Recente berichten

Pagina's: [1] 2 3 ... 10
1
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Vandaag om 14:51 »
6. De Boeddha Ramsimuni
  
   In dezelfde aeon zal de brahmaan Cankī de Boeddha Ramsimuni worden.
   Ten tijde van de Verheven Kakusandha was de Bodhisatta Cankī een jongeman met naam Magha. Hij had meerdere keren veel tegenslag, verloor zijn rijkdom en hij ondervond veel leed. Hij leende een deken en 100.000 goudstukken.
   Toen ging een hoofddiscipel van Kakusandha naar de stad. De jongeling Magha zag hem, groette hem en was erg blij omdat hij vernam dat de hoofddiscipel hem kwam bezoeken. Hij bood de deken en de 100.000 goudstukken aan de hoofddiscipel aan. En hij maakte de aspiratie: “Moge dit een factor zijn voor Alwetendheid.” De ouderling sprak: “Moge je intentie succes hebben,” waarna hij zich in de lucht verhief en verdween.
   Bij een andere gelegenheid zei de ouderling dat Cankī een Boeddha-spruit was, iemand die alle volmaaktheden heeft vervuld.
 
   Na die manda aeon zal er nog een manda aeon komen waarin twee Boeddhas zullen ontstaan: Devadeva en Narasīha.

2
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Vandaag om 14:50 »
5. De Boeddha Nārada
  
   Het hoofd van de Asuras, bekend als Dīghasona, zal dan de Boeddha Nārada worden. Vóór de tijd van de Boeddha Kassapa was hij een koning met naam Sirigutta. Op zekere dag kwamen acht brahmanen naar hem toe en verzochten om het koninkrijk. Hij was uitermate gelukkig en bood hen de stad aan. Samen met zijn vrouw en hun twee kinderen verliet hij de stad en ging naar de jungle. Hij beklom de berg Dhammika en bouwde er een kluis waar zij een zuiver leven voerden.
   Op die plek leefde de demon Yanta. Op zekere dag was hij niet in staat zijn honger te stillen. Vermomd als een brahmaan ging hij naar koning Sirigutta en vroeg om de kinderen met de woorden: “Als jij me je kinderen geeft, zul je in de toekomst een Boeddha worden.” Koning Sirigutta was verheugd over deze woorden en hij gaf zijn kinderen aan de demon. En hij maakte een aspiratie voor Boeddhaschap.
   Toen nam de demon de kinderen mee, sneed ze open en at ze op. Toen Sirigutta dit zag, was zijn gemoed er niet door bewogen. [340]
 _____
  [340]  Dit verhaal lijkt iets op dat van Vessantara. Over het geven van zijn eigen kinderen, zie het verhaal van Vessantara.

3
Theravada Boeddhisme / Thema: Boosheid, deel 2
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Vandaag om 11:22 »
Thema: Boosheid, deel 2

- “Het kwaad hierin is boosheid en wraak. Er is een Middenweg voor het afstand doen van boosheid en wraak, visie gevend, kennis gevend, die leidt tot vrede, tot directe kennis, tot verlichting, tot Nibbana. En wat is die Middenweg? Het is eenvoudigweg dit edele Achtvoudige Pad; dat is, juiste visie, juiste intentie, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste mindfulness en juiste concentratie. Dit is de Middenweg die visie geeft, kennis geeft, die leidt tot vrede, tot directe kennis, tot verlichting, tot Nibbana.” (MN3§9).

“’Smet, smet, wordt gezegd, vriend, maar waar verwijst dit woord ‘smet’ naar’? ‘Smet’, vriend, is een term voor de sfeer van kwaadaardige onheilzame wensen.
“Het is mogelijk dat een bhikkhu hier zou wensen: ‘Als ik een overtreding bega, laat de bhikkhu’s dan niet weten dat ik een overtreding heb begaan.’ En het is mogelijk dat de bhikkhu’s er achter komen dat die bhikkhu een overtreding heeft begaan. Dus hij is aldus boos en verbitterd: ‘De bhikkhu’s weten dat ik een overtreding heb begaan.’ De boosheid en verbittering zijn beide een smet.”
Zo worden in deze sutta meerdere kwaadaardige onheilzame wensen beschreven waarbij de bhikkhu telkens niet zijn zin krijgt en boos en verbitterd wordt. Zowel de boosheid als de verbittering zijn een smet. (MN5§§9-28)

-“Wat, bhikkhu’s, zijn de imperfecties die de geest bezoedelen? Begerigheid en zondige hebzucht is een imperfectie die de geest bezoedelt. Kwade wil…boosheid…wraak…minachting…een bazige mentaliteit…jaloezie…inhaligheid…bedriegerij…oplichting…koppigheid…aanmatiging…eigendunk…arrogantie…ijdelheid…
achteloosheid is een imperfectie die de geest bezoedelt.” (MN7§3)

-“’Anderen zullen boos zijn; wij hier zullen niet boos zijn’: uitwissing dient aldus beoefend te worden.” (MN8§12)

-“Verder, een bhikkhu is boos en is overmeesterd door boosheid; dit is een kwaliteit die het moeilijk maakt hem te vermanen.”
Verder, een bhikkhu is boos en wraakzuchtig vanwege boosheid; dit is een kwaliteit die het moeilijk maakt hem te vermanen.”
Verder, een bhikkhu is boos en koppig door boosheid; dit is een kwaliteit die het moeilijk maakt hem te vermanen.”
Verder, een bhikkhu is boos, en hij uit woorden die grenzen aan boosheid; dit is een kwaliteit die het moeilijk maakt hem te vermanen.” (MN15§3)
De sutta somt zo meerdere kenmerken op die er voor zorgen dat iemand moeilijk is te vermanen.
Als het tegendeel aanwezig is, is iemand gemakkelijk te vermanen.

Majjhima Nikaya 16 bespreekt vijf zogenaamde wildernissen in het hart die het onmogelijk maken  dat iemand groeit in de Dhamma en disciplinering (Discipline). Er moet dus afstand van worden gedaan. De eerste drie wildernissen betreffen een gebrek aan vertrouwen in de Drie Juwelen. Men twijfelt, is onzeker, onbeslist en niet overtuigd van de Drie Juwelen. De vierde wildernis in het hart is dat men  twijfelt, onbeslist en niet overtuigd is van de training. De vijfde wildernis is:
-“Verder, een bhikkhu is boos en niet tevreden met zijn metgezellen in het heilige leven, haatdragend en harteloos naar hen en dus (en dit geldt ook voor de andere wildernissen) is zijn geest niet geneigd naar ijver, toewijding, volharding en streven. Aangezien zijn geest niet neigt naar ijver, toewijding, volharding en streven, is dat de vijfde wildernis in het hart waarvan nog niet afstand is gedaan.” (MN16§7)

Majjhima Nikaya 21 beschrijft de eerwaarde Moliya Phagguna. Hij gaat zo veel en innig om met bhikkhuni’s dat hij boos en ontevreden wordt als iemand negatief over de bhikkhuni’s spreekt en omgekeerd geldt dat ook. De Boeddha roept de eerwaarde naar zich toe en vertelt hem dat hij van alle verlangens en gedachten gebaseerd op het huiselijk leven afstand dient te doen. De eerwaarde Phagguna wordt geadviseerd zo te trainen: “’mijn geest zal onaangedaan blijven, en ik zal geen slechte woorden uiten; Ik zal voor zijn [de dader] welzijn mededogend verblijven, met een geest van liefdevolle vriendelijkheid, zonder innerlijke haat’, dat is hoe je dient te trainen Phagguna.” (MN21§6).
Zelfs als iemand in zijn aanwezigheid een bhikkhuni of hemzelf een klap met de hand geeft, met een kluit raakt, met een stok of met een mes, moet je dat doen, is het advies van de Boeddha.
Met een voorbeeld geeft de Boeddha aan dat iemand pas zachtaardig, vredevol wordt genoemd wanneer hij ook onaangename zaken kan verduren.

-“Hier, leerling, heeft een bepaalde man of vrouw een bozig en prikkelbaar karakter; zelfs een klein beetje bekritiseerd, is h(z)ij beledigd, wordt boos, vijandig en zint op wraak en vertoont boosheid, haat en verbittering. Vanwege het verrichten en ondernemen van zulke activiteit…wordt hij wedergeboren in een staat van ontbering…Maar als hij in plaats daarvan terugkomt als mens dan zal hij lelijk zijn, waar hij dan ook wedergeboren wordt. Dit is de weg, leerling, die naar lelijkheid leidt, namelijk, iemand is van een bozig en prikkelbaar karakter…en vertoont boosheid, haat en verbittering.” (MN135§9)
Het afstand doen van boosheid is de weg naar de hemelen, of, als men als mens wedergeboren wordt, dan is men mooi.

Wanneer op definitieve wijze afstand wordt gedaan van begerigheid, verlangen en smachten, van boosheid, kwade wil en haat, van onwetendheid en begoocheling, dus op een manier dat het niet meer in de toekomst kan ontstaan, dan bezit iemand…“het ultieme fundament van vrede. Want dit, bhikkhu’s, is de ultieme edele vrede, namelijk,  de pacificatie van begerigheid, haat en begoocheling.”  (MN140§28)

groet,

4
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Gisteren om 23:53 »
4. De Boeddha Dhammassāmi
  
   Na de vernietiging van de manda aeon door vuur zal er een sāra aeon komen. Hierin zal één Boeddha ontstaan, namelijk Dhammassāmi.
   Ten tijde van de Boeddha Kassapa leefde een grote generaal geheten de minister Bodhi. Koning Kikī had verboden om aalmoezen te geven aan de Boeddha. Toch wilde de minister Bodhi graag voedsel geven aan de Boeddha, zelfs als de dood het gevolg ervan mocht zijn. Voordat hij bij de Boeddha aankwam, werd hij door de soldaten van de koning gevangen genomen. Zij boeiden hem en brachten hem naar de koning. Hij werd ter dood veroordeeld en werd naar de begraafplaats gebracht. Door zijn bovennatuurlijke krachten verscheen de Boeddha Kassapa voor de soldaten en de minister. En hij zei aan de minister: “Geef aalmoezen voor zover je daartoe in staat bent, en wees gelukkig.” Maar de minister had niets om te geven omdat hem alles was afgenomen. Door de macht van de Boeddha verscheen toen voedsel voor de minister. Deze nam er zijn deel aan rijst en gewaden van en bood die aan de Boeddha aan. En hij maakte de aspiratie een toekomstige Boeddha te worden door de verdiensten van die gave. En de Boeddha voorspelde dat de aspiratie succes zou hebben. Hierna sloeg de beul het hoofd van de minister af. Deze werd wedergeboren in de Tusita hemel als Abhibhū koning der goden. En als resultaat van het geven van zijn leven voor de Boeddha zal hij de toekomstige Boeddha Dhammassāmi worden.
   Na de sāra aeon zal er een lakkhana aeon volgen, een tijdperk waarin geen Boeddhas ontstaan, gevolgd door een manda aeon, een tijdperk waarin twee Boeddhas ontstaan, namelijk Nārada en Ramsimuni.
5
Theravada Boeddhisme / Thema: Boosheid, deel 1
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Gisteren om 19:50 »
Thema: Boosheid, deel 1

-“Monniken, als iemand geringschattend over mij zou spreken, over de Dhamma of de Sangha, dienen jullie op basis daarvan niet boos te zijn, wraakzuchtig  of ontdaan. Als jullie boos zouden zijn of ontevreden bij zulke geringschatting zou dat alleen maar een hindernis voor jullie zijn. Want als anderen me geringschatten, de Dhamma of de Sangha, en jullie zijn boos of ontevreden, kunnen jullie dan herkennen dat wat ze zeggen juist is of niet?" ‘Nee, Heer.’ "Als anderen mij geringschatten, de Dhamma of de Sangha dan moeten jullie wat onjuist is uitleggen als onjuist, zeggend: “Dat is niet juist, dat is verkeerd, dat is niet onze weg, dat wordt onder ons niet aangetroffen.” De sutta geeft aan dat als de Drie Juwelen door anderen worden geprezen dat ook het daarmee tevreden zijn, gelukkig en uitgelaten zijn, een hindernis is. (DN1§1.5).

-“Monniken, in welk vorig leven dan ook…de Tathagata leefde zonder boosheid, volmaakt sereen, en zelfs nadat vele woorden uitgesproken waren, was hij niet krenkend, of onrustig of toornig, of agressief, noch boosheid, noch haat, noch wrok vertonend, maar was gewend om fijne zachte kleden weg te geven, mantels, fijn linnen, katoen, zijde en wollen stoffen,...bij het terugkeren op deze Aarde, verkreeg hij dit kenteken van een groot mens: een heldere teint, de kleur van goud.” (DN30§1.28)
Dit is op zich wel een opmerkelijk fragment uit Digha Nikaya 30 want de Cariyapitaka, een werk uit Khuddaka Nikaya dat beschrijft hoe de Boeddha in vorige levens aan de perfecties werkte, maakt duidelijk dat de Boeddha in vorige levens wel degelijk boosheid in zichzelf kon voelen opkomen. Dus kennelijk moet het niet letterlijk worden genomen dat de Boeddha in vorige levens helemaal zonder boosheid was, maar hij liet zijn gedrag er niet door beheersen, en in die zin vertoonde hij niet boosheid. Met name in het hoofdstuk over de perfectie van moraliteit (Car H. II) wordt beschreven hoe de Boeddha in zijn vorige levens als mens, als dier, yakkha, of deva weliswaar boosheid in zich kon voelen opkomen maar deze meteen ook bedwong.
Een voorbeeld: in een vorig leven heette de Boeddha Culabodhi. Hij verzaakte samen met zijn mooie vrouw de wereld. Een koning zag haar en werd smoorverliefd op haar. Toen ze haar meesleurden ontstond boosheid in Culabodhi. Toen dat gebeurde herinnerde hij echter zijn gelofte van moraliteit. Hij bedwong toen en daar die boosheid. Hij deed het niet verder toenemen. De tekst geeft aan dat zelfs al zou iemand zijn vrouw met een scherp zwaard  aanvallen, dan nog zou hij omwille van het Ontwaken nooit (de perfectie van) moraliteit schenden. Hij vond zijn vrouw niet onaangenaam noch ontbrak bij hem aan kracht, maar Alwetendheid was  hem dierbaar en daarom bewaakte hij moraliteit, zo geeft de tekst aan. (Car. II.4, Culabodhi).

Het is dus ook maar net wat je prioriteit geeft. Je kunt eigenlijk emoties, zoals boosheid, hebzucht, zelfs geweld, eigenlijk altijd wel verdedigen. Ik ben er wel van overtuigd geraakt, en teksten die nog komen wijzen dat ook wel uit, dat het waarderen van zulke emoties als boosheid, trots, hebzucht, jaloezie etc. volgens de overlevering van de Pali sutta’s niet gepast is voor iemand die streeft naar Bevrijding.

-“Zes wortels van strijd/conflict (vivada-mulani): Hier is een monnik boos en koestert kwade wil, hij is niet respectvol en onbeleefd tegen de Leraar, de Dhamma en de Sangha, en rondt zijn training niet af. Hij wakkert ruzie in de Sangha aan, dat ongeluk en leed voor velen brengt, met slechte consequenties, ongeluk en leed voor deva’s en mensen. Als, vrienden, jullie zo’n wortel van strijd in jezelf of anderen ontdekken, moeten jullie er naar streven om die wortel van strijd kwijt te raken”…Hetzelfde wordt gezegd over andere wortels van conflict, namelijk, als iemand is: b. bedrieglijk en kwaadaardig; c. jaloers en gemeen; d. doortrapt en bedrieglijk; e. vol slechte verlangens en met verkeerde visies; f. dogmatisch, obstinaat en koppig.”
Als zulke wortels niet worden aangetroffen dan dien je er aan te werken dat ze je in de toekomst niet overmeesteren. (DN33§2.2, zie ook AN6.36)

groet,
6
Theravada Boeddhisme / Thema: Boosheid
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Gisteren om 19:42 »
Thema: Boosheid

Inleiding

De komende tijd zal ik een selectie posten van fragmenten uit een groot deel van de Sutta-Pitaka die handelen over boosheid. Soms heb ik de sutta in zijn geheel vertaald, soms fragmenten en soms in eigen woorden samengevat. Het is niet bedoeld als een compleet overzicht van alle teksten die handelen over boosheid maar het is wel een behoorlijk uitgebreide selectie geworden.

Wat me onder andere bezighield was dat (verstorende) emoties, zoals ook boosheid, best vaak ook worden verdedigd. Ik las bijvoorbeeld onlangs nog in een artikel in het Boeddhistisch Dagblad dat boos zijn als je kind gepest wordt, wordt gezien als  “uiterst adequaat”. Boosheid als een vorm van bescherming. Zo kun je toch best vaak horen of lezen dat er ook positieve kanten zitten aan emoties zoals boosheid, hebzucht (toenemende welvaart, geld moet stromen), trots (op prestaties) of zelfs aan geweld (vijanden met geweld verslaan is soms gewoon nodig en goed). Ik wilde ook eens onderzoeken of er in de overgeleverde Pali sutta’s  ook zulke positieve kanten van boosheid zijn terug te vinden. 

Om meteen maar te vertellen wat ik tegengekomen ben, nee, ik ben geen teksten tegengekomen die boosheid op een positieve manier belichten. Boosheid als een beschermende emotie dat is iets wat niet echt rijmt met wat ik gelezen heb. Boosheid wordt duidelijk afgekeurd, een bezoedeling, een emotie om afstand van te doen. Wat dit betreft lijkt er toch ook wel een duidelijk verschil tussen de wereldlijke moraal van het gewone leven en het heilige leven van de Boeddha en diens leerlingen.

Misschien kennen jullie wel Pali sutta’s die boosheid in een positief daglicht stellen. Hierbij uitgenodigd deze hier te posten. Ik zou het wel waarderen als jullie dan de reeks teksten eerst even afwachten. Deze worden na deze inleiding in 8 delen gepost.

Ik heb de volgende bronnen geraadpleegd:

-Digha Nikaya (DN): The Long Discourses of the Buddha, A translation of the Digha Nikaya by
 Maurice Walshe, 1996.
-Majjhima Nikaya (MN): The Middle Length Discourses of the Buddha, A new translation of the Majjhima Nikaya, original translation by Bhikkhu Nanamoli, translation edited and revised by Bhikkhu Bodhi, 1995.
-Samyutta Nikaya (SN): The Connected Discourses of the Buddha, A New Translation of the Samyutta Nikaya, Bhikkhu Bodhi, Volume I+II, 2000.
-Anguttara Nikaya (AN): The Numerical Discourses of the Buddha, A Translation of the Anguttara Nikaya by Bhikkhu Bodhi, 2012.
-Khuddakapatha (Kdp): The Supplementary Reading, edited and translated by Anandajoti Bhikkhu.
-Dhammapada (Dhp), A Translation, Ven. Thanissaro Bhikkhu, Buddha Dharma Education Association Inc, 1997.
-Udana (Ud): A Translation With an Introduction & Notes by Thanissaro Bhikkhu, 2012; Verses of uplift, in Minor Anthologies of the Pali Canon, volume II, F. L. Woodward, PTS, Bristol, 1935.
-Itivuttaka (Iti): This was said by the Buddha, A Translation by Thanissaro Bhikkhu, revised edition 2013; As it was said, in Minor Anthologies of the Pali Canon, volume II,  F. L. Woodward, PTS, Bristol, 1935.
-Sutta Nipata (Sn): The Sutta Nipata, A Collection of Discourses Being One of the Canonical Books of The Buddhist, Translated from Pali by V. Fausböll, Oxford, 1881.
-Cariyapitaka (Car): Chronicle of Buddhas, The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III, Chonicle of Buddhas (Buddhavamsa) en Basket of Conduct (Cariyapitaka) I.B. Horner, Oxford, 1975

Ik heb dit keer de teksten niet in hoofdstukken ingedeeld zoals bij de serie posten onder de naam “Thema: Angst”. Ik hoop dat jullie deze serie posten leerzaam vinden. Ik geloof dat ze een goed beeld geven van wat er over boosheid te vinden is in de Sutta-Pitaka.

Alle goeds,
Siebe,  augustus 2017
7
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Gisteren om 13:13 »
3. De Boeddha Dhammarājā
  
   Ten tijde van de Boeddha Konāgamana leefde een jonge man met naam Suddha. Hij waakte over lotusbloemen in een meer. Dagelijks verkocht hij twee bloemen. Op zekere dag voorspelde de Boeddha Konāgamana hem dat hij de toekomstige Boeddha Dhammarājā zou worden. Toen bood de jonge man twee bloemen aan de Verhevene aan. En hij beschermde hem tegen de hitte van de zon met twee stukken stof. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een van de deva-sferen. Vandaar werd hij herboren als koning Pasenadi van Kosala. Na het vervullen van de volmaaktheden zal hij wedergeboren worden als de Boeddha Dhammarājā.
 

8
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 17-08-2017 22:25 »
2. De Boeddha Rāma
  
   De leer van de Boeddha Metteyya zal een lange tijd duren. En na een lange periode zal deze aarde verbrand worden door vuur. Na het einde van deze gelukkige aeon zal er een asankheyyya zijn, een tijdperk waarin geen Boeddhas ontstaan.  Daarna zal een manda aeon volgen waarin twee Boeddhas verschijnen, namelijk Rāma en Dhammarāja.
   Ten tijde van de Boeddha Kassapa leefde een jonge man met naam Nārada. Toen hij de Boeddha Kassapa zag, dacht hij dat het waard was zijn leven voor de Boeddha te geven. En hij stak zichzelf in brand, als een toorts. Toen voorspelde de Boeddha Kassapa dat Nārada de Boeddha Rāma zou worden. Na zijn dood werd hij wedergeboren in de Tusita hemel. Vandaar zal hij herboren worden in een familie die 100.000 aeonen lang de volmaaktheden heeft vervuld. En dan zal hij de Boeddha Rāma worden.
9
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 16-08-2017 19:01 »
1. De toekomstige Boeddha Metteyya
   
   Er zijn verschillende verhalen betreffende de toekomstige Boeddha Metteyya. Zij moeten echter met grote voorzichtigheid behandeld worden. Want de meeste ervan ontstonden buiten de leer van de Boeddha zoals die is vastgelegd in de Pāli Canon.
   Na het verdwijnen van de leer van de Boeddha Gotama zal er een andere Boeddha verschijnen met naam Metteyya. Er is geen definitief aantal jaren aangegeven voor de periode tussen de Boeddha Gotama en de Boeddha Metteyya.
   Volgens het Anāgatavamsa zal de Boeddha Metteyya tien miljoen jaren later dan de Boeddha Gotama ontstaan. Het Anāgatavamsa is een gedicht van 142 verzen, een verhaal van de tien toekomstige Boeddhas. Het wordt toegeschreven aan een zekere monnik Kassapa. Het dateert uit het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw.
   Rudolf Steiner, een theosofist, schreef dat de Bodhisatta die de toekomstige Boeddha Metteyya zal zijn, herboren was als Jeshu ben Pandira, honderd jaar vóór de geboorte van Jezus Christus. Precies 5000 jaren na de Verlichting van de Boeddha Gotama zou hij wedergeboren worden als de Boeddha Metteyya.
   Volgens Ikeda zal de Bodhisattva Maitreya 5.670.000.000 jaren na het heenaan van de Boeddha Gotama in de wereld verschijnen. Ikeda vermeldde geen bron voor dit aantal.
 
   In de Pāli Canon is nergens vermeld dat de Boeddha Gotama aan iemand voorspelde dat hij de volgende Boeddha zou worden of een toekomstige Boeddha. Er is alleen vermeld in het Cakkavatti-Sīhanāda sutta dat ooit de Boeddha Metteyya zal ontstaan. Er staat dat in de verre toekomst het continent van Jambudīpa [= India] machtig en welvarend zal zijn. In die tijd zal Varānasi een koninklijke residentie zijn geheten Ketumatī. Er zal een koning met naam Sankha ontstaan, een wereldbeheersend monarch. En in die tijd zal in de wereld een volledig ontwaakte Boeddha ontstaan, geheten Metteyya. Hij zal begiftigd zijn met wijsheid en goed gedrag, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en van mensen, gezegend en verlicht. Hij zal de Dhamma onderwijzen naar de geest en naar de letter, en het heilige leven in zijn volheid en zuiverheid verkondigen. Hij zal een gevolg hebben van duizenden monniken. (D.26)
 
   Om een Mahā Bodhisatta te worden moeten de tien volmaaktheden tenminste gedurende 100.000 aeonen ontwikkeld worden. Er is vermeld dat de Boeddha Metteyya in deze gelukkige aeon (bhaddha kappa) herboren zal worden. Dat betekent dat de voorspelling aan de Bodhisatta Metteyya meer dan 100.000 aeonen eerder moet zijn geweest. Volgens de overlevering had hij de aspiratie om een Boeddha te worden 16 ontelbare perioden (16 asankheyyas) en 100.000 aeonen eerder dan nu. Een aeon bestaat traditioneel uit vier ontelbare perioden; dus als wij alles letterlijk nemen kreeg hij zijn eerste voorspelling 100.004 aeonen voor de Boeddha Gotama en hij moet ze dan vóór de tijd van de Boeddha Dīpankara gekregen hebben.

   Het Rasavāhinī is een collectie van educatieve verhalen van Sri Lanka. De auteur ervan is Vedeha en het werk dateert uit de 13e of 14e eeuw. Erin wordt vermeld dat de Bodhisatta Metteyya voor het eerst de voorspelling dat hij ooit Boeddhaschap zou bereiken, ontving aan de voeten van de Boeddha Muhutta. Vanaf die tijd had hij de volmaaktheden 1.600.000 aeonen vervuld. In die tijd had hij veel Boeddhas vereerd en van hen eveneens voorspellingen gekregen.
 
   In het Anāgatavamsa wordt beweerd dat er in deze gelukkige wereldcyclus, in de toekomst, een Ontwaakte zal zijn met naam Metteyya. Op die tijd zal er een koning zijn geheten Sankha, een universeel monarch van Kusavātī. Zijn koninklijke residentie zal Ketumatī heten. De vrouwen zullen er trouwen op 500-jarige leeftijd. Een zekere Ajita zal er geboren worden, Metteyya, met grote macht, weergaloos. Hij zal in een brahmaans gezin geboren worden, met grote rijkdom en bezittingen. Metteyyas moeder zal Brahmavatī heten en zijn vader zal de naam Subrahma hebben en de hoofdpriester van koning Sankha zijn. Vier paleizen zal Ajita hebben. Candamukhī zal zijn vrouw zijn en Brahmavaddhana zijn zoon. Hij zal 8000 jaren een gezinsleven leiden. Op zekere tijd zal hij naar een park gaan om zich daar te vermaken. Hij zal er het gevaar zien in zinnelijk genot en omdat hij wijs is in overeenstemming met de natuur van Bodhisattas, zal hij de vier tekenen zien: een oude man, een zieke man, een dode man, en een gelukkige rondtrekkende asceet. Uit sympathie voor alle levende wezens zal hij het gezinsleven opgeven om op zoek te gaan naar de onovertroffen staat van vrede. Zeven dagen lang zal hij ascese beoefenen en zal het huiselijke leven opgeven, terwijl hij in de lucht springt met zijn paleis. Op de dag dat de Wijze de wereld verzaakt, zal hij het baldakijn van de boom van Verlichting naderen. Op de plaats van de onoverwonnen leiders van mensen, op die verheven zetel van ontwaking, zal hij tot zelf-ontwaking komen. Hij zal naar de tuin Nāgavana gaan en daar zal hij het onvergelijkbare Wiel der Leer in beweging brengen, De Nāga boom zal voor die Gezegende de boom van Verlichting zijn. De levensspanne van de Boeddha zal 80.000 jaren zijn. Temidden van de eerwaarde orde van discipelen die gedaan hebben wat gedaan moet worden, zal dan de veroveraar uitdoven zoals een vuur. Zijn leer zal 180.000 jaren blijven bestaan. Hierna zal de ware leer uit de wereld verdwijnen.
 
   Zoals boven vermeld is het Anāgatavamsa een post-canoniek werk dat gedateerd kan worden in het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw. Volgens mij is het een verzonnen verhaal; het lijkt op een mengeling van sommige Boeddhistische details en een sprookje: wensvervullende bomen (verzen 22-26), rijst die vanzelf ontstaat (vers 27), in de lucht springen met het paleis (vers 54).

   In het Dasabodhisattuppattikathā wordt gezegd dat de ouderling Ajita de Boeddha Metteyya zal zijn in deze gelukkige aeon. En in een oude Birmese lijst van Boeddhas staat geschreven dat “De toekomstige Boeddha Mitryā, na als monnik gewijd te zijn met naam Acita, in de tegenwoordigheid van Kotama Boeddha de voorspelling ontving.” De Chinese pelgrim Fa-hsien heeft vermeld dat de voorspelling werd gedaan in het hertenpark te Isipatana, nabij de Dhamekh Stoepa. In zijn ‘Reizen van Fa-hsien’ is geschreven: “Waar 60 stappen naar het noorden de Boeddha neerzat met het gelaat naar het oosten gewend en waar hij de leer verkondigde en bevrijding gaf aan Kaundinya en anderen, vijf in totaal; waar, nog 20 stappen verder noordwaarts de Boeddha de voorspelling deed aangaande Maitreya, de aanstaande Boeddha.”
   Maar dit is niet vermeld in de Pāli Canon. Bij de vijf asceten die samen waren met de Boeddha Gotama, vinden wij de asceet met naam Assaji. En deze Assaji bereikte heiligheid, arahantschap. Hij kan dus niet meer wedergeboren zijn, noch in de Tusita hemel noch als een aanstaande Boeddha.
   Een eerwaarde Ajita is vermeld in Sutta Nipata verzen 1032-1039. Maar er zijn geen verdere details over zijn toekomst vermeld. En Malalasekera vermeldt verscheidene andere personen met de naam Ajita. De een was een monnik op het tweede concilie; hij kan niet de Bodhisatta zijn. Een ander was een paribbājaka die een bezoek bracht aan de Boeddha; er zijn geen verdere details over zijn toekomst bekend. Een derde was de generaal van de Licchavis en een volgeling van de Boeddha. Na zijn dood werd hij wedergeboren in de Tāvatimsa hemel. En nog een ander was een Ouderling (Thera) die een arahant werd. Hij kan niet meer wedergeboren zijn.
 
   Indien de Boeddha Gotama aan een zekere Ajita voorspelde dat deze de aanstaande Boeddha Metteyya zou worden, dan moet deze voorspelling de bevestiging zijn geweest van een voorspelling die door een andere Boeddha gedaan is, vele aeonen geleden.
   Volgens het commentaar op het Anāgatavamsa was Ajita de zoon van koning Ajātasattu en koningin Kāñcanadevī. Toen de prins de leeftijd van 16 jaren bereikte, vroeg de koning hem om de erfenis van de Boeddha aan te nemen. De prins stemde toe en de koning bracht hem naar het Veluvana klooster. Prins Ajita werd er gewijd als een novice; later kreeg hij de wijding tot bhikkhu. Toen de Boeddha van Rājagaha naar Kapilavatthu ging om er in het Nigrodhārāma klooster te vertoeven, nam hij Ajita mee. Daar schonk Maha Pajāpatī Gotamī twee speciale gewaden aan de Boeddha (zie M.142). De Boeddha weigerde drie keer de gewaden aan te nemen. Toen zei hij dat het beter was als één gewaad ervan aan de Sangha aangeboden werd. De eerwaarde Ajita nam het gewaad aan. Er waren toen praatjes over het feit hoe een onbekende bhikkhu het gewaad kon aannemen wanneer geen van de leidende discipelen dit had aangenomen. Om een einde aan de twijfel te maken zou de Boeddha toen gezegd hebben: “Deze bhikkhu is een Bodhisatta die de aanstaande Boeddha Metteyya zal worden.”
 
   Bovenstaand verhaal kan niet waar zijn. Mahā Pajāpatī Gotamī gaf het gewaad aan de Boeddha op het einde van het 5e regenseizoen. Op die tijd was Ajātasattu geen koning maar een prins. Ajātasattu liet zijn vader ter dood brengen in het 37e jaar na de Verlichting van de Boeddha Gotama. En pas na die gebeurtenis werd de prins een koning; toen ook werd hij pas een volgeling van de Boeddha. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij vóór deze gebeurtenis zijn zoon gevraagd zal hebben om een bhikkhu te worden. Verder heette zijn zoon Udaya, niet Ajita. En Vajirā, Pasenadi’s dochter, was zijn echtgenote.

   In een tekst uit het Srī Saddharmāvavāda-Sangrahaya, een Sinhalees werk, geciteerd door de eerwaarde H. Saddhatissa, is geschreven dat de Bodhisatta Metteyya in dit Boeddha-tijdperk ontvangen was in de schoot van de vrouw van het rijke gezinshoofd Sirivaddhana, in de stad Sankassa (nabij Sāvatthi). Hij kreeg de naam Ajita en groeide op te midden van grote rijkdom. Hij studeerde alle kunsten en wetenschappen van die tijd; en na de dood van zijn ouders kreeg hij de grote erfenis die door hen was nagelaten. Hij hoorde de vragen en antwoorden tussen de Boeddha Gotama en de eerwaarde Sariputta betreffende de deugden die naar Boeddhaschap voeren. En daarna gaf hij zijn gezinsleven op en werd een bhikkhu. Hij leerde de hele Boeddhistische Canon van buiten en onderwees die aan vele honderden van monniken. Mahā Pajāpatī Gotamī bood hem twee stukken stof aan. Hij schonk die aan de Boeddha Gotama die toen voorspelde: “Deze monnik zal in de toekomst, in deze gelukkige aeon, een Boeddha worden, met naam Metteyya.” Dit verhaal wijst volgens Saddhatissa erop dat de voorspelling aangaande Metteyya gedaan was in het Nigrodha klooster te Kapilavatthu.
   De Chinese reiziger Hiueng Tsiang (629 na Chr.) verwijst naar de Gridhakūta heuvel te Rājagaha, op welke heuvel naar men beweerd dezelfde bevestiging was ontvangen bij een andere gelegenheid.
   
   Welk verhaal is waar? Is het waar dat de toekomstige Boeddha Metteyya ten tijde van de Boeddha Gotama een bhikkhu was met naam Ajita? En zo ja, in welke plaats werd de voorspelling gedaan: in Isipatana, Rājagaha of Kapilavatthu? Volgens de eerwaarde H. Saddhatissa lijkt het erop dat de voorspelling door de Boeddha Gotama bij meer dan één gelegenheid gedaan was. Maar het verhaal over Ajita die de voorspelling kreeg nabij de Dhamekh stoepa te Isipatana, kan niet waar zijn. De overige verhalen schijnen verzonnen en toegevoegd te zijn na vaststelling van de Pāli Canon en vermengd met enige details van de Dhamma. Zeker is alleen dat de toekomstige Boeddha de naam Metteyya zal hebben.
 
   Nog een verzonnen verhaal vinden wij in het Dasabodhisattuppattikathā. Het is geschreven in een taal zoals die gebruikt wordt in sprookjes en magische verhalen, niet eigen aan de werkelijke leer van de Boeddha. In het kort volgt het verhaal hier.
   De ouderling Ajita zal in deze gelukkige aeon de Boeddha met naam Metteyya zijn. Zijn levensspanne zal 82.000 jaren zijn. In het verleden was de Bodhisatta Metteyya geboren in het land van de Kuru, in de stad Indapatta. Hij was er de keizer met naam Sankha. Aan de vier toegangspoorten van zijn stad ontsproten wensvervullende bomen. Toen verscheen de Boeddha Sirimata in de wereld. Hij ging van dorp tot dorp en kwam in het grensgebied van het koninkrijk van keizer Sankha. De keizer vernam dat de Boeddha Sirimata, die toen in het klooster Pubbārāma verbleef met een groot gevolg van monniken, was aangekomen. Keizer Sankha gaf zijn koninkrijk en verwanten op. Hij ging te voet naar het klooster Pubbārāma. Op de eerste dag van zijn voettocht spleten de zolen van zijn voeten open. Op de tweede dag begonnen zij te bloeden. Op de derde dag was hij niet in staat om verder te gaan. Toen ging hij op zijn knieën verder waarbij hij zijn handpalmen als steun gebruikte. Op de vierde dag bloedden ook zijn knieën en handpalmen. Dus begon hij op zijn borst te krieuwelen. Toen overzag de Boeddha Sirimata de wereld en zag de machtige inspanning van de keizer. En hij dacht: “Deze Sankha is met zekerheid een Bodhisatta”. In de gedaante van een jongeman en in een wagen ging de Boeddha Sirimata naar keizer Sankha toe en vroeg hem in de wagen te stappen. De keizer stemde toe en zij gingen naar het klooster Pubbārāma. Onderweg kreeg de keizer eten en drinken. In het klooster nam de Boeddha zijn normale gestalte weer aan en ging op de Boeddha-zetel zitten. De keizer kwam het klooster binnen, vereerde de Leraar en ging terzijde neerzitten. En hij vroeg: “Geeft mij a.u.b. een toespraak die mij vrede brengt.” Toen hield de Boeddha Sirimata een toespraak over nibbāna. De keizer vroeg aan de Boeddha niet verder te preken, omdat hij geen passend geschenk dacht te hebben. Keizer Sankha sprak tot de Verheven Sirimata: “Eerwaarde heer, u preekt de leer die nibbāna als hoogste heeft. Ook ik zou graag eer betonen aan uw leer met mijn hoofd. Door dit geven van het hoofd zal ik nibbāna bereiken.” En hij sneed zijn hoofd af met zijn nagels. Het aanbieden van het hoofd en het offer van zijn leven werd de hoogste volmaaktheid genoemd. Na zijn heengaan werd hij wedergeboren in de Tusita hemel als de godheid Sankha. Aldus, door het aanbieden van zijn hoofd, zal hij de Verheven Metteyya worden.
   Ook dit verhaal is een verzinsel. Wij vinden bijvoorbeeld: wensvervullende bomen, het afsnijden van het hoofd met de nagels – die nagels moeten erg lang en scherp en sterk zijn geweest! Het geven van zijn leven op deze manier is zinloos. Op die manier wordt de Boeddha niet geëerd. En bovendien begon de Boeddha in normale gevallen een toespraak over geven (edelmoedigheid), over deugdzaamheid en over een betere wereld (de hemelen). Daarna pas legde hij de Vier Edele Waarheden uit (inclusief nibbāna). Volgens de eerwaarde H. Saddhatissa kan het Dasabodhisattuppattikathā het resultaat zijn van de invloeden van bepaalde Hindoe- en Mahāyāna-praktijken. Veel niet-boeddhistische praktijken zijn in het boek toegevoegd, zoals elementen van zelfvernietiging en bloedige offers. Hij schreef dat het boek mogelijk is samengesteld in een omgeving waar niet-boeddhistische religies het denken van onwetende Boeddhisten hadden beïnvloed.
 
    De Boeddha Metteyya zal de laatste Boeddha zijn die in deze wereldcyclus zal ontstaan. Volgens de eerwaarde U Chit Tin is het mogelijk in de tijd van de Boeddha Metteyya wedergeboren te worden door het resultaat van de volgende goede daden: als men met de leer van de Boeddha Gotama in aanraking komt; als men gaven geeft, deugdzaam leeft, en als men ontwikkeling van de geest (bhāvanā) cultiveert. Door deze daden kan men ervan verzekerd zijn wedergeboren te worden in de hogere sferen van bestaan.
   In het Anāgatavamsa is geschreven dat men juist, vastberaden en energiek moet handelen teneinde de Boeddha Metteyya hier te ontmoeten. Alwie hier goede dingen doet en waakzaam blijft, alwie de grote Boeddha hoogacht en eer betoont, die persoon zou samen met de godheden op die tijd de gunstige bijeenkomst zien. Men zou het heilige leven moeten beoefenen, passende geschenken moeten geven, de vastendag houden, zorgvuldig welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid moeten beoefenen en steeds verdienstelijke daden moeten verrichten. Als men zo bekwaam gehandeld heeft, zal men een einde maken aan het lijden.
   Volgens het Dasabodhisattuppattikathā zal de leer van de Verheven Metteyya een lange periode duren. En na verloop van een lange tijd zal deze aarde verbrand worden door het vuur dat de vernietiging van een aeon teweeg brengt. Na het afsluiten van deze gelukkige aeon zal er een asankheyya (ontelbare periode) zijn die leeg is van Boeddhas. Er zal dan geen Boeddha, Dhamma of Sangha zijn voor goden en mensen.[335]

   Andere Boeddhas zullen de Boeddha Metteyya opvolgen. Behalve de tegenwoordige Bodhisatta zijn de namen van negen opeenvolgende Bodhisattas gegeven in het Dasabodhisattuppattikathā, het Verslag van het ontstaan van tien Bodhisattas. Alleen Metteyya zal in deze gelukkige aeon ontstaan. De verhalen en de namen van de andere Bodhisattas zijn fictief. Maar er moeten natuurlijk nog andere Bodhisattas zijn die een voorspelling kregen van een levende Boeddha.
 
   De verhalen over de negen andere toekomstige Boeddhas volgen hier in het kort.
_____

[335]  Volgens de Theravāda traditie zal er een suñña-kappa (= 4 keer een asankheyya) zijn na deze gelukkige aeon.
10
Theravada Boeddhisme / Re: De Bodhisatta in het Theravada
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 16-08-2017 00:35 »
6. Toekomstige Boeddhas
 
    Er zijn ontelbare edele personen in de wereld geweest die de volmaaktheden hebben vervuld en die Boeddhaschap hebben bereikt. Ook in de toekomst zullen er ontelbare Boeddhas zijn. Het is niet mogelijk om het aantal Boeddhas in de toekomst op te tellen. De namen van meer dan 20 Boeddhas die leefden vóór de tegenwoordige Boeddha Gotama zijn bekend (zie Overzicht van met naam bekende Boeddhas). Maar alleen van de Boeddha Dīpankara wordt beweerd dat hij een voorspelling deed, namelijk tot de asceet Sumedha, dat deze de toekomstige Boeddha Gotama zal zijn. In de Pāli Canon staat dat de andere Boeddhas deze voorspelling bevestigden. Zij hebben ook de voorspellingen moeten bevestigen die gedaan waren tot de andere toekomstige Boeddhas. Maar dit is niet vermeld in de Pāli Canon.
   Wat betreft toekomstige Boeddhas zijn er gegevens in het Dasabodhisattuppattikathā. Dit is een klein boek met de geboorteverhalen van de tien Bodhisattas die de toekomstige Boeddhas zullen worden. Het boek is ongetwijfeld samengesteld in een tijd toen Boeddhistische gelovigen ernaar verlangden om personen te vereren zoals Bodhisattas. Er zijn veel toevoegingen van niet-boeddhistische praktijken zoals elementen van zelfvernietiging en bloedige offers. De samenstelling ervan zal hebben plaatsgehad in Zuid-India in het laatste deel van de 14e eeuw.

Fig. 8
afbeelding van de 10 toekomstige Boeddhas, geschilderd op het plafond van de hoofdtempel van de Siam Nikaya, Kandy, Sri Lanka.
(met dank aan mevrouw Khanti Salgado).



Pagina's: [1] 2 3 ... 10