Auteur Topic: Sogyal Rinpochee: innerlijke vrede  (gelezen 2152 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

lord rainbow

  • Gast
Sogyal Rinpochee: innerlijke vrede
« Gepost op: 01-12-2011 14:57 »
[]



Sogyal Rinpoche onderzoekt meditatie als een oefening voor innerlijke vrede en de zegeningen die zichtbaar worden als we in contact komen met de natuur van onze geest. Gebaseerd op een lezing van 5 januari 2000 op de Rigpa Winter Retraite in Kirchheim, die live verspreid werd op het internet en hier enigszins aangepast is.

NATUURLIJKE GROTE VREDE

Het onderricht van de Boeddha is omvangrijk. De “Woorden van de Boeddha” alleen al vullen meer dan honderd boeken. De commentaren en verhandelingen van de grote Indiase geleerden vullen er nog eens meer dan tweehonderd en dan laten we de werken van de grote Tibetaanse meesters nog buiten beschouwing. Maar tegelijkertijd kan het onderricht van de Boeddha op diepgaande manier tot zijn essentie worden teruggebracht. Ik herinner me dat mijn meester Dilgo Khyentse Rinpoche altijd zei: “Het onderricht van de Boeddha is zowel omvangrijk als diepgaand: het omvangrijke is de benadering van de geleerde, de pandit en het diepgaande is de benadering van de yogi.” Toen aan de Boeddha zelf gevraagd werd zijn onderricht samen te vatten, zei hij:

Doe niets wat schadelijk is,

Ontwikkel een overvloed aan verdienste,

De geest te temmen,

Dit is het onderricht van alle boeddha’s.

De uitspraak: “Doe niets wat schadelijk is”, betekent het nalaten van onheilzame, schadelijke en negatieve daden, die de oorzaak van lijden zijn, voor onszelf en voor anderen. “Ontwikkel een overvloed aan verdienste” is je wijden aan de positieve, weldadige en heilzame daden die de oorzaak van geluk zijn, wederom voor zowel onszelf als voor anderen. Het allerbelangrijkste is evenwel “de geest te temmen.” Inderdaad zeggen de meesters, zoals Nyoshul Khen Rinpoche, vaak dat deze ene regel de essentie van het onderricht van de Boeddha vangt. Want als we de ware natuur van onze eigen geest kunnen realiseren, is dit waar het om gaat, zowel in het onderricht als in ons hele bestaan.

Alles ontspruit aan de geest: de geest is de schepper van geluk en de schepper van lijden, de schepper van samsara en de schepper van nirvana. In het Tibetaanse onderricht wordt de geest ‘de koning die verantwoordelijk is voor alles’ genoemd—kun jé gyalpo—het universele ordenende principe. Zoals de grote guru Padmasambava zei: “Probeer niet de wortel van de verschijnselen te doorsnijden, doorsnijd de wortel van de geest.” Daarom vind ik deze woorden van de Boeddha zo inspirerend: “We zijn wat we denken, alles wat we zijn, begint met onze gedachten. Met onze gedachten maken we de wereld. Spreek en handel met een zuivere geest en geluk zal volgen.”Als we ons dit maar zouden herinneren, het ter harte nemen en onze geest en hart zuiver houden, zou geluk werkelijk volgen. Het hele onderricht van de Boeddha is dan ook gericht op het temmen van deze geest en het zuiver houden van ons hart en onze geest. Dit begint als we meditatie gaan beoefenen. We laten toe dat onze turbulente gedachten en emoties langzaam tot rust komen in een staat van natuurlijke vrede. Zoals Nyoshul Khen Rinpoche zei:

Laat rusten in natuurlijke vrede, deze uitgeputte geest,

Lamgeslagen door karma en neurotische gedachten,

Als het meedogenloos geweld van de beukende golven

In de oneindige oceaan van samsara,

Laat rusten in natuurlijke grote vrede.

Hoe komen gedachten en emoties tot rust? Als je een glas modderig water stil laat staan, zonder het te bewegen, zakt de modder naar de bodem en wordt de helderheid van het water zichtbaar. Op dezelfde manier laten we in meditatie onze gedachten en emoties op een natuurlijke manier tot rust en in een toestand van natuurlijke ontspanning komen. Er is een mooi gezegde door de grote meesters uit het verleden. Ik herinner me wat een openbaring het was toen ik deze regels voor het eerst hoorde, omdat in deze twee regels zowel getoond wordt wat de natuur van de geest is als hoe je er in kunt verblijven, hetgeen de beoefening van meditatie is. In het Tibetaans klinkt het erg mooi, bijna muzikaal: chu ma nyok na dang, sem ma chö na de.

Ruw vertaald betekent het: ‘Water zal, als je er niet in roert, helder worden; de geest zal, als hij onveranderd blijft, zijn eigen natuurlijke vrede vinden.’ Deze instructie is zo geweldig omdat ze de nadruk legt op natuurlijkheid en het onze geest enkel laten zijn, onveranderd en zonder ook maar iets te wijzigen. Ons eigenlijke probleem is manipulaties, verzinsels en te veel denken. Eén meester zei altijd dat de grondoorzaak van al onze mentale problemen teveel denken was.

Zoals de Boeddha zei: “met onze gedachten maken we de wereld.”

Maar als we onze geest zuiver houden en laten rusten, stil, in de natuurlijke staat, is wat er gebeurt als we beoefenen buitengewoon.

De eerste oefening op het Boeddhistische pad van meditatie heet ‘shamatha’, in het Tibetaans shyiné, ‘rustig verblijven’ of ‘stille meditatie’. Als we beginnen, is het een oefening van aandacht. De beoefening van shamatha kan gedaan worden met behulp van een voorwerp of een andere vorm van ondersteuning, of zonder. Soms gebruiken we een afbeelding van Boeddha als het voorwerp of we volgen heel licht en met aandacht de adem, een methode die we in alle Boeddhistische scholen terugvinden. Het probleem met ons is dat onze geest altijd afgeleid wordt. Als de geest afgeleid raakt, creëert hij eindeloos gedachten. Er is niets dat hij niet zal denken of doen. Als we ooit zouden kijken, zouden we ontdekken dat we geen enkel onderscheid maken, hoe vaak we niet allerlei gedachten gewoon maar laten opkomen en onszelf erin verliezen. Het is onze allerslechtste gewoonte. We hebben geen enkele discipline en weten niet hoe we kunnen onderzoeken wat voor soort gedachten we denken: wat er ook opkomt, we laten ons meeslepen en verliezen ons in een maalstroom van verhalen en illusies die we zo serieus nemen, dat we ze niet alleen geloven maar ook worden. Natuurlijk moeten we onze gedachten en emoties niet onderdrukken maar aan de andere kant moeten we ons er ook niet in verliezen. Het probleem met ons is dat we teveel aan onze gedachten toegeven. Het gevolg is mentale en zelfs fysieke ziektes. Veel Tibetaanse doktoren hebben opgemerkt dat in de moderne wereld klachten veroorzaakt door verstoringen van de prana of innerlijke lucht overheersen. Dit wordt veroorzaakt door teveel onrust, zorgen, angst—en denken— bovenop de gehaastheid en agressie die ons leven beheersen. Wat we werkelijk nodig hebben, is rust. Daarom merken we dat, als we zelfs maar eventjes zitten, in- en uitademen en onze gedachten en emoties tot rust laten komen, dit zo’n weldadige onderbreking kan zijn. Als we ons gedachteloos overgeven aan afleiding en teveel denken, als we onszelf in gedachten verliezen en zo mentale problemen en pijn uitlokken, is het tegengif aandacht. Bij de beoefening van shamatha bestaat de discipline eruit de aandacht steeds terug te brengen naar de adem. Als je afgeleid raakt, breng je, op het moment dat je het je herinnert, plotseling, de aandacht gewoon terug naar de adem. Dat is alles. Zelfs de vraag “Hoe ben ik in ‘s hemelsnaam zo afgedwaald” is een afleiding. Door de eenvoud van aandacht, van voortdurend de geest terugbrengen naar de adem, komt de geest langzaamaan tot rust. Als je een klein kind naar bed brengt, zal het met je willen spelen, en als je daaraan toegeeft zal hij of zij steeds drukker worden en nooit gaan slapen. Je moet hem vasthouden en met rustige aandacht bij hem blijven, dan wordt hij rustig. De geest is precies hetzelfde: hoe onrustig hij ook wordt, breng hem keer op keer terug naar de eenvoud van het ademhalen. Langzamerhand zal de geest rust vinden, in de geest.

Aanvankelijk zijn we ons misschien teveel bewust van onszelf en als we kijken, denken we dat de adem er is, degene die ademt en het ademhalen, alle afzonderlijk. Maar langzaam, naarmate we de beoefening vervolmaken en onze geest tot rust komt, zullen het ademhalen, de adem en degene die ademhaalt in elkaar vloeien en uiteindelijk is het alsof je zelf de adem bent geworden. Belangrijk is, zoals de meesters altijd aanraden, niet gefixeerd te raken bij het beoefenen van de concentratie van rustig verblijven. Daarom raden zij aan slechts vijfentwintig procent van je bewustzijn te richten op het met aandacht volgen van de adem. Maar zoals je misschien hebt gemerkt, is alleen aandacht niet voldoende. Terwijl je de adem zou moeten volgen, merk je na een paar minuten misschien dat je een voetbalwedstrijd aan het spelen bent of de ster bent in je eigen film. Dus moet ook vijfentwintig procent gewijd worden aan een voortdurend, aandachtig en overkoepelend gewaarzijn dat controleert of je aandacht wel op de adem is gericht. De resterende vijftig procent van je bewustzijn laat je gewoon zijn, open en oneindig ruim. Natuurlijk zijn de precieze percentages niet zo belangrijk als het feit dat deze drie elementen: aandacht, gewaarzijn en openheid, aanwezig zijn.

Openheid en ruimte zijn waarlijk prachtig. Soms is alleen open en oneindig ruim zijn al genoeg om onze geest te kalmeren. In openheid ligt de geest van meditatie; het is ook de generositeit van de grond van meditatie. Wanneer we in shamathabeoefening de openheid kunnen combineren met het aandachtig volgen van de adem zal de geest geleidelijk tot rust komen. Als de geest geleidelijk tot rust komt, zal er iets bijzonders gebeuren: alle verbrokkelde aspecten van onszelf komen thuis en we worden een geheel. Negativiteit en agressie, pijn, lijden en frustratie worden onschadelijk gemaakt. We ervaren een gevoel van vrede, ruimte en vrijheid en vanuit deze rust ontstaat een diepe stilte.

Als we deze oefening vervolmaken en een worden met de adem, lost na een tijdje ook de adem als aandachtspunt van onze beoefening op en rusten we in het nu. Dit is eenpuntigheid, welke de vrucht en het doel is van shamatha. Als je in het nu en in stilte kunt verblijven, verwezenlijk je iets voortreffelijks, maar om terug te komen op het voorbeeld van het glas met modderig water: als je het glas stil laat staan, zal de modder naar beneden zakken en het water helder worden, maar toch is de modder er nog steeds, op de bodem. Als je het weer beweegt, zal de modder opdwarrelen.

 Tijdens het beoefenen van stilte kunnen we vrede ervaren maar als onze geest een beetje verstoord is, zullen de hersenspinsels hun intrede weer doen. In het nu van shamatha verblijven, zal geen oorzaak worden voor ontwikkeling en het kan ook niet leiden tot verlichting of bevrijding. Het nu wordt een heel subtiel object en de geest die in het nu verblijft een subtiel subject. Zolang we in de dimensie van subject en object blijven, bevindt de geest zich nog steeds in de gewone conceptuele wereld van samsara. Door de beoefening van het rustig verblijven, komt onze geest dus tot rust in een staat van vrede en verworven stabiliteit. Net zoals het beeld in een camera scherper wordt als je de focus instelt, zo doet de eenpuntigheid van shamatha een verhoogde helderheid van geest ontstaan. Als verduisteringen geleidelijk worden weggenomen en het ego en diens neiging tot grijpen beginnen op te lossen, daagt het ‘helder zien’, ‘inzicht’ van vipashyana, in het Tibetaans lhak tong. We hebben de steun van het verblijven in het nu niet meer nodig en we kunnen verder gaan, zelfs voorbij ons zelf, naar de openheid die de wijsheid is die egoloosheid realiseert. Dit zal verwarring met wortel en al uitroeien en ons bevrijden uit samsara. Laten we nu eens bekijken wat de impact hiervan is op de manier waarop we met gedachten en emoties omgaan. Om te beginnen worden we, zonder enige zekerheid of grond, door gedachten overspoeld en alle kanten op gedreven; daarom richten we ons in de beoefening van aandacht op één object, de adem. Maar alle gedachten die opkomen, komen op uit de geest, nergens anders vandaan, even natuurlijk als de stralen van de zon of de golven van de oceaan. Dus eenmaal in een staat van rustig verblijven zal alles wat opkomt—hoewel nooit van ons gescheiden—anders ervaren worden. We hoeven niet meer bang te zijn dat we uit balans of afgeleid raken; we hoeven niet langer de dingen die opkomen te verdringen, nu de openheid van het heldere inzicht is ontwaakt. We zijn als een rots geworden die alle stormen doorstaat, niet meer als het veertje dat we eerder waren, overal naartoe geblazen door elk zuchtje wind. We hoeven nu enkel ons gewaarzijn te bewaren. Als we een gedachte, wanneer deze vanuit de staat van stilte opkomt, eenvoudig met dat gewaarzijn herkennen, zal deze weer oplossen in de natuur van de geest. Gedachten en emoties worden als de golven in de oceaan, die in zijn uitgestrektheid opkomen en weer terugvloeien, en we worden als de oceaan zelf, uitgestrekt, weids en vredig. We hoeven niets anders meer te doen dan dat bewustzijn te behouden. Natuurlijk is er voor beginners het gevaar dat wat opkomt ons evenwicht verstoort en oude gewoonten oproept. Op het moment dat we wat opkomt als iets afzonderlijks zien, zijn we verloren, en daarom moeten we op het cruciale ogenblik voor het een gedachte wordt ons gewaarzijn vasthouden. Daarom moeten we een gewaarzijn van ons gewaarzijn hebben, een natuurlijke herinnering die ons altijd terugbrengt en zonder welke we meegesleurd worden.

Wat ik hier beschrijf is een proces dat bekend is als: stilte, beweging en gewaarzijn (né gyu rig sum) dat steeds grotere diepte krijgt als je diepere niveaus van realisatie bereikt. Naarmate we ons verder ontwikkelen en iets wat opkomt laten oplossen en vrij worden in het licht van ons gewaarzijn, zal dat de stilte verdiepen en vergroten, net zoals de golven en rimpelingen de oceaan nog mooier maken. Door het gewaarzijn van het helder zien en de wijsheid die egoloosheid realiseert, bereiken we de natuur van de geest. Zo verder gaand zullen we diepe inzichten krijgen in de natuur van de werkelijkheid en ook in onszelf, omdat de dualiteit van subject en object steeds meer oplost en we een staat van niet-dualiteit bereiken. Eenmaal daar zullen we een staat van diepe vrede bereikt hebben. Nyoshul Khen Rinpoche sprak altijd over de natuurlijke grote vrede -rang shyin shyiwa chenpo- de diepe vrede van de natuur van de geest, de vrede van Madhyamika, Mahamudra en Dzogpachenpo. Zoals de Boeddha zei: “Nirvana is ware vrede.”

Als je bij de vrede van de natuur van de geest bent gekomen, zul je een uitgestrekte ruimte van grote openheid ontdekken. Het is net als wolken die uiteen drijven en een eindeloze open hemel onthullen; Als de gedachten en emoties, die als wolken zijn, oplossen door de beoefening van meditatie wordt de natuur van de geest die als de hemel is onthuld. Aan deze hemel schijnt de zon van onze boeddhanatuur—onze bodhicitta, het hart van de verlichting. Bij de zon horen twee prachtige kwaliteiten: warmte en licht. Zijn schitterend licht is als wijsheid en zijn warmte als liefde en compassie. Als je zou vragen: “wat is de geest van de Boeddha?” dan is het dit: wijsheid en compassie. En aangezien in het onderricht gezegd wordt dat we allemaal de boeddha-natuur hebben, zijn we allemaal boeddha’s-in-spé. Als we onze geest zuiveren, wordt deze wijsheid en als we ons hart zuiveren, wordt dit liefde en compassie. Als je je gedachten zuivert, is die zuivere intelligentie, niet verduisterd door onwetendheid, wijsheid. Als je emoties gezuiverd zijn, verschijnen ze als compassie. Door deze beoefening kunnen we dus de diepe zuiverheid van de natuur van de geest bereiken, die grote vrede waar Boeddha over sprak op het moment van zijn verlichting, meer dan twee en half duizend jaar geleden onder de Bodhi-boom in wat nu bekend staat als Bodhgaya. De eerste woorden die hij sprak waren: “Diepe vrede, natuurlijke eenvoud, enkelvoudige helderheid…”

Dilgo Khyentse Rinpoche zei altijd: met deze woorden verkondigde Boeddha het hart van zijn verlichting, die de staat van Dzogpachenpo is, de Grote Perfectie.

Het is deze diepe vrede die we door beoefening proberen te vinden.

“De geest te temmen”, wordt eigenlijk volledig bereikt door het realiseren van deze vrede. Zie hoe volledig ontwapend we zijn als we geroerd of geïnspireerd worden door liefde. Op dezelfde manier worden onze gewone gedachten en emoties ontwapend en opgelost als we door deze beoefening de natuur van de geest realiseren. En een geweldige liefde en compassie schijnen door ons heen, net als de zon met al zijn warmte.

Zodra we contact maken met de zuiverheid van onze inherente natuur, onze boeddhanatuur, wordt onze fundamentele goedheid zichtbaar—het goede hart. Je straalt eenvoudigweg vriendelijkheid, compassie en liefde uit.

En dus ben je niet alleen in contact met jezelf, maar ook volledig in contact met anderen. Je hebt een gevoel van werkelijk één zijn met ze. Er is geen enkele barrière meer tussen jou en de ander. Zelfs niet tussen jou en jezelf. Vaak liggen de barrières, en dus ook onze problemen, in onszelf, we leven in oorlog met onszelf. Door deze beoefening nu, wordt de greep van het ego geleidelijk steeds losser en vervliegt onze neiging tot grijpen en daardoor lossen het conflict, hetlijden, en de pijn van het verbrokkelen en het vechten met onszelf, op. Voor het eerst wordt een diep en fundamenteel vergeven van onszelf en anderen mogelijk. Tegelijkertijd smelten verwachtingen, angsten en zorgen weg en daarmee al die gevoelens van geblokkeerd en gesloten zijn, van geen contact met onszelf en met anderen hebben, van vervreemd zijn van zelfs onze eigen gevoelens, die ons geluk in de weg staan. Het is ongelofelijk wat deze prachtige beoefening teweeg kan brengen en als ik dit onderricht van de Boeddha hoor, doorgegeven door de grote meesters, en als ik, door het kleine beetje beoefening dat ik ken, de waarheid ervan in mijn eigen hart voel, voel ik de geweldige zegen ervan. Het buitengewone is dat je de waarheid van dit onderricht werkelijk kunt ervaren. Het is niet iets dat slechts gebaseerd is op geloof of vertrouwen; het is iets wat je zelf kunt proeven en zelf kunt realiseren.

 

Wat gebeurt er als je het ervaart? Je zult de geweldige compassie en liefde van de boeddha’s voelen en je zult een overweldigende dankbaarheid voelen. En, meer dan wat dan ook ter wereld, zul je dit willen delen, en je wilt alle wezens helpen vrij te worden van lijden, en de ultieme gelukzaligheid te ervaren, deze natuurlijke grote vrede, de vrede van de Boeddha. Telkens wanneer je in je meditatie deze vrede ervaartŸal is het maar een klein beetjeŸbid dan vanuit het diepst van je hart, net als in de bodhicitta-beoefening in de voorbereidende beoefeningen van de Dzogchen Longchen Nyingtik:

Betoverd louter door de verscheidenheid aan waarnemingen,

die als bedrieglijke weerspiegelingen van de maan in het water zijn.

Dwalen wezens eindeloos rond in de vicieuze cirkel van samsara.

Opdat zij geborgenheid en vrede mogen vinden in de helderheid en

aldoordringende ruimte van de ware natuur van hun geest,

Wek ik de onmetelijke liefde, mededogen, vreugde en gelijkmoedigheid op van de ontwaakte geest,

het hart van Bodhicitta.

 

Je wenst dat alle wezens vrede en geluk vinden, in de ware natuur van hun geest. Ik denk dat wat zoveel mensen in de eenentwintigste eeuw proberen te vinden, de waarheid over zichzelf is. Iedereen lijkt te vragen: “Wie ben ik?” en verlangt ernaar zijn ware zelf te realiseren, voorbij het ego-zelf. Door deze beoefening kun je je ware natuur gaan ervaren en als je haar ervaart, is je grootste wens dat anderen eenzelfde inzicht ontdekken. Want je weet dat dit inzicht ons niet alleen laat zien wie we werkelijk zijn, maar ons tevens bevrijdt van onszelf.

Voor mijn gevoel is het zo belangrijk een dergelijke beoefening te hebben. We willen allemaal vrede. We verlangen er allemaal naar ons goed te voelen, een goed mens te zijn, een warm hart te hebben en vriendelijk te zijn. Maar vaak weten we niet hoe. Er zijn teveel dingen die ons bezighouden en ons hart lijkt altijd gesloten. We zijn niet vrij en in alle verwarring en lijden en pijn kunnen we onze hoop zo snel verliezen en in wanhoop vervallen. Maar de wijsheid en compassie in dit onderricht te horen en weten dat deze het oog van onze wijsheid langzaam openen en ons hart en geest ontsluiten voor onze ware natuur en de ware natuur van alles, kan ons met vreugde, inspiratie en hoop vervullen.

Door deze beoefening kunnen we iets van deze vredige geest ervaren, maar we kunnen niet altijd in die staat blijven. We vallen terug in onze gewone manier van doen en in onze denkpatronen, die op ons hebben zitten wachten. Nu moeten we meer dan ooit aandachtig zijn en onszelf voortdurend eraan herinneren dat deze geest als een kristal is. Hij is zo helder en zo zuiver. Net zoals een kristal de kleur aanneemt van de ondergrond waarop je het neerzet, wordt de geest dat waar we hem mee bezig laten zijn. De geest zelf is voorbij aan keuze, voorbij aan dualiteit als goed en kwaad. Zoals Boeddha zei: “met onze gedachten maken we de wereld” en wij zijn de makers van een wereld waarin we genieten of lijden, een wereld van karmische verschijnselen, gevormd door onze gedachten en handelingen. Maar als je iets geproefd hebt van die vrede, en dat inzicht hebt gekregen, zul je voor jezelf de gelofte willen afleggen dat je niet meer terug zult vallen. In de boeddhistische confessiebeoefening, van het erkennen en genezen van schadelijke en verkeerde daden, zijn er ‘vier krachten’: de kracht van de aanwezigheid, waarmee de aanwezigheid van de Boeddha’s bedoeld wordt; de kracht van spijt, wat een gevoel van spijt is over de fouten die we gemaakt hebben; de kracht van de vastberadenheid waarmee we besluiten dat we het nooit meer zullen doen; en de kracht van de methode, wat de beoefening is, welke beoefening dan ook, waarmee we het negatieve zuiveren.

In feite bekennen we in de Dzogchen beoefening al het negatieve in de Dharmadhatu, de alomvattende ruimte van de natuur van de geest. We zuiveren al onze negatieve gedachten in de zuiverheid van onze inherente natuur, en al hun duisternis wordt gezuiverd in het licht daarvan. Bij de bekentenis, besluiten we niet weer terug te vallen in de duisternis van negativiteit en we besluiten ons hart en onze geest zuiver te houden. Want we beseffen nu meer dan ooit dat “We zijn wat we denken. Alles wat we zijn begint met onze gedachten. Met onze gedachten maken we de wereld. Spreek of handel met een onzuivere geest en er zullen problemen volgen… Spreek en handel met een zuivere geest en geluk zal volgen.” Als we evenwel door meditatie in de staat van goedheid van de natuur van de geest geraken, is alles wat je spreekt goedheid, alles wat je ziet is goedheid, alles wat je aanraakt is goedheid, want goedheid is wat je bent. Je bent natuurlijk zuiver, en het kan niet anders dan dat dit in alles wat je doet, denkt en zegt naar buiten komt. Als ik denk aan Jamyang Khyentse Chökyi Lodrö, Dudjom Rinpoche, Dilgo Khyentse Rinpoche en alle grote meesters, vraag ik me af hoe ze altijd konden zijn zoals ze waren. Hoe komt het dat alles wat ze doen heilzaam is? Het antwoord is: omdat ze altijd in de staat van goedheid zijn. Daarom inspireren ze ons en vervullen ons met hoop. Als gewone mensen zoals wij Zijne Heiligheid de Dalai Lama zien, geeft dat ons hoop in de mensheid, en het zien van één zo’n goed mens geeft ons inspiratie, in het besef dat ook wij net zo’n goed mens kunnen worden.

De grote mannelijke en vrouwelijke beoefenaren belichamen diezelfde goedheid. En alles wat ze doen is heilzaam omdat ze altijd in die staat verkeren, vanuit de discipline altijd de zuiverheid van geest te bewaren. Ze worden nooit aangetast, ze zijn altijd zuiver en ze handelen vanuit die goedheid en volharden daarin. Soms voelen we ons in contact met onszelf, met anderen, met het universum, en hebben we werkelijk de mogelijkheid een diepe innerlijke vrede te ervaren. Iedereen die het geluk heeft gehad iets van deze innerlijke vrede te ervaren, zou op dat moment moeten besluiten deze te bewaren, niet alleen voor hem- of haarzelf maar voor de hele wereld. Wat zo bijzonder is als je in deze staat verkeert, is dat ook al doe je misschien niet veel, je hele manier van zijn heilzaam is voor anderen, zelfs onbedoeld, zolang je die goedheid en zuiverheid van geest en hart bewaart, in je motivatie en je wezen. En als we onze daden willen doordringen met een speciale kracht kunnen we de zegen van alle boeddha’s en meesters aanroepen. Er wordt gezegd dat een van de kwaliteiten van de boeddha’s is dat ze er zijn zo gauw je hen aanroept. Soms denk je misschien “Waarom zou iemand als ik enige aandacht van de boeddha’s verdienen?” Boeddha zelf zei: “Wie ook aan mij denkt, ik ben er, recht voor hen.” En Guru Padmasambava beloofde: “Ik ben nooit ver weg van diegenen die devotie voor mij hebben, maar ik ben ook nooit ver weg van diegenen die geen devotie hebben.” Zo werkt de compassie van de boeddha’s. Blijkbaar kunnen we, hoe dan ook, hun zegen ontvangen. Al wat we zijn, zijn we slechts tijdelijk; al onze begoocheling kan worden gezuiverd omdat onze fundamentele natuur goed is. Wolken mogen de hemel verduisteren, maar we hoeven alleen maar voorbij de wolken te gaan om te beseffen dat er een oneindige hemel is die nooit door de wolken wordt geraakt. Het voorbeeld dat in Dzogchen veel gebruikt wordt, is dat van een spiegel: Onze ware natuur is als een spiegel, hij weerspiegelt allerlei dingen maar het mooie is dat de weerspiegelingen de spiegel nooit vuil maken. Wat we ook lijken te zijn, onze ware natuur is dus altijd puur en ongerept. Als gezegd wordt dat we allemaal de boeddhanatuur hebben, is dat echt waar.

Zelfs de boeddha’s, zo wordt gezegd, kunnen de boeddhanatuur niet beter maken, en met al onze verwarring en negativiteit kunnen wij, voelende wezens, haar niet slechter maken. Dat betekent dat ze door niets beroerd kan worden; het is onveranderlijk; ze is ongeschapen; het is echt onze ware natuur, iets dat nooit bezoedeld of minder kan worden. Het is een onveranderende goedheid.
« Laatst bewerkt op: 25-07-2017 16:38 door DirkJan »

Offline ekayano maggo

  • wat is dit
  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 495
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
Re: Sogyal Rinpochee: innerlijke vrede
« Reactie #1 Gepost op: 24-09-2018 16:23 »