Auteur Topic: Uit het Sutta Nipata  (gelezen 588 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Uit het Sutta Nipata
« Gepost op: 23-02-2019 16:27 »
Uit het Sutta Nipata

Beste,

Het belangrijke boek Sutta Nipata gaat vooral over het gaan naar en het bereiken van de andere oever = Nibbana.
Onregelmatig probeer ik enkele suttas uit het Sutta Nipata hier te posten.
Dominique is me al voorgegaan met het Sutta over de slang, zie:
http://www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2762.0
_____

Mijn vertaling is aan de hand van:
Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London: PTS, 1984.
Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).

De noten zijn van Nyanaponika.
[Toevoegingen van mij staan tussen rechte haakjes.]
__________

Sn.iv.1. 766-771  kaama sutta, zintuiglijke genoegens

766
Indien een sterveling verlangt naar zintuiglijke genoegens, indien hij krijgt wat hij begeert,{1} dan is hij zeker blij gestemd.
767
Maar wanneer de zintuiglijke genoegens bij die persoon die er erg naar verlangt, afnemen of verdwijnen, dan heeft hij verdriet en is hij gekweld alsof hij door een pijl is doorboord.
768
Wie zintuiglijke genoegens vermijdt,{2} zoals hij met zijn voet de kop van een slang vermijdt, die gaat oplettend en overwint de gehechtheid aan de wereld.
769
Wie begerig is naar velden, land en schatten, naar runderen, paarden, dienstpersoneel, naar vrouwen, vrienden, veel lustobjecten,
770
die wordt overweldigd door wat machteloos schijnt;{3} de gevaren{4} bedwingen hem. Dan dringt lijden in hem binnen, zoals water in een lekke boot.
771
Daarom moet de mens steeds oplettend zijn en de zintuiglijke genoegens vermijden. Als hij ze heeft opgegeven, zal hij de stroom oversteken, zoals iemand die naar de andere oever gaat{5} na zijn boot leeggeschept te hebben.{6}

_______
Noten:

{1} wat hij begeert = 'kaamam'. 'Kaama' heeft hier de betekenis van lustobject, dwz de objecten van de vijf lichamelijke zintuigen. Volgens MNidd., het Mahaa Niddesa (commentaar op het Atthakavagga van het Sutta Nipata) heeft het woord 'kaama' twee aspecten:
1) het objectieve aspect, aangeduid als 'vatthu-kaama', dwz het lustobject, in de teksten vaak omschreven als 'kaama-guna', dwz de vijf zinsobjecten.
2) een subjectief aspect, aangeduid als 'kilesa-kaama', d.w.z. lust als bevlekkende hartstocht. In deze betekenis te vertalen als: lust (der zintuigen), zinnelijkheid, etc.
   
{2} wie zintuiglijke genoegens vermijdt: MNidd. "Op tweevoudige manier vermijdt men de lusten: (a) door terugdringen (vikkhambhana) en (b) door uitroeien (samuccheda).
(a) het terugdringen gebeurt volgens MNidd.
1) Door vaak die dringende gelijkenissen voor de lusten te beschouwen die in M.22 zijn gegeven en die in M.54 gedeeltelijk zijn uitgelegd (deze suttas volgen hierna in het kort).
2) Door oefening van de "tien overwegingen" over de Boeddha, Dhamma, Ariyasangha, over eigen  deugdzaamheid en vrijgevigheid, over godheden, dood, lichaam, in-en uitademen, en over de vrede.
[ De tien overwegingen zijn voornamelijk voor degenen die zich op het pad van heiligheid bevinden. Wereldlingen kunnen wel overwegen over dood, lichaam en de ademhaling.]
3) door ontwikkeling van de acht verdiepingen. - Het uitroeien van de lusten gebeurt trapsgewijs op de hoge paden naar heiligheid, te beginnen met stroomintrede.

{3} wat machteloos schijnt (abalaa-va). Het 'va' werd hier als 'iva' opgevat. Het commentaar legt 'abalaa' uit als zwakke geestelijke bezoedelingen. Bedoeld is zeker dat ook een aanvankelijk zwakke lustgedachte enorm kan groeien en de mens volledig kan beheersen.

{4} gevaren (parissaya). MNidd. "Twee gevaren zijn er: openbare en verborgene." - Als openbare gevaren worden genoemd: wilde dieren, rovers, ziekten, etc.; verborgen gevaren zijn: het drievoudige slechte gedrag (in daden, woorden en gedachten); de vijf hindernissen: [begeerte, zintuiglijk verlangen; haat, afkeer, kwaadwil; traagheid, luiheid; rusteloosheid, gewetenswroeging; twijfel.]

{5}  'paragu', letterlijk: degene die naar de overkant gaat. MNidd. "Het is degene die de wens heeft naar de 'andere oever' ('paaram' d.w.z. naar Nibbana) te gaan, die naar de andere oever gaat en die de andere oever heeft bereikt."

{6} Zie voor de leeggeschepte boot ook Dhp. 369: "Schep de boot leeg, monnik, dan gaat ze snel en licht; wanneer begeerte en haat zijn uitgeroeid, dan is Nibbana bereikt."
__________

M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta

Te Sāvatthi. De monnik Arittha begreep de leer van de Boeddha verkeerd. Hij beweerde dat de Boeddha toonde hoe men zich in zinnelijke genietingen kon verheugen zonder op het pad gehinderd te worden. De Boeddha weerlegde zijn verkeerde ideeën maar de monnik bleef koppig. De Verhevene sprak toen tot de monniken over de verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren.

Gelijkenis van de slang. Het hebben van verkeerde ideeën over de Dhamma is als het vastpakken van een slang bij de staart. Die slang keert zich om en bijt de man. Evenzo kan men verwachten dat het religieuze leven iemand veel schade kan brengen als het niet serieus beoefend wordt.

Sommigen leren de Dhamma maar zij onderzoeken de betekenis ervan niet met wijsheid. Daarom komen zij er niet toe ze reflectief aan te nemen. In plaats daarvan leren zij de Dhamma alleen om kritiek op anderen te kunnen geven. Zij hebben geen vooruitgang in de leer. Omdat zij de leer niet juist opnemen, draagt dat lang bij tot hun nadeel en leed.

De leer wordt er vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken. Men neemt het vlot daarna niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig. Het is dan niet meer nodig dat hij of zij zich aan de Dhamma hecht.

Verder spreekt de Boeddha er over anatta. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

Daarom geef op wat niet van u is.

De Boeddha spreekt dan verder erover dat sommigen zijn woorden verkeerd uitleggen. Maar hij wordt er niet boos of verdrietig over. Wanneer anderen ons beledigen, op ons schelden en ons lastig vallen, dan moet geen ergernis, geen verbittering of neerslachtigheid gekoesterd worden. En wanneer anderen ons eren, respecteren en hoogachten, dan moet geen vreugde gekoesterd worden.

Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken.

De Dhamma is goed verkondigd, helder, open, duidelijk. In deze Dhamma is geen beschrijving van een toekomstige ronde van bestaan voor volmaakte heiligen. Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog een keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, zijn in de stroom getredenen; zij zijn op weg naar de Verlichting. Degenen die de Dhamma navolgen, of die vol vertrouwen zijn, zij allen gaan de Verlichting tegemoet. Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet.
__________

M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta.

Te Apana. De Boeddha legt aan Potaliya de ware betekenis uit van het opgeven van de wereld.

Het gezinshoofd Potaliya had wereldlijke zaken achtergelaten teneinde een heilig leven te leiden. Toen de Boeddha hem zag gekleed in gewone dagelijkse kleding, sprak de Boeddha hem aan als “gahapati”, gezinshoofd. Potaliya ergerde zich eraan. De Boeddha legde hem uit dat in de termen van de Vinaya men met iemand die beweerde zich te hebben afgezonderd van de wereld, bedoelde iemand die afzag van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefende en een beheerst gemoed had.

Uitleg:

Het doden van levende wezens is te overwinnen. Niet nemen wat niet is gegeven is te overwinnen. Liegen is te overwinnen. Lasteren is te overwinnen. Gierigheid, hebzucht is te overwinnen. Uitschelden is te overwinnen. Toorn is te overwinnen. Hoogmoed is te overwinnen.

Men overweegt aldus: als ik zou doden, stelen, liegen, lasteren, schelden, als ik gierig ben, hebzuchtig, toornig, of hoogmoedig, dan zou ik mij zelf daarvoor verwijten maken. En ook de wijze mensen zouden dat doen. Na de dood zou een ongelukkige sfeer van bestaan te verwachten zijn vanwege die dingen. En zelf zijn die dingen een boei en een hindernis. Terwijl neigingen, ergenis en koorts door het doden van levende wezens of door diefstal, liegen, lasteren, gierigheid, hebzucht, schelden, toorn of hoogmoed kunnen ontstaan, is er geen neiging, geen ergernis en geen koorts in iemand die zich ervan onthoudt.

Dit is het achterlaten van wereldlijke zaken. Maar het is nog niet volledig.

Men moet verder overwegen dat zinsgenot leed brengt. Men moet er niet aan hechten en gelijkmoedigheid gebaseerd op eenheid ontwikkelen. Nadat hij dan bij de hoogste oplettendheid is aangekomen waarvan de reinheid berust op gelijkmoedigheid, herinnert de edele discipel zich aan vele vroegere levens. Hij ziet met het hemelse oog hoe wezens heengaan en wedergeboren worden overeenkomstig hun wilsacties. Dan treedt hij door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid die vrij is van neigingen. En hij vertoeft erin. Dan is het opgeven van de wereld in de discipline van de edelen volledig.
__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 13:57 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #1 Gepost op: 26-02-2019 15:00 »
Sn. I.12, vv 207-221. De muni.

Inleiding.

     Muni, dit is: de zwijger; het is een uitdrukking die al dateert uit voor-boeddhistische tijd. De betekenis ervan is een zwijgzame, alleen levende asceet aan wie een bijzonder hoge graad van verinnerlijking, zelfbeheersing en terughoudendheid eigen is. Vaak had hij ook de gelofte van zwijgen afgelegd.
        In boeddhistisch gebruik is het woord 'muni' een aanduiding voor de Boeddha (Sakya-muni, de muni uit het Sakya-geslacht). Het is ook een aanduiding voor de volmaakte heilige in het algemeen en wel in oude teksten, zoals dit sutta hier; in het bijzonder een aanduiding voor een heilige van bovengenoemde bijzonderheid. Zo verschijnt hij ook in de suttas: de neushoorn (I.3), Nalaka (III.11), geweld (IV.15), Sariputta (IV.16).
     Dit scherp afgebakende karakterbeeld verloor iets van zijn contouren toen in latere tijd - en wel reeds in het Niddesa - 'muni' uitgelegd werd als 'de wijze' en het overeenkomende 'mona' (het zwijgen) als 'inzicht', 'wijsheid'. Het woord 'muni' wordt dan afgeleid van het werkwoord 'munati', dat van zijn kant weer door de commentaren uitgelegd wordt met 'minaati' (afwegen). Volgens het woordenboek van de Pali Text Society komt 'munaati' in de canon maar een keer voor en wel in het Dhammapada, vers 269. Dit vers wordt ook in het Niddesa over de muni geciteerd.
__________

207
Vertrouwde omgang produceert gevaar,
huiselijk gezelschap{1} broedt vuilnis uit.{2}
Vertrouwde omgang, huiselijk gezelschap vermijden,
dat waarlijk is de denkwijze van een muni.

208
Wie datgene wat ontstaan is, vernietigt{3} en het niet laat groeien,
wie aan datgene wat in hem wil ontstaan, geen toegang geeft,
van hem, de muni, alleen levende, zegt men:
"Hij zag het oord van vrede als een grote ziener."

209
Het veld{4} onderzoekend en de kiemen{5} vernietigend,
geeft hij aan het verlangen dat vocht aan de kiemen geeft,{6} geen toegang.
Als een muni ziet hij geboorte en sterven eindigen,
vrij van piekeren{7} gaat hij niet meer in benoembaarheid.{8}

210
Die elk oord van bestaan{9} heeft begrepen,
naar geen ervan meer verlangen koestert,
hij, als een muni, vrij van begeerte en zonder wens,
hoeft niet meer te strijden, is aangekomen aan de oever.{10}

211
Wie alles heeft overwonnen, alles heeft ingezien, een wijze,
bij alle dingen met onbevlekte geest,
wie alles heeft opgegeven, vrij door opdroging van begeerte,
ook deze, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

212
Degene die sterk is in wijsheid, vast in deugdzaamheid, trouw aan de regels,
geconcentreerd in de geest, die graag mediteert en oplettend is,
vrij van boeien, die zonder smetten is en vrij van neigingen,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

213
Eenzaam levend, zwijgzaam,{11} onvermoeibaar,
door woorden van lof of berisping onberoerd,
gelijk aan de leeuw die door lawaai niet wordt opgeschrikt,
aan de wind gelijk die niet gevangen is in een net,
niet door passie besmet, zoals een lotus niet door water besmet is,
een leider van anderen, niet door anderen geleid,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

214
Hij die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft,{12}
aan wie de stortvloed van andermans woorden breekt,{13}
bevrijd van hartstocht, met goed geconcentreerde zinnen,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

215
Die met vast hart, standvastig, zo recht [gaande] als een weefspoel, een afkeer heeft van slechte daden, slecht en goed gedrag onderzoekend,{14}
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

216
Hij die, zelfbeteugeld, geen kwaad begaat,
of jong of van middelbare leeftijd, een zwijger, zelfbedwongen,
die niet boos gemaakt kan worden en die niemand boos maakt,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

217
Of hij nu boven uit de kom, of uit het midden, of van wat is overgebleven als brokkenmaaltijd ontvangt, hij die van de gaven van anderen leeft, dat is voor hem geen reden om lof of berisping uit te spreken.
Ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

218
Die zwijgend rondtrekt, van seksuele omgang afziet, die in zijn jeugd al nergens aan gebonden was,
die afziet van bedwelmende dingen en onachtzaamheid vermijdt, helemaal bevrijd, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

219
De wereld kennende, het hoogste doel aanschouwende,
de stroom en de zee overgestoken hebbende, volmaakt,{15}
die de keten brak, die zonder te hechten vrij van neigingen is,
ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

220
Ongelijk zijn deze beiden, ver verwijderd in hun manier van leven:
het gezinshoofd{16} dat een vrouw onderhoudt,
en degene die zuiver van zeden is, aan wie niets toebehoort.{17}
Het gezinshoofd is niet volledig bedwongen wat betreft het doden van andere levende wezens; de muni is bedwongen en beschermt constant levende schepsels.

221
Zoals een pauw met blauwe hals die zich in de lucht verheft,
nooit de snelheid van de zwaan{18} kan bereiken,
evenmin kan een gezinshoofd de monnik evenaren,
de muni die afgezonderd in de diepten van het bos contempleert.

_________

{1} huiselijk gezelschap: 'niketa' betekent a) huis, b) gezelschap. De vertaling brengt beide betekenissen tot uitdrukking.
    Het commentaar citeert uit SN 22, 3, waar Sn. vers 844 door Mahahaccana uitgelegd wordt:
" Het huis verlatend, zonder tehuis levende,
heeft de muni geen vertrouwde omgang in het dorp. Leeg van begeerte, naar het toekomstige niet verlangend, voert hij met de massa geen twistgesprekken."

     De uitvoerige betekenis hiervan is als volgt. Het element 'lichamelijkheid' is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het lichamelijkheids-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' (oha-saari) genoemd.
     Het element gevoel - het element waarneming - het element formaties - is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het gevoel-element -  het waarneming-element -  het formatie-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' genoemd.
     Commentaar:  waarom wordt hier niet ook (de vijfde bestaansgroep) het bewustzijn vermeld? - Om verwarring te vermijden. 'Huis' is hier namelijk als voorwaarde te verstaan. Wanneer er zou staan dat het bewustzijns-element zelf een huis, een voorwaarde voor het bewustzijn is, dan zou dat zonder verdere uitleg niet duidelijk zijn.

{2} broedt vuilnis uit: Commentaar: de vuilnis van de begeerte, van de haat, van de verblinding.

{3} wie vernietigt wat ontstaan is... in het Pali: yo jaatam ucchija / na ropayeyya jaayantam / assa naanuppaveccha.
     Het commentaar scheidt de versregels zoals boven met / is aangegeven en betrekt 'jaayantam' dus op 'na ropayeyya'. Nyanaponika gaf de voorkeur eraan elke versregel als een eenheid te beschouwen. Hij legt het dan als volgt uit: Het reeds ontstane onheilzame kan men niet ongedaan maken, maar men kan het in zoverre vernietigen (letterlijk: afsnijden) dat men het niet verder laat groeien, d.w.z. dat het onheilzame niet wordt herhaald. (Zie Sn. I.1, vers 1)
     Wanneer men de uiterlijke voorwaarden ziet voor het optreden van het onheilzame in het ontstaan ervan, d.w.z. het voorbereiden ervan, dan moet men er geen invloed of toegang in de eigen geest aan toestaan. Op gelijke manier moet men direct de toegang dicht maken, (waakzaam zijn bij de poorten van de zintuigen), wanneer men in zich de geringste neiging tot het onheilzame merkt. De methode van afweer bij het begin wordt hier aanbevolen.

{4} veld (vatthuuni, meerv.); 'vatthu' betekent: veld, basis, mogelijkheid. Commentaar: het is dat waaraan deze wereld hangt, nl. die oorden of mogelijkheden voor bezoedelingen die in de groepen van bestaan, fundamenten van de zintuigen en elementen bestaan.

{5} Als 'kiem' (biija) duidt het commentaar het producerende, d.w.z. wedergeboorte scheppende bewustzijn aan. (Vgl. Sn. II.1, vers 235)

{6} verlangen dat vocht geeft... De vertaling geeft beide nuancen van het woord 'sineha' weer: a) vochtigheid; b) aanhankelijkheid, verlangen.
     Tot de bovenstaande drie gelijkenissen, vgl. A.III.77 :
" wilsactie (kamma) is het veld,
bewustzijn is het zaad,
verlangen is de vochtigheid."

{7} vrij van van piekeren (takkam pahaaya). Het commentaar legt het uit als 'vi-takka'  en betrekt het op de negen onheilzame gedachten (nl. gedachten van zinnelijkheid, kwaadwil en benadelen; gedachten aan verwanten, woonstreek en persoonlijke onsterfelijkheid; gedachten van aanhankelijkheid aan anderen en gedachten gericht op winst, eer, roem, waardering.) Maar hier moet vooral gedacht worden aan 'takka' in de zin van logica, sofisterij, onrustig en twijfelend piekeren.
     De samenhang met het volgende 'gaat niet meer in in benoembaarheid' is precies dezelfde als in vers 911: omdat de muni zich niet meer in theorieen en wetenschappen (vers 911) of in piekeren (vers 209) verstrikt, kan hij niet meer in daaruit afgeleide begrippen gevangen worden.

{8} gaat niet meer in in benoembaarheid (na upetisankham). 'sankhaa' betekent: getal, benoeming, definitie, begrip. Hier komt voor het eerst het motief van de ongrijpbaarheid, onbegrijpelijkheid van de heilige.
     K.E. Neumann merkte op, misschien niet ten onrechte: "'takkam' en 'sankham' wijzen met lichte humor op het vroege 'taarkyam'  en 'saamkhyam', de maat- resp. getallenfilosofie die ongetwijfeld toen al beroemd was."

{9} woonoord van bestaan (nivesanaani); hier door het commentaar uitgelegd als het drievoudige bestaan: zinnelijk, fijnstoffelijk en onstoffelijk bestaan.

{10} niet strijdt hij meer die aan de oever is aangekomen (naayuuhati paaragato hi hoti). Deze versregel komt, met geringe wijziging (so'ti in plaats van hoti) twee keer voor in SN.2.5. "Zolang hij geen grond vindt in de rivieren, spant de mens zich in met al zijn ledematen. Maar als hij de grond heeft gevonden en er vast op staat, dan spant hij zich niet meer in; want dan is hij aan de reddende oever* aangekomen." (vert. Geiger) - Vergelijk ook SN.1.1. "Zonder te rusten, zonder strijd (anaayuuham) heb ik de stroom overgestoken." - De uitleg van het commentaar is: "Hij veroorzaakt geen heilzaam of onheilzaam kamma dat de verschillende oorden van bestaan produceert." Het werkwoord 'aayuhati' en het substantief 'aayuuhana' duiden namelijk in de latere commentaar-stijl op het 'karmisch ophopen', evenals 'abhisankharoti' en 'abhisankharana'.
* De oever (paara) betekent volgens het commentaar datgene wat aan gene zijde is van alle bestaansoorden, het Nibbana.

{11} zwijgzaam (muni). Hier waar het woord 'muni', behalve in de zich herhalende slotregel, ook nog in de beginregel staat, kan misschien de oorspronkelijke betekenis van 'de zwijger'  zijn bedoeld, evenals in de verzen 216 en 218.

{12} die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft (yo ogahane thambho-r-iv'abhijaayati).  Ogahana, hier met stroom (ogha) vertaald, is letterlijk: 'datgene waarin men onderduikt.' Het commentaar legt het uit als badplaats of voorde. "Aan een, hier ogahana genoemde badplaats is een vier- of achthoekige pilaar ingeramd, waaraan men zijn ledematen kan wrijven. Mensen uit edele en uit lagere familie wrijven daaraan hun ledematen, maar daardoor wordt de pilaar niet omhoog geduwd of omlaag gedrukt."

{13} waaraan de stortvloed van andermans woorden breekt: dit is een vrije weergave van 'yasmim para vacaapariyantam vadanti', een zin waarvan de betekenis onzeker is. Onze weergave knoopt aan aan het beeld van de pijler in de stroom. - Seidenstuecker: "Bij wie anderen zich in hun woorden beperking (pariyantam) opleggen. - Commentaar: "De anders gelovenden spreken over hem geen woord dat naar boven gericht door lof, naar beneden gericht door berisping is begrensd (pariyanta)." - Misschien is de zin ervan deze dat in de muni de invloed van de woorden van anderen zijn grens heeft gevonden.

{14} Nyanaponika vertaalde: "wie de kromme en de rechte baan onderzoekt,"

{15} Volmaakt (tadi), letterlijk: met dergelijke eigenschappen, d.w.z. een voorbeeldig iemand.

{16} [gezinshoofd:  een huiseigenaar, iemand die in een huis woont.]

{17} aan wie niets toebehoort (amamo); letterlijk: die niet 'mijn' (zegt); [die niets zijn eigen noemt.]

{18} Bij Norman staat in plaats van zwaan: gans

___________

Commentaar bij de verzen 207-221.

《   Als "de stille" (mona) wordt het inzicht aangeduid dat bestaat in wijsheid, weten ... niet-verblinding, onderzoek van de leer, juist inzicht. Wie een dergelijk inzicht heeft, is een "stille wijze" (muni), iemand die tot stilheid, uitdoving is gekomen (mona-patto).

Er zijn drie soorten van stilzijn (moneyya):
1) het stilzijn van het lichaam (kaaya-moneyya);
2) het stilzijn van het woord (vacii-moneyya);
3) het stilzijn van de geest (mano-moneyya).

(1) Wat is het stilzijn van het lichaam?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte lichamelijke gedrag (nl. doden, stelen, en in dit geval elke seksuele handeling);
○ het drievoudige goede lichamelijke gedrag (nl. zich onthouden van slecht gedrag);
○ het op het lichaam gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het lichaam;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het lichaam;
○ de opheffing van lichamelijke vorming in het bereiken van de vierde meditatieve verdieping;
- dat is stilzijn van het lichaam.

(2) Wat is stilzijn van het woord?
○ Het opgeven van het viervoudige slechte gedrag in woorden (nl. leugens, lasterpraat, ruwe taal, geklets);
○ het viervoudige goede gedrag in woorden;
○ het op het woord gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het woord;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het woord;
○ de opheffing van vorming van taal in het bereiken van de tweede verdieping;
- dat is stilzijn van het woord.

(3) Wat is stilzijn van de geest?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte gedrag in denken (d.w.z. begeerte, haat, verkeerde meningen);
○ het drievoudige goede gedrag in denken;
○ het op het bewustzijn (citta) gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het bewustzijn;
○ het door een dergelijk doordringend begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van wilsverlangen wat betreft het bewustzijn;
○ de opheffing van de vorming van bewustzijn (citta-sankhaara) in het bereiken van de verdieping van 'de opheffing van waarneming en gevoel' (san~n~aavedayita-nirodha);
- dat is stilzijn van de geest. 

     Bij wie het lichaam stil is, en stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'de aan alle kanten bevrijde' genoemd.
     Bij wie het lichaam stil is, stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'van het kwaad rein gewassen' genoemd. (It. 67)

     Met de drie soorten van stilzijn zijn zes groepen van 'stillen' voorzien:
1. De stillen in het huiselijke leven (aagaara-munayo).
2. De huisloze stillen (anaagara-munayo).
3. De strijdende stillen (sekha-munayo).
4. De stillen die vrij zijn van strijden (asekha-munayo).
5. De individueel-stillen (pacceka-munayo).
6. De hoogsten der stillen (muni-munayo).

(1) Welke zijn de stillen in het huiselijke leven? - Het zijn de in het huis levende mensen die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(2) Welke zijn de huisloze stillen? - Het zijn degenen die vertrokken zijn in het monnikenleven, die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(3) De zeven strijdenden (sekha) zijn de 'strijdende stillen'.
(4) De volmaakte heiligen zijn de 'strijdvrije stillen'.
(5) De individueel ontwaakten (pacceka-buddha) zijn de individueel stillen.
(6) Als de 'hoogsten der stillen' worden de Volmaakten aangeduid, de heiligen, volmaakt Ontwaakten.

"Niet door zwijgen wordt de verwarde, onverstandige tot een stille. Maar wie, met de weegschaal in de hand, het beste voor zich als wijze uitkiest, en het kwade vermijdt, zo iemand is een stille; waarlijk, zo wordt hij een stille. Omdat hij beide werelden weegt en begrijpt, daarom wordt hij muni genoemd." (Dhp.268-269)

Hij die de aard van de goeden kent en ook die van de slechten, inwendig en uitwendig bij de hele wereld, die verering waard is voor goden en mensen, hij die aan het vangnet is ontkomen,- die is een muni. (Sn. 527)

_____________________________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:00 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #2 Gepost op: 27-02-2019 14:45 »
Sn.I.2. verzen 18-34
Dhaniya, de rijke herder


Inleiding.

Dhaniya, de rijke, was volgens het commentaar een welgestelde bezitter van kudden. Het commentaar beschrijft dan het milieu van dit sutta. Koeherders hebben geen vaste woonplaats. In de vier maanden van de regentijd leven zij op hoger gelegen plaatsen. In de overige acht maanden van het jaar leven zij waar rijkelijk gras en water te vinden is, namelijk aan oevers van rivieren en meren.

Ook Dhaniya had kort voor de regentijd zijn woonplaats verlaten. Op zoek naar een geschikte plek voor de kudde kwam hij op een plek waar de grote rivier Mahi zich in twee-en splitst, en wel in Zwarte Mahi en in Grote Mahi. In de nabijheid van een meer kwamen zij weer samen en vormden zo in het midden een eiland. Op dit eiland bouwde Dhaniya stallen voor de kudde en voor zich een huis en ging er wonen. Hij had zeven zonen, zeven dochters, zeven schoondochters en veel personeel.

Herders weten de voortekenen die regen aankondigen te duiden. Wanneer bijvoorbeeld de vogels hun nesten hoog in de boomtoppen bouwen, de krabben hun gaten in de buurt van water dicht maken en die in hoger gelegen land opzoeken, dan concluderen de herders daaruit dat er veel regen zal vallen. Maar wanneer de vogels hun nesten bouwen langs het water op laag gelegen plekken, wanneer de krabben hun hoger gelegen gaten dicht maken en die in de buurt van water betrekken, dan concluderen de herders daaruit dat slechts zwakke regen zal komen.

Dhaniya nu had de voortekenen voor een sterke regen opgemerkt. En toen de regentijd naderbij kwam, verliet hij het eiland.

Aan de andere oever van de Grote Mahi, op een plek die ook bij zeven keer zeven dagen durende regen niet zou overstromen, maakte hij voor zich een woning, en voor het vee stallen met omheiningen eromheen. En weldra, nadat het gras voor voer en het brandhout opgestapeld was, - alle familieleden, dienaren en arbeiders hadden daarbij geholpen - en nadat een voorraad levensmiddelen gereed gesteld was, verschenen aan de horizon van de vier hemelrichtingen de regenwolken. De koeien werden gemolken, het vee werd in de stallen vastgebonden en rondom werden smeulende vuren ter bescherming aangestoken. Nadat alle werk verricht was, aten de mensen van Dhaniya, en ook hijzelf nam rijst en melk tot zich. Op een hogere plaats zittend keek hij toen naar zijn welvaart. Toen hij het gerommel van de donder hoorde, leunde hij tevreden achterover en riep uit:

18. Dhaniya:
"Mijn rijst is gekookt, de melk is gemolken.
Aan de oever van de Mahi woon ik met mijn gezin.
De hut is bedekt, het vuur brandt.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

19. De Verhevene:{1}
"Ik ben vrij van boosheid, ik ben vrij van slakken{2}.
Een nacht vertoef ik aan de oevers van de Mahi.
Mijn hut{3} heeft geen dak, het vuur is gedoofd.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

20. Dhaniya:
"Vliegen en muggen zijn hier niet te vinden.
De runderen grazen op het frisse weidegras.
Als regen komt, kunnen zij die verdragen.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

21. De Verhevene:
"Het vlot is gebonden, is goed samengevoegd.{4}
De stroom overwinnend, kwam ik aan de andere oever.
Omdat dit bereikt is, heb ik nu geen vlot meer nodig.{5}
Welaan, wolk, regen als je wilt."

22. Dhaniya:
"Mijn vrouw is gedwee en niet wellustig.
Zij is al lange tijd mijn dierbare levenspartner.
Niets slechts hoor ik ergens over haar.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

23. De Verhevene:
"Mijn geest is voegzaam, is helemaal bevrijd,
sedert lange tijd geheel ontplooid en bedwongen.
Niets slechts bevindt zich ergens in mij.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

24. Dhaniya:
"Het loon uit eigen arbeid dient tot mijn levensonderhoud.
De zonen, die bij mij leven, zijn gezond.
Niets slechts hoor ik ergens over hen.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

25. De Verhevene:
"Bij niemand ben ik in loondienst.
Levende van wat verdiend is, trek ik door de wereld.
Er is nu geen loondienst nodig.{6}
Welaan, wolk, regen als je wilt."

26. Dhaniya:
"Ik heb runderen, kalveren die nog zogen,
en drachtige koeien, en ook fokvee.
Een stier is er, de heer van de kudde.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

27. De Verhevene:
"Ik heb geen runderen of kalveren die nog zogen,
geen drachtige koeien en ook geen fokvee.
Er is geen stier, de heer van de kudde.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

28. Dhaniya:
"De palen zijn onbeweeglijk ingeslagen,
nieuwe banden uit munja-gras zijn vast gevlochten,
de kalveren kunnen die niet stuk maken.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

29. De Verhevene:
"Zoals een stier die zijn banden heeft verbroken,
aan de olifant gelijk die slingerplanten wegtrekt,
ga ik niet meer binnen in een moederschoot.
Welaan, wolk, regen als je wilt."

30.
Laagten en hoogten overstromend,
barstte uit de grote wolk regen neer.
Toen hij hoorde hoe de regen uit de hemel stroomde,
sprak Dhaniya nu dit woord:

31. Dhaniya:
"Heel grote zegen werd ons ten deel
omdat wij de Verhevene mochten aanschouwen.
Tot u, met visie,{7} nemen wij onze toevlucht.
Weest u onze meester, o grote muni.
32
Mijn vrouw en ik willen trouw toegewijd
bij de Gezegende de reine levenswandel leiden.
Gaande naar de andere kant van geboorte en dood,
willen wij aan het lijden een einde maken."

33. Mara de boze:{8}
"Verheugd over zijn kinderen is degene die kinderen heeft.
Op gelijke wijze verheugt zich de kudde-eigenaar over zijn koeien.
Want waarlijk, levenssteunen{9} zijn de vreugde van de mens.
Wie geen levenssteunen heeft, heeft ook geen vreugde."

34. De Verhevene:
"Wie kinderen heeft, is bezorgd om zijn kinderen.
De kudde-eigenaar is eveneens bezorgd en wel om zijn koeien.
Want waarlijk, levenssteunen zijn de zorg van de mens.
Wie geen levenssteunen heeft, heeft geen zorgen."{10}

__________
Noten

{1} De Boeddha antwoordde met woordspelingen die hier niet zijn weergegeven.

{2} vrij van slakken (vigata-khilo). Khila is de onvruchtbaarheid en het braak liggen van het veld waarop, aldus het commentaar, 'het graan niet groeit ook al regent het vier maanden.'

In overdragende zin is het 't gebrek aan spirituele ontvankelijkheid of van menselijke verharding, de traagheid van het hart en dorheid van de geest, de onwil en onkunde tot spirituele oefening.

Commentaar: 'zelfs wanneer er regen is, d.w.z. voorwaarden voor het goede, zoals het vernemen van de leer, dan kan (in de toestand van khila) het goede toch niet groeien.'

{3} Hut betekent volgens het commentaar de persoonlijkheid. Deze 'hut' van de Verhevene ligt 'open' in zoverre ze niet bedekt is door de smetten zoals begeerte, eigenwaan, verlangen, verkeerde meningen enz.  Juist daarom, zo zegt het commentaar, kan de regen van begeerte, haat en illusie niet binnendringen.

{4} Commentaar: 'Vanaf het huis van Dhaniya ziet de Boeddha het vlot liggen dat Dhaniya voor de vaart van het eiland naar het vasteland had gebruikt.'

Het commentaar omschrijft de zin van dit vers als volgt. 'Jij hebt een vlot voor jou samengebonden, Dhaniya, je hebt de rivier Mali overgestoken en bent nu op deze plaats gekomen. Maar je moet weer een vlot samenbinden en een stroom oversteken. Want deze plek biedt geen zekerheid.

Ik echter heb in een enkele gedachte (namelijk die van de Verlichting) de schakels van het pad samengevat en heb voor mij een vlot samengebonden met de band van inzicht.

Omdat de 37 'naar de Verlichting voerende (bodhipakkhiyadhamma) dingen' die dit (geestelijke) vlot vormen, ten gevolge van hun uniforme richting en hun op elkaar afgestemd zijn tot volmaaktheid zijn gekomen, daarom is inspanning niet meer nodig om weer een vlot samen te binden. En daarom kan deze verbinding ook door niemand, hetzij godheid of mens, losgemaakt worden. In zoverre is mijn vlot 'goed samengevoegd'.
[Zie voor de 37 naar de Verlichting voerende dingen het topic: Factoren van Verlichting, www.boeddhaforum.nl/index.php?topic=2468 ]

{5} is nu geen vlot meer nodig. Vgl. M.22: "Als vlot, monniken, zal ik u de leer tonen, geschikt om te ontkomen, niet om vast te houden."

{6} Commentaar: 'Sedert ik aan de voeten van de vroegere Boeddha Dipankara het besluit nam om Boeddhaschap te verkrijgen, tot aan mijn volledige Verlichting, zo lang 'diende' ik nog om de alwetendheid. Sedert die evenwel bereikt is, leef ik in deze 'verheven' toestand van de alwetendheid en in het geluk van bovennatuurlijke concentratie. Ik die niets meer verder heb te doen, die - niet gelijk aan degenen die aan wedergeboorte nog niet zijn ontkomen, -niets meer heb te bereiken, voor mij 'is loondienst niet nodig.'

{7} Norman vertaalde: "met visie;" Nyanaponika vertaalde: "helder-ogende."

{8} Volgens het commentaar verschijnt Mara om het echtpaar van het gaan in de huisloosheid af te houden. [M.a.w. er zouden nog gedachten van twijfel, onzekerheid bij het echtpaar zijn ontstaan of zij er wel juist aan deden om het rijke leven op te geven].

{9} levenssteunen (upadhi). Hier betekent dit levensbenodigdheden, bezit e.d. In het volgende vers heeft het de filosofische betekenis van bestaans-substraat. (vgl. Sn. verzen 364 en 728).

{10} De verzen 33 en 34 bevinden zich ook in SN. 1.12 en SN. 4.8.  Misschien zijn beide verzen later hier toegevoegd. Ook zonder deze beide verzen zou dit sutta dan een bevredigend einde hebben.


_____
Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:02 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #3 Gepost op: 03-03-2019 07:42 »
Sn.iv.2. Verzen 772-779
De grot


772.
Gevangen in de grot (van zijn lichaam) {1} en veelvuldig bedolven,{2} blijft de mens vaststeken, diep verzonken in verblinding en verwarring.{3} Van onthechting {4} is hij waarlijk verre, want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk in de wereld op te geven.
773
Aan de wensen onderhorig,{5} en gebonden aan de vreugden van bestaan zijn de mensen heel moeilijk te bevrijden en kunnen zij niemand anders bevrijden.{6} Naar het vroegere en ook naar het toekomstige gaat hun streven, naar deze zintuiglijke genoegens van thans of die van vroeger.
774
Zij die begerig zijn naar zintuiglijke genoegens, die steeds denken aan zintuiglijk genot en die erdoor misleid zijn, zij zijn de verkeerde weg opgegaan, zij zijn onbeleerbaar.{7} Wanneer lijden hen ten deel valt, dan breken zij in geweeklaag uit: "Wat zullen wij worden wanneer wij vanhier zijn heengegaan?"
775
Daarom moet de mens zich nu oefenen in deze onthechting.  Wat in de wereld als 'slecht' bekend is, dat moet hem niet ertoe brengen slecht te handelen. Want dit leven is kort, zeggen wijzen.{8}
776
Ik zie in de wereld dit volk spartelen, geobsedeerd door begeerte naar de vormen van bestaan. Lage mensen jammeren in de kaken van de dood, want begeerte naar veelvuldig bestaan is niet weggenomen.
777
Zie ze spartelen om dat wat als 'mijn' geliefd is, als vissen in ondiep water, in een uitgedroogde rivier. Wie dit heeft gezien, laat hem zonder ego-isme leven, en geen binding voor zich scheppen aan de vormen van bestaan.
778
Naar beide einden{9} moet hij het verlangen verdrijven, door het volledig begrijpen van de zintuiglijke indruk,{10} zonder begeerte.
Omdat hij niets doet waarvoor hij zichzelf zou moeten berispen, is de wijze onbevlekt door wat gezien en gehoord is.{11}
779
Omdat hij waarneming begrijpt,{12} kan hij de stroom oversteken, een muni die van elk grijpen{13} onbevlekt is. Hij streeft onvermoeibaar, en hij heeft, aan de stekel onttrokken, geen verlangen meer naar deze en gene wereld.
________

{1} 'grot' is een van de vele beeldende aanduidingen van het lichaam. Commentaar: "Het lichaam wordt als grot aangeduid omdat het een woongelegenheid vormt voor zulke wilde dieren als begeerte, haat, onwetendheid.

{2} veelvuldig bedolven, namelijk door de veelvuldige geestelijke smetten zoals begeerte, haat en waan, die volgens het commentaar de 'inwendige boei' vormen.

{3} verwarring (mohana, naar moha, verblinding) is volgens het commentaar een aanduiding voor de vijf zintuiglijke objecten (kaamaguna); want daardoor worden mensen en goden (van de zintuiglijke sferen) verblind en in de war gebracht; zij vormen de 'uiterlijke boei'.

{4} onthechting of afzondering (viveka) is volgens MNidd. drievoudig: afzondering van het lichaam, afzondering van de geest en afzondering van de steunen van bestaan.

{5} Aan de wensen onderhorig (icchaanidaana), letterlijk: afhankelijk van de wensen.

{6} 'kunnen zij niet door anderen bevrijd worden': het Mahaniddesa citeert hier MN.8 (zie: https://sites.google.com/site/majnikaya/01-mulapariyaya-vagga/m-08-m-i-8-sallekha-sutta ) en voegt er verder aan toe: Niemand anders kan verlosser zijn. Wanneer men bevrijd is, dan is men dat door eigen kracht, eigen energie, eigen inspanning. Zelf is men het juiste pad opgegaan en niet het verkeerde. En zo werd men bevrijd.
     Zie ook Dhp. 161, 162, 163, 165 (XII.5-7, 9):  Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelf-verantwoordelijkheid.
     Dhp.161. “Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamant een harde edelsteen slijpt.”
     Dhp.162. "Wiens verdorvenheid heel groot is, als een slingerplant die hem omwoekert, hij brengt zichzelf ten onder tot de staat waartoe zijn vijand hem vervloekt."
     Dhp.163. "Slechte daden, schadelijk voor onszelf, zijn gemakkelijk uit te voeren; wat echter voordeel brengt en goed is, hoe uiterst moeilijk is dat."
     Dhp.165. "Zelf doet men het kwade, zelf is men boosgezind; zelf vliedt men het kwade, zelf is men zuiver gezind; zelf is men boos of goed; niemand anders kan verlosser zijn."

{7} onbeleerbaar (avadaaniya), iemand met wie niet te praten valt, ontoegankelijk.

{8} Het leven is kort. Hierbij een citaat uit het Mahaniddesa: "Kort, waarlijk is dit leven. - Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur evan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan
     In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
● In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
● In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
● In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.

     Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in een geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet een keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn zij, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer zij ontstaan zijn, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij te voorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
     In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.

     Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
● Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
● Ook aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn is het leven gebonden.
● De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan,  die ermee verknoopt zijn.
● Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
● Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
● Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
● Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
      In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.

{9} beide einden: MNidd: Zinsindruk is het ene einde, ontstaan van de zinsindruk is het andere einde. Het verlangen is het ene einde, de toekomst is het andere einde. Gevoelens van geluk zijn het ene einde, gevoelens van smart zijn het andere einde. Geest is het ene einde, lichamelijkheid is het andere einde. De zes inwendige grondslagen van de zintuigen zijn het ene einde, de zes uitwendige grondslagen van de zintuigen zijn het andere einde. De persoonlijkheid is het ene einde, het ontstaan van de persoonlijkheid is het andere einde. (Vgl. AN. VI.61)

{10} Door het volledig begrijpen van de zintuiglijke indruk. MNidd. maakt onderscheid tussen drie soorten van volledig begrijpen of van het doordringen:
○ het onderkennende doordringen, d.w.z. het analytische begrijpen van de werkelijkheid;
○ het onderzoekende of beoordelende doordringen, d.w.z. het onderkennen van de geanalyseerde dingen als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk;
○ het overwinnende of opheffende doordringen door de hoge paden, bijvoorbeeld hier het daadwerkelijk overwinnen van het gehecht zijn aan de zintuiglijke indruk.

{11} wat gezien, gehoord is: Dit is te verstaan als een afkorting van de oude viervoudige indeling van de waarneming door de zes zintuigen in: gezien, gehoord, waargenomen, onderkend.

{12} waarneming begrijpend, zie boven bij noot 10.

{13} van elk grijpen. MNidd. maakt een onderscheid tussen tanhaa- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeren en grijpen in de vorm van verkeerde visies. Het gaat hier dus om het mentale grijpen naar de waarneming, het be-grijpen door be-grip-pen, die of door begeerte of door theorie-en zijn vervalst en zo de waarneming met verkeerde waarden weergeven.

_____
Dit sutta in het kort:

     Wie gehecht blijft aan het lichaam, hij is ver van onthechting. Want zintuiglijke genoegens zijn niet gemakkelijk op te geven.
De mensen zijn geboeid aan de genoegens in dit bestaan kunnen daarom door anderen niet bevrijd worden. Door begeerte naar zintuiglijke genoegens zijn zij de verkeerde weg opgegaan. En zij vragen zich klagend af: "Wat zal er na de dood van ons worden?"
     Wanneer men weet dat iets verkeerd is, moet men dat niet doen. Want het leven is kort. Men moet zich oefenen in onthechting. Men moet zonder ego-isme leven en niet gehecht zijn aan geliefde bezittingen of aan vormen van bestaan.
     Een wijs mens verlangt niets, hecht niet aan wat hij ziet of aan wat hij hoort of aan wat hij denkt.
     Hij begrijpt dat al wat samengesteld is, vergankelijk is. Daarom hecht hij er niet aan. Hij leeft oplettend en zo steekt hij de stroom over.
_____

Met vriendelijke groet
Nico

     
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:05 door nico70+ »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2815
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #4 Gepost op: 03-03-2019 18:23 »
Bedankt Nico. Prachtig.
Siebe

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #5 Gepost op: 12-03-2019 10:38 »
Sn.IV.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka Sutta - kwaadgezind

780
Waarlijk, sommige kwaad-gezinde mensen redetwisten;{1} en degenen wier geesten gericht zijn naar waarheid, zij redetwisten ook.
Maar de wijze bemoeit zich niet met enig twistgesprek dat ontstaan is. Daarom heeft de wijze geen dorheid van geest in enig opzicht.{2}

781
Hoe zou iemand zijn eigen visie kunnen overwinnen, wanneer hij geleid is door willekeur, gebogen naar zijn eigen neigingen, die verkeerde visies zelf als ‘volmaaktheden’ verzint?{3} Want zoals hij het begrijpt, zo spreekt hij ook.{4}

782
Indien iemand ongevraagd anderen over zijn eigen deugdzaam gedrag en geloften vertelt, dan zeggen de deskundigen dat hij een onedele aard heeft,{5} die alleen het eigen ik verkondigt.{6}

783
Maar een bhikkhu, tot rust gekomen,{7} met (het) zelf volledig uitgedoofd,{8} niet pochend over zijn deugdzaam gedrag door te zeggen: "Zo ben ik,” indien hij geen hoogmoed heeft ten opzichte van iets in de wereld, dan zeggen de deskundigen dat hij een edele natuur heeft.{9}

784
Wanneer men verkeerde leerstellingen{10} heeft gevormd, geconstrueerd,{11} en wanneer men de voorkeur geeft aan die leerstellingen die onzuiver zijn en wanneer men er voordelen in ziet voor zichzelf,{12} dan steunt hij op een vrede die afhankelijk is van wat onstabiel is.{13}
     
785
Het hechten aan verkeerde visies is niet gemakkelijk te overwinnen. Men heeft ze uitgezocht uit veel leerstellingen, na overweging.{14} Daarom verwerpt iemand een leerstelling of neemt een andere aan{15} uit dit hechten aan visies.{16}
         
786
Waarlijk, een gezuiverd{17} mens vormt geen visie ergens in de wereld met betrekking tot verschillende [soorten van] bestaan. Waarheen zou een gezuiverd mens gaan{18} na illusie en eigendunk te hebben opgegeven? Hij is niet betrokken erbij.{19}

787
Iemand die erbij betrokken is,{20} is waarlijk betrokken in twistgesprekken wat betreft leerstellingen, maar hoe, waarover kan men een twistgesprek hebben met iemand die niet erbij betrokken is? Hij heeft niets opgenomen of verworpen.{21} Hij heeft alle visies in deze wereld hier afgeworpen.{22}
_________
     
Noten

{1} redetwisten (vadanti; letterlijk: praten). Nyanaponika vertaalde: ‘lasteren.’ Het MNidd en het commentaar leggen het uit met upavadanti (lasteren) en wel lasterpraat over de Boeddha en de gemeenschap van de monniken. Het commentaar geeft als ontstaansgeschiedenis voor dit sutta de episode van de vrouwelijke asceet Sundari (zie Udāna IV. 8 ). Zij werd op bevel van asceten met een ander geloof vermoord om de discipelen van de Boeddha met die daad te belasten. Ook het MNidd verwijst met nadruk naar deze geschiedenis. Deze oude traditie werd daarom in de vertaling [van Nyanaponika] gevolgd. Maar een andere mogelijkheid is, vadanti als ‘redetwisten’ op te vatten [zoals door Norman], d.w.z. het woord te betrekken op de religieuze twistgesprekken waarover boek acht zo vaak handelt. Het in de tweede versregel volgende ‘vādo’ heeft heel vaak de betekenis van ‘discussie.’ Op grond van een dergelijke opvatting zou dan de vertaling kunnen zijn zoals die van Norman hierboven. Deze weergave past goed bij de hoofdinhoud van dit sutta, dat vooral het opgeven van visies en meningen behandelt.

{2} ‘dorheid van geest’. Door Nyanaponika vertaald met ‘verstoring’ (khilo). In het MNidd uitgelegd als 'neergeslagenheid van de geest' (āhata-cittatā).

{3} Volmaaktheden (samattāni); d.w.z. die idealen, idolen of ‘goden’ die hij naar zijn eigen voorstelling vormt zoals hij het begrijpt.
MNidd: "Bedoeld is iemand die zijn eigen leraar en diens leer en gemeenschap voor de beste en volmaakste houdt."

{4} Volgt men het commentaar en het MNidd bij de eerste strofe, dan zou de innerlijke samenhang van dit vers met het voorgaande ongeveer als volgt gedacht kunnen worden: Wanneer die anders denkende asceten zich door de willekeur en het naar believen van hun kwade gezindheid laten drijven tot zelfs lasterpraat en moord, dan kan natuurlijk niet verwacht worden, dat zij hun eigen verkeerde mening kunnen opgeven.”
     De beide begrippen in versregel b kunnen evenwel beter opgevat worden (1) als de willekeurige theorieën van die andersdenkenden; (2) als hun voorliefde (ruci) voor deze theorieën.
     Een alternatieve vertaling zou dan zijn: ‘ 
‘Hoe zou de eigen visie overwonnen kunnen worden van iemand die door willekeur geleid wordt, vastgelegd op lievelings-theorieën ?‘
     [Volgens mij is bedoeld iemand die stoer vasthoudt aan zijn eigen opvattingen en vooroordelen.]       

{5} alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de onedelen is.’ - Het commentaar legt de samenhang van de verzen 782-783 met bovenvermelde ontstaansgeschiedenis als volgt uit:
     ‘Toen de koning na oplossing van de schuldvraag wie de moord gepleegd had, aan de Verhevene vroeg waarom hij hem niet eerder over de lasterpraat had geïnformeerd, gaf de Boeddha ten antwoord: "Het is niet de aard van edelen, over hun deugdzaamheid tot anderen te spreken."’

{6} Norman: ‘indien iemand uit eigen beweging over zichzelf spreekt’

{7} alternatieve vertaling: ‘in vrede’

{8} Nyanaponika: ‘uitgedoofd in het hart’

{9} alternatieve vertaling: ‘dan zeggen goede mensen dat het de praktijk van de edelen is.’

{10} Nyanaponika: ‘dingen’ (dhammā); commentaar: visies.

{11} gevormd, geconstrueerd (pakappitā samkhatā). Beide begrippen betekenen letterlijk: verzonnen; hier met betrekking tot het geestelijke, d.w.z. uitgedacht, geestelijk geconstrueerd, gefantaseerd. MNidd maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthipakappanā, d.w.z. wens-fantasieën en speculatieve fantasieën (of fantastische visies).

{12} voordelen; volgens MNidd zijn daarmee bedoeld de verwachtingen van geluk voor deze kant en de andere kant, welke verwachtingen op verkeerde visies zijn gebaseerd. 

{13} alternatieve vertaling: wiens visies (of: geest-objecten) ingebeeld/uitgedacht zijn en geconstrueerd zijn, bevoorkeurd, onzuiver, welk voordeel hij er voor zichzelf in ziet, hij is afhankelijk van die visie die ingebeeld en geconstrueerd en conventioneel is.

{14} Het is een gewoonte geworden zo (= verkeerd) te denken.

{15} Verwerpt . . . neemt aan (nirassati ādiyati); het commentaar geeft hier de gelijkenis van de aap (zie vers 791). Over de tegenovergestelde houding wordt gesproken in vers 787. Met dezelfde uitdrukkingen als hier wordt die geformuleerd in vers 954: n'ādeti na nirassati, "Niet grijpt hij op, verwerpt ook niet.”

{16} alternatieve vertaling: ‘Bij de visies is een visie aangenomen door iemand die ze heeft overwogen. Daarom verwerpt iemand een visie bij deze visies of hij neemt een aan.’

{17} gezuiverd. MNidd geeft de volgende uitleg: "De wijsheid wordt dhonā genoemd, omdat erdoor al het slechte wordt afgeworpen (dhuta) en afgewassen (dhota)."

{18} Waarheen zou een gezuiverd mens gaan? -  Commentaar: "Waarmee zou hij nu of in de toekomst, met betrekking tot de verschillende sferen van bestaan, in een (aanduiding, categorie of) benoeming ingaan (sankham gaccheyya),  MNidd: als helle-wezen, als ongelukkige geest, als dier, als een godheid, lichamelijk, onlichamelijk enz.)?"

{19} alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, van een gezuiverd mens is nergens in de wereld een visie ingebeeld wat betreft verschillende [soorten van] bestaan. Een gezuiverd mens, na illusie en eigendunk te hebben opgegeven, naar welke categorie zou hij gaan? Hij is niet gehecht (bevrijd).’

{20} Iemand die erbij betrokken is, upayo hi dhammesu upeti vādam; letterlijk: "Wie nadert, is dicht bij een discussie over de dingen (of leringen), d.w.z. hij gaat erop in.”  MNidd: "Er is een tweevoudige ‘nadering' (upaya): door verlangen en door visies.”

{21} Opnemen of verwerpen (attam nirattam); zo ook in de verzen 858 en 919. - K. E. Neumann gaf een verkeerde vertaling met ‘eigen’ en ‘oneigen’, misschien beïnvloed door een passage uit het MNidd. Daar is o.a. ook sprake van attā (ik, zelf), maar heel duidelijk slechts als woordspeling, terwijl de eigenlijke uitleg van het woord door het begrip gahana (aannemen) wordt gegeven. Het attam van onze teksten heeft niets te maken met attā, maar is het voltooid deelwoord (Skr.: ātta) van ādadāti (opnemen). In dezelfde betekenis komt het in het Sutta Nipata voor als attañjaha (vers 790), attam pahāya (vers 800) en attadanda (vers 935), allemaal in het boek van acht. Nirattam ist het voltooid deelwoord van nirassati (Skr. nirasta, nirasyati) dat in vers 785 voorkomt, waar het volgende ādiyati (neemt aan) overeenkomt met het attam in vers 787. Omdat deze beide begrippen in meerdere Duitse en Engelse vertalingen verkeerd werden weergegeven, is de hier gegeven vertaling bewezen door een kort inhoudelijk onderzoek van de betreffende teksten. In ons vers 787 hebben beide begrippen duidelijk betrekking op het partijdige  beweren en afwijzen in het twistgesprek. Dat hier ik (attā) en niet-ik (anattā) als de beide tegenovergestelde en af te gooien visies bedoeld zouden zijn, kan zonder meer worden uitgesloten. Net zo min kan versregel c de betekenis hebben van: hij heeft (of er is voor hem) geen ik of niet-ik. - In vers 858 regel b hebben de beide begrippen betrekking op de eerder genoemde bezittingen. Ook hier zou de betekenis ‘ik, niet-ik’ volstrekt onpassend zijn. In vers 1098 wordt het begrip nirattam niet tegenover attam, maar tegenover uggahītam (letterlijk: het opgenomene) gesteld; dit alleen al laat over de betekenis van beide begrippen ‘attam nirattam’ geen twijfel bestaan.

     MNidd: “Opnemen en verwerpen is er niet voor hem,” d.w.z. voor hem is er noch de eeuwigheids-visie van een ik, noch de vernietigings-visie van een (nihilistisch alles) verwerpen (nirattā'ti). Er is voor hem noch het aannemen van een zelf (attā'ti gahanam), noch iets dat af te wijzen is (nirattā'ti rnuñcitabbam) door (nihilistisch) verwerpen. Voor wie er een aanname (of conceptuele bevestiging) is, voor hem is er ook iets af te wijzen (conceptuele ontkenning). Voor wie er iets af te wijzen is, voor hem is er ook iets aan te nemen. De heilige echter heeft aannemen en afwijzen (gahanamuñcana) helemaal overwonnen, hij is bovenuit toenemen en afnemen, (vooruitgang en achteruitgang, positief en negatief).

{22} alternatieve vertaling: ‘Waarlijk, gehechtheid leidt tot twistgesprekken over visies. Hoe kan men spreken over iemand die niet gehecht is! Voor hem is er noch zelf-visie noch niet-zelf-visie. Hij heeft alle visies afgeworpen.’

________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 14:06 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #6 Gepost op: 14-03-2019 13:48 »
Sn.IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka Sutta - zuiverheid


788. “Ik zie wat gezuiverd is, het hoogste, zonder ziektes. Zuiverheid komt tot iemand door middel van wat hij heeft gezien en waargenomen.” Als iemand dit zo inziet{1} en meent te weten: “Het is het hoogste, ik ben een ziener van de gezuiverden,” dan gelooft hij dat kennis leidt tot zuiverheid.{2} {3}

789. Indien zuiverheid tot iemand zou komen door wat hij heeft gezien, of indien hij ellende zou opgeven door middel van kennis, dan zou hij die aanwinsten heeft welke naar wedergeboorte leiden,{4} gezuiverd worden door iets ander dan het edele pad. Maar dat is slechts een mening van degenen die zo spreken.{5}

790.De [ware] brahmaan zegt niet dat zuiverheid komt van iets anders (dan het heilige pad), of dat ze is in wat is gezien en gehoord, in deugdzaam gedrag en geloften, of in wat op een andere manier is waargenomen.{6} Niet hechtend aan verdienste of kwaad, geeft hij op wat eens was opgenomen, en maakt niets meer hier pasklaar.{7} {8}

791. Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend, de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden. Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap die de ene tak loslaat en de andere pakt.{9} {10}0

792. Iemand die zelf geloften opneemt, gehecht aan gevoelens, emoties, gaat hoog en laag. Maar degene die weet, degene met grote wijsheid, gaat niet hoog en laag; hij heeft de leer begrepen door middel van de kennis van de weg.{11}
   
793. Hij is niet geassocieerd met enig mentaal verschijnsel, of met wat is gezien of gehoord of gedacht. Hoe zou iemand hier in de wereld twijfel kunnen hebben over hem, wanneer hij een dergelijk inzicht heeft en zich open gedraagt?

794. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur, zij zeggen niet: “Dit is de hoogste zuiverheid.” De knoop van hechten losmakend, welke knoop is gebonden, vormen zij geen verlangen naar iets in de wereld.

795. De brahmaan is aan gene zijde van grenzen gegaan. Wetende of iets ziende, heeft hij het niet vastgegrepen. Hij is niet door passie gepassioneerd; hij is niet gehecht aan het passieloze. Door hem wordt hier niets meer vastgegrepen.

_____
Noten

{1} ‘inziet’. MNidd  "Men meent dat het zien van vormen door het zienbewustzijn ‘inzicht’ is, ‘de weg’ is, ‘het pad’, ‘de bevrijding’.”

{2} Nyanaponika vertaalde: "Ik zie iemand die zuiver is, volledig vrij van ziekten. Door diens aanblik krijgt de mens zuiverheid.” Als men hiervan zeker is, het voor het hoogste houdt, zuiverheid beschouwend, dan meent men dat dit inzicht is.

{3} Het commentaar geeft als uitleg de legendaire geschiedenis van een jonge man vanuit wiens borst stralen kwamen. De brahmanen gingen met hem door het hele land en lieten hem door de mensen vereren. Zij beweerden dat zijn aanblik roem, rijkdom en hemelse wedergeboorte bracht.
    Zo lang als er geen andere gegronde uitleg voor het begin van dit sutta is, moet men wel daarin het commentaar volgen, dat men als beginpunt van dit en ook van het volgende sutta inderdaad het volksgeloof aanneemt ten gevolge waarvan bepaalde mensen of dingen het horen van bepaalde geluiden of woorden enz als gelukbrengend of onheilbrengend beschouwen. Het  Maha Niddesa geeft bij vers 790 voorbeelden hiervoor. - Hoe het hiermee ook gesteld is, zo keert zich in ieder geval deze en de volgende tekst in het algemeen tegen elke bevangenheid bij de waarneming (zie vers 792) en tegen de uit waarnemingen afgeleide speculatieve meningen.

{4} Nyanaponika: ‘die aan het leven gehecht is’

{5} Norman: ‘Want deze visie verraadt hem als hij zo spreekt.’ - Alternatieve vertaling: ‘Want de valse visie verklaart hem als een persoon die zo spreekt.’

{6} ‘op een andere manier waargenomen’  (mutam = Pali en Skr. mata, gedacht, vermoed; maar ook, zoals hier:  waargenomen. Hiermee worden de drie andere lichamelijke zintuigen (ruiken, proeven, aanraken) omschreven.

{7} ‘en maakt niets meer pasklaar.’ Nyanaponika: ‘en laat zich niet meer in tot nieuw handelen.’ - MNidd: "Hij produceert geen goede, noch slechte noch onbeweeglijke kamma-formaties.”

{8} Alternatieve vertaling: ‘De brahmaan die niet gehecht is aan goed of kwaad, die zelf-visie (inclusief niet-zelf-visie) heeft opgegeven, die hier niet construeert (d.w.z. geen goed of kwaad ophoopt), legt zuiverheid niet uit op een andere manier door wat is gezien, gehoord, in deugdzaam gedrag of geloften, of door wat is gevoeld.’

{9} Norman vertaalde: ‘Opgevende hun vroegere leraar, zijn zij afhankelijk van een andere. Degenen die onder de invloed zijn van lust overwinnen gehechtheid niet. Zij pakken op en laten gaan als een aap die een tak loslaat na die vastgepakt te hebben.’ -

{10} alternatieve vertaling: ‘Gehecht zijnde aan zins-waarnemingen gaat hij op en neer. Maar de wijze mens, degene met rijkelijke wijsheid, gaat niet heen en weer, de waarheid gerealiseerd te hebben door middel van de kennis van de wegen.’

{11} Zich hechten aan iets, wat dan ook, is (oorzaak voor) lijden. Zich nergens aan hechten betekent vrijheid.
__________

Met vriendelijke groet
Nico

« Laatst bewerkt op: 14-03-2019 13:51 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #7 Gepost op: 14-03-2019 17:55 »
Sn.IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka Sutta - het hoogste

796. Wanneer iemand bij zijn eigen visies blijft en denkt: “Dit is het hoogste,” dan acht hij dit als het beste in de wereld. En hij zegt dat alle andere visies lager zijn. Daarom heeft hij twistgesprekken niet overwonnen.{1}

797. Welk voordeel hij voor zichzelf ziet in wat gezien en gehoord is, in deugdzaam gedrag en geloften, of in datgene wat op een andere manier is waargenomen, juist naar dat ding grijpt hij en ziet al het andere als geringer.

798. Deskundigen noemen die visie een band,{2} wanneer men vanuit het eigen standpunt een ander standpunt geringschat.{3} Laat een bhikkhu daarom niet afhankelijk zijn van iets dat gezien, gehoord of op een andere manier is waargenomen, of van deugdzaam gedrag en geloften.

799. Noch laat hij een visie vormen in de wereld vanwege kennis of deugdzaam gedrag of geloften.{4} Laat hij zichzelf niet vergelijken als gelijk, noch laat hij denken aan zichzelf als geringer of beter.

800. Opgevende wat is opgenomen, en het niet meer opnemende,{5} laat hij zelfs niet van kennis (weten) afhankelijk zijn. Waarlijk, hij volgt geen pasklaar gemaakte visie onder degenen die verschillende visies hebben. Hij gelooft geen enkele visie.
 
801. Voor hem die geen verlangen heeft naar hernieuwd bestaan hier of hiernamaals,{6} voor hem zijn er na overweging bij leerstellingen geen visies waaraan hij hecht.

802. Bij hem is hier zelfs geen kleine mening gevormd met betrekking tot wat is gezien, gehoord of op een andere manier waargenomen. Hoe kan iemand hier in de wereld twijfels hebben over die ware brahmaan{7} die geen visies aanneemt.

803. Zij vormen geen visies, zij hebben geen voorkeur. Noch hechten zij aan leerstellingen.{8} Een brahmaan moet niet afgeleid worden door deugdzaam gedrag of geloften. Wanneer hij naar de andere oever is gegaan, komt zo iemand niet meer terug.{9} {10}
__________

Noten

{1} Het commentaar citeert hier de bekende gelijkenis van de blinden die een olifant beschrijven aan de hand van de door hen aangeraakte lichaamsdelen.

{2} een band (gantham), door Nyanaponika vertaald met: ‘beperkt denken;’ vergelijk de innerlijke boei of band door dogmatisme (idamsaccabhiniveso gantho).

{3} letterlijk: ‘dat men (op het ene) leunend (nissito), iets anders als minder waard acht. Commentaar: leunend op de eigen leraar, diens leringen, enz.’

{4} MNidd gaat terug op niet overgeleverde, op de zuivering door waarneming van de zintuigen uitgaande zelf gevormde meningen, geput uit het weten van meditatieve waarnemingen, magische krachten, uit verkeerd denken, uit regels en rituelen (zelf geschapen of willekeurig geïnterpreteerd). Dit sluit dus ook in de pogingen van vorming van een eigen religie of sekte.

{5} Commentaar: ‘Datgene wat hij vroeger had opgenomen (gahitam), geeft hij op en grijpt niets anders.’

{6} Nyanaponika vertaalde: ‘naar beide einden.

{7} Nyanaponika: ‘Waarin hier in de wereld zou men de priester kunnen insluiten’

{8} (verkeerde) leerstellingen; MNidd: de 62 verkeerde visies. [Zie Digha Nikaya 1].

{9} ‘komt niet meer terug’ (na pacceti), d.w.z. hij keert niet meer terug naar de overwonnen hartstochten en zwakheden en ook niet naar piekeren, meningen, enz.

{10} Nyanaponika: ‘Zij denken niets uit, en volgen geen idolen, noch nemen zij zulke verkeerde leerstellingen aan. En ook aan regels, rituelen en geloften kan men de ware priester niet herkennen. Als hij bevrijd is, valt de heilige nooit meer terug.’
__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #8 Gepost op: 16-03-2019 08:37 »
Sn. IV.6. verzen 804- 813.  Jarā-Sutta - ouderdom


804. Waarlijk, dit leven is kort. Men sterft voordat honderd jaren om zijn. En ook als men langer blijft leven, dan sterft men toch aan ouderdom.

805. Mensen treuren om ‘hun’ geliefde dingen, maar geen enkel bezit is blijvend.{1} Wanneer men ziet dat verandering en het gescheiden worden daadwerkelijk bestaan,{2} laat men dan niet een leven in het huis leiden.
 
806. Wat iemand als ‘mijn’ beschouwt, ook dat verdwijnt met de dood.{3} Wanneer een volgeling van mij dit heeft ingezien, neigt hij niet meer naar de ‘mijn’-gedachte.{4}

807. Juist zoals iemand die ontwaakt is, niet ziet wat hij in een droom zag, juist zo ziet men geen geliefde mensen wanneer zij dood en heengegaan zijn.
 
808. Die mensen die men zag en hoorde, wier naam ‘zus of zo’ was, wanneer zij zijn gestorven zal alleen hun naam overblijven om uitgesproken te worden.{5}

809. Verdriet, geweeklaag en hebzucht wijken niet van hen die begerig zijn naar geliefde dingen.{6} Daarom geeft de wijze elk bezit op en gaat hij weg, omdat hij de enige veiligheid ziet.{7}

810. Een bhikkhu die ingetogen op een afgelegen woonplek verblijft, van hem zegt men dat het voor hem het juiste is dat hij zichzelf niet meer in het bestaan toont.{8}

811. Nergens van afhankelijk houdt een wijze niets als aangenaam of onaangenaam. Geweeklaag en hebzucht hechten niet aan hem vast, net zomin als water aan een lotusblad hecht.

812. Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan steeds nieuw bestaan, hetzij hier hetzij ginder, noch aan wat gezien, gehoord of op een andere manier vernomen is.{9}

813. Wie afgeschud heeft, koestert geen meningen bij alwat gezien, gehoord of op een andere manier vernomen is. Hij zoekt geen andere zuivering dan het edele pad. Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets.{10} {11}
_____
{1} Vgl. M.22.

{2} alternatieve vertaling: ‘onvermijdbaar is’. - Nyanaponika vertaalde: ‘In de verandering slechts heeft deze wereld bestand.’ - Het MNidd: "Door verandering en wijziging van de respectievelijke vroegere groepen van bestaan (khandha), elementen (dhātu) en grondslagen van de zintuigen (āyatana) bestaan de latere groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen."

{3} MNidd citeert hierbij de volgende verzen uit Jātaka 351:
     ‘Of de schatten van de sterfelijke eerder verdwijnen, of dat de sterfelijke voordien sterft,
weet, gij dwaas, dat schatten niet blijvend zijn. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.
     De maan komt op, wordt rond en verdwijnt; de zon gloeit en snelt naar het ondergaan. Zo heb ik de loop der dingen gezien. Daarom klaag ik niet, ook al is het tijd van klagen.’
 
{4} Norman vertaalde: ‘Dit inderdaad wetende, laat een wijs iemand, een volgeling van mij, niet geneigd zijn naar bezittingen.’

{5} Nyanaponika vertaalde: ‘zal alleen hun naam overblijven als verkondiger van gestorven mensen.’

{6} Nyanaponika vertaalde: ‘eigendom.’

{7} Commentaar: ‘De veiligheid is het doodloze, Nibbāna.

{8} Norman vertaalde: ‘dat hij zichzelf niet in enig oord vertoont.’ -  Alternatieve vertaling: ‘dat hij zichzelf niet toont in een oord van bestaan.’

{9} Norman vertaalde: ‘Juist zoals een druppel water niet aan een lotusblad hecht, zoals water niet aan een lotusbloem hecht, zo hecht een wijze niet aan wat gezien of gehoord of gedacht is.’

{10} Norman vertaalde: ‘Daarom denkt een gezuiverde niet dat zuiverheid is door middel van wat gezien, gehoord of gedacht is; noch wenst hij zuiverheid door iets anders. Hij heeft geen verlangen naar iets noch afkeer van iets.’

{11} ‘Hij kent geen verlangen naar en geen afkeer van iets’ (na hi so rajjati noirajjati). - MNidd: "De ‘dwaze wereldlingen’ (bālaputhujjana) hebben verlangen naar iets, de ‘edele wereldlingen’ (kalyānaputhujjana) en de zeven ‘die nog moeten oefenen‘ (sekha) ondervinden afkeer; de volmaakte heilige heeft geen verlangen, noch ondervindt hij afkeer.”

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #9 Gepost op: 19-03-2019 08:58 »
Sn.IV.8. (verzen 824-834) Pasūra Sutta

824.  “Hier alleen is zuiverheid,” zeggen ze. Zij ontkennen dat zuiverheid [ook] in andere leerstellingen is.
Waaraan zij gehecht zijn, noemen velen ‘goed’, de velen die zich vastleggen op een enkele waarheid.{1} {2}

825.  Verlangend naar twistgesprek, zich in de bijeenkomst stortend, beschouwen zij elkaar wederkerig als dwazen.
Omdat zij van mening verschillen, voeren zij een twistgesprek, begerig naar lofprijzing, met de woorden dat zij deskundigen zijn.

826.  Wie graag een discussie voert in het midden van de bijeenkomst en naar lofprijzing verlangt, is bang voor een nederlaag.
Als zijn argument is verworpen, dan wordt hij neerslachtig. Boos vanwege de kritiek die hij kreeg, zoekt hij zwakke punten bij anderen.
 
827.  Indien iemands argument als inferieur beoordeeld wordt en verworpen, dan klaagt de verslagene en hij is bedroefd. Hij treurt: ‘Hij heeft me overwonnen.’

828.  Dergelijke twistgesprekken zijn ontstaan onder de (andere) asceten. Onder hen is de verheffing van overwinning en de depressie van verslagen zijn.
Dit ziende, laat men twistgesprekken vermijden. Want het enige doel ervan is lofprijzing en voordeel.{3}

829.  Indien hij anderzijds daar geprezen is, als hij in het midden van de bijeenkomst een goede toespraak heeft gehouden over het twistpunt, dan lacht hij blij daarover en is hoogmoedig omdat hij het doel heeft bereikt wat zijn bedoeling was. {4}

830.  Die opgetogenheid zal de oorzaak zijn voor verstoring bij hem,{5} maar desondanks praat hij trots en met eigendunk. Dit ziende, laat men niet redetwisten, want de deskundigen zeggen dat zuiverheid daardoor niet verkregen wordt.

831.  Wanneer jou een held die leeft van koninklijke soldij, donderend{6} nadert en naar een tegenstander verlangt,{7} ga dan daarheen waar die tegenstander is, o held. Voor mij evenwel was eerder al de strijd voorbij.{8}

832.  Indien iemand een visie heeft opgenomen, en zegt: “Alleen dit is waar,” zeg dan, wanneer een discussie is ontstaan, tegen hem: ‘Er zal geen tegenstander voor jou zijn hier.’

833.  Maar bij degenen die zich met geen enkele kant verbinden, die niet de ene visie tegen de andere zetten, welke tegenstander, Pasūra, zou je van zulke mensen kunnen krijgen? Door hen is hier niets meer vastgegrepen.

834.  En nu ben je al piekerend {9} hierheen gekomen en overdenk je theorieën in je geest. Je bent in contact gekomen met een gezuiverd man. Maar je zult niet in staat zijn om met hem verder te gaan.”

Noten

{1} enkele waarheid (pacceka-sacca); vgl. Ang. Nik. X.20, [waarin gesproken wordt over ‘panunna-paccekasacco,' degene die ‘bijzondere waarheden’  verworpen heeft; d.w.z. eenzijdige, subjectieve visies.
De dogma’s zoals “De wereld is eeuwig,” of “de wereld is tijdelijk,” “de wereld is eindig,” of “de wereld is oneindig,” “de ziel is gelijk aan het lichaam,” of “de ziel is verschillend van het lichaam,” “de Volmaakte bestaat na de dood,” of “ de Volmaakte bestaat niet na de dood,” of “de Volmaakte bestaat en bestaat niet na de dood,” - van deze en dergelijke dogma's heeft men zich vrij gemaakt. (A.x.20)]

{2} Norman vertaalde:’Met te zeggen dat het goede in datgene is waarvan zij afhankelijk zijn, zijn veel mensen ingeworteld in hun verscheidene waarheden.’

{3} Nyanaponika vertaalde: ‘want er is geen enkel voordeel bij het krijgen van lofprijzing.’

{4} Nyanaponika vertaalde: ‘... en is hoogmoedig. Heeft hij dit doel bereikt, dan is zijn hart tevreden.’

{5} namelijk wanneer de hoogmoed door een nederlaag vernederd wordt.

{6} donderend, d.w.z. luid roepend

{7} tegenstander (patisūra), letterlijk: tegen-held, dit is de tegenstander in de wedstrijd van de helden of gladiatoren. Dit en sūra (held) in de vorige en volgende regel zijn toespelingen op de naam van de strijdlustige redenaar, Pasūra.

{8} Norman vertaalde: ‘Waarlijk, er is niets meer overgelaten om hier tegen te vechten.’

      Het Maha Niddesa: "sinds de Verlichting onder de Bodhi-boom zijn voor mij alle te bestrijden bevlekkingen overwonnen.”

{9} piekerend - het Maha Niddesa: "nadenkend over de afloop van het twistgesprek, en ook hoe de discussie gevoerd zou kunnen worden: met antwoord, tegenvraag enz.”
_____
Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #10 Gepost op: 20-03-2019 17:13 »
Sn. IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta - Strijd en tweedracht

862 (De vragende)
     “Vanwaar zijn ruzie en tweedracht ontstaan, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat? Leg mij dat a.u.b. uit.”

863 (De Verhevene)
     “Uit wat dierbaar is,{1} ontstaan ruzie en tweedracht, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat. Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht, en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat.”

864 (vraag)
     “Wat dierbaar is in de wereld, waaruit stamt het, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn? Vanwaar stammen wens en vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn?” {2}

865 (De Verhevene)
      “Uit het verlangen{3} stamt wat dierbaar is in de wereld, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn. Daaruit ontstaan wens en de vervulling, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn.”

866 (vraag)
     “Vanwaar stamt het verlangen in de wereld, vanwaar is de vorming van oordelen ontstaan? Vanwaar stammen woede, leugens en twijfel en ook andere dingen die de Asceet{4} verkondigt?”

867 (De Verhevene)
     “Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst", daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan. Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen,dan vormt de mens zich oordelen.{5}

868
     De woede, leugens en twijfel, ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.{6} Degene die twijfelt, moet voortgaan op het pad van weten. Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.”{7}

869 (vraag)
     “'Gewenst' en 'ongewenst' – vanwaar stammen deze? Wanneer wat niet aanwezig is, zijn ook deze twee niet aanwezig? Toon mij het verdwijnen en het ontstaan ervan, verkondig het mij en vanwaar ze afstammen.”

870 (De Verhevene)
     “'Gewenst' en 'ongewenst' stammen van de zintuiglijke indruk.{8} Wanneer er geen zintuiglijke indruk is, zijn ook die twee niet aanwezig. Het verdwijnen en ontstaan ervan stamt daar vandaan. Zo verkondig ik.”

871 (vraag)
     “Vanwaar stamt de zintuiglijke indruk in de wereld? Vanwaar is het grijpen{9} (naar de wereld) ontstaan? Wanneer wat niet aanwezig is, is er geen mijn-gedachte? Wanneer wat verdwenen is, kan indruk geen contact maken?”

872 (De Verhevene)
     “Door lichaam en geest is de indruk veroorzaakt. Uit wensen stamt het grijpen (naar de wereld). Wanneer er geen wensen zijn, zijn er geen mijn-gedachten, wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is, kan indruk geen contact maken.”{10}

873 (vraag)
     “Hoe geaard is iemand bij wie de lichamelijke wereld tot verdwijnen komt? Of vreugdig of ellendig, hoe komt zij tot verdwijnen? Verkondig mij a.u.b. hoe dit alles verdwijnt. 'O, konden wij het toch inzien,' zo verlangt mijn hart.”

874 (De Verhevene)
     “Niet heeft hij het gewone bewustzijn, noch is het ziekelijk. Hij is niet onbewust, noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn.Voor degene die aldus geaard is, wordt de lichamelijke wereld opgeheven. Want uit het bewustzijn ontstaat de veelheidswereld in haar onderdelen.” {11}

875 (vraag)
     “Wat wij hebben gevraagd, hebt u ons verkondigd. Iets anders vraag ik u, verkondig ook dit. Er zijn enige wijzen die onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is.{12} Zijn er ook zulke mensen die het anders verkondigen?”

876 (De Verhevene)
     “In zoverre er enige wijzen onderrichten dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is, zo zijn er ook zulke die als kenner gelden, die de vernietiging onderwijzen zonder rest.

877
     Bevangen zijn zij, - zo herkent men deze. Als onderzoeker kent de wijze hun steunpilaren.{13} En door het kennen ervan zal de vrije persoon niet strijden.{14} De wijze gaat niet van zijn naar opnieuw zijn.”


__________

Noten

{1} d.w.z. uit dierbare objecten, hetzij personen of dingen.

{2} ye samparāyāya narassa honti. - Samparāya betekent meestal de toekomstige bestemming van de mens, d.w.z. zijn volgende bestaansvorm. Het Mahāniddesa legt het hier uit met parāyana (doel), sarana (toevlucht), etc., en voegt toe: "De mens heeft (wens-)vervulling als doel (naro nitthā-parāyano hoti).”

3} Verlangen (chanda); hier niet als de neutrale geestelijke factor “wil” of “bedoeling” te verstaan, maar volgens het Mahāniddesa, als kāmacchanda, (zinsverlangen).

4} Asceet, dit is de Boeddha.

5} Dan bepaalt de mens wat de waarde van iets of iemand is. - Wanneer de mens het ontstaan van een gewenste lichamelijke gebeurtenis of het vergaan van een ongewenste gebeurtenis ondervindt, dan velt hij het oordeel: 'Dit is goed.' Ondervindt hij het vergaan van een gewenste gebeurtenis, of het ontstaan van een ongewenste gebeurtenis, dan oordeelt hij: 'Dat is slecht.' Het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen oordelen ontstaan door begeerte, en oordelen ontstaan door visies (tanhāditthi-vinicchaya): Wanneer bijvoorbeeld iemand geen nieuw bezit krijgt en verkregen bezit bij hem verdwijnt, dan vraagt hij naar de oorzaak ervan en komt tot het oordeel: 'Wegens mijn overgave aan drank, dobbelspel, traagheid enz.' Dit is een oordeel dat bepaald is door begeerte, veroorzaakt door het ontstaan en vergaan van lichamelijke dingen. – Wanneer bijvoorbeeld zien-vermogen is ontstaan, dan oordeelt men: 'Mijn ik is ontstaan;' wanneer het verdwijnt, dan oordeelt men: 'Mijn ik is verdwenen.' Dit is een oordeel dat bepaald is door verkeerde visie, veroorzaakt door het ontstaan en verdwijnen van lichamelijke dingen.

{6} Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.

{7} De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.

{8} Dit is een schakel in de keten van oorzakelijk ontstaan (paticca samuppada): 'door zintuiglijke indruk veroorzaakt is gevoel.' (phassapaccayā vedanā).

{9} Grijpen (pariggaha); het Mahāniddesa maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeerte of verkeerde visies. Het gaat hier dus om het geestelijke grijpen naar de waarneming, het be-grijpen ervan door be-grippen, die ofwel door begeerte of door theorieën vervalst zijn en zo de waarneming met verkeerde waarderingen voorzien en verkeerd weergeven.

{10} Wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is (rūpe vibhūte). Het hier bedoelde 'lichamelijke' (rūpa) wordt in het Mahāniddesa omschreven als 'de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen (die ook de zinsobjecten insluiten).'

Het Mahāniddesa: Door vier oorzaken kan lichamelijkheid verdwijnen: door verdwijnen in herkennen (ñāta-vibhūta), door verdwijnen in het onderzoeken (tīrana-vibhūta), door verdwijnen in het opgeven (pahāna-vibhūta), door verdwijnen in het overschrijden (samatikkama-vibhūta).

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het herkennen? Men weet dat alles wat lichamelijkheid is, in de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen bestaat.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het onderzoeken? De zodanig herkende lichamelijkheid onderzoekt men in vergankelijkheid ervan, het niet bevredigende ervan, de onpersoonlijkheid ervan.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het opgeven? Na een dergelijk onderzoek geeft men het verlangen en de hebberigheid naar de lichamelijkheid op.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid door overschrijden? Voor degene die de vier onstoffelijke meditatieve sferen (arūpa-samāpatti) heeft verkregen, zijn de lichamelijke dingen (inclusief die van de fijnstoffelijke sfeer) verdwenen, te niet gemaakt, overschreden, volledig overschreden, overwonnen (vibhūtā vibhāvita atikkantā samatikkantā vītivattā).

{11} Dit is een moeilijk vers, dat verschillende problemen opwerpt. Vooraf moet vermeld worden dat het daarin herhaaldelijk voorkomende begrip saññā (waarneming) hier als vertegenwoordiger voor bewustzijn in het algemeen staat, zoals ook in asaññā-satta, nevasaññā-nāsaññāyatana en andere.

Niet heeft hij het gewone bewustzijn (na sañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij bevindt zich niet in de natuurlijke of gewone bewustzijnstoestand (pakati-saññā).'

Noch is het ziekelijk (na visañña-saññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet waanzinnig noch geestelijk gestoord.'

Hij is niet onbewust (na asaññī); het Mahāniddesa: 'hij is niet ingetreden in de toestand van de opheffing (van waarneming en gevoel, nirodhasamāpatti), noch is hij een onbewust wezen.'

Noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn, als vrije weergave van vibhūta-saññī, dat waarschijnlijk een afkorting is van vibhūta-rūpa-saññī. Dit wil zeggen dat hij niet iemand is wiens bewustzijn bij het lichamelijke en fijnstoffelijke verdwenen is. - Het Mahāniddesa: 'Hij heeft niet deel aan de vier onlichamelijke meditatie-toestanden (na pi so catunnam arūpasamāpattīnam lābhī).

Want uit het bewustzijn stamt de veelheidswereld in haar delen (saññā-nidāna hi papañca-samkhā). Zie hierover Maj.Nik. 18 (Madhupindika-Sutta).(MN. II. 18 ) Deze leerrede kan als commentaar bij dit vers dienen. -[In het kort is deze leerrede hierna opgenomen.]

{12} Het toppunt (aggam) wordt in het Mahāniddesa als de onstoffelijke meditatieve verdiepingen uitgelegd. In het bijzonder is aan het gebied van noch waarneming noch niet waarneming te denken.

{13} Steunpilaren (nissaye): hiermee zullen vooral de steunpilaren in het begeren en theoretiseren (tanhāditthi-nissaya) bedoeld zijn.

{14} Het Mahāniddesa citeert hiertoe Maj.Nik. 74 (MN.VIII.4): "De monnik wiens geest zo bevrijd is, keurt niemand goed en maakt ook geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan."



M.18. (M.II.8 ) Madhupindika sutta


     In het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Verhevene ging er naar de stad om aalmoezen te vergaren. Hij ging van huis tot huis, kreeg aalmoezen en keerde weer naar het park terug. Hij at de maaltijd en ging naar het Grote Bos. Binnen in dat bos ging hij onder een groep van citroenappelbomen zitten om er de dag tot aan de zonsondergang door te brengen.

     De Sakka-prins Dandapāni wandelde ook naar dat bos en kwam tot bij de Verhevene. Hij groette hem vriendelijk en vroeg wat de asceet onderwees. “Ik verkondig dat de bekenner in deze wereld door niets uit zijn doen geraakt, en dat de heilige die geen vragen meer stelt, die elke ontstemming vernietigd heeft, niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. Waarnemingen hechten niet meer aan hem. Dat verkondig ik."
     Met gefronste wenkbrauwen ging de prins weg.

     ’s Avonds keerde de Verhevene na de meditatie naar het park van de vijgenbomen terug. Hij vertelde er aan de monniken wat er gebeurd was. Een monnik vroeg nadere uitleg.

     De Boeddha: “Als de waarnemingen bij iemand verschijnen en als hij er geen behagen in schept, als ze niet meer aan hem hechten, dat is het einde van hechten van begeerte, is het einde van hechten van afkeer, is het einde van hechten van meningen, is het einde van hechten van twijfel, waan, bestaan, niet-weten, tekeergaan en bloedvergieten, oorlog en tweedracht, ruzie en strijd, liegen en bedriegen. Daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.” Na deze woorden vertrok hij.

     De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Mahākaccāna en vroegen hem de inhoud van die korte lering nader uit te leggen. De eerwaarde Mahākaccāna legde de lering toen als volgt uit.

     "Door het gezichtsorgaan en de vormen ontstaat het zien-bewustzijn. Door samenkomst van die drie ontstaat aanraking. Door aanraking ontstaat gevoel. Door gevoel ontstaat waarneming. Wat men waarneemt, daarover denkt men na. Men maakt onderscheid. En dan volgt het afzonderen. Wat men afzondert, verschijnt aan de mens als waarnemingen van bijzonderheid die betrekking hebben op vormen van vroegere, tegenwoordige en toekomstige tijden, welke vormen door het zien-bewustzijn waarneembaar zijn.

     Evenzo met gehoor – geluiden – hoorbewustzijn. Evenzo met ruikorgaan – geuren – ruikbewustzijn. Evenzo met smaakorgaan – smaken – smaakbewustzijn. Evenzo met de geest - gedachten en ideeën – denkbewustzijn.

     Als er gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn is, dan volgt aanraking, dan gevoel, dan waarneming, dan onderscheid.

     Evenzo met gehoor, ruikorgaan, smaakorgaan, aanraking, denken.

     Als gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming, geen onderscheid.”

     De eerwaarde Mahākaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahākaccāna onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāna voor diens wijsheid en keurde alles goed.
__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 20-03-2019 17:21 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #11 Gepost op: 22-03-2019 11:58 »
Sn.IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya Sutta

     Volgens het commentaar vertoefde de Boeddha eens in een bos. Der brahmaan Māgandiya ontmoette de Verhevene daar en bood hem zijn dochter ten huwelijk aan. De Boeddha wees haar af met het volgende vers.{1}

835. (De Gezegende)
     “Gezien heb ik Tanhā, Arati und Rāgā, {2} maar er kwam geen enkel verlangen naar seksuele omgang. Wat is dit werkelijk, vol met urine en uitwerpselen? Ik zou haar zelfs niet met mijn voet willen aanraken.”


836. (Māgandiya)
     “Indien jij zo’n juweel niet wenst, een vrouw naar wie veel koningen verlangen, welke soort van visie verkondig jij dan, overeenkomstig welk deugdzaam gedrag en geloften voer jij je leven en welke vorm van bestaan verkondig jij als doel?”

837.  De Gezegende
     “Māgandiya, niets uit de leerstellingen is door mij vastgegrepen waarvan ik zou kunnen zeggen: ‘Dit verkondig ik.’ Maar de leerstellingen doorgrondend, niet vastgrijpend, zag ik de innerlijke vrede.”

838.  Māgandiya
     “Die beslissingen die gevormd zijn, jij, wijze, spreekt er inderdaad over zonder eraan vast te grijpen. Dat ding genoemd innerlijke vrede, hoe is het door de wijze verkondigd?{3}

839.  De Gezegende
      “Men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, Māgandiya. En ook niet door de afwezigheid van visie, van leren, van kennis,{4} van deugdzaam gedrag, of geloften.
En deze opzij zettend, zonder hechten,{5} gekalmeerd (in vrede), niet afhankelijk, zal men naar geen bestaan meer verlangen.”

840.  Māgandiya
     “Indien men zegt dat zuiverheid niet is door visie, door leren, door kennis, of zelfs door deugdzaam gedrag en geloften, noch door afwezigheid ervan, dan denk ik dat die leer inderdaad verward is. Sommigen zijn van mening dat zuiverheid is door middel van visie.”


841.  De Gezegende
     “Afhankelijk van visie stel je vraag na vraag,  Māgandiya. Door je vooroordelen kwam je in verwarring. Van datgene waarover ik spreek,{6} heb je zelfs niet de geringste notie. Daarom beschouw je deze leer als verward.

842.  Alwie zichzelf gelijk, hoger of lager acht, die zal op grond daarvan een twistgesprek voeren. Maar iemand die onaangetast{7} is in de drie vormen van eigenwaan - voor hem is er geen ‘gelijk’ of ‘hoger’.

843.  Waarom zou die brahmaan zeggen: ‘Het is waar.’ Of met wie zou hij een twistgesprek voeren met de woorden: ‘Het is verkeerd.’ In wie er geen idee is van gelijk zijn of ongelijk, met wie zou hij in een twistgesprek komen?

844.  Het huis verlatend, thuisloos levend, geen bindingen maken in een dorp, vrij van zinnelijke genietingen, geen voorkeur tonende,{8} laat een wijze zich niet bezighouden met meningsuitingen met het volk.{9}

845.  Laat een groot man niet vastgrijpen aan en niet discussiëren over die visies, vrij waarvan hij in de wereld leeft. Juist zoals een lotus met een doornige stengel {10} die in het water groeit, door water en modder niet bezoedeld is, zo is een wijze die vrede verkondigd, niet begerig, onbezoedeld door zintuiglijk genot en de wereld.{11}

846.  Iemand die kennis heeft, wordt niet trots vanwege de visie of mening van iemand anders,{12} want dat is niet zijn aard. Hij kan niet meer beïnvloed worden door acties of door leren; hij wordt niet meer geleid door visies en gewoontes.{13}

847.  Wie zich heeft ontdaan van slecht denken, voor hem zijn er geen boeien.{14} En wie bevrijd is in wijsheid,{15} hij maakt zich geen voorstelling van iets. Maar degenen die slecht denken en visie in zich hebben opgenomen, zij leven in de wereld en botsen samen in ruzie.{16} {17}
 
__________

Noten

{1} Norman 1983 p. 69

{2} Dit zijn de drie dochters van Māra (begeerte, onbevredigdheid, en verlangen), die naar de Boeddha waren gekomen in de nacht van de Ontwaking, volmaakte Verlichting, om hem te verleiden. [m.a.w. voordat de Verhevene de volledige Verlichting verwerkelijkte, kwamen nog verleidelijke gedachten bij hem op.]

{3} De zin van Māgandiyas vraag kan zijn: “jij wijst de uitspraken en waarde-oordelen van de verschillende visies en filosofieen af. Maar is niet ook de ‘innerlijke vrede’ waarvan jij spreekt, aan waarde-oordelen van het inzicht en van de levenswijze gebonden of hoe wil je dat anders uitleggen?” De Boeddha antwoordt dan met de schijnbare paradox van vers 839.

{4} Het Maha Niddesa: "Ook visie (ditthi) ist het wensen waard, namelijk de juiste visie (sammā-ditthi) op de volgende tienvoudige manier: ‘Er zijn gaven, offergaven en giften; er is een vrucht en  gevolg van goede en slechte daden; er is deze en  gene wereld en vader en moeder; er zijn godheden; er zijn in de wereld asceten die in volmaaktheid zich gedragen, die in volmaaktheid leven, die deze en gene wereld verkondigen, nadat zij ze zelf hebben begrepen en ervaren.’
   
     Ook weten (savana) is het wensen waard: het (belerende) woord van iemand anders; de leerreden, gemengde vers- en proza-teksten enz. (d.w.z. de traditionele negen delen van de canonieke leer van de Boeddha.)

     Ook inzicht (ñāna) is het wensen waard: het inzicht van de eigenschap van het handelen; het met de edele waarheden overeenkomende inzicht, het inzicht dat verbonden is met de hogere geestelijke vaardigheden en met de meditatieve bereikingstoestanden.

     Ook regels (sīla) zijn het wensen waard: de beteugeling in de regels van de Orde.

     Ook geloften (vata) zijn het wensen waard: de acht regels van zuivering (dhutanga), namelijk die van de bos-asceet, van de aalmoezen-ontvanger, van de drager van een gewaad uit lompen, van de drager van drie gewaden, van degene die van huis tot huis gaat, van degene die latere maaltijden weigert, van degene die steeds staat, van degene die met elke slaapplaats tevreden is.

     De innerlijke vrede wordt niet bereikt door juiste visie alleen, door weten alleen, enz., maar ook niet zonder deze dingen kan men hem bereiken. Deze dingen zijn veeleer hulpmiddelen om de innerlijke vrede te bereiken, te ondervinden, te verwerkelijken.”

{5} Volgens het commentaar moet onder ‘deze’ verstaan worden: de verkeerde visies, het verkeerde weten, enz., terwijl het volgende betrekking heeft op de juiste visies, het juiste weten enz., aan welke men zich evenmin moet hechten.

{6} namelijk over de innerlijke vrede.

{7} Norman: ‘onwrikbaar’

{8} Nyanaponika vertaalde: ’niet naar het toekomstige verlangend (apurekkharāno); letterlijk: niet anticiperend, - namelijk toekomstwensen: "Moge mijn lichaam, mijn gevoel enz. zo zijn.’

{9} Dit vers werd door Mahā-Kaccana in Samyutta-Nikāya 22, 3 uitgelegd. Het Maha Niddesa brengt dit sutta volledig in plaats van eigen uitleg.

{10} alternatieve vertaling : ‘ Een groot man die zichzelf in de wereld vrij van die visies gedraagt, discussieert niet, ze vastgrijpende, hij pakt ze niet alweer op. Juist zoals een lotus met een ruwe stengel ...’

{11} alternatieve vertaling: ‘[vormen van] bestaan; woonplaatsen.

{12} na ditthiyā na mutiyā. Voor ditthiyā geeft het Maha Niddesa maar een enkele uitleg: ‘vanwege de 62 verkeerde visies’; voor mutiyā zijn er twee verschillende verklaringen:
1) muta-rūpena, d.w.z. vanwege waargenomen lichamelijkheid (dit is waargenomen door de zinsorganen van ruiken, proeven, en aanraken);
2) door de stem van iemand anders, door algemene overeenkomst, (d.w.z. waardering; mahājana-sammutiyā).

     Het commentaar geeft alleen de eerste uitleg.

{13} visies en gewoontes (nivesanesu); ook hier wellicht weer met betrekking tot de ‘visie waaraan men gewoon is.’

{14} Wie zich van slecht denken heeft ontdaan (saññāvirattassa). Hier werd de uitleg van het commentaar gevolgd dat blijkbaar saññā weer als het drievoudige slechte denken opvat, zoals in vers 535. Het Maha Niddesa: "Wie bij het vorderen van de oefening in kalmte van geest (samathapubbangama) het hoge pad ontplooit, diens boeien zijn aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige de boeien, het gissen, de hindernissen, de gedachten (saññā) van zinnelijkheid, van haat, van kwaadwil, en ook de verkeerde visies, opgegeven, met de wortel uitgeroeid. . ." - Het commentaar: "Wie door een met de gedachte van ontzegging enz. beginnende (nekkhammādisaññā-pubbangama) ontwikkeling van de geest de gedachte aan zinnelijkheid heeft opgegeven, die geldt als ‘ontdaan van het slechte denken’ (saññā-viratto) en wel is hij een ‘oefenende in geestelijke kalmte die aan beide kanten bevrijd is (ubhatobhāga-vimutto samatha-yāniko)."

Men zou geneigd zijn saññā-viratto eerder als tegenstelling tot saññā-satto (bevangen door waarneming) (vers 792) op te vatten en te vertalen: (regel a) ‘Wie bij de waarneming vrij van verlangen is . . .", (regel c) "Zij die zich houden aan waarneming en visie. . .".  Maar de samenhang in regel c/d maakt hier de uitleg van het commentaar waarschijnlijker. De werkelijk bedoelde betekenis van het woord saññā zal natuurlijk op veel plaatsen van het Sutta-Nipāta onzeker moeten blijven.

{15} Bevrijd in wijsheid (paññā-vimuttassa). Het Maha Niddesa: “Wie bij het vooruitgaan van de oefening van inzicht (vipassanā-pubbangama) het edele pad ontplooit, diens gissen is aan het begin verdrongen; maar bij het bereiken van de heiligheid zijn voor de heilige het gissen, de boeien, de hindernissen . . . opgegeven, met de wortel uitgeroeid . . .”  - Commentaar: "Het gaat hier om ‘iemand die oefent in helder inzicht’ (sukkha-vipassako)."

{16} Volgens het Maha Niddesa komt het door het drievoudige slechte denken tot de oorlogszuchtige botsing tussen de volkeren, tot ruzie binnen de kasten, families enz.; door visies komt het tot ruzie tussen de verschillende religieuze en filosofische stromingen.
 
{17} Norman vertaalde vers 847 aldus:  ‘Er zijn geen banden voor iemand die zonder waarnemingen is. Er zijn geen illusies voor iemand die door wijsheid bevrijd is. Maar zij die waarneming en visie hebben vastgegrepen, leven in de wereld en veroorzaken overtredingen.’
__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #12 Gepost op: 22-03-2019 15:41 »
Sn.IV.10. (verzen 848-861) Purābheda Sutta - voor het verval

     Het gedrag en de eigenschappen van de ware wijze.

848. De vragende
“Welke visie en welk deugdzaam gedrag moet men hebben om ‘gekalmeerd’ (in vrede) genoemd te worden? Vertel mij dit, Gotama, wanneer u gevraagd wordt over de hoogste man.”

 849. De Gezegende
“Wanneer begeerte is verdwenen, zelfs voor het verval van het lichaam, wie niet hecht aan het verleden, wie niets tot het heden rekent,{1} voor hem is er niets in de toekomst dat de voorkeur heeft.{2}

850.  Zonder boosheid, zonder angst, niet opscheppend, zonder spijt, bescheiden sprekend, niet arrogant,{3} hij is inderdaad een wijze met bedwongen taalgebruik.

851.  Hij heeft geen gehechtheid naar de toekomst, en hij treurt niet over het verleden. Hij ziet in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan, en laat zich door visie niet meer verleiden.{4} {5}

852.  Hij is teruggetrokken, zonder bedrog, niet hebzuchtig, niet afgunstig, bescheiden, geen aanstoot veroorzakende, niet geneigd naar lasterpraat.

853.  Hij is zonder verlangen naar aangename dingen,{6} en is niet geneigd naar arrogantie. Vriendelijk is hij met een scherp inzicht, en hij heeft hij geen voorkeur noch afkeer.{7}

854.  Hij oefent zichzelf niet omdat hij gaven wenst, en hij wordt niet boos wanneer hij niets ontvangt. Hij is ongehinderd door begeerte, en naar smaken komt bij hem geen verlangen.

855.  Hij is gelijkmoedig, steeds oplettend. Hij denkt niet aan zichzelf als gelijk in de wereld. Hij is niet beter noch minder. Hij heeft geen hoogmoed.

856.  Voor hem is er geen staat van afhankelijkheid,{8} hij kent de leer,{9} en is niet afhankelijk. Voor hem bestaat er geen verlangen naar bestaan of niet-bestaan.

857.  Hem die niet meer verlangt naar zintuiglijke genoegens, noem ik ‘gekalmeerd’ (in vrede). Bij hem zijn geen banden; hij heeft gehechtheid overwonnen.

858.  Voor hem zijn er geen zonen of vee, velden of bezittingen. Voor hem is er geen vastgrijpen en geen loslaten.

859.  Door hem wordt niet de voorkeur gegeven aan datgene op grond waarvan het gewone volk en asceten en brahmanen hem zouden kunnen beschuldigen. Daarom wordt hij niet opgewonden temidden van hun beschuldigingen.

860.  Vrij van ambitie, zonder jaloersheid, praat een wijze niet over zichzelf als zijnde hoger of gelijk of lager. Hij die niet meer grijpbaar is, gaat niet meer binnen in de begrijpelijkheid.{10}

861.  Voor hem is er niets dat zijn eigen genoemd kan worden in de wereld; en wie niet klaagt vanwege datgene wat er niet is, en niet de weg kwijt raakt bij mentale verschijnselen, hij wordt waarlijk genoemd ‘gekalmeerd’ (in vrede).”

__________

Noten

{1} Nyanaponika: ‘ondoorgrondelijk in het midden (van dit heden),’

{2} Uitleg van het Maha Niddesa: ‘hij heeft geen verwachtingen en wensen wat betreft de toekomst en wedergeboorte.’

{3} Nyanaponika: ‘met een rustig geweten, bezonnen sprekend, onbewogen,

{4} in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan ziende (vivekadassī phassesu). Het Maha Niddesa: "De indrukken van de zintuigen zijn ‘afgescheiden’ (in de zin van suññā, 'leeg') van een ik en van een tot een ik behorend iets, van iets blijvends, iets eeuwigs, iets onveranderlijks. De vroegere indrukken zijn ‘afgescheiden’ van de tegenwoordige en toekomstige enz. De zintuiglijke indrukken van de heilige zijn ‘afgescheiden’ (vrij) van begeerte, haat en waan."

{5} Norman heeft als vertaling van de laatste regels van vers 451: ‘Hij ziet onthechting wat betreft zintuiglijke contacten, en hij is niet geleid in verkeerde visies.’

{6} aangename dingen, d.w.z. de gewenste vijf objecten van de zintuigen.

{7} Uitleg van het Maha Niddesa: "In de leer die door hem zelf is ingezien en persoonlijk is ervaren, vertrouwt hij niemand, noch een andere asceet of brahmaan, noch een godheid, Māra of Brahma."
     Afkeer. Het commentaar: “Vanwege de vernietiging van de begeerte bestond er afkeer, maar nu (als heilige) voelt hij geen afkeer meer.”

{8} staat van afhankelijkheid (nissayatā); het Maha Niddesa: afhankelijkheid van begeerte en visies.

 {9} alternatieve vertaling:  ‘de natuur der dingen kennende’

 {10} Norman: ‘Hij geeft niet toe aan verzinsels, omdat hij zonder verzinsels is.’

_____

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 22-03-2019 15:47 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #13 Gepost op: 26-03-2019 09:38 »
Sn.IV.12. (verzen 878-894) Cūla-viyūha Sutta - de korte toespraak over meningen


Inleiding

     Het woord ‘viyūha’, dat in de titel van dit sutta is gebruikt, betekent het in slagorde opgestelde leger (van viyūhati, opstellen, arrangeren). Het commentaar is van mening dat in de verzen 880-882 twee standpunten tegenover elkaar worden gesteld. Op deze tegenoverstelling (pativiyūha) of ontmoeting baseerde het commentaar blijkbaar de titel, die werd weergegeven met ‘de korte ontmoeting’. De vertaler [Nyanaponika] is echter eerder geneigd de titel die niets over een tegenoverstelling zegt, te betrekken op de vele zich vijandig tegenover elkaar staande legers van dogmatiserende filosofen en brahmanen, die zich daardoor zelf ad absurdum voeren dat ieder zich voor wijs houdt (vers 881) en de ander voor dwaas (vers 880). Op grond daarvan zou de titel wellicht weergegeven kunnen worden als ‘Het defilé van de meningen’. De houding van de Boeddha tot deze strijd der dogmatici is gekenmerkt, bijvoorbeeld in het vers 912 regel b, in het vers 914 regel a, het Pasūra-sutta en veel andere plaatsen van het ‘boek van acht.’

     In het latere Sanskriet betekent vyūha ook voorstelling of beschrijving, geestelijke overweging, beschouwing. Maar deze betekenissen kunnen voor de oude tekst hier nauwelijks in aanmerking komen.     
__________

De korte toespraak over meningen


878.  (De vragende)
     “Iedereen is gewend geraakt aan eigen visie, is bevangen, en daarom is er verschil in wat de kenners onderwijzen: ‘wie ze zo verstaat, die kent werkelijk de waarheid; maar wie ze tegenspreekt, die heeft het mis.’

879.  Op een dergelijke manier bevangen raken zij in ruzie. Men zegt: ‘De ander is een dwaas, onkundig.’ Welke uitspraak ervan is nu wel de waarheid? Want zij allen noemen zich ‘kenner’.”

880. (De Verhevene)
     “Omdat men het niet eens is met de leer van iemand anders, wanneer men daarom als een dwaas geldt en als zwak van verstand, dan zijn zij allen zelf ‘dwazen met een zwak verstand’, want zij allen kennen alleen de eigen visie waaraan zij gewend zijn geraakt.

881.  Maar wanneer zij volgens eigen mening, gezuiverd door hun eigen visies, met een smetteloos inzicht zijn, kundig, wijs, dan zou niemand van hen ‘zwak van verstand’ zijn, want ieder beschouwt de eigen visie als volmaakt.

882.  ‘Zoiets kan ik niet als het juiste beschouwen’, zeggen de tegenstanders en noemen elkaar dwazen. De eigen visie maken zij steeds tot waarheid, daarom beschouwen zij de ander als dwaas.”

883.  (De vragende)
     “Wat nu enigen ‘het ware, het werkelijke’ noemen, dat is volgens anderen leeg en niet waar. Op een dergelijke manier bevangen, raken zij in ruzie. Waarom onderwijzen de asceten niet EEn ding?”

884.  (De Verhevene)
     “Er is slechts EEn waarheid, er is geen tweede. {1} Wanneer de mens ze kent, zal hij daarbij geen ruzie maken. Maar de asceten verkondigen zelf verschillende dingen als waarheid. Daarom onderwijzen zij niet een en hetzelfde.”

885.  (De vragende)
     “Waarom nu verkondigen zij verschillende waarheden, die redenaars die zich ‘kenner’ noemen? Is het omdat de waarheid zelf veelvuldig is, verschillend? {2} Of is het omdat zij daarbij hun eigen vermoedens volgen?”

886.  (De Verhevene)
     “Er is geen veelsoortige, verschillende  waarheid die eeuwig geldt in de wereld, tenzij alleen in de verbeelding. Maar wanneer zij hun vermoedens in theorieën hebben vastgelegd, {3} dan zeggen zij dat er twee dingen zijn, namelijk de waarheid en het verkeerde.

887.  Hetzij op wat is gezien, gehoord, op een andere manier ervaren, hetzij op deugdzaam gedrag{4} en geloften, daarop steunend toont men verachting, {5} omdat men zelfvoldaan op het eigen oordeel staat en beweert dat de ander een dwaas is, onkundig.


888.  Daarom houdt men de ander voor een dwaas, daarom noemt men zichzelf ‘deskundig’.
Door zichzelf zo voor deskundig te houden, veracht men anderen en toch spreekt men op dezelfde manier.


889.  Hij die slechts volmaakt is in zijn eigen buitensporige visie,{6} hij is in een roes van trots en is gevuld met eigenwaan. In de geest kroont hij zichzelf eigenhandig, omdat zijn visie toch zo volmaakt is.

890.  Indien men volgens de woorden van de ander gering aan inzicht is, dan deelt men een dergelijk gering inzicht met de ander. Maar indien ieder zich voor wetend, wijs houdt, dan is er geen dwaas bij de asceten.

891.  ‘Die iets anders dan dit verkondigen als de ware leer, die hebben de zuiverheid gemist en zijn onvolmaakt.’{7} Zo hoort men de sekte-aanhangers vaak praten. Zij zijn helemaal ontbrand in hartstocht ten opzichte van hun eigen visie.

892.  ‘Alleen hier is zuiverheid,’ zegt men. Men ontkent dat zuiverheid in andere leringen is.{8} De sekte-aanhangers zijn aldus veelvuldig gebonden, zij praten alleen over hun eigen weg met nadruk.


893.  En praat hij ook met nadruk over zijn eigen weg, waarom zou hij iemand anders voor dwaas houden? Hij brengt alleen zichzelf in moeilijkheden, wanneer hij over een ander als ‘dwaas’ en ‘onrein’ praat. {9}

894.  Terwijl men op zijn oordeel staat, zichzelf als maatstaf neemt, komt men in de wereld nog meer tot ruzie. Maar wanneer al het (ver)oordelen is opgegeven, zal men geen ruzie maken in de wereld.{10}
________

Noten

{1}  Maha Niddesa: "De waarheid is de opheffing van lijden, het Nibbāna; of ook de waarheid van het pad, de waarheid van de uitweg (uit het lijden), het edele achtvoudige pad.”

{2} - Maha Niddesa leest ‘saccāni suttāni’ en  paraphrasiert het met ‘sutāni,’ dit is gehoorde, geleerde of overgeleverde waarheden. De Pali Text Society leest: ‘su tāni’ ("wel deze"). Volgens die lezing zou de vertaling zijn: “Is het wel omdat deze waarheden zelf veelvuldig en verschillend zijn?”

{3} Takkañca ditthīsu pakappayitvā; zich uit theorieën een logisch gedachten-systeem verzonnen hebbende.

{4} Nyanaponika: ‘regels, rituelen’

{5} zelfvoldaan (pahassamāno); letterlijk: zich verheugende.

{6} - heel buitensporige visie; een vrije weergave voor atisāram-ditthi, letterlijk: de (boven iets) uitlopende visie, d.w.z. ze slaat iets over, ziet iets niet. Het Maha Niddesa: "uitgaande boven het gerechtvaardigde, boven de karakteristieke eigenschappen van een ding enz.”

{7} Zuiverheid duidt hier en in vers 892 wel vooral de ‘orthodoxie’ van een visie aan.

{8} Nyanaponika: ‘Men zegt andere leringen geen zuiverheid toe.’

{9} Onrein, d.w.z. onorthodox, ketters.

{10} Norman: ‘Maar de wijze persoon die alle besluitvorming achter heeft gelaten, veroorzaakt geen overlast in de wereld.’
__________


Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 26-03-2019 09:49 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #14 Gepost op: 27-03-2019 17:57 »
Sn.IV.13. (verzen 895-914) Mahāviyūha Sutta - de grote toespraak over meningen


895.  (De vragende)
     “De mensen die gewend zijn geraakt aan hun visie en beweren: ‘Alleen dit is waarheid,’ krijgen zij allen slechts berispingen? Oogsten zij niet ook lofprijzing daarbij?”

896.  (De Verhevene)
     “Jawel, maar dat is waardeloos. Het dient niet de vrede. De vruchten van ruzie zijn steeds tweevoudig, zo verkondig ik.{1} Als men dat ziet, laat men geen ruzie maken, inziende dat rust,  veiligheid een staat is waar geen ruzie is. {2}

897.  Welke mening het volk ook heeft, de wetende nadert dat alles niet.{3} Wie niet meer nader tot iets gaat, waartoe ook zou hij naderen, {4} hij die geen voldoening vindt in het geziene en gehoorde?{5}

898.  Zij die in regels het hoogste zien, zij zeggen dat ‘zuiverheid’ door bedwinging komt.{6} Geloften die zij op zich genomen hebben, dienen zij [met de gedachte]: ‘Laten wij alleen dit oefenen opdat zuiverheid tot ons komt.’ Zij zijn in loondienst van het bestaan maar noemen zich ‘kenners’.

899.  Wanneer iemand van de regels en geloften afvalt,{7} dan raakt hij in angst omdat hij in zijn taak tekortgeschoten is. Hij verlangt smachtend naar de ‘zuiverheid’, gelijk aan de reiziger die zijn karavaan verloren heeft.{8}

900.  Na van regels en geloften geheel en al afstand genomen te hebben, en ook van slechte of goede wilsacties, geen verlangen hebbende naar ‘zuiver’ of ‘onzuiver’,{9} laat hem onthecht vertoeven,  laat hem de vrede bevorderen.{10}

901.  Steunend op strenge ascese of een walgelijk gebruik, of op wat is gezien, gehoord of op een andere manier ervaren, missen zij de weg en jammeren om ‘zuiverheid’,{11} zij die niet bevrijd zijn van de dorst naar steeds nieuw bestaan.{12}

902.  Bij degene die verlangen heeft, komt steeds nieuwe begeerte;{13} bezorgdheid verschijnt bij wensen.{14} Maar voor wie er geen sterven en weer geboren worden hier bestaat, waarom zou hij zich zorgen maken en waarnaar zou hij verlangen?”

903.  (De vragende)
    “De leer die sommigen voor het hoogste houden, houden anderen voor minder. Welke uitspraak ervan is nu de waarheid? Want zij betitelen zich allemaal als ‘kenners’.”

904.  (De Verhevene)
     “De eigen leer noemen zij volmaakt, maar de leer van de ander zou minder zijn. Op een dergelijke manier bevangen komt het tot ruzie tussen hen, en ieder noemt de eigen mening ‘waarheid’.

905.  Wanneer zij door de berisping van anderen minder werd, dan zou er geen leer zijn die voortreffelijk is. Want de meeste mensen houden elke andere leer voor minder, maar over de eigen leer spreken zij met nadruk.

906.  Maar het in ere houden van hun eigen leer is precies hetzelfde als het loven van hun eigen wegen. Dan zou elke leer waarheid zijn. Want elke leer eist voor zich ‘zuiverheid’ op.

907.  Een ware brahmaan kent geen leiding door anderen, en ook geen dogma onder leringen uitgezocht. Daarom heeft hij twistgesprekken helemaal overwonnen, want hij houdt geen andere leer voor de beste. {15}

908.  Met de woorden: ‘Ik zie, ik weet, zo is het precies,’ geloven sommigen dat ‘zuiverheid’ is door middel van een (verkeerde) visie. Wanneer men zo ziet, welk nut heeft het dan voor hem?{16} Het edele pad missend, houden anderen die visie voor ‘zuiverheid’.

909.  Iemand die ziende is, ziet wel geest en lichaam,{17} maar door zijn zien zal hij niets anders dan die kennen. Hij kan naar believen veel zien of weinig, maar daardoor krijgt hij geen ’zuiverheid’, zeggen kenners.

910.  Waarlijk, een verkondiger van dogma’s is niet gemakkelijk in staat en bereid om iets te leren;{18} hij volgt een verzonnen visie.{19} Hij zegt dat hetgeen waaraan hij gehecht is, het goede is; hij verkondigt de ‘zuiverheid’ zoals hij het meent te zien.{20}

911.  De ware brahmaan past niet in de maat van iets dat begrijpelijk, benoembaar is. Hij uit zich niet meer in theorieën. En hij wijdt zich niet aan wetenschap.{21} Terwijl hij alle meningen van de massa onderkent, blijft hij beschouwend, waar de anderen grijpen.{22}

912.  De wijze die de banden van deze wereld heeft losgemaakt, neemt geen partij wanneer een twistgesprek is ontstaan. Tot vrede gekomen temidden van mensen zonder vrede, blijft hij een beschouwer.{23} Hij grijpt niet meer waar de anderen nog grijpen.

913.  De wijze laat oude neigingen, hij laat geen nieuwe meer opkomen. Hij volgt niet de willekeur en is geen verkondiger van dogma's.{24} Hij is geheel bevrijd van theorieën, is wijs. Vrij van zelf-verwijten leeft hij onbevlekt in de wereld.{25}

914.  Zich met geen van al die dingen verbindend, wat ook gezien werd, gehoord en op een andere manier ervaren, de wijze die de last afwierp, helemaal bevrijd, die onbegrijpelijk is: hij ontzegt niet en verlangt niet.{26} {27}
__________
Noten

{1} De tweevoudige vrucht van ruzie is lofprijzing of berisping.

{2} khemābhipassam avivādabhummam; de rust of hoogste veiligheid is Nibbāna.

{3} Norman: ‘Met geen ervan laat hij zich in.’ -  D.w.z. hij bemoeit zich niet ermee; het beweegt ohem niet (na upeti).

{4} Anūpayo so upayam kim eyya; het Maha Niddesa: "Tot welke lichamelijkheid, welk gevoel enz. zou hij naderen met de gedachte: ‘Dit is mijn ik’?  Welke wedergeboorte, welk bestaan enz. zou hij naderen?”

{5} ‘in het geziene en gehoorde’. Volgens het Maha Niddesa heeft dit weer betrekking op de zuivering door gelukbrengende objecten van zien, horen enz. [zie Sn.IV.4, vers 788, noot 3]. Maar het is toch ook algemeen op te vatten als het onbevredigd zijn van de zintuiglijke waarneming. Vergelijk in vers 851: ‘Hij ziet in de indruk van de zintuigen de leegheid ervan.’

{6} D.w.z. enkel en alleen door het navolgen van een zedelijke of ascetische discipline. - Norman vertaalde:  ‘Zij die deugdzaam gedrag als het hoogste beschouwen, zeggen dat zuiverheid is door zelfbedwang.’

{7} Norman: ‘Indien hij afvalt van zijn deugdzaam gedrag en geloften,’ - Het  Maha Niddesa: "omdat hij door anderen weggelokt werd of omdat het navolgen van die regels en geloften voor hem te zwaar is.”

{8} Commentaar: "zoals een reiziger die zijn karavaan heeft verloren, naar de karavaan of naar huis verlangt.”

{9} Maha Niddesa: “niet verlangend naar de voor ‘zuiver’ gehouden vijf zintuiglijke objecten en de vele verkeerde visies of naar alles wat wereldlijk heilzaam is; niet verlangend naar het ‘onzuivere’, d.w.z. naar wat karmisch onheilzaam is of naar de vele verkeerde visies.”

{10}  Nyanaponika vertaalde: ‘laat men zich daaraan onttrekken en laat men niet de vrede daarin vinden.’ - d.w.z. laat men het niet als de vrede aannemen. - 'Vrede' heeft volgens het Maha Niddesa en het commentaar betrekking op de verkeerde visie erover. - Alternatieve vertaling: ‘laat hij zichzelf onthecht gedragen, geen visies aannemen.’

{11} ‘missen zij de weg’  is een vrije weergave van uddham-sarā, letterlijk: er boven uit staand. Het werd opgevat in de zin van atisāram-ditthi in vers 889. Daarvoor spreekt ook de inhoudelijke parallel tot vers 899 (regels a en b), Maha Niddesa: “De asceten en brahmanen die aanhangers zijn van accanta-suddhi (hoogste zuiverheid; zie vers 794), die aan zuivering door  samsāra geloven, die leren dat er geen resultaat van daden is, die geloven in een eeuwigheid, dezen noemt men uddham-sarā. Zij verkondigen de zuivering door samsāra." Een alternatieve vertaling ervan zou dan kunnen zijn: “die verder (in de kringloop van bestaan, samsāra) ronddraaien (sarā)."

{12} Norman vertaalde: ‘Afhankelijk van ascese of een walgelijk gebruik, of op wat is gezien of gehoord of gedacht, spreken zij van zuiverheid door middel van verder blijven in samsāra, met hun begeerte naar het ene na het andere bestaan niet verdwenen.’

{13} Commentaar: “Bij de verlangende komen steeds nieuwe verlangens, bevrediging van de verlangens vermeerdert het verlangen alleen maar.”

{14} ‘Bezorgheid’ (samvedhitam); letterlijk: beven, sidderen. - ‘wensen’ (pakappitesu), Maha Niddesa: "Als men bang is dat zijn bezittingen gestolen worden, siddert men; wanneer de bezittingen gestolen worden en ook na de diefstal, siddert men; als men bang ervoor is zijn bezittingen te verliezen, siddert men, enz.”

{15} Maha Niddesa: “Geen andere leer behalve de viervoudige concentratie van oplettendheid ... het edele achtvoudige pad.”

{16} Maha Niddesa: "Welk nut heeft het voor hem om door te dringen tot het lijden, het opgeven van het ontstaan van lijden, tot oefening van het pad enz.”

{17} Maha Niddesa: “Hij zal ze als blijvend, aangenaam en met een ‘ik’ zien; maar hij zal niet het ontstaan en verdwijnen ervan, het genot, de ellende ervan en het ontkomen eraan zien.”

{18} ‘niet gemakkelijk in staat en bereid om iets te leren’ (na subbināyo). De Pali Text Society  heeft een niet zeer waarschijnlijke lezing ‘suddhi-nāyo’ (misschien voor nāyako?), ‘leider naar zuiverheid’.

{19} ‘verzonnen visie’ (pakappitam ditthim); de speculatieve fantasie of fantastische theorie; zie vers 784.

{20} Commentaar: “Zoals zijn mening is, juist zo ziet hij het; hij wil het niet anders zien.”

{21} letterlijk: hij is geen vriend van weten (na ñāna-bandhu). Maha Niddesa: "Noch het weten van de acht meditatieve verdiepingen, noch de vijf soorten van hoog weten (abbiññā), noch een verkeerd weten maakt hij uit begeerte of uit verkeerde visie tot een binding (bandham) voor zich.” Vergelijk vers 800.

{22} - Upekhati uggahananta-m-aññe; upekhati betekent ‘gelijkmoedig beschouwen’. - Bij het woord uggahananta = ugganhantā werd het Maha Niddesa gevolgd; het werd vertaald als ganhanti zonder voorvoegsel: “zij grijpen, namelijk naar die meningen van de massa”. Het commentaar legt woordelijk uit: “de anderen leren, bestuderen deze meningen.”

{23} Een beschouwer of ‘gelijkmoedig’ (upekkhako).

{24} Hij volgt niet de willekeur (na chandagū). Het door de wijze eveneens vermeden andere uiterste is het verkondigen van dogma's (nivissavādī).

{25} Norman: ‘Hij hecht niet aan de wereld en maakt zichzelf geen verwijten.’

{26} Onbegrijpelijk (na kappiyo); vergelijk vers 860 (akappiyo) en vers 521. - Hij ontzegt niet en verlangt niet (nūparato na patthiyo); vergelijk de verzen 795 en 813.

{27} Norman vertaalde dit vers zo: “Hij is iemand zonder verbindingen wat betreft alle mentale verschijnselen, wat is gezien of gehoord, of gedacht. Die wijze met de last neergelegd, volledig bevrijd, is zonder verzinsels, zich niet  onthoudende van iets en niet verlangende naar iets,” zei de Gezegende. - Alternatieve vertaling: ‘hij die de vijand heeft overwonnen wat betreft alle visies.’

_____

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 27-03-2019 18:02 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #15 Gepost op: 29-03-2019 07:37 »
Sn.IV.14. (verzen 915-934) Tuvataka Sutta - snel

     In het commentaar op het Mahā-samaya-sutta van Dīgha-Nikāya wordt deze leerrede aangeduid als Tuvataka-patipadā, d.w.z. ‘de snelle weg’  of  ‘snelle vooruitgang’. Deze omschrijving heeft wellicht betrekking op de samenhangende ‘aanwijzing voor het leven als monnik’ (vers 922 e.v.).


 915.  (De vragende)
     “Aan de zoon van de zon, de grote ziener, stel ik een vraag over afzondering en over het oord van vrede. Wanneer wat wordt ingezien, is een monnik in vrede, en hecht hij nergens meer aan iets in de wereld?”

 916.  (De Verhevene)
     “De wortel van deze veelheids-wereld in haar delen,{1} de waan van ‘ik ben’, die moet de wijze geheel en al vernietigen. Hij moet zich oplettend erin oefenen om de verlangens die in het innerlijke gehuisvest zijn, te verwijderen.
 
917.  Welke deugd{2} men ook moge herkennen bij zichzelf of bij anderen,{3} laat men daarom niet hoogmoedig worden, want dat wordt door goede mensen niet ‘uitdoving’ genoemd.

918.  Laat men zich daarom niet beter achten, niet slechter en ook niet gelijk. Ofschoon met veel deugden voorzien, laat men zichzelf niet vergelijkend onderscheiden.{4}

919.  Laat men alleen in zich uitdoving ontstaan.{5} De monnik moet niet in iemand anders vrede zoeken. Wie zo in zich de uitdoving vond, kent geen vastgrijpen en ook geen loslaten.{6}

920.  Zoals in het midden van de zee geen golf opkomt,{7} maar alles bestendig is en stil, zo zij men bestendig, stil; zo zij men zonder beweging van wens. Moge er in de monnik geen enkele opwelling{8} over iets ontstaan.”

921.  (De vragende)
     “Het sluier-vrije oog heeft de leer verkondigd die zelf is gezien, alle gevaar overmeesterend. Eerwaarde, spreek nu over het pad van oefening, over de regels voor de Orde en ook over concentratie.”

922.  (De Verhevene)
     “Laat de monnik met zijn blikken niet rondzwerven; laat hem zijn oor sluiten voor een laag gesprek. Laat hij ook niet verlangen naar smaken, en laat hij niets in de wereld als zijn eigen beschouwen.

923.  Wanneer ziekte hem bevalt, laat bij de monnik dan geen klacht uit zijn mond komen. Laat hij geen verlangen hebben naar bestaan, laat hij niet beven in gevaar.

924.  Ontvangt hij voedsel en drank, eetbare spijzen en gewaad, dan moet hij dat niet hamsteren. Wanneer hij deze dingen niet ontvangt, laat hij dan onbewogen blijven.

925.  De meditatie toegewijd, laat hij [zijn gedachten] niet rondzwerven; laat hij zich verre houden van rusteloosheid en laat hij niet nalatig zijn. Laat de monnik vertoeven op plaatsen die veraf van lawaai zijn.

926.  Laat hij niet graag lang slapen, laat hij vol vlijt de waakzaamheid beoefenen.{9} Traagheid en bedrog, het lachen en het spelen, geslachtelijkheid inclusief de sieraden en het bijwerk ervan, laat hij dat alles volledig verlaten.

927.  Laat hij geen toverspreuken,{10} geen droom- en voortekenkunde uitoefenen, en ook niet het duiden der sterren. Laat degene die mijn volgeling is, zich niet bezighouden met het duiden van dierengeluiden, het bewerken van vruchtbaarheid, en heelkunde.

928.  Laat de monnik niet beven [van angst] voor berisping, en als hij geprezen wordt, laat hij dan niet hoogmoedig worden. Laat hij hebzucht overwinnen, samen met afgunst, boosheid, lasterpraat.

929.  Laat hij zich niet bemoeien met inkoop en verkoop. Laat hij niets afkeurenswaardigs doen.{11} Laat hij zich in het dorp niet thuis voelen, er niet met de mensen praten met voordeel als doel.

930.  Laat de monnik geen opschepper zijn, en laat hij geen berekenend woord uiten.{12} Laat hij geen overmoedig gedrag tonen en laat hij geen twistgesprek voeren.
 
931.  Laat hij zich niet verleiden tot leugens en laat hij niet bewust iemand benadelen. Laat de monnik zich niet boven anderen verheffen vanwege zijn levensstijl of wijsheid en ook niet vanwege het trouw navolgen van de regels of vanwege geloften.

932.  Indien hij van asceten die zo woordrijk zijn, een scheldwoord heeft gehoord, laat hij dan geen bars antwoord geven. Edelen strijden niet.

933.  Wanneer de monnik deze leer heeft begrepen, ze diep onderzoekend, laat hij zich dan erin oefenen met vaste oplettendheid. Wanneer hij de uitdoving{13} als de vrede heeft onderkend, laat hij dan niet nalatig zijn in de leer van Gotama.

934.  Een bedwinger is hij, zelf onbedwongen, met eigen ogen zag hij die leer die niet gevestigd is op het geloof van overlevering. Laat men daarom, onvermoeibaar in deze sublieme leer, zich steeds oefenen vol eerbied.{14}
__________
 Noten

{1} Mūlam papañca-samkhāyā; vergelijk vers 874.

{2} ‘deugd’ = dhamma, hier als guna (goede eigenschap) uitgelegd.

{3} Maha Niddesa: “Wat men ook steeds als eigen voortreffelijke eigenschap moge herkennen of als die van zijn leraar enz.”

{4} Namelijk in de zin van de drie bovenvermelde vergelijkende zelfwaarderingen.

{5} Ajjhattam eva upasame: letterlijk: ‘Laat men het innerlijke tot rust brengen’, d.w.z. volgens het Maha Niddesa, zijn begeerte, zijn haat en zijn waan, als ook alle andere smetten en onheilzame eigenschappen van het innerlijke.

{6} natthi attam kuto nirattam vā; vergelijk vers 787 en noot 21 ervan.

{7} Maha Niddesa: "Met zee is bedoeld de oceaan die 84000 yojanas diep is. Beneden, tot een diepte van 40.000 yojanas, is namelijk het water door de vissen in beweging gebracht. Boven, in een gebied vsn eveneens 40.000 yojanas, wordt het water door de winden bewogen. Maar in het midden, in een omvang van 4000 yojanas, beweegt het water niet, het wordt niet in beroering gebracht, het is onbeweeglijk, stil.”

{8} ‘opwelling’ (ussadam), zeker zinspelend op het beeld van de zee; bedoeld zijn de opwellingen van alle hartstochten.

{9} Maha Niddesa: “Dag en nacht indelend in zes onderdelen, laat hij tijdens vijf ervan wakker zijn, en laat hij slechts tijdens een enkel onderdeel ervan gaan liggen (namelijk tijdens het vijfde, de middelste nachtwake van 10-2 uur.”

{10} ‘toverspreuken’, āthabbanam = de Atharva, een verzameling van toverspreuken die pas later als de vierde Veda is erkend.

{11} iets afkeurenswaardigs (upavādam), volgens het Maha Niddesa: “laat hij in zich geen afkeuring veroorzakende smetten produceren (upavādakare kilese na karevya).”

{12} d.w.z. laat hij geen woorden uiten die toespelen op het ontvangen van gaven enz.

{13} Maha Niddesa: ‘de uitdoving van begeerte, haat en waan.’


{14} ‘vol eerbied’ (namassam); letterlijk: vererend. Maha Niddesa: “Vererend met daad, woord en gedachte, vererend door goed gedrag in overeenkomst met de leer.”

   Dit vers sluit af met  ‘-ti Bhagavā’; het wordt dus net als het voorgaande, door de oude tekstredacteuren toegeschreven aan de Boeddha. Maar dat de Boeddha over zich in vers 933 als Gotama, in vers 934 in de derde persoon zou hebben gesproken, is niet erg waarschijnlijk. Dit kan de reden ervoor zijn geweest dat K. E. Neumann deze beide verzen ‘de vragende’ in de mond legt. Wij [=Nyanaponika] hebben het echter hier principieel uitgesloten om in de vertaling zelf van de huidige tekstversie af te wijken.
_____

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 29-03-2019 08:13 door nico70+ »

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2815
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #16 Gepost op: 29-03-2019 16:53 »
Prachtig, bedankt Nico.

Siebe

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #17 Gepost op: 31-03-2019 17:21 »
Sn.IV.15. (verzen 935-954) Attadanda Sutta - geweld

     Volgens het commentaar heeft de Boeddha deze leerrede gesproken toen er tussen de Sakyas en de Koliyas een strijd dreigde uit te breken om een waterplaats. De Boeddha ging tussen de beide legers staan, droeg deze leerrede voor en stichtte daardoor vrede.
__________

935.  “Geweld schept grote angst:{1} zie de mensen hier in de strijd. Ik zal over de  ontreddering spreken, zoals ze door mij werd ondervonden.{2}

 936.  Dit volk zag ik spartelen,{3} gelijk aan vissen in ondiep water. Elkaar in het nauw brengend zag ik hen, - toen overkwam mij grote angst.
 
937.  De wereld is volledig zonder kern,{4} alle delen ervan zijn doordrongen van beweging.{5} Ik zocht voor mijzelf een vaste woonplek {6} maar ik zag niet een onbewoond.{7}

 938.  Toen ik aan het einde {8} de wezens in moeilijkheden zag, kwam bij mij walging.{9} Ik zag toen de stekel die moeilijk herkenbaar is en die hier in het hart steekt.

 939.  Wanneer men met die stekel is doorboord, loopt men naar alle kanten; maar heeft men die stekel verwijderd, dan loopt men niet, zinkt men niet.”{10}

940.  Nu volgen de verzen van de opleiding. {11}

“Wat er in de wereld bestaat aan boeien, laat men zich niet ermee bezig houden. Wanneer men de lusten van de zintuigen volledig doordrongen heeft, moet men zich oefenen naar het eigen Nibbana.
 
941.  Laat men oprecht zijn, zonder brutaliteit en bedrog, vrij van lasteren; en laat men vrij zijn van woede. Laat de wijze het kwaad van begeerte en hebzucht helemaal overwinnen.

942.  Laat hij loomheid{12} overmeesteren, en luiheid, traagheid; laat hij zijn leven niet doorbrengen in nalatigheid. Ook hoogmoed moge de mens wiens geest naar het Nibbana is toegewend,{13} niet koesteren.

943.  Laat men zich niet verleiden tot leugens; laat hij naar de lichamelijke wereld geen verlangens opwekken. Laat hij de eigenwaan helemaal doorzien; laat hij in zijn leven gewelddaad vermijden.

944.  Laat hij zich niet verheugen over wat vroeger was, en laat hij geen behagen scheppen in het nieuwe. Laat hij niet treuren om wat verdwenen is, en laat hij niet gebonden zijn aan hebzucht.{14}
 
945.  Ik noem begeerte de grote stroom. Ik noem verlangen de stroomversnelling. De objecten van de zintuigen zijn de beweging van het getijde. Zintuiglijk genot is de modder die moeilijk is over te steken.{15}

946.  De wijze, een ware brahmaan, staat evenwel op vaste grond;{16} hij verlaat de waarheid niet. Hij die zich van alles heeft ontdaan,{17} kan waarlijk als ‘in vrede’ genoemd worden.

947.  Hij is een wetende, een meester in weten; hij is onafhankelijk omdat hij de leer kent. Volmaakt gaat hij door deze wereld {18} waarin hij op niemand jaloers is.
 
948.  Wie alle zinnelijke genietingen achter zich heeft gelaten, welke in de wereld de boeien zijn die moeilijk zijn los te maken, -  hij kent geen klagen, en hij is niet bezorgd. De stroom is hij overgestoken, hij is vrij van banden.

949.  Droog uit wat vroeger was.{19} Laat er voor jou niets toekomstigs zijn.{20} Wanneer je in het midden niets vastgrijpt,{21} dan zul je in vrede leven.
 
950.  Voor wie er bij alles wat er aan geest en lichaam is, niets meer is dat als ‘mijn’ nog dierbaar is, wie niet meer klaagt over wat niet aanwezig is, - die lijdt nooit meer verlies in de wereld.{22}
 
951.  Voor wie er geen gedachte is van “dit is van mij”  en “dit is van anderen”, wie geen eigendom kan vinden, die klaagt niet: “ik bezit het niet.”{23}
 
952.  Niet afgunstig en zonder verlangen, nergens meer aan hechtend, steeds gelijkmoedig ,{24} - dit is, zo verkondig ik op jullie vragen, de zegenrijke vrucht voor onwrikbare mensen.

953.  Voor degene die zonder passie is, die duidelijk inziet, is er geen verder bouwen aan de wereld;{25} hij heeft ingrijpen opgegeven en ziet zich overal in veiligheid.{26}
 
954.  De wijze spreekt niet over zichzelf als gelijk, minder of meer. Hij is in vrede, zonder zelfzucht,{27} hij grijpt niet meer op en verwerpt ook niets.”
 __________

Noten

{1} ‘Geweld schept grote angst . Attadandā, letterlijk: uit het opgegrepen wapen, d.w.z. door aanwending van geweld; of: door iemand die tot geweld heeft gegrepen. Atta betekent hier weer ‘opgenomen’, ‘gegrepen’ (zie vers 787) en niet ‘zelf’. Danda betekent stok, wapen, geweld, macht; straf; scepter (als teken van de heersende en strafrechtelijke macht). - Jāyati bhayam (ontstaat grote angst); bhaya betekent subjectief ‘angst’, objectief ‘gevaar’. - Beide begrippen samen werden met ‘grote angst’ vertaald.
     Het commentaar volgt hier het Maha Niddesa, waar danda als het drievoudige slechte gedrag (duccarita) in daden, woorden en gedachten wordt uitgelegd. - Het commentaar: “Angst of gevaar ontstaat uit de oorzaak van het eigen slechte gedrag” (attano duccarita-kāranā). Het commentaar neemt dus atta als ‘zelf’. K. E. Neumann vat attadando blijkbaar op als “iemand die zichzelf tuchtigt” en vertaalt “zelfkwaal” en neemt het als een synoniem voor attantapo (zelfkweller).
     Maar er bestaat geen twijfel dat bovenstaande opvatting van ons [= van Nyanaponika] toetreffend is en dat attadanda een synoniem is voor ādinna-danda ādinnasattha in Vinaya I, 349 (PTS), d.w.z. opgenomen stok, opgenomen zwaard. Het vormt de tegenstelling tot de uitdrukking nidhāya dandam die in de teksten zeer vaak voorkomt (bijvoorbeeld de verzen 35, 394, 629); letterlijk: ‘de wapens neergelegd hebbende’. In de verzen 629-630 (= Dhammapada 405-406) staan deze beide begrippen in uitdrukkelijke tegenoverstelling, en daar (vers 630) legt het commentaar attadanda juist uit als ‘hatthagate dande vā satthe vā, avijjamāne pi paresam pahāradānato’, d.w.z. “met in de hand genomen stok of zwaard, of bij gebrek daarvan, daardoor dat men de ander slagen toebrengt...”

{2} zoals ze door mij werd ondervonden; commentaar: ‘als een Bodhisatta.’

{3} Maha Niddesa: “Want als er weinig water is, moeten de vissen er bang voor zijn om door vogels aangevallen en verslonden te worden.”

{4} zonder kern. - Maha Niddesa: "De werelden van de hellen, dieren, ongelukkige geesten, mensen en godheden, de wereld van de groepen van bestaan, elementen en grondslagen van de zintuigen, - al deze werelden zijn zonder een kern, namelijk zonder een kern van blijvendheid, zonder een kern van geluk, zonder een kern van ‘ik’. Ze zijn zonder blijvendheid, zonder duur, zonder eeuwigheid, zonder onveranderlijkheid. Zoals de stam van een bananenboom [en zoals een ui] zonder een kern is, evenzo ook zijn deze werelden zonder een kern.”

{5} alle delen ervan zijn doordrongen van beweging (sabbe disā sameritā); letterlijk: “alle hemelrichtingen zijn in beweging, in siddering of in vibratie.” - Maha Niddesa: “Wat er in oostelijke, westelijke, noordelijke en zuidelijke richting bestaat aan gevormde dingen, die zijn in constante beweging (erita), in sterke beweging (samerita), in het sidderen, in vibratie (calita); ze zijn geslagen met vergankelijkheid, uitgeleverd aan geboorte, aangevreten door ouderdom, overweldigd door ziekte, overwonnen door de dood, gebaseerd in onvoldaanheid. Ze zijn zonder bescherming, zonder onderdak, zonder toevlucht, toevluchtloos.”

{6}  vaste woonplek, oord waar men zich thuis kan voelen (bhavanam); Maha Niddesa: veiligheid, onderdak, toevlucht.

{7} onbewoond (anositam); Maha Niddesa omschrijft het met anajjhositam (onbegeerd). Zoals de vissen van de gelijkenis zich naar het weinige water dringen, er ruzie om maken, zo is er geen plek op deze wereld waarom de wezens geen ruzie maken, die niet ‘ bewoond’ is door hun begeerte. - Maha Niddesa: "Met alle jeugd ‘woont’ (ositam) ouderdom; met alle gezondheid ‘woont’ ziekte; met alle leven ‘woont’ dood; met alle winst ‘woont’ verlies; met alle roem ‘woont’ schande; met alle lofprijzing ‘woont’ berisping; met alle geluk ‘woont’ leed.”

{8} ‘aan het einde’ (osāne) - Maha Niddesa: “Aan alle jeugd maakt ouderdom een einde (osāpeti), aan alle gezondheid maakt ziekte een einde ... (enz).

{9} ‘kwam bij mij walging’; Norman: ‘was ik ontevreden.’

{10} Maha Niddesa: "Men zinkt niet in de vier stromen (ogha), namelijk de stroom van zinnelijkheid, de stroom van bestaan, de stroom van visies, de stroom van niet-weten.”

{11} ‘Nu volgen de verzen van de opleiding’ (tattha sikkh'ānugiyanti); letterlijk: "nu worden de ‘opleidingen’ gereciteerd.” - Deze woorden die in de versmaat overtollig zijn, werden volgens Chalmers opgevat als een invoeging van de oude tekstredacteuren, het wat inhoud betreft duidelijk verschillende tweede deel van het sutta kenmerkend, dat zich met ‘het oefenen naar het eigen Nibbana’ bezig houdt. - Het Maha Niddesa en het commentaar betrekken deze woorden evenwel bij de tekst zelf; dan zou men zo moeten  vertalen:
     “Diegenen melden hun opleiding, die nog geboeid zijn aan deze wereld. Laat men zich niet ermee bezig houden.”

{12} Nyanaponika: ‘de slaap’

{13} ‘de mens wiens geest naar het Nibbana is toegewend’ (nibbāna-manaso naro). Het Mahā-Niddesa heeft hiertoe het volgende:
“Iemand geeft een gave, neemt de regels van deugdzaam gedrag op zich, zorgt voor drinkwater of voor dagelijks gebruik, veegt het klooster, vereert de dagoba, tooit ze met guirlanden, loopt er vol eerbied drie keer omheen, of hij verricht een andere karmisch heilzame wilsactie die behoort tot het drievoudige bereik (van zintuiglijk bewustzijn, fijnlichamelijk bewustzijn of van onlichamelijk bewustzijn). En hij verricht die karmisch heilzame daad niet omwille van een toekomstige gelukkige wereld van bestaan, niet omwille van de wedergeboorte, niet omwille van de ronde van bestaan. Hij doet het veeleer met de bedoeling van de bevrijding, gericht op het Nibbāna, neigende naar Nibbāna, strevende naar Nibbāna toe. Zo is zijn geest naar Nibbāna toegewend.
     Of: Hij wendt zijn geest af van van het hele bereik van de formaties van bestaan en richt die op het bereik van het doodloze: ‘Dit is de vrede, dit is het verhevene, namelijk het tot rust komen van alle samenstellingen, het opgeven van alle steunen van bestaan, de uitdroging van het verlangen, het niet meer afhankelijk zijn, de opheffing, het Nibbāna.’ Ook zo is de geest naar Nibbāna toegewend.” 

“Niet geven wijzen hun gaven
om wereldlijk geluk en om een weer zijn.
Om aan al het wereldlijke een einde te maken,
omwille van het niet meer terugkomen dient hun gave.

Niet beoefenen wijzen de meditatieve verdieping
om wereldlijk geluk en om een weer zijn.
Om aan al het wereldlijke een einde te maken,
beoefenen zij verdieping, omwille van het niet meer terugkomen.

Zij geven hun gave, aan de bevrijding denkende;
hierop gericht is hun denken en streven.
Zoals rivieren naar het midden van de zee streven,
Zo hebben zij Nibbāna als hun doel.”

{14} hebzucht (ākāsam; vierde naamval); in Maha Niddesa en het commentaar als ‘verlangen’ (tanhā) uitgelegd. Het hangt niet samen met ākāso (de ruimte), maar het komt overeen met het Sanskriet-woord ākarsa (het naar zich toetrekken, de aantrekking). - Maha Niddesa: “omdat men door zijn verlangen de lichamelijkheid, het gevoel enz, een wedergeboorte enz, aantrekt,(ākassati), naar zich toe trekt (samākassati), ze vastgrijpt, daarom wordt verlangen aangeduid als ākāsam (het naar zich toetrekken).”
     [Dit vers wordt later nader uitgelegd in de leerrede over ware eenzaamheid.]

{15} Nyanaponika vertaalde dit vers zo:
‘Deze hebzucht noem ik een machtige stroom; zuigen noem ik het en een verslaving. Een steun zoeken noem ik het, verlangen; een stroom van de hartstochten is het, moeilijk over te steken.’

{16} Maha Niddesa: “De vaste grond is Nibbāna.”

{17} ‘die zich van alles heeft ontdaan’. Maha Niddesa: “Met ‘alles’ is bedoeld de twaalf zintuiglijke grondslagen: het oog en het zien-object, het oor en het hoor-object, de neus en het ruik-object, de tong en het smaak-object, het lichaam en het aanrakings-object, de geest en het geest-object. Wanneer bij deze inwendige en uitwendige grondslagen van de zintuigen het verlangen is opgegeven, met de wortel is uitgeroeid, dan heeft hij zich van alles ontdaan.”

{18} Norman: ‘op de juiste manier zich in de wereld gedragende, is hij op niemand hier jaloers.

{19} Droog uit wat vroeger was (visosehi; zo in Maha Niddesa; een oude en vaak voorkomende lezing is ook visodhehi, ‘maak zuiver’); Maha Niddesa: “Die hartstochten die op grond van vroegere formaties zouden kunnen ontstaan, laat men die uitdrogen (sukkhāpehi), laat men ze opgeven en vernietigen. Een andere uitleg: Die kamma-formaties waarvan het kamma-resultaat (vipāka) nog niet rijp is, laat men die uitdrogen; laat men de kiemkracht ervan verwijderen (abājam karohi, letterlijk: thuisloos maken) en ze daardoor opgeven en vernietigen.”

{20} ‘Laat er voor jou niets toekomstigs zijn’ (pacchā te m'āhu kiñcanam); vergelijk vers 645. Maha Niddesa: “Wat er bij jou met betrekking tot toekomstige formaties zou kunnen ontstaan aan wereldlijke dingen (kiñcanāni), zoals die van begeerte, van haat, van onwetendheid, van eigenwaan, van visies, van hartstochten, van slecht gedrag, laten die niet van jou zijn, laten zij zich niet bij jou vertonen, laat jij ze niet opwekken, en in deze zin moet jij ze opgeven en vernietigen.”

{21} Wanneer je in het midden niets vastgrijpt; Maha Niddesa: “Wanneer je de tegenwoordige lichamelijke processen, gevoelens, waarnemingen, enz., de tegenwoordige formaties niet door middel van verlangen of verkeerde visies zult vastgrijpen, je niet eraan zult vasthechten, niet erin behagen zult scheppen, ... “

{22} Maha Niddesa: “Voor wie er geen grijpen naar en geen hechten aan de een of andere lichamelijkheid, het een of andere gevoel enz. is, op de manier van: ‘dit behoort mij toe, dit behoort anderen toe,’ - voor een dergelijk iemand is er geen verlies.
     Een tekst in Sam.Nik. 2.18 luidt: “Verheug jij je, asceet?” - “Wat is gewonnen , broeder?” - “Treur jij dan, asceet?” - “Wat is verloren, broeder?” - “Dan verheug jij je dus niet, noch treur je, asceet?” - “Zo is het, broeder.”

{23} Hiertoe brengt het Maha Niddesa o.a. de volgende verzen:

“Het ontstaan van lege dingen, het verloop van lege formaties, wie het zo beziet zoals het werkelijk is, die kent geen angst,* o Gāmani!
     * zie Theragatha verzen 716-719.

“Wanneer men in wijsheid deze wereld als zo vreemd als gras en kreupelhout beschouwt,** dan wenst men niets anders dan alleen nog het niet meer terugkomen.”
     ** Voor de gelijkenis van gras en kreupelhout, zie Sam.Nik. 22.33 en Sam.Nik. 35.101. [Wanneer iemand gras en kreupelhout verzamelt en in brand steekt, dan verzamelt en verbrandt hij niets van ons. Gras en kreupelhout behoort ons niet toe.]

{24} Norman: ‘Niet bruut, niet begerig, zonder passie, onpartijdig in elk opzicht,’

{25} ‘verder bouwen’ (nisankhiti); het woordenboek van de Pali Text Society geeft hiervoor: ophoping, opstapeling, karma-resultaat. - Maha Niddesa legt het uit als de drie soorten van karmisch vorm geven (abhisankhāra): de heilzame, onheilzame, onwrikbare. “Wanneer die zijn opgegeven, met wortel en al, in zoverre zijn er geen ophopingen (nisankhitiyo).” - Norman vertaalde: ‘..is er geen ophoping van verdienste en niet-verdienste. Hij ziet af van zich opstapelende activiteiten en ziet overal veiligheid,’

{26} ‘die ziet zich overal in veiligheid’ (khemam passati sabbadhi); of: ‘die ziet de vrede overal.’ 
Maha Niddesa: “Wanneer (door het afstaan van karmisch ingrijpen) de dingen die gevaren en angsten scheppen (bhaya-kara), zoals begeerte, haat, onwetendheid enz. zijn opgegeven, dan ziet men overal veiligheid, vrijheid van angst (abhayam) en rust.”


{27} ‘zelfzucht’, Norman: ‘gierigheid’.

__________

Met vriendelijke groet
Nico
 
« Laatst bewerkt op: 31-03-2019 17:48 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #18 Gepost op: 01-04-2019 12:22 »
In de voorgaande leerrede, het Attadanda sutta (Sn.IV.15), is in noot 14 vermeld dat vers 944 ervan nader uitgelegd zou worden. Daarom post ik nu het sutta over de neushoorn (Sn.I.3) met erbij het sutta over ideale eenzaamheid (M.131). Dit laatste sutta is al eens gepost op Boeddhaforum. Maar in plaats van een verwijzing ernaar leek het me handiger beide suttas hier samen te posten.

Sn. I.3. (verzen 35-75) De neushoorn (Khaggavisāna-Sutta)

Inleiding (door de eerwaarde Nyanaponika)

     De neushoorn (khagga-visāna, letterlijk: zwaardhoorn) is hier op grond van zijn levens-gewoonheden het zinbeeld van de eenzaam rondtrekkende monnik en bos-asceet. Deze verzen behoren ongetwijfeld tot de grote kostbaarheden van de wereld-dichtkunst en dragen duidelijk het teken van de grote mens die ze heeft geschapen; deze kan de Boeddha zelf geweest zijn of een van de vroege discipelen die de Meester waardig waren. De verzen tonen het beeld van de muni (zonder natuurlijk dit woord te gebruiken), d.w.z. van de heilige zwijger die als zodanig vooral daarom geldt omdat in hem alle innerlijke conflicten tot zwijgen zijn gebracht.
     Het ideaal van de muni is een van de hoofdmotieven van het Sutta-Nipata. Zijn levenswijze en leefregel wordt herhaaldelijk vermeld, o.a. in de suttas de Muni, Nālaka, Geweld, Sāriputta.
     Het commentaar neemt aan dat de verzen van dit sutta ieder voor zich zijn ontstaan; ze worden toegeschreven aan individueel Ontwaakten (Pacceka-Boeddhas) van een grijs verleden, van wie ieder een van deze verzen zou hebben gesproken. Deze mening wordt al vermeld in het oude, als canoniek geldende Cūla-Niddesa.
     In Sri Lanka is overgeleverd dat met ‘khaggavisāna’ niet de neushoorn is bedoeld, maar een op een paard lijkend dier met een hoorn op het voorhoofd. De Sinhalese naam hiervoor is ‘kangavena’ of ‘kagavenena’. Het zou dan gaan om een dier dat lijkt op de mythische eenhoorn. Maar de legende van de eenhoorn zou juist uit de eerste en vervormde berichten over de neushoorn zijn ontstaan. In het Sanskriet heet de neushoorn ‘khadgi’ (zwaard-bezittend), terwijl ‘khadga-visāna’ alleen in het late Boeddhistische Sanskriet zou voorkomen, dus van het Pali is afgeleid. Het commentaar beschouwt ‘khaggavisāna’ niet als de aanduiding van het dier zelf, maar als ‘hoorn van de neushoorn’. Volgens het commentaar is het vergelijkingspunt niet de levenswijze van de neushoorn, maar zijn enige hoorn, tot onderscheid van de dubbele hoorns van andere dieren.

     [Ikzelf beschouw, net als de eerwaarde Nyanaponika, de levenswijze van de neushoorn als het punt van vergelijking. Als een dier twee hoorns heeft, vormt dat geen hindernis voor die hoorns onderling. Het is niet als met twee ringen aan een pols die tegen elkaar botsen. De ene hoorn wordt niet gestoord door de andere hoorn. Horner daarentegen vertaalt niet ‘neushoorn’, maar ‘hoorn van de neushoorn’.]
_____

Het Khaggavisāna-Sutta

35. Geweld terzijde leggend ten opzichte van alle levende wezens, zelfs niet één van hen letsel toebrengend, laat men geen wens hebben naar een zoon, en ook niet naar een metgezel. Laat men alleen gaan als een neushoorn.


36. Genegenheid ontstaat voor iemand die verbindingen heeft. Als men genegenheid heeft, ontstaat deze ellende. Wanneer men dit gevaar ziet dat uit genegenheid is ontstaan, laat men alleen gaan als een neushoorn.

37. Als men sympathie heeft voor vrienden en kameraden,{1} mist men zijn doel omdat men in de geest geketend is.{2} Als men het gevaar ziet in omgang met vrienden, laat men alleen gaan als een neushoorn.

38. De aandacht die er bestaat voor zonen en vrouwen is als een zich wijd verspreidende bamboe-boom die met andere verstrengeld is. Als een jonge bamboe-scheut die niet met andere is verwikkeld, laat men alleen gaan als een neushoorn.
   
39. Zoals een hert dat niet vastgebonden is, kan gaan waarheen het wil om te grazen in het bos, laat een verstandige man die zijn onafhankelijkheid acht, alleen gaan als een neushoorn.

40. Of men nu rust, staat, gaat, of rondtrekt, temidden van kameraden zijn er vragen van anderen. Als men achting heeft voor de onafhankelijkheid die door anderen niet begeerd wordt,{3} laat men alleen gaan als een neushoorn

41. Temidden van kameraden is er sport en spel, vermaak; en voor de kinderen koestert men grote liefde. Hoewel men afkeer voelt vanwege de scheiding van wat dierbaar is, laat men alleen gaan als een neushoorn.

42. Als men thuis is in de vier kwartieren (de vier hemelrichtingen),{4} vrij van afkeer,{5} tevreden met alles wat op z’n weg komt, iemand die moedig elke tegenstand verdraagt,{6}, laat men alleen gaan als een neushoorn.

43. Sommige asceten zijn niet vriendelijk van aard, en ook sommige gezinshoofden die in een huis wonen.{7} Zich niet bemoeiende met de kinderen van anderen, laat men alleen gaan als een neushoorn.
   
44. Na de kenmerken van een wereldling verwijderd te hebben, als een Kovilara-boom{8} waarvan de bladeren zijn afgevallen, na als een held de banden van de wereldling te hebben afgesneden, laat men alleen gaan als een neushoorn.

45. Indien men een wijze vriend vindt, een metgezel met goed gedrag, ijverig en vastbesloten, alle gevaren overwinnend, laat men met hem gaan, met verheven geest en oplettend.{9}

46. Wanneer men geen wijze vriend vindt, een metgezel met goed gedrag, ijverig en vastbesloten,  laat men dan als een koning die het koninkrijk opgeeft dat hij heeft veroverd,{10} alleen gaan als een neushoorn.

47. Waarlijk, laten wij het geluk prijzen van vriendschap. Men moet omgaan met vrienden die beter dan of die gelijk zijn aan men zelf. Indien men dezen niet heeft, laat men alleen en onberispelijk leven. Laat men alleen gaan als een neushoorn.
     
48. Bij het zien van stralende armbanden, goed vervaardigd door een goudsmid, die tegen elkaar botsen wanneer twee ervan aan een arm zijn, laat men alleen gaan als een neushoorn.

49. ‘Wanneer ik zo met een metgezel samen was, dan had ik een onaangenaam gesprek of verwijten te verdragen.’ Bij het zien van dit gevaar voor de toekomst,{11} laat men alleen gaan als een neushoorn.
     
50. Zintuiglijke genoegens, zoet en bont en aangenaam, vernietigen in veelvuldige vormen de geest. Wanneer men het gevaar ziet in de strengen van zinnelijk genot, laat men alleen gaan als een neushoorn.

51. “Voor mij zijn ze een ramp, een gezwel, en een ongeluk, en een ziekte, een stekel en een gevaar.” Bij het zien van dit gevaar in de strengen van zinnelijk genot, laat men alleen gaan als een neushoorn.

52. Als men koude en hitte, honger en dorst, wind en de hitte van de zon, insecten en slangen, - als men die allemaal overwinnend heeft verdragen,{12} laat men alleen gaan als een neushoorn.

53. Zoals een gevlekte olifant met massieve schouders, een edele, de kudden verlaat en in het bos leeft zoals het hem behaagt, laat men alleen gaan als een neushoorn.

54. Het is een onmogelijkheid voor iemand die graag in gezelschap is om, al was het maar tijdelijk, bevrijding te ondervinden.{13} Na de stem van de verwant van de zon gehoord te hebben,{14} laat men alleen gaan als een neushoorn.

55. Wanneer men aan de verdraaiingen van verkeerde visies is ontkomen,{15} wanneer men bij de vaste koers naar bevrijding is aangekomen,{16} wanneer men het heilige pad heeft bereikt, het zelf inziende, zonder door anderen geleid te zijn, laat men alleen gaan als een neushoorn.
     
56. Als men zonder begeerte is geworden, zonder bedrog, zonder dorst, zonder eigendunk, als de onwetendheid en de fouten zijn weggeblazen,{17} als men geen verlangen heeft naar iets
{18} in de hele wereld, laat men alleen gaan als een neushoorn.

57. Laat men een slechte metgezel vermijden, die het doel niet ziet, die de route naar slecht gedrag is ingegaan. Laat men niet met iemand omgaan die geneigd is naar verkeerde visies en die onoplettend is. Laat men alleen gaan als een neushoorn.{19}

58. Men moet met iemand contact onderhouden die veel geleerd heeft en deskundig is in de leer, een edele vriend die verstandig is.{20} Als men zijn doel{21} kent en twijfel heeft verdreven,{22} laat men alleen gaan als een neushoorn.
     
59. Als men geen voldoening vindt in sport, spel en vermaak, noch in het geluk dat komt van zinnelijke genietingen in de wereld, en als men er geen acht op slaat, van versiering afziet, de waarheid spreekt, laat men alleen gaan als een neushoorn.

60. Zoon{23} en vrouw, en vader en moeder achterlatend, en ook rijkdom en graan, en verwanten, en zinnelijke genietingen voor 100%, laat men alleen gaan als een neushoorn.

61. “Dit is een boei, een gehechtheid; hier is weinig geluk en weinig voldoening; hier is heel veel ellende; dit is een [prooi aan de] haak.”{24} Als een nadenkende man dit weet, laat men alleen gaan als een neushoorn.

62. Wanneer men zijn boeien stuk heeft getrokken, als een vis die een net in het water breekt, niet terugkerende gelijk aan een vuur dat niet teruggaat naar wat al verbrand is, laat men alleen gaan als een neushoorn.

63. Met neergeslagen ogen, niet slenterend,{25}  met de zintuigen bewaakt en de geest beschermd, niet overstroomd met smetten,{26} niet brandende (van koorts), laat men alleen gaan als een neushoorn.
     
64. Wanneer men de kenmerken van een gezinshoofd heeft verworpen, als een koraalboom waarvan de bladeren omlaag zijn gevallen, wanneer men het huis is uitgegaan en het saffraangele gewaad draagt, laat men alleen gaan als een neushoorn.{27}

65. Wanneer men geen verlangen toont naar smaken, niet baldadig, wanneer men niet voor het onderhoud van anderen zorgt, op de aalmoezenronde van huis tot huis gaat,{28} in de geest niet geketend aan dit of dat gezin, laat men alleen gaan als een neushoorn.{29}

66. Wanneer men de vijf hindernissen van de geest heeft achtergelaten, en alle smetten heeft weggegooid, niet afhankelijk, na affectie en haat te hebben afgesneden,{30} laat men alleen gaan als een neushoorn.

67. Wanneer men geluk en ellende achter zich heeft gelaten, en ook vreugde en neerslachtigheid, als men gelijkmoedigheid heeft verkregen die gezuiverde kalmte is,{31} laat men alleen gaan als een neushoorn.

68. Vastbesloten om het hoogste doel te verkrijgen, met onverschrokken geest, niet lui, met vaste inspanning, voorzien van lichamelijke en geestelijke kracht, laat men alleen gaan als een neushoorn.

69. Afzondering en meditatie niet opgevende, voortdurend levende in overeenstemming met de leer van verschijnselen,{32} het gevaar begrijpende dat er in [vormen van] bestaan is, laat men alleen gaan als een neushoorn.

70. Onvermoeibaar strevende naar het einde van begeerte, met waakzame geest, wel ervaren, oplettend, een onderzoeker van de leer{33} die veilig is, energiek, laat men alleen gaan als een neushoorn.

71. Niet bevende, zoals een leeuw niet beeft bij geluiden, niet met anderen gevangen, zoals de wind niet gevangen is in een net, niet verontreinigd door hartstocht, zoals een lotus niet verontreinigd is door water, laat men alleen gaan als een neushoorn.

72. Zegevierend levend, overwonnen hebbend als een leeuw met sterke tanden, de koning der dieren, laat men z’n verblijf hebben op afgelegen plaatsen, laat men alleen gaan als een neushoorn.

73. Van tijd tot tijd liefdevolle vriendelijkheid beoefenend, en ook gelijkmoedigheid, mededogen, en medevreugde,{34} tot de hele wereld geen enkele vijandschap voelend, laat men alleen gaan als een neushoorn.

74. Hartstocht, haat en illusie achterlatend, na alle boeien uit elkaar te hebben gerukt, niet bevend [van angst] wanneer het leven eindigt, laat men alleen gaan als een neushoorn.

75. De mensen hebben omgang met en vertoeven bij anderen om het een of andere motief. Tegenwoordig zijn vrienden zonder motief moeilijk te vinden. Onzuivere mensen begrijpen goed wat tot hun voordeel is. Laat men alleen gaan als een neushoorn.

_______________
Noten

{1} Medelijden voelende. Commentaar: "Men wenst het geluk van hen te bevorderen en ongeluk van hen verre te houden."

{2} ‘in de geest geketend’. De eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘verliest men zijn heil, als het hart geboeid is’. - Commentaar: "Het hart kan geboeid zijn doordat men zichzelf op het lagere niveau stelt (denkende): ‘Ik kan zonder deze persoon niet leven, hij is voor mij een noodzakelijkheid, hij is mijn toevlucht;’ of men stelt zich op het hogere niveau (door te denken): ‘Deze mensen kunnen zonder mij niet leven. Ik ben voor hen een noodzakelijkheid, hun toevlucht.’”

{3} Nyanaponika vertaalde: ‘die voor anderen zonder prikkeling is.’

{4} Thuis in de vier kwartieren,(catuddiso ... hoti). Commentaar: "Dit betekent, wanneer men in de vier hemelrichtingen gelukkig kan leven, of ze tijdens de meditatie van de vier verheven toestanden (brahma-vihāra-bhāvanā) met welwillendheid, mededogen, etc. doordringt, overeenkomstig het tekstgedeelte ’met een hart dat gevuld is met welwillendheid, mededogen, etc doordringt hij de ene richting, dan de tweede ...’”

{5} vrij van afkeer, tegenzin (appatigho). Commentaar: "In deze hemelrichtingen ondervindt hij bij mensen of dingen geen tegenstand die uit angst ontstaan is (bhayena na patihaññati).'' Vergelijk Itivuttaka 101.

{6} tegenstand. Commentaar: "uiterlijk gevaar door wilde dieren, enz., en innerlijke tegenstand door hartstochten enz."

{7}  Nyanaponika vertaalde: ‘Moeilijk te bevredigen zijn sommige asceten en ook gezinshoofden die in het huis wonen.’  - Een alternatieve vertaling is: ‘Zelfs met sommigen die vertrokken zijn [in de huisloosheid] is het moeilijk gezelschap te hebben (of: zelfs sommigen die vertrokken zijn, zijn de gemeenschap onwaardig).’

{8} De Kovilāra is een soort ebbenhout-boom. De ontstaansgeschiedenis in het commentaar verhaalt van een koning die door de aanblik in de herfst van een bladloze Kovilāra-boom die hij eerder in volle bladertooi had gezien, tot inzicht in de vergankelijkheid werd geleid en tot het verlaten van het wereldlijke leven. Zie Sn. vers 64.

{9} Deze strofe heeft als enige niet het keervers van de andere strofen. Als men dit houdt tegen de achtergrond van dit enorme loflied op de eenzaamheid, dan is moeilijk een hogere lofprijzing en een hogere waardering van edele vriendschap te bedenken dan hier gebeurt door deze indrukwekkende afwijking van de andere verzen.

{10} Het commentaar en Cūla-Niddesa leggen dit als volgt uit: “ Zoals een koning die na zegevierende oorlog het veroverde land en ook zijn koninkrijk opgeeft en monnik wordt.”

{11} Alternatieve vertaling: “Op die manier zouden er voor mij praten met en gevoelens van genegenheid voor de tweede persoon zijn. Wanneer men dit als een gevaar voor de toekomst ziet,” ...

{12} ‘overwinnend verdragen.’  Deze vertaling van de eerwaarde Nyanaponika brengt beide nuancen van het woord ‘abhisambhavitvā’ tot uitdrukking, namelijk: overwinnen en verdragen.

{13} ‘al was het maar tijdelijk, bevrijding te ondervinden.’ (samāyikam vimuttim). Commentaar: "lokiya-samāpatti, d.w.z. de meditatieve bereikingstoestanden van een wereldling, iemand die nog niet de hoge paden van stroomintrede etc. heeft bereikt. Pas de ‘hoge paden’ brengen niet alleen tijdelijke losmaking, maar ook definitieve bevrijding van de ‘boeien’ (samyojana). Ook de tijdens de verdiepingen afwezige vijf hindernissen (nīvarana) zijn in het geval van een wereldling slechts tijdelijk opgeheven ‘door het onderdrukken ervan’ (vikkhambhanapahāna). Ze worden pas op de paden trapsgewijze ‘door vernietiging opgeheven’ (samuccheda-pahāna).”
     Ons vers hier komt precies overeen met het tekstgedeelte uit de grote leerrede over de leegheid (Maj.Nik. 122): “Ananda, dat evenwel een monnik die zich over gezelschap verblijdt, ... in het bezit van de tijdelijke bevrijding van de geest, die gelukkig maakt (samāyikam kantam cetovimuttim), kan verblijven of in het bezit van de niet tijdelijke, onwrikbare bevrijding van de geest, zoiets is onmogelijk.”
 
{14} De eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘Als men het woord van de zoon van de zon in zich heeft opgenomen,’

{15} ‘Wanneer men aan de verdraaiingen van verkeerde visies is ontkomen’  Commentaar: ‘namelijk door het pad van inzicht (dassana-magga), dit is op het pad van stroomintrede, waarop de drie eerste boeien die zulke verdraaiingen van verkeerde visies produceren, helemaal zijn verdwenen.’

{16} ‘wanneer men bij de vaste koers naar bevrijding is aangekomen.’ Een alternatieve vertaling: ‘bij de zekerheid’. Nyanaponika vertaalde: ‘werd zekerheid verkregen.’
     Commentaar: zekerheid verkregen (patto niyāmam), eveneens door stroomintrede. Degene die in de stroom is getreden (sotāpanna) wordt aangeduid als ‘niyata’, d.w.z. ‘beveiligd’ tegen het terugvallen in een lagere geboorte of op het niveau van de wereldling. De vier hoge paden (van stroomintrede enz) gelden als goede (of juiste) dingen met beveiligd resultaat (sammatta-niyāma); dit resultaat bestaat in de overeenkomende ‘vruchten van stroomintrede’ enz.

{17} Nyanaponika: ‘als men van hartstocht en illusie gezuiverd is.’

{18} Norman: ‘als men zonder neigingen is naar kwaad

{19} Nyanaponika vertaalde: ‘Laat men onedele metgezellen volledig vermijden, die aan het onheilzame denkend,* de slechte weg opgaan.
De mensen met veel lusten vermijdend, laat men alleen gaan als een neushoorn.
     *aan het onheilzame denkend (anatthadassi). Dit wordt verschillend uitgelegd: Commentaar: “denkend aan het nadeel voor anderen”; Cula-Niddesa: "onheilzame, d.w.z. verkeerde visies koesterend.”

{20} Nyanaponika: ‘die een scherp inzicht heeft.’

{21} doel; kan ook als heil opgevat worden. In de tekst staat het meervoud (atthāni). Dit wordt door het commentaar uitgelegd als 1) tegenwoordig heil, toekomstig heil (in toekomstige wedergeboorten) en hoogste heil (Nibbāna); 2) eigen heil, heil van anderen, heil van beiden.

{22} alternatieve vertaling: ‘Heilzame dingen kennende, laat men twijfel overwinnen, ...’

{23} Nyanaponika: ‘kind’

{24} Nyanaponika: ‘dit is een prooi; - Norman: ‘dit is een haak.’  - Ik heb het daarom vertaald met: ‘dit is een prooi aan de haak.’

{25} Norman: ‘terwijl zijn stappen niet ronddwalen,’

{26}  alternatieve vertaling: ‘zonder lust’. - Nyanaponika: ‘gesloten voor al het slechte’ (anavassuto); letterlijk: 'zonder lek', d.w.z. de neigingen (āsava) niet toelatend.

{27} In het commentaar staat de ontstaansgeschiedenis van dit vers. Verteld wordt er over een Paricchatta-boom die door de voorbijgangers beroofd werd van zijn mooie bloesem en tenslotte ook van zijn bladeren. Een in de buurt staande boom zonder bloesem behield al zijn bladeren.
     Men zal hier ook aan de mythische Paricchatta (koraal)-boom in de hemel van Indra denken, die pas bloesem draagt nadat de verwelkte bladeren zijn afgevallen. In Anguttara-Nik. VII. 65 wordt hij als volgt in een gelijkenis gebruikt: “Monniken, op een tijd wanneer de edele volgeling eraan denkt vanuit het huis in de huisloosheid te vertrekken, op zo’n tijd is de edele volgeling bedekt met verwelkte bladeren, juist zoals de hemelse koraalboom bij de goden van de Drieëndertig. Op een tijd wanneer de edele volgeling met geschoren haar en baard, bekleed met het gele gewaad, vanuit het huis in de huisloosheid vertrekt, op een dergelijke tijd heeft de edele volgeling de bladeren afgeworpen. ... Op een tijd wanneer de edele volgeling door opdroging van de hartstochten de hartstochtloze bevrijding van het gemoed, de bevrijding door weten nog in dit leven zelf inziet, verwerkelijkt en zich eigen maakt, op een dergelijke tijd staat de edele volgeling in volle bloei, juist zoals de hemelse koraalboom bij de goden van de Drieëndertig.” (naar een vertaling van Nyanatiloka).

{28} van huis tot huis gaand (sapadāna-cārī). Norman vertaalde: ‘op de aalmoezenronde niet onderbroken gaat.’  Dit heeft betrekking op het rondgaan voor eten in volgorde van de huizen, zonder een over te slaan. Dit is, als sapadānacārik'anga, een van de strenge ‘zuiverings-oefeningen’ (dhutanga).

{29}  alternatieve vertaling: ‘Niet begerig naar smaken, niet verstoord door verlangens, zonder anderen te steunen, van huis tot huis rondgaande voor aalmoezen zonder iets te verwachten, niet gehecht in de geest aan deze of die familie, laat men alleen gaan als een neushoorn.’

{30} Nyanaponika vertaalde: ‘afhankelijkheid als smet uitroeiende, onafhankelijk’

{31} Vergelijk de omschrijving voor de vierde jhāna: [‘Door het verdwijnen van vreugde en verdriet treedt men binnen en vertoeft men in de vierde meditatieve verdieping (vierde jhana). Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; ze is vrij van leed en vrij van geluk; ze is heel zuiver.’]

{32} voortdurend levende in overeenstemming met de leer van verschijnselen (dhammesu niccam anudhammacārī); dhammesu werd door Nyanaponika opgevat  als ‘in alle levenslagen’. De versregel kan echter ook opgevat worden als een variant van de vaak voorkomende uitdrukking ‘dhammānudhammacāri’, letterlijk: ‘bij de leringen, overeenkomstig ermee levend,’ d.w.z. voortdurend trouw de leer volgend. - Norman vertaalde ‘voortdurend levende ... etc’, aan welke vertaling ik de voorkeur heb gegeven.}

{33} Een onderzoeker van de leer (sankhāta-dhammo); een aanduiding voor de heiligen. Zie vers 1038.
          De drie begrippen van de derde versregel moeten volgens het commentaar als volgt begrepen worden: degene die zich inspant, wordt door het betreden van het pad [van heiligheid] tot iemand die veilig is (niyato; zie de noot bij vers 55) en uiteindelijk tot een heilige of onderzoeker van de leer (sankhātadhammo).

{34} Dit zijn de vier ‘goddelijke verblijven.’

_______________

Opmerking

     Het alleen gaan van de eenzaam rondtrekkende monnik en bos-asceet, zoals bedoeld in dit sutta heeft betrekking op een heilige.
     Eenzaamheid is niet alleen het alleen vertoeven op een afgezonderde plaats. Daar kunnen nog onheilzame gedachten opkomen als nog geen volmaakte heiligheid bereikt is.
     Over ware eenzaamheid is gesproken in de leerrede over de liefhebber van eenzaamheid, welke leerrede hier volgt als nadere uitleg van alleen vertoeven.

De leerrede over ideale eenzaamheid - Bhaddekaratta sutta (M.131)

         In de leerrede over ideale eenzaamheid{1} wordt aangetoond dat Nibbana een geestelijke eenzaamheid is, een vertoeven zonder de metgezellen begeerte, afkeer en onwetendheid. Men denkt niet met genoegen aan het verleden; men verlangt niet naar de toekomst. Men ziet het veranderlijke, vergankelijke van alles in, ziet ook dat er geen “zelf” is. Wat thans is, neemt men waar, met inzicht, zoals het komt en wanneer het komt. Men voegt er niets meer aan toe. Wat men waarneemt neemt men niet in bezit, men hecht er niet aan. Dat is de bevrijding van lijden.
_____


         Eens woonde de Verhevene te Sāvatthi in het klooster van Anathapindika. Daar sprak hij de monniken als volgt toe: “Monniken, ik zal jullie de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid. Luistert oplettend.

     Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt men waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en zijn machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en 's nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze {2} genoemd:
‘de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

     En hoe, monniken, spoort men het verleden nog eens op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ en men denkt er met genoegen aan. Zo spoort men het verleden nog eens op. {3}

     En monniken, hoe spoort men het verleden niet meer op? Men denkt: ‘Ik had zo’n vorm in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gevoelens in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke waarnemingen in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zulke gedachten en ideeën in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Men denkt: ‘Ik had zo’n bewustzijn in het verleden,’ maar men denkt er niet met genoegen aan. Zo spoort men het verleden niet meer op. {4}

     En hoe, monniken, smacht men naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ en men schept behagen in die gedachte. Zo smacht men naar de toekomst. {5}

     En monniken, hoe smacht men niet naar de toekomst? Men denkt: ‘Ik kan zo’n vorm hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gevoelens hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke waarnemingen hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zulke gedachten en ideeën hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Men denkt: ‘Ik kan zo’n bewustzijn hebben in de toekomst,’ maar men schept geen behagen in die gedachte. Zo smacht men niet naar de toekomst. {6}

     En hoe is men gericht naar het heden? Monniken, een niet-onderricht gewoon mens die geen rekening houdt met de edelen, is onbekwaam in de leer van de edelen, is ongeoefend in de leer van de edelen. Hij houdt geen rekening met de goede lieden, hij is onbekwaam in de leer van de goede lieden, is ongeoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beziet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men gericht naar het heden. {7}

     En hoe, monniken, is men niet gericht naar het heden? Monniken, een onderricht edele volgeling die rekening houdt met de edelen, is bedreven in de leer van de edelen, geoefend in de leer van de edelen. Hij houdt rekening met de goede lieden, hij is bedreven in de leer van de goede lieden, is geoefend in de leer van de goede lieden. En daarom beziet hij niet vorm als zelf, of zelf als vorm hebbende, of vorm als in zelf, of zelf als in vorm. Hij beziet niet gevoel als zelf, of zelf als gevoel hebbende, of gevoel als in zelf, of zelf als in gevoel. Hij beziet niet waarneming als zelf, of zelf als waarneming hebbende, of waarneming als in zelf, of zelf als in waarneming. Hij beziet niet gedachten en ideeën als zelf, of zelf als gedachten hebbende, of gedachten als in zelf, of zelf als in gedachten en ideeën. Hij beziet niet bewustzijn als zelf, of zelf als bewustzijn hebbende, of bewustzijn als in zelf, of zelf als in bewustzijn. Zo is men niet gericht naar het heden. {8}

‘Laat men niet het verleden nog eens opsporen
of smachten naar de toekomst;
wat tot het verleden behoort, is achtergelaten,
nog niet bereikt is wat nog moet komen.
Maar wat thans is, neemt hij waar,
met inzicht, zoals en wanneer het komt.
In het onbeweeglijke, het niet-prikkelbare,
in die staat moet de wijze groeien.
Vandaag nog moet men zich beijveren,
morgen kan de dood al komen - wie weet?
Want geen afspraak kunnen we maken
met de dood en z'n machtige heerscharen.
Maar iemand die aldus oplettend vertoeft,
overdag en ‘s nachts, onvermoeibaar,
hij is door de Stille Wijze genoemd:
'de ideale liefhebber van eenzaamheid’.

     Met betrekking hierop is gezegd: ‘Monniken, ik zal u de samenvatting en de uiteenzetting verkondigen van de ideale liefhebber van eenzaamheid.’”

     Aldus sprak de Verhevene. Vol vreugde verblijdden zich de monniken over de woorden van de Verhevene.{9}
(M.131; zie ook S.35.63-64)

     m.a.w. men kan aan het verleden, aan het heden of aan de toekomst denken, maar men moet niet gehecht zijn aan die gedachten. En men moet de leer van niet-zelf goed inzien.
__________

Noten

{1} Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, The Wheel No. 188 (Kandy 1973), p. 19-22.

{2} d.w.z. de Boeddha.

{3} Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, wordt het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo spoort men het verleden nog eens op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest (d.w.z. denken, wilsacties e.d.) en ideeën. Men denkt aan het verleden en verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan het verleden.

{4} Door te denken hoe het oog was en hoe vormen waren in het verleden, zonder dat het bewustzijn eraan gebonden is door verlangen, daardoor schept men er geen behagen in. En zo spoort men het verleden niet meer op. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan het verleden maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan het verleden.

{5} Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, verlangt men vurig naar iets wat nog niet verkregen is. Door dit verlangen schept men er behagen in en zo smacht men naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt dan aan wat in de toekomst kan zijn en men verlangt ernaar. Men vindt het aangenaam en zo is men gehecht aan de toekomst.

{6} Door te denken hoe het oog kan zijn in de toekomst en hoe vormen kunnen zijn, zonder te verlangen naar wat nog niet verkregen is, daardoor schept men er geen behagen in. En zo smacht men niet naar de toekomst. Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en ideeën. Men denkt wel aan de toekomst maar zonder verlangen ernaar. En omdat men geen verlangen heeft, is men niet gehecht aan de toekomst.

{7} gericht naar het heden. Letterlijk staat er: geleid naar tegenwoordige dingen.

     Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, is het bewustzijn stevig gebonden door verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden met verlangen. Men schept er behagen in en zo is men gehecht aan het heden.

{8} Door te denken hoe tegenwoordig het oog is en hoe vormen zijn, zonder verlangen ernaar, is het bewustzijn er niet aan gebonden. Daardoor schept men er geen behagen in en zo is men niet gericht naar het heden. – Op gelijke wijze is het met het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en aanrakingen, de geest en gedachten. – Men denkt aan het heden zonder verlangen. Men schept er geen behagen in en zo is men niet gehecht aan het heden.

{9} Over het alleen vertoeven schreef Wilhelm Busch: “Der Einsame, der hat es gut, weil keiner da der ihn was tut.” (De eenzame heeft het goed omdat er niemand is die hem iets doet). Ware eenzaamheid is nog veel beter, is de hoogste veiligheid.

__________

Met vriendelijke groet
Nico



« Laatst bewerkt op: 01-04-2019 15:36 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #19 Gepost op: 02-04-2019 08:30 »
Resume

Hoewel het Sutta Nipata een bloemlezing is vooral voor monniken, kunnen de raadgevingen erin ook door leken nagevolgd worden. Onder “monnik” in ruimere zin is iedereen te verstaan die ijverig de leer probeert na te volgen.

In de voorgaande verzen van het Sutta Nipata en de opmerkingen erbij werd duidelijk gemaakt dat zintuiglijke genoegens onvoldaan zijn. Als men ze krijgt en ervan geniet, is men blij. Verdwijnen ze of nemen ze af, ondervindt men leed. Wie begeerte ernaar vermijdt, overwint gehechtheid eraan. Alles wat samengesteld is, is immers veranderlijk.
Wanneer men bezig is met het overwinnen van gehechtheid, dan is men bezig met het oversteken van de stroom. De leer is een middel om over te steken. Als men aan de andere kant is aangekomen, is het hechten aan de leer niet nodig.

De ware betekenis van het opgeven van de wereld is dat men afziet van doden, stelen, liegen, lasteren, barse taal, gierigheid, uitschelden, hebzucht, toorn en hoogmoed, wanneer men matigheid beoefent en een beheerst gemoed heeft.
Ook schept men niet op over eigen deugdzaam gedrag.
De wijze leeft alleen, d.w.z. hij hecht zich niet aan iemand of iets. Hij eigent zich niets meer toe, niets meer is “van mij”. Hij spreekt geen lof of berisping, en hij laat zich door zulke woorden niet beroeren. Hij heeft geen verlangen naar iets, geen voorkeur voor iets. Hij acht zich niet hoger of minder dan of gelijk aan anderen. Hij ziet het einde van geboorte en sterven. Hij is vrij van hechten, vrij van neigingen.Hij is niet meer benoembaar, is onbegrijpelijk.

Laat men daarom alleen gaan, zich nergens aan hechtend. Laat men meditatie (of contemplatie) beoefenen. Laat men leven in overeenkomst met de leer. Beoefen metta etc., streef naar het einde van begeerte.

De Boeddha (en ook de wijze)  heeft zekerheid door de 37 naar de Verlichting voerende factoren. Daarom heeft hij geen vlot meer nodig om over te steken.

In de voorgaande verzen was ook te zien dat eigen visies en vooroordelen, vooringenomen standpunten, opgegeven moeten worden; zij belemmeren een helder zien.

Als voorbeeld dient hier een schaar. Wij hebben thuis diverse scharen, en ik zocht de metaalkleurige schaar met oranje handgrepen. Normaal ligt die schaar op tafel, met de handgrepen naar de rand van de tafel en de spitse punten gericht naar het midden van de tafel. Hoe ik ook zocht, ik vond de schaar niet. Het “zoekbeeld” dat ik in mijn gedachten had, kwam niet overeen met het beeld van de schaar zoals die toen op tafel lag. Beide beelden, beide puzzelstukken, pasten niet. Pas toen ik het “zoekbeeld” in mijn gedachten veranderde, zag ik de schaar. Eerst was de opdracht: “zoek een schaar met de spitse punten van de rand af gericht.” Toen de zoekopdracht veranderde in “zoek een schaar” (dus zonder het vooringenomen standpunt van “schaar met de handgrepen gericht naar de rand van de tafel) zag ik de schaar voor me liggen. Ze lag daar al de hele tijd, alleen was de positie van de schaar veranderd. De veranderde positie kwam niet overeen met wat eerst als “zoekopdracht” gevraagd was, kwam niet overeen met wat ik eerst in mijn gedachten had.
Zo was het vooringenomen standpunt een belemmering om te zien wat duidelijk zichtbaar was.

Evenzo zijn vooroordelen, vooringenomen standpunten een belemmering om de waarheid over Nibbana te zien. In meerdere leerreden is over Nibbana gesproken. Het is GEEN einde van alles. Het is wel het einde van dukkha.

In hoofdstuk 4 van het Sutta Nipata, het Atthaka Vagga, is al veel over Nibbana vermeld. In hoofdstuk 5 ervan, het Pārāyana Vagga, komt ook in de vragen van de leerlingen van Bavari aan de orde wat de echte bevrijding is en hoe de innerlijke vrede bereikt kan worden.

_____

Met vriendelijke groet
Nico
 




Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #20 Gepost op: 03-04-2019 07:18 »
Sn. V. Pārāyana-Vagga, het boek “de weg naar de andere oever”

De vragen van de priester-discipelen

Indeling

V.0. (verzen 976-1031)  Verhalende verzen
V.1. (verzen 1032-1039) Ājita
V.2. (verzen 1040-1042) Tissa-Metteyya
V.3. (verzen 1043-1048) Punnaka
V.4. (verzen 1049-1060) Mettagū
V.5. (verzen 1061-1068) Dhotaka
V.6. (verzen 1069-1076) Upasīva
V.7. (verzen 1077-1083) Nanda
V.8. (verzen 1084-1087) Hemaka
V.9. (verzen 1088-1091) Todeyya
V.10. (verzen 1092-1095) Kappa
V.11. (verzen 1096-1100) Jatukannī
V.12. (verzen 1101-1104) Bhadrāyudha
V.13. (verzen 1105-1111) Udaya
V.14. (verzen 1112-1115) Posāla
V.15. (verzen 1116-1119) Mogharāja
V.16. (verzen 1120-1123) Pingiya 
Eindverzen 1124-1149.
__________

Inleiding

     Dit vagga begint met 50 verzen waarin verhaald wordt dat de brahmaan Bāvarī zestien van zijn volgelingen naar de Boeddha stuurt. Zij stellen samen zestien vragen. In het laatste deel van het vagga besluiten vijftien van hen bij de Boeddha te blijven. De verzen worden toegeschreven aan Ānanda. Er is geen commentaar op in het Niddesa. De zestien vragen gaan over het oversteken van de stroom en de ontsnapping aan geboorte en dood.


Verhalende verzen (verzen 976-1031)
V.0. Introductie

976.  Een brahmaan (met naam Bavari) die de vedische mantras helemaal van buiten had geleerd, wilde de volledige afwezigheid van bezittingen; hij ging op weg naar de heerlijke stad van de Kosalans in het zuidelijke land.

977.  Hij verbleef er aan de oever van de rivier Godhavari, in het gebied van Assaka, nabij Alaka, en leefde er van wat op de grond gevallen was en van vruchten.

978.  Dichtbij die oever was een groot dorp. Met het inkomen dat hij van dat dorp ontving, hield hij een groot offer.

979.  Na dat grote offer ging hij zijn kluis weer binnen. Toen kwam een andere brahmaan aan,

980.  met stukgelopen voeten, dorstig, met vieze tanden, en stof op zijn hoofd. Hij ging naar Bavari en vroeg hem 500 geldstukken.

981.  Bavari zag hem, vroeg hem te gaan zitten en vroeg hoe het met hem ging. Verder zei hij :

982.  "Wat ik had om weg te geven is al gebruikt door mij. Excuseer me, brahmaan, ik heb geen 500 geldstukken.”

983.  "Als u het mij niet geeft wanneer ik vraag, moge dan uw hoofd op de zevende dag vanaf nu in zeven stukken splijten." 

984.  Die misleidende man maakte veel misbaar en uitte zijn angstaanjagende wens. Na die woorden was Bavari in onrust.

985.  Hij at [en dronk] niet meer en droogde uit. Hij droeg de stekel van verdriet in zich. In een dergelijke mentale toestand vond zijn geest geen genoegen in meditatie.

986.  Een godheid zag hem, bang en ellendig. Hij wilde dat het goed met Bavari ging, en zei tot hem:

987.  "Hij weet niets over hoofden. Hij is een bedrieger die geld wil hebben. Hij heeft geen weet van hoofden of van het splijten van hoofden."

988.  "Geachte, u weet het beslist; vertel mij a.u.b. over hoofden en het splijten van hoofden."

989.  "Ook ik weet het niet; ik heb er geen kennis van. Het behoort echt tot het inzicht van Veroveraars."

990.  "Godheid, wie dan hier op aarde weet over hoofden en het splijten van hoofden?"

991. "Uit de stad Kapilavatthu is de leider van de wereld vertrokken, een afstammeling van koning Okkaka, een lid van de Sakya-stam, een brenger van licht.

992.  Brahmaan, hij is waarlijk een volledig Verlichte, die naar de andere oever van alle verschijnselen is gegaan. Hij heeft alle bovennatuurlijke weten en krachten verkregen. Hij is iemand met visie wat betreft alle verschijnselen. Hij heeft de vernietiging van alle verschijnselen bereikt. Hij is bevrijd in de vernietiging van de aanwinsten die naar wedergeboorte leiden.

993.  Die Boeddha, de Gezegende in de wereld, iemand met visie, onderwijst de leer. Ga naar hem toe en stel je vragen. Hij zal je uitleg geven."

994.  Bij het horen van de woorden: "Volledig verlicht," was Bavari blij. Zijn verdriet was verminderd, en hij was vervuld met heel veel vervoering.

995.  Die Bavari, met verheven geest, blij, in vervoering, vroeg aan de godheid: "In welk dorp of in welke stad of in welk land is de beschermer van de wereld, waarheen kunnen wij gaan om de Volmaakt Verlichte te eren, de beste van tweevoetige mensen?" 

996.  "De Veroveraar is te Savatthi, een stad van de Kosalans. Hij heeft veel wijsheid en uitstekende en grote intelligentie. Dit lid van de Sakya-stam is zonder last, zonder asavas. Die stier onder mensen heeft kennis over splijten van het hoofd."

997.  Toen richtte hij [= Bavari] zich tot zijn leerlingen, brahmanen die de vedische mantras helemaal van buiten hadden geleerd, met de woorden: “Komt, jonge brahmanen, luistert naar mijn woorden.

998.  Hij wiens verschijnen vaak moeilijk is te verkrijgen in de wereld, is nu in de wereld ontstaan. Hij is beroemd als ‘volmaakt Verlichte.’ Gaat snel naar Savatthi en bezoekt er de beste van de tweevoetige mensen.”

999.  “Brahmaan, hoe weten wij of hij de Boeddha is wanneer wij hem zien? Zeg het ons die hem niet kennen, hoe wij hem kunnen kennen.”

1000.  “De tekenen van een groot man zijn ons inderdaad overgeleverd in de vedische mantras, en 32 zijn volledig beschreven.{1}

1001.  Voor degene wiens ledematen deze 32 kenmerken van een groot man hebben, zijn slechts twee manieren van leven open, want een derde bestaat er niet.

1002.  Als hij deze aarde verovert en in een huis woont, zal hij zonder geweld heersen, zonder zwaard maar met rechtvaardigheid.

1003.  Indien hij evenwel van huis in de huisloze staat vertrekt, zal hij iemand worden met ver verspreide faam, volledig verlicht, een onvergelijkbare heilige.

1004.  Vraag in jullie geest alleen naar mijn geboorte en stam, mijn kenmerken, welke vedische mantras ik ken, en naar mijn andere leerlingen, en over hoofden en het splijten van hoofden.

1005.  Indien hij een Boeddha is die zonder belemmeringen ziet, zal hij met zijn stem de vragen beantwoorden die in jullie geest zijn gesteld.”

1006.  Na het horen van Bavari’s woorden namen zestien brahmaanse leerlingen afscheid van hem, namelijk Ajita, Tissametteyya, Punnaka, Mettagu,

1007.  Dhotaka, Upasiva, Nanda, Hemaka, Todeyya, Kappa, de wijze Jatukanni,

1008.  Bhadravudha, Udaya, en ook de brahmaan Posala, de intelligente Mogharaja, en de grote ziener Pingiya,

1009.  ieder met zijn eigen groep, beroemd in de wereld, meditatoren, behagen scheppende in meditatie, verzadigd met hun vroegere goede indrukken.

1010.  Zij groetten Bavari met respect, en met gematteerd haar en gehuld in hertenhuiden vertrokken zij naar het noorden.

1011.  Via Patitthana van Alaka, naar Mahisatti, Ujjena, Gonaddha, Vedisa, de plaats Vanasa,

1012.  en ook Kosambi, naar Saketa en Savatthi, de beste der steden, naar Setaviya, Kapilavatthu en de stad Kusinara,

1013.  en naar Pava, de stad van de Magadhans, en naar de schrijn van Pasanaka, heerlijk en lieflijk.

1014.  Als een  dorstige man die naar koel water gaat, als een koopman die naar grote winst gaat, als iemand wiens hoofd door de hitte verbrand is naar de  schaduw gaat, zo snel beklommen zij de berg.

1015.  En de Gezegende was op die tijd tegenover de gemeenschap van de monniken en onderwees hun de leer. Hij sprak als een leeuw die in een bosje brulde.

1016.  Ajita zag de volledig Verlichte, als de zon met rechte stralen, als de maan tot volheid gekomen op de 15e dag.

1017.  Hij zag de ledematen en de kenmerken, ging terzijde staan en stelde vol vreugde in zijn geest de volgende vragen:

1018.  “Spreek met betrekking tot zijn geboorte; vertel me over zijn stam en over zijn kenmerken. Vertel me over zijn volmaaktheid wat betreft de vedische mantras; hoeveel onderwijst de brahmaan er?”

1019.  “Zijn ouderdom is 120 jaren; hij is van de stam Bavari. Op zijn lichaam zijn drie kenmerken. Hij heeft de drie vedas helemaal van buiten geleerd.

1020.  In de kenmerken en in de mondelinge overlevering, samen met de etymologieën en de rituelen geeft hij aan 500 onderricht; in zijn eigen leer heeft hij de volmaaktheid bereikt.”

1021.  “Geef een gedetailleerd verslag van Bavari’s kenmerken, gij beste der mensen die begeerte heeft afgesneden, zodat er bij ons geen twijfel moge bestaan.”

1022.  "Hij kan zijn gelaat bedekken met zijn tong. Er is haar tussen zijn wenkbrauwen. Zijn mannelijk orgaan is verborgen in de voorhuid. Weet het zo, jonge brahmaan."

1023.  Het hele volk hoorde geen vraag (die gesteld werd) maar wel de antwoorden die gegeven werden. En in vervoering en met de handen samengevouwen (in anjali-gebaar) dacht het:

1024.  “Welke god of Brahma, of Inda Sujampati, stelde deze vraag in zijn geest? Aan wie gaf de Boeddha dit antwoord?"

1025.  "Bavari stelde vragen over hoofden en het splijten van hoofden. Leg dat uit, Gezegende. Verdrijf onze twijfel, gij ziener."

1026.  “Weet dat onwetendheid het hoofd is. De splijter van het hoofd is kennis, samen met vertrouwen, oplettendheid en concentratie, en met vastbeslotenheid en energie (wilskracht)."

1027.  De jonge brahmaan vatte vertrouwen, deed zijn hertenhuid over een schouder en met grote vervoering viel hij met zijn hoofd neer aan de voeten van de Boeddha.

1028.  "Heer, de brahmaan Bavari met zijn leerlingen, met verblijde geest en opgewekt, groet de voeten van de Eerwaarde, iemand met visie."

1029.  "Moge de brahmaan Bavari gelukkig zijn met zijn leerlingen, en moge ook jij gelukkig zijn. Leef een lange tijd, jonge brahmaan.

1030.  Alle twijfel van Bavari en van jullie allen - nu jullie een gelegenheid hebben, vraag wat jullie in jullie geest verlangen."

1031.  Nadat een gelegenheid gegeven was door de volmaakt Verlichte, met samengevouwen handen neergezeten, stelde Ajita er aan de Tathagata de eerste vraag.
___________

{1} [Over de 32 kenmerken van een groot man, zie  https://sites.google.com/site/hetbegripbodhisatta/3-de-bodhisatta-in-het-theravada/3-11-de-32-kentekenen


__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 03-04-2019 14:26 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #21 Gepost op: 04-04-2019 04:54 »
Sn. V.1. De vragen van Ājita (verzen 1032-1039)


1032. "Waarin is de wereld gehuld," vroeg de eerwaarde Ajita. "Waarom schijnt ze niet? Wat is de plakkerige smet ervan?"

1033. "De wereld is gehuld in onwetendheid, Ajita," zei de Gezegende. "Vanwege gierigheid en onachtzaamheid schijnt ze niet. Ik noem verlangens de plakkerige smet ervan.{1} Ellende is de grootste angst ervan."

1034. "Stromen stromen overal," {2} zei de eerwaarde Ajita. “Waarmee kan men ze tegenhouden? Vertel me de begrenzing ervan. Waardoor worden zij ingedamd?"

1035. "Wat voor stromen er ook in de wereld zijn, Ajita," zei de Gezegende, "ze worden tegengehouden door oplettendheid. Ik zal je de begrenzing ervan vertellen. Ze worden ingedamd door wijsheid." {3}

1036. "Wijsheid en oplettendheid," zei de eerwaarde Ajita, "en naam-en-vorm, heer, vertel mij a.u.b. waarin is het tot stilstand gebracht?" {4}

1037. "Ik zal antwoord geven op deze vraag die je hebt gesteld, Ajita, namelijk waarin naam-en-vorm volledig tot stilstand is gebracht. {5} {6} Door het tot stilstand brengen van bewustzijn, daarin is het tot stilstand gebracht." {7}

1038. "Zij die de leer hebben overwogen, en de velen hier die nog (moeten) oefenen, {8} vol ijver, vertel mij a.u.b., heer, hun manier van leven." {9}

1039. "Een bhikkhu is niet begerig naar zinnelijke genoegens. Hij is onverstoord in geest. Bedreven in alle mentale staten gaat hij zijns weegs, oplettend."

__________
Noten

{1} Begeerte, verlangen maakt de wereld onrein. Commentaar: begeerte is namelijk voor deze wereld als een lijmstok voor apen (zie S.47.7). [Jagers leggen lijmstokken uit om apen te vangen. Een onvoorzichtige aap pakt een lijmstok vast met een voorpoot en blijft eraan kleven. Om de voorpoot los te maken pakt de aap met de andere voorpoot de lijmstok vast maar nu kleven beide voorpoten vast. Om die los te maken pakt de aap de stok met een achterpoot en blijft ook daarmee vastkleven. Dan volgt de andere achterpoot die ook vast blijft kleven. Dan probeert de aap de poten vrij te krijgen met zijn bek, maar ook die blijft kleven. Op die manier zit de aap vijfvoudig vast. Hij huilt en is overgeleverd aan de jager.
Evenzo gaat het met iemand die op dwaalwegen raakt. En die dwaalwegen bestaan in de vijf zinnelijke begeerten.]

{2} Commentaar: De stromen van begeerte welke naar de objecten der zintuigen stromen. - Zie ook Dhp. 339. Daar wordt gesproken over de 36-voudige begeerte. Als die nog aanwezig is, strekt de stroom van de hartstochten iemand tot nadeel. - Zie ook A.IV.199, de 36 sporen van begeerte. -Zie ook Itiv. 109. [Iemand zwemt met de stroom mee. Maar op de oever waarschuwt iemand hem dat er een gevaarlijk meer komt met draaikolken, krokodillen en demonen. Na deze waarschuwing zwemt de man uit alle kracht tegen de stroom in. - Met de stroom wordt de begeerte bedoeld.]

{3} wijsheid. In de samenstelling met oplettendheid kan men hier ook denken aan helder begrip (sampajañña).

{4} Alternatieve vertaling: 'Waar verdwijnt dit?'

{5} Alternatieve vertaling: 'waar naam-en-vorm zonder rest verdwijnt'

{6} Commentaar: geest en lichaam verdwijnen samen met het bewustzijn, niet eerder en niet later. - Cula Niddesa: door opheffing van het kamma-producerende bewustzijn.

{7} Alternatieve vertaling: 'Door het verdwijnen van bewustzijn verdwijnen beide.

{8} (heilige) onderzoekers van de dingen. - Cula Niddesa: de heiligen. - sekha: oefenende; zo wordt degene genoemd die een van de paden en vruchten van de niveaus 1 t/m 7 van heiligheid heeft bereikt, d.w.z. tot en met het pad van volmaakte heiligheid. Het 8e niveau is de vrucht van volmaakte heiligheid (arahatta-phala). Bij het bereiken daarvan geldt men als asekha, als vrij van oefening. - Naar dit vers wordt in S.XII.31 verwezen en het wordt er door de eerwaarde Sariputta uitgelegd. [Dit sutta is hierna in het kort opgenomen.]

{9} Alternatieve vertaling van 1038: 'Zij die de waarheid hebben gerealiseerd, en zij die nog in opleiding zijn, en degenen die gewone individuen zijn, - vertel mij a.u.b., wijze heer, hun manier van leven.'
__________

S.XII.31 = S.12.31. [S.II.1.31]
Geworden
[bevrijd; nibbana]

Te Savatthi.
     'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht van de werkelijkheid. En wanneer men dat juist heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van het gewordene, op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

     'Het ontstaan ervan is door zijn voedingsstof,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft gezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat ontstaan heeft door een voedingsstof. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

     'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat is geworden, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men met juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat met juist inzicht heeft ingezien, dan is men op de weg naar afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen. Dan is men op de weg naar het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

     Op die manier is men iemand die ijverig streeft.

     Hoe evenwel wordt men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld?

     'Dit is geworden,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men ten gevolge van de afkeer van het gewordene, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan, bevrijd door niet hechten, door niet inbezitname.{1}

     'Het gewordene heeft zijn ontstaan door zijn voedingsstof,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat is ontstaan door een voedingsstof, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan.

     'Door opheffing van zijn voedingsstof is datgene wat is geworden, onderhevig aan de wet van beëindigen,' dat ziet men door juist inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Wanneer men dat heeft ingezien, dan is men bevrijd ten gevolge van de afkeer van datgene wat onderhevig is aan de wet van beëindigen, ten gevolge van het verdwijnen ervan en de opheffing ervan door niet inbezitname, niet hechten.

     Op die manier is men iemand die de waarheid op de proef heeft gesteld.
_____

{1}  Bedoeld is het 'vastgrijpen' van de empirische dingen, het zich ermee bezig houden. Is men ervan losgeraakt, dan is men bevrijd.

__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 04-04-2019 09:02 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #22 Gepost op: 05-04-2019 05:50 »
Sn.V.2. De vragen van Tissa Metteyya (verzen 1040-1042)


1040.  "Wie is tevreden hier in de wereld?" vroeg de eerwaarde Tissa Metteyya. "Voor wie zijn er geen beroeringen? Welke denker die beide einden kent, hecht niet aan het midden? {1} Wie noemt u een groot man? Wie is de naaister {2} te boven gekomen?"

1041.  "De bhikkhu die het heilige leven leidt temidden van zinnelijke genoegens, Metteyya," zei de Gezegende, "vrij van begeerte, steeds oplettend, uitgedoofd na overweging, voor hem zijn er geen beroeringen.

1042.  Die denker die beide einden kent en die niet hecht aan het midden, hem noem ik een groot man. Hij is de naaister (begeerte) te boven gekomen."

__________
{1} alternatieve vertaling: "Wie, beide uitersten begrijpend, is vanwege wijsheid niet blijven steken in het midden?"

{2} De naaister is begeerte. Dit wordt uitgelegd in A.VI.61 waar vers 1042 geciteerd en uitgelegd wordt: ‘De indruk van de zintuigen is het ene einde. Het ontstaan van de indruk van de zintuigen is het andere einde. De opheffing van de indruk van de zintuigen is het midden. Begeerte is de naaister. Want begeerte naait de beide einden aan elkaar waaruit dan deze of gene vorm van bestaan ontstaat.’
     Het beeld van de naaister wordt hier eerst door de brahmaan Tissa Metteyya gebruikt. Hij heeft daarbij zeker gedacht aan de oud-indiase leer van de 'wereld-draad' of 'draad-atman' (sutr'atman).
Het antwoord van de Boeddha kan daarom als correctie van die leer opgevat worden.
     Satapatha-Brahmana: "de zon is de haak waaraan deze werelden geknoopt zijn door middel van de hemelrichtingen. ... Ze bindt deze werelden aan zich door de draad-atman."
     In de Brhahadaranyaka-Upanisad (3,7) staat: "Ken je die draad waardoor deze wereld en de andere wereld en alle werelden samengebonden worden? ... Wie die draad kent en de innerlijke leider ervan ... die kent alles .... Wie de aarde ... innerlijk regeert, dat is jouw ziel, ... het onsterfelijke."
     Volgens de Boeddha is het de begeerte die ten grondslag ligt aan al deze verschillende opvattingen van wereld-draad of draad-atman. Begeerte is de echte naaister, de bindende en samenhoudende kracht.

__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 05-04-2019 16:41 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #23 Gepost op: 06-04-2019 02:07 »

Sn.V.3. De vragen van Punnaka (verzen 1043-1048)


1043.  "Ik ben gekomen om een vraag te stellen aan degene die zonder begeerte is, die de wortel ziet,”{1}, zei de eerwaarde Punnaka. "Afhankelijk waarvan brachten veel zieners, mannen,{2} krijgers en brahmanen, offers aan goden hier in de wereld? Gezegende, vertel me dat a.u.b."

1044.  De Gezegende zei: "Punnaka, die vele zieners en mannen, krijgers en brahmanen, die offers brachten aan de goden hier in de wereld, zij deden dat in de hoop op een bestaan hier, welk bestaan afhankelijk is van ouderdom.”{3}

1045. "Die vele zieners en mannen," zei de eerwaarde Punnaka, "krijgers en brahmanen die offergaven brachten aan de goden hier in de wereld, Gezegende, overwonnen zij, waakzaam bij de manier van offeren, geboorte en ouderdom? Vertel me dat a.u.b., Gezegende."

1046. "Zij hoopten, verlangden en offerden, Punnaka," zei de Gezegende. "Zij verlangden naar zintuiglijke genietingen, afhankelijk van winst. Ik zeg dat zij, overgegeven aan offeren en beïnvloed door passie naar bestaan, geboorte en ouderdom niet overwonnen."

1047. "Indien zij, overgegeven aan offeren," zei de eerwaarde Punnaka, "geboorte en ouderdom niet overwonnen vanwege hun offeren, heer, wie dan in de wereld van goden en mensen heeft geboorte en ouderdom wel overwonnen, heer? Gezegende, vertel mij dat a.u.b."

1048. "Punnaka, wie overwogen heeft wat in de wereld ver is en nabij, en voor wie er geen enkele beroeringen zijn in de wereld," zei de Gezegende, "hij, - kalm, zonder dampen van passie, zonder smart, zonder verlangen, - heeft geboorte en ouderdom overwonnen.{5}
__________

Noten

{1} Het Cula Niddesa: Hij ziet de oorzaak van alle dingen, de wortels van het heilzame en van het onheilzame.

{2} mannen: de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘en uit Manu's stam’

{3} alternatieve vertaling: ‘hechtende aan ouderdom, d.w.z. samsara.’

{4} 'waakzaam ... ', de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: 'onvermoeibaar in de offerdienst'

{5} de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘Wie het lage en het hoge in de wereld onderzoekt, wie niet bewogen wordt door iets in de wereld, wie stil is en helder, onverstoorbaar en wensloos, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.’

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2815
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #24 Gepost op: 06-04-2019 14:06 »
Mooie teksten
 Bedankt

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #25 Gepost op: 07-04-2019 03:49 »
Sn.V.4. De vragen van Mettagu (verzen 1049-1060)

1049.  "Gezegende, ik vraag u. Vertel het mij a.u.b.," zei de eerwaarde Mettagu. "Ik denk dat u kennis hebt en een ontwikkeld zelf.{1} Vanwaar zijn deze ellenden ontstaan die veel vormen in de wereld hebben?"

1050.  "Mettagu, indien je mij hebt gevraagd over het tot ontstaan komen van ellende," zei de Gezegende, "dan zal ik je dat vertellen als iemand die weet. Ellenden die in de wereld veel vormen hebben, komen tot ontstaan met aanwinsten die naar wedergeboorte leiden als de oorzaak ervan.

1051.  Waarlijk, elke dwaas die onwetend aanwinsten maakt, komt steeds weer tot ellende. Daarom moet iemand die weet, geen aanwinsten maken maar de geboorte en het ontstaan van ellende overwegen."

1052. "U hebt ons uitgelegd wat wij gevraagd hebben. Ik stel een andere vraag. Vertelt ons a.u.b. hoe de wijzen de stroom, geboorte en ouderdom overwinnen, en ook verdriet en droefenis. Legt mij dat a.u.b. uit, gij wijze, want aldus is deze leer {2} aan u bekend."

1053.  "Mettagu, ik zal je de leer uitleggen," zei de Gezegende, "welke niet gebaseerd is op horen zeggen in de wereld van de verschijnselen. Wanneer men die leer kent en oplettend leeft, overwint men gehechtheid in de wereld."

1054.  "En ik verheug me over die verheven leer, grote ziener; wanneer men ze kent en oplettend leeft, overwint men de gehechtheid in de wereld."

1055.  "Mettagu, wat je ook weet," zei de Gezegende, boven, beneden, kruiselings en ook in het midden, wanneer je genoegen en gehechtheid aan die dingen hebt weggegooid, en bewustzijn,{3} dan blijf je niet in dit bestaan.

1056.  Wanneer je aldus vertoeft, oplettend, waakzaam, levend als een bhikkhu, na geliefde dingen achtergelaten te hebben, dan geef je hier ter plekke geboorte en ouderdom op, en verdriet en droefenis, en ellende."

1057.  "Ik verheug me over deze uitspraak van de grote ziener Gotama, welke goed is uitgelegd en zonder aanwinsten die naar wedergeboorte leiden. Beslist heeft de Gezegende ellende opgegeven, want zo is deze leer bij u bekend.

1058.  En ook zij geven beslist ellende op die u, wijze, aanspoort zonder te stoppen.{4} Daarom, groot iemand, buig ik terneer, na hier tot u te zijn gekomen. Misschien spoort de Gezegende mij aan zonder te stoppen."

1059.  "Welke brahmaan men onderkent als iemand die kennis heeft, die niets bezit, die niet gehecht is aan zintuiglijke genoegens en aan bestaan, die persoon heeft vast en zeker deze stroom overgestoken. En na overgestoken te zijn naar de andere oever is hij zonder mentale onvruchtbaarheid {5} en zonder twijfel.

1060.  En welke man hier weet en kennis heeft, waarbij hij gehechtheid aan diverse soorten van bestaan opgeeft, hij heeft, zo zeg ik, met begeerte gegaan, en zonder verlangen, geboorte en ouderdom overwonnen." {6}
_____
Noten

{1} alternatieve vertaling: ‘ik beschouw u als iemand met kennis en volledig ontwikkeld.’

{2} alternatieve vertaling:  ‘waarheid’

{3} alternatieve vertaling: ‘kamma-vormend bewustzijn’

{4} alternatieve vertaling: ‘die u altijd aanspoort’.

{5} alternatieve vertaling: ‘zonder ruwheid van hart’

{6} Nyanaponika vertaalde deze vragen aldus:
Mettagu:
“Waaruit is dit lijden hier ontstaan, dit lijden dat in zo menigvuldige vormen voorkomt?”
De Verhevene:
“Het lijden ontstaat, veroorzaakt door de groepen van bestaan. Alwie, uit onwetendheid, voor zich groepen van bestaan schept, geraakt steeds weer opnieuw in lijden. Wie dit inziet, wie geboorte en de oorsprong van het lijden ziet, moet daarom geen nieuwe groepen van bestaan meer scheppen.”
Mettagu:
“Op welke manier overschrijden wijze mensen de vloed: geboorte en ouderdom, zorg en leed?”
De Verhevene:
“Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming. Kom het bewustzijn te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”

__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 07-04-2019 09:45 door nico70+ »

Offline ekayano maggo

  • wat is dit
  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 469
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #26 Gepost op: 07-04-2019 09:35 »
Bedankt Nico.
Zijn aansprekende vertalingen.
Ik keer hier regelmatig terug.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #27 Gepost op: 08-04-2019 04:20 »

Sn.V.5. De vragen van Dhotaka (verzen 1061-1068)

1061. "Gezegende, ik vraag u, vertel me dit," zei de eerwaarde Dhotaka. "Ik verlang naar uw uitspraak, grote ziener. Na uw verkondiging gehoord te hebben ga ik mijzelf oefenen voor mijn eigen uitdoving." {1}

1062.  "Dhotaka, span je daarvoor in," zei de Gezegende. "Wees ijverig, oplettend, hier op deze plek, hoor de verkondiging hier en oefen jezelf voor je eigen uitdoving."

1063.  "Ik zie in de wereld van goden en mensen een brahmaan rondgaan, die niets bezit.{2} Daarom buig ik terneer voor u, Sakyer met universele visie. Bevrijd me van mijn twijfels."

1064.  "Ik ben niet in staat iemand in de wereld te bevrijden die twijfels heeft, Dhotaka. Maar wanneer je de beste leer kent, steek je deze stroom over."

1065.  "Brahmaan, heb medelijden, onderwijs de leer van onthechting die ik kan leren zodat onveranderlijk als ruimte ik op deze plek hier kan gaan, gekalmeerd, onafhankelijk."{3}

1066.  "Dhotaka," zei de Gezegende, "ik zal vrede aan jou uitleggen, die niet gebaseerd is op horen zeggen in de wereld van verschijnselen. Wanneer men die kent en oplettend gaat, kan men gehechtheid in de wereld overwinnen."

1067.  "Grote ziener, en ik verheug me in die opperste vrede welke, wanneer men ze kent en oplettend gaat, gehechtheid in de wereld overwint."

1068.  "Dhotaka," zei de Gezegende, "alles wat je kent, boven, beneden, kruiselings, en ook in het midden, wetende dat dit gehechtheid in de wereld is, verlang niet naar verscheidene soorten van bestaan." {4}
________
Noten

{1} Het Cula Niddesa: ‘tot uitdoving van de eigen begeerte, eigen haat, eigen onwetendheid.’

{2} [die niets zijn eigen noemt,]

{3} alternatieve vertaling: ‘zodat als onveranderlijke ruimte ik mijzelf kan gedragen hier in vrede, onthecht.’

{4} verscheidene soorten van bestaan. [Dit is het bestaan met ‘meervoudig bewustzijn’.]
__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 08-04-2019 06:55 door nico70+ »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #28 Gepost op: 09-04-2019 02:02 »
Sn. V.6. De vragen van Upasiva (verzen 1069-1076)

1069.  "Alleen en niet afhankelijk," {1} zei de eerwaarde Upasiva, "ben ik niet in staat om de grote stroom over te steken. Sakyer met universele visie, zeg mij een meditatie-object afhankelijk waarvan ik deze stroom kan oversteken."

1070.  "Rekening houdende met de staat van 'nietsheid', {2} in het bezit van oplettendheid, Upasiva," zei de Gezegende, "afhankelijk van het geloof 'het bestaat niet',{3} kun je de stroom oversteken. Geef zinnelijke genietingen op, zie af van verkeerde gesprekken {4} en kijk dag en nacht uit naar de vernietiging van begeerte."

1071.  "Hij wiens passie voor alle zinnelijke genietingen is verdwenen, Upasiva," zei de Gezegende, "afhankelijk van de staat van 'nietsheid', met achterlaten van de andere staten, bevrijd in de hoogste bevrijding van waarneming, {5} vertoeft hij daar en gaat hij niet verder?” {6}{7}

1072.  "Hij wiens passie voor alle zinnelijke genietingen is verdwenen, Upasiva," zei de Gezegende, "en die afhankelijk van de staat van nietsheid, met achterlaten van de andere staten, bevrijd is in de hoogste bevrijding van waarneming, hij kan daar blijven en niet verder gaan.{8}


1073.  "Indien iemand met universele visie er blijft, niet onderhevig aan samsara, zelfs voor een uitgebreid aantal van jaren, en op die plek bevrijd, indien hij oud werd, zou er dan bewustzijn voor hem zijn in een dergelijke staat?" {9}

1074.  "Juist zoals een vlam, uitgeblazen door de kracht van de wind, Upasiva," zei de
Gezegende, "uitgaat en niet langer als een vlam telt, {10} zo gaat een wijze die bevrijd is van zijn mentale lichaam, {11} uit en telt niet meer als een wijze."

1075.  "Hij die uitgegaan is,{12} bestaat hij niet, of blijft hij voor altijd onaangetast? {13} Leg me dit goed uit, wijze, want zo is deze leer aan u bekend."

1076.  "Er is geen maat voor iemand die uitgedoofd is,{14} Upasiva," zei de Gezegende. "Datgene bestaat voor hem niet meer waardoor men over hem zou kunnen spreken.{15} {16} Wanneer alle verschijnselen zijn verwijderd, dan zijn ook alle manieren van spreken verwijderd."

_________
{1} alternatieve vertaling: ‘zonder steun’

{2} Volgens het Cula Niddesa was Upasiva de zevende meditatieve verdieping machtig, het gebied van "niets is er". Maar hij had niet begrepen dat oplettendheid de noodzakelijke steun erbij was. De Boeddha toont hem nu die steun en de verdere weg naar bevrijding. Wanneer men bezonnen in die verdieping is ingetreden, en bezonnen zich eruit heeft verheven, dan beschouwt men de geestelijke processen, die daarbij zijn opgetreden, als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk; d.w.z. men verbindt aan dat hoogtepunt van meditatieve abstractie het nuchtere inzicht welk alleen naar de bevrijding kan voeren.

{3} alternatieve vertaling: ‘er is niets’

{4} Verkeerde gesprekken, d.w.z. de 32 wereldlijke en nutteloze gesprekken. Het Cula Niddesa geeft nog de alternatieve uitleg: ‘vrij van twijfel.’ [Zie o.a. M.77, waar gesprekken over koningen, eten, familieleden, vrouwen, steden en dorpen, het ontstaan van de wereld als zinloos worden genoemd.]

{5} Het Cula Niddesa: ‘De zeven met waarneming (of bewustzijn) verbonden meditatieve bereikingstoestanden worden als 'waarnemings-bevrijdingen' aangeduid. Het gebied van 'niets is er' is daarvan het hoogste. In de volgende bevrijding, het gebied van 'noch waarneming noch niet waarneming' is namelijk de waarneming zo subtiel dat ze eigenlijk niet meer als zodanig kan gelden.’

{6} ‘niet verder gaat’, het Cula Niddesa: ‘niet verdwijnend, of: niet bevlekt door begeerte, haat en onwetendheid.’

{7} Norman: ‘staat hij er niet onderhevig aan samsara’.


{8}  Norman: ‘hij staat er niet onderhevig aan samsara.’

{9} Volgens het commentaar en het Cula Niddesa wordt gevraagd of degene die in het gebied van 'niets is er' vertoeft, daar eeuwig in het bezit van Nibbana vertoeft. En of het bewustzijn daar in de zin van de vernietiging verdwijnt of dat zijn bewustzijn vandaar verdwijnt in een nieuwe wedergeboorte.

{10} Het Cula Niddesa: ‘Dat de vlam in deze of gene richting is gegaan, een dergelijke aanduiding is niet van toepassing.’

{11} van het mentale lichaam bevrijd (nāmakāyā vimutto). Het Cula Niddesa: de groep van de geestelijke factoren, de vijf khandhas, ter onderscheiding van de groep van lichamelijkheid.
Commentaar: de in het gebied van 'niets is er' ontstane 'strijdende wijze' was al eerder bevrijd van de groep van lichamelijkheid. Nadat hij nu ook het vierde niveau van heiligheid heeft bereikt, wordt hij door de volledige doordringing van de 'geest-groep'  ook daarvan bevrijd. Als een beiderzijds bevrijde heilige bereikt hij het einde, d.w.z. het Nibbana zonder hechten. Hij is ontkomen aan de benoeming, namelijk als krijger, brahmaan, etc. (gezinshoofd of monnik, mens of god).

{12} Nyanaponika: ‘Hij die tot het einde ging.’

{13} Nyanaponika: ‘of blijft hij in eeuwigheid onveranderd?’

{14} Voor hem die tot het einde ging (atthangatassa). Attham is hier: tehuis, woning. Het wordt gebruikt bij het ondergaan van de zon, en ook bij het uitdoven van vuur. Het gaat terug op de oud-indiase mythologische voorstelling van 'tehuis van de zon', resp. van het vuur. Er is ook het meer algemene gebruik van deze woordverbinding  en wel: tot rust komen, ophouden, vergaan, sterven. In onze tekst vraagt de brahmaan Upasiva uitdrukkelijk in welke betekenis de door de Boeddha gebruikte uitdrukking attham paleti begrepen moet worden: in de zin van het eenvoudige ophouden of in de zin van een transcendent tehuis waar de heilige binnengaat en daar voor eeuwig genezen is van de ellende van de wereld (zie 1075 a). Upasiva herhaalt dus in feite zijn vraag (zie 1073), ziet dus nog steeds geen andere mogelijkheid dan de tegengestelde begrippen 'eeuwigheid' en 'vernietiging'. De Boeddha legt nogmaals de nadruk erop dat de toestand van een volmaakte heilige onbegrijpelijk is en boven alle terminologieen gaat. Volgens het commentaar begreep Upasiva het toen en bereikte hij de heiligheid.
'Het einde' is niet de vernietiging, maar Nibbana; het is voor de Boeddha niet het absolute iets van een eeuwig tehuis, noch het 'absolute niets'. Het is veeleer te omschrijven als : het einde van onvoldaanheid, het einde van wedergeboorten.


{15} alternatieve vertaling: ‘ waarnaar mensen naar hem kunnen verwijzen.’

{16} Nyanaponika: ‘Er is geen woord meer waardoor men hem kan omschrijven.’

__________

Met vriendelijke groet
Nico
« Laatst bewerkt op: 09-04-2019 07:48 door nico70+ »

Offline Dorje

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 585
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #29 Gepost op: 09-04-2019 09:24 »
{2} Volgens het Cula Niddesa was Upasiva de zevende meditatieve verdieping machtig, het gebied van "niets is er". Maar hij had niet begrepen dat oplettendheid de noodzakelijke steun erbij was. De Boeddha toont hem nu die steun en de verdere weg naar bevrijding. Wanneer men bezonnen in die verdieping is ingetreden, en bezonnen zich eruit heeft verheven, dan beschouwt men de geestelijke processen, die daarbij zijn opgetreden, als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk; d.w.z. men verbindt aan dat hoogtepunt van meditatieve abstractie het nuchtere inzicht welk alleen naar de bevrijding kan voeren.

Het is in het geheel een zeer inspirerende tekst, inclusief de commentaren, maar ik haal er hier even bovenstaand stukje commentaar uit, omdat het volledig overeenkomt met wat onlangs ook uiteengezet werd in een teaching van Adyashanti.

Ziehier mijn eigen parafrasering:

"
Het is van belang te traceren waar alles vandaan komt. Als je bvb. in diepe meditatie een gedachte traceert naar zijn bron, vanwaar het is opgekomen, dan kan het zijn dat je even ondergedompeld geraakt in de grond van het zijn, in de leegte, en er even helemaal in oplost en verdwijnt, er is dan geen "ik" meer, noch een ander (geen dualiteit), noch een wereld (geen perceptie).
 
Maar nog meer van belang is het met alertheid gade te slaan hoe die wereld, hoe het andere, hoe het "ik" hierin weer opkomen, dat is juist heel erg transformerend.

Als je gewoon in die leegte (de grond) zou opgelost blijven, zou je behoorlijk niet-functioneel zijn. Het is maar wanneer we uit die diepe duik in die zwangere leegte terug komen, dat onze visie op de dingen diep kan veranderen: we zien dan direct hoe alles, zowel wereld (perceptie), zowel het ander (dualiteit), als het zelf ("ik") opkomt en dus ook weer weg kan vallen; dan zien we direct dat het geen zin heeft er aan vast te houden; dan kan gehechtheid eraan vanuit directe ervaring doorgesneden worden.

De gehechtheden kunnen maar verdwijnen (oplossen) terwijl de objecten en subjecten van gehechtheden zich voordoen (dus niet in het volledig opgelost zijn in die leegte). M.a.w. volledige bevrijding kan zich maar voordoen als we met alertheid terug uit die leegte opkomen en direct de vergankelijkheid, het onbevredigende, het niet tastbare van de verschijnselen ervaren.
"

Namastee






« Laatst bewerkt op: 09-04-2019 09:26 door Dorje »

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #30 Gepost op: 10-04-2019 05:04 »



Sn.V.7. De vragen van Nanda (verzen 1077-1083)

1077. "Men zegt dat er wijzen in de wereld zijn," zei de eerwaarde Nanda. "Hoe bedoelt {1} men dat? Zegt men dat iemand die kennis heeft, een wijze is, of is een wijze werkelijk iemand die een speciale manier van leven heeft?"

1078. "Nanda, de experten zeggen niet dat iemand een wijze is in deze wereld vanwege een visie, of geleerdheid, of weten.{2} Ik noem diegenen wijzen die hun levenswandel voeren zonder zich te binden,{3} zonder droefenis, zonder verlangen."{4}

1079. "Al die asceten en brahmanen," zei de eerwaarde Nanda, "die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. wat gezien en gehoord is,{5} die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. verschillende wegen, Gezegende, hebben zij, met terughoudendheid levend, daarin geboorte en ouderdom overwonnen? Gezegende, vertel mij dat a.u.b."

1080. "Nanda, al die asceten en brahmanen," zei de Gezegende, "die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. wat gezien en gehoord is, die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. verschillende wegen,{8} zij hebben, hoewel zij daarin met terughoudendheid leven, geboorte en ouderdom niet overwonnen."

1081. "Al die asceten en brahmanen," zei de eerwaarde Nanda, die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. wat gezien en gehoord is,{9} die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. deugdzaam gedrag en geloften, die zeggen dat zuiverheid is d.m.v. verschillende wegen, wijze, indien u zegt dat zij de stroom niet hebben overgestoken, wie dan in de wereld van goden en mensen heeft geboorte en ouderdom wel overwonnen?"

1082.  "Nanda, ik zeg niet dat alle asceten en brahmanen gehuld zijn in geboorte en ouderdom. Alwie hier hebben opgegeven wat gezien, gehoord of gedacht is{10} en wie alle deugdzaam gedrag en geloften hebben opgegeven, en die alle verschillende manieren hebben opgegeven, begeerte kennende en opgevende, en die zonder aasavas zijn, hen noem ik inderdaad mensen die de stroom hebben overgestoken."

1083.  "Gotama, ik verheug me over deze uitspraak van de grote ziener, welke goed is uitgelegd en zonder aanwinsten is die naar wedergeboorte{11} voeren. Alwie hier hebben opgegeven wat gezien, gehoord of gedacht is,{10} en die alle deugdzaam gedrag en geloften hebben opgegeven, begeerte kennende en opgevende, en die zonder aasavas zijn, hen noem ook ik 'mensen die de stroom hebben overgestoken'."

______
[m.a.w. zij die niets hun eigen noemen, die niet meer hechten aan regels en rituelen, die zonder smetten zijn, zij zijn aan de andere kant van de stroom aangekomen.]

{1} er staat: hoe zegt men dat?

{2} Het Cula Niddesa betrekt dit op de zuivering door wat gezien, gehoord en ingezien is.

{3} zonder zich te binden, visenikatvā.

{4} Nyanaponika vertaalde: ongestoord en wensloos.

{5} Nyanaponika: die wegens meningen of weten over zuiverheid spreken

{6} Nyanaponika: die op grond van regel en geloften over zuiverheid spreken

{7} Nyanaponika: die op grond van velerlei over zuiverheid spreken

{8} Nyanaponika:  die wegens visie of weten over zuiverheid spreken, op grond van regels en geloften ook over zuiverheid spreken, op grond van velerlei over zuiverheid spreken

{9} Nyanaponika: Al die priesters en asceten die wegens visie of weten over zuiverheid spreken ...

{10} ‘of gedacht’, Nyanaponika: op een andere manier vernomen

{11} Nyanaponika: .. van de grote ziener. Het oord dat vrij is van steunen voor bestaan, hebt u goed uitgelegd, Gotama.

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #31 Gepost op: 10-04-2019 15:00 »

Sn.V.8. De vragen van Hemaka (verzen 1084-1087)


1084.  "Indien men voorheen," zei de eerwaarde Hemaka, "voordat ik de leer van Gotama had gehoord, mij had uitgelegd dat het zo was en dat het zo zal zijn, - dat alles was van horen zeggen, dat alles deed mijn speculaties{1} toenemen.

1085.  Ik vond er geen behagen in. Maar gij, wijze, leer me de leer die begeerte vernietigt; als men ze kent en oplettend leeft, kan men gehechtheid in{2} de wereld oversteken."

1086.  "Hemaka, met betrekking tot prettige vormen{3} die gezien zijn, gehoord, gedacht{4} en waargenomen, door de onwrikbare staat van uitdoving worden verlangen en passie verwijderd. {5}

1087.  Zij die dit weten en oplettend zijn, die uitgedoofd zijn in de wereld der verschijnselen,{6} - en die steeds kalm zijn {7} - zij hebben gehechtheid in{8} de wereld overgestoken."

_____
{1} Nyanaponika: mijn piekeren

{2} Nyanaponika: gehechtheid aan

{3} Nyanaponika: prettige dingen

{4} Nyanaponika: gehoord, gevoeld en waargenomen

{5} alternatieve vertaling: “Hemaka, het opgeven van verlangen naar en passie voor dingen die gezien, gehoord, gevoeld, geweten zijn, welke dingen van een prettige natuur zijn, is de staat van Nibbana die niet verandert.”

{6} alternatieve vertaling: ‘in dit leven hier’

{7} Nyanaponika: ‘in vrede’;  alternatieve vertaling: ‘vol vrede.’

{8} alternatieve vertaling:  ‘gehechtheid aan’


__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #32 Gepost op: 10-04-2019 16:31 »
Sn.V.9. De vragen van Todeyya (verzen 1088-1091)

1088.  "In wie geen zinnelijke genoegens meer zijn," zei de eerwaarde Todeyya, "en voor wie er geen begeerte bestaat, en die twijfel heeft overwonnen, van wat voor soort is zijn bevrijding?"

1089.  De Gezegende gaf ten antwoord: "Todeyya, voor wie er geen zinnelijke genoegens zijn, voor wie er geen begeerte bestaat, wie twijfel heeft overwonnen, voor hem is er geen andere bevrijding."

1090.  "Is hij zonder aspiraties,{1} of koestert hij nog hoop [op iets]? Bezit hij wijsheid, of verwerft hij nog wijsheid?{2} Leg me dat a.u.b. uit, Sakya met universele visie, zodat ik een wijze kan herkennen."

1091.  "Todeyya, hij is zonder aspiraties,{1} hij koestert geen hoop. Hij bezit wijsheid, verwerft niet wijsheid.{3} Op die manier kun je een wijze herkennen, die niets bezit, die niet gehecht is aan zinnelijke genoegens en aan bestaan."{4}
__________
{1} Nyanaponika: ‘vrij van verlangen’

{2} Nyanaponika: ‘of peinst hij erover?’

{3} Nyanaponika: ‘hij peinst er niet over.’

{4} Nyanaponika: ‘die niet aan zinnelijk bestaan hecht.’

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #33 Gepost op: 11-04-2019 01:42 »


Sn.V.10. De vragen van Kappa (verzen 1092-1095)

1092.  "Heer, vertel mij over een eiland," zei de eerwaarde Kappa, "voor degenen die door ouderdom en dood zijn overwonnen,{1} zoals degenen die in het midden van een meer staan wanneer een zeer grote overstroming{2} is ontstaan, en verkondig dat eiland aan mij zodat deze ellende niet meer ontstaat." {3}

1093.  "Kappa, ik zal je over een eiland vertellen," zei de Gezegende, "voor degenen die door ouderdom en dood zijn overwonnen, zoals degenen die in het midden van een meer staan wanneer een zeer grote overstroming{2} is ontstaan.

1094.  Dit eiland, [namelijk] niets bezittende, zonder te hechten, weergaloos, noem ik uitdoving, de volledige vernietiging van ouderdom en dood.

1095.  Zij die dit weten en oplettend zijn, die uitgedoofd zijn in de wereld der verschijnselen,{4} komen niet onder Mara's invloed; zij zijn niet ondergeschikt aan Mara."{5}

__________

{1} Nyanaponika: ‘die aan ouderdom en dood zijn onderworpen’

{2} Nyanaponika: ‘stroom’

{3} alternatieve vertaling: "Heer, vertel me over een eiland voor degenen die in het midden staan van het meer, die neergeslagen zijn door ouderdom en dood wanneer een grote angst van overstroming ontstaat. Vertel me over dat eiland wanneer het er niet meer zal zijn."
- andere alternatieve vertaling: ‘een veilig eiland dat ons uit deze stroom bevrijd.’

{4} Nyanaponika: ‘in deze zichtbaarheid al helemaal uitgedoofd.’

{5} [d.w.z. zij geven niet meer toe aan verleidingen die bij hen opkomen.]

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #34 Gepost op: 11-04-2019 01:45 »
Sn.V.11. De vragen van Jatukanni (verzen 1096-1100)

1096.  De eerwaarde Jatukanni zei: "Ik hoor over een held die geen verlangen heeft naar zinnelijke genietingen. Ik ben gekomen om degene die de stroom is overgestoken en die zonder zinnelijke genietingen is, een vraag te stellen. Vertel me a.u.b. over de staat van vrede, gij alwetende.{1} Vertel mij dit, Gezegende, zoals het werkelijk is.

1097.  De Gezegende vertoeft inderdaad,{2} na zinnelijke genoegens te hebben overwonnen, zoals de schitterende zon de aarde overtreft door haar schittering. Gij van grote wijsheid, preek de leer tot mij die gering in wijsheid ben, zodat ik het opgeven van geboorte en ouderdom hier moge kennen."

1098.  "Verwijder begeerte naar zinnelijke genietingen, Jatukanni," zei de Gezegende, "nadat je uit het huis gaan als veiligheid hebt gezien. Moge er niets zijn dat door jou is opgenomen of neergelegd.{3}

1099.  Droog uit wat voorheen bestond. Moge er daarna niets meer zijn. Als je naar niets ertussen{4} grijpt, zul je in vrede leven.

1100.  Voor iemand wiens begeerte naar naam-en-vorm volledig is weggegaan, brahmaan, bestaan er geen asavas,{5} om reden waarvan hij onder invloed van de dood zou geraken."

_________
{1} alwetende, letterlijk: samen ontstaand oog (sahaja-netta). - Cula Niddesa legt netta (oog) uit als de alwetendheid die bij de Verhevene onder de boom der Verlichting samen (saha) met Boeddhaschap, in hetzelfde ogenblik, ontstond (ja-jāta).

{2} Nyanaponika: ‘... vertoeft inderdaad stralend, als de stralende zon ...’

{3} Nyanaponika: "Heb je begeerte naar de lusten overwonnen, heb je ontzegging als zekerheid onderkend, dan moet er geen grijpen, geen verwerpen bij jou te vinden zijn."

{4} ertussen. Nyanaponika: ‘in het midden...’
- vers 1099 = vers 949.

{5} asavas: neigingen.

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #35 Gepost op: 11-04-2019 02:01 »
 Sn.V.12. De vragen van Bhadrāyudha (verzen 1101-1104)



1101.  De eerwaarde Bhadravudha zei: "Ik vraag degene die het huis{1} achterliet, die begeerte afsneed, die zonder verlangen is, degene die genoegens verliet, die de stroom overstak, die bevrijd is, die verzinsels achterliet, de zeer wijze. Wanneer zij de grote man hebben gehoord, gaan de mensen weg van hier.

1022.  Verschillende mensen zijn van verschillende landen {2} gekomen, uit verlangen naar uw uitspraak, gij held. Leg het goed aan hen uit, want zo is deze leer van u bekend."

1103.  "Bhadravudha, verdrijf elk verlangen naar vastgrijpen," zei de Gezegende, "boven, beneden, kruiselings en ook in het midden. Want wat zij grijpen in de wereld, daardoor juist volgt Mara een schepsel.{3}

1104.  Daarom, dit wetende, moet een mens bezonnen de vreugde aan bestaan laten en niet ergens in deze hele wereld [aan iets] hechten.
Als in de boeien van het grijpen moge hij dit volk beschouwen, verstrikt in het bereik van de dood.”
{4} {5}

_________

{1} Vertaling door Nyanaponika: ‘het huis der begeerte’ (okañjaham), oka wordt in het Cula Niddesa uitgelegd met ālaya, dat eveneens huis betekent, en ook aanhankelijkheid, verlangen.

{2} alternatieve vertaling: ‘provincies’

{3} Nyanaponika: ‘een mens’

{4} Norman vertaalde: “Daarom, wanneer hij dit weet en wanneer hij op die manier deze mensen gehecht ziet aan het rijk van de dood, zal een oplettende bhikkhu niet iets in deze wereld grijpen dat gehecht is aan vastgrijpen.

{5} alternatieve vertaling: Een oplettende bhikkhu grijpt niet naar iets in de hele wereld, degenen ziende die gehecht zijn aan grijpen als mensen die gehecht zijn aan het rijk van de dood.

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline Dorje

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 585
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #36 Gepost op: 11-04-2019 10:43 »
{1} alwetende, letterlijk: samen ontstaand oog (sahaja-netta). - Cula Niddesa legt netta (oog) uit als de alwetendheid die bij de Verhevene onder de boom der Verlichting samen (saha) met Boeddhaschap, in hetzelfde ogenblik, ontstond (ja-jāta).

Dit houdt mij bezig. Kan je hier iets meer over verduidelijken, Nico? Wat ontstond er juist samen in hetzelfde ogenblik? Wat is dan het verschil tussen alwetendheid en Boeddhaschap?






Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #37 Gepost op: 11-04-2019 15:31 »
Beste Dorje,

Dat is een goede vraag.
In vers 1096 heeft de brahmaan Jatukanni de woorden “sahaja-netta” (het samen ontstaand oog) misschien gebruikt als een beleefde aanspreektitel.
De eerwaarde Nyanaponika vertaalde het met “alwetendheid” en volgde daarmee het Cula Niddesa. Norman omschreef het met “alles-wetende”.

Volgens de overlevering kreeg de Boeddha onder de Maha Bodhi boom alwetendheid. Hij kreeg toen drie soorten weten. Ze worden als volgt omschreven:
Het eerste weten is dat hij zich op veelvuldige wijze aan vroegere vormen van bestaan herinnerde.
Het tweede weten is dat hij zag hoe de wezens verdwijnen en weer ontstaan overeenkomstig hun daden. Hij zag toen dus de wet van morele oorzaken en morele gevolgen (kamma-vipaka) en wedergeboorte.
Het derde weten dat toen ontstond, was het weten bevrijd te zijn. Het directe inzicht ontstond van het verdwijnen van de smetten, het inzicht van de vier edele waarheden en het inzicht van het pad naar de bevrijding van lijden. Hij wist absoluut zeker dat de opgave volbracht was.

De nrs. 1 en 2 zijn wetens die nog voor de Verlichting opkwamen.  Maar weten nr. 3 is gelijk aan wat omschreven is als het weten dat ontstond bij het bereiken van Boeddhaschap, namelijk het weten dat de onwrikbare bevrijding bereikt was. Een hernieuwd bestaan is er niet meer.
     Weten nr. 3 is dus als het ware samen ontstaan met de nrs 1 en 2. (In feite zijn ze achter elkaar ontstaan).
 
(Zie eventueel “Woordenlijst van het Boeddhisme” https://sites.google.com/site/woordenlijstvanhetboeddhisme/
onder: Alwetendheid; Boeddha Gotama; Verlichting).

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #38 Gepost op: 11-04-2019 17:09 »
Sn.V.13. De vragen van Udaya (verzen 1105-1111)

1105.  "Ik ben gekomen met het verlangen een vraag te stellen," zei de eerwaarde Udaya, "aan de mediterende die passievrij{1} hier zit, die zijn plicht heeft gedaan, zonder āsavas, die naar de andere oever van alle verschijnselen is gegaan.{2} Vertel me over de bevrijding door kennis,{3} het verbreken van onwetendheid."

1106.  "Het opgeven van zowel verlangens naar zinnelijke genietingen en ongeluk,{4} Udaya," zei de Gezegende, "en het weggooien van traagheid, de terughoudendheid van berouw,{5}

1107.  gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid,{6} voorafgegaan door het onderzoeken van mentale staten,{7} ik zeg je, dat is de bevrijding door kennis, het verbreken van onwetendheid."

1108.  "Waardoor is de wereld geboeid? Wat is het drijfwerk ervan? {8} Wat moet men laten om van Nibbāna te kunnen spreken?”{9}

1109.  "De wereld heeft genot{10} als boei. De gedachte is de beweegreden{11} ervan.{12} Wanneer men begeerte laat, kan men van Nibbana spreken.”{13}

1110.  "Hoe is bewustzijn tot stilstand gebracht {14} voor iemand die oplettend leeft? Nu we naar de Gezegende zijn gekomen, laat ons dat woord van u horen."


1111.  "Indien iemand niet geniet van gevoelens, inwendig of uitwendig,{15} op die manier wordt bewustzijn voor hem te niet gedaan als hij oplettend leeft."{16}
__________
{1} Nyanaponika: ‘die zonder smet’

{2} Nyanaponika: ‘de meesterkenner van alle dingen’

{3} Nyanaponika: ‘bevrijding door wijsheid’

{4} ‘ongeluk’; alternatieve vertaling: ‘boosheid’. - Nyanaponika: ‘droefenis’.

{5} Nyanaponika: ‘de innerlijke onrust afwerende’. - Hier wordt de overwinning van de eerste vier geestelijke boeien (nīvarana) behandeld. Maar met een kleine wijziging. Droefheid (domanassa) in plaats van haat (byāpāda). De overwinning van twijfel is aangeduid door de vermelding van 'denken overeenkomstig de leer,' in vers 1107.

{6} gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid (upekkhā-satisamsuddham); dit is een aanwijzing naar de bijna gelijkluidende formulering voor de vierde verdieping
(upekkha-satiparisuddham). [Die formulering luidt: ‘Door het verdwijnen van vreugde en verdriet treedt men binnen en vertoeft men in de vierde meditatieve verdieping (vierde jhana). Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; ze is vrij van leed en vrij van geluk; ze is heel zuiver.’]

{7} Nyanaponika vertaalde: ‘met denken overeenkomstig de leer als begin’ (dhammatakka-purejavam), letterlijk: als voorloper. - Dhamma-takka wordt in het Cula Niddesa uitgelegd als de schakel van het pad ‘juist denken’ (sammāsankappa) of ‘juist inzicht’ (sammā-ditthi). Wanneer namelijk ‘juist denken’ onderdeel is van het bovenwereldlijke pad (d.w.z. vanaf stroomintrede), dan wordt ze niet uitgelegd met de drie soorten van juiste geestelijke instelling (ontzegging enz), zoals bij het wereldlijke pad, maar als “het denken (takko), de gedachte (vitakko) van een heilig bewustzijn dat vrij is van neigingen en tot het heilige pad behoort.” (Maj.Nik. 117).

{8} ‘Drijfwerk (vicārana). Volgens het commentaar de beweegreden. - Norman : ‘Wat is het onderzoek ervan?’ - Het Cula Niddesa: “Waardoor beweegt zich de wereld? (kena loko carati)."

{9} Norman: ‘Waarvan wordt ze uitgedoofd genoemd?’

{10} Nyanaponika: ‘begeerte naar bestaan’

{11} Norman: ‘het onderzoek’ - Alternatieve vertaling: ‘Speculatie’

{12}  ‘De gedachte is de beweegreden ervan.’ Soortgelijk op andere plaatsen: "De geest (citta) van de mens loopt naar alle kanten (vidhāvati)" (Sam.Nik. 1, 57); "door de geest wordt de wereld heen en weer getrokken (parikissati)" (Sam.Nik. 1, 62).

{13} Norman: ‘Door het opgeven van begeerte wordt ze uitgedoofd genoemd.’

{14} Nyanaponika: "Hoe wordt het bewustzijn vernietigd?"
     Het bewustzijn is het kamma-producerende (abhisankhāra) bewustzijn.

{15} Nyanaponika: ‘Eigen of vreemde gevoelens’
         De eigen gevoelens zijn die gevoelens die betrekking hebben op de eigen lichamelijke en geestelijke processen. De vreemde gevoelens zijn gevoelens die betrekking hebben op andere mensen en dingen, en ook die gevoelens die men bij anderen opmerkt.
     Het Cula Niddesa neemt deze tweedeling, evenals het begrip ‘oplettend’ (sato) in de volgende regel, als een verwijzing naar de Satipatthāna-methode en geeft de volgende uitleg: "Degene die bij de eigen, vreemde, eigen en vreemde gevoelens vertoeft in het beschouwen ervan, geniet niet van het gevoel, verwelkomt het niet, heeft ertoe geen toewijding. . . . Wie bij de eigen, vreemde, eigen en vreemde gevoelens vertoeft in het beschouwen van het ontstaan ervan, het vergaan ervan, het ontstaan en vergaan ervan, die geniet niet van het gevoel, verwelkomt het niet, heeft ertoe geen toewijding.
. . . Of ook: wie het gevoel als vergankelijk inziet, als zwakheid vol lijden, als buil, doorn, kwaad, ellende, als iets vreemds, als onheil, ongeluk, plaag, als veranderlijk, breekbaar, onstabiel, als geen bescherming, geen onderdak en geen toevlucht biedende, - die geniet niet van het gevoel. Wie volgens deze methoden bij de gevoelens vertoeft bij het beschouwen van de gevoelens, die geniet niet van het gevoel . . . geeft het hechten eraan, het grijpen ernaar en het vasthouden ervan op, maakt er een einde aan, breng het tot niet-zijn.”

{16} alternatieve vertaling:  "Voor iemand die niet geniet van gevoelens hetzij inwendig of uitwendig, - voor iemand die aldus zich oplettend gedraagt, is bewustzijn tot stilstand gebracht."

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline Dorje

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 585
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #39 Gepost op: 11-04-2019 23:07 »
Bedankt voor de verduidelijking. Mooi.

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #40 Gepost op: 12-04-2019 13:25 »
Sn.V.14. De vragen van Posāla (verzen 1112-1115)

1112.  "Ik ben gekomen met het verlangen een vraag te stellen," zei de eerwaarde Posala, "aan degene die gegaan is naar de andere oever van alle verschijnselen,{1} die zonder verlangen is en die de twijfel heeft afgesneden, die vertelt wat er vroeger was.

1113.  Ik vraag, Sakya, over de kennis van iemand wiens waarneming van vormen is verdwenen,{2} die elke lichamelijkheid heeft opgegeven,{3} die ziet dat er niets bestaat inwendig en uitwendig.{4} Hoe moet een dergelijke persoon verder geleid worden?" {5}

1114. "De Volmaakte die alle steunen van bewustzijn kent," {6} zei de Gezegende, "kent ook die persoon die erop steunt, die ‘nietsheid’ als de bevrijding heeft,{7} {8} die zich daartoe heeft gewend.” {9}

1115.  Hij kent de oorsprong van de staat van nietsheid{10} en denkt: 'Genot is een boei.'{11} Omdat hij dit aldus weet, heeft hij inzicht erin. Dit is de ware kennis van die brahmaan die het volmaakte leven heeft geleefd."{12}


________
Noten

{1} Nyanaponika: ‘De meesterkenner van alle dingen’

{2} Het Cula Niddesa: “Wat is hier waarneming (of bewustzijn) van het lichaam (of van vormen;rūpasaññā)? - Het is het bewustzijn van iemand die de fijnstoffelijke meditatieve sfeer (rūpavacara) is ingetreden, en wel nog als wereldling, met karmisch-heilzaam bewustzijn. Of van iemand die in deze sfeer werd wedergeboren;of die hierin als een toestand van tegenwoordig geluk (nog in dit leven, als heilige) vertoeft. Dit fijnstoffelijke bewustzijn is verdwenen ... overschreden en overwonnen in het geval van iemand die de vier onstoffelijke bereikingstoestanden heeft verkregen.”

{3} ‘Die al het lichamelijke heeft opgegeven’ (sabba-kāya-pahāyino). Commentaar: = rūpakāya (de lichamelijke groep). "Wie de wedergeboorte in het fijnstoffelijke bestaan heeft opgegeven, en wel door middel van overwinning van de tegenstelling (tadanga-pahāna) of door verdringing (vikkhambhana-pahāna)

{4} ‘die nietsheid ziet in het innerlijke en in het uiterlijke.’ - nietsheid (natthi kiñcī'ti): letterlijk: er is niets.

{5} Alternatieve vertaling: ‘Een dergelijk iemand die ...’

{6} ‘Steunen van bewustzijn’ (viññāna-tthitiyo). - Norman: ‘stadia van bewustzijn.’ - Volgens het Cula Niddesa zijn er voor het kamma-producerende bewustzijn vier steunen, namelijk de overige vier khandhas.
     Wat betreft de wedergeboorte (patisandhi) zijn er (voor het kamma-geproduceerde bewustzijn) zeven steunen of wedergeboorte-oorden (zie Ang.Nik. VII.41).

{7} ‘Die nietsheid als bevrijding heeft’: in de tekst staat alleen vimuttam (de bevrijde), namelijk in de bevrijding van 'niets is er ergens iets' (aldus het Cula Niddesa). - Als alternatieve betekenis-nuance voor vimutta geeft het Cula Niddesa adhimutta (degene die haar toegewijd is).


{8} Alternatieve vertaling: ‘een persoon die geplaatst is in een van deze zeven stadia, toegewijd aan en geneigd naar dat stadium.’

{9} Norman vertaalde: “De Tathagata die alle steunen van bewustzijn kent," zei de Gezegende, "kent ook die persoon die in de wereld staat, of bevrijd, of bestemd voor die bevrijding.”

{10} de oorsprong van de staat van nietsheid (ākiñcaññasambhavam). Het Cula Niddesa: ‘namelijk door de karmisch vormende wil die naar wedergeboorte leidt.’

{11} Genot is ook hier de boei (nandī samyojanam iti) en wel als de boei van het verlangen naar onlichamelijk bestaan (arūparāga-samyojana)

{12} Alternatieve vertaling: "Wetende 'vreugde is een boei' als geboren van de sfeer van nietsheid,  - het zo wetende, opstijgende uit het verkrijgen van de sfeer van nietsheid, daar ziet hij met inzicht dat de sfeer van nietsheid vergankelijk is; deze kennis van die brahmaan die het volmaakte leven heeft geleefd, is werkelijk."
__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #41 Gepost op: 12-04-2019 13:27 »
Sn.V.15. De vragen van Mogharāja (verzen 1116-1119)

1116.  "Twee keer heb ik de Sakya vragen gesteld,"{1} zei de eerwaarde Mogharaja, "maar hij met visie{2} heeft me geen antwoord gegeven. Ik heb gehoord dat de ziener van godheden{3} inderdaad antwoord geeft bij de derde keer.

1117.  Er is deze wereld, de volgende wereld, de wereld van Brahma, samen met de godheden. Ik ken de visie over deze werelden niet van u, de beroemde Gotama.

1118.  Ik ben gekomen met een verlangen om een vraag te stellen aan degene die een dergelijke uitstekende visie heeft. Welke opinie over de wereld moet men hebben zodat de koning van de dood hem niet meer ziet?"

1119.  "Zie de wereld als leeg, Mogharaja, en wees steeds oplettend. Als men de mening vernietigt dat er een zelf is, kan men zo de dood overwinnen. De koning van de dood ziet diegene niet die een dergelijke opinie van de wereld heeft."{4}
__________
Noten

{1} Twee keer: volgens het commentaar een keer aan het einde van de vragen van Ajita, en de tweede keer op het einde van de vragen van Tissa-Metteyya. [ Omdat de vragen steeds in de geest gesteld werden, is m.i. niet op te maken wanneer die vragen voor de eerste en tweede keer gesteld werden.]

{2} de alles ziener

{3} een ziener gelijk aan goden

{4} Alternatieve vertaling: "De mening van zelf verwijderend, zo overwint men de dood. Iemand die de wereld op die manier beschouwt, wordt niet door de koning van de dood gezien."

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #42 Gepost op: 12-04-2019 14:58 »

Sn.V.16. De vragen van Pingiya (verzen 1120-1123)

1120. "Ik ben oud, zwak, mijn teint is weg," zei de eerwaarde Pingiya. "Mijn ogen zijn niet helder; mijn gehoor is niet goed. Moge ik intussen niet sterven, nog onwetend. Onderwijs mij de leer, zodat ik het opgeven van geboorte en dood hier moge weten."{1}

1121. "Pingiya, wanneer je mensen ziet die getroffen zijn temidden van vormen," zei de Gezegende, "want nalatige mensen lijden temidden van vormen,{2} wees jij, Pingiya, daarom waakzaam, en geef vorm{3} op omwille van niet hernieuwd bestaan."

1122. "Vier richtingen, vier tussenrichtingen, boven en beneden, dat zijn de tien richtingen. Er is niets in de wereld dat niet gezien of gehoord of gedacht of waargenomen is door u. Onderricht mij de leer, zodat ik het opgeven van geboorte en ouderdom hier moge kennen."

1123. "Pingiya, bij het zien van mensen die geteisterd worden door begeerte," zei de Gezegende, "gekweld, overkomen door ouderdom, wees jij, Pingiya, daarom waakzaam; geef begeerte op omwille van niet hernieuwd bestaan."{4}

__________
{1} Nyanaponika: ‘Verkondig de leer opdat ik ze begrijp en geboorte en ouderdom hier overwin.’

{2} Nyanaponika:’kijk naar de mensen die door lichamelijkheid geslagen zijn; gedrukt door lichamelijkheid zijn slappe, lakse mensen.’

{3} Nyanaponika: “lichamelijkheid’

{4} Nyanaponika: "zie de mensen in de hechtenis van begeerte, brandend in kwalen, door ouderdom overweldigd. Pingiya, wees jij daarom onvermoeibaar. Geef verlangen op omwille van niet-wederkeer.

__________

Met vriendelijke groet
Nico

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 912
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #43 Gepost op: 12-04-2019 18:41 »
Sn.V.17. Eindverzen (1124-1149)

Dit zei de Gezegende toen hij bij de Magadhans verbleef bij de Pāsānaka schrijn. Op de vragen van de zestien leerling-brahmanen gaf hij antwoord. Indien iemand de betekenis van elke vraag weet, en de leer kent, dan kan hij de leer ingaan en wat met de leer overeenkomt, dan kan hij naar de andere oever van ouderdom en dood gaan. Deze leringen gaan naar de andere oever, daarom is de naam van deze uitleg over de leer 'het gaan naar de andere oever.'

1124. Ajita,Tissa-Metteyya, Punnaka en Mettagū, Dhotaka en Upasiiva, Nanda en Hemaka,

1125. de beide [brahmanen] Todeyya en Kappa, en de wijze{1} Jatukannii, Bhadrāvudha, en Udaya, en ook de brahmaan Posāla, en de intelligente Mogharāja, en de grote ziener Pingiya,

1126. Zij kwamen nader tot de Boeddha, degene met volmaakt gedrag, de ziener. Zij kwamen naar de beste van Boeddhas,{2} en stelden subtiele vragen.{3}

1127. De Boeddha beantwoordde hun vragen overeenkomstig de waarheid. Hierdoor verblijdde de wijze de brahmanen.

1128. Verheugd door de Boeddha, degene met visie,{4} de verwant van de zon,{5} oefenden zij het heilige leven in tegenwoordigheid van hem met uitstekende wijsheid.{6}

1129. Indien iemand de leer ingaat zoals is onderwezen door de Boeddha in antwoord op elke vraag, dan kan hij van deze oever naar de andere oever gaan.{7}

1130. Hij kan van deze oever naar de andere oever gaan indien hij de verheven weg ontplooit. Deze weg is er om naar de andere oever te gaan, daarom wordt ze genoemd 'het gaan naar de andere oever.'

Opmerking van Nyanaponika: ‘Volgens het commentaar bereikten vijftien van de leerling-brahmanen de heiligheid op grond van dit onderricht van de Boeddha. Maar Pingiya verkreeg alleen het niveau van niet-wederkeer, en wel vanwege zijn aanhankelijkheid aan zijn oom Bavari. Hij moest er namelijk steeds aan denken: "Deze heerlijke verkondiging van de leer heeft Bavari niet vernomen." De vijftien andere discipelen volgden de Verhevene naar Savatthi, terwijl Pingiya naar Bavari terugkeerde om hem in de volgende verzen over de Boeddha te berichten.’

1131. "Ik zal het gaan naar de andere oever reciteren," zei de eerwaarde Pingiya. "Zoals hij het zag, zo onderwees de Smetteloze met grote intelligentie het. Om welke reden zou de beschermer, zonder zinnelijke genietingen en zonder verlangen, verkeerd spreken?

1132. Welnu dan, ik zal de mooie uitspraak uitleggen van degene die smetten en waan achter heeft gelaten, die trots en huichelarij heeft opgegeven.

1133. De Boeddha, die duisternis verdrijft,{8} hij met universele visie, die naar het einde van de wereld is gegaan, die overheen alle [vormen van] bestaan is gegaan, zonder āsavas, met alle ellende geëlimineerd, genaamd in overeenstemming met de waarheid,{9} hij wordt door mij bediend,{10} brahmaan.

1134. Als een vogel die uit een klein bos wegvloog, in een bos kan gaan wonen met veel vruchten, zo verliet ook ik degenen die weinig visie hebben en kwam aan bij degene met grote visie, zoals een gans die bij een groot meer aankomt.{11}

1135. Als alle personen die mij voorheen, voordat ik Gotama's leer had gehoord, iets hadden uitgelegd met de woorden: 'zo was het, zo zal het zijn,' - dat alles was van horen zeggen, dat alles liet mijn speculaties toenemen.

1136. De verdrijver van duisternis die alleen zit, stralend, die Gotama, maker van licht,{12} met groot begrip,{13} met grote intelligentie,

1137. die mij onderwees in de leer die onmiddellijk is, direct, die verlangen vernietigt, zonder nood,{14} die nergens een gelijke heeft."

[ Bavari ]
1138. "Pingiya, hoe kun je ook maar voor een ogenblik van hem wegblijven, van Gotama met groot begrip,{15} met grote intelligentie;

1139. die jou de leer onderwees die onmiddellijk is, direct, die verlangen vernietigt, die zonder nood is,{16} die nergens een gelijke heeft?"

[Pingiya]
1140. "Brahmaan, ik kan niet van hem wegblijven, al is het maar voor een ogenblik, van Gotama met groot begrip, met grote intelligentie,

1141.  die mij onderwees in de leer die onmiddellijk is, direct, die verlangen vernietigt, die zonder nood is, die nergens een gelijke heeft.

1142. Brahmaan, ik zie hem met mijn geest alsof het met mijn oog was, waakzaam dag en nacht. Ik breng de nacht door met het vereren van hem. Juist om die reden denk ik dat er geen van hem wegblijven is.

1143. Mijn vertrouwen en vervoering, en geest,{17} en oplettendheid gaan niet weg van de leer van Gotama. In welke richting hij met grote wijsheid ook gaat, in die richting buig ik neer.

1144. Ik ben oud en mijn lichaam is zwak. Juist om die reden gaat mijn lichaam niet weg daarheen.{18} Ik ga voortdurend op een mentale reis, want mijn geest is met hem verenigd, brahmaan.

1145. Ploeterend in de modder{19} liggend, zwom ik van eiland naar eiland.{20} Toen zag ik de volmaakt Verlichte, de stroom-oversteker, zonder asavas.

Commentaar (in Nyanaponika): 
"Op het einde van dit vers zag de Verhevene vanuit Savatthi de geestelijke rijpheid van Pingiya  en Bavari; en hij liet van zijn lichaam een gouden licht uitstralen. Pingiya die er aan Bavari de hoge eigenschappen van de Boeddha zat te beschrijven, zag deze gouden glans. Hij keek om zich heen en zei verwonderd: 'Wat is dat?' Toen zag hij de verschijning van de Boeddha voor zich staan en zei aan Bavari: 'De Verhevene is gekomen.'  De brahmaan verhief zich van zijn zitplaats en bleef staan met vererend omhoog geheven handen. Licht uitstralend toonde de Verhevene zich nu ook aan Bavari; en het heilzame voor beiden kennende, sprak hij Pingiya met dit vers aan:

1146. "Zoals Vakkali zijn vertrouwen heeft verklaard, en Bhadravuddha en Alavi-Gotama, op precies dezelfde manier verklaar ook jij je vertrouwen. Pingiya, jij zult naar de andere oever gaan van het rijk van de dood."

1147.  “Na het horen van de woorden van de wijze geloof ik nog meer. De volmaakt Verlichte, met ver verbreide faam zonder geestelijke dorheid, met paraat verstand,

1148. die de super-devas{21} kent, hij weet alles, hoog en laag. Hij is de leraar die een einde maakt aan de vragen van degenen die twijfel hebben en het toegeven.{22}

1149. Vast en zeker zal ik naar het onbeweeglijke gaan, het onwrikbare, waarvan er nergens een gelijkenis bestaat. Beschouw mij aldus als iemand die zo zal zijn als wiens geest aldus gesteld is." {23}

________


Noten

{1} Nyanaponika: ‘hooggeleerd’

{2} Alternatieve vertaling: ‘naar de grote Boeddha’

{3} Nyanaponika: ‘vragen vol diepgang’

{4} Nyanaponika: ‘met heldere ogen’

{5} Nyanaponika: ‘zoon van de zon’

{6} Nyanaponika: ‘de hoogste wijze’

{7} Alternatieve vertaling: ‘op elke vraag, zoals door de Boeddha uitgelegd, indien men ze [=het antwoord erop] zou volgen, dan ging men van deze naar de andere oever.’ - Nyanaponika: ‘Wie nu bij elke van deze vragen, zoals ze door de Boeddha zijn uitgelegd, overeenkomstig ermee in zijn leven zich gedraagt, die kan van deze naar de andere oever gaan.’

{8} Norman vertaalde met:  ‘die duisternis weggooit.’  Nyanaponika vertaalde met:  ‘die duisternis overwint’

{9} Nyanaponika: ‘die werkelijk zo is zoals men het ons heeft verkondigd,’

{10} Nyanaponika: ‘vereerd’

{11} Nyanaponika: ‘als een zwaan die bij de zee kwam’

{12} Nyanaponika: ‘De enige, de zittende van de Verlichting, elke duisternis verdrijvend, de stralende, hij bracht ons het licht. - 'zittende' heeft zeker betrekking op de Verlichting van de Boedha, toen hij onder de Bodhi-boom zat.’

{13} Nyanaponika: ‘met wijsheid’

{14} Nyanaponika: ‘Die mij de leer heeft getoond die duidelijk zichtbaar is en tijdloos, die een einde maakt aan verlangen en die van ellende bevrijdt,’

{15} zie noot 13

{16} zie noot 14

{17} Nyanaponika: ‘denken’

{18} Nyanaponika: ‘mijn lichaam draagt mij niet meer erheen’

{19} Nyanaponika: ‘in een moeras ... Het commentaar zegt: het moeras der verlangens.’

{20} Nyanaponika: ‘van eiland tot eiland,  Cula Niddesa: ‘van de ene meester naar de andere.’

{21} Alternatieve vertaling: ‘de eigenschappen die tot supreme devas maken’

{22} Alternatieve vertaling: ‘die twijfel hebben hoewel zij voorgeven niet in twijfel te zijn.’

{23} Nyanaponika: ‘Zo moge je de neiging van mijn hart kennen.’

__________

Eindopmerking

     Zoals men uit de voorgaande suttas heeft kunnen opmaken, hoeft men niet bang ervoor te zijn dat men verdwijnt na het bereiken van Nibbana. Het onbeweeglijke, het onwrikbare, het oord van opperste vrede is geen opgaan in een niets.
     En het is ook niet een soort eeuwig bestaan. Wanneer het hart, het gemoed bevrijd is van datgene waarmee het normaal omgeven is, dan komt er een heel grote gemoedsrust, een onbeschrijfelijke vrede.

Wie met veel bagage reist,
heeft het zwaar.
Licht gaat degene die weinig meeneemt.
Wie de last van het “ik”  heeft afgelegd,
gaat moeiteloos en zorgenvrij.

Wat samengesteld is, is vergankelijk.
Streef naar wat niet is samengesteld.
Streef naar het enkelvoudige.
Dat is blijvend, dat is het doodloze,
het zorgenvrije oord.

Met vriendelijke groet
Nico

__________________









Offline Dorje

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 585
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #44 Gepost op: 12-04-2019 19:20 »
{3} ‘Die al het lichamelijke heeft opgegeven’ (sabba-kāya-pahāyino). Commentaar: = rūpakāya (de lichamelijke groep). "Wie de wedergeboorte in het fijnstoffelijke bestaan heeft opgegeven, en wel door middel van overwinning van de tegenstelling (tadanga-pahāna) of door verdringing (vikkhambhana-pahāna)

De overwinning van de tegenstelling doet mij wat, maar ik ben niet zeker of het om hetzelfde gaat als wat het bij mij oproept.

Kan je a.u.b. iets meer uitwijden over de overwinning van de tegenstelling? Wat wordt hier juist mee bedoeld? En wat wordt met het andere, verdringing dan ook juist bedoeld. Hoe verschillen zij van elkaar?

Alvast bedankt,

Dorje.


Offline Dorje

  • Gevestigde Sangha
  • *****
  • Berichten: 585
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #45 Gepost op: 12-04-2019 19:23 »
Wie met veel bagage reist,
heeft het zwaar.
Licht gaat degene die weinig meeneemt.
Wie de last van het “ik”  heeft afgelegd,
gaat moeiteloos en zorgenvrij.

Wat samengesteld is, is vergankelijk.
Streef naar wat niet is samengesteld.
Streef naar het enkelvoudige.
Dat is blijvend, dat is het doodloze,
het zorgenvrije oord.

Bedankt!

🙏



Offline Sybe

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 2815
    • Bekijk profiel
Re: Uit het Sutta Nipata
« Reactie #46 Gepost op: 12-04-2019 21:49 »
Eindopmerking

     Zoals men uit de voorgaande suttas heeft kunnen opmaken, hoeft men niet bang ervoor te zijn dat men verdwijnt na het bereiken van Nibbana. Het onbeweeglijke, het onwrikbare, het oord van opperste vrede is geen opgaan in een niets.
     En het is ook niet een soort eeuwig bestaan. Wanneer het hart, het gemoed bevrijd is van datgene waarmee het normaal omgeven is, dan komt er een heel grote gemoedsrust, een onbeschrijfelijke vrede.

Wie met veel bagage reist,
heeft het zwaar.
Licht gaat degene die weinig meeneemt.
Wie de last van het “ik”  heeft afgelegd,
gaat moeiteloos en zorgenvrij.

Wat samengesteld is, is vergankelijk.
Streef naar wat niet is samengesteld.
Streef naar het enkelvoudige.
Dat is blijvend, dat is het doodloze,
het zorgenvrije oord.

Met vriendelijke groet
Nico

__________________

Bedankt Nico. Mooi werk.
Alle goeds,
Siebe