Auteur Topic: Uit het Sutta Nipata  (gelezen 217 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Uit het Sutta Nipata
« Gepost op: 23-02-2019 16:27 »
Uit het Sutta Nipata

Beste,

Het belangrijke boek Sutta Nipata gaat vooral over het gaan naar en het bereiken van de andere oever = Nibbana.
Onregelmatig probeer ik enkele suttas uit het Sutta Nipata hier te posten.
Dominique is me al voorgegaan met het Sutta over de slang, zie:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2762.0
_____

Mijn vertaling is aan de hand van:
Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London: PTS, 1984.
Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

De noten zijn van Nyanaponika.
[Toevoegingen van mij staan tussen rechte haakjes.]
__________

Sn.iv.1. 766-771  kaama sutta, zintuiglijke genoegens

766
Indien een sterveling verlangt naar zintuiglijke genoegens, indien hij krijgt wat hij begeert,{1} dan is hij zeker blij gestemd.
767
Maar wanneer de zintuiglijke genoegens bij die persoon die er erg naar verlangt, afnemen of verdwijnen, dan heeft hij verdriet en is hij gekweld alsof hij door een pijl is doorboord.
768
Wie zintuiglijke genoegens vermijdt,{2} zoals hij met zijn voet de kop van een slang vermijdt, die gaat oplettend en overwint de gehechtheid aan de wereld.
769
Wie begerig is naar velden, land en schatten, naar runderen, paarden, dienstpersoneel, naar vrouwen, vrienden, veel lustobjecten,
770
die wordt overweldigd door wat machteloos schijnt;{3} de gevaren{4} bedwingen hem. Dan dringt lijden in hem binnen, zoals water in een lekke boot.
771
Daarom moet de mens steeds oplettend zijn en de zintuiglijke genoegens vermijden. Als hij ze heeft opgegeven, zal hij de stroom oversteken, zoals iemand die naar de andere oever gaat{5} na zijn boot leeggeschept te hebben.{6}

_______
Noten:

{1} wat hij begeert = 'kaamam'. 'Kaama' heeft hier de betekenis van lustobject, dwz de objecten van de vijf lichamelijke zintuigen. Volgens MNidd., het Mahaa Niddesa (commentaar op het Atthakavagga van het Sutta Nipata) heeft het woord 'kaama' twee aspecten:
1) het objectieve aspect, aangeduid als 'vatthu-kaama', dwz het lustobject, in de teksten vaak omschreven als 'kaama-guna', dwz de vijf zinsobjecten.
2) een subjectief aspect, aangeduid als 'kilesa-kaama', d.w.z. lust als bevlekkende hartstocht. In deze betekenis te vertalen als: lust (der zintuigen), zinnelijkheid, etc.
   
{2} wie zintuiglijke genoegens vermijdt: MNidd. "Op tweevoudige manier vermijdt men de lusten: (a) door terugdringen (vikkhambhana) en (b) door uitroeien (samuccheda).
(a) het terugdringen gebeurt volgens MNidd.
1) Door vaak die dringende gelijkenissen voor de lusten te beschouwen die in M.22 zijn gegeven en die in M.54 gedeeltelijk zijn uitgelegd (deze suttas volgen hierna in het kort).
2) Door oefening van de "tien overwegingen" over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha, over eigen  deugdzaamheid en vrijgevigheid, over godheden, dood, lichaam, in-en uitademen, en over de vrede.
[ De tien overwegingen zijn voornamelijk voor degenen die zich op het pad van heiligheid bevinden. Wereldlingen kunnen wel overwegen over dood, lichaam en de ademhaling.]
3) door ontwikkeling van de acht verdiepingen. - Het uitroeien van de lusten gebeurt trapsgewijs op de hoge paden naar heiligheid, te beginnen met stroomintrede.

{3} wat machteloos schijnt (abalaa-va). Het 'va' werd hier als 'iva' opgevat. Het commentaar legt 'abalaa' uit als zwakke geestelijke bezoedelingen. Bedoeld is zeker dat ook een aanvankelijk zwakke lustgedachte enorm kan groeien en de mens volledig kan beheersen.

{4} gevaren (parissaya). MNidd. "Twee gevaren zijn er: openbare en verborgene." - Als openbare gevaren worden genoemd: wilde dieren, rovers, ziekten, etc.; verborgen gevaren zijn: het drievoudige slechte gedrag (in daden, woorden en gedachten); de vijf hindernissen: [begeerte, zintuiglijk verlangen; haat, afkeer, kwaadwil; traagheid, luiheid; rusteloosheid, gewetenswroeging; twijfel.]

{5}  'paragu', letterlijk: degene die naar de overkant gaat. MNidd. "Het is degene die de wens heeft naar de 'andere oever' ('paaram' d.w.z. naar Nibbana) te gaan, die naar de andere oever gaat en die de andere oever heeft bereikt."

{6} Zie voor de leeggeschepte boot ook Dhp. 369: "Schep de boot leeg, monnik, dan gaat ze snel en licht; wanneer begeerte en haat zijn uitgeroeid, dan is Nibbana bereikt."
__________

M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta

Te Sāvatthi. De monnik Arittha begreep de leer van de Boeddha verkeerd. Hij beweerde dat de Boeddha toonde hoe men zich in zinnelijke genietingen kon verheugen zonder op het pad gehinderd te worden. De Boeddha weerlegde zijn verkeerde ideeën maar de monnik bleef koppig. De Verhevene sprak toen tot de monniken over de verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren.

Gelijkenis van de slang. Het hebben van verkeerde ideeën over de Dhamma is als het vastpakken van een slang bij de staart. Die slang keert zich om en bijt de man. Evenzo kan men verwachten dat het religieuze leven iemand veel schade kan brengen als het niet serieus beoefend wordt.

Sommigen leren de Dhamma maar zij onderzoeken de betekenis ervan niet met wijsheid. Daarom komen zij er niet toe ze reflectief aan te nemen. In plaats daarvan leren zij de Dhamma alleen om kritiek op anderen te kunnen geven. Zij hebben geen vooruitgang in de leer. Omdat zij de leer niet juist opnemen, draagt dat lang bij tot hun nadeel en leed.

De leer wordt er vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig. Het is dan niet meer nodig dat hij of zij zich aan de Dhamma hecht.

Verder spreekt de Boeddha er over anatta. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

Daarom geef op wat niet van u is.

De Boeddha spreekt dan verder erover dat sommigen zijn woorden verkeerd uitleggen. Maar hij wordt er niet boos of verdrietig over. Wanneer anderen ons beledigen, op ons schelden en ons lastig vallen, dan moet geen ergernis, geen verbittering of neerslachtigheid gekoesterd worden. En wanneer anderen ons eren, respecteren en hoogachten, dan moet geen vreugde gekoesterd worden.

Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken.

De Dhamma is goed verkondigd, helder, open, duidelijk. In deze Dhamma is geen beschrijving van een toekomstige ronde van bestaan voor volmaakte heiligen. Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog een keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, zijn in de stroom getredenen; zij zijn op weg naar de Verlichting. Degenen die de Dhamma navolgen, of die vol vertrouwen zijn, zij allen gaan de Verlichting tegemoet. Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet.
__________

M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta.

Te Apana. De Boeddha legt aan Potaliya de ware betekenis uit van het opgeven van de wereld.

Het gezinshoofd Potaliya had wereldlijke zaken achtergelaten teneinde een heilig leven te leiden. Toen de Boeddha hem zag gekleed in gewone dagelijkse kleding, sprak de Boeddha hem aan als “gahapati”, gezinshoofd. Potaliya ergerde zich eraan. De Boeddha legde hem uit dat in de termen van de Vinaya men met iemand die beweerde zich te hebben afgezonderd van de wereld, bedoelde iemand die afzag van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefende en een beheerst gemoed had.

Uitleg:

Het doden van levende wezens is te overwinnen. Niet nemen wat niet is gegeven is te overwinnen. Liegen is te overwinnen. Lasteren is te overwinnen. Gierigheid, hebzucht is te overwinnen. Uitschelden is te overwinnen. Toorn is te overwinnen. Hoogmoed is te overwinnen.

Men overweegt aldus: als ik zou doden, stelen, liegen, lasteren, schelden, als ik gierig ben, hebzuchtig, toornig, of hoogmoedig, dan zou ik mij zelf daarvoor verwijten maken. En ook de wijze mensen zouden dat doen. Na de dood zou een ongelukkige sfeer van bestaan te verwachten zijn vanwege die dingen. En zelf zijn die dingen een boei en een hindernis. Terwijl neigingen, ergenis en koorts door het doden van levende wezens of door diefstal, liegen, lasteren, gierigheid, hebzucht, schelden, toorn of hoogmoed kunnen ontstaan, is er geen neiging, geen ergernis en geen koorts in iemand die zich ervan onthoudt.

Dit is het achterlaten van wereldlijke zaken. Maar het is nog niet volledig.

Men moet verder overwegen dat zinsgenot leed brengt. Men moet er niet aan hechten en gelijkmoedigheid gebaseerd op eenheid ontwikkelen. Nadat hij dan bij de hoogste oplettendheid is aangekomen waarvan de reinheid berust op gelijkmoedigheid, herinnert de edele discipel zich aan vele vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties. Dan treedt hij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij is van neigingen. En hij vertoeft erin. Dan is het opgeven van de wereld in de discipline van de edelen volledig.
__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 13:57 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #1 Gepost op: 26-02-2019 15:00 »
Sn. I.12, vv 207-221. De muni.

Inleiding.

     Muni, dit is: de zwijger; het is een uitdrukking die al dateert uit voor-boeddhistische tijd. De betekenis ervan is een zwijgzame, alleen levende asceet aan wie een bijzonder hoge graad van verinnerlijking, zelfbeheersing en terughoudendheid eigen is. Vaak had hij ook de gelofte van zwijgen afgelegd.
        In boeddhistisch gebruik is het woord 'muni' een aanduiding voor de Boeddha (Sakya-muni, de muni uit het Sakya-geslacht). Het is ook een aanduiding voor de volmaakte heilige in het algemeen en wel in oude teksten, zoals dit sutta hier; in het bijzonder een aanduiding voor een heilige van bovengenoemde bijzonderheid. Zo verschijnt hij ook in de suttas: de neushoorn (I.3), Nalaka (III.11), geweld (IV.15), Sariputta (IV.16).
     Dit scherp afgebakende karakterbeeld verloor iets van zijn contouren toen in latere tijd - en wel reeds in het Niddesa - 'muni' uitgelegd werd als 'de wijze' en het overeenkomende 'mona' (het zwijgen) als 'inzicht', 'wijsheid'. Het woord 'muni' wordt dan afgeleid van het werkwoord 'munati', dat van zijn kant weer door de commentaren uitgelegd wordt met 'minaati' (afwegen). Volgens het woordenboek van de Pali Text Society komt 'munaati' in de canon maar een keer voor en wel in het Dhammapada, vers 269. Dit vers wordt ook in het Niddesa over de muni geciteerd.
__________

207
Vertrouwde omgang produceert gevaar,
huiselijk gezelschap{1} broedt vuilnis uit.{2}
Vertrouwde omgang, huiselijk gezelschap vermijden,
dat waarlijk is de denkwijze van een muni.

208
Wie datgene wat ontstaan is, vernietigt{3} en het niet laat groeien,
wie aan datgene wat in hem wil ontstaan, geen toegang geeft,
van hem, de muni, alleen levende, zegt men:
"Hij zag het oord van vrede als een grote ziener."

209
Het veld{4} onderzoekend en de kiemen{5} vernietigend,
geeft hij aan het verlangen dat vocht aan de kiemen geeft,{6} geen toegang.
Als een muni ziet hij geboorte en sterven eindigen,
vrij van piekeren{7} gaat hij niet meer in benoembaarheid.{8}

210
Die elk oord van bestaan{9} heeft begrepen,
naar geen ervan meer verlangen koestert,
hij, als een muni, vrij van begeerte en zonder wens,
hoeft niet meer te strijden, is aangekomen aan de oever.{10}

211
Wie alles heeft overwonnen, alles heeft ingezien, een wijze,
bij alle dingen met onbevlekte geest,
wie alles heeft opgegeven, vrij door opdroging van begeerte,
ook deze, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

212
Degene die sterk is in wijsheid, vast in deugdzaamheid, trouw aan de regels,
geconcentreerd in de geest, die graag mediteert en oplettend is,
vrij van boeien, die zonder smetten is en vrij van neigingen,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

213
Eenzaam levend, zwijgzaam,{11} onvermoeibaar,
door woorden van lof of berisping onberoerd,
gelijk aan de leeuw die door lawaai niet wordt opgeschrikt,
aan de wind gelijk die niet gevangen is in een net,
niet door passie besmet, zoals een lotus niet door water besmet is,
een leider van anderen, niet door anderen geleid,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

214
Hij die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft,{12}
aan wie de stortvloed van andermans woorden breekt,{13}
bevrijd van hartstocht, met goed geconcentreerde zinnen,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

215
Die met vast hart, standvastig, zo recht [gaande] als een weefspoel, een afkeer heeft van slechte daden, slecht en goed gedrag onderzoekend,{14}
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

216
Hij die, zelfbeteugeld, geen kwaad begaat,
of jong of van middelbare leeftijd, een zwijger, zelfbedwongen,
die niet boos gemaakt kan worden en die niemand boos maakt,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

217
Of hij nu boven uit de kom, of uit het midden, of van wat is overgebleven als brokkenmaaltijd ontvangt, hij die van de gaven van anderen leeft, dat is voor hem geen reden om lof of berisping uit te spreken.
Ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

218
Die zwijgend rondtrekt, van seksuele omgang afziet, die in zijn jeugd al nergens aan gebonden was,
die afziet van bedwelmende dingen en onachtzaamheid vermijdt, helemaal bevrijd, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

219
De wereld kennende, het hoogste doel aanschouwende,
de stroom en de zee overgestoken hebbende, volmaakt,{15}
die de keten brak, die zonder te hechten vrij van neigingen is,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

220
Ongelijk zijn deze beiden, ver verwijderd in hun manier van leven:
het gezinshoofd{16} dat een vrouw onderhoudt,
en degene die zuiver van zeden is, aan wie niets toebehoort.{17}
Het gezinshoofd is niet volledig bedwongen wat betreft het doden van andere levende wezens; de muni is bedwongen en beschermt constant levende schepsels.

221
Zoals een pauw met blauwe hals die zich in de lucht verheft,
nooit de snelheid van de zwaan{18} kan bereiken,
evenmin kan een gezinshoofd de monnik evenaren,
de muni die afgezonderd in de diepten van het bos contempleert.

_________

{1} huiselijk gezelschap: 'niketa' betekent a) huis, b) gezelschap. De vertaling brengt beide betekenissen tot uitdrukking.
    Het commentaar citeert uit SN 22, 3, waar Sn. vers 844 door Mahahaccana uitgelegd wordt:
" Het huis verlatend, zonder tehuis levende,
heeft de muni geen vertrouwde omgang in het dorp. Leeg van begeerte, naar het toekomstige niet verlangend, voert hij met de massa geen twistgesprekken."

     De uitvoerige betekenis hiervan is als volgt. Het element 'lichamelijkheid' is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het lichamelijkheids-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' (oha-saari) genoemd.
     Het element gevoel - het element waarneming - het element formaties - is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het gevoel-element -  het waarneming-element -  het formatie-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' genoemd.
     Commentaar:  waarom wordt hier niet ook (de vijfde bestaansgroep) het bewustzijn vermeld? - Om verwarring te vermijden. 'Huis' is hier namelijk als voorwaarde te verstaan. Wanneer er zou staan dat het bewustzijns-element zelf een huis, een voorwaarde voor het bewustzijn is, dan zou dat zonder verdere uitleg niet duidelijk zijn.

{2} broedt vuilnis uit: Commentaar: de vuilnis van de begeerte, van de haat, van de verblinding.

{3} wie vernietigt wat ontstaan is... in het Pali: yo jaatam ucchija / na ropayeyya jaayantam / assa naanuppaveccha.
     Het commentaar scheidt de versregels zoals boven met / is aangegeven en betrekt 'jaayantam' dus op 'na ropayeyya'. Nyanaponika gaf de voorkeur eraan elke versregel als een eenheid te beschouwen. Hij legt het dan als volgt uit: Het reeds ontstane onheilzame kan men niet ongedaan maken, maar men kan het in zoverre vernietigen (letterlijk: afsnijden) dat men het niet verder laat groeien, d.w.z. dat het onheilzame niet wordt herhaald. (Zie Sn. I.1, vers 1)
     Wanneer men de uiterlijke voorwaarden ziet voor het optreden van het onheilzame in het ontstaan ervan, d.w.z. het voorbereiden ervan, dan moet men er geen invloed of toegang in de eigen geest aan toestaan. Op gelijke manier moet men direct de toegang dicht maken, (waakzaam zijn bij de poorten van de zintuigen), wanneer men in zich de geringste neiging tot het onheilzame merkt. De methode van afweer bij het begin wordt hier aanbevolen.

{4} veld (vatthuuni, meerv.); 'vatthu' betekent: veld, basis, mogelijkheid. Commentaar: het is dat waaraan deze wereld hangt, nl. die oorden of mogelijkheden voor bezoedelingen die in de groepen van bestaan, fundamenten van de zintuigen en elementen bestaan.

{5} Als 'kiem' (biija) duidt het commentaar het producerende, d.w.z. wedergeboorte scheppende bewustzijn aan. (Vgl. Sn. II.1, vers 235)

{6} verlangen dat vocht geeft... De vertaling geeft beide nuancen van het woord 'sineha' weer: a) vochtigheid; b) aanhankelijkheid, verlangen.
     Tot de bovenstaande drie gelijkenissen, vgl. A.III.77 :
" wilsactie (kamma) is het veld,
bewustzijn is het zaad,
verlangen is de vochtigheid."

{7} vrij van van piekeren (takkam pahaaya). Het commentaar legt het uit als 'vi-takka'  en betrekt het op de negen onheilzame gedachten (nl. gedachten van zinnelijkheid, kwaadwil en benadelen; gedachten aan verwanten, woonstreek en persoonlijke onsterfelijkheid; gedachten van aanhankelijkheid aan anderen en gedachten gericht op winst, eer, roem, waardering.) Maar hier moet vooral gedacht worden aan 'takka' in de zin van logica, sofisterij, onrustig en twijfelend piekeren.
     De samenhang met het volgende 'gaat niet meer in in benoembaarheid' is precies dezelfde als in vers 911: omdat de muni zich niet meer in theorieen en wetenschappen (vers 911) of in piekeren (vers 209) verstrikt, kan hij niet meer in daaruit afgeleide begrippen gevangen worden.

{8} gaat niet meer in in benoembaarheid (na upetisankham). 'sankhaa' betekent: getal, benoeming, definitie, begrip. Hier komt voor het eerst het motief van de ongrijpbaarheid, onbegrijpelijkheid van de heilige.
     K.E. Neumann merkte op, misschien niet ten onrechte: "'takkam' en 'sankham' wijzen met lichte humor op het vroege 'taarkyam'  en 'saamkhyam', de maat- resp. getallenfilosofie die ongetwijfeld toen al beroemd was."

{9} woonoord van bestaan (nivesanaani); hier door het commentaar uitgelegd als het drievoudige bestaan: zinnelijk, fijnstoffelijk en onstoffelijk bestaan.

{10} niet strijdt hij meer die aan de oever is aangekomen (naayuuhati paaragato hi hoti). Deze versregel komt, met geringe wijziging (so'ti in plaats van hoti) twee keer voor in SN.2.5. "Zolang hij geen grond vindt in de rivieren, spant de mens zich in met al zijn ledematen. Maar als hij de grond heeft gevonden en er vast op staat, dan spant hij zich niet meer in; want dan is hij aan de reddende oever* aangekomen." (vert. Geiger) - Vergelijk ook SN.1.1. "Zonder te rusten, zonder strijd (anaayuuham) heb ik de stroom overgestoken." - De uitleg van het commentaar is: "Hij veroorzaakt geen heilzaam of onheilzaam kamma dat de verschillende oorden van bestaan produceert." Het werkwoord 'aayuhati' en het substantief 'aayuuhana' duiden namelijk in de latere commentaar-stijl op het 'karmisch ophopen', evenals 'abhisankharoti' en 'abhisankharana'.
* De oever (paara) betekent volgens het commentaar datgene wat aan gene zijde is van alle bestaansoorden, het Nibbana.

{11} zwijgzaam (muni). Hier waar het woord 'muni', behalve in de zich herhalende slotregel, ook nog in de beginregel staat, kan misschien de oorspronkelijke betekenis van 'de zwijger'  zijn bedoeld, evenals in de verzen 216 en 218.

{12} die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft (yo ogahane thambho-r-iv'abhijaayati).  Ogahana, hier met stroom (ogha) vertaald, is letterlijk: 'datgene waarin men onderduikt.' Het commentaar legt het uit als badplaats of voorde. "Aan een, hier ogahana genoemde badplaats is een vier- of achthoekige pilaar ingeramd, waaraan men zijn ledematen kan wrijven. Mensen uit edele en uit lagere familie wrijven daaraan hun ledematen, maar daardoor wordt de pilaar niet omhoog geduwd of omlaag gedrukt."

{13} waaraan de stortvloed van andermans woorden breekt: dit is een vrije weergave van 'yasmim para vacaapariyantam vadanti', een zin waarvan de betekenis onzeker is. Onze weergave knoopt aan aan het beeld van de pijler in de stroom. - Seidenstuecker: "Bij wie anderen zich in hun woorden beperking (pariyantam) opleggen. - Commentaar: "De anders gelovenden spreken over hem geen woord dat naar boven gericht door lof, naar beneden gericht door berisping is begrensd (pariyanta)." - Misschien is de zin ervan deze dat in de muni de invloed van de woorden van anderen zijn grens heeft gevonden.

{14} Nyanaponika vertaalde: "wie de kromme en de rechte baan onderzoekt,"

{15} Volmaakt (tadi), letterlijk: met dergelijke eigenschappen, d.w.z. een voorbeeldig iemand.

{16} [gezinshoofd:  een huiseigenaar, iemand die in een huis woont.]

{17} aan wie niets toebehoort (amamo); letterlijk: die niet 'mijn' (zegt); [die niets zijn eigen noemt.]

{18} Bij Norman staat in plaats van zwaan: gans

___________

Commentaar bij de verzen 207-221.

《   Als "de stille" (mona) wordt het inzicht aangeduid dat bestaat in wijsheid, weten ... niet-verblinding, onderzoek van de leer, juist inzicht. Wie een dergelijk inzicht heeft, is een "stille wijze" (muni), iemand die tot stilheid, uitdoving is gekomen (mona-patto).

Er zijn drie soorten van stilzijn (moneyya):
1) het stilzijn van het lichaam (kaaya-moneyya);
2) het stilzijn van het woord (vacii-moneyya);
3) het stilzijn van de geest (mano-moneyya).

(1) Wat is het stilzijn van het lichaam?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte lichamelijke gedrag (nl. doden, stelen, en in dit geval elke seksuele handeling);
○ het drievoudige goede lichamelijke gedrag (nl. zich onthouden van slecht gedrag);
○ het op het lichaam gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het lichaam;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het lichaam;
○ de opheffing van lichamelijke vorming in het bereiken van de vierde meditatieve verdieping;
- dat is stilzijn van het lichaam.

(2) Wat is stilzijn van het woord?
○ Het opgeven van het viervoudige slechte gedrag in woorden (nl. leugens, lasterpraat, ruwe taal, geklets);
○ het viervoudige goede gedrag in woorden;
○ het op het woord gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het woord;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het woord;
○ de opheffing van vorming van taal in het bereiken van de tweede verdieping;
- dat is stilzijn van het woord.

(3) Wat is stilzijn van de geest?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte gedrag in denken (d.w.z. begeerte, haat, verkeerde meningen);
○ het drievoudige goede gedrag in denken;
○ het op het bewustzijn (citta) gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het bewustzijn;
○ het door een dergelijk doordringend begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van wilsverlangen wat betreft het bewustzijn;
○ de opheffing van de vorming van bewustzijn (citta-sankhaara) in het bereiken van de verdieping van 'de opheffing van waarneming en gevoel' (san~n~aavedayita-nirodha);
- dat is stilzijn van de geest. 

     Bij wie het lichaam stil is, en stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'de aan alle kanten bevrijde' genoemd.
     Bij wie het lichaam stil is, stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'van het kwaad rein gewassen' genoemd. (It. 67)

     Met de drie soorten van stilzijn zijn zes groepen van 'stillen' voorzien:
1. De stillen in het huiselijke leven (aagaara-munayo).
2. De huisloze stillen (anaagara-munayo).
3. De strijdende stillen (sekha-munayo).
4. De stillen die vrij zijn van strijden (asekha-munayo).
5. De individueel-stillen (pacceka-munayo).
6. De hoogsten der stillen (muni-munayo).

(1) Welke zijn de stillen in het huiselijke leven? - Het zijn de in het huis levende mensen die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(2) Welke zijn de huisloze stillen? - Het zijn degenen die vertrokken zijn in het monnikenleven, die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(3) De zeven strijdenden (sekha) zijn de 'strijdende stillen'.
(4) De volmaakte heiligen zijn de 'strijdvrije stillen'.
(5) De individueel ontwaakten (pacceka-buddha) zijn de individueel stillen.
(6) Als de 'hoogsten der stillen' worden de Volmaakten aangeduid, de heiligen, volmaakt Ontwaakten.

"Niet door zwijgen wordt de verwarde, onverstandige tot een stille. Maar wie, met de weegschaal in de hand, het beste voor zich als wijze uitkiest, en het kwade vermijdt, zo iemand is een stille; waarlijk, zo wordt hij een stille. Omdat hij beide werelden weegt en begrijpt, daarom wordt hij muni genoemd." (Dhp.268-269)

Hij die de aard van de goeden kent en ook die van de slechten, inwendig en uitwendig bij de hele wereld, die verering waard is voor goden en mensen, hij die aan het vangnet is ontkomen,- die is een muni. (Sn. 527)

_____________________________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:00 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #2 Gepost op: 27-02-2019 14:45 »
Sn.I.2. verzen 18-34
Dhaniya, de rijke herder


Inleiding.

Dhaniya, de rijke, was volgens het commentaar een welgestelde bezitter van kudden. Het commentaar beschrijft dan het milieu van dit sutta. Koeherders hebben geen vaste woonplaats. In de vier maanden van de regentijd leven zij op hoger gelegen plaatsen. In de overige acht maanden van het jaar leven zij waar rijkelijk gras en water te vinden is, namelijk aan oevers van rivieren en meren.

Ook Dhaniya had kort voor de regentijd zijn woonplaats verlaten. Op zoek naar een geschikte plek voor de kudde kwam hij op een plek waar de grote rivier Mahi zich in twee-en splitst, en wel in Zwarte Mahi en in Grote Mahi. In de nabijheid van een meer kwamen zij weer samen en vormden zo in het midden een eiland. Op dit eiland bouwde Dhaniya stallen voor de kudde en voor zich een huis en ging er wonen. Hij had zeven zonen, zeven dochters, zeven schoondochters en veel personeel.

Herders weten de voortekenen die regen aankondigen te duiden. Wanneer bijvoorbeeld de vogels hun nesten hoog in de boomtoppen bouwen, de krabben hun gaten in de buurt van water dicht maken en die in hoger gelegen land opzoeken, dan concluderen de herders daaruit dat er veel regen zal vallen. Maar wanneer de vogels hun nesten bouwen langs het water op laag gelegen plekken, wanneer de krabben hun hoger gelegen gaten dicht maken en die in de buurt van water betrekken, dan concluderen de herders daaruit dat slechts zwakke regen zal komen.

Dhaniya nu had de voortekenen voor een sterke regen opgemerkt. En toen de regentijd naderbij kwam, verliet hij het eiland.

Aan de andere oever van de Grote Mahi, op een plek die ook bij zeven keer zeven dagen durende regen niet zou overstromen, maakte hij voor zich een woning, en voor het vee stallen met omheiningen eromheen. En weldra, nadat het gras voor voer en het brandhout opgestapeld was, - alle familieleden, dienaren en arbeiders hadden daarbij geholpen - en nadat een voorraad levensmiddelen gereed gesteld was, verschenen aan de horizon van de vier hemelrichtingen de regenwolken. De koeien werden gemolken, het vee werd in de stallen vastgebonden en rondom werden smeulende vuren ter bescherming aangestoken. Nadat alle werk verricht was, aten de mensen van Dhaniya, en ook hijzelf nam rijst en melk tot zich. Op een hogere plaats zittend keek hij toen naar zijn welvaart. Toen hij het gerommel van de donder hoorde, leunde hij tevreden achterover en riep uit:

18. Dhaniya:
"Mijn rijst is gekookt, de melk is gemolken.
Aan de oever van de Mahi woon ik met mijn gezin.
De hut is bedekt, het vuur brandt.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

19. De Verhevene:{1}
"Ik ben vrij van boosheid, ik ben vrij van slakken{2}.
Een nacht vertoef ik aan de oevers van de Mahi.
Mijn hut{3} heeft geen dak, het vuur is gedoofd.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

20. Dhaniya:
"Vliegen en muggen zijn hier niet te vinden.
De runderen grazen op het frisse weidegras.
Als regen komt, kunnen zij die verdragen.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

21. De Verhevene:
"Het vlot is gebonden, is goed samengevoegd.{4}
De stroom overwinnend, kwam ik aan de andere oever.
Omdat dit bereikt is, heb ik nu geen vlot meer nodig.{5}
Welaan, wolk, regen als je wilt."

22. Dhaniya:
"Mijn vrouw is gedwee en niet wellustig.
Zij is al lange tijd mijn dierbare levenspartner.
Niets slechts hoor ik ergens over haar.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

23. De Verhevene:
"Mijn geest is voegzaam, is helemaal bevrijd,
sedert lange tijd geheel ontplooid en bedwongen.
Niets slechts bevindt zich ergens in mij.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

24. Dhaniya:
"Het loon uit eigen arbeid dient tot mijn levensonderhoud.
De zonen, die bij mij leven, zijn gezond.
Niets slechts hoor ik ergens over hen.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

25. De Verhevene:
"Bij niemand ben ik in loondienst.
Levende van wat verdiend is, trek ik door de wereld.
Er is nu geen loondienst nodig.{6}
Welaan, wolk, regen als je wilt."

26. Dhaniya:
"Ik heb runderen, kalveren die nog zogen,
en drachtige koeien, en ook fokvee.
Een stier is er, de heer van de kudde.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

27. De Verhevene:
"Ik heb geen runderen of kalveren die nog zogen,
geen drachtige koeien en ook geen fokvee.
Er is geen stier, de heer van de kudde.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

28. Dhaniya:
"De palen zijn onbeweeglijk ingeslagen,
nieuwe banden uit munja-gras zijn vast gevlochten,
de kalveren kunnen die niet stuk maken.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

29. De Verhevene:
"Zoals een stier die zijn banden heeft verbroken,
aan de olifant gelijk die slingerplanten wegtrekt,
ga ik niet meer binnen in een moederschoot.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

30.
Laagten en hoogten overstromend,
barstte uit de grote wolk regen neer.
Toen hij hoorde hoe de regen uit de hemel stroomde,
sprak Dhaniya nu dit woord:

31. Dhaniya:
"Heel grote zegen werd ons ten deel
omdat wij de Verhevene mochten aanschouwen.
Tot u, met visie,{7} nemen wij onze toevlucht.
Weest u onze meester, o grote muni.
32
Mijn vrouw en ik willen trouw toegewijd
bij de Gezegende de reine levenswandel leiden.
Gaande naar de andere kant van geboorte en dood,
willen wij aan het lijden een einde maken."

33. Mara de boze:{8}
"Verheugd over zijn kinderen is degene die kinderen heeft.
Op gelijke wijze verheugt zich de kudde-eigenaar over zijn koeien.
Want waarlijk, levenssteunen{9} zijn de vreugde van de mens.
Wie geen levenssteunen heeft, heeft ook geen vreugde."

34. De Verhevene:
"Wie kinderen heeft, is bezorgd om zijn kinderen.
De kudde-eigenaar is eveneens bezorgd en wel om zijn koeien.
Want waarlijk, levenssteunen zijn de zorg van de mens.
Wie geen levenssteunen heeft, heeft geen zorgen."{10}

__________
Noten

{1} De Boeddha antwoordde met woordspelingen die hier niet zijn weergegeven.

{2} vrij van slakken (vigata-khilo). Khila is de onvruchtbaarheid en het braak liggen van het veld waarop, aldus het commentaar, 'het graan niet groeit ook al regent het vier maanden.'

In overdragende zin is het 't gebrek aan spirituele ontvankelijkheid of van menselijke verharding, de traagheid van het hart en dorheid van de geest, de onwil en onkunde tot spirituele oefening.

Commentaar: 'zelfs wanneer er regen is, d.w.z. voorwaarden voor het goede, zoals het vernemen van de leer, dan kan (in de toestand van khila) het goede toch niet groeien.'

{3} Hut betekent volgens het commentaar de persoonlijkheid. Deze 'hut' van de Verhevene ligt 'open' in zoverre ze niet bedekt is door de smetten zoals begeerte, eigenwaan, verlangen, verkeerde meningen enz.  Juist daarom, zo zegt het commentaar, kan de regen van begeerte, haat en illusie niet binnendringen.

{4} Commentaar: 'Vanaf het huis van Dhaniya ziet de Boeddha het vlot liggen dat Dhaniya voor de vaart van het eiland naar het vasteland had gebruikt.'

Het commentaar omschrijft de zin van dit vers als volgt. 'Jij hebt een vlot voor jou samengebonden, Dhaniya, je hebt de rivier Mali overgestoken en bent nu op deze plaats gekomen. Maar je moet weer een vlot samenbinden en een stroom oversteken. Want deze plek biedt geen zekerheid.

Ik echter heb in een enkele gedachte (namelijk die van de Verlichting) de schakels van het pad samengevat en heb voor mij een vlot samengebonden met de band van inzicht.

Omdat de 37 'naar de Verlichting voerende (bodhipakkhiyadhamma) dingen' die dit (geestelijke) vlot vormen, ten gevolge van hun uniforme richting en hun op elkaar afgestemd zijn tot volmaaktheid zijn gekomen, daarom is inspanning niet meer nodig om weer een vlot samen te binden. En daarom kan deze verbinding ook door niemand, hetzij godheid of mens, losgemaakt worden. In zoverre is mijn vlot 'goed samengevoegd'.
[Zie voor de 37 naar de Verlichting voerende dingen het topic: Factoren van Verlichting, www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2468 ]

{5} is nu geen vlot meer nodig. Vgl. M.22: "Als vlot, monniken, zal ik u de leer tonen, geschikt om te ontkomen, niet om vast te houden."

{6} Commentaar: 'Sedert ik aan de voeten van de vroegere Boeddha Dipankara het besluit nam om Boeddhaschap te verkrijgen, tot aan mijn volledige Verlichting, zo lang 'diende' ik nog om de alwetendheid. Sedert die evenwel bereikt is, leef ik in deze 'verheven' toestand van de alwetendheid en in het geluk van bovennatuurlijke concentratie. Ik die niets meer verder heb te doen, die - niet gelijk aan degenen die aan wedergeboorte nog niet zijn ontkomen, -niets meer heb te bereiken, voor mij 'is loondienst niet nodig.'

{7} Norman vertaalde: "met visie;" Nyanaponika vertaalde: "helder-ogende."

{8} Volgens het commentaar verschijnt Mara om het echtpaar van het gaan in de huisloosheid af te houden. [M.a.w. er zouden nog gedachten van twijfel, onzekerheid bij het echtpaar zijn ontstaan of zij er wel juist aan deden om het rijke leven op te geven].

{9} levenssteunen (upadhi). Hier betekent dit levensbenodigdheden, bezit e.d. In het volgende vers heeft het de filosofische betekenis van bestaans-substraat. (vgl. Sn. verzen 364 en 728).

{10} De verzen 33 en 34 bevinden zich ook in SN. 1.12 en SN. 4.8.  Misschien zijn beide verzen later hier toegevoegd. Ook zonder deze beide verzen zou dit sutta dan een bevredigend einde hebben.


_____
Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:02 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #3 Gepost op: 03-03-2019 07:42 »
Sn.iv.2. Verzen 772-779
De grot


772.
Gevangen in de grot (van zijn lichaam) {1} en veelvuldig bedolven,{2} blijft de mens vaststeken, diep verzonken in verblinding en verwarring.{3} Van onthechting {4} is hij waarlijk verre, want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk in de wereld op te geven.
773
Aan de wensen onderhorig,{5} en gebonden aan de vreugden van bestaan zijn de mensen heel moeilijk te bevrijden en kunnen zij niemand anders bevrijden.{6} Naar het vroegere en ook naar het toekomstige gaat hun streven, naar deze zintuiglijke genoegens van thans of die van vroeger.
774
Zij die begerig zijn naar zintuiglijke genoegens, die steeds denken aan zintuiglijk genot en die erdoor misleid zijn, zij zijn de verkeerde weg opgegaan, zij zijn onbeleerbaar.{7} Wanneer lijden hen ten deel valt, dan breken zij in geweeklaag uit: "Wat zullen wij worden wanneer wij vanhier zijn heengegaan?"
775
Daarom moet de mens zich nu oefenen in deze onthechting.  Wat in de wereld als 'slecht' bekend is, dat moet hem niet ertoe brengen slecht te handelen. Want dit leven is kort, zeggen wijzen.{8}
776
Ik zie in de wereld dit volk spartelen, geobsedeerd door begeerte naar de vormen van bestaan. Lage mensen jammeren in de kaken van de dood, want begeerte naar veelvuldig bestaan is niet weggenomen.
777
Zie ze spartelen om dat wat als 'mijn' geliefd is, als vissen in ondiep water, in een uitgedroogde rivier. Wie dit heeft gezien, laat hem zonder ego-isme leven, en geen binding voor zich scheppen aan de vormen van bestaan.
778
Naar beide einden{9} moet hij het verlangen verdrijven, door het volledig begrijpen van de zintuiglijke indruk,{10} zonder begeerte.
Omdat hij niets doet waarvoor hij zichzelf zou moeten berispen, is de wijze onbevlekt door wat gezien en gehoord is.{11}
779
Omdat hij waarneming begrijpt,{12} kan hij de stroom oversteken, een muni die van elk grijpen{13} onbevlekt is. Hij streeft onvermoeibaar, en hij heeft, aan de stekel onttrokken, geen verlangen meer naar deze en gene wereld.
________

{1} 'grot' is een van de vele beeldende aanduidingen van het lichaam. Commentaar: "Het lichaam wordt als grot aangeduid omdat het een woongelegenheid vormt voor zulke wilde dieren als begeerte, haat, onwetendheid.

{2} veelvuldig bedolven, namelijk door de veelvuldige geestelijke smetten zoals begeerte, haat en waan, die volgens het commentaar de 'inwendige boei' vormen.

{3} verwarring (mohana, naar moha, verblinding) is volgens het commentaar een aanduiding voor de vijf zintuiglijke objecten (kaamaguna); want daardoor worden mensen en goden (van de zintuiglijke sferen) verblind en in de war gebracht; zij vormen de 'uiterlijke boei'.

{4} onthechting of afzondering (viveka) is volgens MNidd. drievoudig: afzondering van het lichaam, afzondering van de geest en afzondering van de steunen van bestaan.

{5} Aan de wensen onderhorig (icchaanidaana), letterlijk: afhankelijk van de wensen.

{6} 'kunnen zij niet door anderen bevrijd worden': het Mahaniddesa citeert hier MN.8 (zie: https://sites.google.com/site/majnikaya/01-mulapariyaya-vagga/m-08-m-i-8-sallekha-sutta ) en voegt er verder aan toe: Niemand anders kan verlosser zijn. Wanneer men bevrijd is, dan is men dat door eigen kracht, eigen energie, eigen inspanning. Zelf is men het juiste pad opgegaan en niet het verkeerde. En zo werd men bevrijd.
     Zie ook Dhp. 161, 162, 163, 165 (XII.5-7, 9):  Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelf-verantwoordelijkheid.
     Dhp.161. “Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamant een harde edelsteen slijpt.”
     Dhp.162. "Wiens verdorvenheid heel groot is, als een slingerplant die hem omwoekert, hij brengt zichzelf ten onder tot de staat waartoe zijn vijand hem vervloekt."
     Dhp.163. "Slechte daden, schadelijk voor onszelf, zijn gemakkelijk uit te voeren; wat echter voordeel brengt en goed is, hoe uiterst moeilijk is dat."
     Dhp.165. "Zelf doet men het kwade, zelf is men boosgezind; zelf vliedt men het kwade, zelf is men zuiver gezind; zelf is men boos of goed; niemand anders kan verlosser zijn."

{7} onbeleerbaar (avadaaniya), iemand met wie niet te praten valt, ontoegankelijk.

{8} Het leven is kort. Hierbij een citaat uit het Mahaniddesa: "Kort, waarlijk is dit leven. - Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur evan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan
     In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
● In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
● In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
● In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.

     Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in een geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet een keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn zij, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer zij ontstaan zijn, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij te voorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
     In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.

     Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
● Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
● Ook aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn is het leven gebonden.
● De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan,  die ermee verknoopt zijn.
● Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
● Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
● Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
● Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
      In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.

{9} beide einden: MNidd: Zinsindruk is het ene einde, ontstaan van de zinsindruk is het andere einde. Het verlangen is het ene einde, de toekomst is het andere einde. Gevoelens van geluk zijn het ene einde, gevoelens van smart zijn het andere einde. Geest is het ene einde, lichamelijkheid is het andere einde. De zes inwendige grondslagen van de zintuigen zijn het ene einde, de zes uitwendige grondslagen van de zintuigen zijn het andere einde. De persoonlijkheid is het ene einde, het ontstaan van de persoonlijkheid is het andere einde. (Vgl. AN. VI.61)

{10} Door het volledig begrijpen van de zintuiglijke indruk. MNidd. maakt onderscheid tussen drie soorten van volledig begrijpen of van het doordringen:
○ het onderkennende doordringen, d.w.z. het analytische begrijpen van de werkelijkheid;
○ het onderzoekende of beoordelende doordringen, d.w.z. het onderkennen van de geanalyseerde dingen als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk;
○ het overwinnende of opheffende doordringen door de hoge paden, bijvoorbeeld hier het daadwerkelijk overwinnen van het gehecht zijn aan de zintuiglijke indruk.

{11} wat gezien, gehoord is: Dit is te verstaan als een afkorting van de oude viervoudige indeling van de waarneming door de zes zintuigen in: gezien, gehoord, waargenomen, onderkend.

{12} waarneming begrijpend, zie boven bij noot 10.

{13} van elk grijpen. MNidd. maakt een onderscheid tussen tanhaa- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeren en grijpen in de vorm van verkeerde visies. Het gaat hier dus om het mentale grijpen naar de waarneming, het be-grijpen door be-grip-pen, die of door begeerte of door theorie-en zijn vervalst en zo de waarneming met verkeerde waarden weergeven.

_____
Dit sutta in het kort:

     Wie gehecht blijft aan het lichaam, hij is ver van onthechting. Want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk op te geven.
De mensen zijn geboeid aan de genoegens in dit bestaan kunnen daarom door anderen niet bevrijd worden. Door begeerte naar zintuiglijke genoegens zijn zij de verkeerde weg opgegaan. En zij vragen zich klagend af: "Wat zal er na de dood van ons worden?"
     Wanneer men weet dat iets verkeerd is, moet men dat niet doen. Want het leven is kort. Men moet zich oefenen in onthechting. Men moet zonder ego-isme leven en niet gehecht zijn aan geliefde bezittingen of aan vormen van bestaan.
     Een wijs mens verlangt niets, hecht niet aan wat hij ziet of aan wat hij hoort of aan wat hij denkt.
     Hij begrijpt dat al wat samengesteld is, vergankelijk is. Daarom hecht hij er niet aan. Hij leeft oplettend en zo steekt hij de stroom over.
_____

Met vriendelijke groet
Nico

     
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:05 door nico70+ »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2747
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #4 Gepost op: 03-03-2019 18:23 »
Bedankt Nico. Prachtig.
Siebe

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #5 Gepost op: 12-03-2019 10:38 »
Sn.IV.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka Sutta - kwaadgezind

780
Waarlijk, sommige kwaad-gezinde mensen redetwisten;{1} en degenen wier geesten gericht zijn naar waarheid, zij redetwisten ook.
Maar de wijze bemoeit zich niet met enig twistgesprek dat ontstaan is. Daarom heeft de wijze geen dorheid van geest in enig opzicht.{2}

781
Hoe zou iemand zijn eigen visie kunnen overwinnen, wanneer hij geleid is door willekeur, gebogen naar zijn eigen neigingen, die verkeerde visies zelf als ‘volmaaktheden’ verzint?{3} Want zoals hij het begrijpt, zo spreekt hij ook.{4}

782
Indien iemand ongevraagd anderen over zijn eigen deugdzaam gedrag en geloften vertelt, dan zeggen de deskundigen dat hij een onedele aard heeft,{5} die alleen het eigen ik verkondigt.{6}

783
Maar een bhikkhu, tot rust gekomen,{7} met (het) zelf volledig uitgedoofd,{8} niet pochend over zijn deugdzaam gedrag door te zeggen: "Zo ben ik,” indien hij geen hoogmoed heeft ten opzichte van iets in de wereld, dan zeggen de deskundigen dat hij een edele natuur heeft.{9}

784
Wanneer men verkeerde leerstellingen{10} heeft gevormd, geconstrueerd,{11} en wanneer men de voorkeur geeft aan die leerstellingen die onzuiver zijn en wanneer men er voordelen in ziet voor zichzelf,{12} dan steunt hij op een vrede die afhankelijk is van wat onstabiel is.{13}
     
785
Het hechten aan verkeerde visies is niet gemakkelijk te overwinnen. Men heeft ze uitgezocht uit veel leerstellingen, na overweging.{14} Daarom verwerpt iemand een leerstelling of neemt een andere aan{15} uit dit hechten aan visies.{16}
         
786
Waarlijk, een gezuiverd{17} mens vormt geen visie ergens in de wereld met betrekking tot verschillende [soorten van] bestaan. Waarheen zou een gezuiverd mens gaan{18} na illusie en eigendunk te hebben opgegeven? Hij is niet betrokken erbij.{19}

787
Iemand die erbij betrokken is,{20} is waarlijk betrokken in twistgesprekken wat betreft leerstellingen, maar hoe, waarover kan men een twistgesprek hebben met iemand die niet erbij betrokken is? Hij heeft niets opgenomen of verworpen.{21} Hij heeft alle visies in deze wereld hier afgeworpen.{22}
_________
     
Noten

{1} redetwisten (vadanti; letterlijk: praten). Nyanaponika vertaalde: ‘lasteren.’ Het MNidd en het commentaar leggen het uit met upavadanti (lasteren) en wel lasterpraat over de Boeddha en de gemeenschap van de monniken. Het commentaar geeft als ontstaansgeschiedenis voor dit sutta de episode van de vrouwelijke asceet Sundari (zie Udāna IV. 8 ). Zij werd op bevel van asceten met een ander geloof vermoord om de discipelen van de Boeddha met die daad te belasten. Ook het MNidd verwijst met nadruk naar deze geschiedenis. Deze oude traditie werd daarom in de vertaling [van Nyanaponika] gevolgd. Maar een andere mogelijkheid is, vadanti als ‘redetwisten’ op te vatten [zoals door Norman], d.w.z. het woord te betrekken op de religieuze twistgesprekken waarover boek acht zo vaak handelt. Het in de tweede versregel volgende ‘vādo’ heeft heel vaak de betekenis van ‘discussie.’ Op grond van een dergelijke opvatting zou dan de vertaling kunnen zijn zoals die van Norman hierboven. Deze weergave past goed bij de hoofdinhoud van dit sutta, dat vooral het opgeven van visies en meningen behandelt.

{2} ‘dorheid van geest’. Door Nyanaponika vertaald met ‘verstoring’ (khilo). In het MNidd uitgelegd als 'neergeslagenheid van de geest' (āhata-cittatā).

{3} Volmaaktheden (samattāni); d.w.z. die idealen, idolen of ‘goden’ die hij naar zijn eigen voorstelling vormt zoals hij het begrijpt.
MNidd: "Bedoeld is iemand die zijn eigen leraar en diens leer en gemeenschap voor de beste en volmaakste houdt."

{4} Volgt men het commentaar en het MNidd bij de eerste strofe, dan zou de innerlijke samenhang van dit vers met het voorgaande ongeveer als volgt gedacht kunnen worden: Wanneer die anders denkende asceten zich door de willekeur en het naar believen van hun kwade gezindheid laten drijven tot zelfs lasterpraat en moord, dan kan natuurlijk niet verwacht worden, dat zij hun eigen verkeerde mening kunnen opgeven.”
     De beide begrippen in versregel b kunnen evenwel beter opgevat worden (1) als de willekeurige theorieën van die andersdenkenden; (2) als hun voorliefde (ruci) voor deze theorieën.
     Een alternatieve vertaling zou dan zijn: ‘ 
‘Hoe zou de eigen visie overwonnen kunnen worden van iemand die door willekeur geleid wordt, vastgelegd op lievelings-theorieën ?‘
     [Volgens mij is bedoeld iemand die stoer vasthoudt aan zijn eigen opvattingen en vooroordelen.]       

{5} alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de onedelen is.’ - Het commentaar legt de samenhang van de verzen 782-783 met bovenvermelde ontstaansgeschiedenis als volgt uit:
     ‘Toen de koning na oplossing van de schuldvraag wie de moord gepleegd had, aan de Verhevene vroeg waarom hij hem niet eerder over de lasterpraat had geïnformeerd, gaf de Boeddha ten antwoord: "Het is niet de aard van edelen, over hun deugdzaamheid tot anderen te spreken."’

{6} Norman: ‘indien iemand uit eigen beweging over zichzelf spreekt’

{7} alternatieve vertaling: ‘in vrede’

{8} Nyanaponika: ‘uitgedoofd in het hart’

{9} alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de edelen is.’

{10} Nyanaponika: ‘dingen’ (dhammā); commentaar: visies.

{11} gevormd, geconstrueerd (pakappitā samkhatā). Beide begrippen betekenen letterlijk: verzonnen; hier met betrekking tot het geestelijke, d.w.z. uitgedacht, geestelijk geconstrueerd, gefantaseerd. MNidd maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthipakappanā, d.w.z. wens-fantasieën en speculatieve fantasieën (of fantastische visies).

{12} voordelen; volgens MNidd zijn daarmee bedoeld de verwachtingen van geluk voor deze kant en de andere kant, welke verwachtingen op verkeerde visies zijn gebaseerd. 

{13} alternatieve vertaling: wiens visies (of: geest-objecten) ingebeeld/uitgedacht zijn en geconstrueerd zijn, bevoorkeurd, onzuiver, welk voordeel hij er voor zichzelf in ziet, hij is afhankelijk van die visie die ingebeeld en geconstrueerd en conventioneel is.

{14} Het is een gewoonte geworden zo (= verkeerd) te denken.

{15} Verwerpt . . . neemt aan (nirassati ādiyati); het commentaar geeft hier de gelijkenis van de aap (zie vers 791). Over de tegenovergestelde houding wordt gesproken in vers 787. Met dezelfde uitdrukkingen als hier wordt die geformuleerd in vers 954: n'ādeti na nirassati, "Niet grijpt hij op, verwerpt ook niet.”

{16} alternatieve vertaling: ‘Bij de visies is een visie aangenomen door iemand die ze heeft overwogen. Daarom verwerpt iemand een visie bij deze visies of hij neemt een aan.’

{17} gezuiverd. MNidd geeft de volgende uitleg: "De wijsheid wordt dhonā genoemd, omdat erdoor al het slechte wordt afgeworpen (dhuta) en afgewassen (dhota)."

{18} Waarheen zou een gezuiverd mens gaan? -  Commentaar: "Waarmee zou hij nu of in de toekomst, met betrekking tot de verschillende sferen van bestaan, in een (aanduiding, categorie of) benoeming ingaan (sankham gaccheyya),  MNidd: als helle-wezen, als ongelukkige geest, als dier, als een godheid, lichamelijk, onlichamelijk enz.)?"

{19} alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, van een gezuiverd mens is nergens in de wereld een visie ingebeeld wat betreft verschillende [soorten van] bestaan. Een gezuiverd mens, na illusie en eigendunk te hebben opgegeven, naar welke categorie zou hij gaan? Hij is niet gehecht (bevrijd).’

{20} Iemand die erbij betrokken is, upayo hi dhammesu upeti vādam; letterlijk: "Wie nadert, is dicht bij een discussie over de dingen (of leringen), d.w.z. hij gaat erop in.”  MNidd: "Er is een tweevoudige ‘nadering' (upaya): door verlangen en door visies.”

{21} Opnemen of verwerpen (attam nirattam); zo ook in de verzen 858 en 919. - K. E. Neumann gaf een verkeerde vertaling met ‘eigen’ en ‘oneigen’, misschien beïnvloed door een passage uit het MNidd. Daar is o.a. ook sprake van attā (ik, zelf), maar heel duidelijk slechts als woordspeling, terwijl de eigenlijke uitleg van het woord door het begrip gahana (aannemen) wordt gegeven. Het attam van onze teksten heeft niets te maken met attā, maar is het voltooid deelwoord (Skr.: ātta) van ādadāti (opnemen). In dezelfde betekenis komt het in het Sutta Nipata voor als attañjaha (vers 790), attam pahāya (vers 800) en attadanda (vers 935), allemaal in het boek van acht. Nirattam ist het voltooid deelwoord van nirassati (Skr. nirasta, nirasyati) dat in vers 785 voorkomt, waar het volgende ādiyati (neemt aan) overeenkomt met het attam in vers 787. Omdat deze beide begrippen in meerdere Duitse en Engelse vertalingen verkeerd werden weergegeven, is de hier gegeven vertaling bewezen door een kort inhoudelijk onderzoek van de betreffende teksten. In ons vers 787 hebben beide begrippen duidelijk betrekking op het partijdige  beweren en afwijzen in het twistgesprek. Dat hier ik (attā) en niet-ik (anattā) als de beide tegenovergestelde en af te gooien visies bedoeld zouden zijn, kan zonder meer worden uitgesloten. Net zo min kan versregel c de betekenis hebben van: hij heeft (of er is voor hem) geen ik of niet-ik. - In vers 858 regel b hebben de beide begrippen betrekking op de eerder genoemde bezittingen. Ook hier zou de betekenis ‘ik, niet-ik’ volstrekt onpassend zijn. In vers 1098 wordt het begrip nirattam niet tegenover attam, maar tegenover uggahītam (letterlijk: het opgenomene) gesteld; dit alleen al laat over de betekenis van beide begrippen ‘attam nirattam’ geen twijfel bestaan.

     MNidd: “Opnemen en verwerpen is er niet voor hem,” d.w.z. voor hem is er noch de eeuwigheids-visie van een ik, noch de vernietigings-visie van een (nihilistisch alles) verwerpen (nirattā'ti). Er is voor hem noch het aannemen van een zelf (attā'ti gahanam), noch iets dat af te wijzen is (nirattā'ti rnuñcitabbam) door (nihilistisch) verwerpen. Voor wie er een aanname (of conceptuele bevestiging) is, voor hem is er ook iets af te wijzen (conceptuele ontkenning). Voor wie er iets af te wijzen is, voor hem is er ook iets aan te nemen. De heilige echter heeft aannemen en afwijzen (gahanamuñcana) helemaal overwonnen, hij is bovenuit toenemen en afnemen, (vooruitgang en achteruitgang, positief en negatief).

{22} alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, gehechtheid leidt tot twistgesprekken over visies. Hoe kan men spreken over iemand die niet gehecht is! Voor hem is er noch zelf-visie noch niet-zelf-visie. Hij heeft alle visies afgeworpen.’

________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:06 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #6 Gepost op: 14-03-2019 13:48 »
Sn.IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka Sutta - zuiverheid


788. “Ik zie wat gezuiverd is, het hoogste, zonder ziektes. Zuiverheid komt tot iemand door middel van wat hij heeft gezien en waargenomen.” Als iemand dit zo inziet{1} en meent te weten: “Het is het hoogste, ik ben een ziener van de gezuiverden,” dan gelooft hij dat kennis leidt tot zuiverheid.{2} {3}

789. Indien zuiverheid tot iemand zou komen door wat hij heeft gezien, of indien hij ellende zou opgeven door middel van kennis, dan zou hij die aanwinsten heeft welke naar wedergeboorte leiden,{4} gezuiverd worden door iets ander dan het edele pad. Maar dat is slechts een mening van degenen die zo spreken.{5}

790.De [ware] brahmaan zegt niet dat zuiverheid komt van iets anders (dan het heilige pad), of dat ze is in wat is gezien en gehoord, in deugdzaam gedrag en geloften, of in wat op een andere manier is waargenomen.{6} Niet hechtend aan verdienste of kwaad, geeft hij op wat eens was opgenomen, en maakt niets meer hier pasklaar.{7} {8}

791. Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend, de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden. Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap die de ene tak loslaat en de andere pakt.{9} {10}0

792. Iemand die zelf geloften opneemt, gehecht aan gevoelens, emoties, gaat hoog en laag. Maar degene die weet, degene met grote wijsheid, gaat niet hoog en laag; hij heeft de leer begrepen door middel van de kennis van de weg.{11}
   
793. Hij is niet geassocieerd met enig mentaal verschijnsel, of met wat is gezien of gehoord of gedacht. Hoe zou iemand hier in de wereld twijfel kunnen hebben over hem, wanneer hij een dergelijk inzicht heeft en zich open gedraagt?

794. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur, zij zeggen niet: “Dit is de hoogste zuiverheid.” De knoop van hechten losmakend, welke knoop is gebonden, vormen zij geen verlangen naar iets in de wereld.

795. De brahmaan is aan gene zijde van grenzen gegaan. Wetende of iets ziende, heeft hij het niet vastgegrepen. Hij is niet door passie gepassioneerd; hij is niet gehecht aan het passieloze. Door hem wordt hier niets meer vastgegrepen.

_____
Noten

{1} ‘inziet’. MNidd  "Men meent dat het zien van vormen door het zienbewustzijn ‘inzicht’ is, ‘de weg’ is, ‘het pad’, ‘de bevrijding’.”

{2} Nyanaponika vertaalde: "Ik zie iemand die zuiver is, volledig vrij van ziekten. Door diens aanblik krijgt de mens zuiverheid.” Als men hiervan zeker is, het voor het hoogste houdt, zuiverheid beschouwend, dan meent men dat dit inzicht is.

{3} Het commentaar geeft als uitleg de legendaire geschiedenis van een jonge man vanuit wiens borst stralen kwamen. De brahmanen gingen met hem door het hele land en lieten hem door de mensen vereren. Zij beweerden dat zijn aanblik roem, rijkdom en hemelse wedergeboorte bracht.
    Zo lang als er geen andere gegronde uitleg voor het begin van dit sutta is, moet men wel daarin het commentaar volgen, dat men als beginpunt van dit en ook van het volgende sutta inderdaad het volksgeloof aanneemt ten gevolge waarvan bepaalde mensen of dingen het horen van bepaalde geluiden of woorden enz als gelukbrengend of onheilbrengend beschouwen. Het  Maha Niddesa geeft bij vers 790 voorbeelden hiervoor. - Hoe het hiermee ook gesteld is, zo keert zich in ieder geval deze en de volgende tekst in het algemeen tegen elke bevangenheid bij de waarneming (zie vers 792) en tegen de uit waarnemingen afgeleide speculatieve meningen.

{4} Nyanaponika: ‘die aan het leven gehecht is’

{5} Norman: ‘Want deze visie verraadt hem als hij zo spreekt.’ - Alternatieve vertaling: ‘Want de valse visie verklaart hem als een persoon die zo spreekt.’

{6} ‘op een andere manier waargenomen’  (mutam = Pali en Skr. mata, gedacht, vermoed; maar ook, zoals hier:  waargenomen. Hiermee worden de drie andere lichamelijke zintuigen (ruiken, proeven, aanraken) omschreven.

{7} ‘en maakt niets meer pasklaar.’ Nyanaponika: ‘en laat zich niet meer in tot nieuw handelen.’ - MNidd: "Hij produceert geen goede, noch slechte noch onbeweeglijke kamma-formaties.”

{8} Alternatieve vertaling: ‘De brahmaan die niet gehecht is aan goed of kwaad, die zelf-visie (inclusief niet-zelf-visie) heeft opgegeven, die hier niet construeert (d.w.z. geen goed of kwaad ophoopt), legt zuiverheid niet uit op een andere manier door wat is gezien, gehoord, in deugdzaam gedrag of geloften, of door wat is gevoeld.’

{9} Norman vertaalde: ‘Opgevende hun vroegere leraar, zijn zij afhankelijk van een andere. Degenen die onder de invloed zijn van lust overwinnen gehechtheid niet. Zij pakken op en laten gaan als een aap die een tak loslaat na die vastgepakt te hebben.’ -

{10} alternatieve vertaling: ‘Gehecht zijnde aan zins-waarnemingen gaat hij op en neer. Maar de wijze mens, degene met rijkelijke wijsheid, gaat niet heen en weer, de waarheid gerealiseerd te hebben door middel van de kennis van de wegen.’

{11} Zich hechten aan iets, wat dan ook, is (oorzaak voor) lijden. Zich nergens aan hechten betekent vrijheid.
__________

Met vriendelijke groet
Nico

« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 13:51 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #7 Gepost op: 14-03-2019 17:55 »
Sn.IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka Sutta - het hoogste

796. Wanneer iemand bij zijn eigen visies blijft en denkt: “Dit is het hoogste,” dan acht hij dit als het beste in de wereld. En hij zegt dat alle andere visies lager zijn. Daarom heeft hij twistgesprekken niet overwonnen.{1}

797. Welk voordeel hij voor zichzelf ziet in wat gezien en gehoord is, in deugdzaam gedrag en geloften, of in datgene wat op een andere manier is waargenomen, juist naar dat ding grijpt hij en ziet al het andere als geringer.

798. Deskundigen noemen die visie een band,{2} wanneer men vanuit het eigen standpunt een ander standpunt geringschat.{3} Laat een bhikkhu daarom niet afhankelijk zijn van iets dat gezien, gehoord of op een andere manier is waargenomen, of van deugdzaam gedrag en geloften.

799. Noch laat hij een visie vormen in de wereld vanwege kennis of deugdzaam gedrag of geloften.{4} Laat hij zichzelf niet vergelijken als gelijk, noch laat hij denken aan zichzelf als geringer of beter.

800. Opgevende wat is opgenomen, en het niet meer opnemende,{5} laat hij zelfs niet van kennis (weten) afhankelijk zijn. Waarlijk, hij volgt geen pasklaar gemaakte visie onder degenen die verschillende visies hebben. Hij gelooft geen enkele visie.
 
801. Voor hem die geen verlangen heeft naar hernieuwd bestaan hier of hiernamaals,{6} voor hem zijn er na overweging bij leerstellingen geen visies waaraan hij hecht.

802. Bij hem is hier zelfs geen kleine mening gevormd met betrekking tot wat is gezien, gehoord of op een andere manier waargenomen. Hoe kan iemand hier in de wereld twijfels hebben over die ware brahmaan{7} die geen visies aanneemt.

803. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur. Noch hechten zij aan leerstellingen.{8} Een brahmaan moet niet afgeleid worden door deugdzaam gedrag of geloften. Wanneer hij naar de andere oever is gegaan, komt zo iemand niet meer terug.{9} {10}
__________

Noten

{1} Het commentaar citeert hier de bekende gelijkenis van de blinden die een olifant beschrijven aan de hand van de door hen aangeraakte lichaamsdelen.

{2} een band (gantham), door Nyanaponika vertaald met: ‘beperkt denken;’ vergelijk de innerlijke boei of band door dogmatisme (idamsaccabhiniveso gantho).

{3} letterlijk: ‘dat men (op het ene) leunend (nissito), iets anders als minder waard acht. Commentaar: leunend op de eigen leraar, diens leringen, enz.’

{4} MNidd gaat terug op niet overgeleverde, op de zuivering door waarneming van de zintuigen uitgaande zelf gevormde meningen, geput uit het weten van meditatieve waarnemingen, magische krachten, uit verkeerd denken, uit regels en rituelen (zelf geschapen of willekeurig geïnterpreteerd). Dit sluit dus ook in de pogingen van vorming van een eigen religie of sekte.

{5} Commentaar: ‘Datgene wat hij vroeger had opgenomen (gahitam), geeft hij op en grijpt niets anders.’

{6} Nyanaponika vertaalde: ‘naar beide einden.

{7} Nyanaponika: ‘Waarin hier in de wereld zou men de priester kunnen insluiten’

{8} (verkeerde) leerstellingen; MNidd: de 62 verkeerde visies. [Zie Digha Nikaya 1].

{9} ‘komt niet meer terug’ (na pacceti), d.w.z. hij keert niet meer terug naar de overwonnen hartstochten en zwakheden en ook niet naar piekeren, meningen, enz.

{10} Nyanaponika: ‘Zij denken niets uit, en volgen geen idolen, noch nemen zij zulke verkeerde leerstellingen aan. En ook aan regels, rituelen en geloften kan men de ware priester niet herkennen. Als hij bevrijd is, valt de heilige nooit meer terug.’
__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #8 Gepost op: 16-03-2019 08:37 »
Sn. IV.6. verzen 804- 813.  Jarā-Sutta - ouderdom


804. Waarlijk, dit leven is kort. Men sterft voordat honderd jaren om zijn. En ook als men langer blijft leven, dan sterft men toch aan ouderdom.

805. Mensen treuren om ‘hun’ geliefde dingen, maar geen enkel bezit is blijvend.{1} Wanneer men ziet dat verandering en het gescheiden worden daadwerkelijk bestaan,{2} laat men dan niet een leven in het huis leiden.
 
806. Wat iemand als ‘mijn’ beschouwt, ook dat verdwijnt met de dood.{3} Wanneer een volgeling van mij dit heeft ingezien, neigt hij niet meer naar de ‘mijn’-gedachte.{4}

807. Juist zoals iemand die ontwaakt is, niet ziet wat hij in een droom zag, juist zo ziet men geen geliefde mensen wanneer zij dood en heengegaan zijn.
 
808. Die mensen die men zag en hoorde, wier naam ‘zus of zo’ was, wanneer zij zijn gestorven zal alleen hun naam overblijven om uitgesproken te worden.{5}

809. Verdriet, geweeklaag en hebzucht wijken niet van hen die begerig zijn naar geliefde dingen.{6} Daarom geeft de wijze elk bezit op en gaat hij weg, omdat hij de enige veiligheid ziet.{7}

810. Een bhikkhu die ingetogen op een afgelegen woonplek verblijft, van hem zegt men dat het voor hem het juiste is dat hij zichzelf niet meer in het bestaan toont.{8}

811. Nergens van afhankelijk houdt een wijze niets als aangenaam of onaangenaam. Geweeklaag en hebzucht hechten niet aan hem vast, net zomin als water aan een lotusblad hecht.

812. Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan steeds nieuw bestaan, hetzij hier hetzij ginder, noch aan wat gezien, gehoord of op een andere manier vernomen is.{9}

813. Wie afgeschud heeft, koestert geen meningen bij alwat gezien, gehoord of op een andere manier vernomen is. Hij zoekt geen andere zuivering dan het edele pad. Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets.{10} {11}
_____
{1} Vgl. M.22.

{2} alternatieve vertaling: ‘onvermijdbaar is’. - Nyanaponika vertaalde: ‘In de verandering slechts heeft deze wereld bestand.’ - Het MNidd: "Door verandering en wijziging van de respectievelijke vroegere groepen van bestaan (khandha), elementen (dhātu) en grondslagen van de zintuigen (āyatana) bestaan de latere groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen."

{3} MNidd citeert hierbij de volgende verzen uit Jātaka 351:
     ‘Of de schatten van de sterfelijke eerder verdwijnen, of dat de sterfelijke voordien sterft,
weet, gij dwaas, dat schatten niet blijvend zijn. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.
     De maan komt op, wordt rond en verdwijnt; de zon gloeit en snelt naar het ondergaan. Zo heb ik de loop der dingen gezien. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.’
 
{4} Norman vertaalde: ‘Dit inderdaad wetende, laat een wijs iemand, een volgeling van mij, niet geneigd zijn naar bezittingen.’

{5} Nyanaponika vertaalde: ‘zal alleen hun naam overblijven als verkondiger van gestorven mensen.’

{6} Nyanaponika vertaalde: ‘eigendom.’

{7} Commentaar: ‘De veiligheid is het doodloze, Nibbāna.

{8} Norman vertaalde: ‘dat hij zichzelf niet in enig oord vertoont.’ -  Alternatieve vertaling: ‘dat hij zichzelf niet toont in een oord van bestaan.’

{9} Norman vertaalde: ‘Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan wat gezien of gehoord of gedacht is.’

{10} Norman vertaalde: ‘Daarom denkt een gezuiverde niet dat zuiverheid is door middel van wat gezien, gehoord of gedacht is; noch wenst hij zuiverheid door iets anders. Hij heeft geen verlangen naar iets noch afkeer van iets.’

{11} ‘Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets’ (na hi so rajjati noirajjati). - MNidd: "De ‘dwaze wereldlingen’ (bālaputhujjana) hebben verlangen naar iets, de ‘edele wereldlingen’ (kalyānaputhujjana) en de zeven ‘die nog moeten oefenen‘ (sekha) ondervinden afkeer; de volmaakte heilige heeft geen verlangen, noch ondervindt hij afkeer.”

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #9 Gepost op: 19-03-2019 08:58 »
Sn.IV.8. (verzen 824-834) Pasūra Sutta

824.  “Hier alleen is zuiverheid,” zeggen ze. Zij ontkennen dat zuiverheid [ook] in andere leerstellingen is.
Waaraan zij gehecht zijn, noemen velen ‘goed’, de velen die zich vastleggen op een enkele waarheid.{1} {2}

825.  Verlangend naar twistgesprek, zich in de bijeenkomst stortend, beschouwen zij elkaar wederkerig als dwazen.
Omdat zij van mening verschillen, voeren zij een twistgesprek, begerig naar lofprijzing, met de woorden dat zij deskundigen zijn.

826.  Wie graag een discussie voert in het midden van de bijeenkomst en naar lofprijzing verlangt, is bang voor een nederlaag.
Als zijn argument is verworpen, dan wordt hij neerslachtig. Boos vanwege de kritiek die hij kreeg, zoekt hij zwakke punten bij anderen.
 
827.  Indien iemands argument als inferieur beoordeeld wordt en verworpen, dan klaagt de verslagene en hij is bedroefd. Hij treurt: ‘Hij heeft me overwonnen.’

828.  Dergelijke twistgesprekken zijn ontstaan onder de (andere) asceten. Onder hen is de verheffing van overwinning en de depressie van verslagen zijn.
Dit ziende, laat men twistgesprekken vermijden. Want het enige doel ervan is lofprijzing en voordeel.{3}

829.  Indien hij anderzijds daar geprezen is, als hij in het midden van de bijeenkomst een goede toespraak heeft gehouden over het twistpunt, dan lacht hij blij daarover en is hoogmoedig omdat hij het doel heeft bereikt wat zijn bedoeling was. {4}

830.  Die opgetogenheid zal de oorzaak zijn voor verstoring bij hem,{5} maar desondanks praat hij trots en met eigendunk. Dit ziende, laat men niet redetwisten, want de deskundigen zeggen dat zuiverheid daardoor niet verkregen wordt.

831.  Wanneer jou een held die leeft van koninklijke soldij, donderend{6} nadert en naar een tegenstander verlangt,{7} ga dan daarheen waar die tegenstander is, o held. Voor mij evenwel was eerder al de strijd voorbij.{8}

832.  Indien iemand een visie heeft opgenomen, en zegt: “Alleen dit is waar,” zeg dan, wanneer een discussie is ontstaan, tegen hem: ‘Er zal geen tegenstander voor jou zijn hier.’

833.  Maar bij degenen die zich met geen enkele kant verbinden, die niet de ene visie tegen de andere zetten, welke tegenstander, Pasūra, zou je van zulke mensen kunnen krijgen? Door hen is hier niets meer vastgegrepen.

834.  En nu ben je al piekerend {9} hierheen gekomen en overdenk je theorieën in je geest. Je bent in contact gekomen met een gezuiverd man. Maar je zult niet in staat zijn om met hem verder te gaan.”

Noten

{1} enkele waarheid (pacceka-sacca); vgl. Ang. Nik. X.20, [waarin gesproken wordt over ‘panunna-paccekasacco,' degene die ‘bijzondere waarheden’  verworpen heeft; d.w.z. eenzijdige, subjectieve visies.
De dogma’s zoals “De wereld is eeuwig,” of “de wereld is tijdelijk,” “de wereld is eindig,” of “de wereld is oneindig,” “de ziel is gelijk aan het lichaam,” of “de ziel is verschillend van het lichaam,” “de Volmaakte bestaat na de dood,” of “ de Volmaakte bestaat niet na de dood,” of “de Volmaakte bestaat en bestaat niet na de dood,” - van deze en dergelijke dogma's heeft men zich vrij gemaakt. (A.x.20)]

{2} Norman vertaalde:’Met te zeggen dat het goede in datgene is waarvan zij afhankelijk zijn, zijn veel mensen ingeworteld in hun verscheidene waarheden.’

{3} Nyanaponika vertaalde: ‘want er is geen enkel voordeel bij het krijgen van lofprijzing.’

{4} Nyanaponika vertaalde: ‘... en is hoogmoedig. Heeft hij dit doel bereikt, dan is zijn hart tevreden.’

{5} namelijk wanneer de hoogmoed door een nederlaag vernederd wordt.

{6} donderend, d.w.z. luid roepend

{7} tegenstander (patisūra), letterlijk: tegen-held, dit is de tegenstander in de wedstrijd van de helden of gladiatoren. Dit en sūra (held) in de vorige en volgende regel zijn toespelingen op de naam van de strijdlustige redenaar, Pasūra.

{8} Norman vertaalde: ‘Waarlijk, er is niets meer overgelaten om hier tegen te vechten.’

      Het Maha Niddesa: "sinds de Verlichting onder de Bodhi-boom zijn voor mij alle te bestrijden bevlekkingen overwonnen.”

{9} piekerend - het Maha Niddesa: "nadenkend over de afloop van het twistgesprek, en ook hoe de discussie gevoerd zou kunnen worden: met antwoord, tegenvraag enz.”
_____
Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #10 Gepost op: 20-03-2019 17:13 »
Sn. IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta - Strijd en tweedracht

862 (De vragende)
     “Vanwaar zijn ruzie en tweedracht ontstaan, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat? Leg mij dat a.u.b. uit.”

863 (De Verhevene)
     “Uit wat dierbaar is,{1} ontstaan ruzie en tweedracht, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat. Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht, en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat.”

864 (vraag)
     “Wat dierbaar is in de wereld, waaruit stamt het, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn? Vanwaar stammen wens en vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn?” {2}

865 (De Verhevene)
      “Uit het verlangen{3} stamt wat dierbaar is in de wereld, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn. Daaruit ontstaan wens en de vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn.”

866 (vraag)
     “Vanwaar stamt het verlangen in de wereld, vanwaar is de vorming van oordelen ontstaan? Vanwaar stammen woede, leugens en twijfel en ook andere dingen die de Asceet{4} verkondigt?”

867 (De Verhevene)
     “Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst", daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan. Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen,dan vormt de mens zich oordelen.{5}

868
     De woede, leugens en twijfel, ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.{6} Degene die twijfelt, moet voortgaan op het pad van weten. Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.”{7}

869 (vraag)
     “'Gewenst' en 'ongewenst' – vanwaar stammen deze? Wanneer wat niet aanwezig is, zijn ook deze twee niet aanwezig? Toon mij het verdwijnen en het ontstaan ervan, verkondig het mij en vanwaar ze afstammen.”

870 (De Verhevene)
     “'Gewenst' en 'ongewenst' stammen van de zintuiglijke indruk.{8} Wanneer er geen zintuiglijke indruk is, zijn ook die twee niet aanwezig. Het verdwijnen en ontstaan ervan stamt daar vandaan. Zo verkondig ik.”

871 (vraag)
     “Vanwaar stamt de zintuiglijke indruk in de wereld? Vanwaar is het grijpen{9} (naar de wereld) ontstaan? Wanneer wat niet aanwezig is, is er geen mijn-gedachte? Wanneer wat verdwenen is, kan indruk geen contact maken?”

872 (De Verhevene)
     “Door lichaam en geest is de indruk veroorzaakt. Uit wensen stamt het grijpen (naar de wereld). Wanneer er geen wensen zijn, zijn er geen mijn-gedachten, wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is, kan indruk geen contact maken.”{10}

873 (vraag)
     “Hoe geaard is iemand bij wie de lichamelijke wereld tot verdwijnen komt? Of vreugdig of ellendig, hoe komt zij tot verdwijnen? Verkondig mij a.u.b. hoe dit alles verdwijnt. 'O, konden wij het toch inzien,' zo verlangt mijn hart.”

874 (De Verhevene)
     “Niet heeft hij het gewone bewustzijn, noch is het ziekelijk. Hij is niet onbewust, noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn.Voor degene die aldus geaard is, wordt de lichamelijke wereld opgeheven. Want uit het bewustzijn ontstaat de veelheidswereld in haar onderdelen.” {11}

875 (vraag)
     “Wat wij hebben gevraagd, hebt u ons verkondigd. Iets anders vraag ik u, verkondig ook dit. Er zijn enige wijzen die onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is.{12} Zijn er ook zulke mensen die het anders verkondigen?”

876 (De Verhevene)
     “In zoverre er enige wijzen onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is, zo zijn er ook zulke die als kenner gelden, die de vernietiging onderwijzen zonder rest.

877
     Bevangen zijn zij, - zo herkent men deze. Als onderzoeker kent de wijze hun steunpilaren.{13} En door het kennen ervan zal de vrije persoon niet strijden.{14} De wijze gaat niet van zijn naar opnieuw zijn.”


__________

Noten

{1} d.w.z. uit dierbare objecten, hetzij personen of dingen.

{2} ye samparāyāya narassa honti. - Samparāya betekent meestal de toekomstige bestemming van de mens, d.w.z. zijn volgende bestaansvorm. Het Mahāniddesa legt het hier uit met parāyana (doel), sarana (toevlucht), etc., en voegt toe: "De mens heeft (wens-)vervulling als doel (naro nitthā-parāyano hoti).”

3} Verlangen (chanda); hier niet als de neutrale geestelijke factor “wil” of “bedoeling” te verstaan, maar volgens het Mahāniddesa, als kāmacchanda, (zinsverlangen).

4} Asceet, dit is de Boeddha.

5} Dan bepaalt de mens wat de waarde van iets of iemand is. - Wanneer de mens het ontstaan van een gewenste lichamelijke gebeurtenis of het vergaan van een ongewenste gebeurtenis ondervindt, dan velt hij het oordeel: 'Dit is goed.' Ondervindt hij het vergaan van een gewenste gebeurtenis, of het ontstaan van een ongewenste gebeurtenis, dan oordeelt hij: 'Dat is slecht.' Het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen oordelen ontstaan door begeerte, en oordelen ontstaan door visies (tanhāditthi-vinicchaya): Wanneer bijvoorbeeld iemand geen nieuw bezit krijgt en verkregen bezit bij hem verdwijnt, dan vraagt hij naar de oorzaak ervan en komt tot het oordeel: 'Wegens mijn overgave aan drank, dobbelspel, traagheid enz.' Dit is een oordeel dat bepaald is door begeerte, veroorzaakt door het ontstaan en vergaan van lichamelijke dingen. – Wanneer bijvoorbeeld zien-vermogen is ontstaan, dan oordeelt men: 'Mijn ik is ontstaan;' wanneer het verdwijnt, dan oordeelt men: 'Mijn ik is verdwenen.' Dit is een oordeel dat bepaald is door verkeerde visie, veroorzaakt door het ontstaan en verdwijnen van lichamelijke dingen.

{6} Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.

{7} De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.

{8} Dit is een schakel in de keten van oorzakelijk ontstaan (paticca samuppada): 'door zintuiglijke indruk veroorzaakt is gevoel.' (phassapaccayā vedanā).

{9} Grijpen (pariggaha); het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeerte of verkeerde visies. Het gaat hier dus om het geestelijke grijpen naar de waarneming, het be-grijpen ervan door be-grippen, die ofwel door begeerte of door theorieën vervalst zijn en zo de waarneming met verkeerde waarderingen voorzien en verkeerd weergeven.

{10} Wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is (rūpe vibhūte). Het hier bedoelde 'lichamelijke' (rūpa) wordt in het Mahāniddesa omschreven als 'de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen (die ook de zinsobjecten insluiten).'

Het Mahāniddesa: Door vier oorzaken kan lichamelijkheid verdwijnen: door verdwijnen in herkennen (ñāta-vibhūta), door verdwijnen in het onderzoeken (tīrana-vibhūta), door verdwijnen in het opgeven (pahāna-vibhūta), door verdwijnen in het overschrijden (samatikkama-vibhūta).

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het herkennen? Men weet dat alles wat lichamelijkheid is, in de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen bestaat.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het onderzoeken? De zodanig herkende lichamelijkheid onderzoekt men in vergankelijkheid ervan, het niet bevredigende ervan, de onpersoonlijkheid ervan.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het opgeven? Na een dergelijk onderzoek geeft men het verlangen en de hebberigheid naar de lichamelijkheid op.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid door overschrijden? Voor degene die de vier onstoffelijke meditatieve sferen (arūpa-samāpatti) heeft verkregen, zijn de lichamelijke dingen (inclusief die van de fijnstoffelijke sfeer) verdwenen, te niet gemaakt, overschreden, volledig overschreden, overwonnen (vibhūtā vibhāvita atikkantā samatikkantā vītivattā).

{11} Dit is een moeilijk vers, dat verschillende problemen opwerpt. Vooraf moet vermeld worden dat het daarin herhaaldelijk voorkomende begrip saññā (waarneming) hier als vertegenwoordiger voor bewustzijn in het algemeen staat, zoals ook in asaññā-satta, nevasaññā-nāsaññāyatana en andere.

Niet heeft hij het gewone bewustzijn (na sañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij bevindt zich niet in de natuurlijke of gewone bewustzijnstoestand (pakati-saññā).'

Noch is het ziekelijk (na visañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet waanzinnig noch geestelijk gestoord.'

Hij is niet onbewust (na asaññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet ingetreden in de toestand van de opheffing (van waarneming en gevoel, nirodhasamāpatti), noch is hij een onbewust wezen.'

Noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn, als vrije weergave van vibhūta-saññī, dat waarschijnlijk een afkorting is van vibhūta-rūpa-saññī. Dit wil zeggen dat hij niet iemand is wiens bewustzijn bij het lichamelijke en fijnstoffelijke verdwenen is. - Het Mahāniddesa: 'Hij heeft niet deel aan de vier onlichamelijke meditatie-toestanden (na pi so catunnam arūpasamāpattīnam lābhī).

Want uit het bewustzijn stamt de veelheidswereld in haar delen (saññā-nidāna hi papañca-samkhā). Zie hierover Maj.Nik. 18 (Madhupindika-Sutta).(MN. II. 18 ) Deze leerrede kan als commentaar bij dit vers dienen. -[In het kort is deze leerrede hierna opgenomen.]

{12} Het toppunt (aggam) wordt in het Mahāniddesa als de onstoffelijke meditatieve verdiepingen uitgelegd. In het bijzonder is aan het gebied van noch waarneming noch niet waarneming te denken.

{13} Steunpilaren (nissaye): hiermee zullen vooral de steunpilaren in het begeren en theoretiseren (tanhāditthi-nissaya) bedoeld zijn.

{14} Het Mahāniddesa citeert hiertoe Maj.Nik. 74 (MN.VIII.4): "De monnik wiens geest zo bevrijd is, keurt niemand goed en maakt ook geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan."



M.18. (M.II.8 ) Madhupindika sutta


     In het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Verhevene ging er naar de stad om aalmoezen te vergaren. Hij ging van huis tot huis, kreeg aalmoezen en keerde weer naar het park terug. Hij at de maaltijd en ging naar het Grote Bos. Binnen in dat bos ging hij onder een groep van citroenappelbomen zitten om er de dag tot aan de zonsondergang door te brengen.

     De Sakka-prins Dandapāni wandelde ook naar dat bos en kwam tot bij de Verhevene. Hij groette hem vriendelijk en vroeg wat de asceet onderwees. “Ik verkondig dat de bekenner in deze wereld door niets uit zijn doen geraakt, en dat de heilige die geen vragen meer stelt, die elke ontstemming vernietigd heeft, niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. Waarnemingen hechten niet meer aan hem. Dat verkondig ik."
     Met gefronste wenkbrauwen ging de prins weg.

     ’s Avonds keerde de Verhevene na de meditatie naar het park van de vijgenbomen terug. Hij vertelde er aan de monniken wat er gebeurd was. Een monnik vroeg nadere uitleg.

     De Boeddha: “Als de waarnemingen bij iemand verschijnen en als hij er geen behagen in schept, als ze niet meer aan hem hechten, dat is het einde van hechten van begeerte, is het einde van hechten van afkeer, is het einde van hechten van meningen, is het einde van hechten van twijfel, waan, bestaan, niet-weten, tekeergaan en bloedvergieten, oorlog en tweedracht, ruzie en strijd, liegen en bedriegen. Daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.” Na deze woorden vertrok hij.

     De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Mahākaccāna en vroegen hem de inhoud van die korte lering nader uit te leggen. De eerwaarde Mahākaccāna legde de lering toen als volgt uit.

     "Door het gezichtsorgaan en de vormen ontstaat het zien-bewustzijn. Door samenkomst van die drie ontstaat aanraking. Door aanraking ontstaat gevoel. Door gevoel ontstaat waarneming. Wat men waarneemt, daarover denkt men na. Men maakt onderscheid. En dan volgt het afzonderen. Wat men afzondert, verschijnt aan de mens als waarnemingen van bijzonderheid die betrekking hebben op vormen van vroegere, tegenwoordige en toekomstige tijden, welke vormen door het zien-bewustzijn waarneembaar zijn.

     Evenzo met gehoor – geluiden – hoorbewustzijn. Evenzo met ruikorgaan – geuren – ruikbewustzijn. Evenzo met smaakorgaan – smaken – smaakbewustzijn. Evenzo met de geest - gedachten en ideeën – denkbewustzijn.

     Als er gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn is, dan volgt aanraking, dan gevoel, dan waarneming, dan onderscheid.

     Evenzo met gehoor, ruikorgaan, smaakorgaan, aanraking, denken.

     Als gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming, geen onderscheid.”

     De eerwaarde Mahākaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahākaccāna onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāna voor diens wijsheid en keurde alles goed.
__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 20-03-2019 17:21 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 881
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #11 Gepost op: Vandaag om 11:58 »
Sn.IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya Sutta

     Volgens het commentaar vertoefde de Boeddha eens in een bos. Der brahmaan Māgandiya ontmoette de Verhevene daar en bood hem zijn dochter ten huwelijk aan. De Boeddha wees haar af met het volgende vers.{1}

835. (De Gezegende)
     “Gezien heb ik Tanhā, Arati und Rāgā, {2} maar er kwam geen enkel verlangen naar seksuele omgang. Wat is dit werkelijk, vol met urine en uitwerpselen? Ik zou haar zelfs niet met mijn voet willen aanraken.”


836. (Māgandiya)
     “Indien jij zo’n juweel niet wenst, een vrouw naar wie veel koningen verlangen, welke soort van visie verkondig jij dan, overeenkomstig welk deugdzaam gedrag en geloften voer jij je leven en welke vorm van bestaan verkondig jij als doel?”

837.  De Gezegende
     “Māgandiya, niets uit de leerstellingen is door mij vastgegrepen waarvan ik zou kunnen zeggen: ‘Dit verkondig ik.’ Maar de leerstellingen doorgrondend, niet vastgrijpend, zag ik de innerlijke vrede.”

838.  Māgandiya
     “Die beslissingen die gevormd zijn, jij, wijze, spreekt er inderdaad over zonder eraan vast te grijpen. Dat ding genoemd innerlijke vrede, hoe is het door de wijze verkondigd?{3}

839.  De Gezegende
      “Men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, Māgandiya. En ook niet door de afwezigheid van visie, van leren, van kennis,{4} van deugdzaam gedrag, of geloften.
En deze opzij zettend, zonder hechten,{5} gekalmeerd (in vrede), niet afhankelijk, zal men naar geen bestaan meer verlangen.”

840.  Māgandiya
     “Indien men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, noch door afwezigheid ervan, dan denk ik dat die leer inderdaad verward is. Sommigen zijn van mening dat zuiverheid is door middel van visie.”


841.  De Gezegende
     “Afhankelijk van visie stel je vraag na vraag,  Māgandiya. Door je vooroordelen kwam je in verwarring. Van datgene waarover ik spreek,{6} heb je zelfs niet de geringste notie. Daarom beschouw je deze leer als verward.

842.  Alwie zichzelf gelijk, hoger of lager acht, die zal op grond daarvan een twistgesprek voeren. Maar iemand die onaangetast{7} is in de drie vormen van eigenwaan - voor hem is er geen ‘gelijk’ of ‘hoger’.

843.  Waarom zou die brahmaan zeggen: ‘Het is waar.’ Of met wie zou hij een twistgesprek voeren met de woorden: ‘Het is verkeerd.’ In wie er geen idee is van gelijk zijn of ongelijk, met wie zou hij in een twistgesprek komen?

844.  Het huis verlatend, thuisloos levend, geen bindingen maken in een dorp, vrij van zinnelijke genietingen, geen voorkeur tonende,{8} laat een wijze zich niet bezighouden met meningsuitingen met het volk.{9}

845.  Laat een groot man niet vastgrijpen aan en niet discussiëren over die visies, vrij waarvan hij in de wereld leeft. Juist zoals een lotus met een doornige stengel {10} die in het water groeit, door water en modder niet bezoedeld is, zo is een wijze die vrede verkondigd, niet begerig, onbezoedeld door zintuiglijk genot en de wereld.{11}

846.  Iemand die kennis heeft, wordt niet trots vanwege de visie of mening van iemand anders,{12} want dat is niet zijn aard. Hij kan niet meer beïnvloed worden door acties of door leren; hij wordt niet meer geleid door visies en gewoontes.{13}

847.  Wie zich heeft ontdaan van slecht denken, voor hem zijn er geen boeien.{14} En wie bevrijd is in wijsheid,{15} hij maakt zich geen voorstelling van iets. Maar degenen die slecht denken en visie in zich hebben opgenomen, zij leven in de wereld en botsen samen in ruzie.{16} {17}
 
__________

Noten

{1} Norman 1983 p. 69

{2} Dit zijn de drie dochters van Māra (begeerte, onbevredigdheid, en verlangen), die naar de Boeddha waren gekomen in de nacht van de Ontwaking, volmaakte Verlichting, om hem te verleiden. [m.a.w. voordat de Verhevene de volledige Verlichting verwerkelijkte, kwamen nog verleidelijke gedachten bij hem op.]

{3} De zin van Māgandiyas vraag kan zijn: “jij wijst de uitspraken en waarde-oordelen van de verschillende visies en filosofieen af. Maar is niet ook de ‘innerlijke vrede’ waarvan jij spreekt, aan waarde-oordelen van het inzicht en van de levenswijze gebonden of hoe wil je dat anders uitleggen?” De Boeddha antwoordt dan met de schijnbare paradox van vers 839.

{4} Het Maha Niddesa: "Ook visie (ditthi) ist het wensen waard, namelijk de juiste visie (sammā-ditthi) op de volgende tienvoudige manier: ‘Er zijn gaven, offergaven en giften; er is een vrucht en  gevolg van goede en slechte daden; er is deze en  gene wereld en vader en moeder; er zijn godheden; er zijn in de wereld asceten die in volmaaktheid zich gedragen, die in volmaaktheid leven, die deze en gene wereld verkondigen, nadat zij ze zelf hebben begrepen en ervaren.’
   
     Ook weten (savana) is het wensen waard: het (belerende) woord van iemand anders; de leerreden, gemengde vers- en proza-teksten enz. (d.w.z. de traditionele negen delen van de canonieke leer van de Boeddha.)

     Ook inzicht (ñāna) is het wensen waard: het inzicht van de eigenschap van het handelen; het met de edele waarheden overeenkomende inzicht, het inzicht dat verbonden is met de hogere geestelijke vaardigheden en met de meditatieve bereikingstoestanden.

     Ook regels (sīla) zijn het wensen waard: de beteugeling in de regels van de Orde.

     Ook geloften (vata) zijn het wensen waard: de acht regels van zuivering (dhutanga), namelijk die van de bos-asceet, van de aalmoezen-ontvanger, van de drager van een gewaad uit lompen, van de drager van drie gewaden, van degene die van huis tot huis gaat, van degene die latere maaltijden weigert, van degene die steeds staat, van degene die met elke slaapplaats tevreden is.

     De innerlijke vrede wordt niet bereikt door juiste visie alleen, door weten alleen, enz., maar ook niet zonder deze dingen kan men hem bereiken. Deze dingen zijn veeleer hulpmiddelen om de innerlijke vrede te bereiken, te ondervinden, te verwerkelijken.”

{5} Volgens het commentaar moet onder ‘deze’ verstaan worden: de verkeerde visies, het verkeerde weten, enz., terwijl het volgende betrekking heeft op de juiste visies, het juiste weten enz., aan welke men zich evenmin moet hechten.

{6} namelijk over de innerlijke vrede.

{7} Norman: ‘onwrikbaar’

{8} Nyanaponika vertaalde: ’niet naar het toekomstige verlangend (apurekkharāno); letterlijk: niet anticiperend, - namelijk toekomstwensen: "Moge mijn lichaam, mijn gevoel enz. zo zijn.’

{9} Dit vers werd door Mahā-Kaccana in Samyutta-Nikāya 22, 3 uitgelegd. Het Maha Niddesa brengt dit sutta volledig in plaats van eigen uitleg.

{10} alternatieve vertaling : ‘ Een groot man die zichzelf in de wereld vrij van die visies gedraagt, discussieert niet, ze vastgrijpende, hij pakt ze niet alweer op. Juist zoals een lotus met een ruwe stengel ...’

{11} alternatieve vertaling: ‘[vormen van] bestaan; woonplaatsen.

{12} na ditthiyā na mutiyā. Voor ditthiyā geeft het Maha Niddesa maar een enkele uitleg: ‘vanwege de 62 verkeerde visies’; voor mutiyā zijn er twee verschillende verklaringen:
1) muta-rūpena, d.w.z. vanwege waargenomen lichamelijkheid (dit is waargenomen door de zinsorganen van ruiken, proeven, en aanraken);
2) door de stem van iemand anders, door algemene overeenkomst, (d.w.z. waardering; mahājana-sammutiyā).

     Het commentaar geeft alleen de eerste uitleg.

{13} visies en gewoontes (nivesanesu); ook hier wellicht weer met betrekking tot de ‘visie waaraan men gewoon is.’

{14} Wie zich van slecht denken heeft ontdaan (saññāvirattassa). Hier werd de uitleg van het commentaar gevolgd dat blijkbaar saññā weer als het drievoudige slechte denken opvat, zoals in vers 535. Het Maha Niddesa: "Wie bij het vorderen van de oefening in kalmte van geest (samathapubbangama) het hoge pad ontplooit, diens boeien zijn aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige de boeien, het gissen, de hindernissen, de gedachten (saññā) van zinnelijkheid, van haat, van kwaadwil, en ook de verkeerde visies, opgegeven, met de wortel uitgeroeid. . ." - Het commentaar: "Wie door een met de gedachte van ontzegging enz. beginnende (nekkhammādisaññā-pubbangama) ontwikkeling van de geest de gedachte aan zinnelijkheid heeft opgegeven, die geldt als ‘ontdaan van het slechte denken’ (saññā-viratto) en wel is hij een ‘oefenende in geestelijke kalmte die aan beide kanten bevrijd is (ubhatobhāga-vimutto samatha-yāniko)."

Men zou geneigd zijn saññā-viratto eerder als tegenstelling tot saññā-satto (bevangen door waarneming) (vers 792) op te vatten en te vertalen: (regel a) ‘Wie bij de waarneming vrij van verlangen is . . .", (regel c) "Zij die zich houden aan waarneming en visie. . .".  Maar de samenhang in regel c/d maakt hier de uitleg van het commentaar waarschijnlijker. De werkelijk bedoelde betekenis van het woord saññā zal natuurlijk op veel plaatsen van het Sutta-Nipāta onzeker moeten blijven.

{15} Bevrijd in wijsheid (paññā-vimuttassa). Het Maha Niddesa: “Wie bij het vooruitgaan van de oefening van inzicht (vipassanā-pubbangama) het edele pad ontplooit, diens gissen is aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige het gissen, de boeien, de hindernissen . . . opgegeven, met de wortel uitgeroeid . . .”  - Commentaar: "Het gaat hier om ‘iemand die oefent in helder inzicht’ (sukkha-vipassako)."

{16} Volgens het Maha Niddesa komt het door het drievoudige slechte denken tot de oorlogszuchtige botsing tussen de volkeren, tot ruzie binnen de kasten, families enz.; door visies komt het tot ruzie tussen de verschillende religieuze en filosofische stromingen.
 
{17} Norman vertaalde vers 847 aldus:  ‘Er zijn geen banden voor iemand die zonder waarnemingen is. Er zijn geen illusies voor iemand die door wijsheid bevrijd is. Maar zij die waarneming en visie hebben vastgegrepen, leven in de wereld en veroorzaken overtredingen.’
__________

Met vriendelijke groet
Nico