Auteur Topic: Plato en de grot  (gelezen 2810 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

lord rainbow

  • Gast
Plato en de grot
« Gepost op: 22-12-2011 16:49 »
- Goed, zei ik, dan moet ge nu eens gaan kijken
naar de manier waarop wij zijn opgevoed.
Stel u gevangenen voor die in een onderaards verblijf leven,
een grot bijvoorbeeld.
De toegang tot de open lucht wordt gevormd door een opening
die even breed is als de grot zelf.
Die mensen zijn nog nooit buiten de grot geweest.
Ze kunnen benen en hals niet bewegen omdat die vastgeklemd zijn,
en ze kunnen alleen voor zich uit kijken.
Achter hun rug is een lichtbron:
het is een vuur dat hoog boven hen brandt.
Tussen dat vuur en de gevangenen
loopt een weg die ook hoog is gelegen,
met een borstwering die dient als het schot
dat bij het poppenspel wordt gebruikt
om de poppenspelers aan het gezicht te onttrekken.

- Dat zie ik voor me, zei hij.

- Achter die borstwering lopen mensen, die allerlei voorwerpen,
zoals stenen en houten beelden van mensen en dieren,
boven de borstwering uittillen.
Sommigen spreken daarbij en anderen niet.

- Een vreemde situatie, zei hij, en die gevangenen zijn ook zo vreemd.

- O, maar die zijn niet anders dan wij, zei ik.
Wat kunnen ze anders zien van zichzelf
en van hun medegevangenen dan de schaduwen
die door het vuur op de wand van de grot
worden geprojecteerd?

- Niets, zei hij, want ze kunnen hun hoofd niet draaien.

- En van de dingen die achter hen langs worden gedragen
zien ze ook niet meer dan de schaduw, nietwaar?

- Dat is zo.

- Stel nu dat ze met elkaar zouden spreken.
Dan zouden ze het hebben over wat ze voor zich zien,
en dat zouden ze voor de werkelijkheid houden.

- Inderdaad.

- En als in de gevangenis de echo weerklinkt van wat de voorbijgangers zeggen,
waarbij het geluid door de wand wordt teruggekaatst, zouden ze dan niet denken
dat het de schaduwen zijn die spreken?

- Waarachtig, dat is zo, zei hij.

- Dan houden de gevangenen deze schaduwen steeds voor de dingen zelf, zei ik.

- Dat kan niet anders, zei hij.

- Nu worden ze op de een of andere manier bevrijd uit de boeien
die hen afhouden van de werkelijkheid, ging ik voort.
Eén van hen wordt gedwongen om op te staan,
het hoofd te draaien en ineens in het licht te kijken.
Dat doet pijn aan zijn ogen, en verblind als hij is,
kan hij nog steeds de dingen niet zien waarvan hij
voor die tijd slechts de schaduwen zag.
Wat zal hij zeggen, denkt ge, als men hem dan vertelt
dat hij vroeger schimmen zag en nu dichter
bij de werkelijkheid is komen te staan
en beter kan zien wat zich in werkelijkheid afspeelt?
Wat is zijn antwoord als men hem ieder ding dat voorbij wordt gedragen
aanwijst en hem vraagt te zeggen wat het is?
Hij zal het niet weten en meer geloof hechten aan wat hij voor die tijd zag.

- Dat is wel zeker, zei hij.

- Het zal pijn doen aan zijn ogen als hij gedwongen wordt
naar het licht zelf te kijken, dus zal hij zich weer omdraaien
en zijn toevlucht zoeken bij de dingen die hij wel kan zien en
waarvan hij gelooft dat ze duidelijker te onderscheiden zijn
dan de voorwerpen die hem worden aangewezen.

- Ja zeker, zei hij.

- Als iemand hem met geweld omhoog voert langs die weg,
die steil is en moeilijk begaanbaar,
en hem niet loslaat voordat hij buiten de grot staat,
in het volle licht van de zon, zal hij dan dat zonlicht niet als pijnlijk ervaren?
Hij zal zich geen raad weten. Als hij eenmaal in het licht is gekomen
en als zijn ogen worden verblind door het zonlicht,
zal hij dan ook maar iets kunnen onderscheiden
van wat de werkelijkheid wordt genoemd?

- Dat denk ik niet, zei hij, tenminste niet onmiddellijk.

- Ik denk dat hij zal moeten wennen. In het begin
zal hij eerst de schaduwen kunnen onderscheiden,
dan de weerspiegelingen van de dingen in het water,
en pas later de dingen zelf.
Als hij dan in een later stadium de verschijnselen in de hemel
en de hemel zelf wil waarnemen,
kan hij dat het beste ’s nachts doen,
bij het licht van de sterren en van de maan.
De dingen in het licht van de zon en de zon zelf
kan hij echter nog niet goed zien.

- Natuurlijk.

- Tenslotte kan hij, denk ik, naar de zon zelf kijken
en haar ware gedaante aanschouwen.
Dan kijkt hij niet naar de weerspiegelingen ervan in het water
of andere oppervlakken,
maar naar de zon zelf in haar eigen licht en op haar eigen plaats.

- Zeker.

- Dan zal hij de conclusie trekken dat het de zon is
die de seizoenen en de kringloop van de jaren veroorzaakt
en alle dingen in de zichtbare wereld bestuurt,
en dat de zon in zekere zin ook de oorzaak is
van al de dingen die hij en zijn medegevangenen
daarbinnen in de grot zagen.

- Zeker, zei hij, dat kan hij pas begrijpen als hij de zon heeft gezien.

- En wat denkt ge? Als hij zich zijn vroegere verblijfplaats herinnert,
en wat daar voor wijsheid doorgaat, en zijn medegevangenen van destijds,
zal hij zich dan niet gelukkig prijzen met de verandering
en medelijden hebben met zijn makkers in de grot?

- Zeker, zei hij.

- Stel nu eens voor dat die elkaar overladen met eerbewijzen en loftuitingen,
en dat ze geschenken geven aan degene die het snelst ziet
welke schaduw er nu weer voorbijtrekt, of die zich het best kan herinneren
in welke volgorde en in welk verband de dingen zich herhalen,
zodat hij het best kan zien wat er gaat gebeuren.
Denkt ge dan dat iemand die aan de grot is ontsnapt,
uit is op hun eerbetoon en dat hij degenen die bij de gevangenen i
n aanzien staan en op de voorgrond treden, benijdt?
Zou hij niet met Homeros veel liever hier op aarde willen leven ‘
als dienstknecht van een arm man’ en alles liever verdragen
dan er de overtuigingen op na te houden
die de gevangenen erop nahouden, en zo te moeten leven als zij?

- Alles liever dan dat, zei hij.

- Stelt u zich nu eens voor, zei ik, dat zo iemand
weer zou afdalen en op dezelfde plaats ging zitten als voorheen.
Zouden zijn ogen niet verduisterd worden als hij zo plotseling in het donker komt?

- Reken maar, zei hij.

- Als hij weer moest wedijveren in het herkennen van de schaduwen
met degenen die steeds vastgebonden bleven,
terwijl zijn zicht nog zwak is omdat zijn ogen nog moeten wennen aan
de duisternis - en dat zou wel eens een hele tijd kunnen duren -
zou hij dan niet worden uitgelachen door de grotbewoners,
en zouden ze niet zeggen dat hij van zijn uitstapje naar boven
met verknoeide ogen is teruggekomen?
Daaruit zouden ze opmaken dat het niet de moeite loont
om zelfs maar te proberen naar boven te gaan.
Als iemand hen dan probeert los te maken en naar boven te brengen,
zouden ze hem dan niet ombrengen als hij in hun handen valt?

- Vast en zeker, antwoordde hij.

- Deze gelijkenis, beste Glaukoon, zei ik,
kan in zijn geheel worden toegepast op wat we hiervoor hebben gezegd.
De zichtbare wereld is te vergelijken met een gevangenis waarin wij wonen,
en het licht van het vuur dat daarbinnen schijnt met het zonlicht.
En als ge de tocht naar omhoog uit de grot en het aanschouwen
van alles wat daarboven is, ziet als het opstijgen van de mens
naar het gebied van het zuivere weten,
zult ge de kern van mijn betoog niet missen.
Dat is toch wat ge hoopte te horen?
Maar of het allemaal waar is, dat weet God alleen.
Hoe het ook zij, in mijn voorstelling ziet het er zo uit
dat het uiterste dat in het gebied van het kenbare
gezien kan worden - en dan nog maar nauwelijks - het principe van het 'Goede' is.
Als dat eenmaal gekend is, moet de conclusie worden getrokken
dat juist dat principe de oorzaak is van al wat waar en schoon is,
en dat geldt in iedere omstandigheid. In de zichtbare wereld
brengt het goede het licht voort en de kracht daarvan,
en in het gebied van het zuivere weten brengt de kracht van het goede
waarheid en rede voort.
Dan moet wel worden erkend dat iemand die wijsheid in praktijk wil brengen
in het persoonlijke leven of in het leven van de gemeenschap,
dat goede moet leren kennen.

- Daar ben ik het mee eens, zei hij, tenminste voorzover ik het kan volgen.

- Vooruit, zei ik, blijf mijn gedachtengang dan volgen
en verbaast u zich er niet over dat degenen die
die hoogte hebben bereikt zich niet meer willen bezighouden
met het gedoe van de mensen. Nee, zij worden steeds
voortgedreven door een verlangen naar het verblijf daarboven.
Dat is toch te verwachten, als de vergelijking met het beeld
dat we geschetst hebben tenminste opgaat.


- Dat is zeker zo, beaamde hij.

- En wat denkt ge, vroeg ik,
zoudt ge het niet vreemd vinden als iemand
die van het goddelijke schouwen terugkeert naar
de menselijke beslommeringen, zich onbeholpen gedraagt
en in hoge mate de lachlust opwekt?
Dat moet toch wel gebeuren als hij, nog verblind door het licht
en onvoldoende gewend aan het omringende duister,
gedwongen wordt in de rechtszaal of ergens anders te spreken
over de schaduwen van de gerechtigheid
of over de beelden die die schaduwen veroorzaken,
en met de mensen die de gerechtigheid zelf nog nooit hebben gezien
een woordenstrijd moet voeren over wat zij onder gerechtigheid verstaan?

- Dat zou me niet verbazen, antwoordde hij.

- Maar wie zijn verstand gebruikt, zei ik, zal zich herinneren
dat de ogen op twee manieren kunnen worden verblind:
als ze uit het licht in het duister komen, en als ze van het duister in het licht komen.
Omdat het voor de hand ligt dat dit voor de rede ook geldt,
zal een redelijk mens niet zomaar in de lach schieten
als hij een mens ziet die verward is en niet bij machte is iets
te onderscheiden. Hij zal daarentegen kijken of die mens verblind is
door omstandigheden waar hij niet aan gewend is
omdat hij uit een helderder wereld komt, of omdat hij,
gekomen uit een relatief duistere onwetendheid naar een helderder sfeer,
verblind wordt door een overvloed aan schittering.
Hij zal de een gelukkig prijzen om zijn ervaring en zijn levensomstandigheden,
en medelijden hebben met de ander, en als hij al zou willen lachen,
dan eerder om degene die van de duisternis in het licht komt,
dan om wie van boven uit het licht in de duisternis komt.

- Dat hebt ge heel goed gezegd, zei hij.

- Daaruit kunnen we opmaken dat sommige mensen
er een verkeerde opvatting over opvoeding op nahouden.
Ze zeggen dat er kennis in de mens geplant moet worden die hij voordien niet bezat.
Zij denken dat je blinde ogen weer ziend kunt maken.

- Dat is een gangbare opvatting, zei hij.

- Onze gelijkenis toont echter aan dat de mens
op ieder gebied alle mogelijkheden al in zich heeft,
en het instrument waarmee hij iets leert, lijkt op een oog
dat alleen kan zien als de mens zich met het gehele lichaam afkeert
van de duisternis en het licht tegemoet treedt.
Zo moet ook de mens zelf tot inkeer komen
en zich afwenden van het proces van wording,
tot hij in staat is de werkelijkheid van het zijnde te aanschouwen
en de allesovertreffende glans daarvan te verdragen.
En dat is ook het goede, nietwaar?

- Inderdaad.

- Misschien is het wel een bijzondere gave
om de mens tot inkeer te laten komen
en om te weten hoe dat zo gemakkelijk
en doeltreffend mogelijk kan geschieden.
Daarbij hoeft het vermogen om dingen in te zien
niet in de mens te worden ingeplant,
want dat heeft hij allang. Nee, het gaat erom
dat de mens de goede kant op moet kijken.

- Dat lijkt mij ook, zei hij.

Offline chan

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 515
    • Bekijk profiel
Re:Plato en de grot
« Reactie #1 Gepost op: 22-12-2011 21:39 »
Dit is altijd een mooi verhaal om weer even te lezen Lord Rainbow.
Een 'klassieker' zouden we kunnen zeggen.
Hoeveel mensen in het westen die zich met het boeddhisme bezig houden kennen dit verhaal denk je?
Sterker nog, hoeveel van die mensen zijn eigenlijk bekend met de verschillende westerse filosofieën?

Maar goed, om bij het verhaal terug te komen, het is geen simpel verhaal, men moet er goed het hoofd bij houden om het te kunnen volgen.
Het is interessant om er op te letten hoe belangrijk de rol van het denken in het verhaal is.
Het denken speelt een rol bij de mensen in het verhaal, de persoon die het verhaal vertelt en de persoon die het verhaal aanhoort.
Dan is het interessant om uit het verhaal te vernemen dat het ook hier nog hoofdzakelijk draait om de wereld van de materie.
Niet uitsluitend, maar de geestelijke wereld wordt maar heel even 'aangeraakt' daar waar het over het principe van het 'Goede' gaat.

Wat minder aan de orde komt in het verhaal is de activiteit van de persoon die het verhaal vertelt.
Ik bedoel hier dat de persoon die het verhaal vertelt toch tot op zekere hoogte de dingen - waar hij het over heeft - heeft gezien in  licht en niet alleen de schaduw ervan. Hij lijkt me bepaald niet verblindt door de kennis die hij al doende heeft vernomen. Waar ik hier op doel is de geestelijk zelfwerkzaamheid van de mens die bij deze mens al een zelfwerkzaamheid is die je zou kunnen zien als een innerlijk licht dat schijnt op de waargenomen verschijnselen.

Het innerlijke instrument waarmee hij leert, het voorlaatste deel in het verhaal , is het zelfstandig objectiverende en intuïtieve denken, het geestelijke oog waarmee de mens de levende waarheid kan waarnemen.

Het is dat innerlijke licht dat innerlijk schijnt en verlicht waar het laatste stukje in zijn geheel over gaat.


Plato was een tijdsgenoot van de Boeddha. Hij was een filosoof van het westen terwijl gelijktijdig Boeddha de filosoof was van het oosten.
Beiden getuigen van het allereerste ontwaken van het innerlijke licht van de mensen, het zelfstandig denken, in een tijd dat de mensheid was en nog werd geleid door openbaringen van buitenaf die tot hen kwam door middel van zieners, profeten en dergelijke.
« Laatst bewerkt op: 22-12-2011 21:40 door chan »
De Boeddha zoek IK in en met mijn werkzame IK aanwezigheid.
De Dharma  zoek IK in en met mijn werkzame IK aanwezigheid.
De Menselijke gemeenschap zoek IK  in en met mijn werkzame IK aanwezigheid.
Boeddhanatuur ontmoet Boeddhanatuur in zelfbewustzijn