Auteur Topic: Jhana's, niveaus van meditatie  (gelezen 5873 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline Winnetoe

  • Verspreider van inzicht
  • ***
  • Berichten: 160
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
Jhana's, niveaus van meditatie
« Gepost op: 09-06-2006 17:53 »
Hallo,

In de Majjhima Nikaya kan meen veelvuldig het woord jhana lezen. Door veel boeddhisten wordt jhana gelezen als een toestand van trance of zeer krachtige concentratie die zo sterk is dat ze alle afleidingen (de vijf hindernissen) onderdrukt.

Jhana's zijn niet veel meer dan niveau's van meditatie. Jhana's zijn
gemoedstoestanden die de Boeddha vele malen prees in bijna elka sutta.
De jhana's ontwikkeld men op natuurlijke wijze als men mediteert zoals beschreven in MN 118:

1. Merk dat de geest niet meer op het object der meditatie is
gericht. Je hebt nu allerlei gedachten.
2. Laat de gedachten los, besteed er simpelweg geen aandacht meer
aan. Laat de gedachten eenvoudigweg daar zijn.
3. Merk op dat er spanning is in het lichaam (en specifiek je
hoofd). Iedere gedachte brengt (subtiele) spanning met zich mee
4. Laat deze spanning los door de gespannen spieren te onstpannen.
Voel hoe je geest zich verruimd als je de spanning in je hoofd loslaat.
Het lijkt alsof de geest een stapje terug zet. Hierna zijn er geen
gedachten meer in de geest. De geest is nu uiterst alert en kalm.
5. Breng een glimlacht op je gezicht, een richt deze alerte geest
rustig terug naar het object der meditatie.

Het object der meditatie kan de ademhaling (het in en uit ademen en
ontspannen van het lichaam) of Metta (het voelen van een wens van liefde
in je hart voor je spirituele vriend/vriendin) zijn.

Als men afgeleid wordt tijdens de meditatie zal men merken dat de geest
niet direct op het object der meditatie blijft, maar dat ben het
bovenstaande proces verscheidene malen zal herhalen. Men gaat als een
ping-pong bal heen en weer tussen het object der meditatie. Telkens als
men echter de bovenstaande stappen herhaald wordt de afleiding zwakker.
Totdat men uiteindelijk de afleiding werkelijk loslaat.

Op dit moment zal men een opluchting ervaren. De geest wordt erg
opgewekt en men zal een energieke vorm van blijdschap ervaren. Als de
blijdschap wegebt (wat zeker zal gebeuren) voelt men zich enorm
comfortabel in het lichaam. De geest blijft zonder veel problemen op het
object der meditatie. Als men een geluid hoort bijvoorbeeld laat de
geest dit makkelijk los. Het lichaam zal kalm aanvoelen zonder enige
spanning. Dit is de eerste jhana.

Als men de aandachtigheid verliest zal men merken dat er weer een
afleiding is en dat men niet meer in de Jhana is. Het ping pong
spelletje tussen gedachten en object der meditatie begint nu weer. Maar
men gaat rustig verder met het uitvoeren van de stappen 1-5. Als men
wederom de afleiding werkelijk loslaat verdiept de geest zich verder.
Wederom ervaart men een grote opluchting. De energieke blijdschap van
de eerste jhana neemt wat af en men zal nu een vorm van blijdschap
ervaren die een stuk kalmer is. De geest voelt verenigd en wederom is
het eenvoudig om de aandacht op het object der meditatie gericht te
houden. Men begint nu ook overtuigd te geraken dat de leer van de
Boeddha werkelijk iets te bieden heeft. Men begint vertrouwen te
ontwikkelen dat de meditatie methode (beschreven hierboven) werkelijk
werkt.

Als men even niet oplet (wat zal gebeuren) valt de geest uit de jhana en
is er wederom een afleiding. Het spel begint opnieuw! Maar gesterkt door
het vertrouwen in de meditatie gaat men door met het uitvoeren van de
bovenstaande stappen. Als men de afleiding loslaat verdiept de geest
zich weer. De geest ontwikkeld zich verder en het gevoel van blijdschap
is te grof. In plaats daarvan ontwikkeld de geest een sterk gevoel van
balans. Balans is een apart gevoel waar we in ons dagelijks leven
meestal niet zo aan gewend zijn. De geest laat zich niet makkelijk meer
van het object der meditatie brengen. Op dit moment begint men zeer veel
spanning in het lichaam te verliezen en kan het lijken alsof het lichaam
verdwijnt. Het kan bijvoorbeeld aanvoelen dat je hoofd op de vloer ligt,
of dat je je handen niet meer voelt. Echter als iemand je aan zou raken
dan zou je dit wel voelen. De geest is bijzonder alert, maar gaat niet
meer aan de haal met sensaties die zich voordoen.

Als de aandachtigheid verzwakt zal men weer uit de jhana vallen. Men kan
weer van voor af aan beginnen ;-). Als de geest zich wederom verdiept
zal men nog sterkere balans ervaren. Men zal geen spanning meer in het
lichaam ervaren (het lijkt of het lichaam er niet meer is). Men zal
merken dat het object der meditatie (in geval van Metta) zich zal
verplaatsen in het lichaam. De geest is nu enorm gebalanceerd. De geest
is nu zo snel dat men nu zelfs afleidingen kan loslaten alvorens
gedachten gevormd zijn. Wat voor gevoel, hoe vervelend of plezant het
ook mogen zijn, de geest kan het eenvoudig weg laten zijn voor wat het is. Er is nu geen verzet meer tegen wat er ook opkomt in de geest. De geest is
nu gereed voor het ontwikkelen van een van de drie paden naar
verlichting.

Op dit moment maakt men een keuze (meestal tezamen met een leraar):

1) Het doorgaan met deze meditatie. De student verdiept zijn
meditatie verder en zal nu de arupajhana's ontwikkelen. Dit zijn de
onstoffelijke jhana's. Deze zijn zo genoemd omdat deze jhana's volledig
geestelijk zijn. Spanning zal nu nog slechts in het hoofd optreden. Men
gaat door eigen ervaring zien wat er gebeurt voordat een gedachte
volledig tot leven komt.
2) Het ontwikkelen van het herinneren van vorige levens. Dit is
een andere vorm van meditatie. Het is erg belangrijk dat men hiermee
niet aanvangt alvorens men de vierde jhana vrij goed heeft ontwikkeld.
De reden hiervoor is vrij eenvoudig. Het herinneren van vorige levens
kan bijzonder onplezant zijn en als men niet oplet is het eenvoudig voor
de geest om met deze herinneringen aan de haal te gaan. Men heeft de
balans van de vierde jhana nodig om dit soort zaken eenvoudig los te
laten. Het idee is dat men ziet dat Karma een realiteit is, en dat men
patronen ziet die zich telkens voordoen in de levens van de beoefenaar.
3) Het ontwikkelen van spirituele krachten. Op dit moment gaat men
werken met zgn. Kasina's, dit is wederom een andere vorm van meditatie.
Het idee is dat men krachten ontwikkeld zoals het lopen over water, het
aanwezig zijn op meerdere plaatsen tegelijk etc. Ik weet hier erg
weinig over.

Alle wegen leiden uiteindelijk tot een nibbana. Het is aan de student om de
weg te kiezen die het makkelijkste is voor hem/haar. Mensen met een
meer intellectuele neiging hebben minder moiete met het eerste pad,
terwijl mensen die erg gevoelig zijn meer gemak hebben met de tweede
weg. Sommige mensen zullen aanleg hebben tot het ontwikkelen van
spirituele krachten. Meestal manifesteren dit soort zaken zich vanzelf
naarmate men de geest verfijnd.

Groeten,
Erwin.
« Laatst bewerkt op: 06-02-2011 21:06 door Katinka - Boeddha hoekje »
Hatred can never be overcome by hatred. Hatred can only be overcome by love!

Offline JG888

  • Verspreider van inzicht
  • ***
  • Berichten: 158
    • Bekijk profiel
Re:Jhana's, niveaus van meditatie
« Reactie #1 Gepost op: 05-06-2012 22:37 »
Heel erg mooi beschreven! Zijn dit alle niveaus van meditatie?
Over het pad lezen, praten en horen dient enkel ter motivatie & ter verduidelijking van het pad en de beoefening. Het gaat om de beoefening en dus de directe ervaring waardoor er begrip en wijsheid ontstaat. Ga geduldig door met de beoefening zonder verwachtingen en geleidelijk zal je meer begrijpen

Basho

  • Gast
Re:Jhana's, niveaus van meditatie
« Reactie #2 Gepost op: 06-06-2012 20:25 »
In het Boeddhisme worden vier Jhanas (Pali) of Dhyanas (Sanskriet), gebaseerd op het meditatieproces dat Gautama de Boeddha zelf doorliep en dat via realisatie uitmondde in zijn Verlichting. Dit wordt een absorptietoestand van het bewustzijn genoemd, die in het algemeen teweeg wordt gebracht door concentratie op een materieel of immaterieel meditatieobject. Vaak wordt hiervoor de ademhaling gebruikt; het volgen hiervan. Wordt men in de meditatie (innerlijk) afgeleid, keert men telkens opnieuw terug naar het object van meditatie.

In het eerste stadium voelde de Boeddha zich (in de afzondering) in Uruvela volgens zijn eigen beschrijving, ik citeer:
“vrij […] van storende objecten, die het voorwerp van verlangen zouden kunnen zijn, en vrij van onheilzame mentale toestanden als haat en begeerte, waardoor een gevoel van lichamelijk welbehagen en vreugde zich van hem meester maakten. Zó had hij zich destijds ook gevoeld onder de boom aan de rand van het veld, toen hij naar zijn vader keek.
   Denken en overwegen werden geleidelijk minder en er ontstond een toestand van innerlijke rust, waarbij zijn geest op één punt gericht was. Het lichamelijk welbehagen en het gevoel van vreugde, nu ontstaan uit concentratie, duurden voort. Dit noemde hij het tweede stadium van meditatie, dat geleidelijk door het verdwijnen van het gevoel van vreugde overging naar het derde stadium, waarin hij alleen nog maar het lichamelijk welbehagen en de concentratie van de geest ervoer. Toen ook het besef van het lichaam verdween, bleef er alleen nog een ervaring van volmaakte gelijkmoedigheid en zuivere bewustheid over, vrij van vreugde en leed. Deze toestand werd door hem later als het vierde stadium aangeduid. Door het successievelijk wegvallen van de denkprocessen en gevoelens had hij een diepgaande transformatie van zijn geest bereikt, een toestand van uiterste helderheid en stabiliteit.” (citaat: Jan de Breet & Rob Jansen: “Digha-Nikaya, De verzameling van lange leerredes”, Asoka Rotterdam 2001, blz. 16).

Door de vier stadia van meditatie te doorlopen, vallen de stromingen van de hartstochten langzaam maar zeker weg. De vijf belemmeringen worden in dit proces opgeheven of zelfs geëlimineerd. Deze vijf hindernissen zijn:

-   zintuiglijke verlangens (kāmacchanda);
-   kwaadwil (vyāpāda);
-   traagheid en luiheid (thīna-middha);
-   rusteloosheid, zich zorgen maken (uddhaccakukkucca);
-   twijfel (vicikicchā).

Over het realiseren van (zelfs) het eerste meditatiestadium kan men niet te licht denken. De Boeddha heeft namelijk in de Upakkilesa-Sutta minutieus beschreven, welke moeite hij zelf heeft ondervonden, om deze eerste absorptie te “bereiken”. Gautama de Boeddha heeft zelfs Moggallana en Anuruddha, die toch de andere monniken ver overtroffen in concentratievaardigheid, door persoonlijke tussenkomst moeten helpen om ‘slechts’ dit eerst meditatiestadium te kunnen realiseren. Het vereist blijkbaar veel meditatievaardigheid.

De Jhanas worden in het Boeddhisme echter niet beschouwd als het uiteindelijke doel van de praktijk van de meditatie. Het zou slechts een middel zijn tot het “doel” van Nirvana. Het realiseren van de Jhanas zou tevens leiden tot bovennatuurlijke krachten, zoals het zich herinneren van vorige levens, de verwerving van magische krachten, het hemels oog en hemels oor, enzovoort. Het is echter zeer belangrijk in gedachten te houden, dat het eventuele vermogen van het verkrijgen van bovennatuurlijke krachten altijd moet worden ingezet voor het heil van de mensheid, van het helpen van anderen. En nooit voor strikt persoonlijke doeleinden. Ik herinner hier in het bijzonder aan de talloze verhalen uit Oost en West van magiërs, die roemloos ten onder gingen aan de door hun verworven krachten, die zich uiteindelijk op negatieve wijze tegen zichzelf keerden toen ze die magie aanwendden ter eigen glorie.

In de Latukikopama-Sutta waarschuwt de Boeddha in het bijzonder voor de storende effecten van de meditatiestadia. Het vlot moet namelijk (metaforisch beschouwd) worden aangewend om de stroom over te steken, niet om erin te blijven hangen of zich eraan te (blijven) hechten. Wanneer men de stroom heeft overgestoken en het land op wandelt, laat men immers het vlot achter. Men blijft het niet met zich meedragen:

   “22. Het eerste meditatiestadium, Udayin, behoort tot het storende, zeg ik. En wat is het dat daarin tot het storende behoort? Het nadenken en overwegen die daarin niet opgehouden zijn, die behoren daarin tot het storende.
   23. Het tweede meditatiestadium, Udayin, behoort ook tot het storende, zeg ik. En wat is het dat daarin tot het storende behoort? De vreugde en het geluk die daarin niet opgehouden zijn, die behoren daarin tot het storende.
   24. Het derde meditatiestadium, Udayin, behoort ook tot het storende, zeg ik. En wat is het dat daarin tot het storende behoort? De gelijkmoedigheid en het geluk die daarin niet opgehouden zijn, die behoren daarin tot het storende.
   25. Het vierde meditatiestadium nu, Udayin, behoort tot het niet-storende, zeg ik.
   26. Het eerste meditatiestadium is niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   27. De monnik die het tweede meditatiestadium binnengaat, is degene die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   28. De monnik die het derde meditatiestadium binnengaat, is degene die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   29. De monnik die het vierde meditatiestadium binnengaat, is degene die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
    30. Welnu, Udayin, een monnik stelt zich voor – na het geheel overstijgen van de voorstelling van vormen, na het ophouden van de voorstellingen van weerstand, na het uitschakelen van de aandacht voor de voorstelling van de veelheid der dingen – dat de ruimte oneindig is en betreedt zo de sfeer van oneindigheid van de ruimte, en verblijft erin. Hij is iemand die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   31. Welnu, een monnik stelt zich voor - na de sfeer van oneindigheid van de ruimte geheel overstegen te hebben – dat het bewustzijn oneindig is en betreedt zo de sfeer van oneindigheid van het bewustzijn, en verblijft erin. Hij is iemand die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   32. Welnu, een monnik stelt zich voor – na de sfeer van oneindigheid van het bewustzijn geheel overstegen te hebben – dat er niets is en betreedt zo de sfeer van nietsheid en verblijft erin. Hij is iemand die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   33. Welnu, een monnik betreedt – na de sfeer van nietsheid geheel overstegen te hebben – de sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling en verblijft erin. Hij is iemand die het overstijgt. Dit is ook niet genoeg. Geef het op. Overstijg het, zeg ik. En wie is degene die het overstijgt?
   34. Welnu, na de sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling geheel overstegen te hebben bereikt een monnik het ophouden van voorstelling en gevoel en verblijft erin. Hij is iemand die het overstijgt. Zo spreek ik zelfs over het opgeven van de sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling.” (citaat: Jan de Breet & Rob Jansen: “Majjhima-Nikaya, De verzameling van middellange leerredes”, Asoka Rotterdam 2004, blz. 159-160).

Veel wijsheid toegewenst,

Basho :)
« Laatst bewerkt op: 06-06-2012 20:47 door Basho »