Toon bijdragen

Deze sectie stelt je in staat om alle bijdragen van dit lid te bekijken. Je kunt alleen de bijdragen zien waar je op dit moment toegang toe hebt.


Berichten - nico70+

Pagina's: [1] 2 3 ... 18
1

Beste,

De brahmanen dachten vroeger dat er een zelf, een onsterfelijk iets, de ziel, atman was. Zij meenden dat dit de bindende kracht was die alles regeert.
Maar de Boeddha onderwees dat er geen blijvend iets in een wezen te ontdekken is.

Vraag 1. Wat is het "ik"? - Antwoord: Het "ik" als een blijvend iets te beschouwen is een verkeerde mening. Er zijn alleen elementen die ontstaan en vergaan, afhankelijk van oorzaken.

Sommigen denken: "ik ben het lichaam," anderen denken: "ik ben de geest," weer anderen zijn van mening: "ik ben lichaam en geest samen."

Welk deel van het lichaam ben ik dan? Ben ik het hele lichaam samen? Wat als ik een lichaamsdeel verlies door ongeval of operatief ingrijpen? Is dan een deel van het "ik" weg?

Het lichaam is niet een eenheid. Het is een verzamelwoord voor de vele elementen waaruit het is samengesteld. En geen enkel element ervan is blijvend.
Het lichaam is oorzakelijk ontstaan. En het zal ook weer vergaan. Van het lichaam kan men niet zeggen dat "ik" het lichaam ben.

Evenzo met de geest. De geest is niet een eenheid. Het is een verzamelwoord voor de elementen denken, gedachten, gevoel, emoties, waarneming, bewustzijn, aandacht, oplettendheid, wilskracht e.d.
Die geestelijke elementen zijn allemaal ontstaan en zullen weer vergaan. Er is geen blijvend "ik" in te vinden.

         IK-LOZE OORZAAK: De Boeddha onderwees:

"Het lichaam is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van het lichaam, ook dat is niet-ik. Het lichaam dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Gevoel is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van gevoel, ook dat is niet-ik. Het gevoel dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Waarneming is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de waarneming, ook dat is niet-ik. De waarneming die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?

De formaties zijn niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de formaties, ook dat is niet-ik. De formaties die ontstaan zijn door iets dat zonder een ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?

Het bewustzijn is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van het bewustzijn, ook dat is niet-ik. Het bewustzijn dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?

Ze zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn? (S.XXII.20)

          Vorm is niet-blijvend; gevoel is niet-blijvend; waarneming is niet-blijvend; geestelijke formaties zijn niet-blijvend; bewustzijn is niet-blijvend;
          vorm is niet-zelf; gevoel is niet-zelf; waarneming is niet-zelf; geestelijke formaties zijn niet-zelf; bewustzijn is niet-zelf.
          Alle samengestelde dingen zijn niet-blijvend; alle verschijnselen zijn niet-zelf.

          ONTSTAAN VAN PERSOONLIJKHEID, VAN EEN "ik"

Door zich te identificeren met lichaam en/of geest ontstaat de mening "ik ben".

Men denkt: "Het lichaam met de zintuigen, het bewustzijn dat ontstaat ten gevolge van contact van een zintuig met een zintuiglijk waarneembaar object, het gevoel dat ontstaat ten gevolge van contact, het verlangen naar het waargenomen object, - dat is van mij, dat ben ik."

          OPHEFFEN VAN PERSOONLIJKHEID

Dit is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid voert, namelijk:

Men denkt: ‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het aanrakingscontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

[Zo is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid voert].

       Er is wel een individueel bestaan, maar er is geen blijvendheid in. Het "ik" is gewoon een verkeerde mening.

Vraag 2. Is het ik begrensd of afgescheiden? -Aangezien er geen ik is, aangezien er alleen een verkeerde mening over een ik bestaat, kan men niet zeggen dat het ik begrensd of afgescheiden is.

Met vriendelijke groeten
Nico


2
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 04-02-2019 06:56 »
Beste,

Bij het lezen van de vragen van Tissa-Metteyya (Sutta Nipata V.2) vond ik de zin: "Wie heeft de naaister overwonnen?"  In de voetnoten staat dan dat met naaister de begeerte is bedoeld.
Het beeld van de naaister wordt door de brahmaan Tissa-Metteyya gebruikt. Hij moet daarbij gedacht hebben aan de oud-indiase leer van de 'wereld-draad' of 'draad-atman' (sutr'atman).
Geciteerd werd er ook de Brhadadaranyaka-Upanisad(3,7): "Ken je die draad waardoor deze wereld en de andere wereld en alle werelden samengebonden worden? ... Wie die draad kent en de innerlijke leider ervan, ... die kent alles ... Wie de aarde ... innerlijk regeert, dat is jouw ziel, ... het onsterfelijke."
Uit het antwoord dat de Boeddha aan de brahmaan Tissa-Metteyya geeft, volgt dan dat de begeerte de echte naaister is, de bindende kracht.

Met vriendelijke groet
Nico


3
Theravada Boeddhisme / Re: Vertaling Sumanabuddhavaṃso
« Gepost op: 01-02-2019 14:12 »
Beste Dominique,

Tijdens het zoeken naar andere posten, kreeg ik uw vraag onder ogen. Ik ken de pali titel van het door u geciteerde werk niet. Maar als die in het Buddhavamsa staat, hebt u misschien iets aan de vertaling die staat op website
https://sites.google.com/site/legendenoverdebodhisatta/

Met vriendelijke groet
Nico
Is hier ook gepost op 07-01-2018 leven en leer van de Boeddha.

4
Beste,

In de leerrede over onrein voedsel onderwees de Boeddha duidelijk dat het eten van vlees of vis geen belemmering is om Nibbana te verwerkelijken. Maar een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten is wel een belemmering.
     Men hoeft dus als Boeddhist geen vegetarier te worden. Daarmee is de vraag van dit topic m.i. beantwoord.

Vriendelijke groet
Nico

5
Beste,

Dit topic begon met de vraag "Moet je als Boeddhist vegetarier zijn?"
Een antwoord op die vraag meen ik gevonden te hebben in Sutta Nipata II.2, verzen 239-252, Amagandha sutta.

Een brahmaan zegt er aan de Boeddha dat deze "onrein voedsel" eet. Met "onrein voedsel" wordt bedoeld voedsel dat niet overeenkomstig de traditie van de brahmanen verzameld wordt. 'Rein voedsel' is groenten en vruchten die in het wild groeien.
De Boeddha geeft als antwoord dat de brahmaan zelf 'onrein voedsel' nuttigt. Want de brahmaan eet rijstgerechten met vlees en gevogelte.
'Onrein voedsel' is volgens de Boeddha niet het eten van vlees of vis, maar wel:
- het kwellen en pijnigen van levende wezens. Stelen, liegen, bedriegen, nutteloze studies, seksuele omgang met de vrouwen van anderen.
- Het hebben van verkeerde meningen, onbeheerst zijn wat betreft zinnelijke genietingen.
- Als men ruw is, meedogenloos, achterbaks, een roddelaar die vrienden schade toebrengt, als men arrogant is, gierig, als men om niemand iets geeft, als men zonder respect is.
- Woede, hoogmoed, koppigkeid, vijandigheid, afgunst, grootspraak, trots, eigendunk, omgang met slechte mensen.
- Als men een slecht moreel gedrag heeft, als men ontkent dat men iets schuldig is, als men een huichelaar is.
- dat is 'onrein voedsel', niet het eten van vlees of vis.

Niet vasten, niet vlees of vis zuiveren iemand die nog twijfel heeft. Maar oprecht en mild moet men zijn, en niet meer gehecht aan iets.

Met vriendelijke groet
Nico

6
Controverse en verandering / Re: Nibbana is Samsara?
« Gepost op: 08-01-2019 19:31 »
Beste, 

Wat gebeurt er na de dood met een arahant ? De eerwaardeSariputta zei hierop: "Een antwoord op die vraag zou betekenen het onuitlegbare uit te leggen." (Zie AN. IV.174)

Nico7

7
Controverse en verandering / Re: Nibbana is Samsara?
« Gepost op: 07-01-2019 14:36 »
Beste,

In het topic: "de werelden van bestaan"  zijn de diverse sferen van bestaan beschreven
Over samsara-nibbana zal ik reageren als ik weer over een eigen laptop of computer beschik.
Tot begin mei.

Nico

8
Controverse en verandering / Re: Nibbana is Samsara?
« Gepost op: 07-01-2019 09:22 »
Beste,

Gevraagd werd in reactie 71 of de sferen van bestaan in de suttas vermeld zijn. In meerdere lerreden wordt gesproken over sferen van bestaan. Zo worden de hellen beschreven in Sutta Nipata iii.10, verzen 660-675.
De kwalen die er ondervonden worden, moeten m.i. niet letterlijk opgevat worden

Nico

9
Controverse en verandering / Re: Nibbana is Samsara?
« Gepost op: 05-01-2019 15:57 »
Beste Siebe,

Het woord "buddha" komt van het werkwoord "bujjhati" en betekent ontwaakt. Als zelfstandig naamwoord gebruikt heeft het woord buddha de betekenis van "de ontwaakte, de Verlichte."
Pali en Sinhalees zijn niet gelijk. Laat je niet op een dwaalspoor zetten door iemand die meent van taalkunde veel verstand te hebben.
Over de rest van deze posten later meer.

Nico 

10
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 20-12-2018 14:15 »
Beste,

De eerwaarde Thanissaro Bhikkhu wees erop dat de Boeddha geen antwoord gaf op de vraag of er een zelf is of niet.
De mening dat er een zelf is en ook de mening dat er geen zelf is, betekent dat men aan iets gehecht blijft.  Het is juist de bedoeling dat men onthecht wordt.
Door de weg van deugdzaamheid, concentratie en inzicht te gaan, krijgt men een toestand van innerlijk welzijn, een innerlijke vrede.  Dan komen geen vragen  meer of er een zelf is; dan vraagt men niet meer: "Wat is mijn zelf?"
Het denkbeeld van zelf-identificatie moet beetje bij beetje verwijderd worden totdat alle sporen van zelf-identificatie verdwenen zijn en er alleen een grenzeloze vrijheid overblijft.
Zo is de leer van anatta niet een "niet-zelf" leer, maar een "niet-zelf" strategie om dukkha door loslaten van de oorzaak ervan op te lossen. Zo wordt de hoogste gelukzaligheid verkregen. Dan vallen vragen over zelf, geen zelf of niet-zelf gewoon weg.
De leer van  de Boeddha is als een boot die ons naar de andere  oever brengt. Als die oever bereikt is, als de volledige vrijheid ervaren wordt, dan doet het er niet toe of er een zelf is of niet.

Met vriendelijke groet
Nico

11
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 27-11-2018 07:17 »
Beste,

Het is hier niet meer zo warm. Slechts 27 graden.


Nico

12
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 26-11-2018 13:55 »
Beste,

Het Zelf van de oepanisjads zou  overeenkomen met het anatman van de Boeddha. De zuivere leer van Atman zou zijn : "niet zus, niet zo," Volgens de oepanisjads is er dus wel een Zelf, al is dat niet te omschrijven. Zoals al uitgelegd kent het Boeddhisme geen zelf.
Citaat: ...in werkelijkheid leerden beide ... dat de ziel of het ego ... ingewikkeld ... is... - Dit is niet waar. Het Boeddhisme ontkent dat er een ego is, ontkent het bestaan van een ziel. Ingewikkeld lijkt alleen het verwijderen van de verkeerde mening dat er een ziel of ego is.

Vriendelijke groet
Nico

13
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 25-11-2018 16:50 »
Beste,

Dan wordt het tijd dat het atman van de oepanisjads eens duidelijk uitgelegd wordt. Anders blijft het verwarrend.

Nico

14
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 25-11-2018 12:38 »
Beste,

Geciteerd werd boven: "De klassieke boeddhistische stelling dat het Zelf net zo vergankelijk ... is ..."
Hier is duidelijk een misverstand, een niet begrijpen van de leer van de Boeddha.
De Boeddha onderwees niet dat het Zelf vergankelijk is, maar wel dat er helemaal geen Zelf is (en ook geen zelf met kleine letter). In Sutta Nipata V.16, vers 1119 onderwees hij: "Zie de wereld als leeg, wees steeds oplettend. Vernietig de visie dat er een zelf is, en je kunt de dood oversteken."
En in AN.I.25 onderwees hij: "Het is onmogelijk dat iemand met inzicht iets als een zelf beschouwt."

En wie oorzakelijk ontstaan duidelijk inziet, voor  hem of haar is duidelijk dat er geen zelf is.

Met warme groet
Nico

15
Controverse en verandering / Re: atman is anatman
« Gepost op: 24-11-2018 09:51 »
Beste,

Wat de brahmanen onder Atman verstonden in de tijd van de Boeddha, is me niet bekend. Ik heb me daar niet in verdiept. Wel weet ik dat de Boeddha meerdere uitdrukkingen in een andere betekenis gebruikte dan de brahmanen (zie AN. VIII. 11)
De Boeddha onderwees: "dit is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat is niet mijn zelf."
Zijn leer is een  middel om  aan de andere oever te geraken.
En het nadenken of er een zelf is of niet, leidt niet naar de andere oever, leidt niet naar de ware vrede, leidt niet naar vrijheid van lijden.
Van belang  is de bedoeling van de Boeddha in te zien, namelijk: laat los wat niet van jou is.
Wij moeten loslaten wat onaangenaam is; en wij moeten loslaten  wat aangenaam is. Pijn en leed en zorg en wanhoop  en verdriet zijn ontstaan, ze behoren ons niet toe. Eigen ze je niet toe, laat ze los. Het is niet "mijn" pijn.
Maar ook: vreugde en genot zijn ontstaan, behoren ons niet toe. Ook die moeten wij ons niet toe-eigenen, moeten ze loslaten.  Zo komt echte vrijheid.
De vraag of atman gelijk is aan anatman of in dezelfde betekenis gebruikt is, leidt niet naar de andere oever, leidt niet naar de ware vrijheid.

Met warme groet
Nico

16
Theravada Boeddhisme / Re: Sutta van de slang - Urgasutta
« Gepost op: 15-11-2018 18:57 »
Beste Dominique,

In vers 8 geeft Norman een heel andere vertaling dan gebruikelijk is.
Ikzelf geef de voorkeur aan de gebruikelijke vertaling, en wel omdat het commentaar ook uitgaat van <Die niet te ver ging, niet achterbleef (yo nāccasārī na paccasārī).>
   Commentaar: Door te sterk gespannen wilskracht onderhevig aan opwinding, 'gaat men te ver'; door te grote slapheid onderhevig aan traagheid 'blijft men achter'. Wanneer men op basis van het verlangen naar bestaan (bhava-tanhā) zich tot de pijn-ascese toewendt 'gaat men te ver'; wanneer men op basis van zintuiglijk verlangen (kama-tanhā) zich overgeeft aan het genot van de zintuigen 'blijft men achter'. Door de eeuwigheids-mening 'gaat men te ver'; door de vernietigings-mening 'blijft men achter'. Door klagen over het verleden 'gaat men te ver'; hopende op de toekomst 'blijft men achter'. Door meningen over het oerbegin 'gaat men te ver'; door meningen over de wereld-toekomst 'blijft men achter'. Degene die deze extremen vermijdt en het middenpad bewandelt, van hem wordt gezegd dat hij 'niet te ver gaat en niet achterblijft'."

Met vriendelijke groet
Nico


17
Theravada Boeddhisme / Re: Sutta van de slang - Urgasutta
« Gepost op: 15-11-2018 11:33 »
Beste Dominique,

Ik heb de Engelse vertaling van K.R. Norman in het Nederlands vertaald. Ze wijkt op meerdere punten af van wat jij schreef. Norman is een heel grote deskundige op het gebied van Pali.
Later zal ik ook vertalingen van anderen erbij betrekken.

sutta nipata 1. de slang


1. De monnik die zijn boosheid bedwingt wanneer ze is ontstaan, 
zoals men met kruiden slangengif verdrijft 
dat zich door het lichaam heeft verspreid, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

2. De monnik die hartstocht volledig heeft afgesneden, 
zoals men een lotus met bloem en stengel samen afneemt, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

3. De monnik die begeerte volledig heeft afgesneden, 
zoals iemand die een snel vlietende stroom opdroogt, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

4. De monnik die eigendunk volledig heeft uitgerukt, 
zoals een grote vloed een zeer zwakke  bamboebrug uitrukt, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

5. De monnik die geen enkele essentie heeft gevonden in [vormen van] bestaan,
zoals iemand die op vijgenbomen een bloem zoekt (maar ze niet vindt), 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

6. De monnik in wie innerlijk geen boosheid is, 
en die de staat van (wedergeboorte in) dit of dat bestaan te boven is gekomen,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

7. De monnik wiens (verkeerde) gedachten zijn opgebrand, 
innerlijk goed afgesneden, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

8. De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden, 
en die deze gevarieerde wereld heeft overschreden,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

9. De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden,
wetende met betrekking tot de wereld dat dit alles onwerkelijk is,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

10.  De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden,
wetende dat dit alles onwerkelijk is, vrij van begeerte,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

11. De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden,
wetende dat dit alles onwerkelijk is, vrij van hartstocht,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

12. De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden,
wetende dat dit alles onwerkelijk is, vrij van haat,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

13. De monnik die niet heeft overtreden noch (een ander) aanzet om te overtreden,
wetende dat dit alles onwerkelijk is, vrij van waan,
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

14. De monnik in wie geen latente neigingen zijn, 
bij wie de onheilzame wortels vernietigd zijn, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

15.De monnik in wie niets uit nood geboren is, 
hetwelk oorzaak is voor terugkeer naar de lage oeverkant, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

16. De monnik in wie niets geboren is uit verlangen, 
dat oorzaak is voor binding  aan bestaan, 
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.

17. De monnik die de vijf hindernissen achter heeft gelaten, 
hij is zonder aandoening, heeft twijfel overschreden, is zonder prikkel,   
hij laat deze en gene kant van de oever achter, 
zoals een slang zijn oude, versleten huid achterlaat.


Met vriendelijke groet
Nico

18
Theravada Boeddhisme / Re: Sutta van de slang - Urgasutta
« Gepost op: 14-11-2018 21:39 »
Beste Dominique,

Van het Sutta Nipata heb ik al meerdere teksten vertaald. En ik wil dat werk in de komende maanden (jaren?) afmaken. Maar er gaat veel tijd in zitten omdat ik ook het commentaar erbij doe.

Ter vergelijking met jouw tekst hier al vers 1 van Sn. I.1. De slang (Uraga-Sutta)
1
De monnik die zijn toorn*1] verdrijft, zodra die is ontstaan,
zoals men met kruiden slangengif [verdrijft] wanneer het zich verspreid heeft [in het lichaam],
een dergelijke monnik geeft beide kanten op*2] *3]
zoals een slang de oude versleten huid.*4]
_____
*1]  Toorn (kodha) verdwijnt volgens het commentaar pas op het ‘pad van niet wederkeer’ (anāgāmī-magga), namelijk met de dan pas voltooide volledige verwijdering van de 'haat-boei' (byāpāda-samyojana).

*2] “beide kanten” (ora-pāra): volgens het commentaar strekt deze term zich uit tot [1] de eigen en vreemde persoonlijkheid, [2] de zes innerlijke en zes uiterlijke zintuiglijke fundamenten, [3] de mensenwereld en de godenwereld, [4] zinnelijk, fijnlichamelijk en onlichamelijk bestaan. - Hiermee wordt al direct aan het begin, en met de nadruk op de plechtig herhaalde keerverzen, een van de basismotieven van het Sutta-Nipata bekend gemaakt, namelijk het overwinnen van de tegenstellingen.
Ora-pāra betekent oorspronkelijk '(de oever) aan deze kant en aan de andere kant' en in deze zin wordt het in de meeste Duitse en Engelse vertalingen van deze tekst weergegeven.
Het heeft echter ook de eveneens veel voorkomende betekenissen van 'onder - boven', 'laag - hoog'. In deze laatste betekenis, als het lagere en hogere, is het synoniem met twee andere paarbegrippen, parovara en uccavaca, die tot de karakteristieke woordenschat van het Sutta-nipāta behoren en in het commentaar meestal op dezelfde manier worden uitgelegd  als hierboven ora-pāra.
   Alle drie paarbegrippen betekenen dus in het Sutta-Nipāta de tegenovergestelde of verschillende dingen (in het commentaar bij het Vimanavatthu wordt uccāvaca uitdrukkelijk uitgelegd als vividha = verschillend, uiteenlopend), ofwel met betrekking in het algemeen tot de wereld van veelheid en tegenstellingen, zoals in ons vers, ofwel met betrekking tot afzonderlijke gevallen.
Een vertaling van ora-pāra met 'lager en hoger' zou daarom niet alleen mogelijk maar ook woordelijk zijn, en zou in ieder geval de voorkeur hebben boven het misleidende 'aan deze kant en aan de andere kant'.
Beide vertalingen zouden echter niet de brede reikwijdte van de bovenstaande commentariële toelichting duidelijk maken, die zich niet alleen uitstrekt over het hier en daar, hoog en laag, aan deze kant en aan de andere kant, maar ook over binnen en buiten, eigen en vreemd, ver en dichtbij enz.
Voor het begrijpen van de gedachtewereld van het Sutta-Nipāta is het belangrijk dat al deze betekenissen in overweging worden genomen. Er werd daarom de voorkeur gegeven aan 'beide kanten', een vertaling die woordelijk vrijer is maar die trouw is aan de betekenis ervan, waarin overigens ook het oorspronkelijke beeld van de 'twee oevers' meeklinkt.

*3] Norman heeft: 'laat deze oever en de andere oever achter'

*4] “Zoals een slang de oude versleten huid.” - De gelijkenis van het afstropen van de huid van de slang wordt in het commentaar op de volgende manier uitgelegd: "Het afstropen van de huid heeft plaats op grond van vier omstandigheden: 1. op grond van de eigen soort-gesteldheid (jāti, afkomst, geboorte), 2. door afschuw, 3. door ondersteuning, 4. door inspanning.
"Eigen soort-gesteldheid" betekent: afstamming van de slangen en lang-gestrekte lichaamsbouw.
In vijf opzichten zijn de slangen gebonden aan hun soort-gesteldheid: wat betreft  [1] geboorte, [2] dood, [3] in de diepte van hun slaap, [4] in het paren met de eigen soort, en [5] in het afstropen van de versleten huid.
Wanneer een slang de oude huid afstroopt, dan doet zij het vanwege de soort-gesteldheid.
En omdat het afstropen van de huid gegrond is in de soort ervan, doet zij het met afschuw (tegen de oude huid).
Wanneer zij namelijk de ene helft van de oude huid heeft afgestroopt, maar de andere helft nog aan haar hangt, dan voelt ze daarvoor walging.
Terwijl zij zo walging ondervindt steunt zij op een tak, een wortel of een steen. Met een dergelijke steun wendt zij alle kracht en inspanning aan en met de staart gekromd, de adem uitstotend, haar kuif uitstrekkend, gooit zij de rest van de huid weg en gaat waarheen zij wil.
Evenzo is het met die monnik die bereid is de 'twee kanten' op te geven. Ook zijn opgeven geschiedt op grond van vier omstandigheden: 1. vanwege de eigen afstamming (jāti), 2. uit afschuw, 3. met steun, 4. door inspanning.
De 'eigen afstamming' van de monnik is namelijk de zedelijkheid die bedoeld wordt met de woorden 'in edele afstamming geboren' (ariyāya jātiyā jāto, Majjh. 86).
Op basis van deze 'eigen afstamming' van hem krijgt de monnik - net zoals de slang tegen de oude, versleten huid - afschuw tegen de 'twee zijden' (orapāra) die bestaan in de eigen en vreemde persoonlijkheid, enz. (zie boven), doordat hij daarbij namelijk de ellende (bij de verschillende groepen van paren) ziet.
Met de steun van edele vriendschap schept hij in zichzelf de hoogste inspanning, namelijk de factor van het pad 'juist streven': 'Overdag zuivert hij, heen en weer lopend, de geest van remmende dingen. , . ' (Majjh. 107); in de zin van dit tekstgedeelte dag en nacht in zes perioden verdelend, vecht en streeft hij. Zoals de slang haar staart krom maakt, zo gaat hij kruiselings zitten. Zoals de slang haar adem uitstoot, zo vecht deze monnik met grote inspanning. Zoals de slang haar kuif breder maakt, zo maakt hij voor zich uitbreiding van zijn kennis.
Zoals de slang op de beschreven manier haar oude huid opgaf, zo geeft de monnik op een dergelijke manier 'beide kanten' op.
Zoals de slang, van de oude huid ontdaan, daarheen gaat waarheen zij wil, zo gaat deze van lasten bevrijde monnik in de richting van het Nibbāna-gebied dat vrij is van elke rest van hechten."

geraadpleegde bronnen


   Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.): The Khuddakapātha - Dhammapada - Udāna - Itivuttaka - Suttanipāta (Khuddhakanikāya. Vol. I). [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).
   Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism.  Wiesbaden : Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).
   Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984. 
   Norman, K.R. (tr.) The Group of Discourses (Sutta-Nipâta), Vol. II. Oxford : PTS, 1992. (Pali Text Society Translation Series No. 45). (Revised transl. with introduction and notes).
   Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6). 
   

Met vriendelijke groet
Nico

19
Over dit forum / Re: Interview voor iedereen.
« Gepost op: 06-11-2018 20:43 »

Beste Leora Rodermond,

Hoewel wat laat hoop ik dat je nog iets kunt doen met de antwoorden op je vragen.

1.   Wat betekent het boeddhisme voor u? - Het Boeddhisme is een levenswijze en denkwijze die heel goed bij mij past. Ik ben heel blij ermee dat ik met de leer van de Boeddha kennis heb gemaakt.
2.   Hoe is het begonnen? - Ongeveer 60 jaar geleden (ik zat toen nog op een gymnasium geleid door katholieke paters) begon ik me meer te interesseren voor Aziatische godsdiensten omdat ik in de katholieke leer toch wel meerdere onvolkomenheden zag. Na een korte verkenning in mohammedaanse, hindoeïstische en boeddhistische geschriften koos ik voor de leer van de Boeddha. Hij legt alles goed uit; hij zegt wat we moeten doen om gelukkig te worden; en hij zegt ook waarom wij dat moeten doen. Door gelukkige omstandigheden maakte ik op Sri Lanka tijdens een korte vakantie daar kennis met de Buddhist Publication Society. De publicaties ervan zijn heel begrijpelijk geschreven en zo kreeg ik een goed begrip van de leer van de Boeddha.
3.   Hoelang bent u al boeddhist? - Ik ben nu ongeveer 55 jaar een bekennend Boeddhist.
4.   Bezoekt u wel eens een tempel? - Ik bezoek regelmatig een tempel.
5.   Gelooft u in het hiernamaals? - Als je met hiernamaals bedoelt of ik geloof dat er na de dood een leven mogelijk is in een hemel of in een hel of in een wereld van ongelukkige geesten, dan moet ik ja zeggen. Maar dat hiernamaals is niet eeuwig; het is een tijdelijke sfeer van bestaan.
6.   Heeft u Boeddha beelden thuis? - Ik heb meerdere Boeddhabeelden thuis. Eén ervan heb ik gekocht, de andere beelden kreeg ik als geschenk.
7.   Doet u elke dag iets aan het Boeddhisme? - Ja, ik mediteer elke dag. En ik lees ook nog veel over het leven en de leer van de Boeddha.
8.   Zijn er nog meer mensen in uw omgeving Boeddhistisch? - In mijn omgeving zijn meerdere mensen volgelingen van de Boeddha. De meesten van hen komen uit Thailand.
9.   Kan je in het Boeddhisme ook biechten, en om vergeving vragen na een slechte daad? - Men kan in het Boeddhisme niet biechten zoals dat bij de Katholieken gebruikelijk is. Maar vergeving vragen kan men natuurlijk wel.
10.   Hoe is het om al boeddhist in onze samenleving te leven? - Gewoon; niemand merkt dat ik een Boeddhist ben.
11.   Stamt uw naam van het boeddhisme af? - Neen, mijn grootvader heette zo, en daarom kreeg ik die naam.
12.   Bent u Nederlands, zo niet, hoe bent u dan in Nederland terecht gekomen? - Ik ben geboren en getogen in Nederland.
13.  Hoe ziet een gewone dag van een boeddhist eruit? - Ik denk dat die net zo is als bij andere mensen: eten, werken, slapen. Alleen besteed ik wat tijd aan meditatie, schrijven of lezen.
14.   Heeft het boeddhisme ook eetgewoontes? - Voor zover ik weet heeft het Boeddhisme geen eetgewoontes. Er zijn wel regels wat het eten betreft voor de monniken. Maar de leek kan eten wat hij of zij wil.

Met vriendelijke groet
Nico


20
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 06-11-2018 19:29 »
Citaat
Zie je problemen, heb je bezwaren, zie je tegenstrijdigheden met de Pali sutta's?

Beste Siebe,

Ik heb het er een beetje moeilijk mee hoe jij dat uitlegt. Inderdaad moeten de vlekken van de geest verwijderd worden om een zuivere geest te krijgen. Maar bedoel je met het ongeconditioneerde dat er een zelfstandig iets in een levend wezen is dat steeds "meeverhuist" van het ene naar het andere leven? 
In het topic "Oorzakelijk ontstaan", reactie 22 is het volgende geciteerd:
Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet “ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”
   Hij of zij vraagt dan ook niet “zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

   Hij vraagt dan ook niet “ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”
   Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38)

Dit betekent dat het denken in een "ik-vorm" geheel en al is opgegeven, omdat men duidelijk het oorzakelijk ontstaan van alles ziet.
Het ongeconditioneerde zie ik als een gemoed (hart, geest, citta) dat geen enkele neiging meer heeft, noch naar links, noch naar rechts, noch naar voren, noch naar achteren, naar geen enkele richting. Het is onbewogen.
Ik weet niet of jij ook zo erover denkt.

Groeten
Nico

21
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 05-11-2018 19:48 »
Beste

Bedankt voor de uitleg

Nico

22
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 05-11-2018 13:38 »
Beste,

   In het Siebisme, een moderne stroming in het Boeddhisme, is vaak sprake van het ongeconditioneerde.
   Toen geopperd werd dat bij de Verlichting de geest niet alleen begrijpt dat er geen vaststaand ik is, en dat een ik er nooit is geweest op enig voorafgaand moment, kwam het ongeconditioneerde weer eens ter sprake. Het zou al aanwezig zijn.
   Wat verstaat het Siebisme onder het ongeconditioneerde? Zou de stichter ervan, die gelukkig nog in leven is, ons kunnen uitleggen wat hij onder het ongeconditioneerde verstaat?

Met vriendelijke groet
Nico

23
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 03-11-2018 20:41 »
Beste Siebe,

Als je dankzij goede vrienden en goede leraren ver in de leer gevorderd bent na meer dan 25 jaar beoefenen van inzichtmeditatie, dan is niet ieder antwoord aangeleerd. Dan zou ook wel eens sprake kunnen zijn van inzicht uit eigen ervaring.


Groeten
Nico



24
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 03-11-2018 18:18 »
Beste Siebe,

Dat komt door verkeerd denken. Het is het doel van de leer van de Boeddha dat men juist inzicht in de werkelijkheid krijgt.

Groeten
Nico

25
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 03-11-2018 00:45 »
Beste Maarten

Dat heb je goed begrepen

Nico

26
Controverse en verandering / Re: offtopic IK
« Gepost op: 02-11-2018 12:08 »
Beste,

In het kort: wat wordt wedergeboren is het bewustzijn "dat ben ik".  Bewustzijn is de verbindende schakel. Als ik een foto zien van toen ik pas geboren was, dan komt de gedachte: "Dat ben ik".  En als ik een foto zie van toen ik een jonge man was, ook dan komt de gedachte: "Dat ben ik".  En als ik nu een foto zie hoe ik als oude man voortstrompel, ook dan komt de gedachte: "Dat ben ik." Wie van dezen ben ik?
De Boeddha ontdekte de waarheden van oorzakelijk ontstaan, van het zijn zonder blijvende kern (anatta), van het vergankelijke (anicca).
     Door het inzien van deze waarheden wordt de persoonlijkheid opgeheven. Dat wil  niet zeggen dat er dan geen bestaan meer is. Maar het denken in termen van "ik" en "mijn" verdwijnt. De oorzaken worden duidelijk ingezien.

Groeten
Nico


27
Theravada Boeddhisme / Re: precieze tekst karanīya mettā sutta
« Gepost op: 30-10-2018 22:52 »
Beste Maarten,

Voor enkele Thaise tempels in Nederland, België en Duitsland heb ik meerdere Pali teksten vanuit het Engels in het Nederlands vertaald. Bij die teksten is ook het karaniyā metta sutta - De leerrede over liefdevolle vriendelijkheid, welwillendheid. (Sn verzen 143-152). De transcriptie van het Pali in een europese taal verschilt af en toe. Ik heb twee versies hier genoteerd.

De Pali teksten die ik heb, luiden als volgt:

karanīyam atthakusalena,
yamtam [yan tam] santam padam abhisamecca,
sakko ujū ca sūjū ca,
suvaco cassa [c'assa] mudu anatimānī,

santussako ca subharo ca,
appakicco ca sallahukavutti;
santindriyo [sant'indriyo] ca nipako ca,
appagabbho kulesu ananugiddho.

na ca khuddam samācare kiñci,
yena viññu pare upavadeyyum.
sukhino vā khemino hontu,
sabbe sattā bhavantu sukhitattā. [sukhit'attā]

ye keci pānabhūtatthi,[pāna-bhūt'atthi]
tasā vā thāvarā vā anavasesā,
dīghā vā ye mahantā vā,
majjhimā rassakā anukathūlā, [anuka-thūlā]

ditthā vā ye ca aditthā,
ye ca dūre vasanti avidūre,
bhūtā vā sambhavesī vā,
sabbe sattā bhavantu sukhitattā, [sukhit'attā]

na paro param nikubbetha,
nātimaññetha katthaci mam kiñci,
byārosanā patighasañña, [vyārosanā patigha-sañña]
nāññamaññassa dukkhamiccheyya [nāñña-m-aññassa dukkham iccheyya]

mātā yathā niyam puttam,
āyusā ekaputtam [eka-puttam] ānurakkhe,
evampi sabbabhūtesu [evam pi sabba-bhūtesu]
mānasambhāvaye aparimānam. [mānasam bhāvaye aparimānam].

mettañca sabhalokassamim, [mettañ ca sabha-lokasmim]
mānasambhāvaye aparimānam. [mānasam bhāvaye aparimānam.]
uddham adho ca tiriyañca, [tiriyañ ca]
asambādham averam asapattam.

titthañcaram [titthañ caram] nisinno vā,
sayāno vā yāvatassa vigatamiddho, [vigata-middho]
etam satim adhittheyya
brahmametam vihāram idhamāhu, [brahmam etam vihāram idha-m-āhu

ditthiñca anupagamma sīlavā,           [ditthiñ ca anupagamma
dassanena sampanno,                      [sīlavā dassanena sampanno,
kāmesu vineyya gedham                  [kāmesu vineyya gedham
na hi jātu gabbhaseyyam punaretīti.  [na hi jātu gabbha-seyyam punar etī ti.

Met vriendelijke groet
Nico

28
Meditatie / Re: Inzichten van de afgelopen dagen
« Gepost op: 09-10-2018 18:37 »
Beste Maarten,

Het is absoluut niet mijn bedoeling om te redetwisten.

Nico

29
Meditatie / Re: Inzichten van de afgelopen dagen
« Gepost op: 09-10-2018 00:36 »
Citaat
En dat dan dus 10 x op een ronde
* De monnik moest daarna alles tevreden opeten.

Beste,

Verder wordt  er vermeld dat die monniken tijdens de ronde voor gaven alles in hun nap moesten verzamelen en dan alles moesten opeten.

Ook dat is ongeloofwaardig. De monniken gaan op pad en ontvangen gaven van de mensen. Die gaven moeten zij aannemen; zij mogen niets weigeren. De ontvangen gaven nemen ze mee naar het klooster waar het eten eerlijk verdeeld wordt. En zij eten alleen zoveel als zij nodig hebben voor die dag. Zij hoeven niet alles te eten wat zij ontvangen hebben. Wat te veel is, wordt weer verdeeld onder de leken die in het klooster aanwezig zijn.

En ook in Europa, waar de monniken niet op stap gaan om gaven te ontvangen, maar waar zij in hun klooster gaven ontvangen, ook daar wordt alles onderling verdeeld. En iedere monnik eet er net zoveel als voor die dag nodig is. De rest van de gaven wordt weer geschonken aan de aanwezige leken.




Met vriendelijke groet
Nico

30
Meditatie / Re: Inzichten van de afgelopen dagen
« Gepost op: 08-10-2018 19:46 »
Citaat
Een abt van een Thais klooster vond dat zijn monnikken op de bedelronde wat te kieskeurig geworden waren. Voorkeuren opgeven aan de huishoudens, bijna eten weigeren als het niet voldoende lekker was, etc etc.
Voor de volgende week werd daarom de regel
* 1 bedelnap, geen aparte vakjes
* donoren werd aanbevolen alles wat ze kwijt wilden gewoon erin te mikken. Liefst soep onderin, hoofdgerecht er op en toetje als afdekking.
* En dat dan dus 10 x op een ronde
* De monnik moest daarna alles tevreden opeten. Devies 'in je maag gaat toch alles door elkaar komen'

Beste,

het bovenstaande verhaal komt mij heel ongeloofwaardig voor. Ik heb de abt van het klooster van de bosmonniken hier in de buurt gevraagd of ik eens in de nap mocht kijken nadat hij de gaven van de gelovigen had ontvangen. In de nap lagen de diverse gerechten mooi naast elkaar. En de soep en andere vloeibare gerechten waren verzameld in het deksel van de nap.
Het komt bij het eten vooral erop aan dat men juist erover denkt. Als alles dooreen in de nap gedaan wordt, kan men maagstoornissen krijgen. En dat moet vermeden worden.
          De monnik wordt geacht als volgt te overdenken:
Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel voedselgaven als de persoon die ze nuttigt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit geheel van voedselgaven is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.

          Het walgelijke van het voedsel vindt plaats in de geest, en niet in de nap.

Met vriendelijke groet
Nico

31
Beste,

In het topic >oorzakelijk ontstaan< staat bij 10.Eindoverdenking (http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2722.msg21713.html#msg21713) het volgende:

<Het vrije bewustzijn, het vrije gewaarzijn is het bewustzijn dat [...]  is zonder de metgezellen begeerte, verlangen, haat, afkeer, en onwetendheid. Het is vrij van de mening “ik ben”. [...]
   Het vrije gewaarzijn stelt niet samen en is niet samengesteld. Wat niet is samengesteld, kan niet uiteen vallen. >

   Vooral de laatste zin hier is van groot belang. Het gewaar worden, het zich bewust worden van iets ontstaat en vergaat. Het is een vergankelijk verschijnsel. Maar als het gemoed, het hart, de citta, het gewaarzijn geheel en al bevrijd is van alle smetten van de geest, dan stelt het niet meer samen. Er is dan niet meer een “ik-bewustzijn”; er is alleen gewaarzijn. zonder iets erbij. Dat gewaarzijn stelt niet samen en ook is het niet samengesteld. Wat niet is samengesteld kan niet uiteenvallen. Daarom is het gemoed, het hart, de citta, het gewaarzijn van de volmaakte heilige  blijvend omdat het niet samenstelt en niet is samengesteld.

Verder kan ik het niet uitleggen. Men zal zelf oorzakelijk ontstaan moeten overdenken en de bevrijding van de smetten van de geest moeten nastreven.

Met vriendelijke groet
Nico
   

32
Het gewone leven / Re: Na Nirvana
« Gepost op: 04-10-2018 23:56 »
Citaat
Ik denk dat de Boeddha liefde had voor wezens ...

Citaat
In de klassieke teksten geldt dat na (pari)nibbana geen sprake meer is van geboorte. Vanuit het doodloze zal er geen leven meer komen, geen terugkeer in samsara. Afijn, dit houdt denk ik volgens de eerdere auteur in dat hij of zijn dan niet meer kan helpen. Dan liever vrijwillig in samsara blijven en helpen. Ik vind dat een sympathieke gedachte.


Beste Siebe en Maarten,

De Boeddha en de volmaakte heiligen hadden mededogen en medeleven met anderen. Zij waren anderen behulpzaam vooral door het geven van wijze raad.

In het topic: Smetten van de geest, niveaus van heiligheid, soorten van bevrijding, reactie 30, 1.5.1. geloof in persoonlijkheid  (http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2673.msg20963.html#msg20963)  is o.a. geschreven:  "Vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn, en datgene wat formatie heeft, dat ben niet ik, dat behoort mij niet toe. Door zo te denken wordt men vrij ervan." (S.IV.16).
   
   Dat vorm, gevoel, waarneming, bewustzijn en formaties iemand niet toebehoren, geldt zowel voor degene die het niet inziet als voor degene die het wel inziet. De eerste hecht nog aan van alles. Maar de tweede hecht nergens meer aan. Dat is het opheffen van persoonlijkheid. Wanneer men onthecht is, is men vrij. (zie: M.148) Het doodloze is een andere naam voor het zijn zonder begeerte, het zijn zonder haat, het zijn zonder onwetendheid.
      Er vinden alleen processen plaats, maar er zit geen "ego" achter. Het inzien van het feit dat er alleen lege processen plaats vinden, zonder een zelf, zonder een "ik", is het einde van wedergeboorte in die zin dat er geen "ik-vorming" meer plaats vindt. Waar geen geboorte is, zal geen dood meer volgen. Daarom heet het inzien van het feit dat er alleen ik-loze processen plaats vinden, het doodloze.

Degene die nibbana heeft verwerkelijkt, is onzichtbaar voor Mara, het kwade.
De volgende vergelijking kwam bij me op.
   Twee mannen lopen over straat en zij dragen een grote glazen ruit. Dat glas is zó goed gereinigd dat men er doorheen kan kijken en men meent dat er geen glazen ruit is.
   Het glas is onzichtbaar geworden omdat er geen vlek op te bespeuren is. En het middel waarmee het glas gereinigd is, is vlek-afstotend, zodat er geen nieuwe vlekken meer op komen.
   
Zo zou men degene die nibbana heeft verwerkelijkt, kunnen beschouwen als weliswaar aanwezig maar toch onzichtbaar voor het kwade. De volmaakte heilige kan velen nog behulpzaam zijn.   

Met vriendelijke groet
Nico

33
Het gewone leven / Re: Na Nirvana
« Gepost op: 03-10-2018 23:12 »
Beste,

Gevraagd werd: “Wat zouden jullie anders willen gaan doen dan wat jullie nu doen, als jullie eenmaal Nirvana hebben bereikt?”
   Die vraag maakt duidelijk dat de vraagsteller een verkeerde mening heeft over Nibbana. Want wanneer Nibbana verwerkelijkt is, is er een einde gekomen aan het willen. De eerwaarde Ananda heeft dat goed uitgelegd. In de tegenwoordige tijd aangepast luidt zijn uitleg als volgt.
   >>Er komt een einde aan het willen, als het uiteindelijke doel – nibbana – bereikt is. Als wij ergens naartoe willen met het openbaar vervoer, raadplegen wij eerst de dienstregeling daarvan. Wanneer vertrekt de bus of trein, waar moeten wij overstappen, etc. Of als wij met een auto gaan, dan kijken wij of wij genoeg benzine of diesel hebben, raadplegen de papieren of digitale wegenkaart. Er worden voorbereidingen getroffen. Wij willen iets. En aan dat willen komt een einde als het doel bereikt is.
In het Boeddhisme wordt de wil, de wilskracht aangewend om aan het willen een einde te maken.<<

Verder werd geschreven dat men liever 'net niet Arahant' wil worden, in plaats van [...] het hele multiversum voorgoed achter zich te laten. Men denkt dat men zich nuttiger kan maken als men onder de wezens in de 31 werelden verblijft, dan erbuiten.

     Ook hier is sprake van een verkeerd begrijpen van Nibbana. Dorje gaf als antwoord op het bovenstaande dat er dan waarschijnlijk wel spontaan helpen naar anderen zal ontstaan, ...  En daarmee heeft hij gelijk.
Door het volledig begrijpen van oorzakelijk ontstaan denkt men niet meer dat er een blijvende kern is, een “ik”, een ego.  Men ziet dan in dat er alleen oorzakelijk ontstane dingen zijn, zonder een blijvend iets. Er zijn alleen veranderende processen, geen blijvende dingen.
     Wanneer men dat helemaal begrepen heeft, hecht men zich nergens meer aan, niet aan het onaangename en niet aan het aangename. En wel omdat men dan bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd door direct inzicht. (zie D.15)

     "Een monnik aan wie drie dingen eigen zijn, heeft de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste vrede, de hoogste heiligheid, het hoogste doel; hij is de beste onder goden en mensen. Die drie dingen zijn:
   De deugdzaamheid die eigen is aan de heilige; de geestelijke concentratie die eigen is aan de heilige; de wijsheid die eigen is aan aan de heilige.” (A.III.144)
   
   Verder heeft de volmaakte heilige een of meer van de volgende wonderen: het wonder van magische krachten; het wonder van gedachten lezen; en het wonder van onderricht. (A.III.145; vgl. A.III.61)

   Ook heeft hij of zij juist inzicht; juist weten en juiste bevrijding. (A.III.146)

   Een monnik aan wie deze drie dingen eigen zijn, heeft de hoogste volmaaktheid bereikt, de hoogste vrede, de hoogste heiligheid, het hoogste doel. Hij is de beste onder goden en mensen." (A.III.144-146)

     Nibbana is de uitdoving van de vuren van passies, van begeerte, afkeer en onwetendheid. In iemand die Nibbana heeft verwerkelijkt, zijn de verlangens uitgedoofd; de volmaakte heilige hecht niet meer aan iets, noemt niets meer zijn eigen. Zijn gemoed is stil. Hij is onthecht, beschouwt het lichamelijke niet als zijn eigen noch beschouwt hij het geestelijke als zijn eigen. Hij eigent zich helemaal niets meer toe. En omdat onwetendheid geheel en al is opgeheven, omdat hij weet dat er geen ego is, maar dat er alleen verschijnselen zijn, is er geen lager, gelijk of hoger voor hem. Hij noemt niets zijn eigen. Daardoor is hij onvindbaar geworden.

   De volmaakte heilige hecht nergens meer aan, noch aan het slechte (iets pijnlijks bv), noch aan het goede (iets aangenaams bv). Hij identificeert zich nergens meer mee.

     De vele soorten van aangename en onaangename dingen in de wereld blijven bestaan, maar wie Nibbana verwerkelijkt heeft, heeft de begeerte ernaar en de afkeer ervan volledig verwijderd.
   
     “Wanneer de onzuiverheden van de geest overwonnen zijn, wordt het leven niet saai en kleurloos. Het denken en handelen wordt niet onmogelijk. Integendeel, men staat dan als overwinnaar boven de dingen. Niets en niemand kan ons dan nog storen. Dat is echt geluk.” Aldus Buddhadasa Bhikkhu in: Handbuch für die Menschheit, zum Verständnis des Buddhismus, s.a., p. 9.

   Over Nibbana nadenken is nutteloos; en ook nadenken over wat er na de verwerkelijking van Nibbana anders gedaan zou kunnen worden, is nutteloos. Elke mening over Nibbana is verkeerd. Dus is het veel beter het zoeken naar een antwoord op de boven gestelde vraag waarmee dit topic begint, te beëindigen. Veel beter dan denken over wat men na het realiseren van Nibbana zou doen, is daadwerkelijk te streven naar Nibbana.

        Verder vroeg Siebe of het beter zou zijn als een leraar minimaal stroom-intrede heeft gerealiseerd. Mijn tegenvraag: waaraan herkent iemand die nog geen stroomingetredene is, iemand anders die wel in de stroom is getreden?
     Ook de sotapanna maakt nog fouten in daden, woorden en gedachten; hij of zij is nog niet volmaakt. Men zou dus de indruk kunnen krijgen dat iemand nog niet de rol van leraar kan spelen omdat die persoon nog fouten maakt. Of men zou teleurgesteld kunnen worden als men iemand als leraar heeft uitgekozen en dan merkt dat die persoon nog fouten maakt. De verwachting is dan te hoog geweest.
   En niet iedere stroomingetredene heeft de eigenschappen van leraar. Er zijn vier soorten wonderen, en het wonder van onderricht te kunnen geven, is niet eigen aan iedereen.

   De beste leraar is volgens mij de oplettendheid. Als men steeds oplettend is, kan zelfs de geringste gebeurtenis aanleiding zijn tot stroomintrede.
   
Met vriendelijke groet
Nico



34
Theravada Boeddhisme / Re: Sutta MN 117 over de juiste visie
« Gepost op: 02-10-2018 00:39 »
Beste,

Door mij is de volgende Nederlandse vertaling van MN 117 gemaakt. Is misschien handiger voor de mensen die het Engels niet zo meester zijn als Siebe en Borobudur2.

M. 117. (M.XII.7)  Mahacattarisa sutta

   Te Savatthi in het Jetavana-park sprak de Verhevene over juiste concentratie, de ondersteunende factoren ervan en de uitrusting ervan.
   "Juiste concentratie met de ondersteunende factoren en de uitrusting ervan bestaat hierin: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning en juiste oplettendheid.
   Het op één punt gericht zijn van de geest die met deze zeven factoren is uitgerust, noemt men de edele juiste concentratie met de ondersteunende factoren en de uitrusting ervan."

(juist inzicht)

   "Juist inzicht komt op de eerste plaats. Iemand begrijpt verkeerd inzicht als verkeerd inzicht. En hij begrijpt juist inzicht als juist inzicht. Dat is zijn juiste inzicht.
   Wat is verkeerd inzicht? - [Iemand heeft het verkeerde inzicht:] 'Er zijn geen gaven, er is niets wat gegeven of geofferd is. Er is geen vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is niet deze wereld, niet de andere wereld. Er is geen moeder, geen vader. Er zijn geen spontaan geboren wezens. Er zijn geen goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hebben leren kennen en uitleggen.' - Dat is verkeerd inzicht.

   Wat is juist inzicht? - Juist inzicht is van tweevoudige aard: Er is juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in bezit name tot rijpheid komt, en er is juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

   Juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in bezit name tot ontwikkeling komt, is het volgende: 'Er zijn gaven, er is wat gegeven of geofferd is. Er is een vrucht of resultaat van goede en slechte daden. Er is deze wereld en de andere wereld. Er is een moeder en een vader. Er zijn spontaan geboren wezens. Er zijn goede en deugdzame monniken en brahmanen op de wereld die deze wereld en de andere wereld door verwerkelijking met hogere geestelijke kracht hebben leren kennen en uitleggen.' - Dat is juist inzicht dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in bezit name tot rijpheid komt.

   Juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad, is het volgende: De wijsheid, de spirituele bekwaamheid van de wijsheid, de geestelijke kracht van de wijsheid, de factor van Verlichting van de doorgronding van de werkelijkheid, de factor van het pad van het juiste inzicht in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij van neigingen is, die het edele pad bezit en die het edele pad ontplooit: dat is juist inzicht dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.

   Iemand spant zich in om verkeerd inzicht te overwinnen en om juist inzicht te krijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd inzicht. Oplettend krijgt iemand juist inzicht en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om het juiste inzicht en zij ontmoeten elkaar daar, namelijk juist inzicht, juiste inspanning en juiste oplettendheid."

(Juist denken)

   Juist inzicht komt op de eerste plaats. Iemand begrijpt verkeerd denken als verkeerd denken. En iemand begrijpt juist denken als juist denken. Dat is zijn juiste visie.
   Wat is verkeerd denken? - Het is het denken van zinnelijke begeerte, het denken van kwaadwil en het denken van wreedheid. Dat is verkeerd denken.
   Wat is juist denken? - Juist denken is van tweevoudige aard. Er is juist denken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat aan de kant van de in bezit name tot rijpheid komt. En er is juist denken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
    Het denken van ontzegging, het denken van niet kwaadwil,  en het denken van niet wreedheid*1]  - dat is juist denken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat aan de kant van de in bezit name tot rijpheid komt.
   Het denken, de gedachten, de bedoeling, het vastleggen en het richten van het hart, de uitrusting van het hart, de vorming*2] van de taal in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist denken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Iemand spant zich in om verkeerd denken te overwinnen en om juist denken te krijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd denken. Oplettend krijgt iemand juist denken en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist denken en zij ontmoeten elkaar daar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

(juist spreken, juist taalgebruik)

   Juist inzicht komt op de eerste plaats. Iemand begrijpt verkeerd spreken als verkeerd spreken. En iemand begrijpt juist spreken als juist spreken. Dat is zijn juiste visie.
   Wat is verkeerd spreken? - Het is onware taal, booswillige taal, het gebruik van ruwe woorden en geklets.
   Wat is juist spreken? - Juist spreken is van tweevoudige aard: er is juist spreken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in bezit name tot rijping komt. En er is juist spreken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Onthouding van onwaar spreken, onthouding van booswillig spreken, onthouding van het gebruik van ruwe woorden en onthouding van geklets, - dat is juist spreken dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat deel heeft aan verdiensten, dat aan de kant van in bezit name tot rijping komt.
   Het afstand nemen van de vier soorten van verkeerd gedrag wat de taal betreft, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat  is juist spreken dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Iemand spant zich in om verkeerd spreken te overwinnen en om juist spreken te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd spreken, oplettend verkrijgt iemand juist spreken en vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist spreken en ontmoeten elkaar daar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

(Juist handelen)

   Juist inzicht komt op de eerste plaats. Iemand begrijpt verkeerd handelen als verkeerd handelen. En hij begrijpt juist handelen als juist handelen. Dat is zijn juiste visie.
   Wat is verkeerd handelen? - Het doden van levende wezens, het nemen van wat niet is gegeven, en verkeerd gedrag in zintuiglijk genot.
   Wat is juist handelen? - Juist handelen is van tweevoudige aard. Er is juist handelen dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat op de kant van de in bezit name tot rijpheid komt. En er is juist handelen dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Onthouding van het doden van levende wezens, onthouding van het nemen wat niet werd gegeven, en onthouding van verkeerd gedrag in zinnelijk genot, - dat is juist handelen dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat op de kant van de in bezit name tot rijpheid komt.
   Het afstand nemen van de drie soorten lichamelijk verkeerd gedrag, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist handelen dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Iemand spant zich in om verkeerd handelen te overwinnen en om juist handelen te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd handelen, oplettend verkrijgt iemand juist handelen en hij vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist handelen en ontmoeten elkaar daar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

(Juist levensonderhoud)

   Juist inzicht komt op de eerste plaats. Iemand begrijpt verkeerd levensonderhoud als verkeerd levensonderhoud. En iemand begrijpt juist levensonderhoud als juist levensonderhoud. Dat is zijn juiste visie.
   Wat is verkeerd levensonderhoud? - Huichelen, mompelen, waarzeggen, toespelingen maken, met hulp van winst naar verdere winst streven,*3] - dat is verkeerd levensonderhoud.
   Wat is juist levensonderhoud? - Juist levensonderhoud is van tweevoudige aard. Er is juist levensonderhoud dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat op de kant van de in bezit name tot rijpheid komt. En er is juist levensonderhoud dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Een edele volgeling overwint verkeerd levensonderhoud en verwerft zijn levensonderhoud door juist levensonderhoud, - dat is juist levensonderhoud dat beïnvloed wordt door de neigingen, dat aan verdiensten deel heeft, dat op de kant van de in bezit name tot rijpheid komt.
   Het afstand nemen van verkeerd levensonderhoud, het ontzeggen, het opgeven, de onthouding ervan in iemand wiens geest edel is, wiens geest vrij is van neigingen, die het edele pad bezit en het edele pad ontplooit, - dat is juist levensonderhoud dat edel is, vrij van neigingen, bovennatuurlijk, een factor van het pad.
   Iemand spant zich in om verkeerd levensonderhoud te overwinnen en om juist levensonderhoud te verkrijgen. Dat is zijn juiste inspanning. Oplettend overwint iemand verkeerd levensonderhoud, oplettend verkrijgt iemand juist levensonderhoud en vertoeft erin. Dat is zijn juiste oplettendheid. Zo draaien deze drie toestanden rond om juist levensonderhoud en ontmoeten elkaar daar, namelijk juiste visie, juiste inspanning en juiste oplettendheid.

(de grote veertig)

   Juist inzicht komt op de eerste plaats. In iemand met juist inzicht ontstaat juist denken. In iemand met juist denken ontstaat juist spreken. In iemand met juist spreken ontstaat juist handelen. In iemand met juist handelen ontstaat juist levensonderhoud. In iemand met juist levensonderhoud ontstaat juiste inspanning. In iemand met juiste inspanning ontstaat juiste oplettendheid. In iemand met juiste oplettendheid ontstaat juiste concentratie. In iemand met juiste concentratie ontstaat juist weten. In iemand met juist weten ontstaat juiste bevrijding. Derhalve bezit iemand in hogere training op de weg acht factoren, de arahant bezit tien factoren.*4]
   Daarin komt juiste visie, juist inzicht op de eerste plaats. En op welke manier komt juist inzicht op de eerste plaats?
   In iemand met juiste visie is verkeerde visie vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde visie als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste visie als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juist denken is verkeerd denken vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd denken als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist denken als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juist spreken is verkeerd spreken vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd spreken als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist spreken als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juist handelen is verkeerd handelen vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd handelen als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist handelen als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juist levensonderhoud is verkeerd levensonderhoud vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd levensonderhoud als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist levensonderhoud als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juiste inspanning is verkeerde inspanning vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde inspanning als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste inspanning als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juiste oplettendheid is verkeerde oplettendheid vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde oplettendheid als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste oplettendheid als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juiste concentratie is verkeerde concentratie vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde concentratie als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste concentratie als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juist weten is verkeerd weten vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerd weten als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juist weten als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   In iemand met juiste bevrijding is verkeerde bevrijding vernietigd, en de vele slechte, onheilzame toestanden die met verkeerde bevrijding als voorwaarde ontstaan, zijn eveneens vernietigd; en de vele heilzame toestanden die met juiste bevrijding als voorwaarde ontstaan, komen door ontplooiing tot volmaaktheid.
   Derhalve zijn er twintig factoren aan de kant van het heilzame, en twintig factoren aan de kant van het onheilzame. Deze Dhamma-leerrede over de grote veertig werd in beweging gebracht en kan door niemand tot stilstand gebracht worden."

   Zo sprak de Verhevene. En de bhikkhus waren tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.
______
*1] Zo luidt de standaardomschrijving, zie o.a. in MN.141, de analyse van de leer.
*2] Waarom vorming van de taal in samenhang met denken genoemd wordt, is in MN.44 nader uitgelegd. Er wordt o.a. gezegd: "De formatie van de taal is vorming van gedachten en discursief denken."
*3] Dit is een verkeerde levenswijze voor bhikkhus. Voor leken heeft de Boeddha elders beroepen als handel in wapens en drugs genoemd als verkeerd levensonderhoud. Voor beiden geldt: verkeerd is een levenswijze die bijdraagt tot eigen leed en tot leed van anderen.
*4] De verdere twee factoren op het pad van de Arahant worden in het algemeen zo uitgelegd: juist weten is het weten van de vernietiging van de neigingen, juiste bevrijding is het ondervinden van de bevrijding van alle neigingen.

Met vriendelijke groet
Nico

35
Over dit forum / Re: plaatjes/gifjes plaatsen
« Gepost op: 29-09-2018 19:43 »
Beste,

Wees voorzichtig bij Tinypic.com
Er worden advertenties getoond. Die moeten NIET aangeklikt worden. Anders kunnen storingen ontstaan.
Per ongeluk ben ik eens met het aanwijspijltje op een advertentie terecht gekomen. Een grote storing in de computer was het gevolg.
Verder werkt dat wel goed.

Groeten
Nico

36
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 10-09-2018 12:18 »
Beste,

Vertrouwen in de Boeddha, in zijn leer en in de gemeenschap van de heiligen is een groot goed.
Maar het is pas echt eigen aan iemand, is pas echt een rotsvast vertrouwen, onwankelbaar, wanneer het pad van heiligheid betreden is.
Vóór die tijd kan men wel vertrouwen hebben, maar dat vertrouwen kan door omstandigheden zwakker worden of men kan het zelfs verliezen.

Wat te doen?
De leer van de Boeddha volgens het Theravada is uitgelegd. De regels van goed gedrag, van een deugdzaam leven zijn vermeld. Hoe men als leek moet leven zodat het goed met iemand gaat zowel in dit leven als in een volgend leven, is uitgelegd. [zie: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2479.0.html]
en  http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2370.0.html]


Verder kan men over het leven van de Boeddha lezen en zo een kalm gemoed krijgen. [zie: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2590.0.html]

Dan is er de hogere leer die vroeger te moeilijk voor leken werd gevonden en daarom alleen aan monniken en nonnen verkondigd werd:
De vier edele waarheden [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2576.0.html]
en de drie aspecten van het leven (dukkha, anicca, anatta).[http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2492.0.html]
De smetten, boeien en hindernissen van de geest die verwijderd moeten worden. [zie: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2673.msg20808.html#msg20808]
De niveaus van heiligheid en nibbana. [zie: http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2673.msg20984.html#msg20984  en  http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2722.msg21713.html#msg21713]
De factoren die naar Verlichting voeren [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2468.0.html]
Het oorzakelijke ontstaan van de dingen. [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2722.0.html]

   En ook is iets gepost over de manieren waardoor de vrede van het gemoed verkregen kan worden:
vijf overwegingen voor iedereen, uitwissing, overweging van de paramis [zie:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2385.0.html]
de grondslagen van oplettendheid, [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2570.0.html]
de vier goddelijke verblijven, [zie o.a. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2383.0.html]
contemplatie over de dood, [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2703.0.html]
het beschouwen van het lichaam, [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2710.0.html]
concentratie op de ademhaling, [http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2716.0.html]

   De weg is er, maar als men die weg niet gaat, dan is dat geen tekortkoming van degene die de weg wijst.
   De bron met water is er, maar als de dorstige die bron niet opzoekt, dan is dat geen tekortkoming van degene die de weg ernaartoe uitlegt.

Met vriendelijke groet
Nico


37
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 09-09-2018 11:04 »
Beste,

De vermelde teksten zijn voor degene die de overweging van vertrouwen wil uitoefenen. Hij of zij kan er die teksten uitkiezen die hem of haar geschikt lijken. Ze hoeven niet allemaal samen overwogen te worden.

Met vriendelijke groet
Nico

38
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 08-09-2018 22:09 »
4. Vertrouwen en deugd

4.01. Het beste gezelschap


Eens stelde een godheid aan de Verhevene deze vraag:

   “Wat is het beste gezelschap voor een mens?
   Wat geeft hem onderricht?
   En waarvan geniet een sterveling
   als hij bevrijd is van al het lijden?”

De Boeddha gaf ten antwoord:

   “Vertrouwen is het beste gezelschap voor de mens.
   Wijsheid geeft hem onderricht.
   En wanneer een sterveling van Nibbāna geniet,
   is hij van al het lijden bevrijd.”
   (S. I.6.9; vgl. S.X.12)

4.02. Vertrouwen, deugd en inzicht

   Alwie in de Volmaakte vertrouwen heeft
   dat onwankelbaar en goed gevestigd is,
   alwie deugd bezit die goed is,
   die de Edelen behaagt
   en door hen aanbevolen wordt;

   Alwie vertrouwen heeft in de Orde
   en inzicht heeft dat oprecht is en waar:
   "Die is niet arm," zo zegt men.
   "Niet leeg is zijn leven en het is niet verspild."

   Daarom moeten de wijzen zich wijden
   aan vertrouwen, deugd en zelfvertrouwen
   in helder inzicht in de leer,
   waarbij zij zich bezinnen op de boodschap
   van de Boeddha.
   (S. LV. 51)

4.03. De invloed van degene vol vertrouwen – Mahasalaputta Sutta

   In de nabijheid van een edele zoon die vol vertrouwen is, nemen de huisgenoten toe aan vijf dingen:
Aan vertrouwen, aan deugdzaamheid, aan weten, aan vrijgevigheid, en aan wijsheid.

4.04. Onovertroffen


   Zes dingen zijn onovertroffen: Het zien van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste zien. Het horen van de Dhamma van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste horen. Vertrouwen in de Tathāgata of zijn discipelen is het edelste vertrouwen. De hoogste deugd leren, de hoogste geest ontwikkelen, hoogste wijsheid is het edelste leren. Dienstverlening aan de Tathāgata of zijn discipelen is de edelste dienst. Het overwegen van de deugdzaamheden van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste overwegen.
(A.VI.30)

4.05. Stromen van verdienste
   
   Er zijn meerdere stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die stromen zijn:

   De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste. (A.VIII.39; vgl. A.IV.52)

   En verder onderhoudt de edele volgeling de regels van deugdzaamheid die aan de edelen dierbaar zijn, welke regels ongebroken, ongedeerd, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend zijn, door wijzen geprezen, onbeïnvloed, bevorderlijk voor de geestelijke concentratie. Dit is de vierde stroom van verdienste. (A.IV.52)

   De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde stroom van verdienste. (A.VIII.39)

   Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de zesde stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de zevende stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de achtste stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de negende stroom van verdienste. (A.VIII.39)

   Wanneer deze stromen van verdienste overwogen, ontplooid en vaak beoefend worden, voert dat tot volledige afkeer, tot bevrijding, uitdoven, vrede, tot inzicht, tot Verlichting, tot Nibbâna. (A.I.26)

   "Wie tot de Ontwaakte vertrouwen heeft, dat onwankelbaar is, diep geworteld, aan wie edele deugd, edele gewoonte eigen is, zoals ze de heiligen dierbaar zijn, wie blij op de Orde vertrouwt, en helder, juist inzicht heeft, - waarlijk, zo iemand is niet arm; hij heeft zijn leven niet voor niets geleefd.
   Wie wijs is moge daarom zich wijden aan de deugdzaamheid en aan het vaste vertrouwen, en ook aan begrip van de leer, terwijl hij de instructie van de Boeddha voor ogen houdt. (A.IV.52; vgl. ook A.VII.66)

4.06. Hoogste vertrouwen en hoogste zegen

   “Wat er ook voor wezens bestaan, voetlozen, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen. (A.V.32; A.IV.34)

   Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde, als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen. (A.V.32; A.IV.34)

   Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, namelijk de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen. Deze gemeenschap van heilige volgelingen is offergaven waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de heiligen vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.” (A.V.32; A.IV.34)

   “Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeïnvloed zijn en die de geestelijke concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar is, vervullen, zij vervullen het hoogste. En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen*1] krijgen.” (A.V.32)

   Wat er ook aan gevormde dingen*2] bestaat, als hoogste daaronder geldt het edele achtvoudige pad. Degenen nu die op het edele achtvoudige pad vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, valt allerhoogste zegen ten deel. (A.IV.34)

“Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,
en de hoogste leer kent;
wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,
degene die de grootste eer waard is;

wie vertrouwen heeft in de leer
als het hoogste geluk van de vrede van onthechting;
wie vertrouwen heeft in de Orde als de hoogste,
het beste veld van goede werken;

wie op deze drie vertrouwt,
en ook aan de Hoogste gaven geeft,
hem verwacht de hoogste zegen,
hoge ouderdom, schoonheid, roem,
geluk en kracht en hoog aanzien.

Een wijze die aan de Hoogste geeft,
die toegewijd is aan de hoogste leer,
zal als god of ook als mens
de hoogste vreugde deelachtig worden."
(A.V.32; A.IV.34)
_____
*1] Dit heeft volgens het commentaar betrekking op de deugdzaamheid die met de hoge paden en vruchten (van stroomintrede etc) verbonden is. Daarom wordt ze hier als ‘ het hoogste’ omschreven.
*2] dhammā sankhatā; Als 'gevormd' (sankhata)    gelden alle materiële en geestelijke vormen van bestaan (sankhāra).
       

4.07. Resultaat van vertrouwen
   
   Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos en vertelde er dat te Rajagaha vroeger een arme man leefde. Deze vatte vertrouwen in de leer van de Verhevene, nam de geboden van zedelijke discipline aan, nam het onderricht aan, nam vrijgevigheid aan, nam inzicht aan. Na de dood werd hij wedergeboren in de hemelse wereld van de Tavatimsa-goden. Hij overtrof er de andere goden aan schoonheid en heerlijkheid. De Tavatimsa-goden waren verontwaardigd dat iemand die vroeger als mens arm en ongelukkig was geweest, nu de andere goden overtrof aan schoonheid en heerlijkheid.
   Sakka zei toen dat de nieuwe god vroeger de leer van de Boeddha had aangenomen, de geboden van zedelijke discipline had aangenomen, onderricht had aangenomen, vrijgevigheid had uitgeoefend, inzicht had aangenomen. Om die redenen was hij in de hemel van de Tavatimsa-goden wedergeboren met zo'n heerlijkheid.
En verder zei Sakka:
   "Wie rotsvast, stevig gegrondvest vertrouwen in de Tathagata heeft, en wie de mooie zedelijke tucht oefent die aan de edelen dierbaar is en door hen geprezen wordt, en wie vreugdevol vertrouwen heeft tot de gemeenschap en de juiste mening heeft, die persoon noemt men niet arm. Zijn leven is niet tevergeefs.
(S.XI.14. = S.I.11.14)

4.08. De zegen van vertrouwen – Saddha sutta
   
   Vijf voordelen geniet de edele zoon die vol vertrouwen is, namelijk:
   Wat er in de wereld bestaat aan goede, edele mensen,*1] deze geven eerst hun vriendschap aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Zij gaan eerst naar degene vol vertrouwen, niet naar degene zonder vertrouwen. Zij ontvangen eerst degene vol vertrouwen, niet degene zonder vertrouwen. Zij onderrichten de leer eerst aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Verder komt degene vol vertrouwen na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld. De edele zoon die vol vertrouwen is, is een toevluchtsoord voor veel mensen, voor monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen. Met de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, die deemoedigheid oefent, die niet koppig is, die mildheid, goedheid, zachtmoedigheid toont, met een dergelijke mens hebben de heiligen graag omgang, de heiligen die vrij zijn van begeerte en haat, vrij van waan en neigingen, het beste veld voor goede daden. Zij leggen hem de leer uit, die alle leed laat uitdrogen, en als hij ze helemaal heeft begrepen, wordt hij reeds hier verlost, vrij van elke neiging. (A.V.32; A.V.38)
_____
*1] Hier zijn vooral de edelen en goede mensen bedoeld die een van de vier niveaus van heiligheid bereikt hebben en wier goede karaktereigenschappen daardoor niet meer verloren kunnen gaan.

--==--   

Met vriendelijke groet
Nico

39
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 08-09-2018 11:35 »
3. De Sangha

3.01. De overwinnaar


   Monniken, in welke streek ook de met vijf dingen voorziene gezalfde adellijke koning vertoeft, daar bevindt hij zich steeds in zijn eigen rijk. Die vijf dingen zijn:
   Monniken, de gezalfde adellijke koning is zowel van vaders als van moeders kant van zuivere afstamming, zuiver ontvangen tot in het zevende geslacht van de voorvaderen, perfect en onberispelijk volgens de wet van de kasten. Hij is rijk, met veel goederen, zeer vermogend, en zijn kamers zijn met schatten gevuld. Hij is machtig en bezit een viervoudige krijgsmacht (namelijk olifanten, wagens, voetvolk en cavalerie) die hem gehoorzaamt en zijn bevelen uitvoert. Zijn raadgever is wijs, ervaren, scherpzinnig en in staat om de verleden, tegenwoordige en toekomstige voordelen te bedenken. Deze vier dingen vervolmaken zijn roem. En met deze roem als vijfde eigenschap bevindt hij zich, in welke streek hij ook vertoeft, steeds in zijn eigen rijk. En wel omdat het zo bij overwinnaars gesteld is.

   Monniken, evenzo: in welke streek de met vijf eigenschappen voorziene monnik ook vertoeft, daar vertoeft hij steeds met bevrijd gemoed. Die vijf eigenschappen zijn:
   Monniken, juist zoals de gezalfde adellijke koning van zuivere afstamming is, zo is de monnik rein van deugd, hij volgt de discipline na, is volmaakt in gedrag en omgang, hij schrikt terug voor het geringste vergrijp, en oefent zich in de regels van deugdzaamheid die hij op zich heeft genomen.
Juist zoals de gezalfde adellijke koning rijk is, met veel goederen, zeer vermogend, zo is de monnik rijk aan weten, een drager van het weten; hij heeft een groot weten vergaard. En die leerstellingen die in het begin voortreffelijk zijn, die in het midden voortreffelijk zijn en die aan het einde voortreffelijk zijn, die naar de zin en de woordelijke inhoud ervan een volmaakt, gezuiverd reinheidsleven verkondigen, naar deze leerstellingen heeft hij vaak geluisterd, die heeft hij zich ingeprent, die heeft hij woordelijk geleerd, in de geest overwogen en ze wijs begrepen.
        Juist zoals de gezalfde adellijke koning machtig is, zo strijdt de monnik met macht om de onheilzame dingen te overwinnen en om de heilzame dingen zich eigen te maken; hij is standvastig, met gestaalde kracht en hij is niet nalatig in het goede.
        Juist zoals de gezalfde adellijke koning een raadgever heeft, evenzo heeft de monnik de wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele, doordringende, die naar volledige vernietiging van het lijden voert.
        Deze vier eigenschappen brengen zijn bevrijding tot rijpheid. En met deze bevrijding als vijfde eigenschap voorzien heeft hij, in welke streek hij ook vertoeft, steeds een bevrijd gemoed. En wel omdat het zo gesteld is bij degenen met bevrijd gemoed.
(A.V. 134)

3.02. Doel van de discipline

   De eerwaarde Upali sprak tot de Verhevene: "Heer, om hoeveel redenen heeft de Verhevene aan zijn discipelen de disciplinaire regels (vinaya) voorgeschreven en het Patimokkha?"*1]
   "Upali, om tien redenen, namelijk:
   om het welzijn van de Orde; om zedeloze monniken op te voeden en om een vredig leven van de goede monniken te bevorderen; om aanwezige slechte invloeden af te weren en om toekomstige te voorkomen; om het vertrouwen op de wekken in degenen zonder vertrouwen en om het vertrouwen te versterken van degenen vol vertrouwen; om de goede leer sterk te maken en te laten voortbestaan en tot bescherming van de discipline. (A.X. 31; vgl. A.II.201)
_____
*1] Het Patimokkha bevat de opsomming van alle fouten tegen de discipline. Deze lijst van fouten wordt om de 14 dagen, bij nieuwe maan en volle maan, op een    afgebakende plaats, de zogenaamde sima, hardop    gereciteerd. Wie zich daarbij van een fout bewust is, moet zijn schuld bekennen.


3.03. Zeven voorwerpen van eerbied


   Toen de eerwaarde Sariputta eens eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam in zijn geest deze gedachte op: "Waarop kan de monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien?" En de eerwaarde Sariputta zei tot zichzelf: "Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien." Verder dacht de eerwaarde Sariputta toen: "Deze dingen zijn bij mij weliswaar rein en zuiver, maar wanneer ik de Verhevene over deze dingen zou berichten, dan zullen zij nog reiner en zuiverder worden."
   's Avonds verhief zich de eerwaarde Sariputta uit zijn afzondering, ging naar de Verhevene toe en deelde hem zijn gedachten mee.
   De Verhevene zei: "Goed zo, Sariputta, goed zo. Op de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, op de geestelijke oefening, de concentratie van de geest, de ijver en de vriendelijke hulpvaardigheid, - daarop kan een monnik zijn eerbied en hoogachting vestigen om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te ontplooien."
   Na deze woorden sprak de eerwaarde Sariputta tot de Verhevene als volgt: "Heer, van wat de Verhevene hier in het kort heeft gezegd, begrijp ik de uitvoerige zin als volgt:

   Heer, dat een monnik die de Meester niet eert, de leer zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester niet eert, die eert ook de leer niet.
   Heer, dat een monnik die de Meester en de leer niet eert, de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is niet mogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer niet eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken niet.
   Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken niet eert, die eert ook de geestelijke oefening niet.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening niet eert, die eert ook de geestelijke concentratie niet.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest niet eert, die eert ook de ijver niet.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver niet eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid niet.    

   Heer, dat evenwel een monnik die de Meester eert, de leer niet zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester eert, die eert ook de leer.
   Dat een monnik die de Meester en de leer eert, niet de gemeenschap van de monniken zal eren, dat is onmogelijk. Wie onder de monniken de Meester en de leer eert, die eert ook de gemeenschap van de monniken.
   Wie de Meester, de leer en de gemeenschap van de monniken eert, die eert ook de geestelijke oefening.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken en de geestelijke oefening eert, die eert ook de concentratie van de geest.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening en de concentratie van de geest eert, die eert ook de ijver.
   Wie de Meester, de leer, de gemeenschap van de monniken, de geestelijke oefening, de concentratie van de geest en de ijver eert, die eert ook de vriendelijke hulpvaardigheid.
   Heer, op deze manier begrijp ik de uitvoerige zin van datgene wat de Verhevene in het kort heeft gezegd."

   "Goed zo, Sariputta, goed zo. Je begrijpt juist de uitvoerige zin van datgene wat ik in het kort heb uitgelegd. Sariputta, dat namelijk moet men als de uitvoerige zin ervan beschouwen." ([A.VII.66)



40
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 07-09-2018 14:25 »
2. De leer

2.01. De koning van de wet

   De Volkomene, de Heilige, de volmaakt Verlichte steunt op de wet.*1] De wet eert hij, waardeert hij, huldigt hij. En met de wet als leidraad geeft hij rechtvaardige bijstand, steun en bescherming aan het handelen in daden, woorden en gedachten, waarbij hij onderwijst: 'Een dergelijk handelen in daden, woorden en gedachten moet men oefenen; een dergelijk handelen in daden, woorden en gedachten moet men niet oefenen.'

   De Volmaakte, de heilige, de volmaakt Verlichte, de rechtvaardige koning der wet, hij bestuurt, op de wet gesteund, het hoogste rijk van de waarheid juist met behulp van de wet. En dit rijk kan geen asceet of priester, geen hemels wezen, god of duivel, noch iemand anders in de wereld te gronde richten.” (A.III.14; A.V.133)
_____
*1] Hier betekent dhamma de wetmatigheid, die zowel de wereld alsook de bevrijding ervan regeert en de inhoud vormt van de Boeddha-leer (dhamma). - Commentaar: "De negenvoudige bovennatuurlijke (lokuttara) Dhamma", die als hoogtepunt van de Boeddha-Dhamma de tweede 'toevlucht' en het tweede 'juweel’ van de Boeddhisten vormt.


2.02. Het onverwoestbare rijk - Pathama-cakkanuvattana Sutta

   Monniken, de koninklijke wereldheerser die met vijf eigenschappen is voorzien, bestuurt zijn rijk in de zin van de wet, en geen menselijk wezen, geen vijandig wezen kan dat rijk ten val brengen. Die vijf eigenschappen zijn:
   1) Monniken, de koninklijke wereldheerser kent het heilzame.
   2) Hij kent de wet. [de traditionele rechtsbeginselen].
   3) Hij kent de juiste maat [in straf en belasting].
   4) Hij kent de juiste tijd [voor regeringsplichten, amusement, rechtspraak, bezichtiging van het land].    
   5) Hij kent de mensen.[Hij kent de bijeenkomsten of groepen van mensen; namelijk die van edellieden, priesters, burgers, arbeiders en asceten. Dat betekent dat hij weet hoe hij de verschillende lagen van de bevolking op de verschuldigde en passende manier moet behandelen].    
   
   Monniken, juist zo bestuurt met vijf eigenschappen voorzien de Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte het hoogste rijk van de leer in de zin van de leer, en geen asceet of priester, geen hemels wezen, god of Mara, noch iemand anders in de wereld kan het ten val brengen. Die vijf eigenschappen zijn:
   1) De Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte kent het heilzame [en wel het eigen heil, het heil van anderen en het gemeenschappelijke heil; het heil aan deze kant en het heil aan de andere kant].
   2) Hij kent de leer [de vier waarheden].
   3) Hij kent de juiste maat [in het aannemen en het gebruik van de vier benodigdheden van de monnik].
   4) Hij kent de juiste tijd [voor afzondering, verkondiging van de leer, rondtrekken, etc.].
   5) Hij kent de mensen. [Commentaar: de edellieden etc.]

   Monniken, met deze vijf eigenschappen voorzien bestuurt de Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte het hoogste rijk van de leer in de zin van de leer, en geen asceet of priester, geen hemels wezen, god of Mara, noch iemand anders in de wereld kan het rijk van de leer ten val brengen. (A.V.131)
_____
* de opmerkingen tussen [ ] zijn afkomstig van het commentaar of subcommentaar bij dit sutta.


2.03. De leeuw I

   Monniken, de leeuw treedt 's avonds uit zijn hol. Hij springt dan omhoog en speurt naar alle kanten. Drie keer stoot hij zijn leeuwengebrul uit waarna hij op buittocht gaat. Slaat hij met zijn klauw toe, - hetzij een olifant, buffel, rund of panter, of ook kleine dieren, ja zelfs een haas of een kat , - dan treft hij grondig, niet oppervlakkig. De reden is dat hij zijn waardigheid niet verliest.
   Monniken, de leeuw is een benaming van de Verhevene, de heilige, volmaakt Verlichte. Dat namelijk de Verhevene in een bijeenkomst de leer verkondigt, dat geldt als zijn leeuwengebrul. Onderricht echter de Verhevene de leer, hetzij aan monniken, nonnen, mannelijke of vrouwelijke lekenvolgelingen, of zelfs aan knechten die voer uitstrooien of vogelvangers,*1] dan onderricht de Verhevene de leer grondig, niet oppervlakkig. En waarom? Omdat de Verhevene de leer eert, de leer in ere houdt. (A.V.99)
_____
*1] annabhāra-nesādānam. Volgens het commentaar heeft de uitdrukking 'degenen die voer uitstrooien' dezelfde betekenis als yāvasikā, d.w.z. degenen die gerst (yava) als lokaas voor vogelnetten met zich mee voeren.


2.04. De leeuw II

   'Monniken, de leeuw, de koning van de dieren, komt 's avonds uit zijn hol. Hij springt omhoog en kijkt uit naar alle vier zijden. Daarna stoot hij drie keer zijn leeuwengebrul uit. Dan gaat hij op jacht naar buit. Maar de dieren die de stem horen van de brullende leeuw, de koning van de dieren, krijgen gewoonlijk angst, zij sidderen en beven. De holtedieren kruipen weg in hun hol, de waterdieren glijden in het water, de bosdieren vluchten in het bos, de vogels zoeken hun heil in de lucht. Zelfs de olifanten van de koning, die in dorp of stad in de koninklijke stallen met sterke riemen en touwen zijn vastgebonden, doorbreken hun touwen en vluchten her en der, waarbij zij uit angst uitwerpselen en urine verliezen. Een dergelijke grote macht onder de dieren heeft de leeuw, de koning van de dieren, zo'n geweld, zo'n invloed.

   Monniken, juist zo is het nu, wanneer de Volmaakte in de wereld verschijnt, de heilige, volmaakt Verlichte, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, een kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn, de leraar van goden en van mensen, de Ontwaakte en Verhevene.
   En hij onderwijst de leer: 'Dat is de ik-formatie,*1] dat is het ontstaan van de ik-formatie, dat is de opheffing van de ik-formatie, dat is de weg die voert naar de opheffing van de ik-formatie.' Monniken, zelfs die goden die lang leven, in heerlijkheid, mooi, die in hun gevoel van geluk sedert ondenkbare tijden in verheven, hemelse paleizen wonen, zelfs die overkomt gewoonlijk angst, ontsteltenis en beven, wanneer zij de verkondiging van de leer van de Volmaakte vernemen. 'Ach', klagen zij, 'wij dachten dat wij onvergankelijk zijn, maar wij zijn vergankelijk. Wij dachten dat wij bestendig zijn, maar wij zijn zonder duurzaamheid. Wij dachten dat wij eeuwig zijn, maar wij zijn veranderlijk. Wij zijn dus vergankelijk, zonder duurzaamheid, veranderlijk, inbegrepen in de ik-formaties.*2] Monniken, zo'n grote macht is eigen aan de Volmaakte binnen de wereld met haar goden, zo'n geweld, zo'n invloed.

   "Het rijk van de leer van de waarheid
   heeft de Boeddha, de weergaloze leraar,
   aan deze wereld verkondigd,
   zoals hij het zelf heeft ingezien.
   De ik-formatie, de oorsprong ervan,
   het einde ervan en de weg naar dat einde
   waardoor alle lijden tot uitdoving gebracht wordt.
   En de goden met hun lange levensspanne
   die in glans en waardigheid stralen,
   sidderen uit angst en vrees,
   zoals de dieren voor de leeuw:
   'Ach, aan het bestaan onderworpen
   zijn wij zonder duurzaamheid, vergankelijk,'
   klaagden zij, toen zij het woord vernamen
   van de Heilige, de Bevrijde."
   (A.IV.33; vgl. S.22.78)
_____
*1] sakkāya, letterlijk: 'de bestaande groep' (sat-kāya); meestal met 'persoonlijkheid' omschreven, een aanduiding van de vijf groepen van bestaan. - De eerwaarde Nyanatiloka vertaalde dit met: 'ik-formatie'.
*2] sakkāya-pariyāpannā; dit wil zeggen: onderworpen aan de kringloop van de wedergeboorten.
   


2.05. Voordelen van het luisteren naar de leer

   Vijf voordelen krijgt men door het luisteren naar de leer. Die vijf voordelen zijn:
Het niet gehoorde krijgt men te horen;
het reeds gehoorde wordt iemand duidelijk;
de twijfel wordt verstrooid;
men verbetert zijn begrip van de leer;*1]
en het hart klaart op.
(A.V.202)
_____
*1] ditthim ujum karoti, letterlijk: men maakt het inzicht recht.


2.06. De zichtbare leer

   De rondtrekkende asceet Moliyasīvaka stelde aan de Verhevene de volgende vraag:
   "Heer, men spreekt van de zichtbare leer. In hoeverre is die leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend 'Kom en zie,' naar het doel voerend, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zichzelf?"    
   "Sivaka, ik zal je hierover vragen stellen; en jij kunt dan antwoord geven zoals het jou goeddunkt. Wat meen je, Sivaka? Wanneer begeerte in je is, weet je dan dat in jou begeerte is? Of wanneer geen begeerte in je is, weet je dan dat in jou geen begeerte is?"
   "Zeker, heer."
   "Wel Sivaka, in zoverre als je zoiets weet, in zoverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend: 'Kom en zie,' naar het doel voerende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich.
   Sivaka, wat meen je? Wanneer haat in je is ... of wanneer onwetendheid in je is ... of wanneer een met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest in je is, weet je dan: 'Deze toestanden zijn in mij?"
   "Zeker, heer."
   "Sivaka, wat meen je? Wanneer geen begeerte in je is, ...of wanneer geen haat in je is ... of wanneer geen onwetendheid in je is ... of wanneer geen met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest in je is, weet je dan: 'Deze toestanden zijn niet in mij?"   
   "Zeker, heer."
   "Wel Sivaka, in zoverre als je zoiets weet, in zoverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend: 'Kom en zie,' naar het doel voerende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich." (A.VI. 47)


2.07. Gelijkenis van de oceaan

   Eens verbleef de Verhevene bij Verañjā, aan de voet van de Naleru-Pucimanda-boom. De demonenvorst Pahārāda*1] ging toen naar de Verhevene, groette hem vol eerbied en ging terzijde staan. De Verhevene vroeg toen:
   "Zeg mij, Paharada, beleven wel alle demonen genoegen aan de oceaan?"
   "Ja, Heer, zij beleven genoegen aan de oceaan."
   "Pahārāda, hoeveel verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen hebben de demonen aan de oceaan opgemerkt dat zij er genoegen aan beleven?"
   "Heer, acht eigenschappen, namelijk:
1   De oceaan wordt geleidelijk dieper, zijn bodem zinkt heel geleidelijk, daalt heel geleidelijk af en vormt geen plotselinge afgrond. Heer, dat is de eerste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
2   Heer, verder is de oceaan bestendig, treedt niet over de oever. Heer, dat is de tweede verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
3   Heer, verder duldt de oceaan geen lijk in zich. Elk lijk dat zich erin bevindt, gooit hij uit, spoelt het aan de oever, drijft het aan land. Heer, dat is de derde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
4   Verder, Heer, zodra de machtige stromen zoals de Gangā, Yamunā, Aciravati, Sarabhū en Mahī, de oceaan bereiken, verliezen zij hun vroegere namen en aanduidingen en gelden gewoon als de oceaan. Heer, dat is de vierde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
5   Heer, verder toont de oceaan geen toename noch een afname, ondanks alle erin stromende rivieren en alle regenbuien die vanuit de hemel neerstorten. Heer, dat is de vijfde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
6   Heer, verder is de oceaan doordrongen van één enkele smaak, de smaak van zout. Heer, dat is de zesde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
7   Heer, verder bergt de oceaan rijke en veelvuldige schatten. Er zijn veel kostbaarheden in, zoals parels, diamanten, lazuurstenen, mosselen, kwarts,*2] koralen, zilver, goud, robijnen en kattenogen. Heer, dat is de zevende verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.
8   Heer, verder is de oceaan het tehuis van geweldige levende wezens. Daar leven reuzenvissen, zeemonsters, leviathanen,*3] demonen, draken en genieën. En daar zijn wezens met een lengte van één-, twee-, drie-, vier- en vijfhonderd yojanas.*4] Heer, dat is de achtste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van de oceaan met het oog waarop de demonen aan de oceaan genoegen beleven.

   Deze acht verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen merken de demonen bij de oceaan op en daarom beleven zij genoegen eraan. Heer, beleven ook de monniken genoegen aan deze leer en discipline?"
   "Ja, Pahārāda, de monniken beleven genoegen aan deze leer en discipline."

   "Heer, hoeveel verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen hebben de monniken bij deze leer en discipline opgemerkt dat zij eraan genoegen beleven?"
1   "Pahārāda, juist zoals de oceaan geleidelijk dieper wordt, de bodem ervan geleidelijk zinkt, heel geleidelijk afdaalt en geen plotselinge afgrond vormt, evenzo ook Pahārāda is er in deze leer en discipline een trapsgewijze opleiding, een trapsgewijze uitoefening, een trapsgewijze vooruitgang; en niet een plotseling bereiken van het hoogste weten. Dat, Pahārāda, is de eerste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
2   Pahārāda, juist zoals de oceaan bestendig is, niet over de oever treedt, evenzo ook overschrijden mijn discipelen niet voor hun leven de regels van oefening die door mij aan hen zijn opgelegd. Dat is de tweede verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
3   Pahārāda, juist zoals de oceaan geen lijk in zich duldt en elk lijk dat zich erin bevindt, aan de oever spoelt, aan land drijft, evenzo ook duldt de gemeenschap van de monniken onder zich geen deugdloze mens die het slechte toegedaan is, met onzuiver, verdacht gedrag, met verborgen daad, een niet-asceet die zich als asceet uitgeeft, een onkuise die zich als kuis levend uitgeeft, die innerlijk bedorven is, bevlekt, met een smerige aard. Onmiddellijk komt dan de gemeenschap van de monniken samen en stoot hem uit. Maar ook als hij temidden van de gemeenschap van de monniken zit, is hij de gemeenschap van de monniken toch vreemd en vreemd is hem de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
4   Pahārāda, zoals de machtige stromen zoals de Gangā, Yamunā, Aciravati, Sarabhū en Mahī, zodra zij de oceaan bereiken, hun vroegere namen en aanduidingen verliezen en gewoon als de oceaan gelden, evenzo ook verliezen degenen die tot de vier kasten behoren – edellieden, brahmanen, burgers en dienaren – wanneer zij in de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline uit het huis in de huisloosheid zijn vertrokken, hun vroegere namen en aanduidingen en gelden gewoon als ascetendiscipelen van de Sakya-zoon. Dat is de vierde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
5   Pahārāda, juist zoals de oceaan geen toename noch een afname toont, ondanks alle erin stromende rivieren en alle regenbuien die vanuit de hemel neerstorten, evenzo ook toont – zelf als veel monniken in het van elke rest van bestaan vrije Nibbana-element ingaan – het Nibbana-element geen toename noch een afname. Dat is de vijfde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
6   Pahārāda, juist zoals de oceaan van een enkele smaak is doordrongen, de smaak van zout, evenzo ook is deze leer en discipline van een enkele smaak doordrongen, de smaak van de bevrijding. Dat is de zesde verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
7   Pahārāda, juist zoals de oceaan rijke en veelvuldige schatten in zich bergt, evenzo ook bergt deze leer en discipline rijke en veelvuldige kostbaarheden in zich, zoals: de vier grondslagen van oplettendheid (satipatthana), de vier juiste inspanningen (padhāna), de vier grondslagen van geestelijke krachten (iddhi-pāda), de vijf vaardigheden (bala), de vijf krachten, de zeven factoren van Verlichting (bojjhanga), en het edele achtvoudige pad (magga). Dat is de zevende verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.
8   Pahārāda, juist zoals de oceaan het tehuis is van geweldige levende wezens, evenzo ook is deze leer en discipline het tehuis van geweldige wezens, zoals: de in de stroom getredene en degene die op weg is het doel van stroomintrede te verwerkelijken; de eenmaal wederkerende en degene die op weg is het doel van eenmaal wederkeer te verwerkelijken; de niet meer wederkerende en degene die op weg is het doel van niet meer wederkeer te verwerkelijken; de heilige en degene die op weg is de heiligheid te verwerkelijken. Dat is de achtste verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschap van deze leer en discipline met het oog waarop de monniken aan deze leer en discipline genoegen beleven.

   Deze acht verbazingwekkende en wonderbaarlijke eigenschappen merken de monniken en en daarom beleven zij genoegen aan deze leer en discipline."
(A.VIII.19; vgl. Ud. V.5; Cūla-Vagga van de Vinaya, pātimokkha-thapana-khandhaka)
_____
*1] Volgens het commentaar bestaan er drie vorsten van de demonen (asura): Vepacitti, Rāhu en Pahārāda.    
*2] silā, rode arsenicum.    
*3] timi timingalo timiranpingalo; Commentaar: van deze drie vissen kan de tweede de eerste opslokken en de derde de beide anderen.    
4] Een yojana is gelijk aan wat het koninklijke leger op één dag kon afleggen. Bij benadering varieerde dit van 9,6 tot 18 of 24 kilometer. Normaal wordt een afstand van 15 kilometer aangehouden.



2.08. De zegeningen van de leertoespraak

   Eens verbleef de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. De eerwaarde Nandaka onderwees toen juist in de ontvangsthal de monniken met een leergesprek, vermaande ze, bemoedigde ze en moedigde ze aan.
   Toen nu de Verhevene 's avonds zich uit de afzondering verheven had, begaf hij zich naar de ontvangsthal. Daar bleef hij aan de deuringang staan om het einde van de leerrede af te wachten. Toen hij merkte dat de leerrede ten einde was, schraapte hij zijn keel en klopte aan de deur. De monniken openden de deur voor de Verhevene waarna hij de hal binnenging en op de hem aangeboden zitplaats ging zitten. Toen sprak hij tot de eerwaarde Nandaka als volgt:
   "Nandaka, lang was je leerrede die jou voor de monniken was ingevallen.*1] Ja, mijn rug deed pijn toen ik daar bij de deuringang stond en het einde van je toespraak afwachtte."
   Na deze woorden sprak de eerwaarde Nandaka met verlegen gelaatsuitdrukking tot de Verhevene:
   "Heer, ik wist niet dat de Verhevene aan de deuringang stond; want als ik het had geweten dan was bij mij zeker niet de gedachte opgekomen om zo'n lange leerrede te houden."
   De Verhevene zag de verlegen gelaatsuitdrukking van de eerwaarde Nandaka en zei tot hem:
   "Goed zo, Nandaka, goed zo. Het betaamt jullie goed, jullie edele volgelingen die vol vertrouwen van thuis in de huisloosheid vertrokken zijn, dat jullie samen zitten om over de leer te spreken. Want Nandaka, wanneer jullie samenkomen dan betaamt jullie twee dingen: of een gesprek over de leer of heilig zwijgen.*2]
   Nandaka, wanneer de monnik vol vertrouwen is maar zonder deugdzaamheid, dan is hij juist in dit opzicht nog onvolkomen. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen ook deugdzaamheid bezitten.'
   Wanneer hij echter naast het vertrouwen ook nog deugdzaamheid bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.   

   Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam, maar niet in het bezit is van de innerlijke kalmte van geest, dan is hij in dat opzicht nog onvolmaakt. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezitten.'
   Wanneer hij echter naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.

   Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam en in het bezit is van innerlijke kalmte van geest, maar niet in het bezit is van het hogere inzicht, dan is hij juist in dat opzicht onvolmaakt.*3]
   Nandaka, wanneer een viervoetig dier een mismaakte voet heeft, dan is het juist met betrekking tot die voet onvolmaakt. Evenzo ook, Nandaka, is de monnik die wel vertrouwen, deugdzaamheid en innerlijke kalmte van geest heeft, maar niet het hogere inzicht bezit, onvolmaakt juist in deze eigenschap.Die eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen, de deugdzaamheid en de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezitten.'
   Nandaka, wanneer echter de monnik naast het vertrouwen, de deugdzaamheid, de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezit, dan is hij in dit opzicht volmaakt."

   Zo sprak de Verhevene. Na deze woorden verhief hij zich van zijn zitplaats en ging naar zijn cel. Kort daarna wendde de eerwaarde Nandaka zich tot de monniken en zei:
   "Broeders, de Verhevene heeft zojuist in vier zinnen het heel volmaakte, zuivere heilige leven uitgelegd, waarna hij opstond en naar zijn cel ging."
[Dan herhaalt Nandaka de bovenvermelde uitleg van de Boeddha, en gaat verder met:]

   "Broeders, vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt. Die vijf zegeningen zijn:
   Broeders, de monnik toont de monniken de leer die in het begin mooi is, in het midden mooi en aan het einde mooi. Hij verkondigt het heilige leven naar de zin en naar de woordelijke inhoud. Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan is hem de Meester lief en dierbaar; de Meester wordt door hem geacht en geëerd. - Broeders, dit is de eerste zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.
   Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan voelt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer. - Broeders, dit is de tweede zegening.
   Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan doordringt hij wijs de diepzinnige punten in deze leer en hij ziet ze in. - Broeders, dit is de derde zegening.
   Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan wordt hij door zijn medebroeders in de Orde des te hoger gewaardeerd, denkende: 'Beslist heeft deze eerwaarde het doel bereikt of zal het bereiken.' - Broeders, dat is de vierde zegening.
   Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan zullen diegenen onder de monniken die nog in opleiding zijn, die de bevrijding nog niet hebben bereikt en die naar de onvergelijkbare veiligheid streven, na het vernemen van die leer hun wilskracht inspannen om het nog niet bereikte te bereiken, om het nog niet verworvene te verwerven, om het nog niet verwerkelijkte te verwerkelijken. Degenen echter onder de monniken die reeds heiligen zijn, neigingsvrije, die het heilige leven hebben voltooid, hun taak hebben volbracht, die de last hebben afgeworpen en hun eigen heil hebben bereikt, die van de boeien van het bestaan bevrijd zijn en in het hoogste weten bevrijd zijn, zij wijden zich na het vernemen van deze leer helemaal aan hun huidig geluk. - Broeders, dit is de vijfde zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.

   Broeders, deze vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt." (A.IX.4)
_____
*1] patibhāsi en patibhāseyya behoren niet tot de Sanskrit-wortel bhās, 'spreken'; en ook niet tot bhā, maar tot Skr: bhās, 'schijnen'. Maar patibhāsati en patibhāti hebben dezelfde betekenis, namelijk: schijnen, bij iemand een licht opgaan, invallen, in de geest ontstaan.
*2] Evenzo in M. 26.    
*3] Vgl. A.IV.94.    



2.09. De kenmerken van de goede leer

   In het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis sprak Mahā-Pajāpati Gotamī tot de Verhevene als volgt:
   "Heer, het zou goed zijn wanneer de Verhevene mij in het kort de leer uitlegt, opdat ik, na ze vernomen te hebben, eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten kan vertoeven."
   "Gotami, bij die verschijningen, waarvan je weet dat zij naar begeerte voeren en niet naar afkeer van de begeerte, dat zij naar binding*1] voeren en niet naar het zich losmaken, dat zij naar opstapeling voeren en niet naar het afstapelen,*2] dat zij naar onbescheidenheid voeren en niet naar bescheidenheid, dat zij naar ongenoegzaamheid voeren en niet naar genoegzaamheid, dat zij naar gezelligheid voeren en niet naar afzondering, dat zij naar traagheid voeren en niet naar wilskracht, dat zij naar moeilijkheden bij de ondersteuning voeren en niet naar gemakkelijke ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit niet de leer is, niet de discipline, niet de instructie van de Meester.
   Maar Gotami, bij die verschijningen waarvan je weet dat zij naar afwending van de begeerte voeren en niet naar begeerte, dat zij naar het zich losmaken voeren en niet naar binding, dat zij naar het afstapelen voeren en niet naar opstapeling, dat zij naar bescheidenheid voeren en niet naar onbescheidenheid, dat zij naar genoegzaamheid voeren en niet naar ongenoegzaamheid, dat zij naar afzondering voeren en niet naar gezelligheid, dat zij naar wilskracht voeren en niet naar traagheid, dat zij naar gemakkelijke ondersteuning voeren en niet naar moeilijkheden bij de ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit de leer is, de discipline, de instructie van de Meester." (A.VIII. 53)
_____
*1] Commentaar: binding aan de kringloop van bestaan.
*2] Namelijk naar het afstapelen van het bestaansproces dat zich uit in steeds nieuwe wedergeboorte.    



2.10. Zegeningen van het luisteren naar de leer


   “Vertrouwen is het beste bezit van de man; de goede leer brengt geluk als ze juist wordt uitgevoerd. De waarheid is het zoetste genot. Met inzicht moet men leven zodat men dat het beste leven noemt.”

   “Door vertrouwen steekt men de vloed over; door onvermoeibaarheid de oceaan. Door energie komt men over het lijden heen. Door inzicht wordt men gezuiverd.”
   
   “ Wie vertrouwen heeft in de goede leer van de Volmaakte tot verkrijgen van Nibbana, die bereikt door bereidwillig luisteren hoger inzicht wanneer hij onvermoeibaar is en vol begrip. Wie doet wat gepast is, plichten op zich neemt. De arbeidzame vindt rijkdom. Door waarachtigheid bereikt men roem. Wie geeft die boeit de vrienden aan zich. Wie de eigenschappen waarachtigheid, zelfbeheersing, vastbeslotenheid en ontzegging bezit, die lijdt geen verdriet als hij is heengegaan naar een andere wereld. (S.X.12)
   

2.11. De basis voor welzijn - Vyagghapajja-Sutta

   Eens verbleef de Verhevene in het land Koliya, in de stad Kakkarapatta. Toen kwam Dīghajanu naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:
   'Heer, wij als gezinshoofden genieten van de vreugden van de zintuigen. Wij wonen midden in de drukte van vrouwen en kinderen. Wij gebruiken zeer fijn sandelhout, gebruiken bloemen, geurstoffen en zalven, gebruiken goud en zilver. Heer, moge de Verhevene ons toch de leer onderwijzen opdat het ons tot heil en zegen strekt, aan deze kant en voor het hiernamaals."

   "Vyagghapajja, vier dingen strekken een edele zoon tot heil en zegen aan deze kant, en wel: meesterschap in ijver, meesterschap in waakzaamheid, edele omgang en een gematigde levenswijze.

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in ijver? - Daar verwerft een edele zoon door de een of andere arbeid zijn levensonderhoud, hetzij door landbouw, door handel of door veeteelt, als boogschutter of koninklijke ambtenaar of door het een of andere handwerk. Daarin is hij bedreven en niet slordig, en hij weet met de juiste middelen te handelen en te regelen. Dat noemt men meesterschap in ijver.

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in waakzaamheid? - Daar bezit een edele zoon goederen die hij met vlijt en ijver heeft verworven, die hij door het werk van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht heeft verzameld, wettelijke goederen, rechtschapen verkregen. Deze goederen hoedt en bewaakt hij, om te voorkomen dat vorsten of rovers ze wegnemen of het vuur ze verwoest, het water ze wegspoelt of liefdeloze erfgenamen ze naar zich toe trekken. Dat noemt men meesterschap in waakzaamheid.

   Vyagghapajja, wat is edele omgang? - In het dorp of in de stad waar de edele zoon woont, wat daar aan gezinshoofden of hun zonen, jong en met een rijp karakter of oud en met een rijp karakter, aan wie vertrouwen, deugdzaamheid, vrijgevigheid en wijsheid eigen is, met zulke personen heeft hij omgang, onderhoudt zich met hen, voert gesprekken met hen. En degene die dusdanig vol vertrouwen is, streeft hij in vertrouwen na, degene die dusdanig deugdzaam is streeft hij in deugdzaamheid na, degene die dusdanig vrijgevig is streeft hij in vrijgevigheid na, degene die dusdanig wijs is streeft hij in wijsheid na. Dat noemt men edele omgang.

   Vyagghapajja, wat is gematigde levenswijze? - Daar kent een edele zoon zijn inkomsten en uitgaven en richt dienovereenkomstig zijn levenswijze in, niet te weelderig en niet te armoedig, wetende: 'Op deze manier zullen de inkomsten mijn uitgaven overtreffen en niet mijn uitgaven de inkomsten.'
   Vyagghapajja, wanneer de edele zoon bij geringe inkomsten een weelderige levenswijze heeft, dan zegt men van hem dat hij zijn bezit verkwist als een vijgeneter (die meer vijgen van de boom schudt dan hij voor het eten nodig heeft).
   Wanneer hij echter bij grote inkomsten een armoedige levenswijze voert, dan zegt men van hem dat hij als een hongerlijder zal sterven.
   Maar Vyagghapajja, wanneer de edele zoon zijn inkomsten en uitgaven kent en zijn levenswijze dienovereenkomstig inricht, dan noemt men dat een gematigde levenswijze.

   Vyagghapajja, voor het zo verkregen bezit zijn er vier afvloeiingen: ontucht, drankzucht, dobbelspel en omgang met slechte vrienden, slechte metgezellen, slechte kameraden.
   Vyagghapajja, voor het zo verkregen bezit zijn er vier toevoerkanalen: het mijden van ontucht, van drankzucht, van dobbelspel, en de omgang met edele vrienden, edele metgezellen, edele kameraden.
   Vyagghapajja, deze vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen aan deze zijde.

   Vyagghapajja, vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen voor het hiernamaals, en wel: meesterschap in vertrouwen, meesterschap in deugdzaamheid, meesterschap in vrijgevigheid en meesterschap in wijsheid.

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in vertrouwen? - Daar bezit de edele zoon vertrouwen. Hij heeft vertrouwen in de Verlichting van de Volmaakte, aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in deugdzaamheid? - Daar onthoudt de edele zoon zich van het vernietigen van leven, onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven, onthoudt zich van onjuist gedrag in de lusten van de zintuigen, onthoudt zich van de leugen, onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die de oorzaak zijn van onverschilligheid.

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in vrijgevigheid? - Daar leeft de edele zoon thuis met een hart dat vrij is van de ondeugd van gierigheid; hij is vrijgevig en geeft met open handen; hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.

   Vyagghapajja, wat is meesterschap in wijsheid? - Daar is aan de edele zoon wijsheid eigen. Hij is voorzien van die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele, doordringende wijsheid die naar volledige vernietiging van het lijden voert.

   Vyagghapajja, deze vier dingen strekken de edele zoon tot heil en zegen voor het hiernamaals."

   'Vol vlijt in alles wat hij doet,
   vol energie en vol gevoel voor orde,
   voert hij zijn leven heel gematigd
   em hoedt zijn schatten goed.

   Vol vertrouwen en rein van deugd,
   vrijgevig, zonder enige gierigheid
   bereidt hij steeds het pad voor
   tot heil in een andere wereld.

   Zo voeren deze acht dingen,
   door de Leraar van de waarheid verkondigd,
   de mens die vol vertrouwen thuis vertoeft,
   tot heil aan beide zijden,
   tot welzijn in deze wereld
   en tot toekomstige gelukzaligheid.

   Zo nemen van dag tot dag
   bij de lekenvolgeling
   verdiensten toe en milde gedachten."
   (A.VIII. 54)


2.12. Goede en slechte heilsleer
   
   Wie tot een slecht verkondigde leer en discipline aanspoort of zich laat aansporen, en dan dienovereenkomstig leeft, hij verschaft zich grote schuld. Want die leer is slecht verkondigd.

   Maar wie tot een goed verkondigde leer en discipline aanspoort of zich laat aansporen, en dan dienovereenkomstig leeft, hij verschaft zich grote verdienste. Want die leer is goed verkondigd.

   In een slecht verkondigde leer en discipline moet de gever [bij het geven aan asceten of priester] de maat kennen, niet de ontvanger. En wel omdat de leer slecht verkondigd is.

   In een goed verkondigde leer en discipline moet de ontvanger de juiste maat kennen, niet de gever. En wel omdat de leer goed verkondigd is.

   Wie in een slecht verkondigde leer en discipline zijn wilskracht inspant, leeft vol lijden.*1] En wel omdat die leer slecht verkondigd is.
   Wie in een goed verkondigde leer en discipline traag is, leeft vol lijden. En wel omdat die leer goed verkondigd is.
   Wie in een slecht verkondigde leer en discipline traag is, leeft gelukkig. En wel omdat die leer slecht verkondigd is.
   Wie in een goed verkondigde leer en discipline zijn wilskracht inspant, leeft gelukkig. En wel omdat die leer goed verkondigd is.
(A.I.31)
_____
*1] In dit leven leeft hij vol lijden wanneer hij ijverig is bij de uitoefening van de pijnlijke ascese. Na de dood leeft hij vol lijden bij wedergeboorte in een ongunstige sfeer. Als hij traag is in de uitoefening van de verkeerde leer, dan vermindert hij tegenwoordig en toekomstig leed.



41
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 07-09-2018 00:04 »
1. De Boeddha

1.01. Lof aan de Boeddha – Het enige wezen


   De Boeddha verscheen in de wereld tot heil, zegen en welzijn voor veel goden en mensen, uit medelijden met de wereld.
   Een Boeddha wordt zelden in de wereld geboren; toen hij in de wereld verscheen, ontstond er een wonderbaarlijk mens, zonder weerga, zonder een tweede, zonder een metgezel, zonder iemand die hem gelijk is, helemaal onvergelijkbaar.
   Bij het verschijnen van de Boeddha openbaarde zich het grote oog [van de wereld], openbaarde zich grote helderheid, groot licht. De zes onovertreffelijke goede dingen openbaarden zich, namelijk de aanblik van de Boeddha; de klank van zijn onderwijzende woorden; het verkrijgen van vertrouwen in hem; het door hem verkondigde drievoudige onderricht in zedelijkheid, concentratie en wijsheid; de aan hem bewezen dienst; de zich te binnen brengende overweging over de Boeddha. (zie A.VI.30)
Ook werden toen de vier analytische soorten weten  verwerkelijkt, namelijk het weten van het ware wezen, van de leer, van de taal en van de slagvaardigheid.
Verder werden de veelsoortige en verschillende elementen begrepen; dit  zijn de 18 elementen die de basis vormen voor alle geestelijke processen, namelijk: de vijf zinsorganen, de vijf objecten ervan, de overeenkomende vijf soorten bewustzijn; verder het geestelement, het geestobject en het geestbewustzijns-element.
Bij het verschijnen van de Boeddha werd de vrucht van weten en bevrijding verwerkelijkt. Verwerkelijkt werden toen ook de vrucht van stroomintrede, van eenmaal wederkeer, van niet wederkeer en van heiligheid.
Het heengaan van de Boeddha vervulde velen met droefenis. (zie A.I.22)

1.02. Lof aan de Boeddha, de Volmaakte – Loka sutta

   De Volmaakte (tathāgata) heeft de wereld volledig doorschouwd, en de Volmaakte is van de wereld bevrijd. De oorzaak van het bestaan van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en die oorzaak van het bestaan van de wereld heeft de Volmaakte overwonnen. De uitdoving van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en de uitdoving van de wereld is door de Volmaakte verwerkelijkt. Het pad dat voert naar de uitdoving van de wereld heeft de Volmaakte volledig doorschouwd, en hij heeft dat pad ontplooid.

   Wat in de wereld met haar goede en slechte geesten, haar Brahma-goden, de scharen van asceten en priesters, goden en mensen, gezien, gehoord, gevoeld, ingezien, bereikt is, waarnaar gestreefd wordt, wat in de geest overwogen wordt, dat heeft de Volmaakte volledig doorschouwd. Juist daarom heet hij de Volmaakte.

   Wat vanaf die nacht waarin de Volmaakte de hoogste Verlichting verkreeg, tot die nacht waarin hij uitdoofde in het Nibbāna dat van elke rest van bestaan vrij is, wat hij gedurende die tijd zei, verklaarde, uitlegde, dat alles is precies zo en niet anders. Juist daarom heet hij de Volmaakte.

   Zoals de Volmaakte spreekt, zo handelt hij; en zoals hij handelt, zo spreekt hij. Zo is hij dus iemand die spreekt zoals hij handelt en die handelt zoals hij spreekt. Juist daarom heet hij de Volmaakte.

   In de wereld met haar goede en slechte geesten, haar Brahma-goden, de scharen van asceten en priesters, goden en mensen, daar is hij de Overwinnaar, de onoverwonnene, de ziener, de machtige. Juist daarom heet hij de Volmaakte.

   De wereld heeft hij doorschouwd,
   en alles erin, zoals het werkelijk is.
   Van de hele wereld ontbonden
   zo schiep hij geen nieuwe binding.
   Als een alles-overwinnaar, sterk en wijs,
   die elke boei van bestaan helemaal brak,
   ondervond hij de hoogste vrede, het Nibbāna,
   het oord dat vrij is van vrees en nood.
   Leeg van de neigingen is hij, een Ontwaakte,
   vrij van twijfel en geheel onverstoord.
   Hij maakte een einde aan de binding van daden,
   de steun van bestaan brak hij helemaal in twee.
(Hij had de opheffing van alle karmische handelen bereikt.)
   Heerlijk verheven, een Ontwaakte,
   Hij, onvergelijkbaar, aan een leeuw gelijk,
   verkondigde aan de wereld met haar goden
   het heilige hoge rijk van de waarheid.
   De mensen en de goden
   die tot de Ontwaakte hun toevlucht namen,
   komen daarom, om hem te vereren,
   Hem, de hoge Meester in weten.
      (zij brengen hem eer door te denken:)
   'De beste is hij van de bedwongenen,
   de uitgedoofde vorst van de uitgedoofden,
   de allerhoogste van de bevrijden.'
   Ook zo brengen zij verering aan Hem,
   de hoge Meester in weten:    
      (door te denken:)
   'In de wereld met haar goden
   is er niemand die aan u gelijk is.' (A.IV.23)

1.03. Vier wonderbaarlijke dingen I

   Monniken, bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, de volmaakt Verlichte, worden de volgende vier buitengewone, wonderbaarlijke dingen bekend.

   Wanneer de Bodhisatta uit het gezelschap van de Tusita-goden verdwijnt*1] en bezonnen, helder bewust in het moederlichaam afdaalt, dan verschijnt in de wereld met haar goden, haar Maras, haar Brahmas, met haar menigte boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen, een onmetelijk verheven glans die de goddelijke pracht van de goden overtreft. En ook in die onpeilbare wereldtussenruimten*2] van chaos, somberheid en volslagen duisternis, waar zelfs deze machtige zon en maan met hun licht niet schijnen, - ook daar verschijnt een onmetelijk verheven glans die de pracht van de goden overtreft. En de wezens die daar wedergeboren werden,*3] beseften in die glans: “Er zijn hier, zo schijnt het, ook andere wezens ontstaan.”
   Monniken, bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, de volmaakt Verlichte, wordt dit eerste buitengewone, wonderbaarlijke ding bekend.*4]

   Verder, monniken, wanneer de Bodhisatta bezonnen en helder bewust uit het moederlichaam uittreedt, - en wanneer de Volmaakte de onvergelijkbare, volmaakte Verlichting verkrijgt, - en wanneer de Volmaakte het onvergelijkbare wiel van de leer in beweging zet, - dan verschijnt in de wereld met haar goden, haar Maras, haar Brahmas, met haar menigte boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen, een onmetelijk verheven glans die de goddelijke pracht van de goden overtreft. En ook in die onpeilbare wereldtussenruimten van chaos, somberheid en volslagen duisternis, waar zelfs deze machtige zon en maan met hun licht niet schijnen, - ook daar verschijnt een onmetelijk verheven glans die de pracht van de goden overtreft. En de wezens die daar wedergeboren werden, beseften in die glans: “Er zijn hier, zo schijnt het, ook andere wezens ontstaan.”
   Monniken, bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, de volmaakt Verlichte, wordt dit tweede – dit derde – dit vierde buitengewone, wonderbaarlijke ding bekend. (A.IV.127)
_____
*1] Volgens Boeddhistische overlevering verblijft iedere toekomstige Boeddha, de Bodhisatta, voordat hij op deze wereld wedergeboren wordt, in de Tusita-hemel, de hemel van de gelukzalige goden.        
2] lokantarikā. Volgens Indiase-Boeddhistische kosmologie heeft een wereldeenheid (cakkavāla) de vorm van een ronde schijf en is voor het grootste deel bedekt met water. In het midden bevindt zich de berg Meru en eromheen, naar noorden, zuiden, oosten en westen, liggen de vier werelddelen. Ontelbaar veel van zulke werelden bevinden zich in het universum.
Steeds drie van deze werelden vormen door contact van hun omtrek samen een groep. De daardoor gevormde trigonale tussenruimte in het binnenste ervan wordt gevuld door de Lokantarika-hel, de    tussenwereld.

*3] Als kamma-resultaat van zware vergrijpen tegen ouders, asceten en priesters, het regelmatig doden van levende wezens, etc.        
*4] Vgl. D. 14; M. 123.    


1.04. Vier wonderbaarlijke dingen II
   
   Bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte doen zich de volgende vier buitengewone, wonderbaarlijke dingen voor.
   De wereld die zich overgeeft aan begeerte en hechten (die zich wijdt aan het genot), die vreugde en genoegen vindt aan het begeerlijke hechten, die luistert gewillig naar de door de Volmaakte verkondigde leer die vrij is van hechten (die afgewend is van het genot); zij schenkt haar gehoor en wendt het hart naar het begrijpen ervan.
   Bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte doet zich dit eerste buitengewone, wonderbaarlijke ding voor.

   De wereld die zich overgeeft aan eigendunk, die aan eigendunk vreugde en genoegen vindt, die luistert gewillig naar de door de Volmaakte verkondigde leer die eigendunk vernietigt; zij schenkt haar gehoor en wendt het hart naar het begrijpen ervan.
   Bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte doet zich dit tweede buitengewone, wonderbaarlijke ding voor.

   De wereld die zich overgeeft aan rusteloosheid, die aan rusteloosheid vreugde en genoegen vindt, zij luistert gewillig naar de door de Volmaakte verkondigde leer die vrede brengt; zij schenkt haar gehoor en wendt het hart naar het begrijpen ervan.
   Bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte doet zich dit derde buitengewone, wonderbaarlijke ding voor.

   De wereld die verstrikt is in onwetendheid, de blinde, verstrikt in waan, zij luistert gewillig naar de door de Volmaakte verkondigde leer die aan onwetendheid een einde maakt; zij schenkt haar gehoor en wendt het hart naar het begrijpen ervan.
   Bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte doet zich dit vierde buitengewone, wonderbaarlijke ding voor.

   Dit zijn de vier buitengewone, wonderbaarlijke dingen die zich voordoen bij het verschijnen van de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte. (A.IV. 128)

1.05. Zonder angst en blaam

   In vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen, en in drie dingen is hij onberispelijk.

   In de volgende vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen:
   De Volmaakte is van zuiver gedrag in daden, van zuiver gedrag in woorden, van zuiver gedrag in gedachten en van zuivere levenswijze. Bij hem is geen slecht gedrag in daden, woorden of gedachten en geen onjuiste levenswijze; in deze vier dingen hoeft de Volmaakte zich niet in acht te nemen.

   In de volgende drie dingen is de Volmaakte onberispelijk:
   De Volmaakte heeft de leer juist verkondigd. Het is onmogelijk dat een asceet of priester, een goede of slechte geest, een god of iemand anders in de wereld hem terecht voorwerpen kan maken dat hij de leer niet juist verkondigd zou hebben; zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Volmaakte rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

   Aan de discipelen heeft de Volmaakte het pad dat naar Nibbana voert, juist onderwezen. Wanneer zij dit pad begaan, krijgen zijn discipelen na opdroging van de neigingen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Dat nu een asceet of priester, een goede of een slechte geest, een god of iemand anders in de wereld hem terecht voorwerpen kan maken dat hij dat pad niet juist zou hebben onderwezen, zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Volmaakte rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.

   Na opdroging van de neigingen hebben vele honderden van zijn discipelen nog tijdens hun leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkregen, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Dat nu een asceet of priester, een goede of slechte geest, een god of iemand anders in de wereld de Volmaakte terecht voorwerpen kan maken dat dit niet zo is, zo'n mogelijkheid is er niet. En daarom blijft de Volmaakte rustig, zonder angst, vol zelfvertrouwen.
   In deze drie dingen is hij onberispelijk.

   Dat zijn de vier dingen waarin de Volmaakte zich niet in acht hoeft te nemen en in deze drie is hij onberispelijk. (A.VII.55)

1.06. Het zelfvertrouwen van de Volmaakte

   Ook heeft de Verhevene vier soorten van zelfvertrouwen:
   Hij is er zeker van dat hij volledig verlicht is en dat hij alles heeft ingezien en onthuld.
   Hij is er zeker van dat de neigingen bij hem vernietigd zijn, dat onwetendheid is opgedroogd.
   Hij is er zeker van dat de door hem genoemde hindernissen, de dingen die verderfelijk zijn, in staat zijn iemand die erin verstrikt is, te hinderen, tot verderf te voeren.
   Hij is er zeker van dat wanneer hij aan iemand de Dhamma onderwijst, en wanneer die persoon de Dhamma dan in praktijk brengt, ze hem naar de volledige vernietiging van dukkha zal voeren.

   Een Tathāgata heeft deze vier soorten van zelfvertrouwen. Omdat hij hiermee vervuld is, blijft hij rustig, vrij van angst, vol zelfvertrouwen en maakt hij aanspraak op de hoogste plaats, laat hij onder de mensen het leeuwengebrul weerklinken, en zet hij het Brahma-wiel in beweging. (M.12; A.IV.8)

   Er zijn acht bijeenkomsten: die van de edelen, de krijgers; die van de priesters, de brahmanen; die van de burgers, de gezinshoofden; die van de monniken, de asceten; die van de Vier Grote Koningen (de goden van de vier streken); die van de goden van de Drieëndertig; die van de zinnelijke goden, het gevolg van Mara; en die van het gevolg van Brahma.
   De Volmaakte ging met vertrouwen onder die bijeenkomsten, vele honderden. En hij bleef er rustig, onverstoord, vol zelfvertrouwen. (M.12)

   De Verhevene heeft de bovenmenselijke toestanden bereikt, heeft helderheid van het weten; hij heeft het inzicht dat de edelen waardig is. Hij kent Nibbana, de opheffing van onwetendheid, het pad ernaartoe, en het gedrag dat ernaartoe voert. Terecht kan men van hem zeggen: 'Een waanloos wezen is in de wereld verschenen, tot welzijn en heil van velen, uit mededogen met de wereld, tot heil voor goden en mensen.' (M.12)

   "Al die meningen waaraan velen hechten, waarop de brahmanen en asceten hun leer bouwen, die kunnen niet bestaan voor de Volmaakte, die vol zelfvertrouwen elke mening heeft overwonnen.

   Die het rijk van de waarheid met inspanning heeft verworven, en het uit mededogen met de wezens heeft verkondigd, de hoogste onder goden en mensen, de wezens eren hem, de overwinnaar van bestaan." (A.IV.8)

1.07. De vijf krachten van de Volmaakte

   De Boeddha heeft het directe inzicht verkregen, de uiteindelijke Volmaaktheid.
   Vijf krachten bezit de Volmaakte. Hij heeft daarin de hoogste rang en heeft het rijk van de heiligheid gesticht (brahmacakkam-pavatteti). Die vijf krachten zijn:
   De kracht van vertrouwen;
   De kracht van schaamte;
   De kracht van morele vrees;
   De kracht van willen, en
   De kracht van wijsheid. (A.V.11)
   
1.08. De tien krachten van de Volmaakte

   Tien andere krachten zijn aan de Volmaakte eigen.*1] Daarmee voorzien maakt hij aanspraak op de hoogste plaats, laat hij onder de mensen het leeuwengebrul weerklinken, en zet hij het wiel van de leer in beweging.*2] Die tien krachten zijn:

1   De Volmaakte begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.*3] - Dat hij dit begrijpt, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; M.12; A.X.21)

2   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid het resultaat van de daden die in het verleden, heden en toekomst verricht zijn; hij onderkent dat resultaat elk naar reden en oorzaak.*4] - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; M.12; A.X.21)

3   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid elke afloop [van de daden]. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wegen die naar alle bestemmingsoorden voeren.*5] Er zijn vijf sferen van bestaan: 1. de neerwaartse weg, de hel; 2. de dierlijke sfeer; 3. het geestenrijk; 4. het mensenrijk; 5. het rijk van de goden. – Al die sferen van bestaan kent de Verhevene, en de weg ernaartoe, en de daden die ernaartoe voeren. - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.X.21; M.12)   

4   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de uit veel verschillende elementen bestaande wereld.*6] - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.X.21; M.12)

5   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de verschillende neigingen van de wezens.*7]
- Dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.X.21; M.12)

6   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de hogere of mindere vaardigheden van de andere wezens, van de andere personen. Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de aanleg van andere levende wezens, andere personen.*8] - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.X.21; M.12)
   
7   Verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de droefheid, de zuiverheid en het zich eruit verheffen*9] bij de meditatieve verdiepingen, bij de bevrijdingen (vimokkha), de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden. - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; A.X.21; M.12)

8   Verder herinnert de Volmaakte zich aan talrijke vroegere vormen van bestaan, met de specifieke kenmerken en eigenschappen ervan, d.w.z. aan één geboorte, twee geboorten, drie geboorten, vier geboorten, vijf geboorten, tien geboorten, twintig geboorten, dertig geboorten, veertig geboorten, vijftig geboorten, honderd geboorten, duizend geboorten, honderdduizend geboorten, veel aeonen waarin het universum zich samentrok, veel aeonen waarin het universum zich uitbreidde, veel aeonen waarin het universum zich samentrok en uitbreidde. "Daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heengegaan was, verscheen ik ergens anders weer. Ook daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heengegaan was, verscheen ik hier weer." - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; A.X.21; M.12; M.77)

9   Verder onderkent de Volmaakte met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke, hoe de wezens heengaan en weer verschijnen, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden: 'Die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest slecht hebben gedragen, die de edelen gesmaad hebben, die verkeerde visies hadden en die dat in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zij zijn na de dood wedergeboren in omstandigheden die door ontberingen bestempeld zijn, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Maar die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest goed gedragen hebben, die de edelen niet gesmaad hebben, die juiste visies hadden en die dat in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zij zijn na de dood op een gelukkige plaats van bestemming wedergeboren, ja zelfs in de hemelse wereld.' Zo ziet hij met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden verder gaan. - Dat hij dit onderkent, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; A.X.21; M.12; M.77)

10   Verder heeft de Volmaakte na opdroging van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, heeft ze zelf ingezien en verwerkelijkt. - Dat hij dit bereikt heeft, dat is een kracht waarmee voorzien de Volmaakte aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; A.X.21; M.12; M.77)

   Dit zijn de tien krachten van de Volmaakte die aan de Volmaakte eigen zijn en waarmee voorzien hij aanspraak maakt op de hoogste plaats, onder de mensen het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht. (A.VI.64; A.X.21; M.12)

   Wanneer nu anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.   
   Wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het resultaat van de in het verleden, heden en toekomst verrichte daden, elk naar reden en oorzaak, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.   
    Wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de droefheid, de zuiverheid en het omhoog stijgen bij de verdiepingen, de bevrijdingen (vimokkha), de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.   
   Wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de herinnering aan talrijke vroegere wedergeboorten, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.
   Wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van het heengaan en weer verschijnen van de wezens, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen.   
   Wanneer verder anderen naar de Volmaakte toekomen met de vraag over het overeenkomstig de werkelijkheid onderkennen van de vernietiging van de neigingen, dan legt de Volmaakte dat aan hen uit, zoals hij het overeenkomstig de werkelijkheid te weten is gekomen. (A.VI.64)
_____
*1] In A.VI.64 worden zes krachten genoemd; in M.12 en A.X.21 worden tien krachten vermeld.
*2] Het in beweging zetten van het wiel der leer betekent: de waarheid te doordringen en ze te onderwijzen.
*3] Voorbeelden voor zulke mogelijkheden en onmogelijkheden zijn genoemd in A.I.25. - Commentaar: Het weten van wat een oorzaak voor het ontstaan van een gebeurtenis kan zijn en wat niet.    
*4] Dit heeft betrekking op de wijziging van een kamma-resultaat (vipāka) elk naar bestaansvorm (gati), uiterlijke levensomstandigheden (upadhi), tijdsomstandigheden (kāla), juist of onjuist gedrag (payoga).    
   
*5] sabbatthagāmini-patipadam, letterlijk: het overal heen voerende pad. Commentaar: een handelen (patipadā = kamma), dat naar alle paden van bestaan, d.i. wedergeboorten kan voeren. Wanneer onder veel mensen ieder slechts één wezen heeft gedood, dan weet de Volmaakte onfeilbaar dat de gesteldheid van de wil (cetanā) de een naar de hel zal voeren, de ander naar het dierenrijk.
*6] Vibhanga-commentaar: De verscheidenheid van de groepen van bestaan (khandha), de grondslagen van de zintuigen (āyatana) en bewustzijns-elementen (dhātū).    
*7] Edele of lage gezindheid, met de neiging naar overeenkomende omgang.    

*8] Dit heeft betrekking op de sterkte of zwakte van de vijf geestelijke vaardigheden (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht) of van de geestelijke smetten (kilesa), op aanleg van karakter, aanwezige of ontbrekende talenten, etc.    
*9] vutthānam; het uittreden uit een verdieping om naar een hogere te gaan.    

1.09. Bovennatuurlijke krachten

   Ook verheugt de Verhevene zich over de verschillende [andere] soorten van bovennatuurlijke krachten, namelijk van één vermenigvuldigt hij zich; en daarna wordt hij weer één; hij verschijnt en verdwijnt; hij gaat ongehinderd door een muur, een omheining, een berg, alsof hij zich door de vrije ruimte beweegt; hij duikt in de grond en weer eruit alsof het water was; hij loopt over het water zonder te zinken alsof het aarde was; hij reist in de lotuszit door de ruimte als een vogel; met de hand raakt hij maan en zon aan die zo krachtig en machtig zijn; hij heeft lichamelijke beheersing die zelfs tot de wereld van Brahmâ reikt.

   Met het hemelse oor dat gezuiverd is en dat het menselijke oor overtreft, hoort de Verhevene beide soorten van geluiden, de hemelse en de menselijke, de geluiden die veraf zijn net zo als de geluiden die nabij zijn.

   De Volmaakte kent het gemoed van anderen. Hij omvat het hart van andere wezens, andere personen met zijn eigen hart. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door begeerte als door begeerte beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door begeerte beïnvloed is, als niet door begeerte beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door haat als door haat beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door haat beïnvloed is, als niet door haat beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door onwetendheid als door onwetendheid beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door onwetendheid beïnvloed is, als niet door onwetendheid beïnvloed. Hij begrijpt een geest die samengetrokken is als samengetrokken. En hij begrijpt een geest die afgeleid is, als afgeleid. Hij begrijpt een verheven geest als verheven; en een niet verheven geest als niet verheven. Hij begrijpt een overtrefbare geest als overtrefbaar; en een onovertrefbare geest als onovertrefbaar. Hij begrijpt een geconcentreerde geest als geconcentreerd; en een ongeconcentreerde geest als ongeconcentreerd. Hij begrijpt een bevrijde geest als bevrijd; en een onbevrijde geest als onbevrijd. (M.12; M.77)

1.10. De onbevlekte lotus

   Het onbeperkte gemoed van de Volmaakte vertoeft afgewend, losgemaakt en bevrijd van tien dingen: van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn; van geboorte, ouderdom, dood, lijden en hartstochten. Van die dingen afgewend, losgemaakt en bevrijd vertoeft de Volmaakte met onbeperkt gemoed.
   Juist zoals een blauwe, rode of witte lotusbloem die in het water is ontstaan, in het water opgegroeid, zich boven de waterspiegel verheft en daar staat onberoerd door het water, evenzo vertoeft de Verhevene van deze dingen afgewend, losgemaakt en bevrijd, met onbeperkt gemoed. (A.X.81)

1.11. De edele Naga

   Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. 's Morgens vroeg kleedde hij zich aan, nam oppergewaad en nap en begaf zich op weg naar Savatthi voor aalmoezen-eten.
Na de rondgang daar en na de maaltijd wendde hij zich na de middag tot de eerwaarde Ananda met de woorden:
   "Ananda, laten wij naar het oostelijke klooster gaan, naar het terrassengebouw van de moeder van Migara,*1] om daar de dag door te brengen." - "Jawel, heer," gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord. En samen met de eerwaarde Ananda ging de Verhevene naar het oostelijke klooster. 's Avonds, nadat de Verhevene zich uit de afzondering verheven had, zei hij aan de eerwaarde Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar de oostelijke badplaats*2] gaan om er onze ledematen af te spoelen." - "Jawel, heer," gaf de eerwaarde Ananda aan de Verhevene ten antwoord.
   En beiden gingen naar de oostelijke badplaats. Nadat de Verhevene daar zijn ledematen gewassen had en weer uit het water was gekomen, ging hij er - met slechts een enkel gewaad bekleed - staan om de ledematen te laten drogen.
   Op die tijd kwam Seta, de witte olifant van koning Pasenadi van Kosala, onder luide muziek en geluid van trommels van de oostelijke badplaats omhoog. Bij zijn aanblik zeiden de mensen: "Waarlijk, van heerlijke gestalte is de Naga*3] van de koning. Waarlijk bezienswaardig, gracieus, van volmaakte lichaamsbouw is de olifant van de koning." De eerwaarde Udayi*4] zei toen aan de Verhevene: "Noemen de mensen alleen een grote, volwassen, goed gevormde olifant als iets edels, of ook wanneer zij iets anders zien dat groot, volwassen en goed gevormd is?"
   "Udayi, of het nu een grote, volwassen, goed gevormde olifant is die zij zien, of als het een dergelijk paard, rund, slang, een dergelijke boom of een dergelijke mens is die zij zien, zij noemen die allemaal als edel. Maar Udayi, wie in de wereld met haar goden, haar slechte en goede geesten, met haar menigte van asceten en priesters, goden en mensen, niets onedels (na āgu) verricht in daden, woorden en gedachten, die noem ik een edele (nāgo)."*5]
   "Heer, wonderbaarlijk is het, heer, verbazingwekkend is het hoe de Verhevene zo treffend heeft gezegd dat hij alleen diegene een edele noemt die niets onedels doet. De zo treffend gesproken woorden van de Verhevene wil ik met de volgende verzen mijn instemming betonen.

   Die als een menselijk wezen volledig ontwaakt,
   die zelfbedwongen is, zelf-verdiept,
   hij schrijdt voort op het heilige pad
   en verheugt zich over de vrede van het hart.

   Aan wie de mensen eer betonen
   als een meesterkenner van alle dingen,
   aan hem bewijzen ook de goden verering,*6] -
   zo heeft men het mij van de heilige verteld.

   Hij die van alle boeien vrij is,
   van onwetendheid tot Nibbana gekomen,*7]
   die blijgestemd de zinnelijkheid ontging,
   zoals zuiver goud vrij van sintels,

   De edele overstraalt alle wezens,
   zoals de Himalaya uitsteekt boven de bergen.
   Van allen die men 'edel' noemt
   draagt hij in waarheid deze naam.

   De edele olifant zal ik nu beschrijven,
   die niet meer iets onedels doet:
   de mildheid en barmhartigheid
   gelden als zijn voorpoten;

   De achterpoten echter zijn
   het heilige leven, de ascese.
   Vertrouwen vormt zijn slurf,
   zijn witte tanden is de gelijkmoedigheid.

   De hals is zijn oplettendheid,
   waarop het hoofd, de wijsheid rust.
   Zijn voel-orgaan*8] is denken overeenkomstig de leer,
   de lichaamswarmte is de leer,*9]
   zijn staart: de afzondering.*10]
   Zoals hij blij is met lichte adem,
   zo maakt hem de meditatieve verdieping gelukkig.

   Zijn innerlijk is goed gevat.
   Ook wanneer hij gaat en staat
   is de edele, verhevene, bezonnen.

   Ook wanneer hij zit en ligt
   behoudt hij bezonnenheid;
   en rondom is hij steeds beheerst.

   Dit waarlijk is de edele soort.
   Onberispelijk is zijn voedsel,

   Met voedsel en gewaad bedacht,
   zal hij dat niet opsparen.
   Of de boei nu sterk was of zwak,
   elke band heeft hij geëlimineerd.

   Daarom, waar hij ook gaat,
   hij gaat steeds vrij van zorgen.
   Zoals de lotusbloem, in de poel ontstaan,
   steeds hoger groeit,
   door het water helemaal niet nat gemaakt,
   heerlijk en met een zoete geur,

   Zo trad de Boeddha in de wereld,
   en in de wereld vertoeft hij;
   maar die kan hem niet besmetten
   zoals het water niet de lotuskelk.

   Juist zoals de lichte vuurgloed uitdooft
   zodra de brandstof ontbreekt,
   zo geldt hij als uitgedoofd zonder rest
   zodra de levenswil sterft.*11]

   Deze gelijkenis, het begrijpelijke,
   werd door de wijze getoond.
   De grote Nagas*12] zullen allen
   de Naga begrijpen, door de Naga uitgelegd.

   De Naga in wie begeerte, haat en waan
   en alle neigingen zijn opgedroogd,
   laat zijn laatste lichaam terug,
   bevrijd van elke neiging en van onwetendheid."
   (A.VI.43)
_____
*1] Migara's moeder: hiermee wordt de vrome Visakha aangeduid. Zij bekeerde namelijk haar schoonvader Migara tot de leer van de Boeddha. Migara stelde haar toen op de plaats van moeder en respecteerde haar ook zo.
*2] pubba-kotthaka. De volgende scène met de olifant maakt de uitleg in het subcommentaar waarschijnlijk dat het hier gaat om een badstrand gelegen in de buurt van de oostelijke poort van de stad aan de oever van de rivier Aciravati, waar afzonderlijke plaatsen voor de koning, de stadsbewoners, de gemeenschap van de monniken en de Boeddha waren gereserveerd. - Een bad van de Boeddha op dezelfde plek wordt met dezelfde woorden beschreven in M.26.    

*3] Naga is een aanduiding voor olifant, slang, drakensoortige slangengodheden, en ook in overdragende zin voor bijzondere geweldige en edele wezens, zoals zieners, yogis, heiligen en voor de Boeddha zelf.    
*4] Volgens het commentaar gaat het hier om de monnik Kaludayi machtig in het analytische weten.    
*5] Het hier gegeven woordspel (na agu – nago) is natuurlijk niet als een etymologie van het woord nāga bedoeld.    
*6] De nadruk van deze beide verzen ligt blijkbaar daarop dat de Boeddha als een menselijk wezen (manussa-bhūtam) zelfs door de goden gehuldigd moet worden.
   
*7] vanā nibbānam āgatam. Het woordspel in het Pali heeft betrekking op een oude etymologie voor Nibbāna (Skr: nirvāna): nir-vana, vrij zijn van de jungle (vana) van de lust.    
*8] vīmamsā, 'het zoekende'. Commentaar: de punt van de slurf.    
*9] kucchi-samātapo. Commentaar: samāvāpo. Dit heeft blijkbaar betrekking op de lichaamswarmte die het voedsel verteert. Als de 'leer' (dhamma) geldt hier, volgens het commentaar, de vierde verdieping als uitgangspunt voor verscheidene hogere geestelijke krachten en    bewustzijnstoestanden.    
*10] Commentaar: zoals de staart van de olifant de muggen verjaagt, zo houdt de innerlijke en uiterlijke afzondering van de Verhevene de storingen af door gezinshoofden en monniken.    

*11] sankhāres'ūpasantesu; letterlijk: wanneer de karmische wilskracht is beëindigd, uitgedoofd. - Het is het opheffen van de persoonlijkheid. Zie hierover: De zesvoudige zesheid (M.148) 
*12] nāgā; hier: de heiligen.


1.12. Eerbetoon door koning Pasenadi
   
   Na een veldslag bracht koning Pasenadi eens in het Jetavana klooster eer aan de Boeddha. De Verhevene vroeg hem waarom de koning zo'n hoogste eerbied bewees. De koning zei:
   "Eerwaarde, uit dankbaarheid en erkentelijkheid bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding. Want Eerwaarde, de Verhevene gaat rond tot heil en zegen voor veel mensen. En velen heeft hij in de leer van het heilige pad gevestigd, namelijk in het goede en heilzame. Om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder is de Verhevene rein van deugden; hij is van rijpe zedelijkheid, van edele heilbrengende deugdzaamheid, is met heilbrengende deugdzaamheid voorzien. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder bewoont de Verhevene al lang als bos-eremiet eenzame afgelegen huisvestingen in het bos. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder is de Verhevene tevreden met alles wat hij ook maar ontvangt aan gewaad, aalmoezenspijs, woonplek en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder is de Verhevene offergaven waard, gastgeschenken waar, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is hij in de wereld het beste veld voor verdienstelijke daden. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder, wat er voor gesprekken zijn die de ontsluiting van de geest bevorderen, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, eenzaamheid, afzondering, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken vallen de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite ten deel. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder verkrijgt de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite de vier meditatieve verdiepingen, de verheven geestelijke, die momenteel welzijn verschaffen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder herinnert de Verhevene zich aan menigvuldige vroegere vormen van bestaan.*1] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder ziet de Verhevene met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, hoe de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. En hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden.*2] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.
   Eerwaarde, verder heeft de Verhevene door opdroging van de neigingen nog in dit leven zich de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid eigen gemaakt, ze zelf inziende en verwerkelijkende.*3] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding." (A.X.30; vgl. M.89)
_____
*1] Zie verder bij: De tien krachten van een Tathagata, nr. 8.
*2] Zie verder bij: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 9.
*3] Vergelijk: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 10.



1.13. Het machtbereik van een Ontwaakte


   Eens richtte de eerwaarde Ananda zich tot de Verhevene met de volgende woorden:
   "Heer, uit de mond van de Verhevene heb ik het volgende vernomen. 'Toen Abhibhu, de discipel van de eerwaarde Sikhi*1] in de wereld van Brahma verbleef, kon hij zich met zijn stem in een duizendvoudig wereldsysteem verstaanbaar maken.' Heer, hoe ver echter kan de Verhevene, heilige, volmaakt ontwaakte, met zijn stem reiken?"
   "Ananda, hij was een discipel; onmeetbaar evenwel zijn de Volmaakten."
   Een tweede keer herhaalde de eerwaarde Ananda zijn vraag. En hij kreeg hetzelfde antwoord.
   Een derde keer herhaalde de eerwaarde Ananda zijn vraag. En de Verhevene gaf ten antwoord:
   "Ananda, heb je wel eens van een klein duizendvoudig wereldsysteem gehoord?" - "Heer, het is nu de tijd dat de Verhevene daarover spreekt. De monniken zullen de woorden van de Verhevene onthouden." - "Wel, Ananda, luister dan oplettend naar mijn woorden." - "Jawel, heer," gaf de eerwaarde Ananda ten antwoord. En de Verhevene sprak:

   "Ananda, zover als zon en maan hun baan trekken, het uitspansel in helder licht straalt, duizend maal zo ver strekt zich een wereld uit. In die duizendvoudige wereld zijn duizend manen, duizend zonnen, duizend Merus de koningen van de bergen, duizend rozenappel-continenten, duizend westelijke Goyāna-continenten, duizend noordelijke Kuru-continenten, duizend Videha-continenten,*2] vierduizend oceanen, duizend maal vier Grote goden-koningen, duizend werelden van de Vier Grote goden-koningen, duizend hemelen van de Drieëndertig, duizend hemelen van de Yāma-goden, duizend hemelen van de Zalige goden, duizend hemelen van de goden die graag scheppen, duizend hemelen van de goden die heersen over de scheppingen van anderen, duizend Brahma-werelden. - Ananda, dat noemt men een klein duizendvoudig wereldsysteem.
   Ananda, zo ver nu als een klein duizendvoudig wereldsysteem zich uitstrekt, er bestaat een wereld die het duizendvoudige daarvan is. En die wereld noemt men een middel duizendvoudig wereldsysteem, het duizendvoudige in de tweede macht (dvisahassī majjhimā lokadhātu). En zo ver als een dergelijk middel duizendvoudig wereldsysteem zich uitstrekt, er bestaat een wereld die het duizendvoudige daarvan is. En die noemt men een groot duizendvoudig wereldsysteem, het duizendvoudige in de derde macht.
   Wanneer nu de Volmaakte het wenste, dan zou hij met zijn stem een groot duizendvoudig wereldsysteem kunnen bereiken, het duizendvoudige in de derde macht, of zoveel als hij dan wil."
   "Heer, op welke manier kan de Verhevene met zijn stem een groot duizendvoudig wereldsysteem bereiken, het duizendvoudige in de derde macht, of zoveel als hij wil?"
   "Ananda, de Volmaakte doorstraalt dan met zijn glans een groot duizendvoudig wereldsysteem, het duizendvoudige in de derde macht. En zodra de wezens daar dat licht waarnemen, laat de Volmaakte zijn roep weerklinken, laat zijn stem vernemen.
   Anana, zo kan de Volmaakte met zijn stem een groot duizendvoudig wereldsysteem bereiken, het duizendvoudige in de derde macht, of zoveel als hij wil."

   Na deze woorden zei de eerwaarde Ananda aan de Verhevene:*3] "Wat een geluk voor mij. Goed heb ik het getroffen dat ik een zo machtige, zo geweldige meester heb."
   Na deze woorden zei de eerwaarde Udāyi aan de eerwaarde Ananda: "Wat voor nut heb jij eraan, broeder Ananda, dat jouw meester zo machtig, zo geweldig is?"*4]
   De Verhevene richtte zich toen tot de eerwaarde Udāyi met de woorden: "Udāyi, zo niet; Udāyi, zo niet. Indien Ananda zou sterven zonder van begeerte bevrijd te zijn, dan zou hij, juist ten gevolge van dit vreugdige vertrouwen in zijn hart, zeven keer bij de godheden de goden-heerschappij en zeven maal in dit Indiase werelddeel de konings-heerschappij voeren. Maar Udāyi, Ananda zal nog in dit leven volledig van de waan uitdoven.*5] (A.III.81)
_____
*1] Sikhi is de naam van een eerdere Boeddha.    
*2] Dit zijn de vier continenten die volgens Indiase kosmologie rondom de berg Meru (Sineru) gegroepeerd zijn: 1. Jambudīpa (= India), 2. Aparagoyāna, 3. Uttarakuru, 4. Pubbavideha.    
*3] In enige tekstuitgaven staat hier: 'aan de eerwaarde Udāyi'; in andere uitgaven ontbreekt tot wie Ananda spreekt.
*4] Commentaar: Udayi = Lāludāyi. Deze was enige tijd de monnik die voor de Boeddha zorgde. Hij koesterde een wrok tegen Ananda die later voor    de Boeddha zorgde. Hier uitte hij die wrok.
*5] De eerwaarde Ananda werd een volmaakte heilige in het 25e jaar na zijn intrede in de Orde, 27 jaar na de Verlichting van de Boeddha.



1.14. Overdenking van de ascetische oefeningen die de Bodhisatta uitoefende

   Voor de volmaakte Verlichting heeft de Bodhisatta, de Boeddha in wording, ascese uitgeoefend, het uiterste aan ascese. Hij heeft ruwheid uitgeoefend, het uiterste aan ruwheid. Hij heeft vermijding uitgeoefend, het uiterste aan vermijding. Hij heeft teruggetrokkenheid uitgeoefend, het uiterste aan teruggetrokkenheid.   

   Hij was een onbeklede, een ongebondene, iemand die uit de hand at, geen aankomende en geen afwachtende. Hij duldde geen aanreiking, geen gunsten, geen uitnodiging. Hij keek bij het ontvangen van de aalmoezen niet naar de pot, niet naar de schotel, niet naar de deuringang, keek niet over het hekwerk, niet in de pan. Hij nam niets aan van lieden die met z’n tweeën eten, niets van een zwangere, niets van een zogende, niets van een vrouw die van de man komt, niets van bevuilden, niets waar een hond bij stond, niets waar vliegen heen en weer zwermden. Hij at geen vis, geen vlees, dronk geen wijn, geen brandewijn, at geen gegiste haverbrij.
        Hij ging naar één huis en had genoeg aan één handvol eten. Hij ging naar twee huizen en had genoeg aan twee keer een handvol eten. Hij ging naar zeven huizen en had genoeg aan zeven keer een handvol eten. Hij hield zich in leven door de milddadigheid van slechts één geefster, van slechts twee geefsters, van slechts zeven geefsters. Hij at slechts iedere eerste dag, slechts iedere tweede dag, slechts iedere zevende dag. Zo wisselde hij af en beschouwde streng deze vastenoefening die tot een halve maand zich uitstrekte.
En hij leefde van kruiden en paddenstoelen, van wilde rijst en graan, van zaad en pitten, van plantenmelk en boomhars, van grassen, van koeienmest. Hij hield zich in leven met wortels en bosvruchten. Hij leefde van afgevallen vruchten.
        En hij droeg het hemd van hennep, het boetekleed, droeg een gewaad genaaid uit lompen die op het lijkenveld of op straat gevonden waren. Hij hulde zich in lompen, in vellen, in huiden, omgordde zich met vlechten uit gras, met vlechten uit boomschors, met vlechten uit loof. Hij verborg zijn naaktheid onder een schort van pels, een borstelige schort, onder een uilenvleugel.
        En hij rukte hoofd- en baardharen uit. Hij was iemand die steeds bleef staan en die niet ging zitten of liggen. Hij zat op zijn hielen. Hij ging op de zijkant liggen op een doornen bed. Elke avond daalde hij voor de derde keer af in het boetelingenbad. Zo oefende hij veelvuldig in de ascese van lichamelijke pijn.
   En vele jaren lang liet hij stof en vuil zich ophopen op het lichaam, tot het vanzelf afviel. En hij had niet het verlangen die laag van stof en vuil af te wassen.
   En hij oefende weemoed. Elke schrede was begeleid van helder bewustzijn. Zelfs een druppel water wekte medelijden in hem op. 'Dat ik het kleine verdwaalde wezen toch geen schade toebreng.'
En hij leerde het vertrekken. Hij ging in een bos en bleef er. Als hij dan een koeienherder of een veedrijver zag, of een kruidenzoeker, een houtsprokkelaar of een houthakker, dan vluchtte hij van woud naar woud, van bos naar bos, van dal naar dal, van berg naar berg. De reden: zij zouden hem niet zien en hij wilde hen niet zien.
   En hij ging naar de kudden, naar de vastgebonden koeien en verzamelde in zijn aarden nap mest van de jonge zogende kalveren en daarvan leefde hij. En hij at en dronk ook zijn eigen uitwerpselen en urine.
   En hij ging in een ander verschrikkelijk bos om er te vertoeven. En daar heerste zo'n ontzetting dat bij iedere onheilige zwerver daar de haren te berge gingen staan. En tijdens de koude ijskoude nachten in de winter, tijdens de vorst, verbleef hij ‘s nachts op een open plek en overdag in het struikgewas. In de zomer, tijdens de hitte, verbleef hij overdag op een open plek en ‘s nachts in het struikgewas.
   En hij ging naar een lijkenplaats en ging er liggen op een hoop vergane gebeenten.
   Kinderen van herders kwamen naar hem toe, spuwden op hem en urineerden op hem, wierpen rotzooi naar hem en peuterden met spitse halmen in zijn oren. Maar er kwam geen boze gedachte in hem op. Dat is zijn gelijkmoedigheid geweest.

   Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. Zij sporen aan om van steenappels te leven. Zij eten steenappels, drinken het sap ervan, genieten allerlei gerechten gemaakt van steenappels. - De Bodhisatta at slechts één steenappel per dag. En zijn lichaam werd buitengewoon mager.
   Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. En zij sporen aan om bonen te eten, om van sesam te leven, om van rijst te leven. Zij verteren rijst, eten rijstebrij, drinken rijstwater, genieten allerlei gerechten uit rijst. - De Bodhisatta at dagelijks slechts één rijstkorrel. En zijn lichaam werd buitengewoon mager.
   Zijn armen en benen werden zoals dor verwelkt riet door die uiterst geringe opname van voedsel. Zijn zitvlak werd als de hoef van een kameel, zijn ruggegraat met de vooruit- en achteruit stekende wervels werd als een ketting van kogels door die uiterst geringe opname van voedsel. Zijn ribben hieven zich vierkantig af zoals de daksparren van een oud huis. In zijn oogkassen verschenen de diepliggende oogsterren klein, door die uiterst geringe opname van voedsel. Zijn hoofdhuid werd hol en schrompelig erdoor. En toen hij het vel van de buik wilde voelen, raakte hij de ruggengraat aan. En toen hij de ruggengraat wilde betasten, raakte hij het vel van de buik aan. En dat kwam door die uiterst geringe opname van voedsel. En hij wilde ontlasting maken en urineren maar viel voorover door de uiterst geringe opname van voedsel. Om het lichaam te sterken wreef hij zijn ledematen met de hand. Daarbij vielen de lichaamsharen uit die aan de wortel rot waren, door die uiterst geringe opname van voedsel.
   Deze manier van ascese bracht hem niet dichter bij het bovenaardse heil van het heldere weten. En wel omdat hij de heilige wijsheid niet verworven had. (M.12. Zie ook M.II.24)

1.15. De vijf droombeelden van de Bodhisatta - Mahasupina Sutta

   Monniken, de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte, had kort voor zijn volmaakte Verlichting, toen hij nog een onverlichte, een Bodhisatta was, de volgende vijf verheven droombeelden.
   Deze enorme aarde vormde zijn grote bed. De Himālaya, de koning van de bergen, had hij als hoofdkussen. Op de oostelijke oceaan rustte zijn linkerhand, op de westelijke oceaan lag zijn rechterhand en op de zuidelijke oceaan rustten zijn voeten. Monniken, dit was het eerste verheven droombeeld dat hij had.
   Verder, monniken, groeide een grassoort met naam Tiriya*1] uit zijn navel omhoog tot aan het hemelgewelf. Dit is het tweede verheven droombeeld dat hij had.
   Verder, monniken, kropen witte wormen met zwarte koppen zijn benen omhoog en bedekten die tot aan de knieschijven. Dit is het derde verheven droombeeld dat hij had.
   Verder, monniken, kwamen vier vogels van verschillende kleuren uit de vier windrichtingen aangevlogen, lieten zich aan zijn voeten neer en werden toen volledig wit. Dit is het vierde verheven droombeeld dat hij had.
   Verder, monniken, liep hij steeds hoger op een hoge berg van uitwerpselen zonder door die uitwerpselen bevlekt te worden. Dit is het vijfde verheven droombeeld dat hij had.

   Het eerste verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte de onvergelijkbare, hoogste Verlichting zal verkrijgen.
   Het tweede verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte het edele achtvoudige pad zal inzien en het, zover er goden en mensen zijn, duidelijk zal uitleggen.
   Het derde verheven droombeeld toonde hem dat talrijke in het wit geklede leken bij de Volmaakte tijdens zijn leven hun toevlucht zullen nemen.
   Het vierde verheven droombeeld toonde hem dat de mensen van de vier kasten*2]– edellieden, brahmanen, burgers en dienaren – bij het vernemen van de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het leven in huis in de huisloosheid vertrekken en de onvergelijkbare bevrijding zullen verwerkelijken.
   Het vijfde verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, heilige, volmaakt Verlichte rijkelijk voorzien wordt met gewaad, aalmoezenmaaltijd, rustplaats en de benodigde medicijnen en dat hij daarvan gebruikt maakt, zonder eraan te hechten, onverblind en er niet in verstrikt.
   Deze vijf verheven droombeelden had de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte, kort voor zijn volmaakte Verlichting, toen hij nog een onverlichte, een Bodhisatta was.*3] (A.V.196)
_____
*1] Een klimplant.
*2] Bij intrede in de Orde valt ieder verschil in kaste weg. - Vergelijk de vierde overeenkomst van de oceaan met de leer van de Boeddha, in 2.07. Gelijkenis van de oceaan (A.VIII.19)
*3] Volgens het commentaar zijn er vier soorten van dromen. (1) De eerste soort ontstaat door prikkeling van gal, slijm of lichaamsgassen. Men droomt dan dat men van een berg valt, door de lucht vliegt, door wilde dieren achtervolgd wordt e.d. (2) De tweede soort bestaat uit herinneringsbeelden van vroegere indrukken. (3) De derde soort wordt veroorzaakt door goede of kwade geesten. (4) De vierde soort bestaat in voortekenen van komende gebeurtenissen, zoals de hier genoemde droombeelden van de Bodhisatta.

   De beide eerste soorten van dromen zijn volgens het commentaar onechte dromen. De derde soort is soms waar soms niet waar. De vierde soort is steeds waar.        

1.16. Redenen waarom de Boeddha geëerd en gerespecteerd wordt

   Eens legde de Boeddha uit waarom hij door zijn volgelingen geëerd en gerespecteerd wordt.

   "De Verhevene wordt door zijn volgelingen geëerd vanwege zijn hogere deugdzaamheid. Zij hoogachten zijn voortreffelijke weten en schouwen; hij weet waarachtig en ziet waarachtig. Hij onderwijst de Dhamma door hogere geestelijke kracht, met vaste basis, op een overtuigende manier. De Verhevene wordt geëerd vanwege zijn hogere wijsheid. Hij kan met argumenten de leerstellingen van anderen weerleggen. Zijn volgelingen vragen hem over de edele waarheid van dukkha. Die waarheid wordt dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders. Zij vragen ook over de edele waarheid van de oorsprong van dukkha. Zij vragen ook over de edele waarheid van het beëindigen van dukkha. En zij vragen over de edele waarheid van de weg die naar het beëindigen van dukkha voert. Die waarheden worden dan uitgelegd, tot volle tevredenheid van de toehoorders.

   Verder heeft de Verhevene aan zijn volgelingen de weg onderwezen tot ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid.

   Verder heeft de Verhevene hun de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier juiste inspanningen, namelijk zich inspannen om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; zich inspannen om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; en zich inspannen om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier krachten, namelijk concentratie van de wil, concentratie van energie, concentratie van bewustzijn, van het gemoed, en concentratie van onderzoek.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke vaardigheden, namelijk vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht. Deze vaardigheden voeren naar vrede, naar Verlichting.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vijf geestelijke krachten, namelijk de geestelijke krachten van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Deze geestelijke krachten voeren naar vrede, naar Verlichting.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de zeven factoren van Verlichting, namelijk oplettendheid (sati); het onderzoeken van de verschijnselen (dhammavicaya); energie (viriya); enthousiasme, geestvervoering, extase (pīti); kalmte (passaddhi); concentratie (samādhi); en gelijkmoedigheid (upekkha). Deze zeven factoren worden bevorderd door onthechten en voeren naar Nibbāna.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest en juiste concentratie.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht bevrijdingen. Van vorm vervuld ziet men vormen. Inwendig ziet men geen vorm, uitwendig ziet men vorm. Men is vastbesloten tot het schone. Met volledige overwinning van de waarneming van vorm, met het verdwijnen van de waarneming van uitwerking van de zintuigen, treedt men in het gebied van "ruimte is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "bewustzijn is oneindig". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van "er is niets". Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van noch waarneming noch niet waarneming. Dat gebied overwint men en men betreedt het gebied van het beëindigen van waarneming en gevoel. En daardoor bereiken veel van zijn volgelingen de volmaaktheid van de hogere geestelijke kracht.

   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de acht overwinningsgebieden.
   1. Inwendig neemt men vorm waar en men ziet uitwendig vormen die begrensd zijn, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   2. Terwijl men innerlijk vorm waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   3. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, begrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   4. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, onbegrensd, mooie en lelijke. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   5. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, blauw, met een blauwe kleur, met een blauw uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   6. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, geel, met een gele kleur, met een geel uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   7. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, rood, met een rode kleur, met een rood uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   8. Terwijl men innerlijk vorm niet waarneemt, ziet men uiterlijk vormen, wit, met een witte kleur, met een wit uiterlijk. Terwijl men ze overwint, neemt men ze aldus waar: "Ik weet, ik zie."
   
   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de tien kasina-fundamenten.*1] De een neemt het aarde-kasina waar, boven zich, onder zich en overal, ongedeeld en onbegrensd. Een ander neemt het water-kasina waar, of het vuur-kasina, of het wind-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Iemand anders neemt het blauw-kasina waar of het geel-kasina of het rood-kasina, of het wit-kasina, ongedeeld en onbegrensd. Weer iemand anders neemt het ruimte-kasina waar of het bewustzijn-kasina, ongedeeld en onbegrensd.
   
   Verder heeft de Verhevene zijn volgelingen de weg verkondigd tot ontplooiing van de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).
   1. Volledig afgescheiden van zin-genot, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, treedt iemand binnen in de eerste jhana. Ze gaat samen met beginconcentratie van de geest en met aanhoudende concentratie ervan, gaat samen met vervoering en zaligheid welke uit de afgescheidenheid is ontstaan. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet door deze vervoering en zaligheid doordrongen is.
   2. Door het tot bedaren brengen van begin- en aanhoudende toewending van de geest (naar het meditatie-object) treedt iemand binnen in de tweede jhana. Ze bevat innerlijke kalmte en geestelijke eenwording. En men vertoeft erin met vervoering en zaligheid. Hij laat de vervoering en zaligheid dit lichaam geheel doordringen, zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet erdoor doordrongen is.
   3. Met het afnemen van vervoering vertoeft men in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust. En men treedt binnen in de derde jhana die vol lichamelijk ondervonden zaligheid is. Hiervan zeggen de heiligen: 'Zalig vertoeft degene die vol gelijkmoedigheid en vol oplettendheid is.' En men verblijft in die derde meditatieve verdieping. Men laat de zaligheid die vrij van vervoering is, het hele lichaam doordringen zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door de gelukzaligheid die vrij van vervoering is.
   4. Met het overwinnen van geluk en pijn, en door het al eerder verdwijnen van vreugde en verdriet, treedt men binnen in de vierde jhana. Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana noch iets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; maar ze heeft de zuiverheid van de oplettendheid. En men vertoeft erin. En men doordringt dit lichaam met een zuiver, helder hart zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door het zuivere, heldere hart.

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd tot het volgende inzicht. "Dit lichaam van mij dat uit materiële vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrij opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden."

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe men vanuit dit lichaam een ander lichaam schept dat vorm bezit, dat uit de geest is geschapen, met alle ledematen, waaraan geen vaardigheid ontbreekt.

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe men de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten beheerst. Van één wordt hij meervoudig; van meervoudig wordt hij weer één. Hij kan zichtbaar en onzichtbaar worden. Hij kan door muren, omwallingen en bergen zweven als door de lucht. Hij kan op de aarde op- en onderduiken als in het water. Hij kan op het water lopen zonder te zinken, alsof hij op de aarde loopt. Hij kan in lotuszit door de lucht vliegen als een vogel. Hij kan de maan en de zon met de hand aanraken en betasten. Hij kan het lichaam beheersen tot zelfs in de Brahma-wereld.

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe men met het hemelse oor, dat zuiver is en dat boven menselijke grenzen reikt, beide soorten van geluiden kan horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden van verre en die van nabij.

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe zij het gemoed van anderen kunnen begrijpen nadat zij het met hun eigen hart hebben omvat. Zij weten wie begerig is en wie niet. Zij weten wie haat heeft en wie niet. Zij weten wie onwetend is en wie wetend. Zij weten wie geconcentreerd is en wie ongeconcentreerd. Zij weten wie een verheven geest heeft en wie een niet verheven geest heeft. Zij weten wie naar het hogere streeft en wie naar het lagere. Zij weten wie edel is en wie onedel. Zij weten wie rustig is en wie rusteloos. Zij weten wie bevrijd is en wie niet bevrijd is.

   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe zij zich aan veel vroegere levens kunnen herinneren, d.w.z. aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.000 levens, aan veel aeonen van wereldvergaan, aan veel aeonen van wereldontstaan, aan veel aeonen van wereldontstaan en wereldvergaan. Zij herinneren zich welke naam zij er hadden, tot welke familie zij behoorden; zij herinneren zich hoe zij eruit zagen, wat hun voedsel was, wat zij er ondervonden aan wel en wee, hoe hun levensspanne was; zij herinneren zich waar zij na de dood wedergeboren werden. Zij herinneren zich aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan.
   
   Verder heeft de Verhevene zijn discipelen de weg verkondigd hoe zij met het hemelse oog, dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, kunnen zien hoe de wezens sterven en wedergeboren worden, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende. Zij begrijpen hoe de wezens verder gaan overeenkomstig hun daden. "Wie zich in daden, woorden en gedacht

42
Theravada Boeddhisme / Re: Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 06-09-2018 15:14 »
01. Vertrouwen I

   Wie vertrouwen heeft in de Verlichting van de Verhevene, dat strekt hem tot heil en zegen voor het hiernamaals. (A.VIII.54)

   Vertrouwen in de Boeddha, in zijn leer en in de gemeenschap van de heiligen wordt uitgedrukt door de toevluchtname en door te denken aan het Drievoudige Juweel.

   Wie aan de Boeddha denkt, of aan zijn leer, of aan de gemeenschap van de heiligen, bij hem of haar verdwijnt elke angst of vrees of paniek die mogelijk ontstaat.

   "Als u de Boeddha voor uw geest roept,
   zal er helemaal geen vrees voor u zijn.
   En als u niet aan de Boeddha denkt,
   denk dan aan de leer die goed verkondigd is
   en die naar Nibbāna voert.
   En als u niet aan de leer denkt,
   denk dan aan de Orde, dat prachtige veld
   van verdienste voor allen.

   Degenen die de verheven Boeddha,
   de edele leer en de Ariyasangha
   zich voor de geest roepen,
   zal geen angst noch vrees doen beven.” (S.XI.3)

02. Toevluchtname

Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha;
ik neem mijn toevlucht tot zijn leer;
ik neem mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.4]

Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;
nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;
nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.

Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;
nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;
nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.
(Vin.I.22; zie ook: M.I.24).
_____
4] Met de gemeenschap van de heiligen wordt bedoeld de Ariyasangha, de gemeenschap van degenen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen kunnen ook leken behoren.

03. Denken aan het Drievoudige Juweel

   ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

   ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene;*1] hier en nu op juistheid te controleren;*2] met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’*4]

   ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag*5] is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag*6] is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen*7] – is offergaven*8] waard, is gastvrijheid*9] waard, is geschenken waard,*10] is waard eerbiedig gegroet te worden,*11] is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’*12]
(A.IV.52; S.XI.3; zie ook M.12 en M.89)
_____
*1] De leer is duidelijk uitgelegd door de Verhevene. Ze is vrij van uitersten. Er zijn geen inconsequenties in. Er zijn geen tegenstrijdigheden in; ze is voorzien van de drie soorten goedheid. Ze is zonder smet. Ze voert wezens naar uitdoving.
*2] Ze is zichtbaar, want men verkrijgt de paden en vruchten achtereenvolgend. En ze is ook zichtbaar omdat men uitdoving, Nibbana ziet, en de andere vruchten van het pad.
*4] Als men de leer erkent en geen andere leringen aanneemt, dan ontstaat de kennis van opgeven, verzaking, kennis van het ongeborene en de kennis van vrijheid.
De leer is het oog, is kennis, is vrede, is de weg naar het Doodloze, is opgeven, verzaking, is de plaats van toevlucht.

Als men zo overweegt, wordt de geest gevuld met vertrouwen. Daardoor is de geest ongestoord. En daardoor vernietigt men de hindernissen, wekt men meditatie op, (jhana) factoren, en vertoeft men in begin-concentratie.
*5] oprecht gedrag – want zij volgen het achtvoudige pad en de vier edele waarheden; en zij bereiken Nibbana.
*6] plichtsgetrouw gedrag – zij zijn volmaakt in de praktijk van eenheid. Zij zien de grote vrucht en toename van deugd daardoor.
*7] De vier paren van personen, d.w.z. de personen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben.

*8] offergaven – zij zijn waard offergaven te ontvangen; en groot is de vrucht die verkregen wordt door zulke offergaven.
*9] gastvrijheid – zij zijn waard uitgenodigd te worden.
*10] geschenken – men verkrijgt grote vrucht door het geven van verscheidene dingen aan hen.
*11] eerbiedig gegroet – zij zijn waard eerbied te ontvangen.
*12] onvergelijkbaar – zij bezitten vele deugden.
Veld van verdienste – dit is de plaats waar alle wezens verdienste verwerven.
   (bron: Vimutthimagga, p. 149-152)


04. De Juweel-toespraak
   
Inleiding

   In het vijfde jaar na de Verlichting ontstond er hongersnood in de stad Vesāli. Ten gevolge daarvan stierven eerst de arme mensen. De stank van hun lichamen trok een groot aantal geesten aan. Aangetast door die boze geesten stierf een nog groter aantal mensen. Zó groot was de stank van de lijken dat de inwoners ingewandsziekten kregen. Er waren toen dus drie plagen: de plaag van hongersnood, de plaag van boze geesten en de plaag van ziekte.
   De inwoners van Vesāli nodigden toen de Boeddha, die te Varanasi vertoefde, uit om hun te komen helpen door zijn bovennatuurlijke krachten. En de Verhevene ging met een groot gevolg naar Vesāli.
   Sakka, de koning van de goden, kwam in gezelschap van een groep godheden eveneens naar Vesāli. En door het samenkomen van zulke machtige goden sloegen de boze geesten voor het grootste deel op de vlucht.
   In de avond stond de Leraar bij de poort van de stad en sprak tot de ouderling Ānanda: “Ānanda, ontvang van mij deze Juweel-toespraak en reciteer ze als bescherming binnen de drie muren van de stad Vesāli, terwijl je met de Licchavi-prinsen de ronde doet in de stad.”
   De ouderling ontving de Juweel-toespraak uit de mond van de Leraar, nam water in de stenen nap van de Meester en ging naar de stad. Daar nam hij zijn plaats in aan de poort. Toen hij daar stond, mediteerde hij over alle verdiensten van de Boeddha, te beginnen met diens verheven besluit. Vervolgens beschouwde hij de tien volmaaktheden van de Tathāgata; de vijf grote opofferingen; de drie verdienstelijke daden ten behoeve van de wereld, ten behoeve van zijn verwanten en omwille van de Verlichting; zijn bereiken van alwetendheid en de negen bovenzinnelijke voorwaarden.
   Daarna betrad Ānanda de stad en ging gedurende de drie nachtwaken rond binnen de drie muren van de stad. Hierbij reciteerde hij de Juweel-toespraak als bescherming.

   Op het moment dat de eerwaarde Ānanda de woorden: “Wat er bestaat” (vers drie) uitsprak en het water omhoog sprenkelde, viel het op de boze geesten. Vanaf de derde strofe rezen druppels water die op zilveren bolletjes leken, omhoog in de lucht en vielen op de zieke mensen. Onmiddellijk was de ziekte van hen genezen. De boze geesten werden door de druppels geraakt en probeerden te ontsnappen. Hoewel er zeer veel deuren waren, was er voor hen niet genoeg plaats om door de deuropeningen te ontsnappen. Daarom braken zij de muur af en zo ontkwamen zij.*1]
   De bevolking van Vesāli maakte de raadszaal met alle soorten van parfums welriekend, richtte een baldakijn op en maakte een zitplaats voor de Boeddha gereed. De Leraar ging er neerzitten en de gemeenschap van de monniken en de gastheren van de Licchavi-prinsen zaten in een kring om hem heen. En Sakka, de koning van de goden, stond – omgeven door een groep goden – op een passende plaats.

   De ouderling Ānanda ging door de hele stad en keerde terug met een grote menigte mensen die van hun ziekte genezen waren. Hij begroette de Meester en ging zitten. Wederom reciteerde de Leraar de Juweel-toespraak. Op het einde ervan verkregen zeer veel levende wezens begrip van de leer. Aldus reciteerde hij op dezelfde manier op de volgende dag en gedurende zeven dagen daarna dezelfde toespraak. En toen hij zag dat alle plagen geluwd waren, nam hij afscheid en vertrok vanuit Vesāli.
_____
*1] Boze geesten kunnen dus niet door een muur gaan zoals van spoken beweerd wordt.

De Juweel-toespraak – Ratana Sutta

“De wezens die hier samen zijn gekomen,
hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,
mogen zij allen blij zijn en welgemoed
en mogen zij opmerkzaam luisteren
naar het woord van de leer.”

“Daarom luistert goed, gij wezens allemaal,
betoont u goedgezind jegens het geslacht der mensen
die overdag en ’s nachts u vrome gaven brengen.
Moogt u hen daarom vol toewijding beschermen.”

“Wat er bestaat aan schatten, hier en in gindse wereld,
welk kostbaar juweel zich in de hemel ook bevindt,
geen kan zich met de Volmaakte vergelijken.
Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Beëindiging en verzaking,
kostbare bevrijding van de dood,
bereikt door de Wijze der Sakyas, innerlijk bedaard,
niet bestaat er iets dat aan zo’n leer gelijk is.
Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Die als zuiverheid geprezen wordt
door de hoogste Boeddha,
die men als concentratie met directe vrucht aanduidt,
niet vindt men iets dat aan zo’n concentratie gelijk is.
Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Acht verheven mensen
die door de Edelen geprezen worden,
die ook bekend zijn als viervoudig mensenpaar,
zij, volgelingen van de Volkomene, zijn gaven waard.
Rijke vrucht brengt de gave die hen aangeboden wordt.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Die zich met sterke geest helemaal wijdden,
vrij van lusten, aan de instelling van Gotama,
die het doel bereikten, in het Doodloze doken,
zij genieten de bevrijding, om niet verkregen.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zoals de paal van de stadspoort
stevig staat in de grond,
door winden van elke richting onbewogen,
hieraan gelijk verkondig ik de edele mens
die de viervoudige edele waarheid
met wijsheid aanschouwt.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zij die deze waarheid die zo goed verkondigd is,
met diepe wijsheid helder begrijpen,
al is hun vooruitgang ook zeer langzaam,
een achtste bestaan is er voor hen niet meer.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Gemeenschappelijk komen met bereikt inzicht
drie dingen tot verdwijnen:
het geloof aan persoonlijkheid, en twijfel,
en elk hechten aan regels en rituelen.
Aan de viervoudige lagere werelden
is hij dan ontkomen, niet meer in staat
om de zes grote euveldaden te begaan.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“En al maakt men ook vaak nog fouten
in daden, woorden of in gedachten ook,
hij of zij is niet in staat om zulks te verhelen.
Dit is een onmogelijkheid, zo zegt men,
voor iemand die het verheven oord aanschouwt.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zoals bloesemtoppen in het dichte bos,
in het zomerseizoen, in de eerste zomermaand,
daaraan gelijk onderwees hij tot het ware heil
de beste leer, naar Nibbāna voerend.
Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Als beste die het beste kent,
het beste geeft, het beste brengt,
hij, zonder weerga, onderwees de beste leer.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Boeddha;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Vernietigd is het oude en niets nieuws ontstaat.
Het hart is vrij van toekomstig bestaan.
Vernietigd zijn de kiemen
en geen verlangen groeit er meer.
Zo doven wijzen uit, zoals deze lamp hier.
Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;
moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

   Sakka, de koning van de goden, reciteerde hierna nog de volgende verzen:

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,
hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,
de Boeddha die als volmaakte wordt geëerd
zowel door goden als door mensen,
hem willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,
hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,
de Leer die als volmaakte wordt geëerd
zowel door goden als door mensen,
die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,
hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,
de Orde die als volmaakte wordt geëerd
zowel door goden als door mensen,
die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.
   (Sn II.1, verzen 222-238)



43
Theravada Boeddhisme / Saddhā (vertrouwen)
« Gepost op: 05-09-2018 20:11 »
Saddhā (vertrouwen)


Inleiding
   
   Een van de methoden van meditatie of contemplatie bestaat uit vertrouwen (saddhā). Dit is vertrouwen hebben in de Boeddha, in zijn leer en in de Orde van de heilige monniken, de Ariyasangha.
   Ook door vertrouwen kan men het hoogste heil verwerven. Door vertrouwen en devote meditatie worden de gedachten gericht op één punt. Het denken is goed wanneer wij de gedachten vestigen op de Boeddha, op zijn leer of op de gemeenschap van de monniken. Ook kan men dagelijks aandachtig een stukje lezen over de Boeddha of zijn leer, of een bepaald facet van de leer overdenken. Dit behoort eveneens tot saddhā.

   Saddhā, devote meditatie, vertrouwen voert tot een kalme, rustige geest. En daardoor kan het hoogste geluk bereikt worden.

   De Boeddhist(e) heeft vertrouwen indien hij of zij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte (M.53) of in de Drie Juwelen door zijn/haar toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Dat vertrouwen moet dan gemotiveerd zijn door en gegrond in begrip. Ook wordt aan de Boeddhist(e) gevraagd om het object van zijn/haar vertrouwen te onderzoeken en te testen. (M.47)
   Het vermogen van vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met het vermogen van wijsheid. Door begrip en wijsheid wordt vertrouwen een innerlijke zekerheid en een vaste overtuiging die gebaseerd is op eigen ervaring. Geloof is het zaad genoemd van alle heilvolle toestanden (Sn.I.4, vers 77). Want het inspireert de geest met zelfvertrouwen en vastberadenheid om de stroom van samsāra (het steeds weer geboren worden en sterven) over te steken.
Saddhā, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste.*1] Ook is vertrouwen een van de vijf geestelijke eigenschappen*2] en één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.*3]

   Vertrouwen is het zaaigoed en ascese is de regen;
   wijsheid is juk en ploeg.
   Schaamte is de dissel
   en de geest is de verbinding;
   oplettendheid is ploegschaar en drijfstok.
   (Sn.I.4, vers 77).

   Volgens het commentaar op bovenstaand vers is de betekenis ervan als volgt. Het zaad hecht zich beneden vast door middel van de wortels en laat een kiem ontstaan naar boven. Zo is het ook met vertrouwen. Van onderen staat het vast als wortel van deugdzaamheid; naar boven laat het de kiem van geestelijke rust en inzicht ontstaan.

   Als men geneigd is tot piekeren, tot bezorgdheid, dan is een denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde een grote hulp. Het gemoed wordt stil, en met een stil en vredig gemoed ziet men de dingen anders dan voorheen. De slang die vrees inboezemde, wordt met kalme geest gezien voor wat ze werkelijk is: een gewoon touw waarvoor men geen angst hoeft te hebben. Het reciteren van (Pali-)teksten of het denken aan het Drievoudige Juweel heeft dus ook een geruststellende functie.

   Denken aan het Drievoudige Juweel behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het brengt kalmte van geest. Want de Gezegende is vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van illusie. Daarom is hij niet meer geneigd tot angst, vrees, bezorgdheid en gejaagdheid. En om die reden straalt er een grote rust uit van de Boeddha, van zijn leer en van zijn heilige volgelingen. (zie: S.XI.3)
   Het principe is eigenlijk heel eenvoudig. Er ontstaat steeds maar één gedachte. Twee of meer gedachten kunnen niet op eenzelfde moment bij iemand verschijnen. Door nu onze gedachten te richten tot de verheven Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen kunnen gedurende die tijd geen andere en nadelige gedachten onze geest beïnvloeden. Een zekere mate van stilheid van geest kan men dus bereiken door te denken aan het Drievoudige Juweel.
_____
1] Zie puñña-dhārā in: Nyanaponika: Buddhist Dictionary, 4th ed. 1980, p. 180.
2] zie indriya in: Buddhist Dictionary 1980, p. 78.
3] zie dhana, in: Buddhist Dictionary 1980, p. 57.


44
Beste,

Dat staat inderdaad niet in dat sutta. Maar wel in Petavattu III.2, het verhaal over Sunavasin. En  in het Khuddhakapāta  nr. 7, het Tirokudda Sutta.

Groeten
Nico

45
Beste,

Over het geven aan gestorvenen is iets gepost bij Dana - 09 http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2380.msg18110.html#msg18110

Geven aan gestorvenen heeft zin; het ligt ook aan de manier waarop. Zo is het een Chinese gewoonte om papieren geschenken (auto, geld, schoenen, kleding) te verbranden met de bedoeling dat die gaven de gestorven verwanten ten goede komen. Maar dat heeft volgens de Boeddha geen zin. Als de gaven gegeven worden aan monniken of nonnen, dan komen die gaven de gestorven verwanten ten goede.

Met vriendelijke groet
Nico

46
10. Eindoverdenking

   Eens beweerde men dat de aarde het centrum was waar alles om draaide, ook de zon. Later kwam men tot de ontdekking dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Dat was toen een hele verandering in denken. En het heeft lang geduurd voordat het nieuwe weten geaccepteerd werd. Nog later ontdekte men dat er behalve het zonnestelsel en de Melkweg nog meer planetaire stelsels zijn.
   De Boeddha ontdekte de keten van oorzakelijk ontstaan. Er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.
   Hij vroeg zich af hoe men kan ontkomen aan een leven in frustratie, onvoldaanheid, lijden, ouderdom en sterven. Hij zag in dat daaraan pas een einde komt als geboorte afwezig is. En men wordt niet meer geboren als onwetendheid geheel en al verdreven is.

   Door het niet inzien van oorzakelijk ontstaan denkt men dat er een kern is, een “ik”, een ego dat alles veroorzaakt. Maar als men oorzakelijk ontstaan volledig begrijpt, dan ziet men in dat er geen ego bestaat. Dan kan geen geboorte meer volgen. Dan zijn er alleen oorzakelijk ontstane dingen, zonder een blijvende kern. Wie dit inziet, die geeft het hechten aan iets of iemand op. Zijn of haar gemoed is dan vrij.

“De lichamelijkheid is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de lichamelijkheid, ook dat is niet-ik. De lichamelijkheid die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?
Gevoel is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van gevoel, ook dat is niet-ik. Het gevoel dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?
Waarneming is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de waarneming, ook dat is niet-ik. De waarneming die ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou die een ik kunnen zijn?
De formaties zijn niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van de formaties, ook dat is niet-ik. De formaties die ontstaan zijn door iets dat zonder een ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?
Het bewustzijn is niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan van het bewustzijn, ook dat is niet-ik. Het bewustzijn dat ontstaan is door iets dat zonder een ik is, hoe zou dat een ik kunnen zijn?
Ze zijn allemaal niet-ik. En wat de oorzaak, de voorwaarde is voor het ontstaan ervan, ook dat is niet-ik. Lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, ontstaan door iets dat zonder ik is, hoe zouden die een ik kunnen zijn?” (S.XXII.20)

   Het oog is ontstaan. De zichtbare vormen zijn ontstaan. Het zien-bewustzijn is ontstaan door contact van oog en zichtbare vorm. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik zie”. Maar in feite is er niemand die ziet. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van zien-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   Het oor is ontstaan. De hoorbare geluiden zijn ontstaan. Het hoor-bewustzijn is ontstaan door contact van oor en hoorbare geluiden. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik hoor”. Maar in feite is er niemand die hoort. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van hoor-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   De neus is ontstaan. De ruikbare geuren zijn ontstaan. Het ruik-bewustzijn is ontstaan door contact van neus en ruikbare geuren. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik ruik”. Maar in feite is er niemand die ruikt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van ruik-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   De tong is ontstaan. De proefbare smaken zijn ontstaan. Het smaak-bewustzijn is ontstaan door contact van tong en proefbare smaken. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik proef”. Maar in feite is er niemand die proeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van smaak-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   Het lichaam is ontstaan. De aanraakbare voorwerpen zijn ontstaan. Het aanraak-bewustzijn is ontstaan door contact van lichaam en aanraakbare voorwerpen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik raak aan”. Maar in feite is er niemand die aanraakt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van aanraak-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   Het geestelijke is ontstaan en zal weer vergaan. Het geestelijke is niet blijvend, het is zonder een zelfstandig iets.
   Gedachten zijn ontstaan. De denkbare dingen zijn ontstaan. Het denk-bewustzijn is ontstaan door contact van geest en denkbare dingen. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik denk”. Maar in feite is er niemand die denkt. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van denk-bewustzijn. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   Gevoelens zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik heb een gevoel”. Maar in feite is er niemand die een gevoel heeft. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van gevoelens. Emoties, een glimlach, een traan, ze zijn oorzakelijk ontstaan. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

   Herinneringen zijn ontstaan. In het dagelijks spraakgebruik heet dat: “ik herinner me”. Maar in feite is er niemand die zich iets herinnert. Er is alleen een oorzakelijk ontstaan van herinneringen. Wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend; het is zonder een “zelf”.

        “Men moet boosheid opgeven. Men moet hoogmoed opgeven. Men moet alle boeien overwinnen. Hecht niet aan geest en lichaam en wees aldus vrij van leed.” (Dhp. 221)
   
   Het lichamelijke is ontstaan en ook het geestelijke. En wat ontstaan is, zal weer vergaan. Het is niet blijvend, is zonder een “zelf”. Wat niet blijvend is, is niet van mij; dat behoort mij niet toe. Dus moet ik dat loslaten, mij ervan afkeren. Zo wordt de bevrijding van lijden bereikt.
   
   Die bevrijding is een toestand van een vrij gemoed,  een niet gevestigd bewustzijn, een weten, een gewaarzijn (zoals Dorje treffend verwoordde) dat zich niets meer toe-eigent, dat zich nergens meer aan hecht. En die vrijheid van het gemoed kan men bereiken door de leer van de Boeddha na te volgen. Geef begeerte, afkeer en onwetendheid op; volg het achtvoudige pad.
   Het vrije bewustzijn, het vrije gewaarzijn is het bewustzijn dat waarlijk eenzaam is: het is zonder de metgezellen begeerte, verlangen, haat, afkeer, en onwetendheid.*1] Het is vrij van de mening “ik ben”. Bij het zien is alleen het zien; bij het horen is alleen het horen; bij het ruiken is alleen het ruiken; bij het proeven is alleen het proeven; bij het aanraken is alleen het aanraken; bij het denken is alleen het denken. (Zie Ud.1.10)
   Het vrije gewaarzijn stelt niet samen en is niet samengesteld. Wat niet is samengesteld, kan niet uiteen vallen.

        Wanneer iemand het gewaarzijn niet als het zelf opvat, die hecht niet meer aan iets in de wereld. Nergens aan hechtend beeft hij niet; niet bevend komt hij uit eigen kracht tot volledig uitdoven.
Wie nu met betrekking tot die persoon zou zeggen dat hij na de dood is, of dat hij na de dood niet is, of dat hij na de dood zowel is als niet is, of dat hij na de dood noch is noch niet is, – dat is een onmogelijkheid. En wel omdat die persoon bevrijd is van benoeming, uitleg, bevrijd in direct inzicht. (zie D.15)

   Waar geen geboorte van een ik is, kan ook geen dood van een ik volgen. Als de geest vrij is, niet meer beperkt, dan is aan het lijden een einde gekomen. Het bewustzijn, het gewaarzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. Het is doorzichtig, onvindbaar. (M.49)

   En die vrije geest kan men verkrijgen o.a. door het overwegen van oorzakelijk ontstaan.


        Men moet niet vergeten dat de leer van de Boeddha een middel is om aan de andere oever te geraken.
“Dat is niet van mij, dat behoort mij niet toe; dus laat ik het liggen, trek het mij niet aan.” Door zo te denken komt geleidelijk een loslaten. Er verdwijnt alleen een verkeerde mening.

        Als ik mijn ogen sluit, verdwijnen voor mij de zichtbare objecten. Maar ze zijn er wel nog. Door alles los te laten, door mij niets meer toe te eigenen, door mij nergens meer aan vast te hechten, verdwijnen voor mij de groeperingen waaraan normaal gehecht wordt. Ze verdwijnen uit het zich toe-eigenende bewustzijn. Het gewaarzijn hecht zich nergens meer aan. Het is zonder voorkeur naar iets.
“Dat wil ik graag hebben,” die gedachte komt niet meer op in het gemoed van de volmaakte heilige. Het gewaarzijn is dan zonder begeerte.
“Dat lust ik niet, dat wil ik niet, dat heb ik niet graag.” Zulke gedachten komen niet meer in het gemoed van de volmaakte heilige.
Hij ziet iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.
Hij hoort iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.
Hij ruikt iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.
Hij proeft iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.
Hij raakt iets aan, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.
Hij denkt iets, maar er komt geen begeerte bij, en ook geen afkeer en geen onwetendheid.

Hij weet dat alles door oorzaken ontstaan is; en zijn gemoed is geheel en al bevrijd van zich iets toe-eigenen.
Een grote vrede treedt in.
Verder kan ik het niet uitleggen.

--==--

Met vriendelijke groet
Nico

Verder gaat het met: Saddha, eerbetoon en vertrouwen. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2726.msg21738.html#msg21738
_____
*1] over ware eenzaamheid, zie:

http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2576.msg19560.html#msg19560


47
9. Naar bevrijding
   
    Allen die ouderdom en dood niet kennen, die de oorsprong ervan niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die het pad dat voert naar opheffing van ouderdom en dood niet kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties niet kennen, die de opheffing ervan niet kennen, die de weg niet kennen die voert naar de opheffing ervan, – zij allen hebben het doel niet bereikt. Zij komen niet over ouderdom en dood heen.
   Maar allen die ouderdom en dood wel kennen, allen die geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, bewustzijn, de formaties wel kennen, die de opheffing ervan kennen, die de weg kennen die naar de opheffing ervan voert, die hebben het doel hier al bereikt. (S.12.13-14; S12.29-30; S.12.71-81)
   
   Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen. (S.12.20)

   Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet “ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”
   Hij of zij vraagt dan ook niet “zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”
   Hij vraagt dan ook niet “ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”
   Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn. (S.12.20; M.38)
   Slecht leeft de trage. Verstrikt in slechte, kwade dingen verzuimt hij of zij het grote zegenrijke doel. De energieke echter leeft goed. Vrij van slechte, kwade dingen bereikt hij of zij het grote zegenrijke doel.
   Houdt de Meester steeds voor ogen. Streeft met energie naar het bereiken van datgene wat nog niet bereikt is.
   Op die manier zal de afkeer van de wereld niet tevergeefs zijn. Ze zal vrucht en resultaat hebben. En de goede daden van de mensen die ons verzorgen met kleding, voedsel, woning, en medicijnen, zal rijke vrucht en rijke zegen dragen.*1]
   Want als men het eigen heil voor ogen heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. Of als men het heil van anderen in het oog heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. Of als men het heil van beiden in het oog heeft, dan is het juist om onvermoeibaar te streven. (S.12.22)

   Bij de wetende, bij de ziende doet zich de vernietiging van wereldlijke invloeden*2] voor, niet bij de onwetende.
   Wat moet men weten, wat moet men zien zodat vernietiging van wereldlijke invloeden zich voordoet? – Zo is vorm, zo is de oorsprong van vorm, zo is het ophouden van vorm; zo is gevoel, zo is de oorsprong van gevoel, zo is het ophouden van gevoel; zo is gewaarwording, zo is de oorsprong van gewaarwording, zo is het ophouden van gewaarwording; zo zijn de formaties, zo is de oorsprong van de formaties, zo is het ophouden van de formaties; zo is bewustzijn, zo is de oorsprong van bewustzijn, zo is het ophouden van bewustzijn. – Dat moet men weten, dat moet men zien zodat vernietiging van wereldlijke invloeden tot stand komt. (S.12.23; S.12.33)    
   Het weten echter dat men de vernietiging (van wereldlijke invloeden) bezit, heeft een voorwaarde. Die voorwaarde is de bevrijding. En ook de bevrijding heeft een voorwaarde. De voorwaarde voor de bevrijding is het verdwijnen [van de wereldlijke dingen].*3] En ook het verdwijnen heeft een voorwaarde, namelijk de afkeer.*4]
   De afkeer heeft een voorwaarde en wel het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. En ook het weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn heeft zijn voorwaarde. Die voorwaarde is de geestelijke concentratie. En ook de geestelijke concentratie heeft een voorwaarde, namelijk de gelukzaligheid. En ook de gelukzaligheid heeft een voorwaarde, namelijk de vrede van het gemoed. En die vrede van het gemoed heeft als voorwaarde de vreugde. De vreugde heeft als voorwaarde het welbehagen.*5] Het welbehagen heeft als voorwaarde het vertrouwen.*6] Het vertrouwen heeft als voorwaarde het lijden. Het lijden heeft als voorwaarde de geboorte. De geboorte heeft als voorwaarde het worden. Het worden heeft als voorwaarde het grijpen. Het grijpen heeft als voorwaarde de dorst. De dorst heeft als voorwaarde het gevoel. Het gevoel heeft als voorwaarde de aanraking. De aanraking heeft als voorwaarde het bereik van de zes zintuigen. Het bereik van de zes zintuigen heeft als voorwaarde naam en vorm. En naam en vorm heeft als voorwaarde het bewustzijn. Maar ook het bewustzijn heeft zijn voorwaarde, namelijk de formaties. En de formaties hebben als voorwaarde de onwetendheid.
   De formaties hebben onwetendheid als voorwaarde. Het bewustzijn heeft de formaties als voorwaarde. Naam en vorm heeft bewustzijn als voorwaarde. Het bereik van de zes zintuigen heeft naam en vorm als voorwaarde. Aanraking heeft het bereik van de zes zintuigen als voorwaarde. Gevoel heeft aanraking als voorwaarde. Dorst heeft gevoel als voorwaarde. Grijpen heeft dorst als voorwaarde. Worden heeft grijpen als voorwaarde. Geboorte heeft worden als voorwaarde. Lijden heeft geboorte als voorwaarde. Vertrouwen heeft lijden als voorwaarde. Welbehagen heeft vertrouwen als voorwaarde. Vreugde heeft welbehagen als voorwaarde. Vrede van het gemoed heeft vreugde als voorwaarde. Gelukzaligheid heeft vrede van het gemoed als voorwaarde. Geestelijke concentratie heeft gelukzaligheid als voorwaarde. Weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, hebben geestelijke concentratie als voorwaarde. Afkeer heeft weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn als voorwaarde. Verdwijnen heeft afkeer als voorwaarde. Bevrijding heeft verdwijnen als voorwaarde. Het weten van de vernietiging van wereldlijke invloeden heeft bevrijding als voorwaarde. (S.12.23)

    Oorzakelijk ontstaan is het lijden. En wel vanwege de oorzaak van contact.
_____
*1] Dit werd gezegd tegen monniken. Maar het geldt natuurlijk ook voor leken.
*2] wereldlijke invloeden: asava. Nauw verwant met kilesa: bevlekkingen, smetten. Door de invloeden van de empirische dingen op ons denken ontstaan daarin de smetten die inzicht van de waarheid verhinderen.
*3] Verdwijnen, verbleken, nirodha. De dingen verven niet meer af op het denken. Het denken is als een kleurloze doorzichtige kristal die de kleur van de ondergrond aanneemt. Voor degene die op de weg is naar de bevrijding, verdwijnen dus de wereldlijke dingen.
*4] Afkeer, nibbida. Afkeer van de empirische dingen. Die afkeer ontstaat zodra men de onbeduidendheid van de dingen onderkend heeft.

*5] sukkha, gelukzaligheid; passaddhi, vrede van het gemoed; piti, vreugde; pamojja, welbehagen; – zij drukken de steeds groter wordende innerlijke gevoelens van geluk uit die ondervonden    worden tijdens het voortgaan op de heilsweg. Ze bereiken tenslotte de top in samadhi met de jhanas.
*6] vertrouwen,saddha . – Het is vertrouwen in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha.


Schema

Onwetendheid → geest-lichamelijkheid /wilsformaties /vormingen → bewustzijn → naam en vorm /geest-lichamelijkheid → de zes zintuigen → aanraking /contact → gewaarwording /gevoel → dorst /hevig verlangen → inbezitname /grijpen /hechten → worden → geboorte → ouderdom en dood /lijden → vertrouwen → welbehagen → vreugde → vrede van het gemoed → gelukzaligheid → geestelijke concentratie → weten en zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn → afkeer → verdwijnen → bevrijding → weten van de vernietiging van wereldlijke invloeden.


48
8. Uitgebreide overweging

   Een juist overwegen is: “Wat is de oorzaak van dit veelvuldige lijden in de wereld? Wat is de oorsprong en oorzaak van ouderdom en dood?”

De basis
[de basis (upadhi) omvat alles waarop ons bestaan rust en wat ons het leven lief en waardevol laat schijnen.]

   Als de basis aanwezig is, ontstaan ouderdom en dood. Als de basis niet aanwezig is, ontstaan ouderdom en dood niet.
   Wat is de oorzaak van de basis; wat is de oorsprong ervan? Wat moet aanwezig zijn voor het ontstaan van de basis? – De basis heeft de dorst als oorzaak.

Dorst (1)
   Als de dorst aanwezig is, ontstaat een basis; als de dorst niet aanwezig is, ontstaat geen basis.
   Waar ontstaat de dorst? Waar dringt de dorst binnen als hij ontstaat? – Wat dierbaar en aangenaam is in de wereld, daar ontstaat de dorst steeds weer, daar dringt hij steeds weer binnen.
   Wat is dierbaar en aangenaam in de wereld? – Het zien is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Het horen is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Het ruiken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Het proeven is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Het aanraken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.
   Het denken is in de wereld dierbaar en aangenaam. Daar ontstaat steeds weer de dorst, daar dringt hij binnen.

   Dorst neemt toe bij degene die het aangename van de dingen die met grijpen en met de boeien*2] samenhangen, in het oog heeft. (S.12.52-60)

Ouderdom en dood

   Ouderdom en dood hebben de geboorte als oorzaak. De geboorte is de oorsprong van ouderdom en dood. Ze zijn ontstaan uit de geboorte. Wanneer geboorte er niet is, zijn ouderdom en dood er niet. Ook in vroegere tijden ontstonden uit de geboorte ouderdom en dood. Als er toen geen geboorte was, waren ouderdom en dood er niet. Ook in de toekomst zullen uit geboorte ouderdom en dood ontstaan. Wanneer er dan geen geboorte is, zullen ouderdom en dood er niet zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van de geboorte is oorzaak voor de ontwikkeling van ouderdom en dood. De opheffing van geboorte is oorzaak voor de opheffing van ouderdom en dood. En het pad naar opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Geboorte
   De geboorte heeft het worden als oorzaak. Het worden is de oorsprong ervan; geboorte is ontstaan uit worden. Wanneer worden er niet is, is geboorte er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het worden de geboorte. Als er toen geen worden was, was er geen geboorte. Ook in de toekomst zal uit worden geboorte ontstaan. Wanneer er dan geen worden is, zal er geen geboorte zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van het worden is oorzaak voor de ontwikkeling van de geboorte. De opheffing van het worden is oorzaak voor de opheffing van de geboorte. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Worden

   Het worden heeft het grijpen, de inbezitname als oorzaak. Het grijpen is de oorzaak van worden; het worden is ontstaan uit grijpen. Wanneer grijpen er niet is, is worden er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het grijpen het worden. Als er toen geen grijpen was, was er geen worden. Ook in de toekomst zal uit het grijpen het worden ontstaan. Wanneer er dan geen grijpen is, zal er geen worden zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van het grijpen, de inbezitname is oorzaak voor de ontwikkeling van het worden. De opheffing van het grijpen, van de inbezitname is oorzaak voor opheffing van het worden. Het pad dat voert naar de opheffing van het worden is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Grijpen, inbezitname

   Het grijpen heeft de dorst als oorzaak. De dorst is de oorzaak van grijpen; grijpen is ontstaan uit dorst. Wanneer dorst er niet is, is grijpen er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit de dorst het grijpen. Als er toen geen dorst was, was er geen grijpen. Ook in de toekomst zal uit dorst grijpen ontstaan. Wanneer er dan geen dorst is, zal er geen grijpen zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

   Bij degene die het aangename van de dingen die met het grijpen verband houden, in het oog heeft, neemt de dorst toe.
   Bij degene die het schadelijke van de dingen die met het grijpen samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. Uit de opheffing van de dorst volgt opheffing van het grijpen.
   De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van het grijpen, de inbezitname. De opheffing van de dorst is de oorzaak voor de opheffing van het grijpen, de inbezitname. Het pad dat voert naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Dorst (2)
   De dorst heeft het gevoel als oorzaak. Het gevoel is de oorzaak van de dorst; de dorst is ontstaan uit het gevoel. Wanneer gevoel er niet is, is dorst er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het gevoel de dorst. Als er toen geen gevoel was, was er geen dorst. Ook in de toekomst zal uit gevoel dorst ontstaan. Wanneer er dan geen gevoel is, zal er geen dorst zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)

   Vier soorten voedsel dienen de wezens die (al) geboren zijn, tot onderhoud. En zij dienen de wezens die naar wedergeboorte zoeken, tot steun. Die vier soorten voedsel zijn: eetbare spijzen, aanraking, het denken van de geest, het bewustzijn. De oorzaak, de oorsprong van die vier soorten voedsel is de dorst. (S.12.11; M.38)
   De ontwikkeling van het gevoel is oorzaak voor de ontwikkeling van de dorst. De opheffing van het gevoel is oorzaak voor de opheffing van de dorst. Het pad dat voert naar de opheffing van de dorst is het edele achtvoudige pad. (M.9)   

   Eens werd aan de Boeddha gevraagd wie die vier soorten van voedsel tot zich nemen. De Verhevene gaf ten antwoord dat de vraag verkeerd gesteld was. Ik zeg niet: “hij neemt tot zich.” Maar juist is de vraag “waartoe dienen die soorten voedsel?” Het juiste antwoord erop is dan: “Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw bestaan. Daaruit ontstaan de zes zintuigen en daaruit ontstaat aanraking. Uit de aanraking ontstaat het gevoel. Daaruit ontstaat de dorst. (S.12.12)

   Allen die in het verleden datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben als blijvend, als vol lust, als hun zelf, als welzijn, die dat hebben beschouwd als de vrede, die hebben de dorst vergroot.
   Degenen die de dorst vergroot hebben, hebben de basis vergroot en daarmee ook het lijden. Zij zijn niet bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij zijn niet bevrijd van lijden. (S.12.13; Zie ook S.12.52 en S.12.66)

   Maar bij degene die het schadelijke van de dingen die met grijpen en met de boeien samenhangen, in het oog heeft, wordt de dorst opgeheven. (S.12.52-57)
   Allen die in het verleden of in de tegenwoordige tijd datgene wat in de wereld dierbaar en aangenaam is, beschouwd hebben en beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar, die hebben de dorst opgegeven.
   Degenen die de dorst hebben opgegeven, hebben de basis opgegeven, en daarmee ook het lijden. Degenen die het lijden opgeven, worden bevrijd van geboorte, ouderdom en dood, worden bevrijd van pijn, droefheid, leed, zorg en wanhoop. Zij worden bevrijd van lijden. (S.12.13; S.12.33; S.12.66)

Gevoel
   Het gevoel heeft de aanraking als oorzaak. De aanraking is de oorzaak van het gevoel; gevoel is ontstaan uit de aanraking. Wanneer aanraking er niet is, is gevoel er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit aanraking het gevoel. Als er toen geen aanraking was, was er geen gevoel. Ook in de toekomst zal uit aanraking gevoel ontstaan. Wanneer er dan geen aanraking is, zal er geen gevoel zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing.(S.12.34)
    De ontwikkeling van het contact is oorzaak voor de ontwikkeling van het gevoel. De opheffing van het contact is oorzaak voor de opheffing van het gevoel. Het pad dat voert naar de opheffing van gevoel is het edele achtvoudige pad. (M.9; S.45.29)

Aanraking
   De aanraking heeft het bereik van de zes zintuigen als oorzaak. Het bereik van de zes zintuigen is de oorzaak van de aanraking; aanraking is ontstaan uit de zes zintuigen. Wanneer het bereik van de zes zintuigen er niet is, is aanraking er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit het bereik van de zes zintuigen de aanraking. Als er toen geen bereik van de zes zintuigen was, was er geen aanraking. Ook in de toekomst zal uit het bereik van de zes zintuigen aanraking ontstaan. Wanneer er dan geen bereik van de zes zintuigen is, zal er geen aanraking zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de ontwikkeling van de aanraking, het contact. De opheffing van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de opheffing van de aanraking, het contact. Het pad naar opheffing van contact is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Het bereik van de zes zintuigen
   Het bereik van de zes zintuigen heeft naam en vorm als oorzaak. Wanneer naam en vorm er niet is, is het bereik van de zes zintuigen er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit naam en vorm het bereik van de zes zintuigen. Als er toen geen naam en vorm was, was er geen bereik van de zes zintuigen. Ook in de toekomst zal uit naam en vorm het bereik van de zes zintuigen ontstaan. Wanneer er dan geen naam en vorm is, zal er geen bereik van de zes zintuigen zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van naam en vorm is oorzaak voor de ontwikkeling van het bereik van de zes zintuigen. De opheffing van naam en vorm is oorzaak voor de opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Het pad dat voert naar de opheffing van het bereik van de zes zintuigen is het edele achtvoudige pad. (M.9)

Naam en vorm   
   Naam en vorm heeft het bewustzijn als oorzaak. Wanneer bewustzijn er niet is, is naam en vorm er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit bewustzijn naam en vorm. Als er toen geen bewustzijn was, was er geen naam en vorm. Ook in de toekomst zal uit bewustzijn naam en vorm ontstaan. Wanneer er dan geen bewustzijn is, zal er geen naam en vorm zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van het bewustzijn is oorzaak voor de ontwikkeling van naam en vorm. De opheffing van het bewustzijn is oorzaak voor de opheffing van naam en vorm. Het pad dat voert naar de opheffing van naam en vorm is het edele achtvoudige pad. (M.9)

   Naam en vorm, geestlichamelijkheid verschijnt bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft.
   Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt naam en vorm niet. (S.12.58)
   
   Dit lichaam behoort ons niet toe, noch behoort het anderen toe.
Het lichaam is te verstaan als het vroegere kamma, [d.w.z. door het vroegere kamma voortgebracht], door daden voortgebracht, door denken voortgebracht, door gevoel voortgebracht.
Daarom overweegt een onderwezen edele volgeling de wet van het oorzakelijk ontstaan, namelijk: als dit is, volgt dat; uit het ontstaan van het ene volgt het ontstaan van het andere. Als dit niet is, volgt dat niet; uit de opheffing van het ene volgt de opheffing van het andere. (S.12.37)

Bewustzijn
   Bewustzijn heeft de formaties als oorzaak. Wanneer de formaties er niet zijn, is bewustzijn er niet. Ook in vroegere tijden ontstond uit de formaties het bewustzijn. Als er toen geen formaties waren, was er geen bewustzijn. Ook in de toekomst zal uit de formaties bewustzijn ontstaan. Wanneer er dan geen formaties zijn, zal er geen bewustzijn zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn. De opheffing van de formaties is oorzaak voor de opheffing van het bewustzijn. Het pad dat voert naar de opheffing van het bewustzijn is het edele achtvoudige pad. (M.9)

   Het voedsel bewustzijn is de oorzaak voor toekomstige wedergeboorte en nieuw ontstaan. (S.12.11)
   Bewustzijn verschijnt bij degene die het aangename van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft.
   Bij degene die het schadelijke van de dingen die met de boeien samenhangen, in het oog heeft, verschijnt bewustzijn niet. (S.12.58)

Formaties, vormingen
   De formaties, vormingen hebben onwetendheid als oorzaak. Wanneer onwetendheid er niet is, zijn de formaties er niet. Ook in vroegere tijden ontstonden uit onwetendheid de formaties. Als er toen geen onwetendheid was, waren er geen formaties. Ook in de toekomst zullen uit onwetendheid de formaties ontstaan. Wanneer er dan geen onwetendheid is, zullen er geen formaties zijn. Het voortbestaan van de dingen is onderhevig aan de wet van verval, de wet van vernietiging, van verdwijnen, de wet van opheffing. (S.12.34)
   De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties. Het pad dat voert naar de opheffing van de formaties is het edele achtvoudige pad. (M.9; S.12.33)
   
   Wanneer iemand, die met onwetendheid begiftigd is, formaties teweegbrengt die verdienstelijk zijn, dan is het bewustzijn voorzien van verdienste. Wanneer die persoon formaties teweegbrengt die niet verdienstelijk zijn, dan is het bewustzijn voorzien van niet-verdienste. Wanneer die persoon formaties teweegbrengt die in evenwicht (van verdienste en niet-verdienste) zijn, dan is het bewustzijn voorzien van zo'n evenwicht. (S.12.51)

   En degene die aldus volledig de vormingen kent, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan en het pad dat voert naar het beëindigen ervan, hij of zij heeft het weten van de waarheid. Wanneer een edele volgeling(e) dit weten gereinigd en gezuiverd bezit, dan is die persoon met juist inzicht begiftigd, bezit het inzicht van de strevende, is begiftigd met het oog der waarheid. Hij of zij bezit dan het inzicht in de hoogste waarheid en klopt aan aan de poort van Nibbana. (S.12.33)

Onwetendheid
   De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van onwetendheid. Het pad dat voert naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad. (M.9)
   Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.
   De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat voert naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad. (M.9)
   
   Na het verdwijnen van onwetendheid komen bij de volmaakte heilige geen vragen meer op over ouderdom en dood, geboorte, worden, grijpen, dorst, gevoel, aanraking, het bereik van de zes zintuigen, naam-en-vorm, bewustzijn. (S.12.35)

Conclusie
   Uit onwetendheid als oorzaak ontstaan de vormingen. Uit de vormingen als oorzaak ontstaat het bewustzijn. Uit het bewustzijn als oorzaak ontstaat naam en vorm. Uit naam en vorm als oorzaak ontstaat het bereik van de zes zintuigen. Uit het bereik van de zes zintuigen als oorzaak ontstaat de aanraking. Uit de aanraking als oorzaak ontstaat het gevoel. Uit het gevoel als oorzaak ontstaat de dorst. Uit de dorst als oorzaak ontstaat het grijpen. Uit het grijpen als oorzaak ontstaat het worden. Uit het worden als oorzaak ontstaat de geboorte. Uit de geboorte als oorzaak ontstaan ouderdom en dood. Zo komt de hele massa van lijden tot stand.

   Uit het restloze verdwijnen en de opheffing van de zes zintuigen volgt opheffing van aanraking. Uit de opheffing van aanraking volgt opheffing van gevoel. Uit de opheffing van gevoel volgt opheffing van dorst. Uit de opheffing van dorst volgt opheffing van grijpen. Uit de opheffing van grijpen volgt opheffing van worden. Uit de opheffing van worden volgt opheffing van geboorte. Door opheffing van geboorte worden ouderdom en dood, pijn, leed, droefheid en wanhoop opgeheven. Op die manier wordt de hele massa van lijden opgeheven.
(S.12.11; S.12.24; S.12.34-35; S.12.37; S.12.52-55; S.12.58; M.38)

   Oorzakelijk ontstaan zijn begeerte en lijden. De oorzaak ervan is aanraking, contact. Als lichamelijke activiteiten plaatsvinden, dan ontstaat vanwege het bewust worden van de lichamelijke activiteiten voor de eigen persoon begeerte en lijden. Of wanneer spreken plaatsvindt, dan ontstaat vanwege het bewust worden van het spreken voor de eigen persoon begeerte en lijden. Of wanneer denken plaatsvindt, dan ontstaat vanwege het bewust worden van het denken voor de eigen persoon begeerte en lijden.
   Door onwetendheid als oorzaak veroorzaakt men zelf een formatie van de lichamelijke activiteit of een formatie van het spreken of een formatie van het denken. En ten gevolge daarvan ontstaan voor iemand in de eigen persoon begeerte en lijden. Of anderen veroorzaken zulke formaties ten gevolge waarvan voor iemand in de eigen persoon begeerte en lijden ontstaan. Met overleg of zonder overleg veroorzaakt men zulke formaties ten gevolge waarvan voor de eigen persoon begeerte en lust ontstaan.
   In al deze gevallen is men op onwetendheid [als laatste oorzaak] uitgekomen. Maar na het restloze verdwijnen en na opheffing van de onwetendheid is er geen lichamelijke activiteit ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Dan is er geen spreken ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Dan is er geen denken ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. Er is dan geen veld, geen basis, er is dan geen bereik, geen betrekking ten gevolge waarvan voor iemand begeerte en lijden ontstaan. (S.12.25)
   
   Oorzakelijk ontstaan is het lijden. De oorzaak ervan is aanraking, contact. (S.12.26)
   Uit de oorsprong van de geboorte volgt de oorsprong van ouderdom en dood. Uit de opheffing van geboorte volgt opheffing van ouderdom en dood.
   Het edele achtvoudige pad is de weg die naar opheffing van ouderdom en dood voert, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste concentratie, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest. (S.12.27; S.12.33; zie ook S.12.65)

   Wanneer nu een edele volgeling(e) op deze manier het oorzakelijke ontstaan kent, de oorsprong van het oorzakelijke ontstaan kent, de opheffing van het oorzakelijke ontstaan kent, en op die manier de weg kent die voert naar de opheffing van het oorzakelijke ontstaan, zo iemand heet een edele volgeling(e) die met juist inzicht begiftigd is. Hij of zij bezit het inzicht en het weten van de ijverige, heeft het oog van de waarheid; heeft doordringend inzicht in de hoogste waarheid. Aangekomen is die persoon aan de poort van Nibbana. (S.12.27)
_____
*2] Boeien: er worden in totaal 10 boeien onderscheiden die de mens aan de wereld ketenen. Daartoe behoren o.a. verkeerd inzicht, twijfel, onwetendheid. – Over de 5 lagere boeien, zie:
smetten - heiligheid -soorten bevrijding, reactie 27, http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2673.msg20953.html#msg20953

Beknopte weergave van het oorzakelijke ontstaan

Door het niet begrijpen van de wet van oorzakelijk ontstaan komt men niet uit boven de kringloop der wedergeboorten.

* Door inbezitname ontstaat een ik-bewustzijn (ik ben, ik zie, ik hoor etc.).
* Het ik-bewustzijn dat tot wedergeboorte voert, ontstaat afhankelijk van wilsformaties, namelijk de wedergeboorte producerende wilsacties (cetanâ), of kamma-formaties.
* Het wedergeboorte veroorzakende bewustzijn zoekt een plaats in een moederschoot.
* Na de conceptie volgt de geboorte.
* Door de geboorte komt er een lichaam en geest; een lichaam met de zes zintuigen.
* Uit onwetendheid ontstaan de formaties, vormingen. [Daden, woorden, gedachten].
* Uit de vormingen ontstaat ik-bewustzijn.
* Uit het bewustzijn ontstaat geestlichamelijkheid.
Gevoel, waarneming, bedoeling, voorstelling, denken, aanraking, oplettendheid, overweging: dat heet geest.
De vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die afhankelijk is van die grofstoffelijke elementen, dat heet lichaam. (M.9)
* Als er geen geestlichamelijkheid is, ontstaan er geen zintuigen.
* Door de zintuigen is er contact met de zintuiglijk waarneembare objecten.
* Door het contact ontstaat gevoel, gewaarwording, waarneming.
* Ten gevolge van gewaarwording, waarneming ontstaat verlangen, begeerte, hechten, inbezitname.
* Dan ontstaan worden, conceptie, geboorte, ouderdom en dood.

* De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen.
* Door het ophouden van onwetendheid houden wilsformaties op.
Geen wilsformaties → geen bewustzijn.
Geen geestlichamelijkheid → geen bewustzijn.
Geen bewustzijn → geen geestlichamelijkheid.
Geen geestlichamelijkheid → geen zes zintuigen.
Geen zintuigen → geen contact.
Geen contact → geen gevoel.
Geen gevoel → geen begeerte.
Geen dorst, begeerte → geen hechten, inbezitname.
Geen hechten, inbezitname → geen worden, geen proces van in bestaan treden.
Geen worden → geen geboorte.
Geen geboorte → geen ouderdom en sterven.


49
7. Soort zoekt soort

   De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen. Degenen met lage neigingen komen samen met anderen die lage neigingen hebben. Degenen met voortreffelijke neigingen komen samen met anderen die voortreffelijke neigingen hebben.
   Dat was vroeger zo. Dat is tegenwoordig zo. En ook in de toekomst zal dat zo zijn. (S.14.14)

   De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; laag bij laag, middelmatig bij middelmatig, voortreffelijk bij voortreffelijk. (S.14.16)

   Vermijdt de trage die een zwakke wil ontplooit. Sluit je aan bij de edelen die eenzaam leven, met vastbesloten geest, die meditatieve verdieping uitoefenen, die hun wilskracht inspannen. (S.14.16)

   De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een verkeerde manier moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen.

   Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens komen samen met nauwgezette wezens; fijngevoeligen komen samen met fijngevoeligen; goed onderwezenen komen samen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen. (S.14.16-29)

50
6. Met oorzakelijke basis

   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van zinnelijke lust (kāma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.
   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van boosheid (vyāpāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.
   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van gewelddadigheid; ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

   Hoe ontstaan zulke gedachten?

   Ten gevolge van het element zinnelijke lust ontstaat de voorstelling van zinnelijke lust. Ten gevolge van de voorstelling van zinnelijke lust ontstaat het willen van zinnelijke lust. Ten gevolge van het willen van zinnelijke lust ontstaat begeerte naar zinnelijke lust. Ten gevolge van begeerte naar zinnelijke lust ontstaat vurig verlangen naar zinnelijke lust. Ten gevolge van het vurig verlangen naar zinnelijke lust ontstaat opzoeken van zinnelijke lust.
   De niet onderwezen gewone mens die zinnelijke lust opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

   Ten gevolge van het element boosheid ontstaat de voorstelling van boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van boosheid ontstaat het willen van boosheid. Ten gevolge van het willen van boosheid ontstaat begeerte naar boosheid. Ten gevolge van begeerte naar boosheid ontstaat vurig verlangen naar boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar boosheid ontstaat opzoeken van boosheid.
   De niet onderwezen gewone mens die boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

   Ten gevolge van het element gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van gewelddadigheid ontstaat het willen van gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van gewelddadigheid ontstaat begeerte naar gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar gewelddadigheid ontstaat opzoeken van gewelddadigheid.
   De niet onderwezen gewone mens die gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de verkeerde weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

    Wie deze verkeerde soorten van gedrag niet opgeeft, verwijdert, die heeft in dit leven al pijn en leed en wanhoop. En na de dood is een bestaan in lijden te verwachten.

   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van ontzegging (nekkhhamma-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.
   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-boosheid (avyapāda-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.
   Met oorzakelijke basis ontstaat een gedachte van niet-gewelddadigheid (avihimsā-vitakka); ze ontstaat niet zonder oorzakelijke basis.

   Hoe ontstaan zulke gedachten?

   Ten gevolge van het element ontzegging ontstaat de voorstelling van ontzegging. Ten gevolge van de voorstelling van ontzegging ontstaat het willen van ontzegging. Ten gevolge van het willen van ontzegging ontstaat begeerte naar ontzegging. Ten gevolge van begeerte naar ontzegging ontstaat vurig verlangen naar ontzegging. Ten gevolge van het vurig verlangen naar ontzegging ontstaat opzoeken van ontzegging.
   De onderwezen edele volgeling die ontzegging opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

   Ten gevolge van het element niet-boosheid ontstaat de voorstelling van niet-boosheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-boosheid ontstaat het willen van niet-boosheid. Ten gevolge van het willen van niet-boosheid ontstaat begeerte naar niet-boosheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-boosheid ontstaat vurig verlangen naar niet-boosheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-boosheid ontstaat opzoeken van niet-boosheid.
   De onderwezen edele volgeling die niet-boosheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.
 
   Ten gevolge van het element niet-gewelddadigheid ontstaat de voorstelling van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van de voorstelling van niet-gewelddadigheid ontstaat het willen van niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het willen van niet-gewelddadigheid ontstaat begeerte naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van begeerte naar niet-gewelddadigheid ontstaat vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid. Ten gevolge van het vurig verlangen naar niet-gewelddadigheid ontstaat opzoeken van niet-gewelddadigheid.
   De onderwezen edele volgeling die niet-gewelddadigheid opzoekt, bevindt zich op drie manieren op de goede weg: met lichamelijke daden; met taalgebruik; met denken.

   Allen die verkeerde voorstellingen die bij hen ontstaan, direct opgeven, verwijderen, die leven hier in dit leven al gelukkig. En na de dood is een gelukkig bestaan te verwachten. (S.14.12.)

   Het element onwetendheid is heel groot.

   Ten gevolge van een laag element ontstaat een lage voorstelling, een lage gedachte, laag wensen, een lage persoonlijkheid, laag taalgebruik. Wat laag is deelt hij mee. Laag is zijn wedergeboorte.

   Ten gevolge van een middelmatig element ontstaat een middelmatige voorstelling, een middelmatige gedachte, middelmatig wensen, een middelmatige persoonlijkheid, middelmatig taalgebruik. Wat middelmatig is deelt hij mee. Middelmatig is zijn wedergeboorte.

   Ten gevolge van een voortreffelijk element ontstaat een voortreffelijke voorstelling, een voortreffelijke gedachte, voortreffelijk wensen, een voortreffelijke persoonlijkheid, voortreffelijk taalgebruik. Wat voortreffelijk is deelt hij mee. Voortreffelijk is zijn wedergeboorte. (S.14.13.)

Pagina's: [1] 2 3 ... 18