Auteur Topic: De werelden van bestaan  (gelezen 350 keer)

nico70 en 1 gast bekijken dit topic.

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
De werelden van bestaan
« Gepost op: 13-06-2017 14:31 »
DE WERELDEN VAN BESTAAN
 
Inleiding

       Niet iedereen streeft in dit leven naar volledige of gedeeltelijke heiligheid. Maar de Boeddha heeft ons ook de weg gewezen naar gelukkige oorden van bestaan. Want de aarde is niet de enige bewoonde wereld; en mensen zijn niet de enige levende wezens. De wereldsystemen en ook de levende wezens zijn ontelbaar.

       De gelukkige oorden, werelden of sferen van bestaan heten de hemelen. Verder kent het Boeddhisme nog de ongelukkige sferen van bestaan. Al die werelden of sferen zijn niet blijvend. Zij duren niet eeuwig. Een wezen in de meest verschrikkelijke hel (de avīci-hel) en ook de hoogste god is onderworpen aan het feit dat niets blijvend is wat samengesteld is. En verder geldt dat alles wat een begin heeft, ook een einde kent. Alleen de sfeer van Nibbāna is zonder einde, omdat die sfeer niet samengesteld en niet geschapen is.

       Sommige van die werelden van bestaan in het universum zijn op de een of andere manier superieur aan onze aardse wereld en aan het doorsnee menselijk bewustzijn. Maar ze zijn dat niet in alle opzichten. De bewoners van zulke werelden kunnen in verschillende graden machtiger zijn dan menselijke wezens, gelukkiger of met een langere levensduur. Maar zij hoeven niet wijzer dan de mens te zijn.

       Het Boeddhisme leert dat er meer dan 30 werelden van bestaan zijn waarin wedergeboorte mogelijk is. Deze werelden kunnen onderverdeeld worden in (I) drie sferen (loka of avacara), of (II) negen verblijfplaatsen van wezens (sattāvāsa).

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #1 Gepost op: 13-06-2017 19:52 »
1. De drie sferen

    De drie sferen zijn:
1. De zinnelijke sfeer (kāmāvacara); dit is de wereld van de vijf zintuigen.
       Tot de zinnelijke sfeer behoort al wat er bestaat binnen de interval vanaf de avīci-hel tot en met de paranimmitavasavatti-hemel; alles wat in die interval de sfeer heeft, wat erin begrepen is, namelijk de groepen van bestaan, de elementen, grondslagen, lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn.

2. De fijnstoffelijke sfeer (rūpavacara); deze wereld komt overeen met de vier fijnstoffelijke meditatieve verdiepingen (jhanas).
       Tot de fijnstoffelijke sfeer behoort al wat er bestaat binnen de interval vanaf de Brahma-wereld tot en met de akanittha-wereld; alles wat in die interval de sfeer heeft, wat erin begrepen is, namelijk de groepen van bestaan, de elementen, grondslagen, lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en ook bewustzijn en geestelijke factoren bij iemand die de (fijnstoffelijke) meditatieve verdiepingen (jhanas) heeft betreden, of die in die sfeer wedergeboren is, of die reeds gedurende zijn levenstijd in het geluk van de jhanas leeft.
 
3. De onstoffelijke sfeer (arūpāvacara); dit correspondeert met de vier onstoffelijke jhanas. Hierin is helemaal geen lichamelijkheid. Alleen de vier geestelijke groepen bestaan er.
       Tot de onstoffelijke sfeer behoren bewustzijn en geestelijke factoren die ontstaan binnen de interval vanaf de wezens die wedergeboren zijn in de sfeer van onbegrensde ruimte tot en met de wezens die wedergeboren zijn in de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming. Ook behoren ertoe bewustzijn en geestelijke factoren in iemand die de (onstoffelijke) meditatieve verdiepingen heeft betreden of die in die sfeer is wedergeboren, of die reeds gedurende zijn levenstijd in het geluk van de onstoffelijke verdiepingen leeft.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1511
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #2 Gepost op: 13-06-2017 21:04 »
2. De fijnstoffelijke sfeer (rūpavacara); deze wereld komt overeen met de vier fijnstoffelijke meditatieve verdiepingen (jhanas).
       Tot de fijnstoffelijke sfeer behoort al wat er bestaat binnen de interval vanaf de Brahma-wereld tot en met de akanittha-wereld; alles wat in die interval de sfeer heeft, wat erin begrepen is, namelijk de groepen van bestaan, de elementen, grondslagen, lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en ook bewustzijn en geestelijke factoren bij iemand die de (fijnstoffelijke) meditatieve verdiepingen (jhanas) heeft betreden, of die in die sfeer wedergeboren is, of die reeds gedurende zijn levenstijd in het geluk van de jhanas leeft.

Nog wat info: Nina van Gorkom schrijft dat reuk-bewustzijn, smaak-bewustzijn en lichaam-bewustzijn niet voorkomen in de fijnstoffelijke sfeer (Abhidhamma in Daily Life, blz. 133). Er is daar kennelijk wel zien en horen maar dus niet ruiken, proeven en tactiele sensaties zoals van hardheid en zachtheid, koude en warmte, en druk en beweging.

In de onstoffelijke sfeer schijnen geen zintuiglijke gewaarwordingen voor te komen.

groet,
 

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #3 Gepost op: 13-06-2017 23:11 »
Beste Siebe,

Bedankt voor de info. De Abhidhamma bechouw ikzelf als niet canoniek en laat ik dus buiten beschouwing.

groeten
nico

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #4 Gepost op: 14-06-2017 16:09 »
2. De negen verblijfplaatsen
 
   De negen verblijfplaatsen van wezens zijn als volgt:
       1. “Er zijn wezens die verschillend zijn in lichaam en verschillend in gewaarwording, zoals menselijke wezens, sommige hemelse wezens en sommige wezens in de wereld van ellende.

       2. Er zijn wezens die verschillend zijn in lichaam maar gelijk in gewaarwording, zoals de eerstgeboren goden*1] van de Brahma-wereld.

       3. Er zijn wezens die gelijk zijn in lichaam maar verschillend in gewaarwording, zoals de Stralende goden (ābhassara).

       4. Er zijn wezens die gelijk zijn in lichaam en gelijk in gewaarwording, zoals de Alles-verlichtende goden (subhakinha).

       5. Er zijn wezens zonder gewaarwording en zonder gevoel, zoals de onbewuste wezens (asañña-satta).

       6. Er zijn wezens die door het volledig te boven komen van gewaarwordingen van materie (rūpa-sañña), het verdwijnen van gewaarwordingen van zinnelijke reacties (patigha-sañña) en het niet acht slaan op gewaarwordingen van verscheidenheid, bij de gedachte ‘Grenzenloos is ruimte’ wedergeboren worden in de sfeer van grenzenloze ruimte.

       7. Er zijn wezens die door het volledig te boven komen van de sfeer van grenzenloze ruimte, bij de gedachte ‘Grenzenloos is bewustzijn’ wedergeboren worden in de sfeer van grenzenloos bewustzijn.

       8. Er zijn wezens die door het volledig te boven komen van de sfeer van grenzenloos bewustzijn, bij de gedachte ‘Niets is er’ wedergeboren worden in de sfeer van nietsheid.

       9. Er zijn wezens die door het volledig te boven komen van de sfeer van nietsheid, wedergeboren worden in de sfeer van noch-waarneming-noch-niet-waarneming.” (A.IX,24).

       In deze verschillende werelden van bestaan worden wezens wedergeboren al naargelang hun wilsacties vóór het sterven.
___
*1] eerstgeborenen, d.w.z. bij het begin van elke nieuwe wereldformatie.


Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #5 Gepost op: 15-06-2017 20:02 »
3. Onderverdeling van de werelden van bestaan

       De werelden van bestaan kunnen ook nog als volgt worden onderverdeeld:
a) Er zijn vier ongelukkige sferen (vinipāta), ook de vier werelden van lijden (apāya) of de ongelukkige oorden (duggati) genoemd.
b) Hierna komen de zeven gelukkige staten (sugati).
c) Zij worden gevolgd door de elf werelden van de Brahmas.
d) Verder zijn er de vijf Zuivere Verblijven.
e) En tot slot zijn er nog de vier werelden van de onstoffelijke sfeer.
      
       Theoretisch kan men na de dood in een van deze werelden terecht komen. Maar in de praktijk worden weinigen in de hemelen of als mens wedergeboren. Veel meer wezens worden herboren als peta, als dier of in de wereld van de hellen. De verhouding tussen wedergeboorte in een gelukkige sfeer en die in een ongelukkige sfeer is als het stof op de nagel van de vinger van de Boeddha en de grote aarde. (S.V.474-477).
 
       Zelfs degenen die in de Brahma-wereld vertoeven, kunnen als peta, als dier of in een hel wedergeboren worden. Alleen de niveaus van heiligheid beschermen tegen wedergeboorte in een ongelukkige sfeer. (A.II.126-130).
 
       De sferen van bestaan zijn niet allemaal op aparte ruimtelijke plaatsen. Het zijn de bestemmingen. Dieren en mensen leven in dezelfde wereld (de grofstoffelijke sfeer). En de wereld van de lagere hemel, die van de Vier Grote Koningen, strekt zich uit van het oppervlak van de aarde tot de top van de mythologische berg Meru. De wezens in die hemel leven in zekere zin ook in de wereld van de mensen (maar op een ander niveau en fijnstoffelijk). Ook petas kunnen in de wereld van de mensen en van de lagere godheden leven.
       De ongelukkige geesten (petas) en de godheden (devas) zijn niet lichaamloos. Zij allen hebben lichamen in de fijnstoffelijke sfeer. En ook zijn zij of van het mannelijke of van het vrouwelijke geslacht; dus niet alleen mannen of alleen vrouwen.
 

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #6 Gepost op: 16-06-2017 22:02 »
3.1. De vier ongelukkige sferen van bestaan

3.1.1. Het neerwaartse pad
( niraya). Gewoonlijk wordt dit vertaald met ‘hel’. Hierin worden diegenen herboren die zich schuldig hebben gemaakt aan wreedheid, kwellen en doden. Er zijn verscheidene oorden van groot lijden waar wezens de gevolgen ondervinden van hun slechte daden. Hoewel dat lijden erg lang kan duren, is een bestaan in de hel niet eeuwig. Ooit komt er een einde aan. En dan volgt wedergeboorte in een andere sfeer van bestaan. Als resultaat van goede daden die men in het verleden heeft verricht, kan men dan zelfs in de hoogste hemel wedergeboren worden.

    Weinig wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de hel gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden. (S.56.114-119; A.I.33)

   Voor iemand die op het neerwaartse pad, in de afgrond is geraakt, zal het heel lang duren eer hij weer als mens herboren wordt. En wel omdat daar geen juist gedrag is, geen heilzame daden verricht worden. En dat komt omdat de vier edele waarheden niet ingezien worden. (S.56.47-48)

De hel
   Te Savatthi sprak de Verhevene eens:
"Wanneer men terecht van iets kan zeggen: ‘Dat is uiterst ongewenst, uiterst onwelkom, uiterst onaangenaam,’ dan is de hel de plek waarvan men dit terecht kan zeggen, zozeer dat het moeilijk is een gelijkenis voor het lijden in de hel te vinden.”
   Na deze woorden vroeg een bhikkhu aan de Verhevene of men een gelijkenis kan geven.
   De Verhevene zei: “Bhikkhu, dat kan. Stel dat men een betrapte dief pakt en voor de koning brengt om hem te bestraffen. De koning laat hem ‘s morgens met 100 speren doorboren. ‘s Middags is die dief nog in leven en weer wordt hij met 100 speren doorboord. ‘s Avonds is die dief nog in leven en weer wordt hij met 100 speren doorboord. Bhikkhus, wat menen jullie? Zal die man pijn en droefenis voelen wanneer hij met 300 speren doorboord is?”
   “Eerwaarde heer, elke man zou pijn en droefenis voelen wanneer hij met een speer doorboord wordt, te zwijgen van 300 speren.”
   Toen hief de Verhevene een kleine steen op, ter grootte van zijn hand, en richtte zich als volgt tot de bhikkhus:    
   “Bhikkhus, wat menen jullie, wat is groter, deze kleine steen hier of de Himalaya, de koning van het gebergte?”
   “Eerwaarde heer, de kleine steen is niets tegenover de Himalaya; ze kunnen helemaal niet vergeleken worden.”
   “Bhikkhus, juist zo telt de pijn en droefenis niet die iemand zou voelen wanneer hij met 300 speren doorboord werd, vergeleken met het lljden in de hel. Ze zijn niet te vergelijken.
   De wachters van de hel folteren iemand op vele manieren. Men ondervindt pijnlijke, scherpe, pijnigende gevoelens. Maar men sterft er niet eerder dan nadat [de resultaten van] die slechte handelingen uitgeput zijn.
   Bhikkhus, ik zou op veelvuldige manier over de hel kunnen vertellen. Zo veel dat het moeilijk is een gelijkenis voor het lijden in de hel te vinden.” (M.129)


De drie goddelijke boden
- Devadūta Sutta (A.III.36)

   Er zijn drie goddelijke boden:
      Iemand heeft een slecht gedrag in daden, in woorden, in gedachten. Na de dood komt hij in een lagere wereld, op een pad van lijden, in afgronden van bestaan, in de hel. De wachters van de hel nemen hem bij beide armen en brengen hem voor koning  Yama [*1] met de woorden: “ Heer, deze persoon had geen eerbied voor zijn ouders, geen eerbied voor asceten en brahmanen, hij had geen hoogachting voor de oudsten in de familie. Heer, leg hem een straf op.”  En koning Yama vraagt die persoon dan of hij onder de mensen niet de eerste goddelijke bode had gezien. En die persoon zei: “Neen, ik heb hem niet gezien.” 
   Koning Yama zei toen: “Mens, zag je onder de mensen niet een vrouw of een man in hoge ouderdom, 80, 90 of 100 jaren oud, afgeleefd, gekromd, gebukt, leunend op een kruk, met bibberende gang zich voortslepend, ziekelijk, met verwelkte jeugd, met afgebroken tanden en grijs haar, of kaal, met waggelend hoofd, vol rimpels, de ledematen bedekt met vlekken?”
   “Ja, heer, die heb ik gezien.”
       Koning Yama zei toen: “En mens met verstand en oud genoeg, dacht je er toen niet aan, dat ook jij aan ouderom onderworpen bent, dat je ouderdom niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, woorden en gedachten?”
   "Heer, ik was niet ertoe in staat. Ik was lichtzinnig.”
   Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten  goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht  ervan ondervinden.”
   Hierna stelde koning Yama vragen over de tweede goddelijke bode. “Mens, zag je onder de mensen niet de tweede goddelijke bode verschijnen?”
   “Neen heer, ik zag hem niet.” 
   Koning Yama zei: “Mens, zag je onder de mensen niet een vrouw of man, ziek, ellendig, zeer lijdend, zich ronddraaiend in eigen uitwerpselen en urine, die door de een opgericht werd, door een ander weer in bed gelegd werd?”
   “Ja heer, zulke mensen heb ik gezien.”
   En koning Yama zei: “En mens met verstand en oud genoeg, dacht je toen niet dat ook jij aan ziekte onderworpen bent, dat je ziekte niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, woorden en gedachten?”
   “Heer ik was er niet toe in staat, ik was lichtzinnig.”
   Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten  goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht  ervan ondervinden.”
   Koning Yama stelde toen vragen over de derde goddelijke bode. “Mens, zag je onder de mensen niet de derde goddelijke bode verschijnen?” – “Neen heer, ik zag hem niet.” En koning Yama zei: Mens, zag je onder de mensen nooit een vrouw of een man een of twee of drie dagen na de dood, opgezwollen, blauwzwart van kleur, bedekt met etter?”
   “Ja heer, zulke dode mensen heb ik gezien.”
   “En mens met verstand en oud genoeg, dacht je er toen niet aan dat ook jij aan de dood onderworpen bent, dat je de dood niet kunt ontgaan. Dacht je er toen niet aan goed te doen in daden, woorden en gedachten?”
   “Heer, ik was er niet toe in staat, ik was lichtzinnig.” 
   Koning Yama zei: “Mens, uit lichtzinnigheid heb je noch in daden, noch in woorden, noch in gedachten  goed gedaan. Waarlijk, overeenkomstig je lichtzinnigheid zal men het je vergelden. Want die slechte daad werd noch door je moeder, noch door je vader, noch door je broer of zuster, noch door vrienden of kennissen, noch door aan- en bloedverwanten, noch door goddelijke wezens, asceten of priesters begaan. Jij alleen hebt die slechte daad verricht, jij alleen zult de vrucht ervan ondervinden.”
   Daarna zweeg koning Yama.
   De wachters van de hel folterden die mens toen op meerdere manieren. En die persoon sterft er niet voordat die slechte daad is uitgeput. (A.III.36)
--------
[*1] Yama betekent in het Boeddhisme de vorst van de dood of rechter van de doden. Zijn naam betekent niet ‘bedwinger’  zoals in latere tijd is uitgelegd, maar betekent ‘een van een paar’, tweeling’ (geminus), omdat hij volgens voorboeddhistische myhtus het mannelijke deel van het eerste mensenpaar was.
   In het Boeddhisme is Yama de heerser van de Vemānika-Petā, d.w.z. de geesten in de hemelse paleizen. Zij leven gedeeltelijk in hemels geluk, gedeeltelijk in de onderwereld (vinipāta).


 
« Laatst bewerkt op: 17-06-2017 02:07 door nico70 »

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #7 Gepost op: 17-06-2017 23:40 »
3.1.2. De dierenwereld (tiracchana). Hierin worden degenen herboren die tijdens hun leven(s) willens en wetens domheden uithaalden en/of dierlijke verlangens hadden.
 
   "Weinig wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die in de dierenwereld gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden." (S.56.120-125; A.I.33)

   “Bhikkhus, er zijn dieren die zich voeden met gras, met vers of met gedroogd gras, zoals olifanten, paarden, runderen, ezels, geiten, en herten en andere dieren van die aard. Een dwaas die vroeger hier genotzuchtig was en kwade handelingen verrichtte, verschijnt na de dood onder de dieren die zich met gras voeden.
   Er zijn dieren die zich met mest voeden. Zij ruiken mest van verre en rennen erheen met de gedachte dat zij kunnen vreten. Welke dieren voeden zich met mest? Gevederde dieren, zwijnen, honden en jakhalzen en andere dieren van die aard. Een dwaas die vroeger hier genotzuchtig was en kwade handelingen verrichtte, verschijnt na de dood onder de dieren die zich voeden met mest.
   Er zijn dieren die in donkerheid geboren worden, ouder worden en sterven. Welke dieren zijn dat? Motten, maden en wormen, en andere dieren van die aard. Een dwaas die vroeger hier genotzuchtig was en kwade handelingen verrichtte, verschijnt na de dood onder de dieren die in donkerheid geboren worden, ouder worden en sterven.
   Er zijn dieren die in het water geboren worden, ouder worden en sterven. Het zijn vissen, schildpadden, krokodillen en andere dieren van die aard. Een dwaas die vroeger hier genotzuchtig was en kwade handelingen verrichtte, verschijnt na de dood onder de dieren die in het water geboren worden, ouder worden en sterven.
   Er zijn dieren die in vuiligheid geboren worden, ouder worden en sterven. Het zijn de dieren die in een rottende vis geboren worden, ouder worden en sterven, of in een vergaan lijk of in een verdorven poel of in een afvalput of in een riool. Een dwaas die vroeger hier genotzuchtig was en kwade handelingen verrichtte, verschijnt na de dood onder de dieren die in vuiligheid geboren worden, ouder worden en sterven.
   Bhikkhus, ik zou op veelvuldige manier kunnen vertellen over het dierenrijk. Zoveel dat het moeilijk is een gelijkenis voor het lijden in het dierenrijk te vinden.
(M.129)

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #8 Gepost op: 18-06-2017 23:40 »
3.1.3. De wereld van de ongelukkige geesten (petas). Hierin worden zij herboren die krenterig, kleingeestig en gierig waren en die (al te zeer) aan iets gehecht waren. De petas zijn over het algemeen onzichtbaar voor het fysieke oog. Het zijn geen lichaamloze geesten. Ze hebben mismaakte lichaamsvormen van verscheidene grootte. Zij hebben geen aparte sfeer voor zich, maar leven in bossen, smerige omgevingen, op kruisingen van wegen, kerkhoven e.d.
   Yama is de heer van de hellen en van de peta-wereld. Beide werelden samen vormen de wereld van Yama.
   Petas worden soms yakkhas genoemd; maar in feite behoren zij niet tot hen.

   "Weinig wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren bij de mensen of bij de goden. Veel meer wezens die als ongelukkige geesten gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden." (S.56.126-131; A.I.33)

   Eens beschreef de Eerwaarde Mahā Moggallāna de aandoenlijke toestand van een peta: “Toen ik de helling van de Gierepiek afdaalde, zag ik een skelet door de lucht gaan. En gieren, kraaien en valken bleven erachter vliegen, pikten in de ribben ervan en rukten het uiteen. Het skelet uitte daarbij kreten van pijn. En de gedachte kwam op: ‘Het is toch wonderbaarlijk dat iemand zo’n vorm krijgt.’” De Boeddha merkte toen op: “Dat wezen was een veeslachter in zijn voorgaande leven. En als resultaat van zijn vroegere wilsacties werd hij in een dergelijke toestand herboren.”

    Er worden vier soorten petas onderscheiden: de vantāsikas, die zich voeden met braaksel; de khuppipāsino, die honger en dorst lijden; de nijjhāmatatanhikā, die door dorst worden verteerd; en de paradattūpajivino, die leven van de gaven van anderen.

   Volgens het Tirokudda sutta en het Petavatthu delen de laatstgenoemde petas in de verdienstelijke daden die door hun levende verwanten in hun naam worden verricht. Zij kunnen daardoor overgaan naar betere toestanden, naar oorden van geluk.

   De petas kunnen uit hun lijden verlost worden niet door direct aan hen te geven (bijvoorbeeld water aan dorstige peta, voedsel aan hongerige peta, kleren aan naakte peta). Maar wanneer men namens de gestorvene drank, spijzen, of kleren aan de Ariyasangha [of aan anderen] aanbiedt, dan komt dat de betreffende peta ten goede. En hij of zij wordt uit de ongelukkige sfeer bevrijd.

   Als iemand (verwant, vriend, kennis of onbekende) aalmoezen aan de Ariyasangha [of aan anderen] aanbiedt, dan wordt op die manier een goddelijk tegendeel van die gave geschapen. En dat kan dan aan de peta overgedragen worden. Zo wordt de betreffende peta uit zijn/haar ellende verlost en begint het geluk te genieten alsof hij/zij zelf die gave(n) gegeven had.
   Petas leven in dezelfde fijnstoffelijke sfeer als waarin de aardse godheden en de demonen leven.*2] Het verschil tussen petas en godheden is dat de godheden deel hebben aan alle genietingen van die sfeer, terwijl de petas dat niet hebben. De laatsten zijn daarom ongelukkig.
   Er zijn petas die in hemelse herenhuizen vertoeven (vimānapeta); zij genieten er goddelijk geluk, maar periodiek ondervinden zij er pijn en leed.

   Zoals boven reeds vermeld heeft het toeschrijven van een gave aan een peta tot gevolg dat er een goddelijke tegenhanger van komt. En daardoor kan de peta de geneugten van die goddelijke sfeer ten volle genieten. Dit proces is bekend als het overdragen van verdienste. De petas zelf kunnen geen verdienstelijke daad verrichten (zie: M.III.169). Dat kan alleen in de wereld van de mensen en in die van de godheden. Wanneer een gave is gegeven ten behoeve van de petas, dan maken de petas gebruik van de vrucht, van de verdienste ervan.
   Een gave heeft onmiddellijk succes wanneer twee factoren aanwezig zijn: (1) Er moet iemand zijn die waard is donaties te krijgen*3] en die ze ook aanneemt. (2) Degene die geeft moet dat met toewijding doen.
   Volgens het commentaar moeten de petas verder die daad aannemen, ze op prijs stellen, waarderen. Maar daarvan blijkt niets in het Petavatthu. Volgens de verhalen daar heeft de gave direct resultaat zonder dat de peta die gave aanneemt. Hij of zij stelt ze pas op prijs als de gave uitwerking heeft in de peta-wereld, als de peta er voordeel van heeft gehad. Dat is dus ná de gave en ná het resultaat, en niet ervoor.
_____
*2] Daarom ook zijn zij voor sommige mensen zichtbaar en/of hoorbaar.   
*3] Gaven waard zijn degenen die behoren tot de heiligen, d.w.z. leden van de Ariyasangha.

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #9 Gepost op: 19-06-2017 21:52 »
3.1.4. De wereld van de demonen (asuras). Hierin worden degenen herboren die (vaak) verlangen naar macht. Letterlijk betekent ‘asura’: ‘hij die niet schijnt, die zich niet vermaakt’. De demonen zijn te vergelijken met de petas. Vaak zijn de asuras in strijd met de devas, speciaal vanwege de drank van onsterfelijkheid.

   De asuras zijn wezens die niet stralend zijn, die geen authoriteit uitoefenen, in tegenstelling tot devas. Hun verblijfplaats is op het lagere deel van de berg Sineru (of Meru).*4]
   Volgens het commentaar bij A.VIII.19 bestaan er drie vorsten van de demonen (asura): Vepacitti, Rāhu en Pahārāda.

   Net als de petas wonen ook de asuras in de wereld van de mensen. In het Ratana Sutta bijvoorbeeld is sprake van boze geesten die in de stad Vesāli wonen.
   Petas, asuras en aardse godheden wonen in de mensenwereld, maar leven er in een andere dimensie. Dieren en mensen leven in dezelfde dimensie.

   De levensduur in deze sferen van ellende is onbepaald; ze is niet aan een vaste termijn gekoppeld, maar is afhankelijk van de slechte daden die men in vroegere levens als mens heeft verricht.
_____
*4] Commentaar bij Udana V.5. - De Boeddhistische cosmografie kent een wereld met in het centrum een ongelooflijk hoge berg, Sineru of Meru genaamd. Die berg is omgeven door zeven concentrische bergketens, elk gescheiden door een oceaan. Achter de 7e bergketen ligt de grote oceaan waarin de vier continenten zijn gelegen, inclusief Jambudipa.



Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #10 Gepost op: 20-06-2017 21:50 »
3.2. De zeven gelukkige sferen (sugati)

   Deze sferen zijn onderverdeeld in de menselijke wereld en de zes werelden van de devas, letterlijk: ‘de schitterenden’. De devas zijn hemelse wezens die gewoonlijk ‘goden’ of ‘godheden’ genoemd worden. Maar een deva is geen god in de gebruikelijke zin. Het woord ‘god’ kan misleidend werken door zijn associatie met het westers theïsme. De devas zijn niet onsterfelijk, noch zijn zij almachtig of alwetend. Zij zijn niet de scheppers van de wereld maar zijn zelf ook onderworpen aan de wet van oorzakelijkheid. Zij tonen veel van de zwakheden van menselijke wezens en zijn vaak minder wijs dan de mens. Hun tegenwoordige relatief gelukkige omstandigheden evenals de macht die zij bezitten, zijn het resultaat van vroegere verdiensten verworven als menselijke wezens. Als de kracht van het resultaat van hun vroegere goede daad is uitgeput, gaan zij heen. En de stroom van hun levenscontinuïteit vindt elders een nieuwe uiting.

   Er zijn slechts weinig hemelse wezens die na het heengaan wedergeboren worden onder de hemelbewoners of onder de mensen. Veel meer hemelse wezens zijn er die vanuit een hemelse sfeer wedergeboren worden in een hel, in de dierenwereld of in het rijk van de geesten. (A.I.33)

   De devas worden niet beschouwd alsof zij enige macht hebben over de menselijke handelingen of over de menselijke bestemming. Zij worden ook niet beschouwd als hadden zij een hogere kennis. Eén van de titels die aan de Boeddha gegeven is, is die van: satthā deva manussānam, Leraar van goden en mensen. Want de goden zelf kwamen naar de Verhevene om onderwezen te worden in de leer. Hun plaats is daarom lager dan die van de Hoogste Mens, de geheel Verlichte, die ook een visuddhi-deva is, een ‘god door (zelf)zuivering’.

   Goden kunnen minstens het eerste niveau van heiligheid verkrijgen.*5] Zij kunnen dus verdienstelijke daden verrichten. En zij kunnen ook profiteren van iemands gaven aan hen. Wie zijn/haar verdienste deelt met de plaatselijke godheden, wordt door hen van hun kant geëerd en zij zijn hem/haar goedgezind. De devas kunnen dus behulpzaam zijn in aangelegenheden van de menselijke wereld. Maar zij kunnen de mens niet naar het Doodloze voeren.

   Het Boeddhisme verwerpt de theorie van een God-Schepper en van een onsterfelijke ziel. Het legt alle nadruk op het belang van de menselijke wereld van bestaan. Want hier en nergens anders is de vrijheid van keuze tussen goede en slechte daden.

   Na zijn bekering tot de leer van de Boeddha groette Sakka, de koning van de devas, dagelijks de richting waarin de menselijke wereld lag. Maar ook kunnen de devas er aanspraak op maken door menselijke wezens geëerd te worden. Want door hun beoefening van deugdzaamheid en door daden van zeer hoge verdiensten bereikten zij hun tegenwoordige toestand. De eerbied die aan hen door Boeddhisten wordt gebracht, is daarom van een heel andere orde dan de aanbidding die gegeven wordt aan goden van wie men gelooft dat zij heersen over het menselijk lot.
   In deze zin is het waar dat het Boeddhisme a-theïstisch is: de aanbidding van goden om vergiffenis van zonden heeft er geen deel in. Het is juist inzicht wanneer men gelooft in het bestaan van hogere staten van wezens. En het is belangrijk een helder begrip ervan te hebben dat, wat voor sferen van bestaan er ook mogen zijn, zij allemaal onderworpen zijn aan de wet van oorzaak en gevolg, aan begin, verval en einde.
_____
*5] Sakka bijvoorbeeld had het eerste niveau van heiligheid bereikt.



Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #11 Gepost op: 21-06-2017 22:55 »
De zeven gelukkige staten zijn de volgende:

3.2.1. Manussa: de sfeer van de menselijke wezens. Letterlijk betekent manussa: zij die een ontwikkelde geest hebben. De menselijke sfeer is een mengeling van zowel pijn als geluk. Bodhisattas geven de voorkeur aan de menselijke sfeer. Die geeft een betere gelegenheid om de wereld te dienen en om de benodigde eigenschappen voor Boeddhaschap te vervolmaken. Boeddhas worden steeds als menselijke wezens geboren.

   De levensduur van mensen is onbepaald, evenals die van de wezens in de ongelukkige sferen.

   Wedergeboorte als mens is heel moeilijk te verkrijgen. De Boeddha gebruikte hier de parabel van de blinde schildpad die elke honderd jaar uit zee opduikt. Zij heeft eerder kans haar nek door het gat van een op het water drijvende plank te steken, dan dat iemand als mens wedergeboren wordt. (M.129).

   Weinig wezens worden wedergeboren onder de mensen. Veel meer wezens worden buiten de menselijke sfeer wedergeboren. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden. (S.56.61; A.I.33)

   Weinig wezens worden op het land geboren. Veel meer wezens worden in het water geboren. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden. (S.56.65)
 
    Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden onder de mensen wedergeboren. Veel meer wezens die als mensen geboren zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden. (S.56.102-104; A.I.33)

    Weinig wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden. Veel meer wezens die als mensen gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten. De reden hiervan is het niet zien van de vier edele waarheden. (S.56.105-107; A.I.33)

   Wij moeten als mens verdienstelijke daden verrichten om gunstige wedergeboortes te krijgen. Want als de verdienste op is, dan volgt geboorte in een sfeer van ellende. En het bestaan daar kan heel lang duren. Verdienste kan alleen als mens verkregen worden en in beperkte mate als god. Maar er zijn perioden waarin zelfs een mens moeilijk verdienste kan verwerven. Beweerd wordt dat grote verdienste verkregen wordt door degenen aan wie men geeft, de Ariyasangha, de gemeenschap van de heiligen. Maar ook mensen van andere religies en mensen die nooit iemand van de Ariyasangha ontmoet hebben, kunnen verdiensten verwerven.
   In deze gelukkige aeon is het nog mogelijk grote verdiensten te verwerven. De leer van de Boeddha en de Orde bestaan nog. Later zal ook de toekomstige Boeddha Metteyya geboren worden. Maar dan volgt een Boeddhaloos tijdperk, een periode zonder Volmaakt Verlichten. En dan is er geen veld van verdienste meer (behalve dan Pacceka-Boeddhas).

   De gelegenheid om iemand te ontmoeten die gaven waard is, is zeer zelden. Daarom de welwillende interventie van de Boeddha of van één van zijn hoofddiscipelen met het doel iemand een laatste kans te geven om verdiensten te verwerven en zo van de hel gevrijwaard te zijn en in een hemel te komen. De gave aan een heilige is dus zó verdienstelijk dat zij meer kracht heeft dan een daad waardoor iemand in de hel zou komen.

   Maar omdat de gevolgen van een slechte daad ondervonden zullen worden, is er geen ontsnapping aan, ook niet door geboorte in een hemelse sfeer. Hoewel bovenbedoelde mensen (door interventie van de Boeddha of de Arahants) dus gevrijwaard zijn van wedergeboorte in een ongelukkige sfeer, zullen zij toch het resultaat van hun daden ondervinden, zeker als de verdienste op is. Er is echter de mogelijkheid dat men door zeer lang in een hemelse sfeer te vertoeven, wedergeboren wordt in een Boeddha-periode. Dan kan men weer frisse verdiensten verwerven, weer in een hemel herboren worden, of zelfs een pad van heiligheid bewandelen. Hier is bijvoorbeeld te denken aan de eerwaarde Angulimala, die wel nog stokslagen moest verduren ook als Arahant, maar die anders vele duizenden jaren in de hel terecht zou zijn gekomen.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1511
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #12 Gepost op: 22-06-2017 10:59 »
   Wedergeboorte als mens is heel moeilijk te verkrijgen. De Boeddha gebruikte hier de parabel van de blinde schildpad die elke honderd jaar uit zee opduikt. Zij heeft eerder kans haar nek door het gat van een op het water drijvende plank te steken, dan dat iemand als mens wedergeboren wordt. (M.129).

Opmerking: Het gaat hier bij dit voorbeeld van de blinde schildpad niet om de kans op wedergeboorte als mens in-algemene- zin. Het gaat hier om de kans om weer als mens wedergeboren te worden wanneer een wezen (de tekst spreekt over 'een dwaas') eenmaal in de lagere rijken is beland.

De tekst geeft overigens ook aan dat als dat wezen dan na een lange periode toch weer in het mensenrijk terecht komt, dat is dat in een lage familie, arm, in ellendige omstandigheden, misvormt, er ellendig aan toe. Bij die persoon zal sprake zijn van wangedrag en hij zal weer naar de verdoemenis gaan, mogelijk zelfs naar de hel.

De tekst van de blinde schildpad [vertaald uit het Engels, de vertaling van Bodhi]:

MN129§24. "Stel dat een man een juk met één gat/opening in de zee zou gooien, en de oostenwind vervoerde het naar het westen, de westenwind naar het oosten, en de noordenwind naar het zuiden en de zuidenwind naar het noorden. Stel dat er een blinde schildpad zou zijn die aan het einde van elke eeuw één keer aan de oppervlakte zou komen. Wat denken jullie, bhikkhu's? Zou die blinde schildpad zijn kop in dat juk met één gat steken?
"Hij zou dat kunnen doen, eerwaarde heer, eens na een lange periode"
"Bhikkhu's, het zou de blinde schildpad minder tijd kosten zijn nek door dat juk te steken met één gat er in dan dat een dwaas, eenmaal naar de verdoemenis1 gegaan, de mensenstaat weer zou terugkrijgen, zeg ik. Waarom is dat zo? Omdat daar niet de Dhamma wordt beoefend, niet wordt beoefend wat rechtvaardig is, niet gedaan wordt wat heilzaam is, geen verdienste wordt verzameld. Het wederzijds verslinden overheerst en het afslachten van de zwakken".


noot 1; Engels: perdition. Ik heb dit vertaald als 'verdoemenis'. Het gaat hier volgens mij om de lagere rijken en niet alleen de hel. Het einde van het fragment verwijst vooral naar het dierenrijk.


groet,




« Laatst bewerkt op: 22-06-2017 12:47 door Sybe »

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #13 Gepost op: 22-06-2017 15:10 »
Siebe.

Bedankt voor je correctie.

Groeten
Nico

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #14 Gepost op: 22-06-2017 21:44 »
3.2.2. Cātummahārājika. Dit is de laagste van de hemelse sferen. Hier zijn de Vier Grote Koningen, de goden die de vier kwartieren van het firmament bewaken, met hun gevolg. Hun levensduur is 500 hemelse jaren. Een hemels jaar heeft er 12 maanden van elk 30 dagen. Een etmaal is er 50 menselijke jaren. In onze tijd omgerekend leven die goden dus 9.000.000 jaren (als we alles letterlijk nemen; ze leven in ieder geval erg lang). (A.III.71)

   In het Atanatiya-Sutta (D.32) is iets over die Vier Grote Koningen vermeld. Dhatarattha is de koning van het oostelijke kwartier. Hij is de heer van de Gandhabbas. De koning van het zuidelijke kwartier heet Virūlhaka. Hij is de heer van de Kumbhandas. Koning Virūpakkha is de heer van de Nagas. Hij heerst over het westelijke kwartier. Vessavana is de koning van het noordelijke kwartier (= Uttarakuru). Hij wordt ook wel Kubera (Skt. Kuvera) genoemd, de god van de rijkdom. Zijn residentie is de stad Atānāta. Hij is de heer van de Yakkhas. In dit kwartier ligt de mythologische berg Meru. Andere namen voor deze berg zijn Masakkasāra en Sineru.

   De sfeer van de Vier Grote Koningen strekt zich uit van het oppervlak van de aarde tot een hoogte die gelijk is aan die van de berg Meru. De aardgodheden (bhummattha deva) (zoals boomgodheden, godheden in grotten, beschermgoden van mensen, meren, rivieren en beken, en huisgoden) behoren tot deze sfeer. In M.45 worden verder genoemd tuindevas, parkdevas, boomdevas en devas die geneeskrachtige kruiden, gras en machtige bomen bewonen.*6]
   De Yakkhas kunnen bezit nemen van mensen en ze ongunstig gezind zijn. Zij hebben soms kwade bedoelingen jegens de mens.

   Sommigen van de goden in de sfeer van de Vier grote Koningen hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)
_____
*6] Een interessante toevoeging aan de veel besproken vraag of planten levende wezens zijn en pijn kunnen voelen. Blijkbaar kan het „zenuwsysteem“ van planten tot woonplaats dienen van fijnstoffelijke wezens.  Dit is een mogelijke uitleg waarom volgens Boeddhistische leer planten geen kamma verrichten maar toch op mentale golven reageren.

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #15 Gepost op: 23-06-2017 18:37 »
3.2.3. Tāvatimsa: de hemel van de Drieëndertig. Aan het hoofd van deze goden staat god Sakka. Andere namen voor deze god zijn: Vajirahattha, Vasavassa, Vāsava, Purindada, Magha en Inda. Op de top van de berg Meru begint de wereld van Sakka. Hij is de heerser van de deva-loka.

   De naam van deze goden gaat terug op een oud verhaal. Drieëndertig onzelfzuchtige vrijwilligers, aangevoerd door Sakka, volbrachten daden van vrijgevigheid. En als gevolg ervan werden zij in die hemelse sfeer geboren. In deze hemel zou de Boeddha de Abhidhamma onderwezen hebben.

   Volgens een Chinees Boeddhistisch boek zijn op elk van de vier zijden van deze sfeer acht hemelen en één in het centrum waar koning Sakka woont. In totaal zijn dat dus 33 hemelen, waaraan deze goden de naam ontleend zouden hebben.

   De levensspanne van de Drieëndertig is 100 hemelse jaren van elk 12 maanden. Elke maand heeft er 30 dagen en een etmaal is er 100 menselijke jaren. In onze tijd omgerekend leven zij dus 36.000.000 jaren. (A.III.71)

   Ook sommigen van de goden in de sfeer van de Drieëndertig hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   In meerdere suttas is sprake van de Satullapakāyikā devata. Zij zijn een groep van bovenmenselijke wezens. Hun geschiedenis wordt verhaald in het commentaar. Een aantal kooplieden voer over de zee. In een storm begon hun schip te zinken. De mensen op het schip begonnen luid te jammeren en ieder riep zijn eigen beschermgeest aan voor hulp. Alleen één man bleef kalm. Rustig zat hij er met gekruiste benen. Zijn reisgenoten vroegen hem hoe hij in zo'n gevaarlijke situatie kalm kon blijven. Zijn antwoord was dat hij voor zijn vertrek heilzame daden verricht had ten behoeve van de Orde van de Boeddha en bij hen zijn toevlucht had gevonden. Daarom was hij vrij van alle angst. Zij vroegen hem om hen aan deze zegen te laten deelnemen. Die man deelde de reisgenoten toen in zeven groepen in, elk van honderd, en onderwees de vijf regels van deugdzaamheid (pañca sīlāni) van de Boeddha. Die regels zouden zij navolgen en als zeker toevluchtsoord beschouwen. Het schip zonk steeds dieper. Allen stierven en werden in de Tāvatimsa-hemel wedergeboren. Daar woonden zij in heerlijke paleizen (vimānāni). Later brachten zij eer aan de Boeddha. (opmerking bij S.1.31)
   

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #16 Gepost op: 24-06-2017 23:33 »
3.2.4. Yāma: de hemel van de gelukzaligen. Yāma betekent: datgene wat pijn vernietigt. Aan het hoofd van deze goden staat de godheid Suyama. Hun levenstijd is 2000 hemelse jaren; een etmaal is er niet 100 maar 200 menselijke jaren. De duur van hun leven is dus 144.000.000 jaren in menselijke tijdrekening. (A.III.71)
   Sommigen van de Yama-goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

3.2.5. Tusita: de hemel van de tevreden goden. Zij worden geleid door godheid Santusita. Een etmaal bij deze goden is 400 menselijke jaren. Zij leven er 4000 hemelse jaren. Dit is in onze tijdrekening 576.000.000 jaren. (A.III.71)

   De Bodhisattas die de benodigde eigenschappen voor Boeddhaschap hebben vervolmaakt, verblijven in deze sfeer totdat het juiste ogenblik voor hen komt om in de menselijke wereld te verschijnen om Boeddhaschap te verkrijgen. De toekomstige Boeddha Metteyya vertoeft thans in deze hemel. Daar wacht hij de juiste gelegenheid af om als mens geboren te worden en een Boeddha, een Volmaakt Verlichte te worden.

   De moeder van prins Siddhattha werd in deze hemel wedergeboren als een godheid. Zij zou vanhier naar de Tavatimsa-hemel zijn gegaan om er te luisteren naar de verkondiging van de leer van de Abhidhamma.

   Sommigen van de goden in de Tusita hemel hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #17 Gepost op: 25-06-2017 20:22 »
3.2.6. Nimmānarati-devā: de godheden die zich verheugen in de geschapen herenhuizen. De Pāli-naam wordt ook wel vertaald met ‘de goden die zich verheugen in scheppen’. Aan het hoofd van hen staat godheid Sunimmitta. De levenstijd van deze goden is 8000 hemelse jaren en een etmaal is er 800 menselijke jaren. Omgerekend in onze tijd leven zij 2.304.000.000 jaren. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

3.2.7. Paranimmita-vasavatti: de sfeer van de goden die de scheppingen van anderen laten dienen voor hun eigen doeleinden. Zij hebben macht over de scheppingen van anderen. Godheid Vasavatti is hun leider. Zij leven 16.000 hemelse jaren. Een etmaal is er 1600 menselijke jaren. Deze goden hebben dus een levensduur van 9.216.000.000 jaren in onze tijd gerekend. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   Er zijn mensen die beweren dat deze goden mensen kunnen aanzetten tot daden, bijvoorbeeld seksuele handelingen, waar die deva's zelf vervolgens van genieten. Maar deze bewering kan volgens mij niet juist zijn. Die goden zijn in deze hemelse sfeer verschenen omdat zij vertrouwen hadden in de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, omdat zij vrijgevig en edelmoedig waren, en omdat zij de acht regels van deugdzaamheid navolgden. Daar is niets onheilzaams - zoals het aanzetten tot verkeerde handelingen - in te vinden. En als zij alleen al de vijf regels hadden nagevolgd, en daardoor in die hemelse sfeer waren verschenen, ook dan zouden zij niemand aanzetten tot het verrichten van iets onheilzaams.
   Hier is te denken aan het volgende:
   "Het is onmogelijk dat iemand die zich verkeerd gedraagt in daden, woorden en gedachten, tengevolge daarvan na de dood in een gelukkige sfeer, in een hemelse wereld wedergeboren wordt. Wel is het mogelijk dat hij in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel.
   Het is onmogelijk dat iemand die een juist gedrag heeft in daden, woorden en gedachten, tengevolge daarvan na de dood in een lagere wereld komt, in een ongelukkige sfeer, in een hel. Wel is het mogelijk dat hij in een gelukkige sfeer komt, in een hemelse wereld." (A.I.25)

   Ik zie in deze goden een soort van maecenen. Een maeceen schept zelf niet maar hij geniet van de kunstwerken die door anderen gemaakt zijn. Hij zal tentoonstellingen organiseren om het werk van een bepaalde kunstenaar te promoten. Hij kan zelf werk kopen (en weer verkopen). Op die manier steunt hij én heerst hij over het werk van iemand anders.
   Of ik denk aan beroemde architecten en ingenieurs die op de een of andere manier gesteund worden door andere – invloedrijke – personen.
   In ieder geval ben ik van mening dat het heersen van deze goden over de werken van anderen geen negatieve invloed heeft maar juist een positieve.

   Volgens het commentaar bij A.I.25 (AN. I. XV,1-28) wordt deze hemel bewoond door de Mara-wezens en is Mara de heerser over deze hemel; Mara wordt er geïdentificeerd met Pajapati, de heer van de schepsels.
Maar nergens in de Pali Canon is deze bewering bevestigd.

   In M.12 wordt na de goden van de Drieëndertig melding gemaakt van de zinnelijke goden, de goden in het gevolg van Mara. En daarna volgen de goden in het gevolg van Brahma. Dit zou betekenen dat de goden vanaf de Yama-goden tot en met de Paranimmita-vasavatti behoren tot het gevolg van Mara.
Maar zoals eerder vermeld behoren tot de zinnelijke sfeer alle wezens die bestaan vanaf de avīci-hel tot en met de paranimmitavasavatti-hemel. Dat betekent dat zij allemaal onderhevig zijn aan de macht van Mara. Of er een afzonderlijke hemelse sfeer is voor Mara en zijn gevolg, is niet duidelijk.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1511
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #18 Gepost op: Gisteren om 10:16 »
   Volgens het commentaar bij A.I.25 (AN. I. XV,1-28) wordt deze hemel bewoond door de Mara-wezens en is Mara de heerser over deze hemel; Mara wordt er geïdentificeerd met Pajapati, de heer van de schepsels.
Maar nergens in de Pali Canon is deze bewering bevestigd.

Hoe kan het eigenlijk dat Mara, die toch (ook) in de teksten wordt beschreven als een wezen met alsmaar slechte bedoelingen, sowieso in een hemel kan leven? Waarom is Mara niet standaard in de hel?

groet,

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1511
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #19 Gepost op: Gisteren om 17:25 »
3.2.7. Paranimmita-vasavatti: de sfeer van de goden die de scheppingen van anderen laten dienen voor hun eigen doeleinden. Zij hebben macht over de scheppingen van anderen. Godheid Vasavatti is hun leider. Zij leven 16.000 hemelse jaren. Een etmaal is er 1600 menselijke jaren. Deze goden hebben dus een levensduur van 9.216.000.000 jaren in onze tijd gerekend. (A.III.71)

   Sommigen van deze goden hebben het eerste niveau van heiligheid bereikt. (A.VI.34)

   Er zijn mensen die beweren dat deze goden mensen kunnen aanzetten tot daden, bijvoorbeeld seksuele handelingen, waar die deva's zelf vervolgens van genieten. Maar deze bewering kan volgens mij niet juist zijn.

Ik volg je redenering wel.

Toch, op verschillende websites wordt beweerd dat Mara de leider is van de paranimmita-vasavatti deva's.
http://www.palikanon.com/english/wtb/dic3_p.htm
https://dhammawiki.com/index.php?title=Paranimmita-vasavatti-deva
Er zijn meer websites waarop dit wordt beweerd.

Ik zag dat deze websites eigen allemaal verwijzen naar het onderstaand woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka Mahathera:
https://what-buddha-said.net/library/pdfs/Nyanatiloka_Buddhist_Dictionary.pdf

Waar hij het op baseert weet ik niet. Toen ik een verkennend onderzoek deed naar Mara ben ik niet tegengekomen dat Mara in het 11e rijk leeft samen met de paranimitta-vasavatti deva's en hun leider is.

Toch, in de teksten wordt naast Mara ook vaak gesproken over mara's:  “Hij [de Boeddha] verkondigt de wereld met diens goden, mara’s en Brahma’s, de wereld van asceten en brahmanen met diens prinsen en mensen na er zelf kennis van genomen te hebben” (DN6§1, DN8§18-10, DN9§7 en vele andere).

Wie zijn dan die mara's he? Is het toch niet mogelijk dat deze mara's de paranimmita-vasavatti-deva's zijn?
Misschien, omdat ze op de grens leven van de kama-loka, die draait om het verkrijgen van zintuiglijk genoegen, zelf dat niet goed meer kunnen bewerkstelligen en daarom via anderen dat proberen te verkrijgen en meegenieten als die anderen genieten.

groet,


Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #20 Gepost op: Gisteren om 20:51 »
beste Siebe,

Dat woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka heb ik zelf ook. Hij baseert zich op het commentaar, niet op een leerrede (sutta).
Dus ik blijf erbij dat in de Pali Canon niets te vinden is of Mara werkelijk in een hemel woont.
Omdat hij nog invloed heeft tot in de hoogste deva-hemel, moet de commentator ongeveer als volgt hebben geredeneerd: >> Mara heerst over alle devas. Dus moet hij in de allrhoogste deva-hemel wonen. Van daaruit heerst hij dan over de zinnelijke werelden die gelijk aan of lager zijn dan die hemel. <<
Maar ik denk dat we Mara niet als een echte persoon moeten beschouwen maar als een verpersoonlijking van de verleidingen die iemand kan tegenkomen. Dat is ook op te maken uit de namen van zijn "dochters": haat, afkeer, nijd, jaloersheid, hebzucht e.d.
Dat is mijn mening. En jij zult er zeker een andere mening over hebben.
Groeten, Nico
« Laatst bewerkt op: Gisteren om 22:12 door nico70 »

Online nico70

  • Sangha Nieuweling
  • ****
  • Berichten: 206
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #21 Gepost op: Gisteren om 20:54 »
de werelden van de mensen en van de devas

   In de menselijke wereld wordt men wedergeboren als men de vijf Boeddhistische regels van goed gedrag (panca-sīla) naleeft. In de zes sferen van de devas (godheden) wordt men wedergeboren als men vertrouwen (saddhā) heeft, vrijgevigheid beoefent en de acht regels (attha-sīla) navolgt.*7]

   De zes sferen van de goden zijn tijdelijke gelukkige verblijven. Verondersteld wordt dat de wezens er leven terwijl zij van voorbijgaande genoegens van de zintuigen genieten. De godheden hebben subtielere en fijnere lichamelijke vormen dan die van de mensen. Gewoonlijk zijn zij onzichtbaar voor het menselijke oog. In sommige opzichten, zoals hun samenstelling, woonplaats en voedsel, overtreffen zij de mensen. Maar in de regel overtreffen zij niet in wijsheid. Zij hebben een spontane geboorte en verschijnen als jongelingen of als jonge meisjes van 15 of 16 jaar oud.

   In D.1 worden nog twee groepen van godheden genoemd die niet vermeld zijn in D.11. Het zijn de manopadosika devā en de khiddhapadosika-devā.
   De manopadosika-devā zijn hemelse wezens die heengaan door opvliegendheid. “Zij ergeren zich over elkaar en brengen zó hun tijd door. Door boos te worden raken zij lichamelijk en geestelijk uitgeput. En zo gaan zij uit die wereld.” (D.1).

   Volgens het commentaar bij D.1 zijn deze goden geneigd tot jaloersheid. Als een van hen waarneemt dat een andere godheid grotere schoonheid en pracht heeft dan hijzelf, kan hij boos worden. Hij kan dan beginnen te vechten met de andere godheid. Als die andere god zonder boosheid blijft, verdwijnt ook de boosheid van de ene. En beide godheden blijven dan leven. Maar als de tweede ook boos wordt, zal de boosheid van beiden toenemen. En tengevolge daarvan zullen beiden heengaan uit die hemelse sfeer. Volgens het commentaar zijn de manopadosika devā gelijk aan de goden van de Vier Grote Koningen.

   De khiddapadosika devā zijn hemelse wezens die door plezier vergaan. “Zij verspillen hun tijd in plezier, spel en vermaak, en daarbij worden zij onnadenkend. In hun onnadenkendheid vallen zij uit die wereld.” (D.1).

   Deze godheden hebben zeer tere lichamen en daarom kunnen zij geen enkele maaltijd missen. Als een van hen een maaltijd mist, wordt zijn lichaam onmiddellijk zwak. En dan sterft hij. Het commentaar bij D.1 stelt dat met de khiddapadosika-devā alle godheden bedoeld worden die voortleven door middel van materieel voedsel, ongeacht de hemelse sfeer waarin zij leven. Maar het commentaar zegt ook dat sommige leraren het aldus verklaren dat de nimmanarati devā en de paranimmita-vasavatti devā bedoeld zijn.

   "Weinig wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren bij de goden of onder de mensen. Veel meer wezens die als goden gestorven zijn, worden wedergeboren in de hel, in de dierenwereld, in de wereld van de ongelukkige geesten." (S.56.108-113)

   “Wanneer men terecht van iets kan zeggen dat het uiterst gewenst, uiterst welkom is, uiterst aangenaam, dan is het de hemel. Het is moeilijk om een gelijkenis te vinden voor het geluk in de hemel.” (M.129)
_____
*7] Natuurlijk kunnen ook mensen van andere religies in hemelse sferen wedergeboren worden, afhankelijk van de daden van verdienste die door hen verricht zijn.


3.3. De werelden van de Brahmas

   Na de hemelen van de devas volgen de elf werelden van de Brahmas. Ook zij zijn niet almachtig en niet alwetend. En zij leven niet eeuwig. De levenstijd van de Brahmas is begrensd, al duurt die heel erg lang.

   In het Kevaddha Sutta (D.11) wordt het volgende vermeld: “Eens kwam bij een monnik de gedachte op: ‘Waar nu wel komen deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging, namelijk aarde, water, vuur en lucht?’ Toen verkreeg die monnik een dergelijke geestelijke concentratie dat in de geconcentreerde geest zich de weg naar de goden openbaarde. Die monnik begaf zich toen naar de goden die onderhorig zijn aan de Vier Grote Koningen. Daar stelde hij zijn vraag over de vernietiging van de vier grondstoffen. De goden zeiden tot die monnik: ‘Wij weten het antwoord op je vraag niet. Maar de Vier Grote Koningen zijn verhevener en hoger dan wij. Die zullen het wel weten.’ - Toen begaf die monnik zich naar de Vier Grote Koningen. Ook zij wisten het antwoord niet en zij verwezen hem naar de goden der Drieëndertig. Die konden de vraag evenmin beantwoorden en zij verwezen hem verder. Via Sakka, de koning der goden, de Yama-goden, de god Suyama, de Tusita-goden, de godheid Santusita, de Nimmanarati-godheden, de godheid Sunimmita, de Paranimmita-Vasavatti-goden en de godheid Vasavatti kwam die monnik aan bij de goden behorende tot het gevolg van Brahma. Ook zij wisten het antwoord niet op zijn vraag. ‘Maar de grote Brahmā is er nog, de allesoverwinnaar, de onoverwonnene, die alles ziet, de bedwinger, de heer, de schepper, de hoogste, de heerser, de vader van het gewordene en van het wordende. Hij is verhevener en hoger dan wij. Hij zal je vraag wel kunnen beantwoorden’ Zo spraken die goden. – ‘Maar waar is thans die grote Brahmā?’ – ‘ Ook wij weten niet waar Brahmā is, waar hij vertoeft. Maar, monnik, wanneer er tekenen komen, licht verschijnt, glans zichtbaar wordt, dan zal Brahmā zichtbaar worden. Dat zijn de voortekenen voor het zichtbaar worden van Brahmā.’
   Na niet lange tijd werd de grote Brahmā zichtbaar. De monnik ging naar hem toe en vroeg: ‘Waar nu wel komen deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging, namelijk aarde, water, vuur en lucht?’ - Hierop gaf de grote Brahmā ten antwoord: ‘Monnik, ik ben de grote Brahmā, de alles-overwinnaar, de heer, de schepper, de hoogste, de heerser, de vader van het gewordene en van het wordende.’ - En voor een tweede en een derde keer stelde de monnik zijn vraag. En voor een tweede en derde keer kreeg hij bovenstaand antwoord. Hierop zei die monnik: ‘Ik vraag u niet ernaar of u Brahmā bent, de grote Brahmā, de alles-overwinnaar (etc.). Maar ik vraag u waar deze vier grondstoffen zonder rest tot vernietiging komen.’ - Toen nam de grote Brahmā die monnik bij de arm en leidde hem ter zijde. Daar sprak hij tot hem: ‘Monnik, de goden van het gevolg van Brahma geloven dat er voor Brahmā niets is dat hem onbekend is of niet door hem te verwezenlijken. Daarom heb ik niet in hun bijzijn geantwoord. Want ook ik weet je vraag niet te beantwoorden. Monnik, daarom was het van jouw kant een fout dat je de Verhevene hebt overgeslagen. Het was niet juist dat je buiten de Orde op zoek bent gegaan naar het antwoord op je vraag. Ga nu naar de Verhevene toe, monnik, en stel hem deze vraag. En het antwoord dat hij je zal geven, moet je goed onthouden.’
   In een handomdraai verdween die monnik uit de Brahma-wereld en verscheen voor de Boeddha. En zijn vraag werd tot volle tevredenheid en vreugde van de monnik beantwoord.” (D.11)
 
       Uit dit leergesprek is duidelijk te zien dat de grote Brahmā geen schepper is. Hij is niet almachtig, is niet de vader van alles. Ook hij is, evenals andere levende wezens, onderworpen aan de dood.

   In ruimere zin zijn er 11 werelden van Brahma en 16 fijnstoffelijke sferen (rūpa-loka). Hier verheugen de wezens zich in de zaligheid van de meditatieve verdiepingen (jhanas). Deze hebben zij verkregen door het ontzeggen van zinnelijke verlangens.
   In engere zin worden alleen de onderste drie van deze sferen de wereld van Brahma genoemd. Deze drie sferen kunnen worden bereikt door het ontwikkelen van de eerste jhana, respectievelijk in een normale graad, in een hogere mate, en met een volmaakte beheersing van die jhana.

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1511
    • Bekijk profiel
Re: De werelden van bestaan
« Reactie #22 Gepost op: Gisteren om 22:30 »
beste Siebe,

Dat woordenboek van de eerwaarde Nyanatiloka heb ik zelf ook. Hij baseert zich op het commentaar, niet op een leerrede (sutta).
Dus ik blijf erbij dat in de Pali Canon niets te vinden is of Mara werkelijk in een hemel woont.
Omdat hij nog invloed heeft tot in de hoogste deva-hemel, moet de commentator ongeveer als volgt hebben geredeneerd: >> Mara heerst over alle devas. Dus moet hij in de allrhoogste deva-hemel wonen. Van daaruit heerst hij dan over de zinnelijke werelden die gelijk aan of lager zijn dan die hemel. <<
Maar ik denk dat we Mara niet als een echte persoon moeten beschouwen maar als een verpersoonlijking van de verleidingen die iemand kan tegenkomen. Dat is ook op te maken uit de namen van zijn "dochters": haat, afkeer, nijd, jaloersheid, hebzzucht e.d.
Dat is mijn mening. En jij zult er zeker een andere mening over hebben.
Groeten, Nico

Ik heb in mijn onderzoekje over Mara ook iets geschreven over Mara's bereik of domein. Uit bepaalde teksten kun je wel opmaken, vind ik, dat eigenlijk geheel samsara Mara's domein is.

“Deze Dhamma is niet gemakkelijk te begrijpen
Door diegene die aangedaan zijn door de begeerte naar bestaan,
Die meegenomen worden in de stroom van bestaan,
Diep weggezonken in Mara’s rijk” (SN35.136)

“Door diegenen die bevangen zijn door de passies van bestaan,
door diegenen die de stroom van bestaan volgen,
door diegenen die het rijk van Mara zijn binnengegaan,
wordt deze Dhamma niet op volmaakte wijze begrepen”. (SnIII.12)

Op thanka's wordt Mara vaak ook afgebeeld met geheel samsara in zijn bek. Mara wordt ook vaak gezien als de heer van de dood. En in alle rijken zijn wezens vergankelijk.



Uit MN49 blijkt trouwens dat Mara ook wezens in het gezelschap van Brahma in bezit kan nemen. Hieruit heb ik geconcludeerd dat hij zeker niet alleen invloed kan uitoefenen op wezens in de 11 rijken van de kama-loka maar zelfs op wezens (boven zijn eigen rijk) in de fijnstoffelijke wereld, de rupa-loka.

groet,