Auteur Topic: Dana, geven - 01 . Het belang van geven  (gelezen 1473 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Dana, geven - 01 . Het belang van geven
« Gepost op: 23-04-2016 06:35 »
Dana, geven -01. Het belang van geven

   In de leer van de Boeddha wordt dana, geven, vrijgevigheid als een grote deugd omschreven. In Thailand staat de deugd van geven, vooral geven aan de Sangha, hoog aangeschreven.
   
   Een belangrijke leerrede voor leken is het Maha mangala sutta, de leerrede over de grootste zegeningen (Sn. vv. 258-269). Als zegening nr. 6. wordt er genoemd edelmoedig en vrijgevig te zijn.

   Ook elders sprak de Boeddha over het belang van geven.

It.26. Geven - Dāna Sutta
   De Boeddha sprak: "Als de wezens het loon voor het verdelen van gaven zouden kennen zoals ik, dan zouden zij niets   genieten zonder iets ervan gegeven te hebben; en de smet van gierigheid zou hun hart niet omsponnen houden. Zelfs de laatste hap, de laatste brok zouden zij niet genieten zonder daarvan uit te delen indien zij een ontvanger ervoor hadden. Maar omdat de wezens het loon voor het uitdelen van gaven niet zo kennen zoals ik, daarom genieten zij ook zonder iets gegeven te hebben; en de smet van de gierigheid houdt hun hart omsponnen.

Als, zoals de Grote Ziener zegt,
het loon van het geven van gaven
en hoe groot de vrucht ervan is,
aan de wezens bekend was,

dan vermeden zij de smet van gierigheid
en gaven zij met heel opgewekt gemoed
aan de edelen, wanneer het passend was,
daar waar de vrucht het grootste is.

Degenen die rijkelijk voedsel gaven,
een offer voor de waardigen,
die mensen gaan na de dood
als gevers naar de hemel.
 
In de hemel verheugen zij zich
in het wensgenot van het loon
van degene die gaven gaf,
omdat zij hier niet gierig waren.
 
*

S.III.20  Goede werken
   Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens.

*

It.60. Verdienste - Puññakiriyavatthu Sutta
   De volgende drie dingen zijn een basis voor verdienste, namelijk:
het geven is een basis voor verdienste;
de deugdzaamheid is een basis voor verdienste;
de wijsheid is een basis voor verdienste.

Oefent u in verdienste,
in de beste vaardigheid naar welzijn.

Ontwikkel geven, juist gedrag
en een liefdevol gemoed.

Wie deze drie dingen koestert
die enkel met welzijn gezegend zijn,
hij of zij komt als wijze daardoor
in een veilige wereld die vol welzijn is.

*

   Ook aan Anathapindika heeft de Boeddha uitgelegd dat goede werken en edelmoedigheid veel aangename dingen brengen.


A.V.43.   Vijf gewenste dingen  - Ittha Sutta

   De Verhevene zei tot Anâthapindika:
   "Er zijn vijf gewenste, begeerde, aangename dingen, die moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk: 1) een lang leven, 2) schoonheid, 3) geluk, 4) eer en 5) hemelse wedergeboorte.
   Niet door gebeden en geloften verkrijgt men die vijf aangename dingen. Want als men ze door gebeden en geloften kon verkrijgen, wie zou dan ervan afzien?
   (1) Het is niet passend voor de edele volgeling die een lang leven wenst, dat hij daarom smeekt, daarin behagen vindt of er hevig naar verlangt. Om een lang leven te krijgen moet de ernaar strevende edele volgeling het pad volgen dat naar een lang leven voert. Want als hij dat pad volgt, zal hij een hoge ouderdom bereiken; en hij zal een lang leven krijgen, zij het in de hemel of als mens.
   (2-4) Het is niet passend voor de edele volgeling die schoonheid wenst, geluk wenst, eer wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om die dingen te verkrijgen moet hij het ernaartoe voerende pad begaan. Wanneer hij dat ernaar toe voerende pad begaat, dan zal hij schoonheid, geluk, en eer bereiken. Schoonheid, geluk en eer zal hij krijgen, zij het hemelse of menselijke.
   (5) Het is niet passend voor de edele volgeling die hemelse wedergeboorte wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om hemelse wedergeboorte te verkrijgen moet hij het ernaar toe voerende pad begaan. Wanneer hij over dat ernaar toe voerende pad gaat, dan zal hij hemelse wedergeboorte bereiken. Een leven in de hemelse
werelden zal hem ten deel vallen.

   Wie een lang leven wenst, schoonheid, wie naar eer en roem begeert en ernaar streeft, en ook wie naar hemels geluk en hoge stand streeft, wie zulke hoge goederen verlangt voor zich, hem geven wijzen deze goede raad:
   Men moet zich met ernstig streven oefenen in goede werken en in edele daden. Als men zo als een wijs man serieus streeft, zal men tweevoudig heil voor zich verwerven: in deze wereld en ook in het toekomstige bestaan.    
   Wie zo op zijn heil bedacht is, hem noemt men een wijze man.

   [NB. Dit geldt natuurlijk ook voor vrouwen].

*

S.III.19 voordelen van geven

   Een goed persoon met rijkdom verheugt zich over geven, over het delen van zijn bezit. En hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de samanas en brahmanen brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel voert. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de koning, noch door rovers, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd. (vgl. A.IV.61)

*
   Het geven begint al met het navolgen van de vijf regels van goed gedrag. Die vijf regels zijn in het kort: niet doden; niet stelen; zich onthouden van verkeerd seksueel gedrag; niet liegen; zich onthouden van alcoholische drank en drugs door welke onoplettendheid veroorzaakt wordt.
   Door die regels na te volgen geeft men veiligheid en zekerheid en neemt men angst weg. Men krijgt vertrouwen en schenkt vertrouwen.

   Maar vruchtbaarder dan het geven van materiele zaken is als men met een hart vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de heiligen, en als men de vijf regels van deugdzaamheid naleeft. (A.IX.20).

   Ook elders zei de Boeddha dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft. Als men edelmoedig is, vrijgevig, graag aan behoeftigen gaven geeft, dan verkondigen in alle hemelsrichtingen de asceten en priesters hun lof, en ook de godheden en bovenmenselijke wezens verkondigen hun lofprijzing. (A.III.80) En hij sprak het vers: "de geur van tagara, van jasmijn of van sandelhout gaat met de wind mee, waait niet tegen de wind in; maar de geur van de goeden waait tegen de wind in. De geur van de goede mens waait in elke richting." (A.III.80 en Dhp.54) 
*
   Uitvoeriger is in de volgende leerrede beschreven dat het nemen van de toevlucht tot de Verhevene, tot zijn leer en tot de gemeenschap van  monniken, en het navolgen van de vijf regels grote verdiensten geeft.

*

A.VIII.39 De acht stromen van verdienste
   Er zijn acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame, Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die acht stromen zijn:
 
   De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.

   Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste.

   Er zijn vijf gaven, grote gaven die bekend zijn als oorspronkelijk, aloud, traditioneel, niet verminderd in hun waarde nu zoals ook vroeger. Ze zijn niet in waarde gedaald en zullen gelijk in waarde blijven, onberispt door asceten en priesters met inzicht. Die vijf gaven zijn:

   De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de eerste gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vierde stroom van verdienste.

   Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de tweede gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de vijfde stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de derde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zesde stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vierde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de zevende stroom van verdienste.

   De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde gave, bekend als oorspronkelijk en traditioneel. En het is de achtste stroom van verdienste.

   Dat zijn de acht stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, voeren naar de hemel, voeren naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen.
(vgl. A.IV.51 en A.V.45)

*
   Er zijn vijf soorten meesterschap, en wel: meesterschap in vertrouwen, deugdzaamheid, weten, vrijgevigheid en wijsheid. (A.V.91)

*
   Dat deugdzaam gedrag, waartoe ook geven behoort, veel verdienste brengt en ware rijkdom, toont o.a. het Nidhikanda Sutta. Het is het 8e gedicht in het Khuddhakapāta. Het gaat over het opslaan van ware rijkdom. Wereldlijke rijkdom is vergankelijk; de verdiensten die men verworven heeft in dit leven, gaan mee naar het volgende leven.

De verborgen schat
   Iemand verbergt een schat in een zeer diepe kuil met de gedachte: "Als in de toekomst nood komt, zal hij mij van nut zijn. Als ik door de koning aangeklaagd word of door een dief ben bestolen, of tot aflossing van een schuld, of in dure tijden en tegenslagen."
   Dat zijn de redenen waarom men iets wat in de wereld een schat genoemd wordt, verbergt.
   Te zelfder tijd echter is de hele schat die in de diepe kuil verborgen ligt, deze man van geen enkel nut.
   Ofwel verdwijnt de schat van zijn plaats of de gedachten van de man worden verontrust. Of slangengeesten (nāgā) verwijderen hem, of demonen (yakkhas) nemen hem weg.
   Of zijn vijanden en erfgenamen nemen de schat mee wanneer hij het niet ziet. Wanneer de morele verdienste uitgeput is, verdwijnt dit alles.
   Maar er is een goed verborgen schat die vrouwen en mannen bezitten op grond van hun weldadigheid, zelfdiscipline en beheersing. 
   In de heilige schrijn (cetiyamhi), in de gemeente, in het individu, in de vreemdeling, in moeder en vader of in de oudste broer is deze onneembare schat, een trouwe begeleider, goed verborgen.
   Wie de vergankelijke dingen heeft opgegeven, neemt hem [bij de dood] met zich mee.  Een schat die niet met anderen gedeeld wordt, die dieven niet kunnen stelen.
   Moge de standvastige goede werken doen; dit is de schat die hem begeleidt.
   Deze schat geeft aan goden en mensen alles wat zij verlangen; alles wat zij wensen wordt erdoor verkregen.
   Bekoorlijkheid, een klankvolle stem, schoonheid en een mooie gedaante, macht en glans; alles wordt erdoor verkregen.
   De heerschappij over een land, koninklijke waarde, het aangename geluk van wereldheerschappij en ook godenheerschappij bij de hemelse wezens; alles wordt erdoor verkregen.
   Menselijk geluk, iedere vreugde in de godenwereld en het volledige bezit van nibbana: alles wordt erdoor verkregen.
   Weten, bevrijding, zelfbedwang, nadat men, wijze levend, goede vrienden voor zich heeft gewonnen, wordt alles erdoor verkregen.
   De analytische kennis (patisambhidā), de bevrijdingen (vimokkhā), alle deugden van een heilige discipel, de Verlichting voor zich zelf en het niveau van een Boeddha: alles wordt erdoor verkregen.
   Zo is die schat, namelijk het bezit van morele verdienste, van grote magische kracht. Daarom prijzen de standhaftigen, de kundigen, de toestand van morele verdienstelijkheid.

*

A.IV.32.  De  vier gunsten
   Er zijn vier gunsten, namelijk geven, liefdevolle woorden, hulpvaardig gedrag en blijk geven van gelijkheid [met anderen]. (dit is gelijkmatig gedrag, onpartijdigheid, deelname aan vreugde en verdriet).
   "Geven, en ook zachtmoedige woorden, behulpzaam gedrag in deze wereld, broederlijkheid in alle dingen, hier en daar, waar het passend is, houden deze wereld bijeen, zoals de assen van een wagen.
   Als die gunsten er niet waren, zouden de kinderen voorwaar hun vader en hun moeder geen achting en eer betonen. Maar omdat de wijze deze gunst in de praktijk brengt, daarom verwerft hij echte grootte, en hem wordt ook lofprijzing ten deel.
   (De vier gunsten worden ook vermeld in A.IV.253, A.VIII.24 en A.IX.5)

   In A.IX.5 worden zij nader beschreven:

   Het beste van geven is de gave van de leer.
   Het beste van vriendelijke woorden is het iemand die ernaar verlangt en ernaar luistert steeds weer de leer te onderwijzen.
    Het beste hulpvaardig gedrag is degene zonder vertrouwen aan te moedigen tot het verkrijgen van vertrouwen en hem daarin te sterken en te vestigen; de zedeloze aan te moedigen tot het verkrijgen van deugdzaamheid en hem daarin te sterken en te vestigen; de gierigaard aan te moedigen tot het verkrijgen van vrijgevigheid  en hem daarin te sterken en te vestigen; degene zonder inzicht aan te moedigen tot het verkrijgen van wijsheid en hem daarin te sterken en te vestigen.
   Het beste blijk geven van gelijkheid is zich als een in de stroom getredene gelijk te noemen met een [andere] in de stroom getredene, zich als eenmaal wederkerende gelijk te noemen met een [andere] eenmaal wederkerende, zich als niet meer wederkerende gelijk te noemen met een [andere] niet meer wederkerende, zich als heilige gelijk te noemen met een [andere] heilige.
   Dit is de kracht van gunsten.

*
   Als de gunsten niet aanwezig zijn, kan ondankbaarheid het loon van geven zijn.

S.VII.14. Ondankbare kinderen
   Te Savatthi. De rijke brahmaan Dhanapala had uit goedheid zijn hele vermogen geschonken aan zijn vier zonen. In armoedige kleding ging hij naar de Verhevene die hem vroeg waarom hij zo armoedig gekleed was. De brahmaan vertelde dat hij door zijn zonen en hun vrouwen uit het huis gejaagd was. De Boeddha zei toen dat de brahmaan in de bijeenkomst als ook zijn zonen aanwezig waren, het volgende moest zeggen:
   "Ik verheugde me over hen toen zij geboren werden. Ik wenste hun bestaan. Zij en hun vrouwen jagen me weg. De bozen spreken me aan met "vadertje" maar zij, duivel in de gestalte van zonen, laten de oud gewordene in de steek. De grijze vader moet aalmoezen zoeken in de huizen van anderen. De stok is voor mij beter dan deze ontaarde zonen. Met de stok kan ik een woedende os of hond wegjagen, ik voel ermee of er een kuil is, en ik houd me ermee op de been als ik struikel."
    De brahmaan zei die woorden in de bijeenkomst van de brahmanen en zijn zonen brachten hem terug in het huis, gaven hem een bad en gaven hem goede gewaden.
   De brahmaan gaf gewaden aan de Boeddha die ze uit mededogen aannam. De brahmaan werd een lekenvolgeling van de Verhevene.

*

S.I.44.  Redden door geven
   Te Savatthi. Een devata kwam naar de Boeddha en zei dat de wereld in brand staat door ouderdom en dood. Redden moet men door geven; want wat als aalmoes gegeven wordt, is wel gered. Wat gegeven wordt, heeft geluk als loon. Dat is niet zo met wat niet gegeven wordt. Dieven of de koning nemen het weg. Door vuur wordt het verbrand, het gaat te gronde. En tenslotte geeft men het leven op samen met alle bezittingen. Wie dat wijs inziet moet vol vreugde geven. Zonder terechtwijzing gaat hij naar de hemel.
 
* * * * *
« Laatst bewerkt op: 23-04-2016 15:20 door DirkJan »