Auteur Topic: Dana, geven - 07. Juist gebruik van bezit  (gelezen 1393 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Dana, geven - 07. Juist gebruik van bezit
« Gepost op: 23-04-2016 07:40 »
Dana, geven - 07. Juist gebruik van bezit


A.IV.61  Over het juiste gebruik van het bezit - Pattakamma Sutta
   De Verhevene zei tot Anathapindika: “Vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden zijn moeilijk in de wereld te verkrijgen, namelijk:
1. Dat iemand op terechte manier rijkdom krijgt.
2. Dat, wanneer men op terechte manier rijkdom verkregen heeft, iemand eer ondervindt samen met zijn verwanten en bekenden.
3. Dat, wanneer men op terechte manier bezit en samen met verwanten en bekenden eer verkregen heeft, iemand een lang leven, een hoge ouderdom toebedeeld is.
4. Dat, wanneer  men op terechte manier rijkdom en samen met verwanten en bekenden eer gekregen heeft en ook een lang leven, een hoge ouderdom heeft bereikt, - dat men dan na de dood in een hemelse wereld wedergeboren wordt.
   
   Vier eigenschappen voeren naar het verkrijgen van deze vier omstandigheden die zo moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk:
• Meesterschap in het vertrouwen;
• Meesterschap in de deugdzaamheid;
• Meesterschap in de vrijgevigheid; en
• Meesterschap in de wijsheid.

   Wat is meesterschap in het vertrouwen?
• Daar bezit de edele volgeling vertrouwen, hij gelooft aan de Verlichting van de Volmaakte, aldus: “Waarlijk, dit is de Verhevene, hij is de heilige, de volmaakt Verlichte, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die leiding nodig hebben, de meester van goden en mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.”
   Dat noemt men meesterschap in het vertrouwen.

   Wat nu is meesterschap in de deugdzaamheid?
• Daar onthoudt de edele volgeling zich van het vernietigen van leven; onthoudt zich van het nemen wat niet is gegeven;
onthoudt zich van onjuist gedrag in de zintuiglijke lusten;  onthoudt zich van leugens; onthoudt zich van het genot van bedwelmende middelen die oorzaak zijn van onverschilligheid.
   Dat noemt men meesterschap in de deugdzaamheid.

   Wat nu is meesterschap in de vrijgevigheid?
• Daar leeft de edele volgeling thuis met een gemoed dat vrij is van de ondeugd van gierigheid. Hij is vrijgevig en geeft met open handen. Hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.
   Dat noemt men meesterschap in de vrijgevigheid.

   Wat nu is meesterschap in wijsheid?
• Wiens gemoed door ongeremde begerigheid beheerst wordt,
die doet wat hij niet zou moeten doen, en wat hij moest doen,  dat laat hij achterwege. Wanneer hij dan doet wat hij niet zou moeten doen, en achterwege laat wat hij moest doen, dan verdwijnen bij hem eer en geluk. Wiens gemoed door ergenis beheerst wordt, - door starheid en matheid, - door opgewondenheid en gewetensonrust, - door twijfel, die doet wat hij niet zou moeten doen, en hij laat achterwege wat hij wel moest doen. In dat geval verdwijnen bij hem eer en geluk.
   Als de edele volgeling de ongeremde begerigheid als een bezoedeling van het gemoed onderkent, dan overwint hij die ongeremde begerigheid, deze bezoedeling van het gemoed. En als hij ergenis, starheid en matheid, opgewondenheid en gewetensonrust, en twijfel heeft onderkent als bezoedelingen van het gemoed, dan overwindt hij die bezoedelingen van het gemoed. En als de edele volgeling deze bezoedelingen van het gemoed als zodanig heeft onderkend en overwonnen, dan geldt hij als groot aan wijsheid, rijk aan wijsheid, met helder inzicht, volmaakt in wijsheid.
   Dat noemt men meesterschap in wijsheid.

   Dit zijn de vier eigenschappen tot verkrijging van die vier gewenste, blijde, aangename omstandigheden die in de wereld moeilijk te verkrijgen zijn.

   Een dergelijke volgeling die zijn bezit verworven heeft door eigen kracht, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op rechtmatige, eerlijke manier, hij verricht daarmee vier goed toegepaste daden, namelijk:
• hij maakt zichzelf ermee gelukkig en tevreden en hij verschaft zich een volmaakt geluk.
• Vader en moeder maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.
• Vrouw en kind(eren), en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volkomen geluk.
• Vrienden en makkers maakt hij gelukkig en tevreden en hij verschaft hen een volmaakt geluk.
   Zo heeft zijn bezit dit eerste doel vervult, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.
   En verder nog, door middel van zijn bezit dat hij door eigen inspanning en op eerlijke manier verworven heeft, wendt de edele volgeling tegenslag af die hem door vuur of water, door de overheid, dieven of vijandige erfgenamen zou kunnen ontstaan; en zo beschermt hij zijn eigen persoon. Zo heeft zijn bezit dit tweede doel vervuld, heeft een goede toepassing gevonden, werd doelmatig gebruikt.
   En verder nog, door middel  van zijn door inspanning en op eerlijke manier verworven bezit brengt de edele volgeling vijf soorten gaven: gaven voor verwanten, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, belastingen aan de overheid, gaven voor de godheden.
   Zo heeft zijn bezit dit derde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   En verder nog: aan de asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en onverschilligheid, die geduld en mildheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven – aan zulke asceten en priesters brengt hij door middel van zijn bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts voerende. Zo heeft zijn bezit dit vierde doel vervuld, heeft een goed gebruik ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   Deze vier goed toegepaste daden verricht de edele volgeling met zijn bezit dat hij door eigen inspanning en vlijt verworven heeft, op rechtmatige, eerlijke manier.

    Bij wie het bezit op een andere manier vermindert dan door deze vier goed toegepaste daden, diens bezit heeft zijn doel niet vervuld, heeft geen goede toepassing gevonden, werd niet doelmatig gebruikt.   
   Maar bij wie het bezit tengevolge van die vier goed toegepaste daden vermindert, diens bezit heeft zijn doel vervuld, heeft een goede toepassing ervan gevonden, werd doelmatig gebruikt.

   “Juist werd mijn goed gebruikt: voor tegenslag hielp het mij behouden en ook mijn personeel en allen onder mijn hoede. Het heeft ook gediend als zeer voortreffelijke gave: vijfvoudige plicht van gaven en dienst aan degenen die rein van deugd, bedwongen, een heilig leven voeren. Tot welke doel een verstandige, in huis levende, voor zich bezit wenst, dat doel heb ik waarlijk bereikt, gedaan wat nooit spijt brengt.”
   Als een mens dit wijs overdenkt, iemand die vast tot de edele leer houdt, dan krijgt hij hier de lofprijzing van de wijzen en daar de hemelse zaligheid.
(vgl. ook A.V.58)

*

A.V.63-64.    Edele vooruitgang   I-II

   Een edele volgeling(e) die in vijf dingen een vooruitgang maakt, die maakt een edele vooruitgang, kiest voor zich het meest waardevolle en het beste.
   Die vijf dingen zijn: de vooruitgang in vertrouwen, in deugdzaamheid, in weten, in vrijgevigheid en in wijsheid.
   Vertrouwen, deugdzaamheid, ook vooruitgang in ontzegging, in weten en in wijsheid, zo’n deugdzame lekenvolgeling(e) die rein van zeden is, bereikt al in dit leven wat wezenlijk is.

*

A.V.41 Juist gebruik van vermogen - Âdiya Sutta
   De Verhevene zei tot Anathapindika:
   "Het bezit kan op vijf manieren gebruikt worden, namelijk:
   Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij zichzelf gelukkig en tevreden en bewaart hij voor zich een volkomen welzijn. En vader en moeder, vrouw, kind(eren) en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij bewaart voor hen een volkomen welzijn.
   Verder maakt de edele volgeling met dit bezit vrienden en goede kennissen gelukkig en tevreden en bewaart voor hen een volkomen welzijn.
    Verder wendt de edele volgeling met dit bezit ongeluk af, dat hem door vuur of water, door de overheid, dieven of door hatelijke erfgenamen kan ontstaan. Zo beschermt hij zijn eigen persoon.
   Verder brengt de edele volgeling met dit bezit vijf soorten uitgaven: gaven voor familieleden, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, uitgaven aan de overheid, gaven voor de godheden.
   Verder geeft hij met dit bezit geschenken aan die asceten en priesters die vrij zijn van bedwelming en luiheid, die geduld en verdraagzaamheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven, aan zulke asceten maakt hij met dit bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, geluk producerende, naar de hemel voerende.
   Wanneer nu bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit afneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij wordt mijn bezit kleiner.” Hij is daarbij zonder spijt.
   En wanneer bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit  op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit toeneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij neemt mijn bezit toe.”  Hij is zo daarbij op tweevoudige wijze vrij van spijt."

*

Ongeveer hetzelfde is onderwezen in de volgende leerrede.

A.V.58.  De zegen van geven
   Eens vertoefde de Verhevene te Vesali in het grote bos, in de hal van het Gevelhuis. In de vroegte kleede hij zich aan, nam oppergewaad en nap en ging naar Vesali voor aalmoezenvoedsel.  Na het rondgaan voor aalmoezen, na het beëindigen van de maaltijd, 's middags, ging hij diep het grote bos in en ging aan de voet van een boom neerzitten om daaar de dag door te brengen.
   Meerdere Licchavi-prinsen echter die toen juist, met gespannen bogen uitgerust en door een meute honden omgeven, in het grote bos rondzwierven, zagen de Verhevene aan de voet van de boom zitten. Zij legden toen de gespannen bogen weg, dreven de honden weg en gingen naar de Verhevene toe. Zij begroetten hem eerbiedig en gingen stil en zwijgzaam zitten met de handpalmen samengevouwen. De Licchavier Mahānāma was toen in de buurt en zag hoe de prinsen stil en zwijgzaam daar neerzaten. Ook hij ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en riep uit: "Zij zullen toch nog goede vorsten van Vajji worden."
   De Verhevene vroeg toen: "Mahānāma, wat bedoel je daarmee?"
   "Heer, deze Licchavi-prinsen zijn wild, onbeschaafd en koppig. Wat er in hun huizen aan zoetigheden gestuurd wordt, zoals suikerriet, bessen, koek en suikergoed, dat nemen zij er weg, eten ervan en bekogelen van achteren de fatsoenlijke vrouwen en meisjes ermee. Maar nu zitten zij stil en zwijgzaam voor de Verhevene met gevouwen handen."
   De Boeddha: "Mahānāma, of het nu een gezalfde koning is of een burger die van zijn vaders erfenis leeft, of een veldheer, een dorpsheer, de voorzitter van een gilde, of iemand die in de stam alleen de leiding heeft, bij welke edele zoon vijf dingen zijn te vinden, daar heeft men zegen te verwachten en geen nadeel. Die vijf dingen zijn:
   Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij geschenken aan zijn ouders, en hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem hun zegen: "Moge je lang leven; moge een lang leven je toebedeeld worden." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.
   Verder geeft de edele zoon met zijn bezit geschenken aan zijn vrouw en kinderen, knechten en arbeiders – hij geeft geschenken aan de buren van zijn veld en van zijn werkplaats, en ook aan de landmeters, - hij geeft geschenken aan de godheden die offers ontvangen, (de beschermgeesten van de familie) - hij geeft geschenken aan asceten en priesters, hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem met goedgunstig hart hun zegen: "Moge u lang leven; moge een lang leven u toebedeeld zijn." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.

   "Werk verichtend voor de ouders
   en liefdevol voor vrouw en kind,
   strekt hij tot zegen voor het gezin
   en voor degenen die hem zijn toevertrouwd.

   De deugdzame, vol grootmoedigheid,
   hij werkt tot welzijn van beiden,
   van de eens gestorven verwanten
   en van degenen die nog in leven zijn.

   Aan de monniken en ook de priesters,
   ja zelfs aan de hemelse wezens
   wordt vreugde gebracht door de wijze man
   die deugdzaam thuis woont.

   Doordat hij goede werken verricht
   wordt lof en eer hem ten deel.
   Hier prijzen hem allen
   en daar bereikt hij hemels geluk."

*

A.IV.62   Het geluk
   De Verhevene sprak tot Anathapindika aldus:
   "Vier soorten van geluk kan het in het genot van de zintuigen levende gezinshoofd af en toe verkrijgen, namelijk:
• het geluk van het bezitten,
• het geluk van het genot,
• het geluk van vrijheid van schulden,
• het geluk van onberispelijkheid.
   
   Het geluk van bezitten bestaat hierin: een zoon uit goede familie bezit schatten die hij door eigen inspanning en vlijt rechtmatig, op eerlijke manier heeft verworven. En hij ondervindt geluk en vreugde bij de gedachte dat hij schatten bezit die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke
manier verworven heeft. Dat is het geluk van bezitten.
   Het geluk van het genot bestaat hierin: een zoon uit goede familie geniet van de schatten die hij door eigen inspanning en vlijt, op eerlijke manier verworven heeft, en hij doet goede werken. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van het genot.
   Het geluk van vrijheid van schulden bestaat hierin: een zoon uit goede familie is niemand iets verschuldigd, noch veel noch weinig. En bij het denken eraan dat hij niemand iets schuldig is, noch veel noch weinig, ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van vrijheid van schulden.
   Het geluk van onberispelijkheid bestaat hierin: een edele jongeling heeft onberispelijke daden verricht in werken, woorden   en gedachten. Bij het denken daaraan ondervindt hij geluk en vreugde. Dat is het geluk van onberispelijkheid.

   Deze vier soorten van geluk kan het gezinshoofd dat in het genot van de zintuigen leeft, af en toe verkrijgen.
   
   Wie daar denkt aan het geluk van de vrijheid van schulden,  en het geluk van het bezitten, wie ook de vreugden van het genot kent, en dat alles wijs onderzoekt, ziet duidelijk het geluk van beide soorten en weet dat dit geluk der wereld geen zestiende waard is van het geluk van onberispelijkheid.

*

A.IV.60.  Het passende pad van de leek
   De Verhevene sprak tot het gezinshoofd Anāthapindika aldus:
   "Door het vervullen van vier voorwaarden gaat de edele volgeling op het passende pad van een leek, welk pad aanzien brengt en naar de hemel leidt. Die vier voorwaarden zijn:
   De edele volgeling verzorgt de gemeenschap van de monniken met kleding; met voedsel; met een slaapplaats; met medicijnen.
   "De mensen met inzicht volgen het passende pad van de leek: de goede en deugdzame bedienen zij met kleding, voedsel en slaapplaats en in geval van ziekte met medicijnen.
   Bij zulke mensen wordt hun zedelijke verdienste dag en nacht voortdurend groter. En wie iets goeds heeft gedaan, stijgt omhoog naar de hemel."

*****