Auteur Topic: Kalama soetra, nederlands.  (gelezen 3167 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

lord rainbow

  • Gast
Kalama soetra, nederlands.
« Gepost op: 21-12-2011 00:47 »
Toespraak tot de Kâlâmas Anguttara-Nikaya: 3,7,65 Ned. vertaling door Dharmacari Dhammaketu


Dit heb ik gehoord. Eens trok de Verhevene met een grote gemeenschap van bhiksu's rond in Kosala en betrad Kesaputta, een stad van de Kâlâmas.
Nu vernamen de Kâlâmas van Kesaputta dat de hooggeachte samana Gotama, de Shakya-zoon, die was weggegaan uit de klan van de Shakya's, in Kesaputta was aangekomen.
En dit was de goede faam die verspreid was over de hooggeachte Gotama:
Zo is hij gewis, de Verhevene, de Arahant, de volkomen en volledig Verlichte, volkomen in weten en wandelen, de Welgegane, de Kenner van de wereld, de onovertroffen Leider van mensen die training zoeken, de Leraar van goden en mensen, de Verlichte, de Verhevene.
Met zijn bovennormale kennis kent hij de wereld en maakt hem bekend, de wereld met zijn goden en maras en brahmas, met zijn samana's en brahmanen, met zijn mensen en niet-menselijke wezens.
Hij maakt een Dharma duidelijk die goed is en vol schoonheid in het begin, goed en vol schoonheid in het midden, goed en vol schoonheid op het einde, naar de betekenis en naar de uitdrukking, in alles volledig. Hij verkondigt het volkomen goddelijk leven.

Het ware goed om een dergelijke Verhevene te zien.
Zo naderen de Kâlâmas van Kesaputta de plaats waar de Gezegende zich bevond. Toen ze er kwamen, begroeten sommigen hem plechtig en gingen opzij zitten. Sommigen begroetten hem met verheugde woorden en gingen opzij zitten. Sommigen begroetten hem met gevouwen handen en gingen opzij zitten. Sommigen noemden hun naam en klan en gingen opzij zitten. En sommigen gingen in stilte opzij zitten.
Het criterium
En toen ze zo gezeten waren zegden de Kâlâmas van Kesaputta tot de Verhevene:
Heer, sommige samana's en brahmanen komen naar Kesaputta. Hun eigen opvattingen leggen ze uit en verlichten ze, maar de opvattingen van anderen verachten ze, kleineren ze en plukken er de veren uit. Daarenboven, Heer, als andere samana's en brahmanen naar Kesaputta komen, leggen ook zij hun eigen opvattingen uit en verlichten ze, maar de opvattingen van anderen verachten ze, kleineren ze en plukken er de veren uit. Heer, er is twijfel, er is onzekerheid omtrent wie van die waardige personen waarheid spreekt en wie valsheid spreekt.
Jazeker, Kâlâmas, het is passend dat u twijfelt, het is passend dat u aarzelt. Onzekerheid ontstaat omtrent wat twijfelachtig is.
Maar kom, Kâlâmas. Gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana.
Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd worden leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.


Begeerte, haat en waan

Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als begeerte oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan begeerte, overmeesterd door begeerte, in zijn geest overwonnen door begeerte. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt anderen hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu wat denkt u, Kâlâmas: als haat oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan haat, overmeesterd door haat, in zijn geest overwonnen door haat. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als waan oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan waan, overmeesterd door waan, in zijn geest overwonnen door waan. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Wat denkt u, Kâlâmas? Zijn deze zaken geschikt of ongeschikt?
Ze zijn ongeschikt, Heer.
Zijn ze afkeurenswaardig of niet?
Zij zijn afkeurenswaardig, Heer.
Zijn ze verworpen door de wijzen, of niet?
Zij worden verworpen door de wijzen, Heer.
Daarom, Kâlâmas, heb ik gezegd: gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana. Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.
Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn geschikt, deze dingen zijn aanbevelenswaardig, deze dingen worden geprezen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd worden leiden deze dingen tot voordeel en geluk, onderneemt ze dan en blijft erbij, Kâlâmas.
Bevrijding
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van begeerte oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan begeerte, niet overmeesterd door begeerte, in zijn geest niet overwonnen door begeerte. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van haat oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.
Nu Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan haat, niet overmeesterd door haat, in zijn geest niet overwonnen door haat. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van waan oprijst in en mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.

Nu Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan waan, niet overmeesterd door waan, in zijn geest niet overwonnen door waan. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Wat denkt u, Kâlâmas? Zijn deze zaken geschikt of ongeschikt?
Zij zijn geschikt, Heer.
Zijn ze afkeurenswaardig of niet?
Zij zijn niet afkeurenswaardig, Heer.
Worden ze verworpen of geprezen door de wijzen?
Zij worden geprezen, Heer.

Daarom, Kâlâmas, heb ik gezegd: gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana. Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.


De goddelijke verblijven

Een leerling van de Nobelen, die zo bevrijd is van begeerte, bevrijd is van haat, bevrijd is van waan, die zelfbewust en aandachtig leeft:
Hij verblijft met zijn gemoed vol liefdevolheid gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde liefdevolheid die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol medelijden gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde compassie die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol meelevende vreugde gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde meelevende vreugde die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol gelijkmoedigheid gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde gelijkmoedigheid die vrij is van haat en kwade wil.


De vier verwachtingen

Een leerling van de Nobelen, Kâlâmas, wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd vindt in dit leven nog deze vier verwachtingen:
'Als er een hiernamaals is, als goede of kwade daden vruchten hebben die rijpen, dan zal ik bij het uiteenvallen van dit lichaam opstaan in een hemelse wereld, in een toestand van gelukzaligheid.' Dit is de eerste verwachting die hij vindt.
'Als er geen hiernamaals is, als goed of kwade daden geen vruchten hebben die rijpen, dan houd ik mij in deze wereld vrij van haat en kwade wil, en leef veilig en wel.' Dit is de tweede verwachting die hij vindt.
'Als kwaad overkomt aan wie kwaad doet en ik wil aan niemand kwaad doen: hoe kan kwaad raken aan mij, die geen kwade daden doet?' Dit is de derde verwachting die hij vindt.
'Als kwaad niet overkomt aan wie kwaad doet, dan zie ik dat ik zuiver ben op de twee manieren.' Dat is de vierde verwachting die hij vindt.
Zo, Kâlâmas, vindt een leerling van de Nobelen wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd, in dit leven nog deze vier verwachtingen.
Zo is het, Heer, zo is het, Verhevene. Een leerling van de Nobelen wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd vindt in dit leven nog deze vier verwachtingen.
Wonderbaarlijk, Heer, wonderbaarlijk, Heer. Het is, Heer, alsof iemand zou rechtzetten wat ondersteboven staat, of onthullen wat verborgen is, of de rechte weg wijzen aan wie verloren gelopen is, of een licht brengen in de duisternis zodat wie ogen heeft vormen kan zien. Zo ook, Heer, heeft de Verhevene ons op vele wijzen de Dharma duidelijk gemaakt. En nu gaan wij voor toevlucht tot de Verhevene, tot de Dharma en tot de Sangha. Moge de Verhevene ons beschouwen als volgelingen, die vanaf deze dag en zolang dit leven duurt voor toevlucht zijn gegaan.
« Laatst bewerkt op: 19-01-2012 16:30 door lord rainbow »

lord rainbow

  • Gast
Buddhavacana: Kalama-Sutta
« Reactie #1 Gepost op: 26-04-2013 15:15 »
door ANDRÉ BAETS op 25 APRIL 2013
Uposatha 25 april 2013

Evam me suttam, aldus heb ik gehoord… Een korte passage uit Kalama-Sutta is waarschijnlijk de meest geciteerde Boeddhacitaat op websites, blogs en briefkaarten. De ene vertaling en interpretatie is al wat vrijer dan de andere. Zo vind je bijvoorbeeld:
“Volg, wat goed en slecht betreft, je eigen gevoel.”
of:
“Geloof niets; het maakt niet uit wie het zegt, zelfs niet als ik het zeg. Geloof het niet als het niet strookt met je eigen inzicht.” (fakebuddhaquotes.com)

Het lijkt wel alsof de Boeddha ons carte blanche geeft in het bepalen van wat goed en slecht is. Laten we even de tekst er bij nemen.1

De Boeddha, die een rondreis maakt door Kosala, bereikt Kesaputta, een marktstadje van de Kalama’s. De inwoners, die van de komst van de Verhevene op de hoogte zijn gebracht gaan hem bezoeken en na de gebruikelijke begroetingen zeggen ze:

“Het komt voor, Heer, dat er asceten en brahmanen naar Kesaputtta komen. Zij zetten hun eigen leer uiteen en lichten die toe; maar op de leer van anderen geven ze af, die verachten ze , behandelen ze met minachting en bekladden ze. Daardoor ontstaat er bij ons onzekerheid, ontstaat er twijfel over wie van deze heren asceten nu de waarheid spreekt en wie onwaarheid spreekt.”

Het antwoord van de Boeddha is waarschijnlijk een van zijn meest geciteerde en uit de context gehaalde uitspraken:

“Kalama’s gaat niet af op mondelinge traditie, op een successie van leraren, op horen zeggen, op de overlevering van heilige geschriften, op geredeneer, op logische afleiding, op redelijke overweging, op het feit dat je genoegen schept in een theorie, op de schijn van bekwaamheid [van een leraar] of op de gedachte: ‘Deze asceet is onze goeroe.’

Maar wanneer jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn onheilzaam, deze dingen zijn onbehoorlijk, deze dingen worden door verstandige mensen gelaakt, deze dingen leiden, als je ze op je neemt en in praktijk brengt, tot onheil en leed,’ dan moeten jullie ze opgeven.”

Inderdaad, zo op het eerste gezicht zegt de Boeddha dat je op je eigen gevoel en inzicht moet vertrouwen. Maar kan dit wel? We zijn allen gevormd door ervaringen en conditioneringen; door de maatschappelijke normen en waarden die in onze cultuur gangbaar zijn.

De Kalama’s zijn geen volgelingen van de Boeddha en daarom legt hij in het kort enkele belangrijke basisprincipes van zijn Leer uit. Basisprincipes die tot een heilzaam leven leiden.

“Wat denken jullie, Kalama’s? Wanneer begeerte, haat of verwarring in een mens ontstaan, leidt dat dan tot heil of tot onheil?”

“Tot onheil, Heer.”

Begeerte, haat en verwarring of onwetendheid worden ‘de drie vergiften’ genoemd en de Boeddha wijst deze aan als oorzaak van lijden. In de Tibetaanse afbeelding van de bhava-cakka, het wiel van wording (ook wel vrij vertaald als levenswiel), dat de keten van ontstaan in onderlinge afhankelijkheid (paticca-samuppada) voorstelt, wordt het middelpunt van het wiel – ‘daar waar het allemaal om draait’ - ingenomen door drie dieren: de vogel staat voor begeerte, de slang voor haat en het varken voor onwetendheid of verwarring. De drie dieren bijten in elkaars staart om aan te geven dat het ene uit het andere voorkomt en ook blijft voortkomen.

De Boeddha gaat dan in op zijn vraag:

“Een begerig, haatdragend of verward persoon, die door begeerte, haat of verwarring overweldigd is, wiens gedachten in de greep daarvan zijn; doodt levende wezens, neemt wat niet gegeven is, pleegt overspel, liegt en zet anderen ertoe aan om net zo te handelen. Zal hem dat voor lange tijd tot onheil strekken en leed bezorgen?”

Inderdaad, Heer.”

“Wat denken jullie, Kalama’s? Zijn deze dingen heilzaam of onheilzaam?”

“Onheilzaam, Heer.”

“Onbehoorlijk of behoorlijk?”

“Onbehoorlijk, Heer.”

“Gelaakt door verstandige mensen of geprezen door verstandige mensen?”

“Gelaakt door verstandige mensen, Heer.”

“Als je ze op je neemt en in praktijk brengt, leiden ze dan tot onheil en leed?”

“Als je ze op je neemt en in praktijk brengt, leiden ze tot onheil en leed. Zo komt het ons voor, Heer.”

“Het was om deze reden, Kalama’s, dat we zeiden: ‘Gaat niet af op mondelinge tradities, op successie van leraren, op horen zeggen, enz.”

Vervolgens houdt de Boeddha hetzelfde betoog, maar nu over een persoon die vrij is van begeerte, haat en verwarring. De Kalama’s antwoorden hierop dat al de door de Verhevene opgenoemde zaken heilzaam en behoorlijk zijn en door verstandige mensen geprezen worden. Daarna geeft hij de Kalama’s nog een oefening mee; het beoefenen van de vier brahma-vihara’s: liefdevolle vriendelijkheid (metta), mededogen (karuna), medevreugde (mudita) en gelijkmoedigheid (upekkha). Deze beoefening richt zich op de wereld en de medemens.

Als we het gesprek tussen de Boeddha en de Kalama’s nogmaals nauwkeurig lezen zien we dat de Verhevene een aantal voorwaarden stelt bij het persoonlijk onderzoeken van welke leer dan ook.

Naast het niet afgaan op een traditie, overlevering, heilige geschriften, bekende of schijnbaar bekwame leraren, zegt de Boeddha ook om niet voort te gaan op eigen redenering, redelijke overweging of logische afleiding. Dus ook de zaken die je vanuit je persoonlijke ervaring als juist en goed beschouwt – en die steeds het gevolg zijn van conditionering en maatschappelijke invloed -, moeten in vraag worden gesteld. De eigen door conditionering gekleurde opinie over goed en kwaad, over heilzaam en onheilzaam mag dus niet als norm, als referentiepunt gebruikt worden.

Wat is dan de maatstaf die de Boeddha geeft? Dat wat geprezen wordt door ‘verstandige mensen’. Op andere plaatsen in de Pali-Canon worden deze ‘verstandige mensen’ aangeduid als ‘edelen’ of als ‘goede mensen’. Hiermee worden de boeddha’s en hun verlichte leerlingen (arahat) bedoeld; zij die bevrijd zijn van begeerte, woede en verwarring en die de vier brahma-vihara’s ten volle belichamen.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen raadt de Boeddha de Kalama’s aan om zich op de weg naar ontwaken te begeven door een aantal ethische principes te volgen (niet doden, niet stelen, geen overspel plegen…) zich toe te leggen op het vernietigen van begeerte, haat en verwarring of onwetendheid en het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid.

De Kalama’s reageren enthousiast en zeggen:

“Voortreffelijk Heer, (…) De Verhevene heeft op velerlei wijze de Dhamma verhelderd.

Daarom, Heer, nemen we onze toevlucht tot de Verhevene, tot de Dhamma en tot de gemeenschap van monniken; laat de Verhevene ons vanaf vandaag voor de rest van ons leven als lekenvolgelingen beschouwen, die hun toevlucht hebben genomen.”

Meestal eindigt hier het hoofdstukje over de Kalama-Sutta. Maar de sutta heeft nog een tweede, minder bekend deel over ‘de vier geruststellingen’:

“Als een leerling van de edelen eenmaal zo [ door het volgen en beoefenen van de hoger genoemde aanbevelingen tot heilzaam leven ] een geest vrij van haat, vrij van boosheid, onbezoedeld en zuiver heeft, dan heeft hij al in dit leven vier geruststellingen verworven.”

Merk in onderstaande tekst op: elke uitspraak begint met het voorwaardelijke ‘als’ of ‘indien’. Het bevat dus geen zekerheid, maar een mogelijkheid. Vervolgens wordt de zin beginnend met ‘als’ gevolgd door een ‘maar’ waardoor de eerdere mogelijke vooropstelling ontkracht wordt.

“Als er een andere wereld bestaat, als men de vruchten plukt van goede en slechte daden (karma), dan is het mogelijk dat ik na de ondergang van het lichaam, na de dood weer oprijs op een goede bestemming (wedergeboorte) of in een hemelse wereld.”

Dit is de eerste geruststelling die hij heeft verworven.

“Maar als er geen andere wereld bestaat (geen wedergeboorte), als men niet de vruchten plukt van goede en slechte daden (geen karma), dan leef ik hier in deze wereld reeds een gelukkig leven vrij van haat, vredig en kalm.”

Dit is de tweede geruststelling die hij heeft verworven.

“Indien de kwaaddoener kwaad ten deel valt (karma), maar ik geen kwaad in de zin heb voor wie dan ook, hoe zal mij dan, die geen enkel kwaad doet, leed kunnen treffen (ik bouw immers geen negatief karma op)?”

Dit is de derde geruststelling die hij heeft verworven.

“Maar indien de kwaaddoener geen kwaad ten deel valt (geen karma), dan zie ik mijzelf hier in elk geval zuiver (ik ben in elk geval zuiver; omdat ik geen kwaad doe leef ik met een gerust gemoed, of ernu vergelding op volgt of niet).”

Dit is de vierde geruststelling die hij heeft verworven.

“Wanneer een leerling van de edelen eenmaal zo een geest vrij van haat, vrij van boosheid, onbezoedeld en zuiver heeft, dan heeft hij al in dit leven deze vier geruststellingen verworven.”

Waar de Boeddha hier op wijst is dat we ons niet zo zeer moeten bezighouden met de vraag of onze daden al dan niet (in een volgend leven) een gevolg hebben. Belangrijker is, voor ons leven hier en nu, om er voor te zorgen dat er geen aanleiding, geen reden is voor het ontstaan van (negatief) karma.

Spijtig genoeg wijst het dagelijkse leven uit dat de meeste mensen enkel voor een vorm van bestraffing/beloning van hun daden gevoelig zijn. Op een baan waar door overdreven snelheid veel ongevallen gebeuren zorgt het plaatsen van flitspalen al snel voor een aangepast rijgedrag. Niet omdat de bestuurders tot inkeer zijn gekomen en beseffen dat snel rijden gevaarlijk is, maar omdat er bij overtreding een boete tegenover staat. Zo daalde ook de verkoop van milieuvriendelijke wagens aanzienlijk toen de financiële tegemoetkoming weg viel. De beloning en niet de zorg om het milieu bleek de belangrijkste motivatie voor de aankoop te zijn.

Het is blijkbaar niet gemakkelijk om een ethisch en heilzaam leven te leiden zonder het spreekwoordelijke schouderklopje of de stok achter de deur. En toch is dit wat de Boeddha ons in deze sutta voorhoudt. Zo wil ik nog verwijzen naar de reactie van Bhikkhu Bodhi op Stephen Batchelor toen deze laatste in zijn boek “Boeddhisme zonder geloof” wedergeboorte en karma in vraag stelde.2 ((“Does rebirth make sense?” Bhikkhu Bodhi Buddhist Publication Society (2005)))3

Toegegeven, deze enkele sutta waarin karma en wedergeboorte als mogelijkheid en niet als dogma wordt gesteld, weegt niet op tegen de veelvuldige vermeldingen ervan elders in de Pali-Canon. Maar juist door het ongewone van deze tekst kunnen we aannemen dat hij origineel is. Niemand had er immers baat bij om deze passage later toe te voegen. Integendeel!

Bron

Prullarius

  • Gast
Re:Kalama soetra, nederlands.
« Reactie #2 Gepost op: 27-04-2013 00:47 »
Interessant on te lezen :)

Toch vat ik deze sutta niet op als het in twijfel trekken van wedergeboorte. Ik zie het argument meer als: Er is geen vertrouwen in wedergeboorte nodig om aan je karma te kunnen werken. Een beetje alsof je een wiskundige variabele uit een functie wegstreept, niet omdat die geen waarde heeft, maar omdat die voor die "berekening" geen relevantie heeft. Maar dat is mijn interpretatie.