Auteur Topic: De Boeddha en de Dhamma, Een verkenning van een Diepere Betekenis in de Sutta's  (gelezen 2659 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
De Boeddha en de Dhamma, Een Verkenning van een Diepere Betekenis in de Sutta-Pitaka

Gebruikelijk is om met ‘de Boeddha’ te verwijzen naar die bijzondere mens die werd geboren in Lumbini en stierf in Kushinagara. Het is niet precies bekend wanneer hij leefde, maar laten we zeggen dat hij grofweg zo’n 2500 jaar geleden leefde. Hij was een persoon vrij geworden van lobha, dosa en moha. Vrij van begeerten en daarmee van gehechtheid. Ontwaakt. De geestelijke vermogens volledig ontplooid. Volledig verlicht. Traditioneel wordt hij een samma sambuddha genoemd, een aanduiding voor iemand die op eigen kracht de vier edele waarheden herontdekt en helder kan onderwijzen.

‘De Dhamma’ verwijst in de regel naar diens leer of doctrine. Diens verzameling uitspraken en onderrichtingen, bedoeld om tot dezelfde realisatie te komen, bevrijding, Nibbana, het Doodloze.
De Boeddha en de Dhamma staan ook bekend als respectievelijk het eerste en tweede Juweel. De Sangha als het derde juweel. Deze laatste komt hier niet aan bod.

Behalve deze gebruikelijke betekenissen is er ook een andere, diepere, betekenis van de Boeddha en de Dhamma? Deze vraag heb ik eigenlijk voor mezelf eerder al positief beantwoord toen ik vooral mahayana teksten vertaalde en bestudeerde. Maar welke aanwijzingen bestaan er voor een diepere betekenis van ‘de Dhamma’ en ‘de Boeddha’ in de overgeleverde Pali  sutta’s?

In het eerste deel ligt de focus op de teksten die iets onthullen over de aard van  de Tathagata, de Arahant, de Boeddha. Hier gebruik ik ze als synoniemen. In het tweede deel ligt de focus op de aard van de Dhamma.
Teksten uit de Sutta-Pitaka zullen worden aangehaald. De geraadpleegde teksten en gebruikte afkortingen zijn terug te vinden in de volgende post. Indien niet anders vermeld, zijn de teksten door mij uit het Engels vertaald. De nummering van de sutta’s komt overeen met die van de geraadpleegde bronnen.

Ik vond het leerzaam om op deze manier met de teksten bezig te zijn en het heeft weer wat twijfels weggenomen. Misschien vinden jullie het ook leerzaam.


Alle goeds,
Siebe, maart 2018

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Geraadpleegde bronnen:

-Digha Nikaya: The Long Discourses of the Buddha, A translation of the Digha Nikaya by Maurice Walshe, 1996
-Majjhima Nikaya: The Middle Length Discourses of the Buddha, A new translation of the Majjhima Nikaya, original translation by Bhikkhu Nanamoli, translation edited and revised by Bhikkhu Bodhi, 1995;
-Samyutta Nikaya: The Connected Discourses of the Buddha, A New Translation of the Samyutta Nikaya, Bhikkhu Bodhi, Volume I+II, 2000
-Anguttara Nikaya: The Numerical Discourses of the Buddha, A Translation of the Anguttara Nikaya by Bhikkhu Bodhi, 2012
-Dhammapada, A Translation, Ven. Thanissaro Bhikkhu, Buddha Dharma Education Association Inc, 1997 en www.sleuteltotinzicht.nl
-Udana: A Translation With an Introduction & Notes by Thanissaro Bhikkhu, 2012;
-Itivuttaka: This was said by the Buddha, A Translation by Thanissaro Bhikkhu, revised edition 2013
-Sutta Nipata: The Sutta Nipata, A Collection of Discourses Being One of the Canonical Books of The Buddhist, Translated from Pali by V. Fausböll, Oxford, 1881; www.sleuteltotinzicht.nl

Afkortingen:

DN: Digha Nikaya
MN: Majjhima Nikaya
SN: Samyutta Nikaya
AN: Anguttara Nikaya
Dhp: Dhammapada
U: Udana
Iti: Itivuttaka
Sn: Sutta Nipata

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Deel 1. Een verkenning van een diepere betekenis van ‘de Boeddha’, de Tathagta’, ‘de Arahant’ in de Sutta-Pitaka

Inleiding

Er zijn vele teksten die duidelijk maken dat met ‘de Boeddha’ of ‘de Tathagata’ of ‘de Arahant’ ‘gewoon’ de historische persoon wordt bedoeld. De mens van vlees en bloed, geboren in Lumbini, gestorven in Kushinagara. In AN2.53 wordt bijvoorbeeld beschreven dat er twee personen in de wereld verschijnen als buitengewone mensen. “Welke twee? De Tathagata, de Arahant, de Volmaakt Verlichte én de wiel-draaiende monarch.” (AN.2.53)
Hier wordt dus de Tathagata, de Boeddha, de Arahant ‘gewoon’ gezien als de mens, de persoon, eens geboren en eens gestorven.

Ook in de PariNibbana Sutta (DN16) spreekt de Boeddha over het lichaam van de Tathagata dat nu 80 jaar oud is geworden en bij elkaar gehouden moet worden. Hij spreekt in de sutta over zijn-lichaam. Hier is ‘het lichaam van de Tathagata’ dus duidelijk een verwijzing naar het fysieke lichaam van de mens die werd aangeduid als ‘de Boeddha/Tathagata/Arahant’.

Dit is maar een hele kleine greep uit sutta’s die duidelijk maken dat ‘de Boeddha’, ‘de Tathagata’ en ‘de Arahant’ vaak verwijst naar de fysiek waarneembare persoon die eens op Aarde rondliep en onderwees. De mens van vlees en bloed. Geboren en gestorven. Een mens die ook ‘gewoon’ pijnen ervoer, die ook ziek werd, zichtbaar verouderde en op een dag stierf.

Er zijn ook teksten die wijzen in een iets andere richting, vind ik.  Dit zal ik nu proberen te illustreren aan de hand van teksten uit de Sutta Pitaka.

De Tathagata verwijlt  met een geest zonder grenzen, vrijgemaakt van de khandha’s en vrij van geboorte, verouderen, dood, lijden en bezoedelingen

Dit verwijst naar AN10.81, genaamd Bahuna. Ik vind het een opmerkelijke sutta. Hieronder de tekst:

Anguttara 10.81 (1), Bahuna

“De Gezegende verbleef eens te Campa op een oever van de Gaggara Lotus Plas. Toen benaderde de eerwaarde Bahuna de Gezegende, betoonde hem eerbied, ging terzijde zitten en zei tegen hem:
“Bhante, van hoeveel dingen is de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt, dat hij verblijft met een geest zonder grenzen? (Bodhi vertaalt hier; dwells with a mind free from boundaries’; Thanissaro vertaalt hier; ‘dwells with unrestricted awareness’, Siebe)
”Bahuna, het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van tien dingen dat hij verblijft met een geest zonder grenzen. Welke tien? (1) Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van vorm dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. (2)-(5) Het  is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht, en vrijgemaakt is van gevoel dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van waarneming dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van bewustzijn dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft.
Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van geboorte dat hij verblijft met een geest zonder grenzen. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van ouderdom dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van de dood dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van lijden dat hij met een geest vrij van grenzen verblijft. Het is omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van bezoedelingen dat hij verblijft met een geest zonder grenzen.
“Net zoals een blauwe, rode of witte lotus, hoewel geboren en opgegroeid in het water, boven het water uitsteekt en daar onbezoedeld door het water staat, net zo Bahuna, is het omdat de Tathagata bevrijd, onthecht en vrijgemaakt is van deze tien dingen dat hij verblijft met een geest zonder grenzen”.

Wat wordt hier nu gezegd en vooral wat wordt hier bedoeld?

Je kunt er in lezen dat de Tathagata, omdat ie niet meer wedergeboren wordt in samsara, voortaan vrij is van geboorte, ziekte etc. Ik merk dat die uitleg mij niet echt aanspreekt.  Ik denk ook niet dat dit echt gezegd kan worden. Waarom niet? Of de Tathagata wel of niet bestaat na de dood, zowel bestaat als niet-bestaat na de dood, noch bestaat noch niet bestaat na dood, de Boeddha heeft dit niet verklaard of onthuld (DN9§27, DN29§30, MN63§2, MN72§9-12 en vele andere). Daarom is het niet zo logisch, lijkt me, om te denken dat AN10.81 een situatie beschrijft van de Tathagata na de dood.

Aannemelijker lijkt me dat het een situatie hier en nu beschrijft. Hier en nu verwijlt de Tathagata met een grenzeloze geest vrijgemaakt van de khandha’s, en vrijgemaakt van geboorte, verouderen, de dood, lijden en bezoedelingen.
Ik denk ook dat het laatste fragment over de lotussen ondersteunt dat het gaat om een hier en nu situatie. Hoewel de Boeddha, de Tathagata, de Arahant is geboren en opgegroeid in deze wereld, zeg maar, ‘steekt ie daar ook bovenuit’, onthecht, als een lotus niet besmeurd door het water en modder van samsara. Ik denk dat je mag zeggen dat het de aard beschrijft van de onthechte geest, de bevrijde geest, geest vrij van alle bezoedelingen.  Zo’n tekst als AN10.81 lijkt op deze manier te willen verwijzen naar wie/wat de Boeddha/Tathagata/Arahant (in essentie) is.

Deze sutta sluit, mijns inziens, inhoudelijk ook aan op twee andere sutta’s, te weten, MN72 en SN44.1. De betreffende fragmenten in deze sutta’s zijn vrijwel identiek. Hier onder het fragment uit MN72.

Majjhima Nikaya 72 (fragmenten)
(...)
§19 “Wat denk je Vaccha? Stel dat er een vuur vóór jou zou branden. Zou je weten: ‘Dit vuur brandt hier voor mij’?
“Ik zou dat weten, meester Gotama”.
“Als iemand je zou vragen, Vaccha, waarvan afhankelijk is dit vuur dat vóór je brandt’? – aldus bevraagd, wat zou je antwoorden?’
“Aldus bevraagd, meester Gotama, zou ik antwoorden: ‘Dit vuur hier vóór me brandt in afhankelijkheid van gras en takken”.
“Als dat vuur vóór je gedoofd zou worden, zou je dan weten: ‘Dit vuur vóór me is gedoofd’”?
“Ik zou dat weten, meester Gotama.”
“Als iemand je zou vragen, Vaccha: ‘Toen dat vuur vóór je werd gedoofd, in welke richting ging het toen: naar het oosten, westen, het noorden of het zuiden?’- als dat je gevraagd zou worden, wat zou je dan antwoorden?”
“Dat is niet van toepassing, meester Gotama. Het vuur brandde afhankelijk van diens brandstof van gras en takken. Wanneer dat verbruikt is, als het geen brandstof meer krijgt, zonder voedsel is, wordt het gerekend als uitgedoofd”.

§20 “Vaccha, zo heeft ook de Tathagata afstand gedaan van die materiele vorm waarmee iemand die de Tathagata zou willen beschrijven, kan beschrijven, hij heeft het bij de wortel afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, er afstand van gedaan zodat het niet langer vatbaar is om in de toekomst te ontstaan. De Tathagata kan niet meer beschouwd worden (letterlijk staat er: is bevrijd van beschouwd te worden in termen van, Siebe) in termen van materiele vorm, Vaccha, hij is diepzinnig, onmetelijk, onpeilbaar als de oceaan. De term ‘opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term ‘niet-opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term zowel ‘opnieuw-verschijnen-als-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing, de term ‘noch-opnieuw-verschijnen-noch-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing”.
De Tathagata heeft afstand gedaan van dat gevoel waarmee iemand die de Tathagata zou willen beschrijven, kan beschrijven, hij heeft het bij de wortel afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, er afstand van gedaan zodat het niet langer vatbaar is om in de toekomst te ontstaan. De Tathagata kan niet meer beschouwd worden in termen van gevoel, Vaccha, hij is diepzinnig, onmetelijk, onpeilbaar als de oceaan. De term ‘opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term ‘niet-opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term zowel ‘opnieuw-verschijnen- als-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing, de term ‘noch-opnieuw-verschijnen-noch-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing”.
De Tathagata heeft afstand gedaan van die waarneming waarmee iemand die de Tathagata zou willen beschrijven, kan beschrijven, hij heeft het bij de wortel afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, er afstand van gedaan zodat het niet langer vatbaar is om in de toekomst te ontstaan. De Tathagata kan niet meer beschouwd worden in termen van waarneming, Vaccha, hij is diepzinnig, onmetelijk, onpeilbaar als de oceaan. De term ‘opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term ‘niet-opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term zowel ‘opnieuw-verschijnen- als-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing, de term ‘noch-opnieuw-verschijnen-noch-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing”.
De Tathagata heeft afstand gedaan van die (mentale, Siebe) formaties waarmee iemand die de Tathagata zou willen beschrijven, kan beschrijven, hij heeft het bij de wortel afgesneden, gemaakt tot de stomp van een palmboom, er afstand van gedaan zodat het niet langer vatbaar is om in de toekomst te ontstaan. De Tathagata kan niet meer beschouwd worden in termen van formaties, Vaccha, hij is diepzinnig, onmetelijk, onpeilbaar als de oceaan. De term ‘opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term ‘niet-opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term zowel ‘opnieuw-verschijnen- als-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing, de term ‘noch-opnieuw-verschijnen-noch-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing”.
De Tathagata kan niet meer beschouwd worden in termen van bewustzijn, Vaccha, hij is diepzinnig, onmetelijk, onpeilbaar als de oceaan. De term ‘opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term ‘niet-opnieuw-verschijnen’ is niet van toepassing, de term zowel ‘opnieuw-verschijnen- als-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing, de term ‘noch-opnieuw-verschijnen-noch-niet-opnieuw-verschijnen’, is niet van toepassing”
(...)

Ik ben geneigd dit zo te interpreteren: Zelfs voor die mensen die ten tijde van de Boeddha leefden, kon wie/wat de Boeddha of Tathagata is niet beschreven of bepaald worden in termen van vorm/lichamelijkheid, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn (de khandha’s). 
Dus alles wat wij normaal gesproken gebruiken om een bepaald persoon mee aan te duiden, te beschrijven, te kenmerken, dat is kennelijk niet meer op de Boeddha of Tathagata van toepassing omdat ie daarvan vrijgemaakt is, afstand van heeft gedaan, van onthecht is. 

Ik denk dat je kunt zeggen dat de bevrijde en totaal onthechte geest,  niet meer beschreven kan worden op de bekende manieren. Die ‘staat’, en daarmee ook de Boeddha/Arahant/Tathagata, is…”diepzinnig, onmetelijk en onpeilbaar”.

De Tathagata beschouwt ook het oog, het oor, de neus, de tong, het lichaam en de geest (de zes zintuiglijke domeinen) niet meer zo: ‘Dit is van mij, dit ben Ik, dit is mijn zelf.’ (SN44.7)

Wordt vervolgd.

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Het thema dat in de vorige post aan bod kwam, namelijk, dat je de Boeddha/Tathagata/Arahant eigenlijk in dit leven niet kunt beschrijven in termen van de khandha’s, of omgekeerd, aan de hand van de khandha’s niet kunt zeggen ‘dat is nou  ‘de Boeddha of Tathagata of Arahant’, wordt ook uitgewerkt in SN22.85. Hier vat de monnik Yamaka de verkeerde visie op dat een Arahant/Tathagata na de dood vernietigd wordt en na de dood niet meer bestaat. Hij blijft hier maar aan vasthouden. Er ontstaat dan het volgende gesprek:

-“Wat denk je, vriend Yamaka, beschouw je vorm/lichamelijkheid (rupa) als de Tathagata?’-“Nee, vriend.”-Beschouw je gevoel als de Tathagata?’-“Nee, vriend.”-Beschouw je waarneming als de Tathagata?’-“Nee, vriend.”- Beschouw je wilsformaties als de Tathagata?’-“Nee, vriend.”- beschouw je bewustzijn als de Tathagata?’-“Nee, vriend.”
“Wat denk je, vriend Yamaka, beschouw je de Tathagata als in vorm/lichamelijkheid?”- “Nee, vriend.”-Beschouw je de Tathagata als los van vorm/lichamelijkheid”. “Nee, vriend.”. “Beschouw je de Tathagata als in gevoel? Als los van gevoel? Als in waarneming. Als los van waarneming? Als in wilsformaties? Als los van wilsformaties? Als in bewustzijn? Als los van bewustzijn?”- “Nee, vriend.”
“Wat denk je, vriend Yamaka, beschouw je vorm/lichamelijkheid, gevoel, waarneming, wilsformaties en bewustzijn [samen] als de Tathagata?”- “Nee, vriend.”
“Wat denk je, vriend Yamaka, beschouw je de Tathagata als iemand die zonder vorm, zonder gevoel, zonder waarneming, zonder wilsformaties, zonder bewustzijn is? “- “Nee, vriend”.
“Maar vriend, wanneer de Tathagata hier in dit leven niet begrepen wordt als echt en feitelijk, is het dan gepast van jou om te verklaren; ‘Zoals ik de Dhamma begrijp die door de Gezegende is onderwezen, wordt een bhikkhu wiens asava’s zijn vernietigd bij de dood vernietigd en vergaat en bestaat niet na dood?’ (dit fragment komt ook voor in SN22.86*)

De strekking lijkt dus te zijn dat je eigenlijk in dit leven de vinger al niet precies kunt leggen op wie/wat de Tathagata (of Boeddha of arahant, hier gebruikt als synoniemen) is, dus, hoe kan je dan vaststellen wat er na de dood met de Boeddha, Tathagata of Arahant gebeurt?

Noot 155 van Bodhi bij deze sutta vind ik ook interessant. Ik heb deze hieronder vertaald:

“De eerste drie alternatieven- de aggregaten elk voorstellen als de Tathagata, de Tathagata als in de aggregaten, en de Tathagata als los van de aggregaten- komen overeen met de eerste drie manieren van voorstellen in de Mulapariyaya sutta (M1), die in SN35.30/31 in relatie wordt geplaatst tot de zintuiglijke bases. De vierde positie stelt de aggregaten samen voor als de Tathagata (misschien een visie van emergentie); de vijfde stelt de Tathagata voor als volkomen transcedent, zonder enige wezenlijke relatie tot de aggregaten. Deze manieren van voorstellen kunnen ook gecorrreleerd worden aan de twintig soorten identiteitsvisies” (sakkaya ditthi, Siebe) <einde noot>

Opvallend vind ik dat een geheel transcendente Tathagata, die geen wezenlijke relatie bezit tot de khandha’s, kennelijk ook niet de juiste beschouwingswijze is van de aard van de Tathagata/Boeddha/Arahant. Tenminste daar lijkt het op. Ik merk dat ik wel neigde naar die visie maar deze is kennelijk ook niet juist. Er zijn volgens mij wel boeddhistische scholen die een volkomen transcendente Boeddha aannemen. Ik weet niet of hiervoor wel een grondslag bestaat in de  Sutta-Pitaka.

Wordt vervolgd.

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Het tart dus blijkbaar elke voorstelling wie/wat de Tathagata/Boeddha/Arahant is. Hij is niet de khandha’s individueel bekeken, noch de khandha’s gezamenlijk. Noch is hij er in te vinden, noch staat hij er volledig los van. Het lijkt er op dat het een redelijke veilige conclusie is dat de aard van de Boeddha/Tathagtata niet te beschrijven is met onze gebruikelijke termen, zoals: ‘dat lichaam daar, die vorm, dat is nou de Tathagata of de arahant’.

De onbeschrijfelijke, ongrijpbare aard van de bevrijde (geest) is ook onderwerp van Sn V.6, genaamd, Upasiva’s vragen. Hieronder de sutta [bron: www.sleuteltotinzicht.nl. Sutta vertaald door Peter van Loosbroek-Ananda].

-“Toen stelde de brahmaanse student Upasiva zijn vragen:

1069. "Man van Sakya," zei hij, "het is niet mogelijk voor mij om de grote oceaan alleen en zonder hulp over te steken. U bent het oog dat alles ziet; vertel mij alstublieft wat ik kan gebruiken om de oceaan over te steken."

1070. De Meester vertelde Upasiva: "Gebruik deze twee dingen om de oceaan over te steken: de waarneming van 'niets-heid' en het gewaarzijn dat 'er niets is'. Geef alle zintuiglijke geneugten (kama tanha) op en wees vrij van twijfel (vicikiccha) zodat je begint te zien en te verlangen naar het einde van begeerte (tanha)."

1071. "Meester," zei Upasiva, "als een mens vrij is van begeerte met betrekking tot alle geneugten en zich verlaat op niets-heid, en hij laat al het andere gaan, dan is hij bevrijd in de hoogste vrijheid van waarneming. Zal hij dan permanent daar blijven en niet meer wederkomen?"

1072. "Als een mens vrij is" zei de Boeddha, "van alle zintuiglijke begeerten en zich verlaat op niets-heid, is hij vrij tot de uiterste vrijheid van waarneming. Hij zal daar blijven en niet meer terugkeren."

1073. "Meester, u heeft het oog dat alles ziet", zei Upasiva. "Als deze mens vele jaren in deze staat verblijft zonder terugkeren, zal hij daar dan bekoeld en bevrijd zijn door zichzelf? Zeg mij, wat voor een soort van bewustzijn zal er dan nog bestaan voor zo'n persoon?"

1074. "Het is als bij een vlam die door een plotselinge windvlaag wordt neergehaald", zei de Boeddha. "In een flits is zij uitgegaan en is er niets meer van terug te vinden. Hetzelfde is het als bij de wijze die bevrijd is van mentale bestaansvormen: in een flits is hij uitgegaan en er is niets meer van hem terug te vinden."

1075. "Alstublieft, verduidelijkt u dit voor mij, Eerwaarde Heer", zei Upasiva. "U, een wijs man, kent precies de weg van hoe deze dingen werken: is de man verdwenen, bestaat hij simpelweg niet meer, of is hij in een staat van eeuwigdurend welzijn?"

1076. "Als een persoon uitgeblust is, dan is er niets meer waarmee u hem kunt meten. Dat, wat men over hem kan zeggen bestaat voor hem niet langer meer; je kunt ook niet zeggen dat hij niet bestaat. Wanneer alle wegen van bestaan, alle fenomenen zijn verwijderd, dan zijn alle manieren om dat te beschrijven eveneens verwijderd."

Dit sluit denk ik ook aan op de sutta AN4.173 die ik hieronder heb vertaald

AN4.173. Aan Kotthita

Toen ging de eerwaarde Maha Kotthita naar de eerwaard Sariputta en bij aankomst begroeten ze elkaar hartelijk. Na deze vriendelijke en beleefde uitwisseling ging hij terzijde zitten. Terwijl hij daar zat, zei hij tegen de eerwaarde Sariputta, “Met het zonder enig overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media [zicht, horen, ruiken, proeven, aanraken, intellect] is het dan zo dat er dan [nog] iets anders bestaat?”

[Sariputta:] “Zeg dat niet, mijn vriend.”

[ Maha Kotthita:] “Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er niets anders bestaat?”

[Sariputta:] “Zeg dat niet, mijn vriend.”

[ Maha Kotthita:] “Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er zowel iets anders bestaat, als niet iets anders bestaat?”

[Sariputta:] “Zeg dat niet, mijn vriend.”

[ Maha Kotthita:] “Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er  noch iets anders bestaat, noch niet iets anders bestaat?”

[Sariputta:] “Zeg dat niet, mijn vriend.”

[Maha Kotthita:] “Als je gevraagd wordt of, met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media, er iets anders bestaat, zeg je, ‘Zeg dat niet, mijn vriend’. Als je gevraagd wordt of er met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media niets anders bestaat, zeg je, ‘Zeg dat niet, mijn vriend’. Als je gevraagd wordt of er met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media zowel iets anders bestaat, als niet iets anders bestaat, zeg je, ‘Zeg dat niet, mijn vriend’. Als je gevraagd wordt of er met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media  noch iets anders bestaat, noch niet iets anders bestaat, zeg je, ‘Zeg dat niet, mijn vriend’. Welnu, wat is de betekenis van je woorden?

[Sariputta:] “De verklaring, ‘Met het zonder enig overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media [zicht, horen, ruiken, proeven, aanraken, intellect] is het dan zo dat er iets anders bestaat?’, objectiveert niet-objectiveerbaarheid. De verklaring, ‘Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er niets anders bestaat?’ objectiveert niet-objectiveerbaarheid. De verklaring, ‘Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er  zowel iets anders bestaat, als niet iets anders bestaat’, objectiveert niet-objectiveerbaarheid. De verklaring, ‘Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media is het dan het geval dat er noch iets anders bestaat, noch niet iets anders bestaat?’, objectiveert niet-objectiveerbaarheid. Hoever de zes contact-media gaan, dat is [ook] hoever objectiveerbaarheid gaat. Hoever objectiveerbaarheid dan ook gaat, dan is [ook] hoever de zes contact media gaan. Met het zonder overblijfsel stoppen en verdwijnen van de zes contact-media, komt er [ook] het stoppen, het bedaren van objectiveerbaarheid”. [bron: https://suttacentral.net/en/an4.173]

Er is dus een grens aan wat je kunt meten, aanduiden, verwoorden. Die grens is kennelijk datgene wat met de zes zintuigen kan worden waargenomen. Dat wat dit overstijgt, dat is niet objectiveerbaar. Dit betekent echter niet dat datgene wat je niet kunt meten, objectiveren, niet te kennen is. Je kunt daar alleen niet van zeggen dat het zus is of zo is, rood, blauw, vierkant, groot, klein, vredig, eeuwig, hier of daar etc. want dat zijn allemaal aanduidingen die tot het zintuiglijke domein behoren, tot de conventionele werkelijkheid. Iets wat voorbij dit domein ligt dat kun je ook niet meer duiden met conventionele termen.

Dit lijkt ook aan te sluiten op de aard van de Arahant, de Boeddha of Tathagata, in de betekenis van de bevrijde geest. Deze lijkt zich ook aan objectivering te onttrekken.

Dat er ook iets gekend kan, en zelfs begrepen dient te worden als de zintuigen eindigen en waarnemingen van vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen en mentale verschijnselen ook eindigen, is onderwerp van SN35.117. https://suttacentral.net/en/sn35.117.
Men moet ook die basis begrijpen waarbij de zes zintuiglijke bases zijn geeindigd.

Het is dus niet zo dat de grens van het kenbare samenvalt met de grens van wat zintuiglijk kan worden waargenomen.

Wat/wie de Tathagata/Arahant/Boeddha dan is? Het lijkt er op alsof bepaalde teksten dus aangeven dat zoiets voorbij de mogelijkheid ligt om te duiden, uit te spreken, te objectiveren. Alles wat je normaal tot een persoon rekent; lichamelijkheid, mentale formaties, bewustzijn, wil, verlangens etc., op die manier is een Tathagata/Arahant/Boeddha niet meer te rekenen of te beschouwen.
Maar is die aard onkenbaar? Nee, dat lijkt me niet. Ik denk dat je veilig kunt zeggen dat we zullen begrijpen wie/wat de Boeddha is zodra we zelf bevrijding realiseren.

Wordt vervolgd.  
« Laatst bewerkt op: 19-03-2018 12:22 door Sybe »

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Uit het voorgaande bleek dat wat/wie de Boeddha/Tathagata/Arahant is niet uit te drukken is. Je kunt niet zeggen; “zus of zo”.

De Tathagata is de Dhamma-kaya.

Ik kwam ook tegen dat over de Tathagata wordt gesproken als ‘het lichaam van de Dhamma’.

-“'Ik ben een ware zoon van de Gezegende heer, geboren vanuit zijn mond, geboren vanuit Dhamma, gecreeerd door Dhamma, een erfgenaam van Dhamma. Waarom is dat zo? Omdat, Vasethha, dit de Tathagata aanduidt: “Het lichaam van de Dhamma”... (Dhammakaya)…
(DN27§9)

Wat zou hier bedoeld kunnen worden met 'het lichaam van de Dhamma'? Dat is denk ik het beste te zien bij de bespreking van de Dhamma in de komende posten.

Nog enkele opmerkelijke zaken over de Boeddha of Tathagata die iets over diens aard onthullen

Een Tathagata is kennelijk in staat om met diens straling een immense ruimte te doordringen. Als andere wezens dat licht waarnemen, dan is de Tathagata in staat om diens stem er in je projecteren en hij zorgt er voor dat ze diens geluid horen. Hij kan dat zover doen als hij wil in een “thousand-to-the-third-power” groot wereldsysteem. De Tathagata’s zijn onmetelijk. (AN3.80) Dit wordt trouwens ook van de arahant gezegd. (AN3.115)

De Tathagata zou, als hij dat wenste, een aeon lang kunnen voortleven of gedurende het overblijfsel van een aeon. Een aeon beslaat volgens mij een periode van het ontstaan van een wereldsysteem (heelal), het uitdijen, en weer inkrimpen. Een complete cyclus.

Deze uiterst lange levensduur geldt trouwens voor iedereen die de vier bases voor psychische kracht heeft ontwikkeld en gecultiveerd, hen tot een voertuig en basis heeft gemaakt, ze uitgedragen heeft, ze geconsolideerd heeft en hen op de juiste manier ondernomen heeft. (AN8.70, SN51.10)
Hoe kan het dat een Tathagata zo lang kan voortleven? Het kan toch niet over het menselijk lichaam gaan.

In de Pari Nibbana sutta (DN16§3.3) brengt de Boeddha ook de mogelijkheid ter sprake dat wanneer hij dat zou willen, dan zou hij zijn leven naar wens nog kunnen verlengen (meer dan de 80 jaar die hij leefde). Ananda ging echter niet op deze uitspraak van de Boeddha in, d.w.z. Ananda verzocht hem op dat moment niet te blijven leven, zelfs niet nadat de Boeddha het drie keer had herhaald.

Het is kennelijk een punt van discussie geworden in boeddhisme hoe lang de Boeddha zijn leven zou kunnen rekken. Het draait daarbij om de betekenis van het woord ‘kappa’. Dit wordt meestal vertaald als aeon. Met enig weerstand heeft Walshe (vertaler van Digha Nikaya) dit vertaald als ‘een eeuw’ terwijl het meestal vertaald wordt als ‘aeon’. Bhikkhu Bodhi heeft consequent vastgehouden aan ‘een aeon’ en wijkt hiermee af van het commentaar bij DN. Ik vind het aannemelijk dat hier wel degelijk een aeon wordt bedoeld, een vrijwel onafzienbare tijd.

Tot zover dit deel van de verkenning naar de aard van de Boeddha, de Tathagata, de Arahant.

In het volgende deel wordt ingegaan op een diepere betekenis van ‘de Dhamma’ in de Sutta-Pitaka.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Beste Siebe,

De Boeddha/Tathagata, opm. bij reacties 2-5

De Boeddha als persoon met een geest zonder grenzen:
Hij heeft zijn leer in alle delen volledig begrepen: dat is niet van mij, dat behoort mij niet toe. Dus eigent hij zich dat niet toe. Zijn geest, gemoed, citta, is volledig vrij. En die vrijheid is grenzeloos.
Wanneer een gevoel ontstaat, dan beschouwt hij dat gevoel als gevoel. Het is niet ZIJN gevoel.  Of het nu een aangenaam gevoel is of een onaangenaam gevoel, het is voor hem alleen maar "een gevoel". 
Door zich helemaal niets meer met iets te identificeren is hij diepzinning, onmetelijk en onpeilbaar geworden.
De elementen waaruit het lichaam bestaan, zijn er nog, maar het zijn niet ZIJN elementen. De elementen waaruit de geest, het geestelijke bestaat, zijn er nog, maar het zijn niet ZIJN elementen. Het zijn gewoon elementen, zonder meer. Hij eigent zich dat alles niet toe. En zo is hij volledig vrij.
Die staat is niet in conventionele woorden uit te drukken.

De Boeddha is niet transcendent, maar hij identificeert zich nergens meer mee. Daarom is hij onvindbaar geworden. Hij is niet het lichaam, hij is niet de geest, hij is niet de gevoelens die ontstaan door aanrakingen. Er is voor hem geen gevoel van pijn noch een aangenaam gevoel. Het is alleen een gevoel, zonder meer. Als hij iets hoort, is het voor hem geen muziek noch lawaai. Het zijn geluiden, zonder meer. Als hij iets ziet, dan zijn dat vormen, zonder meer. Als hij iets ruikt, dan zijn dat geuren, zonder meer. Als hij iets proeft, dan zijn dat smaken, zonder meer. Als gedachten bij hem ontstaan, dan zijn dat gedachten, zonder meer, niet ZIJN gedachten. Hij eigent zich niets meer toe. Hij past zijn leer van anatta altijd toe. Dat is niet mijn zelf, dat is niet van mij, dat ben ik niet.
De Boeddha is daarom de leer in levende lijve: dhamma-kaya. Wat hij onderwijst, dat doet hij ook.
En de bewering dat de Boeddha een wereldperiode (aeon) zou kunnen blijven leven, als men hem erom vroeg, is een latere toevoeging. Dankzij het werk van filologen weten we dat het parinibbana sutta van D.16 vol staat met latere toevoegingen. Meer hierover als ik het laatste jaar van de Boeddha bespreek.

Groeten,
Nico

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Deel 2, Een Verkenning van een Diepere Betekenis van de Dhamma in Sutta-Pitaka

Algemeen

De edele boven-wereldlijke Dhamma is de eigen rijkdom van een persoon. (MN96§12)

“Daarom, Ananda, je dient te leven als een eiland voor jezelf, wees je eigen toevlucht, met niemand anders als je toevlucht, met de Dhamma als een eiland, met de Dhamma als je toevlucht, met geen andere toevlucht.” (DN16§2.26, DN26§1, SN22.43, SN47.9/13/14)

In dit deel wordt verkend of er een betekenis is van ‘de Dhamma’ die verder gaat dan ‘de Leer’ of ‘de verzameling onderrichtingen’. Wat voor aanwijzingen zijn er in de overgeleverde Sutta-Pitaka? Dit wordt in de komende posten verkend.

Op directe of rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma, de Dhamma zien

Er wordt in de teksten aangegeven dat de Dhamma moeilijk is te zien en niet bereikt of verwezenlijkt kan worden door louter redeneren. Het is subtiel, vredevol en te ervaren door de wijzen. (MN72§18, MN26§19, MN95§17, SN6.1)

In vele sutta wordt ook gezegd dat de Dhamma op directe wijze zichtbaar is, ogenblikkelijk effectief, tot onderzoek uitnodigend, voorwaarts leidend, te worden ervaren door de wijzen zelf. (o.a. MN38§25, SN1.20, SN4.21, SN11.3, SN41.10)

Wat betekent het dat de Dhamma op directe wijze zichtbaar is? En wat betekent ‘de Dhamma zien’? Ik kwam in de teksten meerdere antwoorden tegen. Dit zal nu eerst aan bod komen.

De Dhamma zien is Nibbana zien; Nibbana zien is de Dhamma zien

Het wordt niet rechtstreeks zo gezegd, maar ik leid dat af uit het volgende:

Op welke manier sprak de Boeddha over een rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma? Dit is de vraag die in o.a. AN9.46 wordt behandeld. De sutta onderscheidt een op rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma in voorlopige zin én een rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma in een niet voorlopige zin. Het eerste verwijst naar de 8 jhana’s.
Ik begrijp het zo dat als iemand daarin verwijlt dan ziet of ervaart iemand de Dhamma in een voorlopige zin of op een voorlopige manier. ‘Op een voorlopige manier’ omdat tijdens jhana de bezoedelingen ‘slechts’ tijdelijk zijn onderdrukt maar ze zijn nog niet ontworteld.
Als vervolgens de sfeer van noch-waarneming noch niet-waarneming wordt overstegen en iemand de beëindiging van waarneming & gevoel binnengaat, dit met wijsheid beziet, en de asava’s eindigen (definitief), dan ziet iemand de Dhamma in een niet voorlopige zin. Dus met de beëindiging van de asava’s is de Dhamma op rechtstreekse wijze zichtbaar (geworden) op een niet voorlopige manier. ‘Niet voorlopig’ omdat de asava’s nu volledig en definitief zijn beëindigd. Ze zijn ontworteld en kunnen niet meer in de toekomst ontstaan.

De volgende sutta, AN9.47, hanteert precies dezelfde structuur dan de vorige sutta met uitzondering dat het nu niet over een op rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma gaat, maar een op rechtstreekse wijze zichtbaar Nibbana. Een op rechtstreekse wijze zichtbaar Nibbana in voorlopige zin verwijst weer naar wat je ervaart als geest verblijft in de 8 jhana’s. Op rechtstreekse wijze zichtbaar Nibbana in een niet voorlopige zin verwijst weer naar de situatie van de beëindiging van de asava’s.

Als je beide sutta’s zo bij elkaar neemt, dan kun je hieruit opmaken, lijkt me, dat ‘de Dhamma zien’ hier eigenlijk een synoniem is voor ‘Nibbana zien’. Daarom, volgens mij mag je zeggen, ‘de Dhamma zien is Nibbana zien’, en omgekeerd.

De hierop volgende sutta’s volgen ook precies dezelfde structuur als AN9.46 en 47. Hieruit kun je opmaken, vind ik, dat andere synoniemen voor de Dhamma en Nibbana zijn: ‘Bescherming’ (AN9.52/53) ‘Het Doodloze’ (AN9.54/55), ‘Het Angstloze (AN9.56/57), ‘Kalmte’ (AN9.58/59), ‘Beëindiging’ (AN9.60/61).

Het zijn allemaal namen, woorden, aanduidingen om te verwijzen naar ‘een staat’, definitief vrij van alle begeerte, van alle bezoedelingen, van alle asava’s, van alle gehechtheid (want er is geen begeerte meer). Dan is er ook sprake van arahantschap. 

Dus de Dhamma zien is ook Nibbana zien, en Nibbana zien is de Dhamma zien.

Je kunt dan ook zeggen, lijkt me, dat déze Dhamma niet onderhevig is aan ontstaan, bestaan en vergaan, want dat is Nibbana niet. De Dhamma  als de Leer of verzameling onderricht is echter wel onderhevig aan ontstaan, afname en zelfs verdwijnen. (SN16.13, SN20.7, AN1.115-129, AN2.20, AN4.160, AN5.154 e.a.).

Een vervalloze Dhamma komt ook ter sprake in SN3.3:

-“De prachtige rijtuigen van koningen verslijten,
Dit lichaam ondergaat ook aftakeling.
Maar de Dhamma van de goeden kent geen verval:
Dus de goeden gaan door met het verkondigen van het goede”.

De gelijkstelling van ‘de Dhamma’ en Nibbana klinkt ook door in dit fragment:

-“Meer dan duizend bhikkhu’s zijn hier
Aanwezig bij de Gelukkige
Terwijl hij de stof-vrije Dhamma onderwijst,
Nibbana ontoegankelijk voor angst”.

“Om ons over de stroom te leiden
Verklaarde u het pad met diens vele aspecten.
De ziener van Dhamma staat onbeweeglijk
In dat Doodloze door u verklaard”. (SN8.8}

Vergelijk ook eens de volgende Dhammapada verzen:

Dhp 114: “Iemand kan honderd jaren leven en het Doodloze niet zien, maar één enkele levensdag van iemand die het Doodloze wel ziet, is veel beter.

Dhp 115: “Iemand kan honderd jaren leven en de Verheven Dhamma niet zien, maar één enkele levensdag van iemand die de Verheven Dhamma wel ziet, is veel beter”.

Ook hier kun je denk ik uit opmaken dat ‘de (verheven) Dhamma’ hier als een synoniem wordt gebruikt voor het Doodloze, wat een aanduiding is voor Nibbana.

Itivuttaka 107 spreekt over het bereiken van de ware Dhamma, de onovertroffen bescherming tegen ketening”. Nibbana wordt ook ‘de onovertroffen bescherming tegen ketening’ genoemd (MN37). 

Soms wordt in de sutta’s in plaats van over het Doodloze ook gesproken over ‘de doodloze staat.’ (MN34§12, SN10.9, SN21.7, AN4.49)

Het lijkt me dat je dus mag zeggen dat ‘de Dhamma’ in een diepere betekenis verwijst naar Nibbana, naar het Doodloze, de doodloze staat. Dit wordt ook wel 'het ongeconditioneerde' genoemd. Ik zie het zo dat deze staat in essentie de natuur is van geest, van ons. Omdat dit zo, is het mogelijk voor ons een toevlucht van onszelf te maken, een eiland. Zou er alleen maar instabiliteit zijn, slechts mentale en fysieke processen, in constante flux, dan is het onmogelijk een eiland en toevlucht van jezelf te maken.

Omdat een Boeddha deze doodloze staat verwezenlijkt heeft, verwijst ‘de Dhamma’ in uiteindelijke zin, mag je zeggen lijkt me, ook naar de Boeddha of Tathagata. De Boeddha is ook de Dhamma, de Dhamma is ook de Boeddha.

Onder ander dit komt aan bod in de volgende post.

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
De Boeddha is de Dhamma, de Dhamma is de Boeddha

Er zijn ook enkele teksten waarin wordt aangegeven dat de Boeddha de Dhamma is. (MN18§12/13, MN133§9). De context in deze twee sutta’s is dat monniken van de Boeddha onderricht ontvingen maar niet doorvroegen om een gedetailleerde uitleg. Terwijl ze uiteen zijn gegaan, vragen ze dan een door de Boeddha gerespecteerde bhikkhu om nadere uitleg. Deze zegt vervolgens: “Vrienden, het is alsof een man die hardhout nodig heeft, die hardhout zoekt, die rondzwerft om hardhout te vinden, denkt dat dat hardhout te vinden is onder de takken en bladeren van een grote boom die bestaat uit hardhout, nadat hij de wortel en de stam is voorbij gelopen. En zo is het met jullie, eerwaarde heren, dat jullie nu denken dat ik gevraagd moet worden naar de betekenis hiervan, nadat jullie aan de Gezegende voorbij zijn gegaan toen jullie hem persoonlijk ontmoeten. Want wetend, de Gezegende weet; ziend, ziet hij; hij is visie/zicht (vision), hij is kennis, hij is de Dhamma, hij is de heilige, hij is de sprekende, de verkondiger, uitlegger van de betekenis, de gever van het Doodloze, de heer van de Dhamma, de Tathagata…” (zie ook SN35.116)

De gelijkstelling van de Boeddha aan de Dhamma klinkt ook door in SN22.87. In mijn eigen woorden: De eerwaarde Vakkali wilde al lang de Boeddha eens bezoeken maar hij was niet fit genoeg om dat te doen. Boeddha’s reactie daarop: “Genoeg, Vakkali! Waarom wil je dit bezoedelde lichaam zien? Iemand die de Dhamma ziet, ziet mij; iemand die mij ziet, ziet de Dhamma. Want bij het zien van de Dhamma, Vakkali, ziet iemand mij; en bij het zien van mij, ziet iemand de Dhamma”. 

Hier zie je eigenlijk ook dat het lichaam van de Boeddha zien eigenlijk niet hetzelfde is als de Boeddha zien en dat het lichaam van de Boeddha niet-zien niet betekent dat je de Boeddha niet kunt zien. Dat zagen we ook al in het vorige deel.

Ook in Itivuttaka §92 komt dit onderwerp ter sprake:

“Dit werd door de Gezegende gezegd, gezegd door de arahant, aldus heb ik gehoord:
“Monniken, zelfs als zou een monnik, terwijl hij mijn buitenste gewaad vastheeft, vlak achter me volgen, zijn voetstappen in mijn voetstappen plaatsend, en hij zou toch gretig zijn naar zintuiglijke genoegens, sterk in zijn hartstochten, kwaadaardig in geest, onzuiver in zijn voornemens, zijn mindfulness vertroebeld, niet alert, niet gecentreerd, zijn geest alle kanten opgaand, en zijn vermogens niet onder controle, dan zou hij ver van mij af zijn, en ik van hem. Waarom is dat zo? Omdat hij de Dhamma niet ziet. De Dhamma niet ziend, ziet hij mij niet. Maar zelfs al zou een monnik 100 kilometer ver weg leven, als hij toch geen gulzigheid naar zintuiglijke objecten heeft, niet sterk zou zijn in zijn hartstochten, niet kwaadaardig in geest, zuiver in zijn voornemens, met mindfulness gevestigd, alert, gecentreerd, zijn geest éénpuntig en zijn vermogens goed onder controle, dan zou hij nabij mij zijn en ik bij hem. Waarom is dat zo? Omdat hij de Dhamma ziet. De Dhamma ziend, ziet hij mij”.

"Hoewel vlak achter me volgend
Ambitieus, geïrriteerd:
Zie hoe ver weg hij is!-
De verstoorde,
Van de onverstoorbare
De gebondene
Van de Ongebondene
De gretige
Van degene zonder gretigheid.

Maar de wijze persoon die, door
Directe kennis van de Dhamma,
Gnosis van Dhamma,
Stil wordt en onverstoorbaar
Als een meer dat niet opgeweld wordt door de wind:
Zie hoe nabij hij is!-
De onverstoorbare tot de onverstoorbare
De Ongebondene tot de Ongebondene,
De niet hebzuchtige
Tot degene zonder hebzucht”

Wat valt er meer voor een boeddhist te ontdekken dan de Dhamma en Boeddha rechtstreeks te zien? We kunnen nog zoveel kennis hebben van de sutta’s en van Abhidhamma, dat wil helemaal niet zeggen dat we de Dhamma rechtstreeks zien. Dat we enige gnosis hebben van Dhamma.

Wordt vervolgd 

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Andere betekenissen van een op rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma

Het is niet zo dat ‘op rechtstreekse wijze de Dhamma zien’, altijd verwijst naar het rechtstreeks zien van Nibbana, volgens mij. Het kan wel een betekenis zijn volgens mij, maar hoeft niet.

Ik kwam ook teksten tegen die dit weer anders belichten, bijvoorbeeld SN35.70. In mijn eigen woorden samengevat: Wanneer iets door de zintuigen wordt waargenomen, dan kan het zijn dat begeerte opkomt in relatie tot dat zintuiglijk verschijnsel. Het kan ook zijn dat er naar aanleiding van het zintuiglijk verschijnsel géén begeerte opkomt. Er wordt in de sutta aangegeven dat als iemand weet dat er begeerte is als er begeerte is, en weet dat er geen begeerte is als er geen begeerte is in relatie tot het zintuiglijk verschijnsel, dan is op dat moment de Dhamma rechtstreeks zichtbaar, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en te zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te ervaren door de wijzen.

Ook AN3.53 behandelt weer wat ‘een op rechtstreekse wijze zichtbare Dhamma’ is. In eigen woorden samengevat: Iemand onder invloed van begeerte, haat en begoocheling is uit op zijn eigen gekweldheid, op de gekweldheid van anderen, en op de gekweldheid van beide. Hij ervaart mentaal lijden en bedruktheid. Maar wanneer afstand is gedaan van begeerte, haat en begoocheling is hij niet uit op zijn eigen gekweldheid, dat van anderen of van beide. Hij ervaart niet mentaal lijden en bedruktheid. Het is op deze manier dat de Dhamma op directe wijze zichtbaar is.

AN3.55 werkt het bovenstaande precies zo uit voor op directe wijze zichtbaar Nibbana.

Iemand beïnvloed door begeerte, haat en begoocheling begaat wangedrag via lichaam, spraak en geest. Hij begrijpt op dat moment niet wat goed is voor hemzelf, goed voor anderen, goed voor beide. Maar wanneer hier afstand van gedaan is, begrijpt hij wat goed is voor hemzelf, voor anderen en voor beide. “Het is op deze manier, brahmaan, dat de Dhamma op directe wijze zichtbaar is, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te ervaren door de wijzen”. (AN3.54)

Ook de rondzwervende Moliyasivaka vraagt aan de Boeddha op welke manier de Dhamma directe wijze zichtbaar is, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te ervaren door de wijzen. De Boeddha geeft aan (in mijn eigen woorden samengevat): In zoverre iemand weet dat hebzucht, haat en begoocheling in de geest aanwezig is wanneer dit aanwezig is, en weet wanneer dit afwezigheid is wanneer dit afwezig is, in zoverre is de Dhamma op directe wijze zichtbaar is, ogenblikkelijk, iemand uitnodigend te komen en zien, toepasbaar, op persoonlijke wijze te ervaren door de wijzen. (AN6.47)

In de volgende sutta (AN6.48) wordt dit nog uitgebreid met het weten dat er een lichamelijke, verbale en mentale fout in je aanwezig is wanneer dit aanwezig is,  en weten dat die fouten afwezig zijn wanneer ze afwezig zijn.

Het lijkt er dus op dat ‘een op directe wijze zichtbare Dhamma’ ook kan verwijzen naar het zichtbaar worden van de Leer die onderwijst over de verschijnselen zoals hebzucht, haat en begoocheling.  De Dhamma wordt zichtbaar in zoverre je dit herkent op het moment dat het zich voordoet in je eigen geest, wordt wellicht bedoeld. Je kunt de Leer dan ook direct toepassen, bijvoorbeeld door bewust afstand te doen van onheilzame staten, er niet op voort te borduren, ze niet aan te wakkeren.
Maar je zou ook kunnen zeggen, denk ik, dat als je mindful bent en alles met wijsheid beziet op het moment dat het ontstaat, dan blijft geest ook onbewogen. Dat zou je ook kunnen duiden als de Dhamma op rechtstreekse wijze zien.

Wordt vervolgd

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Stroom-intrede en de Dhamma zien

Het moment van stroom-intrede wordt in de sutta’s beschreven als het moment dat iemand de Dhamma ziet.

In vele sutta’s wordt dit beschreven. De context is vaak hetzelfde. De Boeddha geeft eerst een geleidelijk onderricht over vrijgevigheid, deugdzaam gedrag en de hemel. Hij onthult het gevaar, de achteruitgang en bezoedeling van zintuiglijke genoegens en het voordeel van verzaking.
Als de Boeddha na dat geleidelijk onderricht dan ziet dat iemands geest soepel is geworden, verzacht, bevrijd van belemmeringen, verheven en zelfverzekerd, dan onthult de Boeddha dat Dhamma onderricht dat specifiek is voor de Boeddha’s, namelijk: lijden, diens ontstaan, diens beëindiging en het pad. Dan, net zoals een schoon stuk stof vrij van vieze vlekken gemakkelijk de verf zou absorberen, zo komt dan op dat moment in iemand ook het zogenaamde stofvrij, smetteloze Dhamma-oog op: “Wat dan ook onderhevig is aan ontstaan, is allemaal onderhevig aan beëindiging. Er wordt dan vaak op dat moment door die persoon uitgesproken: ‘Ik zag de Dhamma, verwezenlijkte de Dhamma, begreep de Dhamma, doorgrondde de Dhamma, ging voorbij twijfel, werd vrij van verbouwereerdheid, verwezenlijkte zelfverzekerdheid, en werd onafhankelijk in het onderricht van de Leraar’. (DN3§2.21, DN5§29, DN14§3.15, DN21§2.10, MN56§18, MN74§15*,  MN91§36, MN147§10, SN35.74, SN35.121, SN35.11, AN8.21, AN3.94, AN8.12, U 5.4). Dit is het moment dat iemand de stroom-intreedt, het boven-wereldlijke edele Pad verwerft (dit is iets anders dan 'het gewone' achtvoudige Pad).

Hier zie je dat ‘de Dhamma zien en begrijpen’ niet verwijst naar het zien en begrijpen van alle leerstukken of grondige intellectuele kennis van de leer. Nee, bij stroom-intrede wordt de Dhamma direct gezien en begrepen en verwezenlijkt. Hier is de Dhamma zien volgens mij weer hetzelfde als Nibbana zien, de edele waarheden zien.

Bhikkhu Bodhi legt uit dat de zinsnede; “Alles wat onderhevig is ontstaan, is onderhevig aan beëindiging”, de manier toont waarop het Pad ontstaat. Het Pad heeft beëindiging (Nibbana) als diens object, (dus Nibbana wordt op dat moment ervaren, Siebe) maar diens functie is om door te dringen in alle geconditioneerde staten als onderhevig aan ontstaan en beëindiging”.  (MN, noot 588).

In mijn eigen woorden: als je beëindiging meemaakt, Nibbana ziet, de Dhamma ziet, dan weet je ook dat alles wat je normaal ervaart via de zintuigen onderhevig is aan ontstaan en beëindiging. Dat kun je wel bedenken, maar zoiets rechtstreeks ervaren is wat anders. Ik geloof ook dat je op dat moment je ware staat ziet en dus ook een niet intellectueel begrip ontstaat van anatta, van wat niet-zelf is. En wat is niet-zelf? Het lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn, oftewel, wat dan ook het geconditioneerde betreft.
 
In noot 589 vult Bodhi aan dat de Dhamma begrijpen en verwezenlijken hier verwijst naar de Vier Edele Waarheden begrijpen.

Het is echter niet zo dat een stroom-intreder Nibbana al volledig heeft verwezenlijkt in de zin dat alle bijkomstige begeerte en bezoedeling volledig en definitief zijn beëindigd. Maar er is een flinke stap gemaakt in die richting. Zo’n grote stap dat geboorte in een lager rijk niet meer zal/kan plaatsvinden en er zekerheid is dat volledige verlichting zal worden bereikt binnen maximaal 7 levens. Men schijnt niet meer terug te kunnen vallen.
Bij stroom-intrede wordt je ook je eigen autoriteit op het gebied van de Dhamma. Natuurlijk is er nog veel te leren en doen maar je bent dan doorgedrongen tot de kern van de Dhamma en hebt geen twijfels meer over je eigen begrip van de Leer.

Dit soort verdienste is ook onafhankelijk van het ontwikkelen van ziekten op latere leeftijd. Het is bijvoorbeeld niet zo dat dementie zulke verdienstelijkheid kan wegnemen. Dit gebeurt niet omdat de verdienste niet in het brein of lichaam zit. Het lichaam en brein kan dus wel allerlei gebreken ontwikkelen, hierdoor gaat verdienste niet verloren na de dood.

SN46.30 bespreekt de persoonlijk doorbraak tot de Dhamma van Udayi: “Toen, eerwaarde heer, terwijl ik een lege hut verbleef, het aanzwellen en de afname van de vijf aggregaten onderhevig aan gehechtheid volgend, wist ik op rechtstreekse wijze zoals het werkelijk is: ‘Dit is lijden’; ik wist direct zoals het werkelijk is: ‘Dit is het ontstaan van lijden; ik wist direct zoals het werkelijk is: ‘Dit is de beëindiging van lijden;  ik wist direct zoals het werkelijk is: ‘Dit is de weg naar de beëindiging van lijden’. Ik heb de doorbraak tot de Dhamma gemaakt, eerwaarde heer en heb het pad verkregen, welke, wanneer ik het ontwikkeld en gecultiveerd heb, me verder zal leiden, terwijl ik op de juiste manier verwijl, naar zo’n staat dat ik zal begrijpen: ‘Vernietigd is geboorte, het heilige leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is niets meer voor deze staat van zijn’.

Zo’n fragment maakt toch ook wel heel duidelijk dat het hier niet gaat om intellectuele kennis of kennis ontstaan vanuit redeneren.

Vergelijk het bovenstaande ook met Dhammapada vers 374: “Wanneer hij met juiste indachtigheid het komen en gaan van de aggregaten beschouwt, ervaart hij vreugde en geluk; voor hen die het kennen is dit het doodloze”.

Wordt vervolgd.  

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Paticca Samuppada zien is de Dhamma zien, en omgekeerd

Er is nog een context waarin gesproken wordt over ‘het zien van de Dhamma’ en dat is Paticca Samuppada (PS), voorwaardelijk ontstaan.

“Welnu, dit is door de Gezegende gezegd: ‘Iemand die afhankelijk ontstaan ziet (Paticca Samuppada) ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet afhankelijk ontstaan’.  En deze vijf aggregaten die beïnvloed worden door hechten, zijn afhankelijk ontstaan. Het verlangen, de toegeeflijkheid, de geneigdheid en het vasthouden gebaseerd op deze vijf aggregaten beïnvloed door hechten, is de oorsprong van lijden. Het verwijderen van het verlangen, de begeerte, het afstand doen van verlangen en begeerte naar deze vijf aggregaten beïnvloed door hechten, is de beëindiging van lijden.” (MN28§28/38)

Wanneer iemand van PS de voorwaarde begrijpt (alle), het ontstaan van de voorwaarde (alle), de beëindiging van de voorwaarde (alle), de weg die leidt naar de beëindiging van de voorwaarde, dan wordt iemand genoemd: …“een edele leerling die bekwaamd is in visie (view), bekwaamd in zicht (vision), die aangekomen is bij deze ware Dhamma, die deze ware Dhamma ziet, die de kennis van een trainee bezit, de ware kennis van een trainee, die de stroom van de Dhamma is binnengegaan, een edele met doordringende wijsheid, iemand die recht voor de deur tot het Doodloze staat”. (SN12.27/28/33/49)

Ik beschouw het zien van afhankelijk ontstaan (PS) niet als intellectuele kennis over afhankelijk ontstaan. Het verwijst hier volgens mij naar de directe kennis van het ontstaan en beëindigen van de khandha’s.

Tot zover het thema ‘de Dhamma zien’.

Wordt vervolgd 

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
De Dhamma als iets waarin je verwijlt

Soms wordt ook over de Dhamma gesproken als iets waarin je verwijlt, zoals bijvoorbeeld in  AN5.73. In eigen woorden samengevat: als iemand de dag doorbrengt met het bestuderen van Dhamma onderricht, van de verzen, geïnspireerde uitspraken, citaten, geboorteverhalen etc. en afzondering veronachtzaamt en zich niet toewijdt aan interne sereniteit van geest, dan verwijlt die persoon ook niet in de Dhamma. Hetzelfde als iemand de dag besteedt al pratend over de Dhamma en reciterend en nadenkend over. Maar als iemand dat doet maar niet afzondering veronachtzaamt en zich toewijdt tot interne sereniteit dan verblijft iemand in de Dhamma.

De volgende sutta (AN5.74) breidt dit uit met wijsheid. Om te verwijlen in de Dhamma moet je niet alleen de Dhamma leren maar ook diens betekenis met wijsheid begrijpen.

Itivuttaka 86 verwijst ook naar de Dhamma als een verblijf.

Dhammapada vers 259 zegt: “Iemand is niet bedreven in de Dhamma door louter veel te spreken; maar iemand die er zelfs weinig over heeft gehoord maar die de Dhamma in het lichaam ziet, diegene is inderdaad kundig en niet onachtzaam in de Dhamma.

Dit vers verwijst naar een arahant die slechts 1 vers van verrukking had geleerd. Dit in contrast met personen die alle ins en outs weten van de Leer maar die geen arahant zijn en deze man wel. Veel kennis zegt niet alles. De arahant zag de Dhamma in het lichaam. Soms spreekt men ook over de smaak van de Dhamma (Dhp 354)

Er zijn niet veel die de smaak van de betekenis, de smaak van de Dhamma, de smaak van bevrijding verkrijgen (AN1.347)

De Dhamma en discipline heeft maar 1 smaak, de smaak van bevrijding (AN8.19)

Tot zover de behandeling van een diepere betekenis van ‘de Dhamma’ in de Sutta-Pitaka.
In de komende post worden een aantal zaken op een rijtje gezet.

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Conclusie

Er zijn teksten waarin de betekenis van ‘de Boeddha’, ‘de Tathagata’, de Arahant’ ‘gewoon’ verwijst naar bijvoorbeeld het lichaam wat de tijdgenoten van de Boeddha zagen. Dan verwijzen ze naar de mens die eens werd geboren, verouderde en stierf.

Er zijn ook teksten in de Sutta-Pitaka die, wat mij betreft, aangeven dat de Tathagata, de Arahant, de Boeddha, naar diens ware aard, de bevrijde geest, eigenlijk zo niet aangeduid kan worden. Het lichaam wat de mensen destijds zagen, dat was niet echt de Tathagata of Boeddha.
Wie of wat was/is de Boeddha/Tathagata/Arahant dan wel? Het lijkt er op dat de teksten aangeven dat diens aard niet te objectiveren is, niet te meten, onverwoordbaar. Het ligt voorbij het zintuiglijk domein, voorbij de conventionele wereld.

Op grond van de Pali sutta’s kun je mijns inziens concluderen dat er een diepere betekenis van ‘de Boeddha’ en ‘de Dhamma’ in de Sutta-Pitaka. De Boeddha is in de kern de Dhamma, en vice versa. De Dhamma verwijst in de kern naar Nibbana. Nibbana is het Doodloze, het Ongeconditioneerde. De Boeddha, de Dhamma, Nibbana ze verwijzen in de kern naar hetzelfde.

Tot slot een uitspraak van een leraar die wordt beschouwd als een arahant, eerwaarde Ajaan, Maha Boowa Nanasampanno van de Thai Forest Tradition, een Theravada school:

“Waar ging de Heer Boeddha heen toen hij stierf? Zijn fysieke lichaam desintegreerde alleen maar, zijn natuurlijke beloop volgend- lichamen zijn overal hetzelfde. Maar de gezuiverde natuur, de complete Buddho, werd niet vernietigd. Het stierf niet. Het stijgt boven ruimte en tijd uit. Zo is de ware Boeddha. Dit is waar we naar refereren in: Ik neem toevlucht in de Boeddha, Dhamma en Sangha.
Hoe kan deze natuur vernietigd worden? We moeten het duidelijk in ons eigen hart zien en dat gebruiken om deze natuur te verifieren als we eenmaal een staat van absolute zuiverheid hebben gerealiseerd. Dit zal het absolute bewijs zijn. Dit is hoe alle Arahant Savaka’s (Verlichte leerlingen) de waarheid begrepen”. [bron: amata Dhamma, six talks on dhamma by  Ajaan Mahã Boowa Ñãnasampanno, translated by Ajaan Suchard Abhijato, amata, immortal dhamma, blz. 94]

Dit besluit ‘Een Verkenning van een Diepere Betekenis van Boeddha en Dhamma in de Sutta-Pitaka'
 

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Hoi,

Ik ben ook wel benieuwd wat jullie er van vonden.

groet,
Siebe


MaartenD

  • Gast
Het is voor mij prikkelend en verwarrend. Flitsen van betekenis ervaar ik soms als ik je berichten lees. Het is allemaal moeilijk voor te stellen. Zoveel was natuurlijk ook al bekend.

De 'ware' buddho.. ik heb opeens een associatie met de hindoe-idee van Atman. Het lijkt wel alsof elke verlichte één is of wordt met het grote, algemene buddho. Waarom zou je dat niet een wereldziel kunnen noemen?

Dat botst natuurlijk weer met het begrip anatta/anatman. Wat te doen?

Ik heb zelf het vage vermoeden dat er niet zozeer iets gebeurd bij de verlichting als dat er eindelijk volkomen inzicht ontstaat over wat toch al zo was. Termen als geboorte en dood moeten in de sutta's vaak symbolisch worden opgevat, meen ik, als begin en einde van iets dat illusie is en daardoor eigenlijk niet bestaat in directe zin. "Waar ging de Boeddha heen na het parinibbana?" is dus niet te beantwoorden omdat het een onnutte en onterechte vraag is. Niet omdat wij het antwoord nu nog niet weten.

Dat zijn zo even mijn bespiegelingen, Siebe. Meer is het ook niet. Ik ben benieuwd naar andere inzichten.

Met warme groet,

Maarten

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Beste Maarten,

Het is inderdaad moeilijk voor te stellen. De manier waarop iets in Azië wordt uitgedrukt maakt het soms nog moeilijker om te begrijpen. Azië denkt anders dan Europa.
Met de ware buddho wordt m.i. bedoeld het juiste inzicht dat er geen zelf is en geen blijvendheid. Alles verandert, binnen in ons en buiten ons. Daarom gaf de Boeddha de raad om ons nergens aan te hechten. Dan komt er een geestelijke toestand van een dergelijke vrede die wij ons (nog) niet voor kunnen stellen. Die toestand wordt ook nibbana of het doodloze genoemd.
Nibbana betekent letterlijk: uitdoving. Hier moeten wij er goed aan denken dat de uitdoving van een vuur voor de mensen die in de tijd van de Boeddha leefden, geen verdwijnen in een niets betekende. In die tijd was men van mening dat een vuur zich vasthecht aan de brandstof (hout, stro, olie e.d.). Als de brandstof op was, was er voor het vuur niets meer om zich aan vast te hechten. Het vuur verdween dan, onzichtbaar voor het oog. (Maar het was er wel nog in hun begrippen).
Zo is degene die de ware buddho heeft, iemand die onwetendheid heeft verdreven, die juist inzicht heeft, onzichtbaar geworden omdat hij of zij zich nergens meer aan vastklampt. Die persoon identificeert zich nergens meer mee. Zijn bewustzijn (citta) heeft elke basis verloren. Er is geen voorkeur meer voor iets of iemand. Er is geen afkeer meer van iets of iemand. Volmaakte rust en vrede is er.
Bij de Verlichting gebeurt dus wat jij ook al hebt ingezien dat er "eindelijk volkomen inzicht ontstaat over wat toch al zo was." Of wij het nu inzien of niet, het blijft een feit dat alles hier verandert en vergaat.
Het bewustzijn, het waarnemen (citta) dat vrij is van voorkeur en afkeer wordt het enkelvoudig bewustzijn genoemd. Omdat het niet is samengesteld en niet meer samenstelt, is het vrij van geboorte en dood.
Die toestand kan niet meer in woorden worden omschreven, ligt buiten het begrip van degene die de volmaakte heiligheid nog niet heeft bereikt.
Een voorproefje ervan hebben wel degenen die op het pad van heiligheid zich bevinden, vanaf stroomintrede en verder.


Met warme groet,
Nico

Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3382
Wat ik van het onderricht van de Thai meester Maha Boowa begrijp, is arahattamagga een uniek moment. Je ziet/ervaart iets wat je nog niet eerder hebt gezien. Dat wat je dan ziet, beëindigt onwetendheid definitief.

Eerwaarde Maha Boowa lijkt die ervaring zo te beschrijven dat vanaf dat moment geest op een totaal ongeforceerde, ongedwongen manier onthecht is van alles wat het ervaart. Het is echter niet zo dat die staat er eerst niet was. Het is geen nieuwe geest ofzo die tijdens arahattamagga ontstaat. Het is gewoon dezelfde geest, dezelfde citta, maar in die citta ontbreekt nu de meest fundamentele bezoedeling, onwetendheid. Deze onderliggende neiging van onwetendheid is verdwenen. Het is deze neiging die in de praktijk leidt tot een egocentrische belevingswijze, waarin het draait om de perceptie van "Ik" en "mijn". In plaats van perceptie kun je ook lezen (innerlijke) 'visie'.

Tot die tijd, tot arahattamagga, is geest niet echt op een ongedwongen manier onthecht. Het is meer iets wat geforceerd wordt door inzichtmeditatie, concentratie en door contemplatieve technieken, maar niet op ongedwongen wijze. Je kunt het denk ik ook zo zeggen: je kunt best gewoonten aanleren waarbij je minder egocentrisch functioneert, maar gewoonten of nieuwe conditioneringen ontwortelen niet onwetendheid. Het is toch niet echt realisatie of diepgaand inzicht zoals bij arahattamagga.

Arahattamagga is een moment dat je, kennelijk, zonder twijfel ziet dat je niet bent wat je ervaart. Wat ik van de beschrijving van Maha Boowa begrijp, is dat op dat moment alle waarnemingen eindigen, dus ook van je lichaam en allerlei mentale formaties en dat alleen een soort wetende essentie van de geest overblijft. Maar essentieel is, daarin is geen centrum. Stel bijvoorbeeld dat je stil wordt van binnen en die stilte waarneemt, dan is daarin een centrum, namelijk degene die de stilte waarneemt. Eigenlijk ben je nog zelf, als waarnemer in die leegte/stilte aanwezig. Dit is niet echt kennis van stilte/leegte benadrukt hij. De waarnemer van leegte moet ook uit de leegte treden. Pas dan wordt de ware staat echt gezien.
Hij schijnt zoiets ervaren te hebben.

Al die in vele levens opgebouwde beschermingsmechanismen gekoppeld aan een ego-centrische belevingswijze (visie), evenals de behoeften daaraan gekoppeld, verdwijnen dan kennelijk gewoon.

groet,
Siebe






 



« Laatst bewerkt op: 06-04-2018 20:34 door Sybe »