Auteur Topic: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 2 Te Nalanda en Pātaligama  (gelezen 999 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
2. Te Nālanda en te Pataligama
 
2.1. In het mango-bosje
 
      En ook in Nālandā, in het mango-bosje van Pāvārika, gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.” (D.16)
 
2.2. In het rusthuis
 
      Toen de Verhevene te Nālandā had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar Pātaligāma[80] gaan.” - “Jawel, Heer.”
      En de Verhevene ging op weg naar Pātaligāma samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen kwam het de toegewijde mensen van Pātaligāma ter ore: “Het schijnt dat de Verhevene te Pātaligāma is aangekomen.” En zij kwamen naar de Verhevene toe, groetten hem vol eerbied, gingen terzijde neerzitten en spraken hem toe met de woorden: “Heer, moge het de Verhevene behagen om ons rusthuis te bezoeken.”[81] Door zijn zwijgen stemde de Gezegende toe.
      Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, stonden de toegewijde mensen van Pātaligāma van hun zitplaatsen op. Zij groetten de Verhevene vol eerbied en gingen, met hun rechter zijde naar hem toegewend, naar het rusthuis. Zij maakten de zaal ervan gereed door de vloer ervan helemaal te bedekken. Zij maakten zitplaatsen klaar en stelden water en een olielamp gereed. Nadat zij dit gedaan hadden, keerden zij naar de Verhevene terug, groetten hem vol eerbied en gingen naast hem staan. Daarna deelden zij hem mede: “Heer, de zaal is gereed, de vloer ervan is helemaal bedekt. Zitplaatsen zijn klaargemaakt en water en een olielamp zijn gereed gezet. Heer, nu is het tijd voor de Verhevene om te doen wat hij passend vindt.”
      En de Verhevene maakte zich gereed, nam zijn nap en oppergewaad en begaf zich naar de zaal samen met de gemeenschap van monniken. Hij waste zijn voeten,[82] betrad de zaal en ging dicht bij de middenzuil zitten, met het gelaat naar het oosten gewend. Ook de monniken betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen zitten nabij de westelijke muur, met het gezicht naar het oosten, zodat de Verhevene voor hen was. En de toegewijde mensen van Pātaligāma betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen neerzitten nabij de oostelijke muur, met het gezicht naar het westen, zodat de Verhevene voor hen was.
 _____
[80] Pātaligāma was de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna. (An 2003, p. 51-52, noot 5).
[81] Rusthuis: Naar men zegt kwamen de aristocraten van Ajātasattu en die van de Licchavi koningen van tijd tot tijd samen te Pātaligāma en verdreven de bewoners van die plaats uit hun woningen. Zij bleven er dan een halve tot een hele maand en dat bracht veel ongemak voor de gezinnen. Daarom besloten de bewoners van Pātaligāma een grote hal te bouwen in het centrum van de stad. Die hal moest groot genoeg zijn dat iedereen er kon verblijven zonder anderen te storen. Een deel van de hal was bestemd om de goederen van de aristocraten op te slaan. Een ander deel ervan was om er te wonen. Weer een ander deel was voor reizigers op doortocht, en een ander deel was voor arme mensen. Een ander gedeelte van de hal was voor de zieken. De naam van die hal was “het rusthuis”. Aldus het commentaar van Dhammapāla en ook van Buddhaghosa. (Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford 1995, Vol. II, p. 1035-1036; en An 2003, p. 52).
   Volgens Dhammapāla was dat rusthuis juist klaar op de dag dat de Verhevene aankwam. De bewoners van Pātaligāma vonden het een grote eer als de Verhevene als eerste in hun rusthuis vertoefde. Daarom gingen zij naar de Boeddha toe en nodigden hem uit om het rusthuis te bezoeken. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1036). Volgens Buddhaghosa vroegen zij dit omdat zij dachten dat de Boeddha niet graag midden in een dorp of stad wilde vertoeven. (An 2003, p. 52).
[82] Volgens Dhammapāla was het wassen van de voeten niet nodig omdat stof en zweet nooit de voeten van de Verhevene bezoedelen. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1044).



« Laatst bewerkt op: 18-04-2018 23:30 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
2.3. De vruchten van een immoreel en van een moreel leven
 

      Daarop sprak de Verhevene de toegewijde mensen van Pātaligāma aldus toe: “Gezinshoofden, de immorele mens ontmoet door zijn gebrek aan deugdzaamheid vijf gevaren: a) groot verlies van rijkdom door zijn onoplettendheid; b) een slechte reputatie; c) een verlegen houding, een verstoord gedrag en gebrek aan zelfvertrouwen in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een dood in verbijstering; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een sfeer van ellende, in een ongelukkige staat, in de lagere wereld, tot zelfs in de hel.
Maar, gezinshoofden, vijf zegeningen komen tot een oprecht mens door zijn uitoefening van deugdzaamheid: a) grote toename van rijkdom door zijn ijver; b) een gunstige reputatie; c) een zelfverzekerd gedrag zonder verlegenheid in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een onverstoorde dood; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een gelukkige staat, tot zelfs in een hemelse wereld.”
      En de Verhevene besteedde een groot deel van de nacht met het onderrichten van de toegewijde mensen van Pātaligāma in de leer. Hij wekte hen op, stichtte en verblijdde hen. Daarna zond hij ze weg met de woorden: “De nacht is ver voortgeschreden, gezinshoofden; handelt nu zoals jullie passend vinden.” – “Ja, Heer.”
      En de toegewijde mensen van Pātaligāma stonden van hun zitplaatsen op, groetten de Verhevene vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend. En weldra na hun vertrek trok de Verhevene zich terug in afzondering.[83]
 _____
[83] De tekst van de voorspelling van de Boeddha dat Pātaligāma een grote toekomst zou krijgen, moet stammen uit de tijd dat Pataliputra reeds een grote stad was. Dit moet dan de vroege Maurya-tijd zijn. (Schneider 1980, p. 46)

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
2.4. De invloed van godheden [84]
 
2.4.1. De invloed van godheden bij het oprichten van gebouwen
 
      Op die tijd lieten Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha,[85] een vesting bouwen te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis. En in grote aantallen, in duizendtallen, hadden godheden bezit genomen van plaatsen[86] te Pātaligāma. Nu oefenen godheden van grote macht zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van grote macht,[87] dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van middelmatige macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van mindere macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van mindere macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten.[88]
      En met het hemelse oog dat zuiver is en dat het vermogen van mensen te boven gaat, zag de Verhevene die godheden in duizendtallen te Pātaligāma. Voordat de nacht was verstreken, stond hij bij het ochtendgloren op en sprak tot de eerwaarde Ānanda aldus: “Ānanda, wie is bezig met het oprichten van een vesting te Pātaligāma?” – “Heer, Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha, zijn bezig met het bouwen van een vesting te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis.” – “Ānanda, het is alsof Sunīdha en Vassakāra overleg hadden gepleegd met de goden van de Drieëndertig.[89] Want Ānanda, ik zie met het hemelse oog dat zuiver is en dat het menselijke vermogen te boven gaat, een groot aantal godheden, in duizendtallen. Die godheden hebben bezit genomen van plaatsen te Pātaligāma. In de streek waar godheden van grote macht overheersen, daar zijn ambtenaren van grote macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar zijn ambtenaren van middelmatige macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van geringe macht overheersen, daar zijn ambtenaren van geringe macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. Waarlijk, Ānanda, van alle plaatsen van edelen[90] en van alle handelscentra zal deze vesting de belangrijkste stad zijn, met naam Pataliputta.[91] Maar Ānanda, ze zal bedreigd worden door drie gevaren: vuur, water en onenigheid.”[92]
 ______
[84] Volgens Gnanarama kunnen we gerust aannemen dat de oorsprong van § 2.4. dateert uit de eerste 100 jaren na het overlijden van de Boeddha. Het geloof in goden is pre-boeddhistisch. (Gnanarama 1997, p. 133, 140-142, 146).
[85] Zij waren twee brahmanen. (An 2003, p. 57; Masefield 1995, Vol. II, p. 1051).
[86] Volgens Buddhaghosa heeft ‘plaatsen’ hier de betekenis van: ‘huizen’. (An 2003, p. 57).
[87] De eerwaarde Ñanamoli vertaalde: ‘koningen en ministers’. (Ñanamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha According to the Pali Canon. Kandy 1978, p. 296).

[88] Er was (en is) het populaire geloof dat goede en slechte goden bezit kunnen nemen van huizen. Deze ‘kwakzalver’-wetenschap wordt vaak in de leerreden veroordeeld. (An 2003, p. 57, noot 11). Buddhaghosa merkte op dat mensen die deskundig zijn in het bepalen van een goede plek voor de bouw van huizen door godheden of door geesten beïnvloed worden. Of godheden nemen bezit van hun lichaam en beïnvloeden hun gedachten. (An 2003, p. 57-58). Het commentaar van Dhammapāla is dat het gemoed van degenen die bekwaam zijn in de kennis van het vaststellen van gunstige woonplaatsen ernaar neigden om woonplaatsen te ontwerpen voor de koning en zijn hoofdministers. Zij wisten welke plaats bezet was door nāgas, welke door yakkhas, en welke plaats bezet was door ongelukkige geesten. Zij waren ook bekend ermee of er een rots was of de stomp van een boom. Een andere uitleg van Dhammapāla is dat devatās het lichaam van de deskundigen binnentreden en hun harten ertoe laten neigen om op een bepaalde plaats gebouwen te ontwerpen. Devatās doen dat om de volgende reden: Wanneer mensen plannen maken voor een woonplaats, laten zij eerst de Orde van de monniken neerzitten en laten hen een gunstige zegening uitspreken. De godheden zien dan wie een goede moraal heeft en horen een Dhamma-toespraak. De mensen geven aalmoezen en dragen de verdiensten ervan over aan de godheden. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1051-1052).
[89] Volgens Dhammapāla’s commentaar deed het gerucht de ronde dat de goden van de Drieëndertig wijs waren dank zij Sakka, de koning van de goden, en dank zij Vissakamma. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1052). Vissakamma was de goddelijke architect en kunstenaar. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1112 noot 572). - Voor meer gegevens over de hemelse sferen, zie eventueel het topic De werelden van bestaan, reactie 14. http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2497.msg18990.html#msg18990
[90] Ariyas.
[91] Pātaligāma betekent: ‘plaats van Pātali’; Pātaliputta wordt door het commentaar als volgt uitgelegd: putta stamt af van ‘puta’ = doos. Het heeft vermoedelijk betrekking op het openbarsten van de zaaddoos van de Patali-bloem. Het dorp Pātaligama veranderde zijn naam in Pātaliputta bij de bouw van een nieuwe stad (thans Patna). Later werd die plaats bekend als de hoofdstad van Asoka’s keizerrijk dat ontstaan was uit het koninkrijk van Magadha. (Ñanamoli 1978, p. 360-361, noot bij p. 296).
[92] Commentaar van Dhammapāla: een deel van de stad zal door vuur verwoest worden dat door de inwoners niet gedoofd kan worden. De Ganges zal een ander deel overstromen. En een derde deel zal verloren gaan door interne onenigheid. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1053). Volgens An moet deze voorspelling zijn opgeschreven nadat Pātaligāma verwoest was. (An 2003, p. 60 noot 2).




2.4.2. De invloed van godheden voor hun gunsteling(e)
 
      Toen begaven Sunīdha en Vassakāra zich naar de Verhevene, groetten hem hoffelijk en wisselden vele aangename woorden. Zij gingen terzijde staan en spraken tot de Verhevene aldus: “Moge het de eerwaarde Gotama behagen om samen met de gemeenschap van monniken onze uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen.” En door zijn zwijgen stemde de Verhevene toe.
      Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, vertrokken Sunīdha en Vassakāra naar hun eigen verblijven. Daar lieten zij uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen klaarmaken. En toen het tijd was, deelden zij de Verhevene mede: “Het is tijd, eerwaarde Gotama; de maaltijd is gereed.”
      Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam zijn nap en gewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Sunīdha en Vassakāra. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En Sunīdha en Vassakāra bedienden zelf de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Boeddha. En zij dienden hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen. Toen de Verhevene zijn maaltijd beëindigd had en zijn hand van zijn nap had weggenomen, namen zij lagere zitplaatsen en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene dankte hen met deze strofe:
     
      “Waar een wijs mens ook moge verblijven,
      laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,
      die vol zelfbeheersing het goede leven voeren.
      En wanneer hij aan deze waardige personen gaven heeft geschonken,
      deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.
      En aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer
      en zijn hem goedgunstig gezind,
      juist zoals een moeder is jegens haar eigen, haar enige zoon.
      En degene die aldus door de goden geliefd is en hun gunst geniet,
      ziet steeds geluk.”[93]
 _____
[93] Hier wordt men verzocht gaven te geven aan de deugdzamen en de verdiensten ervan over te dragen aan de goden. Dit gebruik gaat terug tot pre-boeddhistische tijden. Oorspronkelijk werd geld gegeven of een gave aan de priester als beloning voor zijn diensten. Nog tijdens het leven van de Boeddha veranderde dit. Benodigdheden voor monniken werden aangeboden en de verdiensten ervan werden overgedragen aan de gestorven verwanten of aan de goden. (Gnanarama p. 150-151). De eerwaarde Talawe Sangharata Thero, hoofd van de Pitaramba Tempel te Bentota, Sri Lanka, wees erop (brief van 28-06-1995) dat er goddelijke sferen zijn die dicht bij de menselijke sfeer zijn. Als wij verdiensten aan hen overdragen, worden zij nog gelukkiger. Zij vermijden moeilijkheden die door geesten over ons gebracht kunnen worden.



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
2.5. Het oversteken van de Ganges
 
      Na deze woorden stond de Verhevene van zijn zitplaats op en vertrok. Sunīdha en Vassakāra echter volgden de Verhevene stap voor stap, met de gedachte: “De poort waardoor de boeteling Gotama heden zal vertrekken, zullen wij de Gotama-poort noemen; en de doorwaadbare plaats waardoor hij de rivier de Ganges zal oversteken, zal de Gotama-doorwaadbare plaats genoemd worden.” En zo geschiedde het bij de betreffende poort.[94]
      Maar toen de Verhevene verder ging naar de rivier de Ganges, was zij tot aan de rand vol, zodat kraaien eruit konden drinken. En omdat zij naar de overkant wilden, gingen sommige mensen op zoek naar een boot of vaartuig, terwijl anderen een vlot aan het samenbinden waren. Maar in een handomdraai verdween de Verhevene samen met de gemeenschap van de monniken van deze kant van de Ganges en kwam aan gindse kant te staan. Hij zag de mensen die over wilden steken naar een boot of vaartuig zoeken, terwijl hij anderen een vlot zag samenbinden. En bij dit tafereel zag hij de diepere betekenis ervan en uitte hij de plechtige uitspraak:
 
     “Terwijl zij die de brede vloed der wateren willen oversteken,
     bruggen bouwen en diepten vermijden,
     terwijl het volk vlotten samenbindt,
     zijn de wijzen reeds aan de overkant.”[95]
 _____
[94] Omdat de Boeddha de rivier niet overstak, was er geen doorwaadbare plaats die zijn naam kon dragen. Daarom kon alleen de poort waardoor de Boeddha vertrok naar hem genoemd worden.
[95] D.16; Ud.VIII.6; Vin.Mv.Kh.6. – Dit vers is ouder dan de voorgaande prozatekst in het sutta. Degenen die de diepere betekenis van deze verzen verkeerd begrepen, moeten hebben aangenomen dat ermee bedoeld werd een wonderbaarlijke overtocht van de Ganges. -  Het commentaar van Dhammapāla is: De Boeddha zag dat hij en de gemeenschap van de heiligen stevig stonden op de andere oever na de stroom van samsara en van begeerte overgestoken te hebben, welke stroom diep en breed is. De brug is de weg van de heiligen. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1055). - De diepere betekenis van deze woorden is dat gewone mensen naar hulpmiddelen zoeken om dit lijden te ontgaan. Maar wijze mensen hebben geen hulp meer nodig; zij zijn al aan de ‘andere oever’, hebben het lijden achter zich gelaten. De leer is voor velen een hulp, maar de heiligen hebben zelfs de leer niet meer nodig. Zij zijn volledig tot rust gekomen; hun vrede is volmaakt.

 

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
3. Van Pataligama naar Vesali

Ruïnes van Vesali, tijdens de opgravingen in 1984.



3.1. De vier edele waarheden
 
      Nu sprak de Verhevene tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Kotigāma[96] gaan.” – “Jawel, Heer.”
      En de Verhevene nam zijn verblijf te Kotigāma samen met een grote gemeenschap van monniken. Daar richtte hij zich tot de monniken met de woorden: “Monniken, door het niet-verwerkelijken, door het niet-doordringen van de vier edele waarheden is deze lange route van geboorte en dood doorlopen en ondergaan zowel door mij als door jullie. Welke zijn die vier? Het zijn:
1.    de edele waarheid van lijden;
2.    de edele waarheid van de oorsprong van lijden;
3.    de edele waarheid van het beëindigen van lijden;
4.    en de edele waarheid van de weg naar het beëindigen van lijden.
      Maar monniken, sedert deze waarheden thans verwerkelijkt en doordrongen zijn, is de begeerte naar bestaan afgesneden, is datgene wat naar hernieuwd bestaan voert, uitgeput en is er geen nieuwe wording meer.
      En monniken, ook wanneer bij jullie deze waarheden verwerkelijkt en doordrongen zijn, is de begeerte naar bestaan afgesneden, is datgene wat naar hernieuwd bestaan voert, uitgeput en is er geen nieuwe wording meer.”
      Aldus werd door de Verhevene gesproken. En de Gezegende, de Meester, zei verder:
      “Door het niet zien van de viervoudige edele waarheden was het afmattende pad van geboorte naar geboorte lang. Wanneer deze bekend zijn, is de oorzaak van wedergeboorte[97] verwijderd en is de wortel van leed uitgetrokken; dan eindigt wedergeboorte.” (Vin.Mv.Kh.6; D.16)

      En ook te Kotigāma gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.” (D.16; Ud.VIII.6; Vin.Mv.Kh.6).
 _____
[96] Kotigāma was een dorp van de Vajjis gelegen in de buurt van Bhaddiyanagara. Het was een gāvuta verwijderd van de Ganges. In het midden van die rivier lag het paleis van Mahāpanāda. (Malalasekera 1974, Vol. I, p. 678). – Een gavuta is volgens het Navakovāda gelijk aan 3750 meter. Volgens andere opgaven is een gavuta gelijk aan ca 400 meter.
[97] Wedergeboorte is niet gelijk aan reïncarnatie. Het is geen overgang van een blijvende ziel van het ene leven naar het andere. Maar het is een stroom van bewustzijnsmomenten die bij de dood van lichaam verandert. Het Theravada kent daarbij geen tussenfasen. - De Eerwaarde Nyanatiloka vergeleek wedergeboorte met een golfbeweging. Hij schreef: "Bij de golf beweegt zich geen enkele massa water voort over de waterspiegel. Maar de golfformatie die naar het schijnt over de waterspiegel voortsnelt, is in werkelijkheid niets anders dan de som van ontelbare heffingen en dalingen van watermassa's naast elkaar. En door een heffing en daling wordt het ontstaan veroorzaakt van steeds weer nieuwe heffingen en dalingen. Evenzo onderwijst de Boeddha geen werkelijkheden die door het meer van sansara voortsnellen, maar enkel bestaansgolven, enkel processen van steeds wisselende lichamelijke en geestelijke verschijnselen van bestaan." (Nyanatiloka: “Die Quintessenz des Buddhismus” in  Zeitschrift für Buddhismus, München-Neubiberg 1924).
[98] Commentaar: wedergeboorte eindigt als begeerte volledig is vernietigd.


   Voor een bespreking van de vier edele waarheden, zie het topic: De vier edele waarheden en het middenpad. http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2576.0



Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
3.2. De vier specifieke bestemmingen
 
      Toen de Verhevene te Kotigāma had vertoefd zolang als het hem behaagde, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Nādikā gaan.” – “Jawel, Heer.”
      En de Verhevene nam zijn verblijf te Nādikā samen met een grote gemeenschap van monniken. En hij verbleef er in het Stenen Huis.[100]
      Toen begaf zich de eerwaarde Ānanda naar de Verhevene, groette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. En hij zei tot de Verhevene: “Heer, hier in Nādikā zijn de monnik Sālha en de non Nandā gestorven.[101] Eveneens zijn gestorven de lekenvolgeling Sudatta en de lekenvolgelinge Sujatā. Ook zijn er de leken Kakudha, Kālinga, Nikata, Katissabha, Tuttha, Santuttha, Bhadda en Subhadda gestorven. Wat is hun bestemming, Heer; wat is hun wedergeboorte, hun toekomstige toestand?”[102]
      “Ānanda, de monnik Sālha heeft door het zelf te verwerkelijken, reeds hier in dit leven de bevrijding van de geest bereikt en de bevrijding door inzicht (wijsheid). Hij heeft die bevrijdingen bereikt door de vernietiging van de smetten.[103]
      De non Nandā zal door de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan ontstaan onder de Suddhavāsa-godheden. Daar zal zij tot uiteindelijke uitdoving komen. En zij zal niet meer uit die wereld terugkeren.[105]
      Ānanda, de lekenvolgeling Sudatta is door de vernietiging van de drie lagere boeien en door het minder worden van begeerte, afkeer en waan, een Eenmaal-Wederkerende geworden. Hij maakt met zekerheid aan het lijden een einde na nog slechts één keer naar deze wereld[106] te zijn teruggekeerd.
      De lekenvolgelinge Sujatā is door de vernietiging van de drie boeien een in-de-stroom-getredene geworden. Zij is beveiligd tegen terugvallen in de toestanden van ellende. Zij heeft zekerheid en is bestemd voor Verlichting.
      Ānanda, de lekenvolgeling Kakudha zal door de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan ontstaan onder de Suddhavāsa-goden. Daar zal hij tot uiteindelijke uitdoving komen. En hij zal niet meer uit die wereld terugkeren [in dit leven van onvoldaanheid]. Evenzo is het met Kālinga, Nikata, Katissabha, Tuttha, Santuttha, Bhadda en Subhadda en met meer dan vijftig lekenvolgelingen in Nādikā.
      Ānanda, meer dan negentig lekenvolgelingen die in Nādikā gestorven zijn, zijn door de vernietiging van de drie boeien en door het minder worden van begeerte, afkeer en waan, eenmaal-wederkerenden geworden. En zij maken met zekerheid een einde aan het lijden na nog slechts één keer naar deze wereld te zijn teruggekeerd.
      Ānanda, meer dan vijfhonderd lekenvolgelingen die in Nādikā gestorven zijn, zijn door de volledige vernietiging van de drie boeien in-de-stroom-getredenen geworden en zijn beveiligd tegen terugvallen in de toestanden van ellende. Zij hebben zekerheid en zijn bestemd voor Verlichting.” (D.16)
_____
[100] Het Stenen Huis was een openbare rustplaats voor reizigers. Opmerkelijk is dat het van steen was. Bijna alle gebouwen waren toen van hout. (An 2003, p. 65).
[101] monnik = bhikkhu; non = bhikkhuni.
[102] Volgens het commentaar werd hier het Janavasabha Sutta (D.18) gesproken. (Ñanamoli 1978, p. 361, noot bij p. 298).
[103] Hij had volmaakte heiligheid (arahatta) bereikt.
[105] Zij was een niet-wederkerende (anāgami) geworden.
[106] Commentaar: deze wereld van de zintuiglijke sfeer. (An 2003, p. 66).


« Laatst bewerkt op: 08-10-2018 20:00 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
3.3. De spiegel der waarheid
 
      “Maar waarlijk, Ānanda, het is een natuurlijke zaak dat een menselijk wezen sterft. Indien je nu telkens wanneer iemand sterft, naar de Volmaakte komt en over hem/haar vragen stelt op deze manier, dan is dat vermoeiend[108] voor hem. Daarom, Ānanda, zal ik je het onderricht geven genaamd ‘de spiegel der waarheid’. Door het bezit hiervan kan de edele volgeling als hij dat wenst, van zichzelf verklaren: ‘Voor mij is er geen hel meer, geen wedergeboorte als dier of als geest. Voor mij is er geen wedergeboorte meer in enige sfeer van ellende. Een in-de-stroom-getredene ben ik, beveiligd tegen terugvallen in de toestanden van ellende. Zekerheid heb ik en ik ben bestemd voor Verlichting.’
      En wat, Ānanda, is dat onderricht genaamd ‘de spiegel der waarheid?’ Welnu, Ānanda, een edele volgeling bezit onwankelbaar vertrouwen[109] in de Boeddha aldus: ‘De Gezegende is heilig, volledig verlicht; hij is volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag; hij is verheven en een weldoener, de kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de leraar van goden en van mensen; hij is de Ontwaakte, de Gezegende.’
      De edele volgeling bezit onwankelbaar vertrouwen in de leer aldus: ‘Goed uitgelegd door de Verhevene is de leer; de uitwerking ervan is zichtbaar hier en nu; ze is tijdloos;[110] ze nodigt uit om ze zelf te testen; ze voert naar bevrijding; en ze kan direct ervaren en begrepen worden door de wijze, ieder voor zichzelf.’
      De edele volgeling bezit onwankelbaar vertrouwen in de Orde van de monniken van de Verhevene aldus: ‘Deze Orde van monniken is op de juiste weg, oprecht, wijs en plichtsgetrouw, d.w.z. de vier paren van mensen, de acht soorten van personen.[111] Waarlijk, aldus is de Orde van de monniken van de Verhevene: zij is geschenken waard, zij is gastvrijheid waard, zij is offergaven waard en zij is waard eerbiedig gegroet te worden als een onvergelijkbaar veld van verdienstelijke daden in de wereld.’
      En de edele volgeling is in het bezit van de deugden die dierbaar zijn aan de Edelen, deugden die ongebroken zijn, volmaakt, smetteloos en zuiver, die bevrijdend zijn, door de wijzen aangeprezen, niet beïnvloed door wereldse belangen en gunstig voor concentratie van de geest.
      Dit, Ānanda, is het onderricht genaamd ‘de spiegel der waarheid’ waardoor de edele volgeling van zichzelf kan weten: ‘Voor mij is er geen hel meer, geen wedergeboorte als dier of als ongelukkige geest. Voor mij is er geen wedergeboorte meer in enige sfeer van ellende. Een in-de-stroom-getredene ben ik, beveiligd tegen terugvallen in de toestanden van ellende. Zekerheid heb ik en ik ben bestemd voor Verlichting.’”
     
      En ook in Nādikā, in het Stenen Huis, gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.” (D.16)
_____
[108] Volgens Buddhaghosa: lichamelijk vermoeiend, niet psychisch. (An 2003, p. 67).
[109] Vertrouwen, geloof in het Boeddhisme is niet gelijk aan geloof in Westerse religies waar het vaak betekent “geloven in iets dat niet kan worden uitgelegd.” (An 2003, p. 67 noot 5).
[110] Tijdloos = zonder vertraging in de resultaten ervan.
[111] Bedoeld zijn degenen die behoren tot de Ariyasangha en die een of meer van de niveaus van heiligheid verwerkelijkt hebben. Tot de Ariyasangha behoren ook heilige mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen en nonnen, niet alleen monniken.


Verder gaat het met: Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 4. Te Vesali en Beluva.
http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2648.msg20344#new
« Laatst bewerkt op: 22-04-2018 22:13 door nico70+ »