Auteur Topic: Boeddhistische plaatsen  (gelezen 4740 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Boeddhistische plaatsen
« Gepost op: 05-07-2017 22:13 »
Een bezoek aan enkele Boeddhistische plaatsen

   In het Mahaparinibbāna sutta worden vier plaatsen aangewezen als bezienswaardig en aangrijpend voor devote, toegewijde Boeddhisten. Het zijn de plaatsen waar de Boeddha geboren is, waar hij de Verlichting bereikte, waar hij voor het eerst de verheven leer verkondigde en waar hij heenging in het opperste geluk van de bevrijding van lijden en onvoldaanheid. Die plaatsen zijn respectievelijk Lumbinī, Bodh-Gayā (Buddhagaya), Sarnath en Kushinagar. De eerste plaats ligt in Nepal, de overige plaatsen liggen in India.
   Behalve deze vier aangrijpende plaatsen heeft de Verhevene ook nog als bezienswaardig en aangrijpend genoemd de plekken waar een stoepa is opgericht voor de relieken van de Verhevene. Bezienswaardig zijn verder de plaatsen waar de Boeddha vaak heeft vertoefd.

Bij het lezen en gedeeltelijk vertalen van het leven en de leer van de Boeddha ontstond in 1984 het verlangen de vier plaatsen op te zoeken die door de Ontwaakte zijn aanbevolen. In 1987, 1990, 1996, en 2004 werden weer pelgrimstochten gemaakt. Behalve de in 1984 al bezochte steden en dorpen werden in de route toen ook opgenomen enkele plaatsen waar stoepas voor de relieken van de Boeddha zijn en plaatsen die gewijd zijn doordat de Verhevene er vaak vertoefde. Tevens was ik op een van die reizen in de gelegenheid de beroemde grottempels van Ellora en Ajanta te bezoeken. Ook die plaatsen worden hier kort beschreven.



   Het is niet iedereen vergund de gewijde Boeddhistische plaatsen te gaan opzoeken. Maar gevoelens van verering kunnen ook opgewekt worden door te lezen over die plaatsen. Tevens is het denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen een goede meditatiemethode op weg naar het Doodloze. Deze compilatie van gegevens is enerzijds een beschrijving van de gewijde plaatsen en anderzijds een hulp bij het mediteren, bij het overdenken van de deugden van de Boeddha. Een dergelijk overdenken kan ook troost schenken en kracht in nood.
   
   Vier pelgrimstochten werden gemaakt in begeleiding van wijlen de eerwaarde Dr. Phra Maha Tuan Pim-Aksorn; hij was mijn tolk en gids en dank zij hem heb ik er veel kunnen leren.
   
   De Verhevene heeft gezegd dat als laatste eer voor hem op een kruispunt van wegen een gedenkteken opgericht moet worden. “En aldegenen die daar bloemen of reukwerk of iets kleurigs neerleggen, of die vol eerbied een buiging maken, of die zich innerlijk verheugen, wier geest daar kalm wordt, hen zal dat lange tijd tot heil en zegen strekken.”
   “En de Volmaakte is zo'n gedenkteken waard op grond van de innerlijke kracht, namelijk de gedachte: ‘Dit is het gedenkteken van de Verhevene, de Heilige, de volledig Ontwaakte.’ Die gedachte maakt zeer velen innerlijk vredig en blij. En aldus vredig en blij en met het gemoed daarbij in vertrouwen gevestigd, worden zij na de dood herboren in een sfeer van hemels geluk. Op grond van die innerlijke kracht is de Volmaakte een gedenkteken waard.” (Maha-Parinibbana sutta).

   Mogen door deze impressies van mijn pelgrimstochten alle lezers en lezeressen zich innerlijk verheugen. Moge hun en haar geest kalm worden. En mogen allen aldus eveneens heil en zegen verkrijgen voor een lange tijd.

   De plaatsen worden besproken in de volgorde van de route die tijdens de pelgrimstochten genomen werd. Dus niet als eerste de geboorteplek en als laatste de plek van definitieve heengaan.

   Samen met de eerwaarde Phra Maha Tuan werd eerst Sarnath bezocht. Vandaar ging het naar Sravasti. Daarna volgt Piprahwa. Kapilavatthu ligt er vlak bij maar in Nepal. Omdat de grens naar Nepal daar is afgesloten vanwege onenigheid over de identificatie van Piprahwa, gingen we via Gorakhpur naar Lumbini. De plaats Kapilavatthu ligt niet ver ervandaan. Maar drie bruggetjes waren door zware regenval weggespoeld. Dus moesten we een omweg maken van ca 100 km via Butwal naar Kapulavatthu. Van Kapilavatthu terug naar India, naar Kushinagar. Via Patna naar Vaisali, Nalanda en Rajgir. Daarna naar Buddhagaya waar we meerdere dagen bleven.
In Varanasi studeren Thaise monniken aan de Hindoe-universiteit (BHU). Die monniken werden steeds met een bezoek vereerd.

Nico

« Laatst bewerkt op: 19-07-2017 19:45 door nico70 »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #1 Gepost op: 06-07-2017 20:44 »
1. Sarnath (Isipatana) 

   Het vroegere Isipatana, het oord der zieners, heet thans Sarnath. Die naam is een kortere vorm van Sarang nath (Sarang = hert; nath = heer) en gaat terug op het feit dat er een hertenpark was.
   Deze plaats ligt ongeveer 7 km ten noorden van Varanasi (Benares), in de deelstaat Uttar Pradesh, India. In het Sanskriet is de oude naam van Sarnath "Rishipatana". De lichamen van 500 Pacceka-Boeddhas (rishis) zouden op deze plek zijn gevallen na hun definitieve Heengaan. Dat is een verklaring van de oorsprong van deze naam voor Sarnath.

   Een andere oude naam voor deze plaats is "Mrigadāva" (ook: Mrigadaya). Deze naam stamt af van een legende. De koning van Varanasi was eens op jacht in het woud te Isipatana. Hij wilde toen een zwanger hert doden. Maar de Bodhisatta die in die tijd als hert wedergeboren was met de naam "Nyagroda-mriga"* beschermde het zwangere hert. Hij wilde in de plaats ervan zijn eigen leven geven. Door deze geest van opoffering van de Bodhisatta beloofde de koning veiligheid voor de kudde herten in het woud te Isipatana.
   [*Volgens de eerwaarde Narada heette de Bodhisatta toen “Sāranganātha” (= beschermer van herten)].

   Toen de Boeddha na zijn Verlichting in het hertenpark van Isipatana aankwam, leefden de vijf asceten die de Bodhisatta verzorgd hadden tijdens zijn langdurige strijd om de hoogste vrijheid te verkrijgen, er in strenge ascese. De namen van die vijf asceten zijn: Bhaddhiya, Vappa, Mahānāma, Asajī, en Kondañña. Van verre zagen zij de Boeddha aankomen. Eerst wilden zij hem niet verwelkomen. Maar zij veranderden van gedachten en kwamen hem tegemoet, namen zijn nap en mantel (oppergewaad), maakten een zitplaats gereed en stelden water klaar om de voeten te wassen.

   Op de plek waar de Boeddha hen ontmoette, staat thans de Chaukhandi stoepa. Boven op deze stoepa werd in 1555 na Chr. een grote bakstenen toren opgericht door keizer Akbar. In 1835 en daarna nog eens in 1904 werd een diepe sleuf in de stoepa gegraven op zoek naar oude relieken.

   Vanaf de plek waar de eerste ontmoeting plaats had, liep de Verhevene met de vijf asceten ongeveer één kilometer verder. Zij wilden eerst niet geloven dat hij de Verlichting bereikt had. Volgens hen leefde hij in overvloed. Maar de Verhevene bracht de vijf asceten tot inzicht en onderwees hen in de leer. Volgens de Theravāda-traditie was het op de dag van volle maan in juli (Asalha), 528 jaren vóór Christus.
   De Boeddha onderwees toen het middenpad. Uitersten moeten vermeden worden. Behagen scheppen in zinnelijke geneugten is niet goed; en zelfkwelling is evenmin goed. Het middenpad vermijdt die uitersten. En wat is dat middenpad? Het is: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste concentratie, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest. Dit middenpad voert tot vrede en tot direct inzicht.
   De vijf asceten verheugden zich over de woorden van de Verhevene. En een van hen, Kondañña, bereikte toen het eerste niveau van heiligheid.

   Na deze toespraak onderwees de Verhevene de vijf asceten verder, en wel over het kenmerk van niet-zelf (anattā). Er is geen zelfstandig iets. Vormen, gevoelens, waarnemingen, geestelijke formaties zoals besluit, wil, aandacht, vertrouwen, gedachten e.d., en bewustzijn zijn niet zelfstandig. Ze ontstaan en vergaan weer, afhankelijk van oorzaken. Ons lichaam en onze gedachten en gevoelens zijn niet van ons. We kunnen niet zeggen dat ze ons toebehoren. Door ons niet meer eraan te hechten, worden we vrij.
   Gedurende die tweede toespraak bereikten de asceten allen de volledige heiligheid. Zij hechtten zich nergens meer aan.

   Op de plaats waar de leer voor het eerst werd verkondigd, werd ten tijde van keizer Asoka (3e eeuw voor Chr.) de Dhamekh stoepa gebouwd. Deze stoepa is ca 39 meter hoog (samen met het fundament ca 43,5 meter). De doorsnede ervan is ongeveer 28 m. Enkele geometrische decoraties van zeer fijne kwaliteit zijn er omstreeks 500 na Chr. op aangebracht.
   De naam Dhamekh is ontleend aan het Sanskriet “Dharmameksh” (= denken over de leer).

   Twintig stappen noordwaarts van de plek waar voor het eerst de leer verkondigd is, zou de Boeddha voorspeld hebben dat de monnik die als laatste van de vijf asceten de wijding had ontvangen, de toekomstige Boeddha Metteyya zal worden. Volgens sommige bronnen heette hij Asaji; volgens andere bronnen was zijn naam Ajita.
   Dit verhaal moet verzonnen zijn. Het kan niet waar zijn dat een van die vijf asceten de toekomstige Boeddha Metteyya zal worden. Immers, zij allen waren Arahants, volmaakte heiligen. Een verder bestaan, een wedergeboorte hier was er voor hen dan ook niet meer, ook niet als een toekomstige Boeddha!


   Na de bekering van de vijf asceten bracht de Verhevene het regenseizoen door in een kleine hut. Op die plek staat thans de Mulgandha Kuti Vihara. Die tempel is gelegen nabij de Dhamekh stoepa, ten westen ervan, bijna één km van de Chaukhandi stoepa vandaan. In 1931 werd die tempel gebouwd door de Maha Bodhi Society. Binnenin staat een gouden beeld dat de onderwijzende Boeddha voorstelt. Ook zijn er muurschilderingen, in Ajanta-stijl, van de beroemde Japanse kunstenaar Nousu Kôsetsu. Zij beelden verhalen af uit het leven van de Boeddha.

   Een andere gewijde plek te Sarnath is de plaats waar Yasa en de zijnen bekeerd werden. Yasa, de zoon van een rijk koopman, ging op zekere avond naar het hertenpark van Isipatana. Hij werd er door de Boeddha in de leer onderwezen. Hij begreep de leer en werd een volmaakte heilige. De moeder van Yasa merkte diens afwezigheid. Zij waarschuwde haar man die daarop naar Yasa op zoek ging. Ook hij werd in het park onderwezen. Hij nam zijn toevlucht tot de Boeddha, diens leer (Dhamma) en diens Orde (Sangha). Hij bereikte daar al het eerste niveau van heiligheid.

   De vrouw en de moeder van Yasa wachtten tevergeefs. Zij gingen naar het park en zij werden er eveneens onderwezen. Zij waren de eerste vrouwelijke lekenvolgelingen van de Boeddha.
   Vier vrienden van Yasa hoorden van zijn bekering en zij gingen eveneens naar de Verhevene toe. Zij werden allen volmaakte heiligen (Arahants). Later volgden nog 50 andere vrienden van Yasa. Ook zij werden volmaakte heiligen.

   Toen het regenseizoen ten einde liep, zond de Boeddha zijn discipelen, die allen volledig bekwaam waren om de leer te onderwijzen, heen voor het heil en geluk van velen. Er mochten geen twee monniken in dezelfde richting gaan.    

   Reeds ten tijde van de Verhevene werd te Isipatana een klooster gebouwd. De residentie van de Gezegende is een zeer gewijde plek in Sarnath.

   Te Sarnath staat ook een Bodhi-boom. Deze boom is een stek van de Maha-Bodhi-boom te Anuradhapura in Sri Lanka. Hij staat in de buurt van de Mulgandha Kuti Vihara.

   Keizer Asoka liet te Sarnath een zuil met een leeuwenkapiteel oprichten. Deze zuil is in stukken gebroken. Het kapiteel ervan staat in het museum van Sarnath. Het is het staatsembleem van India geworden.

   Verder zijn in het vroegere park van Isipatana nog veel ruïnes van kloostergebouwen. Ook is er een stoepa te zien waarvan alleen de fundamenten nog over zijn. Het bouwjaar ervan is onbekend.

   Sarnath is zowel de geboorteplaats van de leer (Dhamma) als van de Orde (Sangha). Uit devotie voor deze gewijde plaats zijn er meerdere tempels gebouwd, zoals een Chinese tempel (in 1939), een Tibetaanse en een Thaise tempel.

link naar enkele foto's https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaaXlWUF9rNlNuZmc/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:33 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #2 Gepost op: 07-07-2017 21:11 »
2. Śrāvastī (Sāvatthi)     

   De oude stad Sāvatthi dankt de naam aan het feit dat ze eens de verblijfplaats was van de ziener Sāvattha. Tegenwoordig is ze een verzameling van ruïnes, genaamd Sahet Maheth, in Uttar Pradesh, India. Sahet is de plaats van het beroemde Jetavana-klooster; Maheth ligt er ongeveer 500 meter vandaan. Daar lag de oude stad Sāvatthi. Ze wordt thans Śrāvastī genoemd. De ligging ervan is ongeveer 18 km ten westen van Balrampur, aan de weg vanaf die plaats naar Bahraich. Ten tijde van de Boeddha was ze de hoofdstad van het koninkrijk van Kosala*; de koning ervan heette Pasenadi.
   *Kosala was in het oude India een groot koninkrijk. Het strekte zich uit aan beide oevers van de Sarayu rivier (thans Ghāghara) en naar het noorden tot in het tegenwoordige Nepal.

   Ten tijde van de Boeddha waren in Sāvatthi veel volgelingen van de Jain-sekte. Ook koning Pasenadi was een aanhanger ervan. Maar hij volgde het voorbeeld van zijn zoon, prins Jeta, en werd een trouwe volgeling van de Boeddha. Te Śrāvastī is nog een ruïne van een Jain tempel te zien.

   Sudatta, een rijke koopman uit Sāvatthi, was buitengewoon vrijgevig. Daarom werd hij bekend als Anāthapindika. Deze naam betekent: de voeder van de armen. Anāthapindika werd een volgeling van de Boeddha en bereikte al het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti). Hij kocht voor een grote som geld het park van prins Jeta. Deze prins was vol bewondering ervoor dat Anāthapindika zoveel geld besteedde om het park te kopen. Toen deze niet genoeg geld bij zich had en nog meer wilde laten halen, schonk de prins een deel van zijn park aan de Boeddha. En hij liet er een tempel bouwen.

    Anāthapindika liet in het park een groot klooster bouwen, het Jetavana-klooster. Dat klooster bestond uit tempels, kamers, open terrassen, wachtruimtes, badkamers, toiletten, wandelpaden, bronnen, vijvers, paviljoenen en een ziekenhal.

   In een deel van dit kloostercomplex woonden de monniken die zich meer toelegden op meditatie, zoals de eerwaarde Arahant Sariputta en de eerwaarde Arahant Maha Moggallāna. In dat gedeelte zijn kluizen, tempels en kleine stoepas te zien.

   Centraal gelegen is het meest gewijde gebouw van dit complex. Het is de Chandhakuti, de persoonlijke residentie van de Boeddha. Het was een gebouw van twee verdiepingen. Oorspronkelijk zou het zeven verdiepingen hoog zijn geweest. Per ongeluk brandde het af en het werd tot twee verdiepingen gereduceerd.
   
   Nabij de Chandakuti was de verblijfplaats van de eerwaarde Ānanda. Ook is er de ziekenhal waar de Boeddha zelf eens een zieke monnik verpleegde die door zijn medemonniken verwaarloosd was. Verder zijn er nog de vertrekken voor de gewone monniken, meditatiezalen en zalen voor de leken.

   De Bodhi-boom die er door Anathapindika persoonlijk is geplant, staat er nog. Deze boom is een stek van de oorspronkelijke Maha Bodhi boom te Budhagaya. Die stek werd door de eerwaarde Ānanda naar Sāvatthi gebracht. Deze boom in het Jetavana-klooster heet daarom de Ānanda Bodhi boom. Hij is de oudste historische boom ter wereld. Want de originele Maha Bodhi boom bestaat niet meer. Rondom de Ānanda Bodhi boom is nu een hekwerk gezet.

   In het zesde regenseizoen na zijn Verlichting bracht de Boeddha een eerste bezoek aan het Jetavana-klooster. Sedertdien kwam hij er regelmatig. In totaal bracht hij 25 regentijden door te Sāvatthi, namelijk de 6e, 14e en 21e t/m 43e regentijd. Van deze regenseizoenen werden er 18 doorgebracht in het Jetavana-klooster, en de overige in het klooster Pubbarama. Dit laatste klooster had de vrome Visakha voor de Verhevene laten bouwen. Dit prachtige klooster lag ten noorden van het Jetavana-klooster en ten oosten van de stad Sāvatthi. Een derde klooster te Sāvatthi werd gebouwd als residentie voor de nonnen. Het heette Rājākārāma. Het werd gebouwd door koning Pasenadi. Deze beide kloosters bestaan niet meer. Ook van de hal Mallikārāma, opgericht door koningin Mallikā, is niets meer te zien.

   Volgens de traditie verrichtte de Boeddha in het zesde regenseizoen het Tweelingwonder op de Mankula-heuvel nabij het Jetavana-klooster. Stralen van water en vuur kwamen toen uit zijn poriën, in een V-vorm. Ook schiep hij toen een duplicaat van zichzelf. Als de Verhevene liep, dan zat of lag of stond zijn duplicaat. En als de Boeddha zat, dan liep of lag of stond zijn duplicaat.

   Op de top van die heuvel zijn twee gedenktekens opgericht; maar alleen de fundamenten ervan zijn over.
   Volgens de legende zou de Boeddha vanaf de Mankula-heuvel met drie stappen naar de Himālaya zijn gegaan en vandaar verder naar de Tavatimsa-hemel om er de Abhidhamma aan de goden te verkondigen.

   In het negende regenseizoen vertoefde de Boeddha te Kosambi, in het park van Ghosita. Onder de monniken was er een twist ontstaan over een onbeduidend voorval. Er vormden zich twee partijen die door de Verhevene niet verzoend konden worden. De Boeddha ging toen in etappes naar Parileyyaka. Daar bleef hij zolang het hem behaagde waarna hij verder liep naar Sāvatthi, naar het Jetavana-klooster.
   In de tiende regentijd kwam eerst de ene partij monniken vanuit Kosambi naar de Boeddha toe en daarna de andere partij. En pas op het einde van dat seizoen werd te Sāvatthi de twist bijgelegd.

   In het twaalfde jaar na de Verlichting werd Rāhula 18 jaar. Hij was nog een novice (sāmanera). De Boeddha vertoefde toen weer in het Jetavana-klooster. Hij onderwees er zijn zoon Rāhula in de leer. Hij sprak tot hem over het kenmerk van niet-zelf. Ook spoorde hij hem aan steeds oplettend te zijn en volmaakte gelijkmoedigheid van geest te ontwikkelen, ongestoord door begeerte of afkeer. Verder gaf de Boeddha aan Rāhula de raad liefdevolle vriendelijkheid (mettā) te beoefenen en mededogen. Tevens werd de raad gegeven om vergankelijkheid te beschouwen. (M.62)
   In het 14e jaar na de Verlichting werd de eerwaarde Rāhula 20 jaar. Hij kreeg toen te Sāvatthi de hogere wijding (upasampadā). De Boeddha sprak tot hem over vergankelijkheid (anicca), onvoldaanheid (dukkha) en niet-zelf (anattā). (M.147) Door deze toepraak bereikte de eerwaarde Rāhula de volmaakte heiligheid. Op dat moment gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rāhula eens had gevraagd.

   In het 20e jaar na de Verlichting werd te Sāvatthi de moordenaar Angulimāla bekeerd. Hij heette eigenlijk Ahimsaka; dit betekent: onschadelijk. In zijn jeugd studeerde hij aan de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Toen hij daar afstudeerde, was het, zoals toen gebruikelijk, zijn plicht om een eregeschenk aan zijn leermeester te geven. Deze vroeg  – op aandringen van jaloerse medestudenten van Ahimsaka -  toen duizend menselijke pinken van de rechter hand. Ahimsaka protesteerde eerst, maar stemde uiteindelijk toen. Daarbij dacht hij niet aan de mogelijkheid om dat aantal vingers te verzamelen in de open lijkenvelden in India. Zo groot was toen de neiging in hem te doden. Die neiging was het gevolg van daden in vroegere levens. Hij kocht een stel wapens en ging naar het Jālini-woud in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Reizigers sloeg hij dood en nam dan van elk slachtoffer één pink.
   Hij reeg de vingers aaneen en droeg ze als een krans om zijn nek. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.
   Men begon dat woud te mijden en Angulimāla moest in de buurt van dorpen gaan. Hij viel voorbijgangers aan en sneed de pinken af. De mensen verlieten hun dorpen en gingen naar Sāvatthi. Zij vertelden hun leed aan de koning die Angulimāla gevangen wilde nemen.
   De Boeddha overzag met zijn Boeddha-oog de wereld en zag dat Angulimala een Arahant kon worden. Hij ging toen naar de gevreesde moordenaar toe. Vanaf zijn uitkijkpost zag Angulimāla de Verhevene naderen. En hij ging de Verhevene achterna. Maar de Boeddha ging met zijn bovennatuurlijke kracht zó snel dat Angulimāla hem niet kon inhalen. Verbaasd hoe dat mogelijk was, riep Angulimāla: “Stop, monnik, stop.” Het antwoord van de Verhevene luidde: “Ik ben gestopt, Angulimāla; stop jij ook.” Angulimāla vroeg wat de Boeddha met deze woorden bedoelde. En de Verhevene gaf ten antwoord: “Angulimāla, ik ben voor altijd gestopt met het plegen van geweld jegens al wat leeft. Maar jij niet.”
   Bij het horen van deze woorden was Angulimāla diep bewogen. Hij besloot alle kwaad op te geven. Hij vroeg tot de Sangha toegelaten te worden. En met de woorden: “Kom, bhikkhu,” nam de Verhevene hem op in de Orde van de monniken. Angulimāla werd in de leer en in de gedragsregels voor monniken onderwezen. Hij streefde ijverig en met volharding naar het opperste doel. En hij bereikte de volmaakte heiligheid. De vroegere moordenaar werd een Arahant.

   De ruïnes van het huis van de ouders van Angulimāla zijn nog te zien. En ook de ruïnes van het huis van Anāthapindika. Beide huizen waren zeven verdiepingen hoog, met grote voorraadkamers en schatkamers.
   
   Te Savatthi heeft de Boeddha veel gepreekt, o.a. over de onvermijdelijke dood, en over het verkrijgen van een vredig en kalm gemoed door meditatie over welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Ook gaf hij er de raad om bij angst, vrees of ontzetting te denken aan de Boeddha of aan zijn leer of aan de gemeenschap van de heiligen. Door zo'n denken verdwijnt die angst, vrees of ontzetting. Ook het voor leken belangrijke Maha Mangala Sutta werd er gesproken. Deze leerrede gaat over de grootste zegeningen. Ze zijn een onfeilbare gids in dit leven. Stap voor stap leiden zij naar de bevrijding van onvoldaanheid.

   Dat de Boeddha iets tegen vrouwen had, is niet waar. De Verhevene respecteerde zowel mannen als vrouwen. De Boeddha heeft zijn standpunt ten opzichte van vrouwen duidelijk kenbaar gemaakt in een toespraak tot koning Pasenadi. Diens vrouw, koningin Mallikā, had een dochter ter wereld gebracht en de koning was niet blij met haar. De Boeddha zei toen o.a. “Sommige vrouwen zijn werkelijk beter dan mannen. Er zijn vrouwen die wijs zijn en deugdzaam en die correct leven.”

   In de derde eeuw voor Chr. bracht keizer Asoka een bezoek aan de plaats Sāvatthi. Volgens mededelingen van de Chinese pelgrim Fa Hien die Sāvatthi in het begin van de vijfde eeuw n.C. bezocht, heeft Asoka er twee zuilen opgericht, elk 21 meter hoog. Die zuilen stonden aan de linker en rechter poort van het Jetavana-klooster. Op de top van de ene zuil was een wiel en op de andere een stier. Ook vermeldt deze pelgrim dat door de keizer in de buurt van dit klooster een stoepa was opgericht voor relieken van de Boeddha.
   Tevens lokaliseerde hij de ruïnes van de huizen van Sudatta (Anāthapindika) en van de ouders van Angulimāla. Ook beschreef hij een nonnenklooster in de stad Śrāvastī en de ruïnes van het Pubbarama-klooster.

   Ten tijde van de Kuśanas (begin Christelijke tijdrekening) werd het Boeddhisme populair en kreeg steun van de koning. Het Jetavana-klooster kwam weer tot leven; er ontwikkelde zich een school van de Sarvāstivādins. Nieuwe stoepas en tempels werden er gebouwd en beelden van de Boeddha werden er opgericht.

   Onder de Guptas (320-730 n.C.) was er een herleving van het Brahmanisme. Toch was er een voorspoedige tijd in het Jetavana-klooster.

   Ten tijde van koning Hasha (606-647 n.C.) die een vurige Boeddhist was, werd door de Chinese pelgrim Hiuen Tsang een bezoek gebracht aan Śrāvastī. De plaats was een ruïne, maar er woonden nog enkele Boeddhisten en nog meer niet-Boeddhisten.
   Ook deze pelgrim bemerkte de ruïnes van de huizen van Anāthapindika en van de ouders van Angulimala. Tevens zag hij het nonnenklooster, het Pubbarama-klooster en de twee zuilen van Asoka, en verder een bakstenen tempel met het beeld van de Boeddha en enkele ruïnes van stoepas.

   Tot 1863 bleven de ruïnes van Śrāvastī in de vergetelheid. Toen werden zij ontdekt door Sir Alexander Cunningham en geïdentificeerd met Sāvatthi.

   Tegenwoordig zijn er meerdere kloosters met gastenverblijven gebouwd. Er is ook een modern nonnenklooster.

Link naar enkele foto's: https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaMkVoS1NrVEt1NlE/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:34 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #3 Gepost op: 08-07-2017 22:26 »
3. Piprahva (Maha-Kapilavatthu)

   Na de verwoesting van Kapilavatthu keerden de gevluchte Sakyas terug en bouwden een nieuwe stad. Zij kreeg de naam Maha-Kapilavatthu (volgens sommigen: Kariyanagara). Ze wordt geïdentificeerd met Piprahva in het district Bacti, Uttar Pradesh, India. Deze plaats ligt ca 16 km ten zuidwesten van Kapilavatthu.

   Na het overlijden van de Boeddha vroegen de Sakyas van Kapilavatthu een deel van de relieken van de Verhevene. Zij kregen een achtste deel. Boven die relieken richtten zij een stoepa op. Deze stoepa is niet teruggevonden. Wel zijn in 1898 te Piprahva, nabij het dorp Ganvanriyā (Ganwaria) ruïnes van een tempel en een stoepa ontdekt, en ruïnes van een paleis. In dat paleis zijn granen en rijstkorrels gevonden in de keuken ervan. De tempel was bedoeld voor de monniken te Maha-Kapilavatthu. In de stoepa werd o.a. een urn gevonden. Aanvankelijk leverde de interpretatie van het opschrift enige moeilijkheden op. Men dacht eerst dat deze stoepa opgericht was door de bewoners van Maha-Kapilavatthu ter herinnering aan hun voorouders. Maar later bleek uit het opschrift (in Māgadi- en tevens in Brāhmi-schrift) dat deze stoepa een reliekschrijn is, gesticht door Sukiti en zijn familieleden. De urn bevat relieken van de Boeddha.

      Het Brāmi lettertype op de urn is uit de 2e eeuw voor Christus. De bijgaven in de urn kwamen pas in de 2e eeuw v.C. in gebruik. Er is verder een kristallen doos gevonden die uit de eerste eeuw v.C. stamt. De gevolgtrekking is dat alles uit de eerste eeuw v.C. dateert en pas veel later na de dood van de Boeddha daar geplaatst is. De urn te Piprahva is niet de oorspronkelijke urn van de relieken. En ook de stoepa kan niet de oorspronkelijke stoepa zijn die voor de relieken van de Boeddha te Maha-Kapilavatthu opgericht is.

Link naar enkele foto's = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaN0duSXMtQmkwbWs/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:37 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #4 Gepost op: 09-07-2017 21:52 »
4. Lumbini

   De Boeddha werd als prins Siddhattha Gotama geboren te Lumbinī. Deze plaats is geïdentificeerd met de plaats Rummendei (ook: Rupandehi) in de westelijke Terai van het koninkrijk Nepal. Uit eerbied is de naam van deze plaats thans weer Lumbinī. De ligging ervan is ca 30 km vanaf de grensplaats Belhiya (aan Indiase kant: Sonauli). Ten oosten van Lumbinī stroomt het riviertje Tilar-nadi.
   Lange tijd was Lumbinī bij de plaatselijke bevolking bekend als Rumandei Devi.  Zij dachten dat het een gewijde plaats van een godin was en brachten er dierenoffers.
   Lumbinī was al vóór de geboorte van de Boeddha een mooi park met sala-bomen waar de bevolking van Kapilavatthu en Devadaha zich kwam verpozen.

   Zijn moeder was koningin Māhā Māyā, van geboorte prinses van de stam van de Koliyas. Zijn vader heette Suddhodana Gotama. Hij was het hoofd (gouverneur) van de stam van de Sakyas met als residentie Kapilavatthu.

   Na de conceptie in haar schoot droomde koningin Māhā Māyā dat een kleine witte olifant in haar lichaam was binnengetreden. Die droom werd door lieden die bekwaam in zulke dingen waren, uitgelegd als een gunstig voorteken. Het kind zou volgens hen een groot man worden met buitengewone vermogens. Precies tien maan-maanden na die droom verwachtte koningin Māhā Māyā haar kind. Het was in die tijd de gewoonte dat een aanstaande moeder naar het huis van haar ouders ging om daar haar kind ter wereld te brengen. Ook koningin Māhā Māyā begaf zich op weg naar haar ouders te Devadaha. De afstand van de residentieplaats Kapilavatthu naar Devadaha is iets meer dan 60 km. Ongeveer halverwege rustte zij uit in het park te Lumbinī. En daar werd onder een bloeiende sala-boom de Boeddha van dit tijdperk geboren. Volgens de Theravada-traditie was het op de dag van volle maan in mei (Vesakha) in het jaar 623 voor Christus. (Een andere telling houdt 563 v.C. aan).

   De geboorte geschiedde zoals dat voor Bodhisattas (gebruikelijk is. Zoals andere vrouwen baren, als zij negen of tien maanmaanden de vrucht in het lichaam hebben gehad, zó baarde de moeder van de Bodhisatta hem niet. Maar zij baarde nadat zij de Bodhisatta precies tien maan-maanden in het lichaam had gehad. En zij baarde niet zittend of liggend, zoals andere vrouwen; zij baarde het kind staande. Met één hand hield zij zich daarbij vast aan een tak van een bloeiende sala-boom. 
   Na de geboorte van haar zoontje keerde koningin Māhā Māyā terug naar Kapilavatthu. In het hele land was er grote vreugde over de geboorte van de prins.

   Keizer Asoka bezocht deze gewijde plek in 249 voor Chr. Ter herinnering aan dat feit liet hij een stenen zuil met een paardenkapiteel oprichten. De inscriptie erop in Brāhmī schrift en Māgadhī-taal luidt in het Nederlands: “Koning Piyadassi (=Asoka), de lieveling van de goden, bracht in het 20e jaar van zijn kroning persoonlijk een koninklijk bezoek, omdat de Boeddha, de wijze van de Sakyas, hier geboren is. Een stenen hekwerk werd gebouwd en een stenen zuil opgericht. Aangezien de Verhevene hier geboren is, is het dorp Lummini [= Lumbini] vrij van belasting en heeft het recht op het achtste deel.”

   Op 1 december 1886 werd de Asoka-zuil ontdekt door generaal Khadga Sumsher J.B.R. In november 1896 legde een Nepalees team van archeologen deze zuil bloot. Op 1 december d.o.v. maakte de Duitse archeoloog Dr. Alois Fuhrer een foto van de inscriptie erop, waarna hij de tekst publiceerde.
   Behalve deze stenen zuil liet keizer Asoka hier ook een stoepa bouwen.

   Ten noorden van de zuil was de Maha Maya tempel, gebouwd in de 8e/9e eeuw. Deze tempel is afgebroken. Hij was opgericht boven op de ruïnes van verscheidene opeenvolgende gebouwen. Daaronder was het prachtig versierde voetstuk van een vroegere tempel. Het werd in 1899 uitgegraven door P.C. Mukherji. Maar het voetstuk werd helemaal overdekt door de muren van het platform dat er later aangelegd werd.
   In 1996 werd de oude Maha Maya tempel afgebroken. De ruïnes van de oude tempel eronder werden blootgelegd. En men vond aanwijzingen dat dit de exacte geboorteplek van prins Siddhattha Gotama is. Boven de oude ruïnes is een modern gebouw opgericht.

   In die oude tempel bevond zich een verweerd reliëf dat dateert uit het begin van de Christelijke tijdrekening. Dit reliëf stelt de geboorte van de Boeddha voor. Omdat het erg verweerd is, werd een nieuw reliëf vervaardigd dat hetzelfde tafereel voorstelt. Het bas-reliëf toont koningin Māhā Māyā terwijl zij zich met haar rechter hand vasthoudt aan een tak van een sala-boom. Haar linker hand rust op haar heup; rechts van haar een vrouw, vermoedelijk haar zuster Māhā Pajāpatī Gotami. Achter deze laatste is de lichtgebogen gestalte van Sakka, de koning van de goden. De kleine gestalte van Siddhattha met een stralenkrans rond zijn hoofdje staat aan de onderkant. Juist achter Sakka is een mannelijke figuur te zien.

   Ten zuiden van de Maha Maya tempel is een vijver. Volgens sommigen bestond deze vijver al te Lumbinī vóór de aankomst van koningin Māhā Māyā. Zij zou er juist voordat zij prins Siddhattha ter wereld bracht, een bad hebben genomen.

      Op de oostelijke oever van de vijver zijn veel stenen ruïnes; de meeste ervan zijn fundamenten van kleine stoepas. Onder deze ruïnes bevinden zich eerdere grondvesten.
   Nabij de zuidoostelijke hoek van de vijver zijn de resten van een bakstenen klooster.

   Volgens vroege Chinese pelgrims, Fa-Hien (403 na Chr.) en Hiuen-Tsang (636 na Chr.), die Kapilavatthu en Lumbinī bezochten, was de hele streek vol met ruïnes van talrijke stoepas, kloosters en paleizen.
   
   Eeuwenlang werd aan deze gewijde plaats geen aandacht meer geschonken. In 1956, bij gelegenheid van de 4e Wereldconferentie van Boeddhisten, schonk wijlen koning Mahendra van Nepal een grote som geld voor de ontwikkeling van Lumbinī. Vanaf toen begon de ontplooiing van dit gebied.
   
   In 1995 waren archeologen er bezig met opgravingen. Zij vonden een ca 1600 jaar oud beeld van de Bodhisatta Gotama en zijn vrouw Yasodhara. Deze ontdekking is geheim gehouden tot de 1e week van december 1995.
   Men denkt dat het beeld ontstaan is tussen de 4e-6e eeuw na Chr. Volgens de archeologen is het beeld heel zeldzaam. Het werd gevonden in de zuidoost-hoek van de Mahadevi tempel te Lumbini op 25 juli 1995. Het beeld schijnt te zijn beïnvloed door de Gandha kunst.
   Het tafereel toont prinses Yasodhara in slaap met haar pasgeboren zoontje Rahula. De Bodhisatta zit in koninklijke houding, met zijn linker hand op Yasodhara’s knie. Zijn rechter hand ligt op zijn eigen knie.

   Een hele tijd was Lumbinī in handen van de Hindoes en niet meer van de Boeddhisten. Alleen de Nepalese tempel daar werd nog beheerd door een Boeddhistische monnik, met veel moeite. Thans is het hele gebied vol met Boeddhistische tempels uit vele landen.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WacHJ3aEttalNrNTA/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:38 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #5 Gepost op: 10-07-2017 22:23 »
5. Kapilavatthu (Tilaurakot)

    De Boeddha was de zoon van de adellijke Suddhodana Gotama; deze werd tot Rāja, tot gouverneur van de oligarchische Sakya-republiek gekozen.  Die republiek was onderworpen aan de Mahārāja (koning) van Kosala. De residentie van de Sakyas was Kapilavatthu. Ze is ontdekt door P.C. Mukherjie, en geïdentificeerd met Tilaurakot, aan de rivier Banganga. De naam van deze rivier was vroeger Bhagirathi. Tilaurakot ligt ca 4 km ten noorden van Taulihawa en ongeveer 25 km ten westen van Lumbini, in de zuidwestelijke vlakte van Nepal, ten zuiden van het voorgebergte van de Himālayas. De rivier Rohini stroomt er nog steeds en heeft nog dezelfde naam. Aan de overzijde van die rivier lag de stad Koliya, de hoofdstad van de Koliyas. Tussen beide steden was een enkele dam.

   In prehistorische tijden was deze plaats gelegen aan de oever van een meer. Er stonden veel sala-bomen. Er woonde een heilige met naam Kapilamuni. Op die plek ontstond het Sakya-koninkrijk.
   Koning Okkaka van Kosala behoorde tot het zonneras van het Ikshanku-geslacht. Volgens de legende trad hij na de dood van zijn eerste vrouw voor een tweede keer in het huwelijk. Uit het eerste huwelijk had hij negen kinderen: vier zonen en vijf dochters. De zonen heetten: Ulkamukha, Karandu, Hastinika en Sinisura; de namen van de dochters zijn: Priya, Supriya, Ananda, Vijita en Vijitasena.
   De tweede vrouw van koning Okkaka baarde hem een zoon met naam Jayantu. Zij dwong de koning om zijn negen kinderen uit het eerste huwelijk te verbannen en de troon te geven aan haar eigen zoon. Okkaka liet zijn negen kinderen toen naar het bos brengen.
   Van de hoofdstad Saketa gingen de kinderen in de richting van de Himālayas. Zij kwamen bij de kluis van de heilige Kapilamuni aan, en vonden er onderdak. De wijze vroeg hun een stad te stichten. Omdat de grond door de wijze Kapilamuni was gegeven, werd de residentie Kapilavatthu genaamd.
   Na verloop van tijd bereikten de prinsen en prinsessen de huwbare leeftijd. Omdat zij van een endogame stam waren, hadden de prinsen seksuele omgang met hun jongere zusters. De oudste prinses Priya werd tot koningin-moeder benoemd en prins Ulkamukha werd de eerste koning.
   Priya ontmoette later Rama, de koning van Varanasi. Zij huwden en stichtten de stad Devadaha aan de oostelijke grens van Kapilavatthu. Zij brachten het geslacht voort van de Koliyas. – Tot zover de legende.

   Koningin Mahā Māyā, de moeder van Siddhattha, stierf op de zevende dag na de geboorte van haar kind. Zij werd in de Tusita-hemel wedergeboren. Pajāpatī Gotamī, een zuster van de koningin, zorgde toen voor de baby en voedde hem op als ware hij haar eigen zoon.
   Toen Siddhattha Gotama opgroeide, kreeg hij samen met de kinderen van adellijke families les in burgerlijke en krijgskunsten. Tot aan de volwassenheid werd hij er opgevoed temidden van een overvloed aan materiële weelde. In menige tak van wetenschap werd hij bedreven. En ook beoefende hij vaak serieuze contemplatie.
   Siddhattha huwde volgens de gewoonte van die tijd op jeugdige leeftijd – hij was 16 jaar – en wel met zijn nicht Yasodharā. Zij was de dochter van koning Suppabuddha en koningin Pamita van de stam van de Koliyas. Yasodharā was even oud als Siddattha en was zeer mooi en charmant. Het ontbrak beiden aan niets en zij leefden in luxe en plezier.
   Af en toe verliet Siddhattha het paleis en maakte met zijn koetsier tochten naar de parken. Op die tochten ontmoette hij achtereenvolgend een oude man, een zieke en een lijkstoet. En bij elke ontmoeting dacht hij: “Geboorte moet toch iets beroerds zijn, omdat immers na geboorte ellende verschijnt.” (nl. ouderdom, ziekte en dood).

   Op zijn laatste tocht naar de parken ontmoette hij een asceet. En na deze ontmoeting vatte ook Siddhattha het voornemen op om een leven tot heil te leiden. Hij was toen 29 jaar. Hij verliet zijn gezin en ging op zoek naar de onvergelijkbare innerlijke vrede. Volgens de Theravāda-traditie was het op de dag van volle maan in juli (Asalhā).
   Na meerdere omzwervingen bereikte hij de Verlichting, vond de onvergelijkbare innerlijke vrede in Bodh-Gayā. En hij werd de Boeddha van dit tijdperk. Hij bezocht zijn vaderstad Kapilavatthu in het 1e, 5e en 15e jaar na zijn Verlichting.

   Drie jaar voor het overlijden van de Boeddha werd Kapilavatthu aangevallen en in brand gestoken door Vidūdabha van Kosala. Hij was de zoon van koning Pasenadi en koesterde een wrok jegens de Sakyas, omdat zijn moeder geen echte prinses was maar de dochter van een slavin. Want toen zijn vader, koning Pasenadi van Kosala, in de stam van de Sakyas wilde introuwen, zond hij gezanten naar Kapilavatthu met de opdracht de hand van een van de Sakya-prinsessen te vragen. De Sakya-prinsen wilden koning Pasenadi niet boos maken en antwoordden dat zij het verzoek inwilligden. Maar in plaats van een Sakya-prinses stuurden zij Vāsabha Khattiya, een mooi meisje geboren uit concubinaat van koning Mahānāma en een slavin. Koning Pasenadi trouwde haar en zij werd een van zijn hoofdvrouwen. De zoon uit deze verbintenis werd Vidudabha genoemd. Toen deze 16 jaar oud was, werd hij naar Kapilavatthu gestuurd om er koning Mahānāma en de Sakya-prinsen te bezoeken. Hij werd er met enige gastvrijheid ontvangen, maar alle Sakya-prinsen die jonger waren dan Vidudabha, waren naar een veraf gelegen dorp gestuurd zodat zij hem geen eer hoefden te betuigen. Na enkele dagen in Kapilavatthu gebleven te zijn, ging Vidudabha met zijn gevolg naar huis. Niet lang na hun vertrek waste een dienstmeisje met melk de plaats waar Vidudabha had gezeten. Tijdens deze bezigheid zei zij: “Dit is de plek waar die zoon van een slavin gezeten heeft.” Een vrouw uit het gevolg van Vidudabha die in Kapilavatthu woonde, hoorde deze woorden. Zij zond een boodschap naar Vidudabha dat zijn moeder de dochter van een slavin was.
   Toen Vidudabha dit vernam, werd hij dol van woede en hij riep dat hij ooit de hele stam van de Sakyas zou uitroeien.
   Na de dood van zijn vader ging hij met een leger naar Kapilavatthu. Drie keer vroeg de Boeddha hem de stad te ontzien. Maar bij de vierde keer viel Vidudabha aan, nam Kapilavatthu in en metselde een deel van de inwoners neer. Daarna werd de stad in brand gestoken. Het was omstreeks 546 voor Christus. De stad werd nooit meer herbouwd. Sporen van verbrande stenen uit de 6e eeuw v.C. zijn er nog te zien.
   Op de terugtocht sloeg Vidudabha met zijn leger een kamp op in de zandige bedding van de rivier Aciravati. Die nacht was er hevige regenval in de hoger gelegen delen van het land. Door de grote massa water dat met enorme kracht naar beneden stroomde, werd Vidudabha met zijn hele leger weggespoeld; zij allen verdronken.

   Ten tijde van de Chinese pelgrim Fa-Hien die India en Nepal in het begin van de vijfde eeuw na Chr. bezocht, waren er alleen ruïnes in Kapilavatthu. Thans zijn er nog slechts enkele overblijfsels van de stad. Ook zijn er twee stoepas die opgericht zijn ter ere van koning Suddhodana en koningin Mahā Maya. De laatste stoepa is voor een groot deel afgebroken omdat de stenen door de omwonende bevolking gebruikt werden. Deze twee stoepas heten de tweeling-stoepas. Een derde stoepa is niet ver ervandaan opgericht voor het paard Kanthaka.

        Bij het tweede bezoek aan Kapilavatthu waren door zware regenval enkele bruggetjes weggespoeld. Daarom moesten wij toen van Lumbini naar Kapilavatthu een omweg maken via Butwal, meer dan 100 km. Gelukkig reden wij toen door grote bossen met sala-bomen.


Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaOWVqdTdKcmZhQzg/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:41 door nico70+ »

lord rainbow

  • Gast
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #6 Gepost op: 11-07-2017 07:44 »
Mooi die fotovideo's.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #7 Gepost op: 11-07-2017 14:55 »
6. Kushinagar (Kusinārā) 

   De oude plaats Kusinārā heet thans Kushinagar. Ze was gelegen aan de oever van de rivier Hiranyavatī. Met deze rivier is mogelijk bedoeld de huidige Kleine Gandakh, een zijrivier van de Ghaghra. De ruïnes van Kusinārā liggen nabij de stad Kasia, in de deelstaat Uttar Pradesh, India, ongeveer 35 km ten noordoosten van Deoria. Kuśinagar is circa 100 km ten zuidoosten van Lumbinī en 110 km (in vogelvlucht) van Piprahva. 

   Kusinārā was ten tijde van de Boeddha een dorp. Maar heel vroeger was het de residentie van een machtige koning. Die residentie heette toen Kusavatī en was ca 19 km lang en ca 11 km breed. Ze was een welvarende stad met een grote bevolking.

   Van Beluva – waar de Boeddha van een zware ziekte was genezen – was hij via Vesāli en enkele andere plaatsen naar Kusinārā gegaan. Daar ging hij in het sala-park van de Mallas neerliggen. Hij vroeg aan Ānanda naar Kusinārā te gaan en aan de Mallas mee te delen dat in de laatste nachtwake (van 2-6 uur) de Verhevene zou heengaan in Parinibbana.
   Na de woorden van Ānanda begaven de Mallas van Kusinārā zich naar het sala-park en betoonden hun eerbied aan de Verhevene, reeds in de eerste nachtwake (18-22 uur).
   In Kusinārā leefde toen de zwervende asceet Subhadda. Hij had twijfel over enkele zaken en wilde daarom nog de Boeddha raadplegen. Hij werd door de Volmaakte onderwezen. Subhadda wilde daarna in de Orde intreden en ontving in tegenwoordigheid van de Boeddha de wijdingen. Hij was de laatste discipel die door de Boeddha zelf bekeerd werd. Na niet lange tijd werd Subhadda een van de heiligen (Arahants).

   De Boeddha vermaande de monniken dat zij ernstig en met oplettendheid moesten streven naar de bevrijding van lijden. Daarna trad hij in de meditatieve verdiepingen (jhanas) en ging heen in de hoogste vrede.

   Sommigen zeggen dat de Boeddha overleden is 218 jaren vóór de kroning van keizer Asoka. Dan zou die dood hebben plaatsgehad tussen 487 en 483 voor Chr. Volgens de traditie van de Theravāda-school is de Volmaakte overleden in 543 v.C., in het 45e jaar na de Verlichting, in de maand Vesakha (mei) op de dag van volle maan. 

   De Mallas van Kusinārā eerden het lichaam van de Boeddha zeven dagen lang. Toen werd het lichaam van de Verhevene in veel nieuwe gewaden en uitgerafeld katoen gehuld. Buiten de stad, bij het gedenkteken Makutabandhana, werd een brandstapel gemaakt. En daar werd het lichaam van de Boeddha gecremeerd.    
   De relieken werden door de Mallas weer zeven dagen lang vereerd. Hierna werden die relieken in acht gelijke delen verdeeld. Ook de urn en de as werden als overblijfselen van de Boeddha verdeeld. Over het hele land verspreid werden toen tien stoepas opgericht boven de relieken, de urn en de as. Ook te Kusinārā werd een stoepa opgericht boven een deel van de relieken van de Volmaakte. Die stoepa is niet teruggevonden.

   Op de plek waar de Boeddha is heengegaan in de hoogste vrede, staat de Nibbana-tempel. In 1876 werd die tempel volledig hersteld. In 1956 werd een nieuwe tempel gebouwd op dezelfde plek. Binnen in deze tempel is een reusachtig beeld van de liggende Boeddha. Onder de regering van Kumāragupta (413-455) werd dit beeld geschonken door Haribala, een devoot Boeddhist. Het beeld is 6,10 m lang. Het stelt de stervende Boeddha voor, rustende op zijn rechter zijde en met het gelaat naar het westen gekeerd. 

   Achter de Nibbana-tempel staat de Nibbana-stoepa. Hij werd in 1876 blootgelegd en in 1927 gerestaureerd. Deze stoepa is met beton omkleed omstreeks 1955.

   Aan de weg van Gorakhpur naar Deoria, ongeveer 1½ km van de Nibbana-tempel vandaan, staat een stoepa met naam Rāmabhar. Op deze plek is het lichaam van de Verhevene gecremeerd. Deze crematie-stoepa staat op een basis die meer dan 47 meter in doorsnede is. De stoepa zelf is ca 15 meter hoog en heeft een doorsnede van ± 34 meter. Er zijn geen relieken in gevonden.

   Kusinārā werd met de kleine republiek van de Mallas ingelijfd door het opkomende keizerrijk van Magadha (zuidelijk Bihar). In de loop der tijden werd dat keizerrijk geregeerd door Asoka van de Mauryan dynastie (ca 273-236 voor Chr.).
   Tijdens zijn pelgrimstochten naar de gewijde plaatsen van het Boeddhisme bezocht keizer Asoka ook Kusinārā en richtte er stoepas en zuilen op. Welke monumenten hij er precies heeft laten oprichten, hoe groot  ze waren en welke vorm ze hadden, is moeilijk met zekerheid te zeggen.

   De Chinese pelgrim Fa-Hien bezocht deze plaats tussen 399 en 414. Er woonden alleen nog enkele monniken. Hij zag een aantal kloosters en stoepas die de gewijde plaatsen aanduidden die eens verbonden waren met het overlijden van de Boeddha. Kusinārā behoorde in die tijd tot het opkomende keizerrijk van de Guptas. Het Boeddhisme was toen in volle bloei in het land.

   De Chinese pelgrim Hiuen Tsang bezocht India tussen 620 en 644. Kusinārā was toen een ruïne. Van de stadsmuren waren alleen nog de bakstenen fundamenten te zien. Verder zag hij er drie stoepas en twee zuilen die toegeschreven werden aan keizer Asoka. Ook vermeldde hij een grote bakstenen tempel waarin voormeld Nibbana-beeld van de Boeddha. Hiuen Tsang zag verder naast deze tempel een stoepa, gebouwd door Asoka. Die stoepa was ca 60 m hoog. Ervoor stond een stenen zuil met een vermelding van het Nibbāna van de Verhevene. Behalve het bovengenoemde vermeldde deze Chinese pelgrim nog andere gewijde monumenten in de buurt, zoals o.a. de crematie-stoepa. In zijn tijd was er ook nog een stoepa op de plek waar de eerwaarde Mahā-Kassapa de laatste eer bracht aan het lichaam van de Verhevene. En er was nog een andere stoepa die Asoka had opgericht met een zuil ervoor. Volgens de vermelding erop stond deze stoepa op de plek waar de relieken verdeeld werden.

   Een generatie na Hiuen Tsang bezocht een andere Chinese pelgrim Kusinārā. Die pelgrim heette I-tsing. Maar hij geeft weinig informatie over de monumenten. Na zijn vertrek horen wij niets uit historische noch uit literaire bronnen over Kusinārā.

   Na het langzame verval van het Boeddhisme in Noord-India tijdens de volgende eeuwen zal deze plaats weinig of geen welvaart en belangrijkheid hebben gehad. De kloosters bleven er bestaan; er kwamen er nog een paar bij en ook werden enkele stoepas en tempels gebouwd. Dit blijkt uit opgravingen.

   Omstreeks de 10e of 11e eeuw werd er een klooster gebouwd met een kapel eraan. Daarin bevond zich een beeld van de zittende Boeddha terwijl hij met zijn rechter hand de aarde aanraakt. Dit beeld is gehouwen uit één stuk en is 3,50 meter hoog. Het staat nog op de plaats waar het werd opgericht, in een moderne schrijn. De naam ervan is Māthā-kuar.

   Na een periode van meer dan 500 jaren horen wij weer iets over deze plaats. Buchanan - een ambtenaar van de Oost-India-Companie - bracht een bezoek aan Kushinagar in het begin van de 19e eeuw. De naam ervan vermeldt hij als Kesiya en het plaatsje bestond toen uit ca 100 hutten met een politiepost. Ook beschreef hij de ruïnes, maar hij was zich niet bewust van het belang ervan voor de Boeddhistische wereld.

   In 1854 opperde H.H. Wilson vermoedens over de identiteit van Kushinagar en Kasia. En in de loop van zijn bezoek aan Kushinagar in 1861-1862 kon Alexander Cunningham de identiteit ervan funderen. De plaatselijke namen van de ruïnes en heuvels trokken zijn aandacht. De hoofdzetel werd Māthā-kuar-kā-kot genaamd. Het grote heuveltje van bakstenen ruïnes lag 1½ km ten oosten ervan; bij de plaatselijke bevolking was het bekend onder de naam Rāmabhār Tila.
   Vijftien jaar later maakte A.C.L. Carlleyle, de assistent van Cunningham, uitgebreide uitgravingen ter plaatse en legde de grote centrale stoepa helemaal bloot. Ook ontdekte hij het beeld van de liggende Boeddha, het Nibbana-beeld. Het was tegenover de centrale stoepa begraven in het puin van de ruïnes van een rechthoekige schrijn.
   Hoewel de locatie van het antieke Kusinārā aldus erg zeker scheen, bleven er twijfels bestaan. Daarom werden beter geplande uitgravingen verricht door de Archeologische Dienst van India in de jaren 1904-1907 onder leiding van J.Ph. Vogel en in de jaren 1910-1911 door Hirananda Shastri. Het gevolg ervan was dat veel bakstenen gebouwen ontdekt werden, gegroepeerd rond de grote centrale monumenten. Het waren overblijfsels van kloosters, stoepas en schrijnen. Deze opgravingen brachten ontwijfelbare bewijzen van de identiteit van Kuśinagar en van de monumenten. Tengevolge daarvan was er een hernieuwing van de religieuze en culturele activiteiten die tot heden voortduren.

   Tegenwoordig zijn als belangrijkste monumenten te Kushinagar nog te zien de Crematie-stoepa en de Nibbana-tempel met het liggende Boeddhabeeld. Achter deze tempel is een stoepa. Rond de stoepa en de tempel is een aantal stenen gebouwen te zien. Het zijn ruïnes van acht kloosters waarvan één gebouwd is op de grondvesten van een ander klooster. Vier kloosters ervan zijn onderling verbonden. Ook zijn er nog enkele andere structuren te zien.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaYWxFRi1kSmtINlU/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:43 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #8 Gepost op: 12-07-2017 22:40 »
7. Vaiśalī (Vesali)

   Vesali was de hoofdstad van de Liccavis; ten tijde van de Boeddha was ze één van de grootste steden van India. Ze was een van de oudste steden van India, gesticht door koning Vaisal. De tegenwoordige naam ervan is Vaiśalī. Ze is gelegen in de deelstaat Bihar, India, circa 35 km ten zuidwesten van Muzaffarpur.

   In het 5e regenseizoen na de Verlichting ontstond in de stad Vesali hongersnood. Veel mensen stierven. Daardoor werden boze geesten aangetrokken. Ook kreeg men last van ingewandsziekten. De inwoners van Vesali nodigden toen de Verhevene uit om hen te komen helpen. Met een groot gevolg ging de Boeddha naar Vesali. Hij leerde aan de eerwaarde  Ānanda het Ratana sutta, de toespraak over de Juwelen. Zeven dagen lang werd die toespraak in de stad herhaald. Reeds bij de eerste keer waren veel mensen van hun ziekte genezen. De boze geesten werden uit de stad verdreven.

   In deze stad werd de Orde van de nonnen (Bhikkhuni Sangha) ingesteld. Het was op verzoek van Māhā Pajāpatī Gotamī. Volgens de overlevering weigerde de Boeddha aanvankelijk, maar stemde hij toe op aandringen van de eerwaarde Ānanda. De weigering van de Boeddha en het verzoek van Ānanda zijn zeer waarschijnlijk latere toevoegingen van tot het Boeddhisme bekeerde brahmanen.

   In het laatste jaar van zijn leven ontving de Verhevene van de courtisane Ambapāli haar mango-bos. Hier gaf hij veelvuldig onderricht aan de monniken.

   In het dorp Beluva, gelegen voor de zuidelijke stadspoort van Vesali, bracht de Boeddha de laatste regenperiode door. Hij was toen erg ziek, werd door Ānanda goed verpleegd en herstelde weer.
   Daarna ging de Boeddha naar het Cāpala-gedenkteken te Vesali. Daar zag hij volbewust en bezonnen af van verdere vorming van leven. Weldra zou hij uitdoven (= definitief heengaan in de volmaakte Vrede). Ānanda vroeg hem nog te blijven leven. Maar de Verhevene vond die vraag niet passend. Hij was oud en zijn lichaam was versleten. En hij gaf de raad: “Weest een eiland voor uzelf; weest uzelf tot toevlucht; zoekt geen andere toevlucht. De leer zij u tot eiland en tot toevlucht.” - De plaats van dit gedenkteken is niet bekend.
   
   Na het overlijden van de Gezegende kregen de Liccavis een deel van de relieken. Zij richtten er een stoepa voor op in de nabijheid van Vesali. Die stoepa is afgebroken; alleen de fundamenten ervan zijn nog over. Boven die fundamenten is een dak gemaakt ter bescherming tegen zon en regen. De relieken die in deze stoepa gevonden zijn, zijn overgebracht naar het museum te Patna.

   Een andere stoepa is opgericht te Vesali. Die stoepa bevat een helft van de relieken van de eerwaarde Ānanda. De andere helft is te Rajgir begraven.

   Omstreeks 483 v.C. had te Vesali het tweede Boeddhistische concilie plaats. Het was tijdens de regering van koning Kālaśoka of Kākavarnin. Dat concilie werd gehouden met betrekking tot tien regels van discipline die door de oostelijke monniken werden aangenomen. Zij leefden te Vesali en Pātaliputta. De westelijke monniken van Kosambi, Pāttheyya en Avanti protesteerden hiertegen. De controverse leidde tot de verdeling van de Sangha in twee groepen: de oostelijken en de westelijken. De oostelijken werden bekend als Mahasanghikas en Āchariyavāda; de meer orthodoxe westelijken werden bekend als Theravāda (Sthaviravāda).

   In de nabijheid van de stoepa voor de relieken van de eerwaarde Ānanda heeft keizer Asoka een zuil opgericht. Deze zuil met leeuwenkapiteel is nog geheel intact. Hij was omgevallen en met zand en aarde bedekt vóór de inval van de Turkse Mohammedanen, 11e-12e eeuw.

   Te Vaiśalī is verder nog een grote kunstmatige vijver te zien. Deze vijver bestond al ten tijde van de Boeddha.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaTzdLVnRHYzNSdmM/view?usp=sharing
 
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:45 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #9 Gepost op: 13-07-2017 18:12 »
8. Patna

   De tegenwoordige stad Patna heette vroeger Pātaligāma. Het dorp Pātali (Pātaligāma) was een dorp in het koninkrijk van Magadha. Naar men zegt ontsproten op de dag dat men plannen maakte om het dorp te bouwen, twee of drie pātali-scheuten op de plek waar het dorp zou komen. Daarom werd dat dorp “het dorp van pātali” (Pātaligāma) genoemd. De pātali is de trompetbloem, bignonia suaveolons. Het dorp kreeg later de naam Pātaliputta bij de bouw van een nieuwe stad. Pātaliputta wordt door het commentaar als volgt uitgelegd: putta stamt af van ‘puta’ = doos. Het heeft vermoedelijk betrekking op het openbarsten van de zaaddoos van de Patali-bloem.
   Deze plaats was de hoofdstad van Magadha. Ze is geïdentificeerd met ruïnes nabij de tegenwoordige stad Patna. Later werd die plaats bekend als de hoofdstad van Asoka’s keizerrijk dat ontstaan was uit het koninkrijk van Magadha. Volgens het commentaar van Dhammapāla zal een deel van de stad door vuur verwoest worden dat door de inwoners niet gedoofd kan worden. De Ganges zal een ander deel overstromen. En een derde deel zal verloren gaan door interne onenigheid. Volgens An moet deze voorspelling zijn opgeschreven nadat Pātaligāma verwoest was.
   Nabij Pātaliputta was het Kukkutārāma waar monniken vertoefden als zij naar de stad kwamen. Op advies van Udena Thera liet de brahmaan Ghotamukha een hal voor de monniken bouwen in de stad.
   In Patna is een klein park vanwaar keizer Asoka monniken heenzond naar de omringende landen.

Link naar enkele foto's = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaMkEwZW1JNnhCbnc/view?usp=sharing


« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:49 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #10 Gepost op: 14-07-2017 15:36 »
9. Nalanda
 
   Nalanda ligt ongeveer 10 km van Rajgir vandaan en 92 km ten zuidoosten van Patna, in de deelstaat Bihar, India.
   Nalanda is door de Verhevene enkele keren bezocht. Eens vertoefde hij er in het Pavarika-mangopark. De leek Kevaddha kwam naar hem toe en vroeg hem door een monnik een wonder te laten verrichten. Daardoor zouden de mensen nog meer bewondering en genegenheid voor de Boeddha hebben. De Verhevene gaf ten antwoord dat hij niet op zulke manier de leer onderwees. Wonderen zoals door de lucht vliegen of over water lopen kunnen door iedereen geleerd worden. En gedachten lezen bestaat ook bij anderen. Zulke wonderen worden door de Verhevene niet aanbevolen. Maar wel het wonder van onderricht. En hij onderwees de leek Kevaddha ook over de godenwereld en dat de grote Brahmā niet almachtig is en niet de schepper en vader is van alles. (D.11)

   In het laatste jaar van zijn leven vertoefde de Boeddha weer enige tijd in het Pavarika-mangopark te Nalanda. De eerwaarde Sāriputta zei toen dat er nooit iemand heeft geleefd, thans leeft, of nog zal leven die meer verlicht is dan de Boeddha. Hij had weliswaar geen onmiddellijke persoonlijke kennis van de Gezegenden van vroegere of toe­komstige tijden. Maar hij was de wetmatigheid van de leer te weten gekomen op grond van conclusies.
    Op de plek waar de eerwaarde Sāriputta dit absolute vertrouwen in de Boeddha verkondigde, staat thans een stoepa. Deze stoepa ligt op het terrein van de oude universiteit van Nalanda.
   Volgens de overlevering liet keizer Asoka een tempel bij deze stoepa bouwen.

   Deze universiteit is de oudste Boeddhistische universiteit van India. Ze is gesticht omstreeks het begin van de Christelijke tijdrekening. Aanvankelijk was die universiteit een geestelijk opleidingscentrum voor Boeddhistische monniken. Alle voorzieningen voor hen waren gratis.
   Volgens een Tibetaanse bron begon de filosoof Nāgārjuna, 2e-3e eeuw n.C., zijn studies daar. De universiteit was toen al erg beroemd.
   Op het terrein van die universiteit zijn tussen 415-454 n.C. door Kumāragupta I zes kloosters gebouwd voor de monniken die er studeerden. Honderd dorpen waren aangewezen om voor die monniken te zorgen.
   In de 6e eeuw werden er ook wereldlijke wetenschappen onderwezen aan de monniken. De universiteit kreeg internationale faam. Volgens Chinese pelgrims studeerden er toen ongeveer 3000 monniken. Ook leken werden er toegelaten.
   In de 8e eeuw werd Nalanda een groot centrum van de Mahayana-filosofie. Er was een nauw contact tussen Nalanda en Tibet.
      
   Nalanda bleef een centrum van studie onder de Pāla dynastie (8e-12e eeuw). Ten tijde van de laatste keizer van de Pāla dynastie werd Nalanda niet meer door hem gesteund. Het ging toen steeds slechter met de universiteit. Het Boeddhisme was toen al minder populair geworden door toedoen van brahmaanse filosofen en predikers.
   Omstreeks 1200 werd Noord-India veroverd door Turkse moslims. Zij hadden geen respect voor andere religies. Zij verdreven of vermoordden de monniken en verwoestten veel kloosters. Ook te Nalanda werd veel vernietigd. De meeste monniken vluchtten; slechts enkelen bleven. In 1235 werd Nalanda opnieuw aangevallen. Er waren toen nog maar twee kloosters over, bewoond door ongeveer 70 monniken.

   Het oudst bewaard gebleven Boeddhabeeld van Nalanda is van omstreeks 300 na Chr. Het is van zwarte steen en staat in een kleine hindoe-tempel gelegen vlak naast het oude universiteitsterrein. Dit beeld wordt speciaal vereerd in geval van ziekte.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaWi1GcGs3b3F5Zzg/view?usp=sharing


« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:50 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #11 Gepost op: 14-07-2017 15:40 »
10. Rajgir (Rājagaha)

   De tegenwoordige plaats Rajgir heette vroeger Rājagaha. Ze is gelegen in het district Patna, in de deelstaat Bihar, India. Ze ligt 21 km ten zuidoosten van Bihar Sharif en circa 100 km ten zuidoosten van Patna.
   Rājagaha betekent: koninklijke residentie. Ze was de hoofdstad van Magadha. Ten tijde van de Boeddha heerste er koning Bimbisāra (circa 543-491 v.C.). Bimbisāra was de eerste koninklijke patroon van de Verhevene. Op 15-jarige leeftijd besteeg hij de troon en regeerde 52 jaar lang. Zijn hoofdvrouw was Kosala Devi, dochter van koning Maha Kosala. Zij was een zuster van koning Pasenadi Kosala. Uit het huwelijk van Bimbisāra en Kosala Devi werd een zoon geboren: Ajātasattu.

   Een andere oude naam voor deze plaats is Giribbaja. Ze ligt in een dal temidden van vijf heuvels (giri). De namen van die heuvels zijn in het Pāli: Vebhāra, Pāndava, Veppula, Gijjhakūta en Isigili. De heuvel Isigili dankt zijn naam aan het feit dat in het verleden 500 Pacceka-Boeddhas lange tijd op die heuvel woonden. Aan de voet ervan waren zij zichtbaar, maar wanneer zij de heuvel omhoog gingen, waren zij niet meer zichtbaar. De mensen zeiden daarom dat de berg die zieners verzwolg (isigilati). En zo ontstond de naam van deze heuvel. (M.116)
   Tegenwoordig is  de onderverdeling van de heuvels veranderd en zijn er meer namen voor, namelijk: Vaibharā, Ratna, Vipula, Gridhakuta, Chhathā, Saila, Udaya en Sonā.

   Zes regenperiodes bracht de Verhevene door in deze plaats, en wel in het 2e, 3e, 4e, 17e en 20e jaar na de Verlichting. Ook vertoefde hij er in het laatste jaar van zijn leven.

   Vóór zijn Verlichting was de Verhevene al eens in Rājagaha geweest. Hij had er een ontmoeting met koning Bimbisāra, die hem vroeg in Rājagaha te blijven. Maar de Verhevene weigerde. Hij wilde toen immers op zoek gaan naar het Doodloze, het hoogste heil. De Verhevene beloofde echter terug te komen wanneer het Doodloze gevonden was. Na de Verlichting keerde hij daarom terug naar Rājagaha. En koning Bimbisāra werd in de leer onderwezen. Hij schonk zijn bamboe-park Veluvana aan de Boeddha. Men kon er ongestoord vertoeven. In dat park onderwees de Verhevene eens 1250 Arahants die er gelijktijdig en spontaan waren samengekomen. Op die plek is een beeldje te zien van de Boeddha.

   De Boeddha vond Rājagaha een verrukkelijke en aangename plaats om te verblijven. Herhaaldelijk heeft hij dat benadrukt. Zijn geliefkoosde plek was de Gijjhakūta of Gierepiek. Koning Bimbisāra liet naar de top ervan een stenen pad aanleggen. Op die top bevond zich de residentie van de Verhevene. Niet ver ervandaan was het verblijf voor de eerwaarde Ānanda. Op de helling van deze heuvel zijn twee grotten. Hierin hadden de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Mahā Moggallāna elk hun verblijf.
   Ongeveer op de helft van de Gridhakūta-heuvel heeft een Chinese pelgrim een tempel gebouwd. Alleen de fundamenten ervan zijn nog over.

      Andere plekken die de Boeddha te Rājagaha mooi vond, zijn o.a. de Saptaparni-grot, het meer in het Veluvana-park en het mango-bosje van de arts Jīvaka. Deze Jīvaka was arts aan het koninklijk hof en werd de arts van de Boeddha. Drie keer per dag bezocht hij de Verhevene. Hij liet een ziekenhuis bouwen in zijn eigen mango-bosje. Na de inwijdingsceremonie ervan bereikte de arts het eerste niveau van heiligheid; hij werd een Sotāpanna.

   In Rajgir zijn beroemde warme bronnen aan de noordelijke helling van de heuvel Vaibhara. Die bronnen worden (door de Hindoes) heden nog steeds gebruikt om er een bad te nemen.
   Hier sprak de Boeddha de leerrede tot de jonge Sigāla. Deze leerrede is erg belangrijk voor leken. Erin wordt onderwezen hoe men in deze wereld begunstigd is en ook in de wereld hierna, o.a. door het volgende: Ouders moet men eren en als zij oud zijn, moet men voor hen zorgen. Een man moet hoffelijk zijn ten opzichte van zijn vrouw en haar niet verachten. Hij moet haar trouw zijn, haar gezag en sieraden geven. De vrouw is gastvrij voor verwanten, bezoekers en personeel. Zij is trouw. En zij beschermt wat de man meebrengt. Zij is vlijtig. Voor vrienden en kennissen is men vrijgevig, hoffelijk in taalgebruik, behulpzaam, onpartijdig en oprecht. Een werkgever zorgt voor zijn werknemers door hen werk te geven in  overeenstemming met hun bekwaamheid. Hij geeft hun loon, zorgt voor hen bij ziekte en geeft aan hen nu en dan verlof. De werknemers vervullen hun plichten goed en houden de goede naam en faam van de werkgever oprecht.
   
   In het 37e jaar na de Verlichting liet prins Ajātasattu zijn vader Bimbisāra gevangen zetten en daarna doden. De muren van de gevangenis waren twee meter dik. Nadat hij zijn vader had laten doden, kreeg Ajātasattu gewetenswroeging. Op advies van de arts Jīvaka ging hij naar de Boeddha toe die hem in de leer onderwees. Ter herinnering aan zijn bekering is een gedenkteken gebouwd onderaan op de helling van de Gierepiek, naast het pad van Bimbisāra.

   In hetzelfde jaar als de dood van koning Bimbisāra - de Verhevene was toen 72 jaar - probeerde zijn neef Devadatta de Boeddha te vermoorden. Eerst liet hij een woedende olifant op hem  los; maar de Verhevene temde die olifant door zijn grenzenloze mededogen. Daarna huurde Devadatta moordenaars; die werden echter door de Boeddha bekeerd. Tenslotte wierp Devadatta een rotsblok van de top van de Gierepiek naar beneden. Dat gebeurde in de buurt van de residentie van de Boeddha. Deze werd slechts door een splinter van de rots gewond. Door de koninklijke arts Jīvaka werd hij toen verpleegd.

   In het laatste jaar van zijn leven, tijdens de 43e regenperiode na de Verlichting, verbleef de Boeddha ook te Rājagaha. Ajātasattu wilde toen oorlog voeren tegen de Vajjis. Maar eerst wilde hij de mening van de Verhevene hierover horen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid."
   De Verhevene noemde toen de voorwaarden voor het welzijn van een volk. De Vajjis voldeden aan die voorwaarden en daarom zag Ajātasattu ervan af om die oorlog te voeren. Hij had immers geen enkele kans op een overwinning. Die voorwaarden zijn: vaak bijeenkomsten houden, in vrede; geen nieuwe besluiten vaststellen als de oude nog goed zijn; respect tonen ten opzichte van ouderen; vrouwen en meisjes fatsoenlijk behandelen; respect tonen ten opzichte van heiligdommen; heiligen beschermen.

   Toen de regenperiode te Rājagaha beëindigd was, reisde de Boeddha o.a. via Nālanda, Pātaligama (Patna), Vesali en Pava naar Kusinārā waar hij overleed.

   Na het overlijden van de Boeddha te Kusinārā bracht de eerwaarde Maha Kassapa een deel van de relieken van de Verhevene naar koning Ajātasattu. Deze laatste bouwde er te Rājagaha een stoepa voor.

   Enkele maanden later werd er het eerste Boeddhistische concilie gehouden, en wel in een grote hal tegenover de Saptaparni-grot op de noordelijke rotswand van de heuvel Vaibhara. Die hal werd speciaal voor dat doel gebouwd door Ajātasattu. Het concilie werd gehouden onder leiding van de eerwaarde Mahā Kassapa. Vijfhonderd Arahants waren uitgekozen om de Dhamma (leer) en Vinaya (regels van discipline voor de Orde) te zuiveren en valse leringen eruit te verwijderen. Alle andere monniken moesten tijdens het concilie Rājagaha verlaten.
   Op de heuvel Vaibhara is ook het huis van de eerwaarde Mahā Kassapa.

   Na Ajātasattu verloor Rājagaha haar betekenis doordat de hoofdstad van Magadha verplaatst werd naar Pātaliputa (het tegenwoordige Patna). Dit gebeurde tijdens de regering van Udayabhadra (of: Udayin), de opvolger van Ajātasattu.

   Twee eeuwen daarna werd door keizer Asoka te Rajgir een stoepa opgericht en ook een zuil met olifantenkapiteel. Die zuil bestond al niet meer in de 7e eeuw na Chr.

   In het begin van de 5e eeuw na Chr. vond de Chinese pelgrim Fa-Hien het dal van Rajgir verlaten. Aan de overkant van de heuvels woonde een groepje monniken in het klooster in het Veluvana-park. Van de 18 kloosters te Rājagaha ten tijde van het eerste concilie was dat als enige overgebleven.   

   De Chinese pelgrim Hiuen Tsang bezocht Rajgir in de 7e eeuw na Chr. Hij zegt niet veel over deze plaats, vermoedelijk omdat hij ze verlaten aantrof. Van de oude kloosters en stoepas vond hij alleen de fundamenten en ruïnes.

   Ten westen van Nieuw Rājagriha, aan de overkant van de rivier Sarasvatī, is een grote kunstmatige heuvel. Volgens Fa-Hien is dit de plaats van de stoepa van Ajātasattu; volgens Hiuen-Tsang is het die van Asoka.
   Aan de linker kant van de tegenwoordige weg ten oosten van het Veluvana-park is een heuvel. Stenen fundamenten zijn er nog te zien. Hierop staan enkele zuilen van latere datum.

   Op een van de heuvels rond Rajgir is een moderne Japanse tempel gebouwd. Via een kabelbaan is die tempel bereikbaar.

   Rond Rajagaha was een muur aangelegd ter verdediging tegen indringers. Gedeelten van die oude stadsmuur zijn nog te zien.

   Nabij Rajagaha kan men ook nog twee grotten bezichtigen. Beweerd wordt dat de schatmeester van koning Bimbisara die heeft aangelegd. Achter de wanden van die grotten vermoeden sommigen een geheime schatkamer. 

   Tussen Rajgir en Nalanda is het geboorte-oord van de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Mahā-Moggallāna. De toegang tot het ouderlijk huis van de eerwaarde Maha Moggallana is er nog.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaRVF5cTN3ZVRZRlk/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 29-06-2018 23:04 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #12 Gepost op: 15-07-2017 23:15 »
11. Buddha-Gayā (Senānigāma)

   Buddha-Gayā (ook: Bodh-Gayā) is de plaats waar prins Siddhattha Gotama na jarenlange ascese de volmaakte Verlichting bereikte onder een vijgenboom (ficus religiosa). De plaats heette vroeger Senānigāma. Ze ligt circa 15 km van de stad Gayā vandaan, in de deelstaat Bihar, India, aan de oever van de rivier Lilajan. (De vroegere naam ervan is Nerañjara). In de nabijheid ervan ligt het dorpje Urel. Dit is het vroegere Uruvela.

   Op zijn zoektocht naar de onvergelijkbare innerlijke vrede was de Bodhisatta o.a. te Rajagaha gekomen, waar hij koning Bimbisara ontmoette. Vandaar ging hij verder naar Senānigāma, nabij Uruvela. Daar zag hij een prachtige plek met bomen en een helder stromende rivier. Ter plaatse liet hij zich neer. Weldra voegden vijf andere asceten zich bij hem. Vele jaren kwelde de Bodhisatta zich in strenge ascetische oefeningen. Tenslotte was hij een levend geraamte: per dag at hij nog slechts een holle hand vol rijst.
   Hij besefte dat ascese niet de juiste weg was en herinnerde zich hoe hij mediteerde in zijn jeugd. En hij besefte dat meditatie en concentratie de juiste weg naar de Ontwaking was. Hij besloot nog eens het pad van concentratie uit te proberen, de concentratie bereikt door oplettendheid bij het ademhalen en geleid door geordende beschouwingen.
   Hij nam weer vast voedsel tot zich. En daarom meenden de vijf andere asceten dat hij zijn streven had opgegeven. Teleurgesteld gingen zij van hem weg. Niet ver van die plek is een heuveltje waaronder de ruïnes van het huis van Sujātā. Zij bood aan de Verhevene vóór diens Verlichting rijstebrij aan. De boom waar zij deze gave aanbood, is niet ver van haar huis. De Gezegende liep met de rijstebrij iets verder tot aan de oever van de rivier. Daar at hij de rijstebrij aan de voet van een andere boom.
   Na het nuttigen van de rijstebrij stak de Verhevene de rivier over. Van een grassnijder kreeg hij nog een bundel gras om erop te zitten. Daarna ging hij verder naar de Maha Bodhi boom. Met gekruiste benen ging hij aan de voet ervan neerzitten met de gelofte niet eerder op te staan totdat Boeddhaschap bereikt was.

   In de avond vóór zijn Verlichting werd zijn huid buitengewoon helder en stralend. En in de loop van de avond en nacht van de volle maan in mei begreep hij de drie soorten weten: (1) Hij herinnerde zich op veelvuldige wijze aan vroegere vormen van bestaan. (2) Hij zag hoe de wezens verdwijnen en weer ontstaan overeenkomstig hun daden. Hij zag toen dus de wet van morele oorzaken en morele gevolgen (kamma-vipaka). (3) Verder ontstond het directe inzicht van het verdwijnen van de smetten, het inzicht van de vier edele waarheden en het inzicht van het pad naar de bevrijding van lijden. Hij wist absoluut zeker dat de opgave volbracht was.
   Op 35-jarige leeftijd had Siddhattha de onvergelijkbare innerlijke vrede, het Doodloze, Nibbāna, gevonden. En hij werd de Boeddha van dit tijdperk.

   De Verhevene bereikte de Verlichting (Bodhi) onder een vijgenboom. Deze boom wordt daarom Maha-Bodhi-boom genoemd. Aan de voet van die boom is de zogeheten "Zetel der Waarheid". Dit is de plek waar de Verhevene neerzat vóór en tijdens de Verlichting. Het is een gepolijste zandstenen troon, welke wordt toegeschreven aan keizer Asoka. De ontdekker ervan is Sir Cunningham.
   Deze "Zetel der Waarheid" werd door devote Boeddhisten vereerd met reukwerken, kaarsen en bloemen. Ook de Maha Bodhi boom werd vereerd en wel met vlaggetjes, linten, reukwerken en doeken. Helaas is dit soort verering door de Maha Bodhi Society thans bijna onmogelijk gemaakt. Beweerd wordt dat de boom ziek is en daarom speciale bescherming nodig heeft. Dat de boom ziek is, is te wijten aan het feit dat de boom te weinig water kreeg.

   Na de Verlichting zat de Boeddha zeven dagen lang neer aan de voet van de Maha-Bodhi-boom. Hij ondervond toen de hoogste zaligheid van de Bevrijding. Op het einde van die zeven dagen overdacht hij de keten van oorzakelijk ontstaan: als dit is, volgt dat; als dit er niet is, kan dat niet volgen. Met het ontstaan van het ene, ontstaat ook het andere. Met het verdwijnen van het ene verdwijnt ook het andere.
   
   Gedurende de tweede week na de Verlichting zat de Boeddha enkele meters van de Bodhi-boom vandaan. Volgens de legende staarde hij toen naar deze boom uit dankbaarheid. Op de plek waar de Verhevene toen neerzat, staat thans een kleine witte tempel, Animisalocana geheten.
   
   De derde week na de Verlichting liep de Verhevene, volgens de overlevering, heen en weer over het Cankamana-pad. Dit is tussen het Animisalocana-tempeltje en de Maha-Bodhi-boom. Ter herinnering is het pad opgehoogd en met stenen lotusbloemen versierd. Gezien vanaf de Maha-Bodhiboom is dit pad aan de linker kant van de Mahabodhi-tempel.

   Aan de voet van de Ajapāla Nigrodha boom zat hij tijdens de vierde week na de Verlichting in het geluk van de Bevrijding. Op deze plek onderwees hij in die week een hooghartige brahmaan: “De ware brahmaan is degene die vrij is van euvele dingen, die niet hoogmoedig is en die zelfbeheerst is.”

   In de buurt van het dorpje Urel ligt het Mucalinda-vijvertje. Hier moet de Mucalinda-boom hebben gestaan waar de Verhevene de vijfde week na de Verlichting vertoefde. Volgens de legende was er zeven dagen lang een grote storm. Hij werd toen door de koninklijke slang Mucalinda beschermd tegen regen en wind. De Boeddha onderwees hem toen: “Bevrijd te zijn van de mening «ik ben» is het grootste geluk van alles.”
   
   Iets verder staat de Rājāyatana-boom. Hier bleef de Boeddha gedurende de zesde week na de Verlichting zitten in het geluk van de Bevrijding. Op het einde van die week werden hem rijstkoeken met honing aangeboden door twee kooplieden. Zij heetten Tapussa en Bhalluka. Zij kwamen uit de richting van Ukkalā en waren op weg naar Madhyadesa. Ukkala = deel van Orissa. Madhyadesa = het middenland, het land tussen de Himālayas en de Vinhyas. Het wordt ten oosten begrensd door Prayāga (= Allahabad) en ten westen door Vinasana (in Rajastan). De oostelijke grens ervan strekte zich uit tot de grens van Bangladesh en omsloot Magadha en Anga (in de deelstaat Bihar).
   De Verhevene kon die gave niet aannemen want Volmaakten accepteren niets in hun handen. De godheden bekend als de Vier Grote Koningen boden hem toen vier nappen aan waaruit de Verhevene één nap maakte. Daarin nam hij de gaven aan. De kooplieden namen hun toevlucht tot de Boeddha en tot zijn leer; zij waren zijn eerste lekenvolgelingen.

   Door de rivier ging de Verhevene toen weer naar de Ajapāla Nigrodha boom. Daar bracht hij de zevende week na de Verlichting door.    Hij dacht er na over de vijf geestelijke factoren die naar het Doodloze voeren, nl. vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid. Hier ook was het verzoek van Brahma Sahampati om de leer te tonen.

   De Boeddha ging toen naar Isipathana (Sarnath) en verkondigde er de leer aan de vijf asceten die vroeger samen met hem streefden naar het Doodloze. Daarna keerde hij terug naar Uruvela, waar hij de drie asceten met naam Kassapa bekeerde. Zij allen werden in de Orde opgenomen.
   Daarna vertoefde de Verhevene weer aan de voet van de Ajapāla Nigrodha. De dochters van Mara probeerden hem daar te verleiden, in verschillende gedaantes; maar natuurlijk tevergeefs.    
   Thans herinnert een klein (Hindoe-)tempeltje nog aan deze gebeurtenissen.

   Van Uruvela ging de Verhevene naar Gayāsīsa, nabij Gayā. Er is een heuvel waar de Boeddha veel monniken onderwees met de Vuur-toespraak (Āditta-pariyāya-sutta). (S. XXXV.28). Deze toespraak is erg belangrijk. In het kort volgt hier de inhoud ervan. Alles staat in vuur en vlam, alles staat in brand. En wel door het vuur van begeerte, het vuur van afkeer en het vuur van illusie. Door het inzien van de waarheid wendt men zich af van begeerte, afkeer en illusie. En dan sterft het vuur van de hartstocht geleidelijk af. Dan is men bevrijd. De vuren van begeerte, afkeer en illusie zijn dan definitief uitgedoofd.

   Op verzoek van de eerwaarde Ānanda stemde de Boeddha toe dat een twijgje van de Maha-Bodhi-boom te Bodh-Gayā naar Sāvatthi werd gebracht. Daar werd dat twijgje in het Jetavana-klooster geplant door Anāthapindika.

   Volgens een legende hakte keizer Asoka de oorspronkelijke Maha-Bodhi-boom om en probeerde hij hem in brand te steken. Maar vuur kon de boom niet deren. De keizer bekeerde zich en goot geurige melk over de wortels van de boom. De volgende morgen ontsprong de boom in de vroegere grootte. De koningin werd boos en liet de boom ΄s nachts omhakken. De keizer vond het erg jammer, bad tot de boom en baadde hem in melk. Binnen een paar dagen ontsprong de boom weer. De keizer liet toen een stenen muur die ongeveer 3½ meter hoog was, om de boom bouwen. Aldus de legende.

   In de 3e eeuw voor Chr. werd de zuidelijke tak van de Maha-Bodhi-boom naar Sri Lanka gebracht door de eerwaarde Sanghamitta Theri, Arahant. Zij was de dochter van keizer Asoka. De boom die uit die tak ontsproten is, bloeit er nog steeds te Anuradhapura. 

   Koning Śasānka van het koninkrijk van Karnasuvarna hakte de boom weer om en liet hem uitgraven tot aan het grondwater; maar ook hij kon de wortels niet vernietigen. Toen stak hij de wortels in brand en sprenkelde er het sap van suikerriet overheen omdat hij ze helemaal wilde vernielen.    
   Een paar maanden daarna hoorde koning Pūrnavarmā van Magadha, een afstammeling van keizer Asoka, dat de boom omgehakt was. Hij wierp zich toen op de grond neer, nodigde monniken uit en goot de melk van duizenden koeien in de grote kuil. Toen hij dat zes dagen en nachten had gedaan, groeide de boom meer dan drie meter. Uit vrees dat de boom weer omgehakt zou worden, liet hij een stenen muur eromheen bouwen van ongeveer 7 meter hoogte. Ook deze verhalen berusten op legendes.

   De oorspronkelijke Maha-Bodhi-boom bestaat niet meer. Er is omstreeks 1880 een nieuwe boom geplant door Anagarika Dhammapala op de plaats waar zeer waarschijnlijk de oorspronkelijke boom heeft gestaan.

   In de 3e eeuw voor Chr. liet keizer Asoka, zoals boven vermeld, rond de Bodhi-boom een stenen muur aanbrengen. Ernaast liet hij een kleine tempel bouwen. De grote tempel die hier later is opgericht, heet de Mahabodhi tempel. Het onderste gedeelte ervan zou keizer Asoka hebben laten bouwen. Het bovenste deel (vanaf de eerste verdieping) moet zijn gebouwd tussen 400 en 630 na Chr. De tempel werd voorzien van beeldhouwwerken in de Pāla-Sena periode (750-1200).
   Binnen in de Mahabodhi tempel is een beeld dat de Bodhisatta voorstelt op het tijdstip dat hij de aarde als getuige aanroept door met zijn rechterhand de grond aan te raken.
   Mooie Boeddhabeeldjes staan buiten in de nissen van het onderste deel van deze tempel. Ook is er een beeldje van de toekomstige Boeddha Metteyya.

   In de buurt van de Mahabodhi tempel staat een klein vierkant tempeltje ter ere van de Verheven Kassapa. Hij was de volmaakt Ontwaakte vóór de Boeddha Gotama. De Boeddha Kassapa leefde 20.000 jaren in deze gelukkige aeon.

   In latere tijden, na het binnendringen van de Islam in India, werden uit alle delen van het land stoepas bijeengebracht rond de Mahabodhi tempel. Er moeten meer dan 100.000 stoepas zijn geweest. Wat na de "beeldenstorm" nog over was, is uit het hele land samengebracht. De stoepas rond de Mahabodhi tempel zijn er dus niet oorspronkelijk gebouwd. En van brokstukken heeft men nieuwe stoepas samengesteld.

   Op een afstand van ongeveer 9 km van Bodh-Gayā en 5 km van de stad Gayā vandaan rijzen enkele rotsen omhoog. In één ervan is een grot. Beweerd wordt dat de Bodhisatta daar in ascese geleefd heeft. Die plek komt echter niet overeen met wat in de Pāli Canon staat. De grot ligt circa 3 tot 4 km van de rivier en ongeveer 9 km van Uruvela vandaan. Volgens de Pāli Canon vestigde de Bodhisatta zich bij een groep bomen aan een rivier, te Senānigāma, nabij Uruvela. Daar voegden de vijf asceten zich bij hem en daar bleef hij ook, volgens de Pāli-overlevering. Maar hoe dan ook, die grot wordt algemeen als een gewijde plek beschouwd. Ernaast is een Tibetaans klooster gebouwd.

   In 1957 heeft de regering van India de Boeddhisten van verschillende landen uitgenodigd om in Buddha-Gayā een tempel te bouwen ter herinnering aan het 25OO-jarig bestaan van het Boeddhisme. Het gevolg ervan is dat men er thans meerdere tempels kan bezichtigen, o.a. uit Bhutan, China, Japan, Thailand en Tibet. Ook is er een groot Japans Boeddhabeeld opgericht.

Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaWmFLTzVaSVBBMDg/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:56 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #13 Gepost op: 16-07-2017 23:46 »
12. Varanasi (Banaras)

   Hoewel Varanasi geen Boeddhistische plaats is maar een plaats belangrijk voor Hindoes, vermeld ik die plaats hier toch. In de Pali canon wordt deze plaats vermeld als "de stad".

   Varanasi wordt ook genoemd Banaras (klemtoon op laatste lettergreep). Het was de hoofdstad van het koninkrijk Kāsī (Kashi). De vroegste referentie naar Kāsī als koninkrijk is gevonden in de Vedische literatuur (circa 8e eeuw voor Chr.). Al vóór de tijd van de Boeddha was deze plaats beroemd speciaal voor de fijne weefsels. Door handelswegen was Varanasi verbonden met de belangrijkste steden in de oudheid.
      De naam van deze stad is te danken aan twee rivieren. In het noorden ervan stroomt de Varuna en in het zuiden ervan de Asi (ook: Assi). Uit samenvoeging van die namen ontstond: Varanasi. Een andere naam voor deze stad is Banaras. Die naam is mogelijk ontstaan in de Moslem-periode. Een Europese verklaring is dat de naam van de rivier Varuna verbasterd werd tot Burna. Uit Burna + Assi ontstond toen Burunasi en daarna Banaras.
      Een klein deel van de stad, nabij de oever van de rivier de Ganges wordt thans Kashi genaamd. Vroeger was dat een dorp nabij Varanasi. Kasi is nooit de naam voor de hele stad geweest.
      De stad werd een belangrijk centrum van educatie en kunst tijdens de 4e-6e eeuw na Chr. Ze ging achteruit tijdens de drie eeuwen van Moslem-bezetting, beginnende in 1194. Veel tempels werden verwoest en geleerden vluchtten naar andere oorden in het land. De Mughal keizer Akbar in de 16e eeuw bracht enige verlichting in de religieuze en culturele activiteiten van de stad.
      In 1910 maakten de Britten Banaras tot nieuwe staat in India, met Rāmnagar (aan de andere oever) als hoofdkwartier maar zonder jurisdictie over de stad Vārānasi. In 1949, na de onafhankelijkheid van India, werd de staat Banaras deel van de staat Uttar Pradesh.
      Thans is het de hoofdstad van het Vārānasi district, Uttar Pradesh. Ze is gelegen aan de linker oever van de rivier Ganges. Ze is belangrijk als heilige Hindoe-stad. Aan de oever van de rivier liggen te Varanasi veel ghats of trappen, voor religieuze baden.
 
link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaSjVpWU9CMW5peDg/view?usp=sharing
« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 15:58 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #14 Gepost op: 17-07-2017 18:20 »
13-14. Ellora en Ajanta

   In de buurt van Aurangabad liggen beroemde grottempels in de plaatsen Ellora en Ajanta. Omdat ik op een van de pelgrimstochten nog enkele dagen tijd had eer ik weer naar Nederland zou terugkeren, bezochten de eerwaarde Dr. Phra Maha Tuan en ik nog die plaatsen.

13. Ellora

   Ellora ligt in de nabijheid van Aurangabad en ongeveer 1000 km van Delhi vandaan. De grotten van Ellora zijn verdeeld in drie groepen: een Boeddhistische groep (grotten nrs. 1-12); een Hindoe groep (grotten nrs. 13-29) en een Jain groep (grotten nrs. 30-34).

14. Ajanta
   
   De plaats Ajanta ligt 104 km van Aurangabad vandaan. Ajanta is gelegen in de buurt van de bron van de Waghora rivier in de staat Hyderabad in Deccan.
   In 1817 werden tijdens een manoeuvre de Ajanta-grotten ontdekt door een Britse soldaat. In totaal zijn er 30 grotten in de rotsen uitgehouwen, over een breedte van 550 meter. Vijf ervan zijn tempels en de overige zijn kloosters.
   De grotten werden door de monniken gebruikt in de regentijd. Het dal is dan op z’n mooist.

   Aan de zijkanten van de kloof, oorspronkelijk toegewijd aan een Naga (slangen-koning) begon een gemeenschap van Boeddhistische monniken met het uitgraven van chetiyas (tempels) en viharas (kloosters). Dit begon in de 2e eeuw v.C. De grotten kunnen in twee groepen onderscheiden worden: de vroege en de late. De vroege dateren uit de 2e en 1e eeuw v.C. (grotten 8, 10, 12, 13, 16 en 19). Algemeen wordt aangenomen dat grot 10 de oudste ervan is. De overige grotten zijn uit de 5e en 6e eeuw n.C. Er was toen een opleving van het Mahāyāna.
   Enkele van de oudere grotten werden groter gemaakt; andere werden toegevoegd. Er zijn grotten met cellen voor monniken, enkele grotten met een stoepa erin, en grotten in de vorm van een tempel, alles uit één stuk uitgehouwen. Vijf grotten zijn niet voltooid.


   Bijna overal zijn reliefs en muurschilderingen aangebracht: op het plafond, op de zuilen en op de wanden; en ook op de buitenkant. Zij beelden verhalen af uit het leven van de Boeddha. Ook zijn er verhalen afgebeeld uit de Jātakas, vroegere levens van de Boeddha. Het Tweelingwonder te Sravasti is er én als muurschildering én als reliëf afgebeeld.
   De muurschilderingen zijn een toonbeeld van klassieke Indiase kunst. Ze zijn vermoedelijk ontstaan tussen de 1e eeuw v.C. en de 1e eeuw n.C.
   De techniek van Indiase muurschilderingen is totaal verschillend van die van het Europese fresco. Indiase en alle Aziatische muurschilderingen worden op een droge wand aangebracht. In Ajanta werd de ruwe wand van de rots bedekt met een laag aarde of koemest, gemengd met gehakt stro of dierenharen. De dikte ervan was 2-3 cm. Als die laag helemaal droog is, wordt ze bedekt met een dunne pleisterlaag. En daarop komt dan de schildering. De compositie wordt eerst in rood aangebracht. Daarna volgt een onderschildering en vervolgens de schildering met kleuren. Het geheel wordt dan gepolijst.
   Van de 4e-7e eeuw n.C. tijdens de regering van de Vakataka en Chalukya dynastieën waren de grote dagen van artistieke activiteit te Ajanta.
   De grote schilderingen van Ajanta vertegenwoordigen slechts het hoogtepunt van een zeer oude traditie, niet de renaissance ervan. Die kunst gaat terug tot vóór-boeddhistische tijden.

   De Ajanta muurschilderingen vertegenwoordigen een tijd waarop het Boeddhisme daar volledig veranderd was van het Hinayana naar het Mahayana.
   De voornaamste decoratie van grot 1 bestaat uit twee enorme muurschilderingen achter in de hal, voorstellende de Bodhisattva Avalokiteshvara. Zij vormen een drie-eenheid met het uitgehouwen Boeddhabeeld.
   In grot 10, uit het einde van de 1e eeuw n.C., zijn alleen de Jataka-verhalen uitgebeeld. Het zijn Hinayana-thema’s. In grot 1 zijn de Jatakas tegenwoordig als symbolen.
   De schilderingen in de 1e vihara (tempel) te Ajanta vertegenwoordigen een ietwat verschillende stijl. Ze bestaan uit een aantal panelen met decoratieve motieven en vruchten en bloemvormen.
   Grot 17 heeft decoraties uit het Vessantara Jataka. Ook wordt er afgebeeld Indra, hoofd van de goden, met zijn gevolg van hemelse muzikanten.

   Op het einde van de 7e eeuw begon het Boeddhisme in India te vervallen. Er is daarna veel vernield.

   In Ajanta werd één grot elektrisch verlicht, namelijk die met mooie wandschilderingen. Die grot hebben wij niet bezocht vanwege de grote drukte. De andere grotten hadden verlichting via zonne-energie: buiten stond iemand met een grote spiegel en liet de zonnestralen naar binnen schijnen.


Link naar fotovideo = https://drive.google.com/file/d/0B1qqAOBVX3WaNVBVQ1NuQTkwNHc/view?usp=sharing

« Laatst bewerkt op: 08-01-2018 16:03 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Boeddhistische plaatsen
« Reactie #15 Gepost op: 17-07-2017 21:40 »
Voor degenen die meer willen lezen over deze plaatsen, vermeld ik hier de bronnen.
 
 
I. Bronnen over de vermelde plaatsen
 
Amatya, Saphlya: 'Some famous memorials & statues of Lumbini,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 22-24.
Aniruddha, Bhikkhu: Lumbini Ashok Inscriptions.  Lumbini [s.a].
Baidhya, Tulsi Ram: 'Identification of Ramagrama,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 10-12.
Bajracharya, Lok Darshan: 'Lumbini Development in a nutshell,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 25-27.
Barua, Dipak K.: Buddha Gaya Temple: its history. (2nd ed.) - Buddha Gaya 1981.
Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London 1961. (1st.ed. 1954).
The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3. Special issue on Lumbini.
Chitrakar, Madan: 'Buddha Images - A Study in Icons,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 35-37.
Dahal, Prakash: 'Harnessing Tilaurakot for Tourism,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 30-32.
Dhammika, S.:  Middle Land, Middle Way : A Pilgrim's Guide to the Buddha's India.  Kandy 1992. 
Joshi, Hari Ram: 'Lumbini - The Historic Land,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 13-14.
Kasyap Thero, Ven. Jagadish: 'Buddhism, Where it was originated,'  Voice of Buddhism, Dec. 1991, Vol. 29, No. 2, p. 4-7.
Kôsetsu, Nousu:  Scenes from Buddha's Life.  Tokyo [s.a.].  Mapje met losse kaarten waarop scenes uit het leven van de Boeddha.
Kumar, Ranjan: Nalanda (Studie of Historical Place). Patna 2005.
Kuraishi, Mohammad Hamid: Rajgir. Revised by A. Gosh. (repr.) New Delhi 1975. (1st ed. 1939).
Lumbini. The Birthplace of Buddha.  Nepal, 1985   (folder).
Lumbini Development Trust.  [Lumbini], 1987.  (folder).
‘Lumbini in the Early 20th Century,’ The Maha Bodhi Vol. 104 (2539/1996) No. 1, p. 6-7.
'Lumbini the sacred birth place of Buddha,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 1-5.
Mitra, Debala:  Buddhist Monuments. (repr.) Calcutta 1980.   
Mitra, Debala:  Ajanta.  (9th ed.) New Delhi 1983.   
Patil, D.R.: Kuśīnagara. New Delhi 1981.
Piyadassi Thera: The Four Sacred Shrines. Kandy 1961. Bodhi Leaves No. B 8.
Pradhan, Bhuwan Lal: 'Discovery of Lumbini,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 6-9.
Rijal, Babu Krishna: Archaeological Remains of Kapilavastu, Lumbini and Devadaha.  Kathmandu 1979. 
Rijal, Babu Krishna: 'The Discovery of Buddha's Birth Spot in Lumbini,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 28-29.
Rowland, Benjamin: The Ajanta Caves. Early Buddhist Paintings from India. [s.l.] 1963. (Fontana Unesco Art Books; U8).
Schumann, Hans Wolfgang:  Auf den Spuren des Buddha Gotama. Eine Pilgerfahrt zu den historischen Stätten. Olten und Freiburg 1992.
Senadeera, Gunapala: 'The Tree of Enlightenment,' Narada Felicitation Volume, Kandy 1979, p. 104-110.
Sharma, Nagendra: 'Swayambhu. The Second Lumbini,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 33-34.
Subedi, Raja Ram: 'Lumbini - The Lofty Land,' The Buddha Era Vol. 2 (1996) No. 3, p. 15-19.
Sugandha, Bhikkhu & Majupuria, T.C.: Lumbini. The Birth Place of Buddha (past, present & future).  [Bangkok] [s.a.].   
A Tourist Handbook of Sarnath-Varanasi. Varanasi, s.a.
Venkataramayya, M.: Śrāvasti. (2nd ed.) New Delhi 1981. (1st ed. 1956).
Woolley, Leonard: Opgravingen die geschiedenis maakten.  Den Haag : Servire, [s.a.]   
 
II. Algemene gegevens
 
Abeyasekera, Richard: The Master’s Quest for Light. Kandy [s.a.]. Bodhi Leaves A 7.
Advice to Rahula. Four Discourses of the Buddha. (2nd impr.) Kandy 1974. The Wheel No. 33. (1st ed.1961).
Burlingame, E.W. (Transl.): Buddhist Legends. London 1979 (repr.).
Chit Tin, Sayagyi U: The Coming Buddha Ariya Metteyya. By Sayagyi U Chit Tin; assisted by William Pruitt. (2nd rev. ed.) Kandy 1992. The Wheel No. 381/383. Originally publ. in 1988 as Dhammadâna Series 7.
Conze, E.: Buddhist Scriptures. Middlesex 1977 (10th ed.). Penguin Books.
Dahlke, Paul:  Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden, s.a.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Mahā-Moggallāna. Kandy 1979. The Wheel No. 263/264.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy 1982. The Wheel No. 292/293.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples. Angulimala. A Murderer's Road to Sainthood. Kandy 1984. The Wheel No. 312.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Anâthapindika, The Great Benefactor. Kandy 1986. The Wheel No. 334.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Maha Kassapa, Father of the Sangha. Revised and enlarged transl. from the German by Nyanaponika Thera. Kandy 1987. The Wheel No. 345.
Horner, I.B. (Transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy 1974. The Wheel No. 198.
Horner, I.B. (Transl.):  Chronicle of Buddhas and Basket of Conduct. London 1975.
Ireland, John D. (Transl.): An Anthology from the Samyutta Nikāya. Part I. Kandy 1967. The Wheel No. 107/109.
Jayawickrama, N.A. (Transl.): The Chronicle of the Thupa (Thupavamsa). London 1971.
Khantipalo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy 1974. The Wheel No. 206/207.
Maurice, David: The Greatest Adventure : A Presentation of the Buddha's Teaching to the Youth of the World. Kandy 1961. The Wheel No. 4.
Ñānamoli, Bhikkhu (tr.):  The Minor Readings (Khuddakapātha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikāya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikā) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantācariya Bhuddhagosa.  Oxford 1997.  (1st ed. 1960)
Narada Thera (Transl.): The Dhammapada. (3rd ed.) Colombo 1978.
Narada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enl. ed.). Kandy 2524/1980.
Neumann, K.E. (Übers.): Also sprach der Erhabene. Eine Auswahl aus den reden Gotamo Buddhos. Zürich 1962.
Nyanamoli Bhikkhu (Transl.): Three Cardinal Discourses of the Buddha. Kandy The Wheel 17.
Nyanamoli Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. Kandy 1978.
Nyānaponika, Thera: The Life of Sāriputta. Kandy 1966. The Wheel No. 90/92.
Nyanaponika (Übers.): Sutta Nipata. Konstanz 1977.
Pereira, Ānanda:  Escape to Reality. Buddhist Essays. Kandy 1977. The Wheel No. 45/46.
Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy 1960. The Wheel No. 1.
Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy 1970. The Wheel No. 5ab.
Piyadassi Thera: Dependent Origination. Paticca-samuppâda. (2nd ed.) Kandy  1971. The Wheel No. 15ab (1st. ed. 1959).
Piyadassi Thera: The Story of Maha Mahinda, the Arhat Thera Sanghamitta, The Arhat Theri, The Sri Maha Bodhi, 'The Tree of Enlightenment'. (repr.) Kandy 1972. Bodhi Leaves No. B 57. (first publ. in 1966).
Piyadassi Thera: The Book of Protection. Colombo 1975.
Piyadassi Thera: Aspects of Buddhism. (repr.) Kandy 1976. Bodhi Leaves No. B 21. (first ed. 1964).
Piyadassi Thera: The Buddha’s Ancient Path. Kandy 1979.
Schumann, Hans Wolfgang: Der Historische Buddha. Köln 1982.
Siridhamma, Rev.: The Life of the Buddha. Part One. Kuala Lumpur 1969.
Soni, R.L. (transl.): Life's Highest Blessings. The Maha Mangala Sutta. Kandy 1978. The Wheel No. 254/256.
Story, Francis: The Supreme Conqueror. (2nd ed.) Kandy 1978. Bodhi Leaves No. B 39. (first ed. 1968).
The Teaching of Buddha. 16th ed. Tokyo 1984.
Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbâna Sutta. Being the 16th text of the Dîgha-Nikâya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyânaponika Mahâ Thera. Kandy 1964. The Wheel No. 67/69.
Walpola, Rahula: What the Buddha Taught. Bedford 1959.
Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy 1970. Bodhi Leaves No. B 47.
Woodward, F.L. (Transl.): Itivuttaka. London 1985.
 
III. naslagwerken:

Ling, Trevor: A Dictionary of Buddhism. Calcutta/New Delhi 1981.
The New Encyclopaedia Britannica (micropaedia). (15th ed.) Chicago (etc.) 1974-1985. (1st ed. 1768-1771). - 32 Vols + 6 annual suppl.
Nyanatiloka: Buddhist Dictionary. (4th ed.). Kandy 1980.
 
IV. Foto’s en plattegronden

De foto’s stammen uit eigen collectie; de plattegrond van Buddha-Gayā en omgeving werd geschonken door de eerwaarde Phra Dhammahaviranuvatra, abt van het Thaise klooster aldaar; veel plattegronden zijn afkomstig van de Archeologische Dienst van India.

Groeten, Nico