Auteur Topic: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. Inleiding  (gelezen 883 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Inleiding


Kaart van India ten tijde van de Boeddha



0.1. Korte schets van het leven van de Boeddha
 
      De Boeddha werd geboren te Lumbini.[1] Volgens de Theravāda-traditie was het in het jaar 623 voor Christus. Hij kreeg de naam Siddhattha. Zijn moeder heette Māhā Māyā. Zijn vader was Suddhodana Gotama, gouverneur van de stam van de Sakyas. De hoofdstad van de Sakyas was Kapilavatthu. In die stad bracht Siddhattha zijn jeugd door.
      Op 16-jarige leeftijd trouwde hij met zijn nicht Yasodharā. Zij was de enige dochter van koning Suppabuddha en koningin Pamita van de stam van de Koliyas.
      Siddhattha leefde in weelde en zonder zorgen. Maar tijdens zijn tochten in de omgeving zag hij dat de mens gebukt gaat onder ouderdom, ziekte en dood. Hij ontmoette er ook een asceet die zijn leven voerde tot heil van de mensen. Ook Siddhattha wilde een dergelijk leven voeren. Juist op de dag dat hij het voornemen nam om zijn weelderig leven op te geven, werd hem een zoon geboren. Siddhattha besefte dat hij nu niet gemakkelijk huis en echtgenote kon verlaten. Maar hij had geen verlangen ernaar om het luxueuze leven als hoofd van een gezin te voeren. Ook verlangde hij er niet naar om een groot man te worden door anderen te doden in de oorlog. Zijn gemoed was vastbesloten en hij gaf alle weelde, troon en heerschappij en geluk met vrouw en kind op om op zoek te gaan naar de onvergelijkbare innerlijke vrede.
      Hij verliet paleis, stad en land en begon het huisloze leven van een asceet. Hij ging op zoek naar de weg die naar de hoogste vrede voert. Eerst ging hij naar beroemde leraren. Maar die konden hem de weg naar die vrede niet leren. Siddhattha ging toen alleen verder. In etappes kwam hij aan te Senānigāma[2] nabij Uruvelā. Daar bleef hij. Vijf andere asceten voegden zich weldra bij hem.
       Siddhattha dacht dat strenge ascetische oefeningen hem naar de hoogste vrede zouden brengen. Maar dat was niet zo. Uiteindelijk zag hij in dat hij door zelfkwelling en vasten geen resultaat bereikte. Hij herinnerde zich hoe hij in zijn jeugd onder een boom zat en er een meditatieve verdieping bereikte. En hij besefte dat concentratie geleid door geordende beschouwingen de weg was naar de hoogste vrede.
      Hij nam weer vast voedsel tot zich. De vijf asceten dachten dat hij zijn streven had opgegeven en gingen van hem weg. Siddhattha ging in een lieflijk bos neerzitten aan de voet van een vijgenboom. Hij dacht er geconcentreerd na over ouderdom, geboorte en dood. Hij zag dat alles onderling afhankelijk is. En op 35-jarige leeftijd vond hij de weg die voert naar de onvergelijkbare innerlijke vrede. Hij werd de volmaakt Ontwaakte, de Verhevene, de Verlichte, de Boeddha van dit tijdperk.
      Nadat de Verhevene de volmaakte Verlichting bereikt had, begon hij zijn leer te onderwijzen. Die leer is in enkele woorden samen te vatten:
                 Doe het goede,
                 vermijdt het kwade,
                 reinig de eigen geest.
 
      De Boeddha leerde niet alleen wat en hoe er gedacht en gehandeld moet worden om de hoogste vrijheid te verkrijgen, maar ook de redenen waarom. Al spoedig had hij veel aanhangers, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen, monniken en nonnen.
      Met zijn discipelen trok hij rond over de hoofd- en zijwegen van Noord-India en Zuid-Nepal. Zijn verdere leven besteedde de Boeddha om zijn leer in alle facetten te onderwijzen. Hij maakte geen onderscheid in persoon. Hij onderrichtte oude en jonge mensen, rijken en armen, zieken en gezonden. Ieder die naar hem wilde luisteren, kon genieten van zijn wijsheid.
      De Orde van de monniken werd weldra uitgebreid tot duizenden en er ontstonden veel kloosters.
      Gedurende de eerste twintig jaren na de Verlichting zorgden de monniken Nagasamala, Nagita, Upavāna, Sunakkhatta, Sagata, Radha en Meghiya, en de novice Cunda voor de Boeddha, hoewel niet regelmatig. Maar na het twintigste jaar wenste de Verhevene een vaste verzorger te hebben. De eerwaarde Ānanda werd toen door de Boeddha aangewezen om voor hem te zorgen.
      In de regentijd trokken de Boeddha en zijn discipelen niet rond, maar bleven zij op één plaats. Zo verbleef hij er te Rājagaha (2e, 3e, 4e, 17e, 20e regentijd), Kapilavatthu (5e, 15e regentijd), Sāvatthi (6e, 12e, 14e, 21e t/m 42e regentijd), Kosambi (9e, 10e regentijd), het dorp Ekanāla nabij Rājagaha (11e regentijd), Cālika (13e, 18e, 19e regentijd), en Ālavi (16e regentijd).
      In het 43e regenseizoen verbleef de Verhevene weer te Rājagaha. Over wat er gebeurde na die tijd handelt dit topic.
 _____
[1] Lumbini ligt in de Therai-vlakte van Nepal.
[2] Dit is het tegenwoordige Buddhagayā, in de deelstaat Bihar, India.


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. Inleiding
« Reactie #1 Gepost op: 10-04-2018 12:12 »
0.2. De bronnen
 
      Het verslag over het laatste jaar van het leven van de Boeddha, zijn definitieve heengaan (Parinibbāna), zijn crematie en de verdeling van de relieken is vooral te vinden in het Mahaparinibbāna sutta.[3] Dit sutta is het 16e sutta in de Digha Nikāya van de Pāli Canon.
      Verspreid over het Mahaparinibbana sutta is een aantal verzen. Sommige ervan zijn oud; andere zijn van latere datum. Ongetwijfeld behoren deze verzen tot verschillende perioden in de ontwikkeling van de levensbeschrijving van de Boeddha.[4] Dit sutta stoelt op echte herinneringen maar die herinneringen zijn in diverse perioden uitgebreid tot legenden. Het sutta heeft zich ontwikkeld door toevoegingen en tussenvoegingen gedurende enkele eeuwen. Misschien is de laatste versie ervan opgeschreven te Aluvihara in de 1e eeuw na Chr., toen er de hele canon werd genoteerd.[5] Enkele toevoegingen behoren zeer zeker niet tot het laatste levensjaar van de Boeddha.
      Vooral belangrijk zijn de namen van de plaatsen die de Verhevene bezocht op zijn route naar Kusināra; en de laatste instructies die hij gaf voor het welzijn van de Sangha.[6]
 
      In Pāva werd de Boeddha opnieuw ziek na de maaltijd bij de goudsmid Cunda. En op weg van Pāva naar Kusināra – een korte afstand – kreeg de Boeddha een aanval van zwakte.

   In het Mahāparinibbāna sutta worden aan de Boeddha wonderdaden toegeschreven. Maar de historische Boeddha was het verre zich als supermens voor te doen. Hij was een mens zoals ieder ander. Hij is door niets anders onderscheiden dan dat hij de enige weg naar de bevrijding van lijden gevonden heeft. Bovennatuurlijke elementen moeten later in het Mahāparinibbāna sutta zijn ingeslopen.[14]
      Ook vinden we in dit sutta dat er een eredienst wordt gevestigd. De invloed van bhakti, devotie, is duidelijk merkbaar. Voor lekenvolgelingen wordt er aanbevolen een pelgrimstocht te maken naar de plaatsen van de geboorte, Verlichting, eerste preek, en het definitieve heengaan van de Boeddha (resp. Lumbini, Buddhagaya, Sarnath en Kushinagar). En er is de verdeling van de relieken van de Boeddha en de oprichting van stoepas.[15]
 
      De Boeddha maande de monniken om na zijn dood als criteria voor de beoordeling of een tekst echt was, die tekst te vergelijken met Sutta (Dhamma) en Vinaya. Na de dood van de Boeddha waren alleen de Dhamma en Vinaya voor de monniken de enige autoriteit. Maar tegen de uitdrukkelijke wil van de Boeddha ontstaat de opbouw van een hiërarchie. De nadruk wordt meer gelegd op de Vinaya, uiterlijke voorschriften die het samenleven van de monniken regelen.[16]
      En Ānanda die al lang voor het overlijden van de Boeddha een volmaakte heilige was en die erg populair was bij veel leken, monniken en nonnen, wordt minder waard voorgesteld. Dit blijkt uit meerdere tekstgedeeltes. Ānanda is trouw, maar hij weende, was dus niet zonder emoties, en moest getroost worden. Hij wordt voorgesteld als iemand die een geringe geestelijke capaciteit had. Ānanda wordt zelfs voor de dood van de Boeddha verantwoordelijk gehouden.[17]   
     
    Samenvattend kan men zeggen dat het Mahā Parinibbāna Sutta stoelt op echte herinneringen aan de laatste grote tocht van de Boeddha. Die herinneringen hebben zich uitgebreid tot een legendarisch bericht. Er is een ontwikkeling te zien die na de dood van de Boeddha steeds sterker werd:
1.    De Boeddha werd boven de menselijke sfeer verheven.
2.    Rond zijn persoon werd een cultus opgebouwd.
3.    Tegen de uitdrukkelijke wil van de Boeddha ontstaat de opbouw van een hiërarchie.
 
      Er bestaan meerdere Chinese versies van het Mahāparinibbāna sutta. De heer Yang-Gyu An maakt er diverse keren melding van in zijn vertaling van Buddhaghosa’s commentaar op dat sutta.[18] Helaas kon ik geen vertalingen van de door hem genoemde versies raadplegen, behalve de woorden van de Boeddha die hij heeft nagelaten vlak voor zijn overlijden. Deze toespraak is niet te vinden in de Pāli-Canon maar is tot ons gekomen via de Chinese vertaling van Acarya Kumarajiva die gestorven is in het jaar 956 na Boeddha (= 412 na Chr.). Deze toespraak is weliswaar gericht tot monniken, maar er is ook veel goede raad voor leken in te vinden. Deze toespraak is in China erg populair. Door de eerwaarde Bhikkhu Khantipālo is opgemerkt dat die redevoering zeer overeenkomt met de strekking van de leer. De leringen erin zijn in overeenstemming met de canonieke traditie.[19] Om die reden is die Chinese versie als waar te beschouwen. Ze is hier eveneens opgenomen. Gedeeltes ervan komen ook voor in het Mahāparinibbāna Sutta.
 
      Een verhaal van een monnik die een kostbare beker stal, is zowel te vinden in de Chinese versies als in het Sutta Nipāta.
      In de Buddhist Legends, verhalen behorende bij de verzen van het Dhammapada, vond ik nog enkele andere verhalen die handelen over het laatste jaar. Zij zijn niet te vinden in het Mahāparinibbāna sutta. Ik heb ze hier ingevoegd.
 
      In het Udana en het Dhammapada zijn gedeeltes die handelen over het laatste levensjaar van de Boeddha. Die gedeeltes zijn in het Mahāparinibbāna sutta opgenomen.
      Het Udana is een collectie van korte uitspraken (udānas) van de Boeddha of van zijn voornaamste discipelen. De collectie bestaat uit acht vaggas (secties)  met in totaal 80 udānas. Die uitspraken zijn meestal in versvorm. Aan elke uitspraak (udāna) gaat vooraf een verslag of verhaal in proza van de omstandigheden waarin de betreffende uitspraak is gedaan.[20] Het is een open vraag of de meeste van deze udānas werkelijk authentieke woorden van de Boeddha zijn. De meeste van deze uitspraken zijn mogelijk de originele woorden van de Boeddha zelf of van zijn discipelen. De uitspraken zijn ongetwijfeld ouder dan de verhalen waarmee ze verbonden zijn. Misschien zijn enkele ervan vanaf het begin geassocieerd met het verhaal. Bij de meerderheid ervan echter moet de samensteller het verhaal en de oude uitspraak hebben samengevoegd.[21]
      Het commentaar op het Udana is geschreven door de eerwaarde Dhammapāla. In zijn commentaar wordt de Boeddha vergoddelijkt. Heel veel eigenschappen worden door Dhammapāla aan de Boeddha toegeschreven welke eigenschappen de Boeddha als een Groot Man moeten aanduiden.[22] Maar de Boeddha was een gewoon mens.[23]

      Het Dhammapada bestaat uit 423 verzen in het Pāli die door de Boeddha bij circa 305 gelegenheden zijn gesproken. Ze zijn verdeeld in 26 hoofdstukken (vagga). De verzen zijn gerangschikt naar onderwerp. Over het algemeen wordt aangenomen dat de verhalen die bij de verzen horen, mondeling overgeleverd zijn vanaf de tijd van de Boeddha tot in de 5e eeuw na Chr.  Buddhaghosa heeft een commentaar geschreven bij de Pāli verzen en daarbij de verhalen genoteerd. Zo zijn die verhalen tot ons gekomen. Het merendeel van de verzen komt voor in andere canonieke werken.[24]

      Het verslag over het Maha parinibbana (definitieve heengaan) van de Verhevene staat in S.VI.15 (= SN.I.6.15). Dit sutta is in het Mahaparinibbana sutta van D.16 opgenomen. Zeer waarschijnlijk is S.VI.15 de oorspronkelijke versie.
 
      Het commentaar op het Mahāparinibbāna sutta van D.16 is vol met wonderbaarlijke verhalen. Dat commentaar is geschreven door Buddhaghosa. Hij maakt er van de Boeddha een supermens. Buddhaghosa’s commentaar staat soms ver af van de eigenlijke leer van de Boeddha.
 
      De oorspronkelijke tekst van het Mahāparinibbāna sutta kent geen onderverdeling in hoofdstukken en paragrafen. De vertaling ervan door Dr. Paul Dahlke is een groot aaneengesloten verhaal zonder hoofdstukken en paragrafen. Door Buddhaghosa werd zijn commentaar op dit sutta ingedeeld in vijf hoofdstukken die elk weer in meerdere paragrafen verdeeld werden, met ieder een eigen titel. De vertaling van Bhikkhu Ñānamoli is wel verdeeld in paragrafen, maar heeft geen aparte titels.
    Door mij is zijn de teksten in paragrafen en sub-paragrafen ingedeeld, waarbij de plaatsen waar de Boeddha verbleef, bepalend zijn geweest voor een eerste indeling.
 
      De volgende vertalingen van D.16 werden geraadpleegd:
 
1.     “Maha-Parinibbana-Suttanta. Die grosse Lehrrede vom endgültigen Verlöschen. (Digha-Nik. 16),” in: Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.], p. 126-241.
2.     “Chapter XV. The Last Year,” in: Ñānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha According to the Pali. (2nd ed.). Kandy 1978. (1st ed. 1972), p. 289-337.
3.     “Aus der Erzählung über die letzten Wanderungen des Buddha und über sein Eingehen in das Nirvana,” in: Oldenberg, Hermann (Übers.): Reden des Buddha. Lerhre / Verse / Erzählungen. München 1922, p. 101-119. (Hierin staat slechts een gedeelte van het Mahāparinibbāna suttanta).
4.     “Chapter Fifteen. The Last Days. Mahaparinibbana-katha,” in: Khantipālo, Phra (Comp.): The Splendour of Enlightenment. A Life of the Buddha. Vol. II. Bangkok 1987, p. 323-386.
5.     Vajira, Sister [et al.]: Last Days of the Buddha. The Maha-Parinibbāna Sutta. Being the 16th text of the Dīgha-Nikāya. Transl. by Sister Vajira; final revision by Francis Story; notes and references by Nyānaponika Mahā Thera. Kandy : BPS, 1964. The Wheel No. 67/69.
 _____
[3] Webb, Russell (Ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy 1975. The Wheel No. 217/220, p. 6; Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi 1992, p. 258; Malalasekera, G.P.:  Dictionary of Pāli Proper Names.  London 1974, Vol. II, p. 531. 
[4] Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 147.
[5] Gnanarama 1997, p. 11, 17-18, 147; Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt 1980, p. 45.
[6] Bapat, P.V.: 2500 Years of Buddhism. (5th repr.) New Delhi 1987, p. 136.
[14] Schneider 1980, p. 38-39, 41; Gnanarama 1997, p. 82-83.
[15] Bapat 1987, p. 136; Schneider 1980, p. 39 en 42. - Devotie, eerbetoon, vertrouwen wordt echter al door de Boeddha aanbevolen, zie o.a.: A.I.22  Lof aan de Boeddha; A.I.26. (A.I.16.1. 1-10)  De tien overwegingen; A.IV.23  Lof aan de Boeddha, de Volmaakte  - Loka Sutta; A.IV. 34  Het hoogste vertrouwen; A.IV.52  Stromen van verdienste; A.V.32  Hoogste zegen  - Cundî Sutta; A.VI.30 Onovertroffen; A.VII.66  Zeven voorwerpen van eerbied; A.VIII. 54 Vyagghapajja-Sutta - De basis voor welzijn; A.X.30  Eerbetoon door koning Pasenadi; S.XI.3  De vaandelbescherming;  Sn II.1  (verzen 222-238)  Ratana sutta; M.77. (M.VIII.7) Mahāsakuludāyi sutta; M.89. (M.IX.9) Dhammacetiya sutta – eerbetoon door koning Pasenadi.
[16] Schneider 1980, p. 39 en 45.
[17] Schneider 1980, p. 43-44.
[18] An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003.
[19] Khantipālo, Bhikkhu (tr.): The Buddha's Last Bequest. A Translation from the Chinese Tripitaka. Kandy 1967. The Wheel No. 112.
[20] Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.): The Khuddakapātha - Dhammapada - Udāna - Itivuttaka - Suttanipāta (Khuddhakanikāya. Vol. I). [s.l.] 1959, p. xiii; Webb 1975, The Wheel No. 217/220, p. 31; Winternitz, Maurice: A History of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi 1983, p. 81; Thomas 1992, p. 273.
[21] Winternitz 1983 (II), p. 82.
[22] Zie o.a. Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford 1995, p. 1041-1043.
[23] Zie ook het topic: De Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2503.0.html
[24] Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. XXXIV-XXXV.


Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 918
  • Geslacht: Man
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. Inleiding
« Reactie #2 Gepost op: 11-04-2018 13:51 »
0.3. Teksten die niet tot het laatste jaar behoren maar die in het Mahāparinibbāna sutta zijn toegevoegd.
 

      Het 21e tot en met het 43e regenseizoen na de Verlichting bracht de Boeddha door te Sāvatthi. Vanaf het 21e jaar na de Verlichting is het moeilijk een chronologische volgorde van de gebeurtenissen te geven. Daar zullen ook de samenstellers en de commentatoren van de Pāli Canon moeite mee hebben gehad. Dit blijkt o.a. uit de legendes rond de dood van de twee hoofddiscipelen, Sāriputta en Mahā Moggallāna. In het Mahāparinibbāna sutta is opgenomen de “machtige uitspraak” van Sāriputta. Het overlijden van deze eerwaarde moest daarom later gedateerd worden. Er wordt dan een verhaal verteld dat de Boeddha van Vesāli helemaal naar Sāvatthi gaat om eer aan de relieken van Sāriputta te brengen en daarna weer naar Vesāli terugkeert. Maar waarschijnlijker is dat Sāriputta te Sāvathi in de 43e regenperiode na de Verlichting overleden is. Het overlijden van Mahā Moggallāna was twee weken later.[25]
      De “machtige uitspraak van Sāriputta” mag niet tot het laatste jaar van het leven van de Boeddha gerekend worden. Ook de verhalen en commentaren die betrekking hebben op het overlijden van de twee hoofddiscipelen, Sāriputta en Mahā Moggallāna, zijn niet van toepassing op dat laatste jaar. Ik heb die teksten hier dan ook niet opgenomen. Andere teksten die in het Mahāparinibbāna sutta zijn ingevoegd, heb ik wel opgenomen omdat zij aan de historische volgorde geen afbreuk doen.

   Vanwege de lengte van de teksten en commentaren die gaan over het laatste jaar, heb ik na de inleiding de volgende onderverdeling gemaakt:
Het laatste jaar. 1. Te Rajagaha.
Het laatste jaar. 2. Te Nalanda en te Pātaligama. 3. Van Pātaligama naar Vesali.
Het laatste jaar. 4. Te Vesali en Beluva.
Het laatste jaar. 5. Van Vesali naar Kusinara.
Het laatste jaar. 6. Te Kusinara.
Het laatste jaar. 7. De toespraak over de leer juist voor het definitieve heengaan.
Het laatste jaar. 8. Definitieve heengaan, crematie en de verdeling van de relieken.
_____
[25] Zie: Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. London 1969, p. 140-141.
 
   Verder gaat het met:  Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. - 1. Te Rajagaha. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2639.0.html
« Laatst bewerkt op: 11-04-2018 14:08 door nico70+ »