dat verwijt op de volgende manier ontbonden worden: ‘Vriend, dat strekt je lange tijd tot voordeel, dat strekt je waarlijk tot zegen, dat de Volmaakte, nadat hij je aalmoezenspijs had genoten, definitief is uitgedoofd. Want, vriend Cunda, uit de mond van de Verhevene heb ik het gehoord, heb ik het vernomen: ‘De vrucht en zegen van de aalmoezenspijs na het genot waarvan de Volmaakte definitief uitdooft in die staat van nibbāna waarin de elementen van hechten niet meer ontstaan is groter dan die van enige andere gave van voedsel. De eerwaardige goudsmid Cunda heeft met die daad verdiensten opgehoopt die tot lang leven leiden, tot schoonheid, welzijn, aanzien, tot hemelse wedergeboorte en tot macht.’ Op een dergelijke manier, Ānanda, moet de goudsmid Cunda van dat verwijt ontbonden worden.” En verder uitte de Verhevene toen de plechtige woorden:
   “Voor degene die geeft, nemen verdiensten toe;
   in wie zelfbedwongen is, hoopt geen haat zich op.
   Wie bekwaam is in deugd, vermijdt het kwade.
   En door het uitroeien van begeerte en haat
   en van alle illusie komt hij tot vrede.”


*   Dhammapāla en Buddhaghosa noteerden dat naar men zegt goden voedzame essentie in de varkensragout hadden gedaan. Daarom kon dat voedsel niet door anderen gegeten worden. (Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla. Vol. II. Oxford 1995 p. 1025; en An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 122). Het commentaar van An is dat aalmoezen die aan de Boeddha geschonken en niet door hem genuttigd zijn, niet door anderen gegeten kunnen worden. (An 2003, p. 122, noot 5). Zie hierover ook M.3 (M.I.12-13), in: Horner, I.B. (tr.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya). Vol. 1. The first fifty discourses (Mūlapannāsa). Oxford 2000, p. 17. Schneider merkte op dat de maaltijd met varkensvlees later als shockerend werd ondervonden en werd opgehemeld door een krachtvolle godenspijs, of tot paddenstoelengerecht werd vervormd, of zelfs helemaal verzwegen. (Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt 1980, p. 37).

**   Buddhaghosa noemde dysenterie als ziekte. (An 2003, p. 123). Dhammapāla geeft in zijn commentaar de volgende uitleg over de ziekte. Toen de Bodhisatta een arts was, genas hij de zoon van een rijke koopman. Maar om nog meer honorarium te krijgen, gaf hij hem verder kruiden die onnodige zuivering veroorzaakten. Ten gevolge van die daad kreeg de Bodhisatta in elk leven een bloederige diarree, juist zoals in zijn laatste leven na het nuttigen van Cunda’s maal. (Masefield 1995, Vol. II p. 635 (sub L).
   Geen van de Chinese versies vermeldt de ziekte van de Boeddha als gevolg van Cunda’s maaltijd, behalve één. Daarin wordt Cunda voor zijn maaltijd door de Boeddha geprezen waarna de laatste ziek wordt. (An 2003, p. 123 noot 2). Omdat de ziekte na de maaltijd in de meeste Chinese versies niet vermeld wordt, is aan te nemen dat door latere volgelingen van de Boeddha dit gedeelte is ingevoegd om de schuld voor die ziekte aan Cunda te geven.
   Masefield merkte op dat de ziekte die eerder te Beluva door de Boeddha was onderdrukt, weer opkwam na de maaltijd bij Cunda. Die ziekte was dus niet te wijten aan die maaltijd. Daarom zou de Boeddha gezegd hebben dat Cunda van blaam moest worden gezuiverd. (Masefield 1995 II, p. 914 noot 150).


* * * * *

49
Dana, geven - 02. Geven aan de Verhevene en de heiligen

   Geven aan monniken en heiligen brengt rijke vrucht. (S.III.24) Als men veel verdiensten wil verwerven, moet men gaven geven aan de heiligen, degenen die zich bevinden op een van de paden van heiligheid. Gaven aan hen gegeven dragen rijke vrucht. (S.XI.16; S.10.10 en S.10.11) En een gave aan een volmaakte heilige en aan een Boeddha brengt heel rijke vrucht. Zo wordt de gave voor de gevende tot zegen. (S.7.13)

   Heel uitvoerig beschreef de Boeddha dit in de twee volgende leerreden.

A.IX.20. Het beschouwen van de vergankelijkheid – de hoogste verdienste

   Te Sāvatthī, in het Jetavana klooster. De Verhevene sprak er tot gezinshoofd Anāthapindika.
   "Gezinshoofd, geeft men in jouw huis aalmoezen [aan bedelaars]?"
   "Heer, natuurlijk geeft men in mijn huis aalmoezen, en wel ruwe rode rijst, en als tweede een rijstsoep.
   "Gezinshoofd, of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het zonder eerbied en hoffelijkheid geeft, niet eigenhandig, als hij alleen afval geeft, zonder geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed waar de uitwerking van die gave ook intreedt, geen vreugde aan voortreffelijke spijzen, aan kostbare kleding en statige wagens, geen vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem niet, luisteren niet naar hem, zorgen niet voor hem. En wel omdat handelingen die zonder eerbied uitgevoerd werden, een dergelijk resultaat hebben.

   Of iemand iets ruws of iets fijns als aalmoes geeft, als hij het met eerbied en hoffelijkheid geeft, eigenhandig, geen afval, met het geloof in een vergelding, dan ondervindt zijn gemoed, waar de werking van die gave ook intreedt, vreugde aan voortreffelijke spijzen, kostbare kleding, statige wagens, vreugde aan de uitgelezen vijf zintuiglijke genietingen. En zijn kinderen, vrouwen, dienstpersoneel en arbeiders gehoorzamen hem, luisteren naar hem en zijn opmerkzaam. En wel omdat handelingen die met eerbied verricht werden, een dergelijk resultaat hebben.
 
   Gezinshoofd, eens leefde er een brahmaan met naam Velāma. Hij gaf de volgende gave, een geweldige gave: hij schonk 84000 gouden vaten gevuld met zilver, 84000 zilveren vaten gevuld met goud, 84000 bronzen schotels gevuld met kleinodien, 84000 met goud versierde  olifanten die met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 wagens die met leeuwen-, tijger- en pantervellen en gele woldekens overtrokken waren en met goud versierd, met gouden vlaggen en gouden netten bedekt waren, 84000 met zijde bedekte en met bronzen melkvaten behangen koeien, 84000 maagden die getooid waren met oorringen met edelstenen bezet, 84000 dekens van witte wol met franjes en met bloemen erin verwerkt, en rustbedden voorzien van mooie antilopenvellen, bovendekens, en met purperen kussens aan beide bed-einden, 84000 koti* gewaden uit het fijnste linnen, fijnste zijde, fijnste wol en katoen. Wat moet men dan nog zeggen over het eten en drinken, over de lekkernijen en dranken die er tevens in stromen vloeiden?
(*koti = 20 stuk)
   Gezinshoofd, je zult nu wel denken dat de brahmaan Velāma, die toen een dergelijke grote gave schonk, de een of andere vreemdeling is geweest. Maar dat moet je niet denken. Want de brahmaan Velāma, die toen die grote gave schonk, was ik. Maar bij het geven van die gave was niemand aanwezig die gaven waard was; niemand heiligde die gave.

   Veel verdienstelijker dan die grote gave van de brahmaan Velāma is het, wanneer men voedsel geeft aan iemand die inzicht heeft. [d.w.z. aan een in de stroom getredene].
   Nog veel verdienstelijker echter is het voedsel te geven aan honderd inzicht bezittenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een eenmaal wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd eenmaal wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een niet meer wederkerende. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd niet meer wederkerenden. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een heilige. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd heiligen. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan een Paccekaboeddha. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan honderd Paccekaboeddhas. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de Volmaakte, Heilige, volmaakt Verlichte. Veel verdienstelijker is het voedsel te geven aan de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Verlichte. Veel verdienstelijker is het wanneer men voor de gemeenschap van de monniken van alle vier windrichtingen een klooster opricht. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, diens leer en tot de gemeenschap van de monniken. Veel verdienstelijker is het wanneer men met een gemoed vol vertrouwen de regels van deugdzaamheid op zich neemt: vermijden van doden, van stelen, van seksueel wangedrag, van liegen en van bedwelmende middelen. Veel verdienstelijker echter is het wanneer men, al is het maar voor een handomdraai, een gemoed van liefdevolle vriendelijkheid opwekt. Maar het meest verdienstelijke van dit alles is het wanneer men het beschouwen van de vergankelijkheid oefent, al is het maar voor een ogenblik.

*

M.142. Dakkhināvibhanga sutta (M.142 = M.XIV.12)
   De Boeddha sprak tot zijn pleegmoeder Mahāpajāpati toen zij een paar gewaden die door haar zelf gemaakt waren, aan de Boeddha wilde aanbieden. Hij vroeg zijn pleegmoeder om de gewaden aan de Sangha aan te bieden. Hij somde 14 soorten op van donaties aan personen en 7 soorten van donaties aan de Sangha. Hij legde uit dat gaven aan de Sangha hogere verdiensten brengen.
   "Er zijn 14 soorten van persoonlijke gave.
1. Men geeft de Tathāgata, de Heilige en volmaakt Ontwaakte een geschenk.
2. Men geeft een Paccekaboeddha een geschenk.
3. Men geeft een arahant, leerling van de Tathagata, een geschenk.
4. Men geeft een geschenk aan degene die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van arahantschap.
5. Men geeft een niet meer wederkerende een geschenk.
6. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van niet meer wederkeer.
7. Men geeft een eenmaal wederkerende een geschenk.
8. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van eenmaal wederkeer.
9. Men geeft een in de stroom getredene een geschenk.
10. Men geeft een geschenk aan iemand die op weg is naar de vrucht van stroomintrede.
11. Men geeft een geschenk aan iemand die buiten de leer van de Boeddha staat en die vrij is van begeerte naar zingenot.
12. Men geeft een geschenk aan een deugdzame wereldling.
13.  Men geeft een zedeloze wereldling een geschenk.
14. Men geeft een dier een geschenk."

   "Wanneer men een dier een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100 keer van voordeel is. Wanneer men een zedeloze wereldling een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 1000 keer van voordeel is. Wanneer men een deugdzame wereldling een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100.000 keer van voordeel is. Wanneer men iemand die buiten de leer van de Boeddha staat en die vrij is van begeerte naar zingenot, een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave 100.000 maal 10 miljoen keer van voordeel is. Wanneer men iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van stroomintrede een geschenk geeft, kan men verwachten dat de gave onmetelijk, onmeetbaar van voordeel is. Wat moet dan nog gezegd worden over het geven van geschenken aan een stroomingetredene? Wat moet dan nog gezegd worden over het geven van geschenken aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van eenmaal wederkeer? Wat moet men dan nog zeggen over het geven van geschenken aan een eenmaal wederkerende, aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van niet meer wederkeer, aan een niet meer wederkerende, aan iemand die op weg is naar de verwerkelijking van de vrucht van arahantschap, aan een arahant, aan een Paccekaboeddha? Wat moet men dan nog zeggen over het geven van geschenken aan een Tathāgata, een Heilige en volmaakt Verlichte?"
   "Ananda, er zijn zeven soorten gaven aan de Sangha.
1. Men geeft een geschenk aan een Sangha van zowel bhikkhus als ook bhikkhunis, onder de leiding van de Boeddha.
2. Men geeft een geschenk aan een Sangha van zowel bhikkhus als ook bhikkhunis, nadat de Boeddha het definitieve nibbana bereikt heeft.
3. Men geeft een geschenk aan een Sangha van bhikkhus.
4. Men geeft een geschenk aan een Sangha van bhikkhunis.
5. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhus en bhikkhunis uit de Sangha voor mij."
6. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhus uit de Sangha voor mij."
7. Men geeft een geschenk met de woorden: "Benoem zo en zoveel bhikkhunis uit de Sangha voor mij."
   Ananda, in de toekomst zullen er personen in de Orde zijn die zedeloos zijn, met een slecht karakter. De mensen zullen aan die zedeloze personen geschenken geven omwille van de Sangha. Zelfs dan is een gave die tegenover de Sangha gebracht wordt, onmetelijk, onmeetbaar. En ik zeg dat onder geen omstandigheden een geschenk dat aan iemand persoonlijk is gebracht, ooit grotere vrucht brengt dan een gave aan de Sangha.

   Er zijn vier soorten van zuivering van een gave, en wel:
1. Er is de gave die door de gever gezuiverd werd, maar niet door de ontvanger.
2. Er is de gave die door de ontvanger gezuiverd werd, maar niet door de gever.
3. Er is de gave die niet door de gever noch door de ontvanger gezuiverd werd.
4. Er is de gave die zowel door de gever als door de ontvanger gezuiverd werd.
   (ad 1) Wat is de gave die door de gever gezuiverd werd maar niet door de ontvanger? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.
   (ad 2) Wat is de gave die door de ontvanger gezuiverd werd maar niet door de gever? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is deugdzaam, met een goed karakter.
   (ad 3) Wat is de gave die niet door de gever noch door de ontvanger gezuiverd werd? - De gever is zedeloos, met een slecht karakter; en de ontvanger is zedeloos, met een slecht karakter.
   (ad 4) Wat is de gave die zowel door de gever als door de ontvanger gezuiverd werd? - De gever is deugdzaam, met een goed karakter; en de ontvanger is  deugdzaam, met een goed karakter."
   Dit is wat de Verhevene zei. En daarna voegde hij nog de verzen toe:
   "Wanneer een deugdzame aan een zedeloze vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan zuivert de deugdzaamheid van de gever deze offergave.
   Wanneer een zedeloze zonder vertrouwen aan een deugdzame geeft wat oneerlijk is verworven, zonder erop te vertrouwen dat de vrucht van de handeling groot is, dan zuivert de deugdzaamheid van de ontvanger deze offergave.
   Wanneer een zedeloze zonder vertrouwen aan een zedeloze geeft wat oneerlijk is verworven, zonder erop te vertrouwen dat de vrucht van die handeling groot is, dan zuivert geen deugdzaamheid deze offergave.
   Wanneer een deugdzame aan een deugdzame vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan komt die gave tot volle rijpheid.
   Wanneer iemand die vrij is van begeerte aan iemand die vrij is van begeerte vol vertrouwen geeft wat eerlijk werd verworven, erop vertrouwend dat de vrucht van de handeling groot is, dan is deze gave de beste van de werelden."
   (Over zuiverheid van gaven is ook verhaald in: A.IV.78)

*

Koningin Mallika
   Dat een gave aan de Verhevene direct vrucht draagt, toont het volgende verhaal. Koningin Mallikā was de hoofdvrouw van koning Pasenadi. Zij was de dochter van een guirlanden-maker te Sāvatthi. Op zekere dag keerde zij terug van de bazaar met een cake. Die wilde zij in de bloementuin opeten. Maar zij zag de Verhevene met zijn gevolg aankomen op zijn tocht voor bedelspijs. Uit devotie gaf zij hem de cake. Op verzoek van de Verhevene spreidde Ānanda een oppergewaad uit waarop de Verhevene ging zitten en de cake nuttigde. De Boeddha zei toen glimlachend dat als gevolg van die daad Mallikā nog diezelfde dag de hoofdvrouw van de Kosala-koning zou worden.
   De koning was toen verslagen in een strijd tegen zijn neef te Kāsigāma. Hij kwam in de stad terug en ging de bloementuin binnen om er te wachten op een deel van de strijdkrachten. Toen Mallikā zag dat hij de koning was, verzorgde zij hem goed. De koning liet haar vader komen en maakte haar tot zijn hoofdvrouw. (Commentaar bij Ud. II, V.1, in: Masefield, Peter (tr.): The Udâna Commentary (Paramatthadîpanî nâma Udânatthakathâ) by Dhammapala. Vol. II. Oxford 1995, p. 729-731).

*

A.IV.190.  Uposatha dag

   Dat het veel waard is gaven te geven aan de gemeenschap van de monniken, toont deze leerrede.

   Eens verbleef de Verhevene in het oostelijke klooster te Savatthi, in de hal van Migaras moeder. Het toen een Uposatha dag. De Verhevene zat er temidden van de discipelen. De Verhevene overzag de geluidloze, zwijgende schare van discipelen en sprak tot hen:
   "Monniken, zwijgzaam is deze schare van discipelen, geluidloos, zuiver, gevestigd in het echte, in de kern, in het wezenlijke, in de ware gedaante van de leer. Deze bijeenkomst van monniken is van een dergelijke aard zoals men ze zelden in de wereld te zien krijgt. Zij is van een dergelijke aard dat zij offergaven waard is, gastgeschenken waard is, gaven waard is, waard is eerbiedig gegroet te worden, de beste bodem in de wereld voor goede werken. Zij is van een dergelijke aard dat bij haar zelfs een kleine gave groot is, een grote gave echter nog groter. Deze bijeenkomst van monniken is van een dergelijke aard dat het waard is om met reisproviand voorzien zelfs meerdere dagmarsen af te leggen om haar te zien.
   Er zijn monniken in deze bijeenkomst die als hemelse wezens vertoeven. Er zijn monniken  in deze bijeenkomst die als Brahma-goden vertoeven. Er zijn monniken in deze bijeenkomst die in onbeweeglijkheid vertoeven. Er zijn monniken in deze bijeenkomst die als heiligen vertoeven.
   Hoe nu vertoeft een monnik als hemels wezen? - Een monnik verkrijgt, helemaal afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame geestelijke toestanden, de eerste meditatieve verdieping die met denken en overwegen verbonden is, geboren in de afzondering, vervuld van vervoering en een gevoel van geluk. En hij vertoeft erin.
    Na het stil worden van denken en overwegen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, de tweede meditatieve verdieping die vrij is van denken en overwegen, die geboren is in de concentratie, vervuld met vervoering en een gevoel van geluk. En hij vertoeft erin.
   Na het opgeven van de vervoering vertoeft hij gelijkmoedig, oplettend, helder bewust, en hij ondervindt in zijn binnenste een geluksgevoel waarvan de edelen zeggen: "De gelijkmoedige, oplettende vertoeft gelukkig. Zo verkrijgt hij de derde meditatieve verdieping en vertoeft erin.
   Na het verdwijnen van behaaglijk gevoel en pijn en het al eerdere uitdoven van vreugde en verdriet, verkrijgt hij de leedloze-vreugdeloze vierde meditatieve verdieping die bestaat uit de volledige zuiverheid van gelijkmoedigheid en oplettendheid. En hij vertoeft erin.
   Monniken, zo vertoeft een monnik als hemels wezen.

   Hoe nu  vertoeft een monnik als een Brahma-god? - Een monnik doordringt met een geest die vervuld is van goedheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid de ene windrichting, evenzo de tweede, evenzo de derde en evenzo de vierde. Zo doordringt hij opwaarts en neerwaarts, in het midden,  in alle tussenliggende richtingen, overal, waarbij hij zichzelf in alles herkent, de hele wereld doordringend met een van goedheid, mededogen, medevreugde of gelijkmoedigheid vervulde geest, een wijde, omvattende, onmetelijke, vrij van haat en kwaadwil. Zo vertoeft een monnik als een Brahma-god.

   Hoe nu vertoeft een monnik in onbeweeglijkheid?  - Een monnik verkrijgt door volledige opheffing van lichamelijks-waarnemingen, door het verdwijnen van de voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, met de gedachte ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid. En hij vertoeft daarin.
   Door volledige overwinning van het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt hij dan met de gedachte ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid. En hij vertoeft erin.
   Door volledige overwinning van het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt hij met de gedachte ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer. En hij vertoeft erin.
   Door volledige overwinning van het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt hij het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. En hij vertoeft erin. Zo vertoeft een monnik in bewegingloosheid.

   Hoe nu vertoeft een monnik als heilige? - Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het ontstaan van lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid "Dit is het ontstaan van lijden." Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: "Dit is het pad dat voert naar de bevrijding van lijden." Zo vertoeft een monnik als heilige.
 
*

D.5.  Offergave met weinig moeite en groot resultaat
   Een offergave met weinig moeite en groot resultaat is het geven van de vier benodigdheden aan deugdzame monniken. Minder moeite en nog voorspoediger is het geven van een klooster aan de Orde. Nog beter is het 1) zijn toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha; 2) de vijf regels na te volgen; 3) vanuit het huiselijke leven naar het huisloze leven te gaan en het heilige leven te leiden met als resultaat Nibbāna. Het laatste overtreft alle andere offergaven.

*

S.III.24. Geven
     Volgens het commentaar (I.192.16 e.v.) verspreidde zich na de Verlichting van de Boeddha het gerucht dat hij de mensen vroeg voortaan alleen aan hem en zijn discipelen aalmoezen te geven en niet meer aan aanhangers van andere scholen. Koning Pasenadi geeft de Boeddha gelegenheid om in een openbare bijeenkomst waartoe de leraren van de andere scholen uitgenodigd zijn, dat gerucht te weerleggen.
   
   Te Savatthi. Koning Pasenadi vroeg aan de Verhevene wanneer men aalmoezen moet geven.
   De Boeddha: "Wanneer het hart er vreugde aan heeft."
   Pasenadi: "Wanneer draagt het gegevene rijke vrucht?"
   De Boeddha: "Wat iemand die deugdzaamheid beoefent, gegeven werd, draagt rijke vrucht; het is niet zo bij een ondeugdzame.
   Wat gegeven wordt aan iemand bij wie de vijf eigenschappen zijn verdwenen, de bhikkhu die vijf eigenschappen bezit, dat draagt rijke vrucht.
   De verdwenen eigenschappen zijn: begeerte naar zinnelijke lust; traagheid en slapheid; boosheid; hoogmoed en weifelen; twijfel.
   Hij is voorzien van de volgende eigenschappen:
(1) Met alles wat tot het begrip van de zedelijke discipline behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.
(2) Met alles wat tot het begrip geestelijke concentratie behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.
(3) Met alles wat tot het begrip inzicht behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.
(4) Met  alles wat tot het begrip bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.
(5) Met alles wat tot het wetende schouwen van de bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.
   Wat aan iemand bij wie die vijf eigenschappen verdwenen zijn en die met die vijf eigenschappen voorzien is, gegeven is, dat draagt rijke vrucht.
   Degene met inzicht zal diegene door gaven eren bij wie de eigenschappen geduld en liefdevolle vriendelijkheid ingeworteld zijn, de edele, ook als hij van lage komaf is.
   Hij zal kluizen oprichten en de goed onderwezen monniken daar laten wonen. Hij zal waterputten aanleggen in waterloze wildernis en wegen in ontoegankelijk gebied. Eten en drinken, kleren en bedden zal hij aan de rechtschapene geven met vroom hart.
   De wijze zal de monniken verkwikken met spijs en drank. Vreugde brengend deelt hij uit, met de woorden: 'geeft aalmoezen.' Deze rijke vloed van zijn verdienstelijke werken overstroomt de gever."

*

S.XI.16. De offeraar
    De Verhevene vertoefde te Rājagaha, op de berg Gijjhakūta.
Sakka, de koning der goden, ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde staan en vroeg:
   "De mensen die offergaven geven, die verdiensten willen verwerven, verdiensten als grondslag voor een beter bestaan: aan wie moeten zij offeren zodat het rijke vrucht draagt?"   
 
   De Verhevene gaf ten antwoord: "De mensen die offeren aan de vier die zich op het pad bevinden, die de vruchten ervan genieten, de oprechte gemeenschap die inzicht en deugdzaamheid heeft, zij die verdiensten willen verwerven als grondslag voor een beter bestaan, zij moeten aan de gemeenschap [van heiligen] gaven geven zodat het rijke vrucht draagt."

*

S.X.10.
   Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf toen te eten aan de bhikkhuni Sukkha. Een yakkha ging in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste had verkregen door zijn gave aan de bhikkhuni Sukka tot bevrijding van alle boeien.

*

S.X.11.
    Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos. Een lekenvolgeling gaf aan de bhikkhuni Cira voedsel. Een yakkha ging toen in Rajagaha rond en zei dat de lekenvolgeling veel verdienste verkregen had met die gave aan de bhikkhuni Cira, tot bevrijding van alle boeien.

*

S.X.9.
   Te Rajagaha. De Verhevene vertoefde er in een bamboebos. De bhikkhuni Sukkā preekte er de leer.  Een yakkha die de bhikkhuni gelovig toegedaan was, ging toen in Rajagaha rond en zei dat de mensen er niet aandachtig naar de bhikkhuni luisterden nu zij de weg naar onsterfelijkheid predikte. Men kon er niet genoeg van krijgen naar die leer te luisteren.
(Zie ook Therigāthā 54-55) 
[m.a.w. Zij spoorde de mensen aan naar de bhikkhuni te gaan en er te luisteren naar de gave van de leer].
*

A.II.36. Gaven waardig
   Vragen tussen het gezinshoofd  Anāthapindika en de Boeddha. 
   "Wie is gaven waardig, aan wie mag men gaven aanbieden ?"
   "Twee individuen zijn gaven waardig, namelijk degene die ijverig bij het onderricht is, die zich oefent in hoger onderricht, en degene die geen onderricht meer nodig heeft. 
   Degenen die oprecht zijn in hun daden, woorden en denken, zij zijn het zaaiveld voor de gever: daar brengt de gave rijk loon."

*

A.III.58. Het geven - Vacchagotta Sutta
   "Zelfs wanneer iemand de resten uit een kom of schotel in een poel of vijver ledigt met de wens dat de daarin zich bevindende wezens daarvan mogen eten, dan heeft hij daardoor al iets goeds gedaan. Maar hij doet nog veel meer goeds wanneer het gaat om menselijke wezens.
   Ook brengt datgene wat aan de deugdzame gegeven is, hoog loon. Dat is niet zo bij iemand die niet deugdzaam is. Want in de deugdzame zijn vijf eigenschappen (nîvarana) verdwenen en met vijf eigenschappen is hij voorzien.
   De eigenschappen die verdwenen zijn, zijn: begeerte naar zingenot; boosheid; starheid en traagheid; opgewondenheid en onrustig gemoed; twijfel.
   De eigenschappen waarmee hij is voorzien, zijn: de volheid van deugdzaamheid eigen aan de heilige; de volheid van concentratie eigen aan de heilige; de volheid van de wijsheid eigen aan de heilige; de volheid van de bevrijding eigen aan de heilige; de volheid van het inzicht der bevrijding eigen aan de heilige.
   Daarmee brengt het gegevene hoog loon bij iemand die van vijf eigenschappen bevrijd en van vijf eigenschappen voorzien is.”

*

Dhp.106
   Wanneer iemand honderd jaar lang elke maand duizend [geldstukken] offert, en een heilige slechts met een blik eert, dan is toch de verering van veel hogere waarde.

*

A.V.32.  Hoogste zegen  - Cundî Sutta
   Eens vertoefde de Verhevene in het bamboebosje nabij Rajagaha. Toen ging de vorstendochter Cundî met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:
   “Mijn broer prins Cunda beweert het volgende: 'Wie van de mannen of vrouwen zijn toevlucht genomen heeft tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en afziet van doden, van nemen wat niet is gegeven, van echtbreuk, van liegen en van het genot van bedwelmende drank, die verschijnt na de dood steeds in een gelukkige wereld, nooit in een ongelukkige.'  Ik vraag u nu, Verhevene, op welke aard van meester, welke aard van leer en welke aard van monnikengemeenschap vertrouwende, welke aard van regels van deugdzaamheid navolgende, verschijnt men na de dood steeds in een gelukkige sfeer van bestaan, nooit in een sfeer vol lijden?”
   “Cundî, wat er ook voor wezens bestaan, voetloze, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig  Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.
   Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde, als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging  van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.
   Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, d.z.w. de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen. [Hiertoe kunnen ook leken behoren.] Deze gemeenschap van volgelingen is offers waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is de beste bodem in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de volgelingen vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.” (tot hier zoals in A.IV.34)
   “Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeinvloed zijn en die de geestelijke
concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar is, vervullen, die vervullen het hoogste. En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen krijgen.”
   
   “Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,
   en de hoogste leer kent;
   wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,
   degene die de grootste eer waard is;
   wie vertrouwen heeft in de leer als de hoogste
   vredig geluk van onthechting;
   wie vertrouwen heeft in de[heilige] Orde als de hoogste,
   de besten bodem van goede werken;
   wie op deze drie vertrouwt,
   ook aan de hoogste gaven geeft,
   hem verwacht de hoogste zegen,
   hoge ouderdom, schoonheid, roem,
   geluk en kracht en hoog aanzien.
   Een wijze die aan de hoogste geeft,
   die toegewijd is aan de hoogste leer,
   zal als goddelijk wezen of ook als mens
   de hoogste vreugde deelachtig worden.

*

A.III.124  (A.III.13.1)  Bij Kusinârâ - Kusinâra Sutta
   Als men gaven geeft aan een monnik wiens gedachten vervuld zijn met begeerte, haat en nadeel, dan heeft die gave geen hoog resultaat.
   Als men gaven geeft aan een monnik die geen begeerte heeft, wiens geest vrij is haat, die vreedzaam leeft, de gave aan zo’n monnik brengt hoge vrucht. Want die monnik leeft serieus.

*

A. VI.37.  Zes voordelen bij het geven van aalmoezen
   Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavanaklooster te Savatthi. De lekenvolgelinge Nantamâtâ uit Velukantaka  gaf de gemeenschap van de monniken, met aan het hoofd de eerwaarden Sâriputta en Moggallâna, een met zes voordelen begeleide aalmoezenmaaltijd. De Verhevene zag dit met zijn bovennatuurlijk oog en zei tot de monniken:
   “Zes voordelen heeft deze gave van Nandamâtâ, drie voordelen voor de geefster en drie voor de ontvangers.
         De gever is al vóór het geven blijgestemd; tijdens het geven verblijdt zich de geest; na het geven voelt de gever zich tevreden.
   De ontvangers zijn aan de begeerte ontkomen of op weg aan de begeerte te ontkomen; ze zijn aan de haat ontkomen of op weg aan de haat te ontkomen; ze zijn aan de onwetendheid ontkomen of op weg aan de onwetendheid te ontkomen.
   Moeilijk kan men de verdienste van deze aalmoezengave meten. Het is - net zoals het water van de grote oceaan onmetelijk is - een grenzeloze, onmetelijke verdienste.
   Wanneer men zich vóór het geven verheugt, en blij gestemd is wanneer men geeft, en gelukkig is na het geven, dan is dat geven een winst.
   Degenen bij wie begeerte, haat en onwetendheid en alle neigingen zijn opgedroogd, die zelfbedwongen en kuis zijn, zij zijn het beste veld van de gaven.
   Wie, na zich goed gewassen te hebben, eigenhandig de gave brengt, hem of haar brengt een dergelijke gift in latere tijden hoog loon.
   Wie zo’n goede gave brengt, vrijgevig en vol vertrouwen, een wijs en verstandig mens, die gaat naar de leedloos-zalige wereld.”

*

A.IV.51. en A.V.45.  Stromen van verdienste
   In A.IV.51 worden vier stromen van verdienste genoemd; in  A.V.45 worden vijf stromen van verdienste opgesomd. De verdere tekst is in beide suttas gelijk.

   Er zijn vier (vijf) stromen van verdienste, stromen van het heilzame, zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename leiden, naar heil en zegen. Die vier (resp. vijf) stromen zijn:

   Een monnik vertoeft in de onbegrensde concentratie van het gemoed en met wiens gewaad hij gekleed is, wiens aalmoezenmaaltijd hij geniet, (wiens klooster hij bewoont), wiens slaapplaats (bed en stoel) hij gebruikt, wiens medicijnen hij gebruikt, de gever daarvan krijgt een onmetelijk grote stroom van verdienste, een stroom van het heilzame, een zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename voert, naar heil en zegen.
 
   Monniken, het is moeilijk de verdienste van de edele volgeling die met deze vier (vijf) stromen van verdienste, stromen van het heilzame beleend is, af te wegen en te zeggen hoe groot de stroom van verdienste, de stroom van het heilzame is, de zegenbrengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende, die naar het gewenste, verheugende, aangename voert, tot heil en zegen. Maar het is een onmetelijke, grenzenloze, geweldige volheid van verdienste.
   Juist zoals het niet mogelijk is om het water van de grote oceaan te meten en te zeggen hoeveel schepmaten water erin zijn, maar men het water erin als een onmetelijke, grenzenloze, geweldige massa water beschouwt, evenzo ook kan men bezwaarlijk de stroom van verdienste afwegen van iemand die met deze vier stromen van verdienste beleend is. Maar men rekent het gewoon als een onmetelijke, grenzenloze, geweldige volheid van verdienste.

   Zoals de rivieren, woonplaats van vele vissen, in grote getale in de zee uitmonden, in dat water dat zo onmetelijk groot is, dat veel kleinoden herbergt en veel verschrikkelijks, -
   evenzo vloeien de stromen van verdienste naar de mens toe die vol inzicht is, die voedsel, drank en kleding geeft, en dekens, slaapplaats, bed schenkt.

*

Dhp.107
   Wanneer iemand honderd jaar in het bos aan het vuur offert, en een heilige slechts met een blik eert, dan is toch de verering van de heilige van veel hogere waarde.

*

Dhp.108
   Wat iemand kan offeren om tot verdienste te komen, is niet het vierde deel waard van de groet voor de vrome.

*

A.V.199. De invloed van de zedenreine monnik
   Op een tijd wanneer zedenreine monniken naar een huis gaan, dan verwerven de mensen er grote verdienste om vijf redenen.      
   Wanneer de gedachten van de mensen blij worden bij het zien van een zedenreine monnik die naar hun huis komt, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar de hemel genomen.
   Wanneer de mensen een zedenreine monnik die naar hun huis komt, bedienen, hem vol eerbied begroeten en en een zitplaats aanbieden, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad genomen naar wedergeboorte in een hooggeplaatste familie.
   Wanneer de mensen bij het naderen van een zedenreine monnik naar hun huis de smet van gierigheid ontzeggen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar grote macht genomen.
   Wanneer de mensen aan een zedenreine monnik die naar hun huis komt,  naar beste vermogen gaven uitdelen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar groot vermogen genomen.
   Wanneer de mensen aan een monnik die naar hun huis komt, om uitleg vragen en naar de leer luisteren, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar hogere wijsheid genomen.
   Wanneer zedenreine monniken zich naar een huis begeven, dan verwerven de mensen er grote verdienste vanwege deze vijf redenen.

*

A.VI.59. De kieskeurige aalmoezengever
         Eens verbleef de Verhevene te Nadika. Een gezinshoofd, een houthandelaar, ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg hem:
   "Gezinshoofd, geeft men in jouw gezin aalmoezen?"
   Antwoord: "Heer, natuurlijk geeft men in mijn gezin aalmoezen, en wel aan zulke monniken die in het bos wonen, voor aalmoezen rondgaan, gewaden uit lompen dragen, en die heiligen zijn of zulke die zich op weg naar heiligheid bevinden."
    De Verhevene: "Gezinshoofd, jij leeft met een gezin, geniet de vreugden van de zintuigen, jij hebt een huis vol kinderen en gebruikt zeer fijn sandelpoeder, bloemen, geurwerken en cremes, je maakt gebruik van goud en zilver; jij zult toch wel moeilijk onderkennen wie een heilige is of wie zich op het pad naar heiligheid bevindt.
   Wanneer een monnik die in het bos woont, opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.

   Maar wanneer een monnik die in het bos woont, niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.
    
   Gezinshoofd, of een monnik nu in het dorp woont, of hij voor aalmoezen rondgaat of uitnodigingen aanneemt, of hij zich in zelfgemaakte lompengewaden kleedt of gewaden draagt die hij van de mensen heeft gekregen, wanneer hij opgewonden is, verwaand, onvast, praatziek, een onsamenhangende prater, zonder oplettendheid en zonder helderheid van weten, ongeconcentreerd, met een geest die heen en weer zwerft, en onbedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan berispt worden.
   Maar wanneer hij niet opgewonden is, niet verwaand, niet onvast, niet praatziek, geen onsamenhangende prater, maar oplettend, met helderheid van weten, geconcentreerd en met een geest die op één punt gericht is, bedwongen in zijn zinnen, dan moet hij juist op grond daarvan geprezen worden.

   Welaan, gezinshoofd, geef aalmoezen aan de gemeenschap van de monniken. Want dan zal je gemoed blijmoedig vertrouwen krijgen, en vol blijmoedig vertrouwen zul je na de dood in een hemelse wereld verschijnen."

   "Heer, vanaf vandaag zal ik aan de gemeenschap van de monniken aalmoezen geven."

* * * * *

50
Theravada Boeddhisme / Dana, geven - 01 . Het belang van geven
« Gepost op: 23-04-2016 06:35 »
Dana, geven -01. Het belang van geven

   In de leer van de Boeddha wordt dana, geven, vrijgevigheid als een grote deugd omschreven. In Thailand staat de deugd van geven, vooral geven aan de Sangha, hoog aangeschreven.
   
   Een belangrijke leerrede voor leken is het Maha mangala sutta, de leerrede over de grootste zegeningen (Sn. vv. 258-269). Als zegening nr. 6. wordt er genoemd edelmoedig en vrijgevig te zijn.

   Ook elders sprak de Boeddha over het belang van geven.

It.26. Geven - Dāna Sutta
   De Boeddha sprak: "Als de wezens het loon voor het verdelen van gaven zouden kennen zoals ik, dan zouden zij niets   genieten zonder iets ervan gegeven te hebben; en de smet van gierigheid zou hun hart niet omsponnen houden. Zelfs de laatste hap, de laatste brok zouden zij niet genieten zonder daarvan uit te delen indien zij een ontvanger ervoor hadden. Maar omdat de wezens het loon voor het uitdelen van gaven niet zo kennen zoals ik, daarom genieten zij ook zonder iets gegeven te hebben; en de smet van de gierigheid houdt hun hart omsponnen.

Als, zoals de Grote Ziener zegt,
het loon van het geven van gaven
en hoe groot de vrucht ervan is,
aan de wezens bekend was,

dan vermeden zij de smet van gierigheid
en gaven zij met heel opgewekt gemoed
aan de edelen, wanneer het passend was,
daar waar de vrucht het grootste is.

Degenen die rijkelijk voedsel gaven,
een offer voor de waardigen,
die mensen gaan na de dood
als gevers naar de hemel.
 
In de hemel verheugen zij zich
in het wensgenot van het loon
van degene die gaven gaf,
omdat zij hier niet gierig waren.
 
*

S.III.20  Goede werken
   Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens.

*

It.60. Verdienste - Puññakiriyavatthu Sutta
   De volgende drie dingen zijn een basis voor verdienste, namelijk:
het geven is een basis voor verdienste;
de deugdzaamheid is een basis voor verdienste;
de wijsheid is een basis voor verdienste.

Oefent u in verdienste,
in de beste vaardigheid naar welzijn.

Ontwikkel geven, juist gedrag
en een liefdevol gemoed.

Wie deze drie dingen koestert
die enkel met welzijn gezegend zijn,
hij of zij komt als wijze daardoor
in een veilige wereld die vol welzijn is.

*

   Ook aan Anathapindika heeft de Boeddha uitgelegd dat goede werken en edelmoedigheid veel aangename dingen brengen.


A.V.43.   Vijf gewenste dingen  - Ittha Sutta

   De Verhevene zei tot Anâthapindika:
   "Er zijn vijf gewenste, begeerde, aangename dingen, die moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk: 1) een lang leven, 2) schoonheid, 3) geluk, 4) eer en 5) hemelse wedergeboorte.
   Niet door gebeden en geloften verkrijgt men die vijf aangename dingen. Want als men ze door gebeden en geloften kon verkrijgen, wie zou dan ervan afzien?
   (1) Het is niet passend voor de edele volgeling die een lang leven wenst, dat hij daarom smeekt, daarin behagen vindt of er hevig naar verlangt. Om een lang leven te krijgen moet de ernaar strevende edele volgeling het pad volgen dat naar een lang leven voert. Want als hij dat pad volgt, zal hij een hoge ouderdom bereiken; en hij zal een lang leven krijgen, zij het in de hemel of als mens.
   (2-4) Het is niet passend voor de edele volgeling die schoonheid wenst, geluk wenst, eer wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om die dingen te verkrijgen moet hij het ernaartoe voerende pad begaan. Wanneer hij dat ernaar toe voerende pad begaat, dan zal hij schoonheid, geluk, en eer bereiken. Schoonheid, geluk en eer zal hij krijgen, zij het hemelse of menselijke.
   (5) Het is niet passend voor de edele volgeling die hemelse wedergeboorte wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om hemelse wedergeboorte te verkrijgen moet hij het ernaar toe voerende pad begaan. Wanneer hij over dat ernaar toe voerende pad gaat, dan zal hij hemelse wedergeboorte bereiken. Een leven in de hemelse
werelden zal hem ten deel vallen.

   Wie een lang leven wenst, schoonheid, wie naar eer en roem begeert en ernaar streeft, en ook wie naar hemels geluk en hoge stand streeft, wie zulke hoge goederen verlangt voor zich, hem geven wijzen deze goede raad:
   Men moet zich met ernstig streven oefenen in goede werken en in edele daden. Als men zo als een wijs man serieus streeft, zal men tweevoudig heil voor zich verwerven: in deze wereld en ook in het toekomstige bestaan.    
   Wie zo op zijn heil bedacht is, hem noemt men een wijze man.

   [NB. Dit geldt natuurlijk ook voor vrouwen].

*

S.III.19 voordelen van geven

   Een goed persoon met rijkdom verheugt zich over geven, over het delen van zijn bezit. En hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de samanas en brahmanen brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel voert. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de koning, noch door rovers, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd. (vgl. A.IV.61)

*
   Het geven begint al met het navolgen van de vijf regels van goed gedrag. Die vijf regels zijn in het kort: niet doden; niet stelen; zich onthouden van verkeerd seksueel gedrag; niet liegen; zich onthouden van alcoholische drank en drugs door welke onoplettendheid veroorzaakt wordt.
   Door die regels na te volgen geeft men veiligheid en zekerheid en neemt men angst weg. Men krijgt vertrouwen en schenkt vertrouwen.

   Maar vruchtbaarder dan het geven van materiele zaken is als men met een hart vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de heiligen, en als men de vijf regels van deugdzaamheid naleeft. (A.IX.20).

   Ook elders zei de Boeddha dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft. Als men edelmoedig is, vrijgevig, graag aan behoeftigen gaven geeft, dan verkondigen in alle hemelsrichtingen de asceten en priesters hun lof, en ook de godheden en bovenmenselijke wezens verkondigen hun lofprijzing. (A.III.80) En hij sprak het vers: "de geur van tagara, van jasmijn of van sandelhout gaat met de wind mee, waait niet tegen de wind in; maar de geur van de goeden waait tegen de wind in. De geur van de goede mens waait in elke richting." (A.III.80 en Dhp.54) 
*
   Uitvoeriger is in de volgende leerrede beschreven dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van  monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft.

*

A.VIII.39 De acht stromen van verdienste
   Er zijn acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die acht stromen zijn:
 
   De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste.

   Er zijn vijf gaven, grote gaven die bekend zijn als oorspronkelijk, aloud, traditioneel, niet verminderd in hun waarde nu zoals ook vroeger. Ze zijn niet in waarde gedaald en zullen gelijk in waarde blijven, onberispt door asceten en priesters met inzicht. Die vijf gaven zijn:

   De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de eerste gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vierde stroom van verdienste.

   Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de tweede gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vijfde stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de derde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zesde stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vierde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zevende stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de achtste stroom van verdienste.

   Dat zijn de acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen.
(vgl. A.IV.51 en A.V.45)

*
   Er zijn vijf soorten meesterschap, en wel: meesterschap in vertrouwen, deugdzaamheid, weten, vrijgevigheid en wijsheid. (A.V.91)

*
   Dat deugdzaam gedrag, waartoe ook geven behoort, veel verdienste brengt en ware rijkdom, toont o.a. het Nidhikanda Sutta. Het is het 8e gedicht in het Khuddhakapāta. Het gaat over het opslaan van ware rijkdom. Wereldlijke rijkdom is vergankelijk; de verdiensten die men verworven heeft in dit leven, gaan mee naar het volgende leven.

De verborgen schat
   Iemand verbergt een schat in een zeer diepe kuil met de gedachte: "Als in de toekomst nood komt, zal hij mij van nut zijn. Als ik door de koning aangeklaagd word of door een dief ben bestolen, of tot aflossing van een schuld, of in dure tijden en tegenslagen."
   Dat zijn de redenen waarom men iets wat in de wereld een schat genoemd wordt, verbergt.
   Te zelfder tijd echter is de hele schat die in de diepe kuil verborgen ligt, deze man van geen enkel nut.
   Ofwel verdwijnt de schat van zijn plaats of de gedachten van de man worden verontrust. Of slangengeesten (nāgā) verwijderen hem, of demonen (yakkhas) nemen hem weg.
   Of zijn vijanden en erfgenamen nemen de schat mee wanneer hij het niet ziet. Wanneer de morele verdienste uitgeput is, verdwijnt dit alles.
   Maar er is een goed verborgen schat die vrouwen en mannen bezitten op grond van hun weldadigheid, zelfdiscipline en beheersing. 
   In de heilige schrijn (cetiyamhi), in de gemeente, in het individu, in de vreemdeling, in moeder en vader of in de oudste broer is deze onneembare schat, een trouwe begeleider, goed verborgen.
   Wie de vergankelijke dingen heeft opgegeven, neemt hem [bij de dood] met zich mee.  Een schat die niet met anderen gedeeld wordt, die dieven niet kunnen stelen.
   Moge de standvastige goede werken doen; dit is de schat die hem begeleidt.
   Deze schat geeft aan goden en mensen alles wat zij verlangen; alles wat zij wensen wordt erdoor verkregen.
   Bekoorlijkheid, een klankvolle stem, schoonheid en een mooie gedaante, macht en glans; alles wordt erdoor verkregen.
   De heerschappij over een land, koninklijke waarde, het aangename geluk van wereldheerschappij en ook godenheerschappij bij de hemelse wezens; alles wordt erdoor verkregen.
   Menselijk geluk, iedere vreugde in de godenwereld en het volledige bezit van nibbana: alles wordt erdoor verkregen.
   Weten, bevrijding, zelfbedwang, nadat men, wijze levend, goede vrienden voor zich heeft gewonnen, wordt alles erdoor verkregen.
   De analytische kennis (patisambhidā), de bevrijdingen (vimokkhā), alle deugden van een heilige discipel, de Verlichting voor zich zelf en het niveau van een Boeddha: alles wordt erdoor verkregen.
   Zo is die schat, namelijk het bezit van morele verdienste, van grote magische kracht. Daarom prijzen de standhaftigen, de kundigen, de toestand van morele verdienstelijkheid.

*

A.IV.32.  De  vier gunsten
   Er zijn vier gunsten, namelijk geven, liefdevolle woorden, hulpvaardig gedrag en blijk geven van gelijkheid [met anderen]. (dit is gelijkmatig gedrag, onpartijdigheid, deelname aan vreugde en verdriet).
   "Geven, en ook zachtmoedige woorden, behulpzaam gedrag in deze wereld, broederlijkheid in alle dingen, hier en daar, waar het passend is, houden deze wereld bijeen, zoals de assen van een wagen.
   Als die gunsten er niet waren, zouden de kinderen voorwaar hun vader en hun moeder geen achting en eer betonen. Maar omdat de wijze deze gunst in de praktijk brengt, daarom verwerft hij echte grootte, en hem wordt ook lofprijzing ten deel.
   (De vier gunsten worden ook vermeld in A.IV.253, A.VIII.24 en A.IX.5)

   In A.IX.5 worden zij nader beschreven:

   Het beste van geven is de gave van de leer.
   Het beste van vriendelijke woorden is het iemand die ernaar verlangt en ernaar luistert steeds weer de leer te onderwijzen.
    Het beste hulpvaardig gedrag is degene zonder vertrouwen aan te moedigen tot het verkrijgen van vertrouwen en hem daarin te sterken en te vestigen; de zedeloze aan te moedigen tot het verkrijgen van deugdzaamheid en hem daarin te sterken en te vestigen; de gierigaard aan te moedigen tot het verkrijgen van vrijgevigheid  en hem daarin te sterken en te vestigen; degene zonder inzicht aan te moedigen tot het verkrijgen van wijsheid en hem daarin te sterken en te vestigen.
   Het beste blijk geven van gelijkheid is zich als een in de stroom getredene gelijk te noemen met een [andere] in de stroom getredene, zich als eenmaal wederkerende gelijk te noemen met een [andere] eenmaal wederkerende, zich als niet meer wederkerende gelijk te noemen met een [andere] niet meer wederkerende, zich als heilige gelijk te noemen met een [andere] heilige.
   Dit is de kracht van gunsten.

*
   Als de gunsten niet aanwezig zijn, kan ondankbaarheid het loon van geven zijn.

S.VII.14. Ondankbare kinderen
   Te Savatthi. De rijke brahmaan Dhanapala had uit goedheid zijn hele vermogen geschonken aan zijn vier zonen. In armoedige kleding ging hij naar de Verhevene die hem vroeg waarom hij zo armoedig gekleed was. De brahmaan vertelde dat hij door zijn zonen en hun vrouwen uit het huis gejaagd was. De Boeddha zei toen dat de brahmaan in de bijeenkomst als ook zijn zonen aanwezig waren, het volgende moest zeggen:
   "Ik verheugde me over hen toen zij geboren werden. Ik wenste hun bestaan. Zij en hun vrouwen jagen me weg. De bozen spreken me aan met "vadertje" maar zij, duivel in de gestalte van zonen, laten de oud gewordene in de steek. De grijze vader moet aalmoezen zoeken in de huizen van anderen. De stok is voor mij beter dan deze ontaarde zonen. Met de stok kan ik een woedende os of hond wegjagen, ik voel ermee of er een kuil is, en ik houd me ermee op de been als ik struikel."
    De brahmaan zei die woorden in de bijeenkomst van de brahmanen en zijn zonen brachten hem terug in het huis, gaven hem een bad en gaven hem goede gewaden.
   De brahmaan gaf gewaden aan de Boeddha die ze uit mededogen aannam. De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Verhevene.

*

S.I.44.  Redden door geven
   Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven wordt, is wel gered. Wat gegeven wordt, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven wordt. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel.
 
* * * * *

Pagina's: [1] 2