Recente berichten

Pagina's: [1] 2 3 ... 10
1
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Gisteren om 22:30 »
beste Siebe,

Dat woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka heb ik zelf ook. Hij baseert zich op het commentaar, niet op een leerrede (sutta).
Dus ik blijf erbij dat in de Pali Canon niets te vinden is of Mara werkelijk in een hemel woont.
Omdat hij nog invloed heeft tot in de hoogste deva-hemel, moet de commentator ongeveer als volgt hebben geredeneerd: >> Mara heerst over alle devas. Dus moet hij in de allrhoogste deva-hemel wonen. Van daaruit heerst hij dan over de zinnelijke werelden die gelijk aan of lager zijn dan die hemel. <<
Maar ik denk dat we Mara niet als een echte persoon moeten beschouwen maar als een verpersoonlijking van de verleidingen die iemand kan tegenkomen. Dat is ook op te maken uit de namen van zijn "dochters": haat, afkeer, nijd, jaloersheid, hebzzucht e.d.
Dat is mijn mening. En jij zult er zeker een andere mening over hebben.
Groeten, Nico

Ik heb in mijn onderzoekje over Mara ook iets geschreven over Mara's bereik of domein. Uit bepaalde teksten kun je wel opmaken, vind ik, dat eigenlijk geheel samsara Mara's domein is.

“Deze Dhamma is niet gemakkelijk te begrijpen
Door diegene die aangedaan zijn door de begeerte naar bestaan,
Die meegenomen worden in de stroom van bestaan,
Diep weggezonken in Mara’s rijk” (SN35.136)

“Door diegenen die bevangen zijn door de passies van bestaan,
door diegenen die de stroom van bestaan volgen,
door diegenen die het rijk van Mara zijn binnengegaan,
wordt deze Dhamma niet op volmaakte wijze begrepen”. (SnIII.12)

Op thanka's wordt Mara vaak ook afgebeeld met geheel samsara in zijn bek. Mara wordt ook vaak gezien als de heer van de dood. En in alle rijken zijn wezens vergankelijk.



Uit MN49 blijkt trouwens dat Mara ook wezens in het gezelschap van Brahma in bezit kan nemen. Hieruit heb ik geconcludeerd dat hij zeker niet alleen invloed kan uitoefenen op wezens in de 11 rijken van de kama-loka maar zelfs op wezens (boven zijn eigen rijk) in de fijnstoffelijke wereld, de rupa-loka.

groet,

2
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Gisteren om 20:54 »
de werelden van de mensen en van de devas

   In de menselijke wereld wordt men wedergeboren als men de vijf Boeddhistische regels van goed gedrag (panca-sīla) naleeft. In de zes sferen van de devas (godheden) wordt men wedergeboren als men vertrouwen (saddhā) heeft, vrijgevigheid beoefent en de acht regels (attha-sīla) navolgt.*7]

   De zes sferen van de goden zijn tijdelijke gelukkige verblijven. Verondersteld wordt dat de wezens er leven terwijl zij van voorbijgaande genoegens van de zintuigen genieten. De godheden hebben subtielere en fijnere lichamelijke vormen dan die van de mensen. Gewoonlijk zijn zij onzichtbaar voor het menselijke oog. In sommige opzichten, zoals hun samenstelling, woonplaats en voedsel, overtreffen zij de mensen. Maar in de regel overtreffen zij niet in wijsheid. Zij hebben een spontane geboorte en verschijnen als jongelingen of als jonge meisjes van 15 of 16 jaar oud.

   In D.1 worden nog twee groepen van godheden genoemd die niet vermeld zijn in D.11. Het zijn de manopadosika devā en de khiddhapadosika-devā.
   De manopadosika-devā zijn hemelse wezens die heengaan door opvliegendheid. “Zij ergeren zich over elkaar en brengen zó hun tijd door. Door boos te worden raken zij lichamelijk en geestelijk uitgeput. En zo gaan zij uit die wereld.” (D.1).

   Volgens het commentaar bij D.1 zijn deze goden geneigd tot jaloersheid. Als een van hen waarneemt dat een andere godheid grotere schoonheid en pracht heeft dan hijzelf, kan hij boos worden. Hij kan dan beginnen te vechten met de andere godheid. Als die andere god zonder boosheid blijft, verdwijnt ook de boosheid van de ene. En beide godheden blijven dan leven. Maar als de tweede ook boos wordt, zal de boosheid van beiden toenemen. En tengevolge daarvan zullen beiden heengaan uit die hemelse sfeer. Volgens het commentaar zijn de manopadosika devā gelijk aan de goden van de Vier Grote Koningen.

   De khiddapadosika devā zijn hemelse wezens die door plezier vergaan. “Zij verspillen hun tijd in plezier, spel en vermaak, en daarbij worden zij onnadenkend. In hun onnadenkendheid vallen zij uit die wereld.” (D.1).

   Deze godheden hebben zeer tere lichamen en daarom kunnen zij geen enkele maaltijd missen. Als een van hen een maaltijd mist, wordt zijn lichaam onmiddellijk zwak. En dan sterft hij. Het commentaar bij D.1 stelt dat met de khiddapadosika-devā alle godheden bedoeld worden die voortleven door middel van materieel voedsel, ongeacht de hemelse sfeer waarin zij leven. Maar het commentaar zegt ook dat sommige leraren het aldus verklaren dat de nimmanarati devā en de paranimmita-vasavatti devā bedoeld zijn.

   "Weinig wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden of onder de mensen. Veel meer wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten." (S.56.108-113)

   “Wanneer men terecht van iets kan zeggen dat het uiterst gewenst, uiterst welkom is, uiterst aangenaam, dan is het de hemel. Het is moeilijk om een gelijkenis te vinden voor het geluk in de hemel.” (M.129)
_____
*7] Natuurlijk kunnen ook mensen van andere religies in hemelse sferen wedergeboren worden, afhankelijk van de daden van verdienste die door hen verricht zijn.


3.3. De werelden van de Brahmas

   Na de hemelen van de devas volgen de elf werelden van de Brahmas. Ook zij zijn niet almachtig en niet alwetend. En zij leven niet eeuwig. De levenstijd van de Brahmas is begrensd, al duurt die heel erg lang.

   In het Kevaddha Sutta (D.11) wordt het volgende vermeld: “Eens kwam bij een monnik de gedachte op: ‘Waar nu wel komen deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging, namelijk aarde, water, vuur en lucht?’ Toen verkreeg die monnik een dergelijke geestelijke concentratie dat in de geconcentreerde geest zich de weg naar de goden openbaarde. Die monnik begaf zich toen naar de goden die onderhorig zijn aan de Vier Grote Koningen. Daar stelde hij zijn vraag over de vernietiging van de vier grondstoffen. De goden zeiden tot die monnik: ‘Wij weten het antwoord op je vraag niet. Maar de Vier Grote Koningen zijn verhevener en hoger dan wij. Die zullen het wel weten.’ - Toen begaf die monnik zich naar de Vier Grote Koningen. Ook zij wisten het antwoord niet en zij verwezen hem naar de goden der Drieëndertig. Die konden de vraag evenmin beantwoorden en zij verwezen hem verder. Via Sakka, de koning der goden, de Yama-goden, de god Suyama, de Tusita-goden, de godheid Santusita, de Nimmanarati-godheden, de godheid Sunimmita, de Paranimmita-Vasavatti-goden en de godheid Vasavatti kwam die monnik aan bij de goden behorende tot het gevolg van Brahma. Ook zij wisten het antwoord niet op zijn vraag. ‘Maar de grote Brahmā is er nog, de allesoverwinnaar, de onoverwonnene, die alles ziet, de bedwinger, de heer, de schepper, de hoogste, de heerser, de vader van het gewordene en van het wordende. Hij is verhevener en hoger dan wij. Hij zal je vraag wel kunnen beantwoorden’ Zo spraken die goden. – ‘Maar waar is thans die grote Brahmā?’ – ‘ Ook wij weten niet waar Brahmā is, waar hij vertoeft. Maar, monnik, wanneer er tekenen komen, licht verschijnt, glans zichtbaar wordt, dan zal Brahmā zichtbaar worden. Dat zijn de voortekenen voor het zichtbaar worden van Brahmā.’
   Na niet lange tijd werd de grote Brahmā zichtbaar. De monnik ging naar hem toe en vroeg: ‘Waar nu wel komen deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging, namelijk aarde, water, vuur en lucht?’ - Hierop gaf de grote Brahmā ten antwoord: ‘Monnik, ik ben de grote Brahmā, de alles-overwinnaar, de heer, de schepper, de hoogste, de heerser, de vader van het gewordene en van het wordende.’ - En voor een tweede en een derde keer stelde de monnik zijn vraag. En voor een tweede en derde keer kreeg hij bovenstaand antwoord. Hierop zei die monnik: ‘Ik vraag u niet ernaar of u Brahmā bent, de grote Brahmā, de alles-overwinnaar (etc.). Maar ik vraag u waar deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging komen.’ - Toen nam de grote Brahmā die monnik bij de arm en leidde hem ter zijde. Daar sprak hij tot hem: ‘Monnik, de goden van het gevolg van Brahma geloven dat er voor Brahmā niets is dat hem onbekend is of niet door hem te verwezenlijken. Daarom heb ik niet in hun bijzijn geantwoord. Want ook ik weet je vraag niet te beantwoorden. Monnik, daarom was het van jouw kant een fout dat je de Verhevene hebt overgeslagen. Het was niet juist dat je buiten de Orde op zoek bent gegaan naar het antwoord op je vraag. Ga nu naar de Verhevene toe, monnik, en stel hem deze vraag. En het antwoord dat hij je zal geven, moet je goed onthouden.’
   In een handomdraai verdween die monnik uit de Brahma-wereld en verscheen voor de Boeddha. En zijn vraag werd tot volle tevredenheid en vreugde van de monnik beantwoord.” (D.11)
 
       Uit dit leergesprek is duidelijk te zien dat de grote Brahmā geen schepper is. Hij is niet almachtig, is niet de vader van alles. Ook hij is, evenals andere levende wezens, onderworpen aan de dood.

   In ruimere zin zijn er 11 werelden van Brahma en 16 fijnstoffelijke sferen (rūpa-loka). Hier verheugen de wezens zich in de zaligheid van de meditatieve verdiepingen (jhanas). Deze hebben zij verkregen door het ontzeggen van zinnelijke verlangens.
   In engere zin worden alleen de onderste drie van deze sferen de wereld van Brahma genoemd. Deze drie sferen kunnen worden bereikt door het ontwikkelen van de eerste jhana, respectievelijk in een normale graad, in een hogere mate, en met een volmaakte beheersing van die jhana.
3
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op Gisteren om 20:51 »
beste Siebe,

Dat woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka heb ik zelf ook. Hij baseert zich op het commentaar, niet op een leerrede (sutta).
Dus ik blijf erbij dat in de Pali Canon niets te vinden is of Mara werkelijk in een hemel woont.
Omdat hij nog invloed heeft tot in de hoogste deva-hemel, moet de commentator ongeveer als volgt hebben geredeneerd: >> Mara heerst over alle devas. Dus moet hij in de allrhoogste deva-hemel wonen. Van daaruit heerst hij dan over de zinnelijke werelden die gelijk aan of lager zijn dan die hemel. <<
Maar ik denk dat we Mara niet als een echte persoon moeten beschouwen maar als een verpersoonlijking van de verleidingen die iemand kan tegenkomen. Dat is ook op te maken uit de namen van zijn "dochters": haat, afkeer, nijd, jaloersheid, hebzucht e.d.
Dat is mijn mening. En jij zult er zeker een andere mening over hebben.
Groeten, Nico
4
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Gisteren om 17:25 »
3.2.7. Paranimmita-vasavatti: de sfeer van de goden die de scheppingen van anderen laten dienen voor hun eigen doeleinden. Zij hebben macht over de scheppingen van anderen. Godheid Vasavatti is hun leider. Zij leven 16.000 hemelse jaren. Een etmaal is er 1600 menselijke jaren. Deze goden hebben dus een levensduur van 9.216.000.000 jaren in onze tijd gerekend. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   Er zijn mensen die beweren dat deze goden mensen kunnen aanzetten tot daden, bijvoorbeeld seksuele handelingen, waar die deva's zelf vervolgens van genieten. Maar deze bewering kan volgens mij niet juist zijn.

Ik volg je redenering wel.

Toch, op verschillende websites wordt beweerd dat Mara de leider is van de paranimmita-vasavatti deva's.
http://www.palikanon.com/english/wtb/dic3_p.htm
https://dhammawiki.com/index.php?title=Paranimmita-vasavatti-deva
Er zijn meer websites waarop dit wordt beweerd.

Ik zag dat deze websites eigen allemaal verwijzen naar het onderstaand woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka Mahathera:
https://what-buddha-said.net/library/pdfs/Nyanatiloka_Buddhist_Dictionary.pdf

Waar hij het op baseert weet ik niet. Toen ik een verkennend onderzoek deed naar Mara ben ik niet tegengekomen dat Mara in het 11e rijk leeft samen met de paranimitta-vasavatti deva's en hun leider is.

Toch, in de teksten wordt naast Mara ook vaak gesproken over mara's:  “Hij [de Boeddha] verkondigt de wereld met diens goden, mara’s en Brahma’s, de wereld van asceten en brahmanen met diens prinsen en mensen na er zelf kennis van genomen te hebben” (DN6§1, DN8§18-10, DN9§7 en vele andere).

Wie zijn dan die mara's he? Is het toch niet mogelijk dat deze mara's de paranimmita-vasavatti-deva's zijn?
Misschien, omdat ze op de grens leven van de kama-loka, die draait om het verkrijgen van zintuiglijk genoegen, zelf dat niet goed meer kunnen bewerkstelligen en daarom via anderen dat proberen te verkrijgen en meegenieten als die anderen genieten.

groet,

5
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door Sybe Gepost op Gisteren om 10:16 »
   Volgens het commentaar bij A.I.25 (AN. I. XV,1-28) wordt deze hemel bewoond door de Mara-wezens en is Mara de heerser over deze hemel; Mara wordt er geïdentificeerd met Pajapati, de heer van de schepsels.
Maar nergens in de Pali Canon is deze bewering bevestigd.

Hoe kan het eigenlijk dat Mara, die toch (ook) in de teksten wordt beschreven als een wezen met alsmaar slechte bedoelingen, sowieso in een hemel kan leven? Waarom is Mara niet standaard in de hel?

groet,
6
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 25-06-2017 20:22 »
3.2.6. Nimmānarati-devā: de godheden die zich verheugen in de geschapen herenhuizen. De Pāli-naam wordt ook wel vertaald met ‘de goden die zich verheugen in scheppen’. Aan het hoofd van hen staat godheid Sunimmitta. De levenstijd van deze goden is 8000 hemelse jaren en een etmaal is er 800 menselijke jaren. Omgerekend in onze tijd leven zij 2.304.000.000 jaren. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

3.2.7. Paranimmita-vasavatti: de sfeer van de goden die de scheppingen van anderen laten dienen voor hun eigen doeleinden. Zij hebben macht over de scheppingen van anderen. Godheid Vasavatti is hun leider. Zij leven 16.000 hemelse jaren. Een etmaal is er 1600 menselijke jaren. Deze goden hebben dus een levensduur van 9.216.000.000 jaren in onze tijd gerekend. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   Er zijn mensen die beweren dat deze goden mensen kunnen aanzetten tot daden, bijvoorbeeld seksuele handelingen, waar die deva's zelf vervolgens van genieten. Maar deze bewering kan volgens mij niet juist zijn. Die goden zijn in deze hemelse sfeer verschenen omdat zij vertrouwen hadden in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, omdat zij vrijgevig en edelmoedig waren, en omdat zij de acht regels van deugdzaamheid navolgden. Daar is niets onheilzaams - zoals het aanzetten tot verkeerde handelingen - in te vinden. En als zij alleen al de vijf regels hadden nagevolgd, en daardoor in die hemelse sfeer waren verschenen, ook dan zouden zij niemand aanzetten tot het verrichten van iets onheilzaams.
   Hier is te denken aan het volgende:
   "Het is onmogelijk dat iemand die zich verkeerd gedraagt in daden, woorden en gedachten, tengevolge daarvan na de dood in een gelukkige sfeer, in een hemelse wereld wedergeboren wordt. Wel is het mogelijk dat hij in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel.
   Het is onmogelijk dat iemand die een juist gedrag heeft in daden, woorden en gedachten, tengevolge daarvan na de dood in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel. Wel is het mogelijk dat hij in een gelukkige sfeer komt, in een hemelse wereld." (A.I.25)

   Ik zie in deze goden een soort van maecenen. Een maeceen schept zelf niet maar hij geniet van de kunstwerken die door anderen gemaakt zijn. Hij zal tentoonstellingen organiseren om het werk van een bepaalde kunstenaar te promoten. Hij kan zelf werk kopen (en weer verkopen). Op die manier steunt hij én heerst hij over het werk van iemand anders.
   Of ik denk aan beroemde architecten en ingenieurs die op de een of andere manier gesteund worden door andere – invloedrijke – personen.
   In ieder geval ben ik van mening dat het heersen van deze goden over de werken van anderen geen negatieve invloed heeft maar juist een positieve.

   Volgens het commentaar bij A.I.25 (AN. I. XV,1-28) wordt deze hemel bewoond door de Mara-wezens en is Mara de heerser over deze hemel; Mara wordt er geïdentificeerd met Pajapati, de heer van de schepsels.
Maar nergens in de Pali Canon is deze bewering bevestigd.

   In M.12 wordt na de goden van de Drieëndertig melding gemaakt van de zinnelijke goden, de goden in het gevolg van Mara. En daarna volgen de goden in het gevolg van Brahma. Dit zou betekenen dat de goden vanaf de Yama-goden tot en met de Paranimmita-vasavatti behoren tot het gevolg van Mara.
Maar zoals eerder vermeld behoren tot de zinnelijke sfeer alle wezens die bestaan vanaf de avīci-hel tot en met de paranimmitavasavatti-hemel. Dat betekent dat zij allemaal onderhevig zijn aan de macht van Mara. Of er een afzonderlijke hemelse sfeer is voor Mara en zijn gevolg, is niet duidelijk.
7
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 24-06-2017 23:33 »
3.2.4. Yāma: de hemel van de gelukzaligen. Yāma betekent: datgene wat pijn vernietigt. Aan het hoofd van deze goden staat de godheid Suyama. Hun levenstijd is 2000 hemelse jaren; een etmaal is er niet 100 maar 200 menselijke jaren. De duur van hun leven is dus 144.000.000 jaren in menselijke tijdrekening. (A.III.71)
   Sommigen van de Yama-goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

3.2.5. Tusita: de hemel van de tevreden goden. Zij worden geleid door godheid Santusita. Een etmaal bij deze goden is 400 menselijke jaren. Zij leven er 4000 hemelse jaren. Dit is in onze tijdrekening 576.000.000 jaren. (A.III.71)

   De Bodhisattas die de benodigde eigenschappen voor Boeddhaschap hebben vervolmaakt, verblijven in deze sfeer totdat het juiste ogenblik voor hen komt om in de menselijke wereld te verschijnen om Boeddhaschap te verkrijgen. De toekomstige Boeddha Metteyya vertoeft thans in deze hemel. Daar wacht hij de juiste gelegenheid af om als mens geboren te worden en een Boeddha, een Volmaakt Verlichte te worden.

   De moeder van prins Siddhattha werd in deze hemel wedergeboren als een godheid. Zij zou vanhier naar de Tavatimsa-hemel zijn gegaan om er te luisteren naar de verkondiging van de leer van de Abhidhamma.

   Sommigen van de goden in de Tusita hemel hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)
8
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 23-06-2017 18:37 »
3.2.3. Tāvatimsa: de hemel van de Drieëndertig. Aan het hoofd van deze goden staat god Sakka. Andere namen voor deze god zijn: Vajirahattha, Vasavassa, Vāsava, Purindada, Magha en Inda. Op de top van de berg Meru begint de wereld van Sakka. Hij is de heerser van de deva-loka.

   De naam van deze goden gaat terug op een oud verhaal. Drieëndertig onzelfzuchtige vrijwilligers, aangevoerd door Sakka, volbrachten daden van vrijgevigheid. En als gevolg ervan werden zij in die hemelse sfeer geboren. In deze hemel zou de Boeddha de Abhidhamma onderwezen hebben.

   Volgens een Chinees Boeddhistisch boek zijn op elk van de vier zijden van deze sfeer acht hemelen en één in het centrum waar koning Sakka woont. In totaal zijn dat dus 33 hemelen, waaraan deze goden de naam ontleend zouden hebben.

   De levensspanne van de Drieëndertig is 100 hemelse jaren van elk 12 maanden. Elke maand heeft er 30 dagen en een etmaal is er 100 menselijke jaren. In onze tijd omgerekend leven zij dus 36.000.000 jaren. (A.III.71)

   Ook sommigen van de goden in de sfeer van de Drieëndertig hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   In meerdere suttas is sprake van de Satullapakāyikā devata. Zij zijn een groep van bovenmenselijke wezens. Hun geschiedenis wordt verhaald in het commentaar. Een aantal kooplieden voer over de zee. In een storm begon hun schip te zinken. De mensen op het schip begonnen luid te jammeren en ieder riep zijn eigen beschermgeest aan voor hulp. Alleen één man bleef kalm. Rustig zat hij er met gekruiste benen. Zijn reisgenoten vroegen hem hoe hij in zo'n gevaarlijke situatie kalm kon blijven. Zijn antwoord was dat hij voor zijn vertrek heilzame daden verricht had ten behoeve van de Orde van de Boeddha en bij hen zijn toevlucht had gevonden. Daarom was hij vrij van alle angst. Zij vroegen hem om hen aan deze zegen te laten deelnemen. Die man deelde de reisgenoten toen in zeven groepen in, elk van honderd, en onderwees de vijf regels van deugdzaamheid (pañca sīlāni) van de Boeddha. Die regels zouden zij navolgen en als zeker toevluchtsoord beschouwen. Het schip zonk steeds dieper. Allen stierven en werden in de Tāvatimsa-hemel wedergeboren. Daar woonden zij in heerlijke paleizen (vimānāni). Later brachten zij eer aan de Boeddha. (opmerking bij S.1.31)
   
9
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 22-06-2017 21:44 »
3.2.2. Cātummahārājika. Dit is de laagste van de hemelse sferen. Hier zijn de Vier Grote Koningen, de goden die de vier kwartieren van het firmament bewaken, met hun gevolg. Hun levensduur is 500 hemelse jaren. Een hemels jaar heeft er 12 maanden van elk 30 dagen. Een etmaal is er 50 menselijke jaren. In onze tijd omgerekend leven die goden dus 9.000.000 jaren (als we alles letterlijk nemen; ze leven in ieder geval erg lang). (A.III.71)

   In het Atanatiya-Sutta (D.32) is iets over die Vier Grote Koningen vermeld. Dhatarattha is de koning van het oostelijke kwartier. Hij is de heer van de Gandhabbas. De koning van het zuidelijke kwartier heet Virūlhaka. Hij is de heer van de Kumbhandas. Koning Virūpakkha is de heer van de Nagas. Hij heerst over het westelijke kwartier. Vessavana is de koning van het noordelijke kwartier (= Uttarakuru). Hij wordt ook wel Kubera (Skt. Kuvera) genoemd, de god van de rijkdom. Zijn residentie is de stad Atānāta. Hij is de heer van de Yakkhas. In dit kwartier ligt de mythologische berg Meru. Andere namen voor deze berg zijn Masakkasāra en Sineru.

   De sfeer van de Vier Grote Koningen strekt zich uit van het oppervlak van de aarde tot een hoogte die gelijk is aan die van de berg Meru. De aardgodheden (bhummattha deva) (zoals boomgodheden, godheden in grotten, beschermgoden van mensen, meren, rivieren en beken, en huisgoden) behoren tot deze sfeer. In M.45 worden verder genoemd tuindevas, parkdevas, boomdevas en devas die geneeskrachtige kruiden, gras en machtige bomen bewonen.*6]
   De Yakkhas kunnen bezit nemen van mensen en ze ongunstig gezind zijn. Zij hebben soms kwade bedoelingen jegens de mens.

   Sommigen van de goden in de sfeer van de Vier grote Koningen hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)
_____
*6] Een interessante toevoeging aan de veel besproken vraag of planten levende wezens zijn en pijn kunnen voelen. Blijkbaar kan het „zenuwsysteem“ van planten tot woonplaats dienen van fijnstoffelijke wezens.  Dit is een mogelijke uitleg waarom volgens Boeddhistische leer planten geen kamma verrichten maar toch op mentale golven reageren.
10
Theravada Boeddhisme / Re: De werelden van bestaan
« Laatste bericht door nico70 Gepost op 22-06-2017 15:10 »
Siebe.

Bedankt voor je correctie.

Groeten
Nico
Pagina's: [1] 2 3 ... 10