Auteur Topic: Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening  (gelezen 5145 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline Subhatto

  • Thaise Woud Traditie
  • Geïntresseerde
  • *
  • Berichten: 6
  • Geslacht: Man
  • De gift van Dhamma overteft alle andere giften
    • Bekijk profiel
    • Forest Dhamma Books
Een vrouw, meer dan enige kracht in de wereld, kan een man gemakkelijk in haar macht hebben, ze kan een man laten hechten aan haar en hem te vernietigen met vijf wapens: haar lichaam, haar stem, haar geur, haar smaak en haar aanraking.
De Dhamma beschermt diegene die de Dhamma in praktijk brengt.

Basho

  • Gast
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #1 Gepost op: 05-03-2012 18:18 »
Een vrouw, meer dan enige kracht in de wereld, kan een man gemakkelijk in haar macht hebben, ze kan een man laten hechten aan haar en hem te vernietigen met vijf wapens: haar lichaam, haar stem, haar geur, haar smaak en haar aanraking.

En wat is in deze de rol van de man? Want die mis ik hier. Hoe palmt hij de vrouw in, want het gezegde luidt: “Mannen willen maar één ding”. Dat is simpelweg en plat gezegd: seks hebben met de vrouw. Ik snap heus de bijzondere kwaliteiten die de vrouw kan hebben om de man te versieren, in te palmen, maar de man is gewoon geen haar beter. Ik weet dat in het traditionele Boeddhisme, dat steevast uitgaat van de spirituele positie van de man, de vrouw soms beschouwt als een belemmering (of erger) op het spirituele pad. Maar het zou in mijn optiek feitelijk te hypocriet zijn om het probleem van de aantrekkingskracht van de beide geslachten in het bijzonder steeds bij de vrouw te leggen. Zowel man als vrouw hebben hierin namelijk een rol. Ik zeg dit, omdat er in de loop van de geschiedenis al ontelbare manieren zijn geweest om de vrouw te onderdrukken. Ik ben van mening dat dit niet (meer) kan, zeker niet in de huidige tijd. In deze cultuur van het Westen is het sowieso zeer ongewenst, en ik vind dat de wereld van vandaag net zo lang de vrouwenonderdrukking – op welke manier dan ook – moet helpen uitbannen.

Op dit forum zijn ook diverse vrouwelijke Boeddhisten die hun zegje doen, die in het Boeddhisme een inspirerende waarde vinden. Wat zullen zij ervan denken dat de man de patriarch speelt, of dit nu in een Boeddhistische tekst staat beschreven of in een andersoortige filosofie, godsdienst of religie? Ik ben zelf een man, ik kom echter in deze voor de vrouw op. Men kan eens het boek “De tweede sekse” van Simone de Beauvoir ter hand nemen, dan kan men zelf zien hoe onnoemelijk veel verdriet de vrouw is aangedaan door de mannenmaatschappij in de eeuwen die achter ons liggen. Ik vind dat die onderdrukking maar eens afgelopen moet zijn. Wat in de startpost staat, komt inderdaad voor in bepaalde klassieke teksten van het Boeddhisme, in tegenstelling tot het feit dat de Boeddha heeft aangegeven dat de vrouw net zo goed de Verlichting kan realiseren als mens, als de man. Natuurlijk zijn er weer diverse afwijkende teksten, waarin de vrouw daarentegen wordt achtergesteld in vergelijking met de man. Dat zij bijvoorbeeld maar eerst moet worden wedergeboren als man, waarna ze pas de Verlichting zou kunnen realiseren. Ik vind dit soorten veroordeling ronduit belachelijk, destructief, ouderwets en niet meer passen in deze tijd (en in het bijzonder in deze cultuur). Ik stel voor dat we man en vrouw netjes gelijk stellen en erkennen dat Verlichting helemaal niet afhankelijk is van een geslachtskenmerk. Misschien had het handig geweest – maar dat kon waarschijnlijk in de tijd van de Boeddha niet – als Gautama een vrouwelijke Boeddha (want die waren, en zijn er zeer zeker) als spirituele lerares had erkend. En dat zij als vrouwelijke Verlichte de Sangha had kunnen leiden van de nonnengemeenschap. Helaas liggen de historische kaarten anders. En in het Westen is het nog veel erger; wijze vrouwen zijn genadeloos als heks op de brandstapel gezet in naam van bijvoorbeeld het Christendom.

Sorry voor de donderpreek. Ik begrijp de starter van deze topic wel, waarbij de strekking is dat de vrouwelijke aantrekkingskracht innerlijk moet worden beschouwd, door de man. Maar daarbij hoort de man het inderdaad bij zichzelf te houden en te erkennen dat hijzelf het immers is, die zich laat aantrekken door de vrouw. Ik ben daar zeer stellig in. De man trekt als een magneet naar de vrouw, en de vrouw trekt als een magneet naar de man. Dat is immers de aantrekkingskracht van de geslachten, zoals dat in de natuur is geregeld. Dus als je man bent, moet je in jezelf nagaan wat in de vrouw aantrekkelijk is en de vrouw moet dit op haar beurt innerlijk toepassen wat betreft de aantrekkingskracht van de man. Daarbij moeten alle subtiele toespelingen van man of vrouw in helderheid worden beschouwd, en niet zomaar worden afgewezen. Alsof één van beiden seksen de zwarte piet zou zijn. En de in de startpost van deze topic geciteerde tekst kan helaas een basis zijn of worden voor afwijzing, en afwijzing leidt steevast tot onderdrukking. Pas op voor die valkuil, want u bent het immers steeds zelf die de aantrekking door het andere geslacht toelaat en er maar al te gretig op ingaat. Het is niet netjes om het andere geslacht simpelweg te veroordelen omwille van het feit dat u het zelf niet kunt laten om u aangetrokken te voelen tot die vrouw of die man. De andere sekse is niet het probleem, u bent zelf het probleem. Want in uzelf brandt de begeerte. En wat is er mis met natuurlijke aantrekkingskracht? Niets. Dat men het wil onderzoeken in het kader van de eigen spirituele ontwikkeling is natuurlijk prima. Hoe meer men bewust is van waar men eigenlijk mee bezig is, des te beter.

Man en vrouw verschillen misschien in hun psyche, maar het zijn beiden volwaardige mensen. En als zodanig moeten ze mijns inziens worden benaderd, dus ook in woord en geschrift.

Met beleefde groet,

Basho ;)
« Laatst bewerkt op: 05-03-2012 20:46 door Basho »

Basho

  • Gast
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #2 Gepost op: 05-03-2012 20:23 »
Ter aanvulling op mijn (vorige) post in deze topic een toepasselijk citaat van de Boeddha wat een duidelijke balans brengt en zowel de man als de vrouw aanwijst als mensen die beiden even gevoelig zijn voor de aantrekkingskracht van de andere sekse:

“Ik heb aldus gehoord. Op een keer verbleef de Gezegende in het klooster geschonken door Anàthapiõóika in Jeta's bosschage te Sàvatthi. De Gezegende richtte zijn lezing tot de bhikkhus en zei:
1. Bhikkhus, Ik ken geen vorm die de geest van een man vangt als die van een vrouw. De vorm van een vrouw vangt inderdaad de geest van een man. Dit ten eerste.
2. Bhikkhus, Ik ken geen geluid dat de geest van een man vangt als dat van een vrouw. Het geluid van een vrouw vangt inderdaad de geest van een man. Dit ten tweede.
3. Bhikkhus, Ik ken geen geur die de geest van een man vangt als die van een vrouw. De geur van een vrouw vangt inderdaad de geest van een man. Dit ten derde.
4. Bhikkhus, Ik ken geen smaak die de geest van een man vangt als die van een vrouw. De smaak van een vrouw vangt inderdaad de geest van een man. Dit ten vierde.
5. Bhikkhus, Ik ken geen aanraking die de geest van een man vangt als die van een vrouw. De aanraking van een vrouw vangt inderdaad de geest van een man. Dit ten vijfde.
6. Bhikkhus, Ik ken geen vorm die de geest van een vrouw vangt als die van een man. De vorm van een man vangt inderdaad de geest van een vrouw. Dit ten zesde.
7. Bhikkhus, Ik ken geen geluid dat de geest van een vrouw vangt als dat van een man. Het geluid van een man vangt inderdaad de geest van een vrouw. Dit ten zevende.
8. Bhikkhus, Ik ken geen geur die de geest van een vrouw vangt als die van een man. De geur van een man vangt inderdaad de geest van een vrouw. Dit ten achtste.
9. Bhikkhus, Ik ken geen smaak die de geest van een vrouw vangt als die van een man. De smaak van een man vangt inderdaad de geest van een vrouw. Dit ten negende.
10. Bhikkhus, Ik ken geen aanraking die de geest van een vrouw vangt als die van een man. De aanraking van een man vangt inderdaad de geest van een vrouw. Dit ten tiende.”

Bron (Engels, vertaling door mij): Aïguttara Nikàya, 1. Ekakanipàta, Cittapariyàdànavaggo
« Laatst bewerkt op: 05-03-2012 20:47 door Basho »

lord rainbow

  • Gast
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #3 Gepost op: 05-03-2012 21:02 »
...Oeh la la la la Meisjes
zijn 't allermooist op aard
Niets dat hun schoonheid evenaart...
« Laatst bewerkt op: 05-03-2012 21:07 door lord rainbow »

Y1010

  • Gast
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #4 Gepost op: 06-03-2012 22:01 »
Een vrouw, meer dan enige kracht in de wereld, kan een man gemakkelijk in haar macht hebben, ze kan een man laten hechten aan haar en hem te vernietigen met vijf wapens: haar lichaam, haar stem, haar geur, haar smaak en haar aanraking.
Idem dito voor de mannelijke vorm.

Offline Japheth

  • I'm a modern and secular Zen Noahide
  • Boeddha Forum Favoriet
  • ***
  • Berichten: 72
  • Geslacht: Man
  • Met onze gedachten schepen we de wereld
    • Bekijk profiel
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #5 Gepost op: 07-03-2012 17:03 »
Een vrouw, meer dan enige kracht in de wereld, kan een man gemakkelijk in haar macht hebben, ze kan een man laten hechten aan haar en hem te vernietigen met vijf wapens: haar lichaam, haar stem, haar geur, haar smaak en haar aanraking.


Puur onzin, blijf maar in je woud.


Gr
'Toen Siddhartha Gautama werd gevraagd zijn leer in één woord samen te vatten, antwoordde hij: 'Gewaarzijn.'

Y1010

  • Gast
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #6 Gepost op: 09-03-2012 23:38 »
Een vrouw, meer dan enige kracht in de wereld, kan een man gemakkelijk in haar macht hebben, ze kan een man laten hechten aan haar en hem te vernietigen met vijf wapens: haar lichaam, haar stem, haar geur, haar smaak en haar aanraking.


Puur onzin, blijf maar in je woud.


Gr


Natuurlijk is het allemaal schijn. :)

Offline Nico

  • Nieuwkomer
  • *
  • Berichten: 3
    • Bekijk profiel
Re:Obstakkel: vrouwelijk schoon tijdens je praktijk oefening
« Reactie #7 Gepost op: 09-05-2012 21:49 »
Wat er allemaal geschreven wordt over de vrouw in het Boeddhisme, is m.i. niet juist. De begeerte zit niet in de vrouw, noch in de man. Maar door oorzaken ontstaat ze. De vrouw op zich is niet goed noch slecht. Het zijn de verkeerde gedachten die bij iemand opkomen die niet goed zijn. En dat zulke gedachten kunnen ontstaan, ligt aan de niet goed ontwikkelde geest van de betreffende persoon. Het is gemakkelijk anderen de schuld te geven terwijl men bij zichzelf de oorzaak moet zoeken.

In >facettenvanhetboeddhisme< staat over de De vrouw in het Boeddhisme:
   
   Bij meerderen bestaat de mening dat de vrouw in het Boeddhisme niet positief behandeld wordt. Maar de houding van de Boeddha ten opzichte van vrouwen was niet negatief. Hoe de positie van vrouw in het vroege Boeddhisme was, probeer ik hier duidelijk te maken.
   
   Maha Pajapati, de tante en pleegmoeder van de Boeddha, wilde een leven van ontzegging leiden, als een non, samen met meerdere andere Sakya-dames. Maar tot dan toe bestond geen Boeddhistische Orde van nonnen. Daarom vroeg zij aan de Verhevene toe te staan dat vrouwen in de Orde konden intreden. Om verscheidene redenen zou de Boeddha er toen geen voorstander van zijn geweest. Toen vroeg Ānanda of ook vrouwen de volmaakte heiligheid, arahantschap, kunnen bereiken. Het antwoord van de Verhevene luidde dat ook vrouwen het 1e, 2e, 3e en 4e  niveau van heiligheid kunnen bereiken. Hiermee stelde de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk niveau. En zo bereikte Ānanda dat de Verhevene aan vrouwen toestemming gaf om in de Orde in te treden. Maar volgens de overlevering moest Maha Pajapati acht speciale regels (garudhammas) aannemen.

   De eerste vrouwen die als bhikkhunis intraden, moesten door de Bhikkhu-sangha ingewijd worden. Een groot aantal van die eerste bhikkhunis werd Arahant.  Dat de eerste nonnen door de Bhikkhu-sangha moesten worden ingewijd, is een vanzelfsprekende zaak. Er was toen immers nog geen Bhikkhuni-sangha. Maar toen meer dan vier vrouwen ingewijd waren, konden de bhikkhunis zelf de hogere wijding verrichten. De Orde van de nonnen was een onafhankelijke instelling.
 
   Dat de Boeddha tegen een nonnenorde was, moet een latere toevoeging zijn.  De opname van vrouwen in ascetische gemeenschappen was toen niets nieuws. Andere ascetische orden, zoals de Jain, kenden een vrouwenorde. Die nonnen waren er ondergeschikt aan monniken.  Als de Boeddha toen, zoals Khantipalo beweerde, rekening had gehouden met de publieke opinie, had hij zonder meer een vrouwenorde kunnen oprichten. Dat was toen niets ongewoons. Behalve deze plaats in Cullavagga zijn in de Vinaya geen andere teksten waaruit blijkt dat de Boeddha tegen de inrichting van een nonnenorde was. 

   De brahmanen ten tijde van de Boeddha waren (groot)grondbezitters of hadden functies als ambtenaren aan het koninklijk hof. Zij hadden veel invloed. Een andere groep brahmanen fungeerde als priesters die rituelen uitvoerden. Zij kenden de drie Vedas van buiten. Bekering van brahmanen tot het Boeddhisme was van veel waarde. Het gaf aanzien aan het Boeddhisme. Het bracht ook wetenschap en vroomheid.  Maar vrouwen stonden bij de brahmanen niet goed aangeschreven. De houding van brahmanen die na hun wijding tot bhikkhu de traditionele brahmaanse houding ten opzichte van vrouwen bleven handhaven, heeft zeer zeker een negatieve uitwerking gehad op de Bhikkhu-sangha in zijn geheel. 
   
   De mondelinge overlevering van de teksten lag bij de mannen. Het is mogelijk dat de mannen enkele passages die op vrouwen betrekking hadden, hebben verwaarloosd. De monniken kunnen getracht hebben het belang dat de Boeddha aan vrouwen gaf, te minimaliseren. Alleen gebeurtenissen die zo buitengewoon waren dat zij niet weggelaten konden worden, zijn dan overgeleverd. Het is te betwijfelen of de Boeddha zelf zulke volkomen ondergeschiktheid van de nonnen ten opzichte van de monniken vereiste. De acht speciale regels die Maha Pajapati en de andere nonnen moesten navolgen, zijn moeilijk in overeenstemming ermee te brengen dat de Boeddha vrouwen zonder meer in staat achtte om volmaakte heiligheid te bereiken.  Het is heel goed mogelijk dat die acht regels na de dood van de Boeddha zijn samengesteld. 

   Wat gebeurde er overigens met de bhikkhunis? Wilden ook zij deelnemen aan het eerste concilie? Er waren toen heilige en geleerde nonnen. Maar van haar doen en laten wordt ons na de dood van de Boeddha nagenoeg niets meegedeeld. Maha-Kassapa, een vroegere brahmaan, nam de leiding. Hij beoefende heel strenge ascese. Hij had een hard, streng en bijna opvliegend karakter.  Werden de nonnen op zijn advies toen al door de andere monniken behandeld net zoals de brahmanen dat gewoon waren te doen? Of is de negatieve houding t.o.v. vrouwen geleidelijk aan in de Orde geslopen?

   In latere tijden moet veel zijn toegevoegd wat niet tot de oorspronkelijke woorden van de Boeddha behoorde. De Boeddha zelf was niet negatief ten opzichte van vrouwen. Hij en zijn discipelen hadden in de tijd van het vroege Boeddhisme contact met vrouwen, o.a. bij het rondgaan voor de maaltijd; en bij het nuttigen van maaltijden in huizen van leken.
Vrouwen werden toen niet uitgesloten van het luisteren naar de leer. Zij namen deel aan het geestelijke leven. Pas later werden vrouwen uitgesloten. 
   De positie van vrouwen ten tijde van de Verhevene was beter dan die van tegenwoordig in India. De vrouwen genoten toen grote vrijheid. De activiteiten van de vrouwen waren niet beperkt tot huishoudelijk werk en het opvoeden van kinderen. Zij namen actief deel aan het openbare leven en genoten een liberale opvoeding. Retoriek en welsprekendheid werden toen ook door vrouwen uitgeoefend. Een teken van cultuur was het maken van verzen voor de vuist weg. Het gebruik van verzen was een manier om uiting te geven aan emotie of sentiment. De verzen van de nonnen (Theri Gatha) bij het bereiken van de Verlichting zijn spontane uitingen van vreugde. Vrouwen kregen toen onderwijs. Net zoals de mannen gingen zij naar openbare bijeenkomsten in parken of hallen om er te luisteren naar grote leraren. Geleerde vrouwen trokken door het land om te onderrichten. Vrouwen hadden het recht eigendom te hebben en er vrij over te beschikken.
   Vrouwen in die tijd werkten, indien nodig, voor haar eigen onderhoud. Zij waren werkzaam als hulp in de huishouding, fruit- of bloemenverkoopster, weefster, spinster, kleermaakster, of zij deden licht werk in de landbouw. Het systeem om vrouwen te beknotten moet van latere oorsprong zijn.
   Voorbeelden van goed opgeleide vrouwen ten tijde van de Boeddha zijn o.a. de nonnen Dhamma-dinnâ, Sukka, Nanduttarâ en Bhaddâ Kundalakesâ. Dhamma-dinnâ was de beste lerares bij de Bhikkhuni Sangha. Sukkâ was bedreven in de leer van de Boeddha. Zij werd een beroemde verkondigster van de leer. Nanduttarâ was een bekende spreekster en reisde rond in India om er te debatteren. Zij was onoverwinnelijk in argumenteren totdat zij de Eerwaarde Maha Moggallâna ontmoette die haar tot de leer van de Boeddha bekeerde. Bhaddâ Kundalakesâ ging naar geleerde leraren en leerde de methoden van kun kennis. Zij was bekwaam in debatteren en zij versloeg de meeste van de bekende sprekers.
   Mallika, de dochter van een guirlandenmaker, werd verheven tot de positie van de vrouw van koning Kosala.   Toen zij een dochter baarde, was de koning er niet blij mee. De Boeddha zei toen dat hij de baby moest opvoeden. Want vrouwen kunnen beter zijn dan mannen. Vrouwen kunnen wijs zijn, deugdzaam en een correct leven leiden.
      
   In het Sigalovada sutta zei de Boeddha: De man moet hoffelijk tegen zijn vrouw zijn. Hij mag haar niet verachten. Hij moet haar trouw zijn. Hij geeft haar gezag en hij geeft haar sieraden.
    De vrouw oefent haar plichten goed uit. Zij is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. Zij beschermt wat de man meebrengt. En zij is bekwaam en vlijtig in het uitvoeren van haar taken.
   Hieruit blijkt dat de Boeddha helemaal niet negatief stond t.o.v. de vrouw.

   In het laatste jaar van zijn leven sprak de Boeddha met de Eerwaarde Ānanda over het gedrag van monniken tegenover leden van het vrouwelijke geslacht. De Boeddha zou toen het volgende gezegd hebben: “Niet naar haar kijken, Ānanda, is het beste. En als een monnik een vrouw ziet, moet hij niet met haar spreken. En als een monnik tot een vrouw spreekt, dan moet hij zeer oplettend zijn.” (D.16).

   Deze woorden moeten later zijn toegevoegd. Bij de Jains werd de asceet gewaarschuwd voor omgang met vrouwen. Hij mocht niet naar haar kijken, ook niet als zij mismaakt of heel oud was.  Het lijkt erop dat de houding van de Jains t.o.v. vrouwen hier overgenomen is.
   Vrouwen werden over het algemeen beschouwd als een hindernis voor mannen om het geestelijke leven in de Theravāda traditie te beoefenen (en mannen voor vrouwen). Ānanda is de enige in de Pāli traditie die meer sympathie heeft met vrouwen. Op het eerste concilie werd hij daarom beschuldigd dat hij het steeds goed voorhad met vrouwen, bijvoorbeeld haar te helpen om toestemming te krijgen in de Orde in te treden. In de Sanskriet versie en in sommige Chinese versies ontbreekt deze paragraaf.  Dit toont dat dit gedeelte later toegevoegd is.
   
   Het commentaar van Buddhaghosa legt de bovenstaande raad van de Boeddha als volgt uit:
1) Niet naar haar kijken: Als een monnik in een kamer zit met de deur dicht, en een vrouw komt en blijft voor de deur staan, dan ontstaat er, zolang als hij haar niet ziet, geen begeerte in hem; zijn geest wordt niet opgewonden. Maar als hij haar ziet, kan dit wil gebeuren.
2) Niet met haar spreken: Als men praat met haar kan er passie ontstaan en onoplettendheid. Zo kan de moraal geschonden worden.
   Als een vrouw naar een feestdag vraagt of om de voorschriften, of wanneer zij een leerrede wil horen of een vraag stelt, als een monnik dan bij zulke gelegenheden zwijgt, kan men zeggen dat de monnik stom is en doof. Daarom is het nodig tot haar te spreken. 
3) Oplettend, zeer voorzichtig: als een vrouw de leeftijd van uw moeder heeft, moet u aan haar denken als uw moeder; als een vrouw de leeftijd heeft van uw zuster, moet u aan haar denken als uw zuster; als een vrouw de leeftijd heeft als uw dochter, moet u aan haar denken als uw dochter. 

   Uit dit commentaar kan men de gevolgtrekking maken dat de monniken ten tijde van Buddhaghosa erg onoplettend waren en weinig zelfbeheersing hadden. De Boeddha heeft duidelijk aangegeven hoe men slechte gedachten kan overwinnen (zie o.a. M.II.9). De meeste van deze gedragsregels moeten later zijn toegevoegd. De brahmaan Parasariya oefende zijn leerlingen dat zij hun zintuigen moesten ontwikkelen door materiële vormen niet te zien met het oog en door niet te luisteren naar geluiden met het oor. De Boeddha zei toen dat, als dit een goede oefening was, doven en blinden hun zintuigen goed ontwikkeld hadden. Men moet oplettend zijn en niet door het geheel noch door details in beslag worden genomen. (M.3).
   In D.1 legde de Boeddha uit dat men bij het zien van iets of iemand niet gevangen moet zijn door het geheel. Begeerte en afkeer moeten niet toegelaten worden. De zintuigen moeten oplettend gebruikt worden. En aan Ānanda zal hij als antwoord dan ook alleen hebben gegeven dat men oplettend moet zijn. 

   De houding van Thaise monniken t.o.v. vrouwen is overdreven. Zij raken geen vrouw aan noch mogen vrouwen hen aanraken of hun gewaden. Dit is geen regel van de Boeddha. Die monniken raken vrouwen aan met hun andere zintuigen: zij praten met haar en horen haar stem; zij proeven het voedsel of de drank; zij kijken naar haar of denken aan haar. Maar begeerte zit niet in de zintuigen, noch in een object of persoon. Daarom zal de Boeddha alleen hebben aangeraden voorzichtig en oplettend te zijn.

   Eens gingen twee monniken op weg naar een ander klooster. Zij kwamen bij een rivier aan waar een vrouw stond te wachten. Zij vertelde dat zij bang was om door het water te gaan. Daarop nam de oudste monnik haar op, droeg haar naar de overkant en zette haar daar weer neer. Stil gingen de twee monniken verder. Na een half uur lopen verbrak de jongere monnik de stilte en vroeg hoe de oudere monnik een vrouw had kunnen dragen. Dat was toch niet volgens de regels. De oudere monnik gaf ten antwoord: “Ik heb de vrouw aan de oever neergezet en ben zonder haar verder gegaan. Maar jij draagt haar nog steeds – in je gedachten – met je mee.”
   De jongere monnik kon de gedachten over de vrouw niet van zich afzetten. Hij moest nog veel leren. De oudere monnik was oplettend en zonder hechten. Hij had de leer van de Boeddha begrepen.

   De vrouw werd door de Boeddha op gelijk niveau gesteld als de man. Dat was in tegenstelling tot de brahmanen, waar de vrouw een ondergeschikte rol vervulde. Jammer genoeg is de brahmaanse houding ten opzichte van vrouwen in het vroege Boeddhisme geslopen door de bekering van brahmanen die in de Orde intraden. De kloof tussen mannen en vrouwen die door de Boeddha verkleind was door gelijkheid van status te geven aan vrouwen zowel sociaal als religieus, werd weer vergroot door de Theras. 

Bron: www.facettenvanhetboeddhisme.nl  rubriek 12.20

lord rainbow

  • Gast