Auteur Topic: Dzogchen Mystiek  (gelezen 293 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline Dorje

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 1236
Dzogchen Mystiek
« Gepost op: 08-11-2019 21:55 »
Aanwezig, maar ook Siebe, dankzij jullie opmerkingen en tegenkantingen en het tasten in de geest naar een antwoord hierop, heb ik nu eindelijk volledig begrepen waar onderstaand mystieke Dzogchen gedicht, waar ik al de helft van mijn leven door gefascineerd ben, maar nooit helemaal begreep, naar verwijst.

Stukken ervan heb ik eerder al gedeeld, maar hier is het hele vers en mijn kersvers commentaar erop:

Citaat
In het begin, voordat er iets was, bestonden de namen 'samsara' en 'nirvana' nog niet en alles was de oorspronkelijke grond van het zijn.
Toen ontstond uit die grond van zijn het Gewaarzijn. Op dezelfde manier waarop het natuurlijke licht van een kristal begint te stralen als er zonlicht op valt, zo kwam de oorspronkelijke wijsheid van Gewaarzijn tot leven door de levenswind. Daardoor brak het zegel van de vaas van de eeuwige jeugd en het spontaan ontstane heldere licht verscheen in de lucht als de opkomende zon, en manifesteerde zich als de zuivere gebieden van puur zijn en oorspronkelijk gewaarzijn."

Toen begreep de dharmakaya Kuntu Zangpo dat dit zijn spontane manifestatie was en ogenblikkelijk loste het uiterlijke licht van puur zijn en oorspronkelijk gewaarzijn op in het heldere innerlijke licht. In de oorspronkelijke grond van het zijn, die vanaf het begin zuiver is, bereikte hij de verlichting.

Wij, niet-verlichtte wezens, begrepen echter niet dat de aard van de spontaan ontstane verschijnselen onze eigen natuurlijke uitstraling was, en onoplettend waarnemen en verwarring waren het gevolg. Dit wordt 'de onwetendheid die elke waarneming vergezelt' genoemd.

Toen werden het heldere licht en de verschijnselen die uit de grond van het heldere licht voortkwamen, als twee verschillende dingen beschouwd. Dit is de zogenaamde 'onwetendheid die ontstaat door denkbeelden' Op dat moment liepen wij in de val van verward dualisme.

Omdat onze gewoontepatronen zich tegelijk met het geleidelijk uitbreiden van onze activiteiten vermeerderden, ontstond daarna het hele scala van samsarische handelingen. Daaruit ontstonden de drie emotionele reakties, samen met de vijf vergiften die daaruit voortkwamen en de vierentachtigduizend vormen van hartstochten die zich uit de vijf vergiften ontwikkelden, enzovoort. Sindsdien hebben wij - tot op dit moment - het plezier en de pijn ervaren van de voortdurende omwentelingen van het wiel. Eindeloos draaien wij rond in het samsarisch bestaan alsof we vastgebonden zijn aan een waterrad.

Hoewel de verregaande persoonlijke instructies van je leraar je bewust hebben gemaakt van het zelfbedrog en de waanideeën  die je koestert in de donkere grot van je geest, heb je nu ook je geest herkend als de boeddha. Je hebt het oorspronkelijk gelaat van de eerste boeddha, de Adi-boeddha Kuntu Zangpo aanschouwd, en je weet dat je dezelfde vermogens bezit. Mediteer over deze vreugde, mijn geestelijke kinderen, vanuit de diepte van je hart!

Dat is mijn inleiding in het stellig herkennen van je waanideeën.

Bron: "De vlucht van de garoeda", Shabkar Lama

Kuntu Zangpo is een verwijzing naar de symbolische oorspronkelijke boeddha, of, minder symbolisch: gewoon de oorspronkelijke boeddha-natuur die al aanwezig is in ons allemaal. Dit wat aanwezig is in ons, en wat van in het begin al zuiver is, is wat het onderstaande kan kennen (zien ontstaan), maar het kan dit maar als eerst de kenner, het kennen en dat wat gekend wordt in de grond van waaruit ze kunnen ontstaan (potentie) zijn weggevallen.

Deze potentie tot kennen, bevindt zich steeds in de beginsituatie ("in het begin"), daar bestaan de concepten "nirvana" en "samsara" (nog) niet. Daar is ALLES in zijn oorspronkelijke grond: onopgedeeld, non-dualistisch. Er is daar geen enkele opdeling, zelfs niet tussen leegte en alles.

Het betreft een mystiek gedicht, dus hoewel het lijkt als een verhaal in de tijd, verwijst het eigenlijk naar iets dat zich steeds nu in dit eigenste moment voordoet.

Het gedicht vertrekt van een beginsituatie, dat is de grond van zijn zelf, pure potentie tot kennen, maar zonder dat er iets gekend wordt, je zou bijna kunnen zeggen een onbewust, latent kennen.

Plots ontstaat er uit deze grond, deze potentie, Gewaarzijn en het ontstaat, komt tot leven, door de levenswind, anders uitgelegd doordat een lichaam (fijnstoffelijk, Gandhabba of grofstoffelijk, ons fysiek lichaam) zich beroept op kennen, op gewaarzijn om zichzelf in stand te houden. Maar wat gezien, gekend wordt is dat dit Gewaarzijn opkomt uit hetzelfde als waar ooit dit lichaam is uit opgekomen, uit de pure potentie tot het verschijnen van alles, alle lichamen, alle verschijningsvormen, heel de cosmos, echt alles, namelijk uit de grond van dit alles. En dit Gewaarzijn ontstaat op dezelfde manier waarop het natuurlijke licht van een kristal begint te stralen als er zonlicht op valt. Dus het is dankzij de levenswind, dankzij iets dat ontstaan is dat zijn eigen ontstaan in stand wil houden, dat de oorspronkelijke wijsheid van Gewaarzijn tot leven komt. Daardoor breekt het zegel van de vaas van de eeuwige jeugd, m.a.w. het doodloze, het ongeborene, het ongeconditioneerde wordt hierdoor verlaten, en ontstaat er een spontaan ontstaan heldere licht in de lucht als de opkomende zon, en hieruit manifesteren zich de zuivere gebieden van puur zijn en oorspronkelijk gewaarzijn, m.a.w. dit is het zuivere beschouwen (gade slaan), de getuige, zuiver en puur in de zin dat het niet aangetast is door wat het ziet, maar toch afgescheiden van zijn bron, omdat het losgebroken is van de grond (er is opgedeeldheid ontstaan en daardoor is het onopgedeelde, het ongeconditioneerde verlaten).

Maar hier zit de potentie tot herkenning dat zowel het licht dat de verschijnselen doet ontstaan (het schouwen, het gade slaan), als het licht dan de verschijnselen kan zien (de toeschouwer), dat deze beiden de spontane manifestatie zijn van deze oorspronkelijk potentie, de citta, deze grond van waaruit alles kan ontstaan en gekend kan worden. En door dit te zien kan dit oorspronkelijk principe, deze zuiver citta, die opdeling tussen het uiterlijke licht van puur zijn (puur omdat er nog geen oordeel is) en het oorspronkelijk gewaarzijn, oplossen in het heldere innerlijke licht, m.a.w. de opdeling van gewaarzijn, dat wat gewaar is en dat waarvan men gewaar is wordt opgehoffen, de opdeling tussen buiten en binnen wordt opgehoffen, maar nu in de volledige en heldere herkenning dat alle twee (drie) de spontane manifestatie zijn van de zuivere citta zelf: in de oorspronkelijke grond van het zijn, die vanaf het begin zuiver is, wordt dan de verlichting bereikt.

Maar let op, het Gewaarzijn verdwijnt hier niet, zoals het wel verdwenen/weggevallen was of er nog niet was in de beginsituati. Het is de opdeling tussen spontaan ontstaan Gewaarzijn, en zijn grond waaruit het opkomt die verdwijnt, het is het onderscheid tussen het licht dat uit dit gewaarzijn ontstaat (hetgeen verschijning mogelijk maakt) en gewaarzijn zelf die verdwijnt. Het is de opdeling die verdwijnt, leegte wordt vorm en blijft vorm, maar zonder te vergeten dat het leegte is, dat is de realisatie! Het Gewaarzijn is dan gewaar, maar zonder dat het zegel van de vaas van de eeuwige jeugd gebroken is (het onveranderlijke, ongeborene, het ongeconditioneerde).

M.a.w. vorm (opdeling) realiseert zijn leegte, en leegte realiseert hieruit terug zijn vorm, zonder dat het zijn leegte vergeet, miskent, niet meer weet, m.a.w. zonder onwetendheid! Dat is verlichting! De verlichting gebeurt in de grond van zijn, in de potentie, maar het (ver)licht deze grond op uit de duisternis (uit de onwetendheid). Of: oorspronkelijk is de grond wel zuiver, maar onweten (de wetendheid is enkel in portentie aanwezig), bewusteloos, gewaarzijnloos, het opkomen van Gewaarzijn en het herkennen van dat Gewaarzijn zelf ook opkomt (en dus ook weer terug kan vallen), is het in helderheid terugvallen in de grond, maar niet meer bewusteloos, gewaarzijnloos, onwetend: het licht de grond die niet gewaar was van zichzelf, op. Voor een stukje maar, want wij, de andere stukjes, realiseren dit niet… vandaar… dat een Boeddha (Gewaarzijn die nu wetend terug verschijnt uit de grond) iedereen naar die grond wil wijzen, zodat er geen stukjes in de onwetendheid en de illusie met bretekking tot de aard der dingen en zichzelf, achter blijven.

En dan nu, wij niet-verlichtte stukjes gewaarzijn die opgekomen zijn door het ding dat we lichaam noemen, hetgeen dit gewaarzijn nodig heeft en aangesproken heeft om zichzelf in stand te houden, wij gewone stervelingen, wij begrijpen niet dat de aard van de spontaan ontstane verschijnselen onze eigen natuurlijke uitstraling is, en onoplettend waarnemen en verwarring zijn het gevolg. Dit wordt 'de onwetendheid die elke waarneming vergezelt' genoemd. M.a.w. door waar te nemen, ontstaat er een bepaald perspectief en door een perspectief aan te nemen, abstraheren we onszelf uit wat gezien wordt, en raken we zo onwetend over dat dat wat gezien wordt en dat wat ziet, uit de zelfde bron komt.

En daarop gaan we dan verder het heldere licht en de verschijnselen die uit de grond van het heldere licht voortkomen, als twee verschillende 'dingen' beschouwen. Dit is de zogenaamde 'onwetendheid die ontstaat door denkbeelden'. Op dat moment lopen wij in de val van verward dualisme. M.a.w. niet alleen zien we niet dat deze abstractie illusie is, we gaan van wat we er uit geabstraheert hebben zelfs een ding maken 'ik zie/ik ben' en dat wat gezien wordt daar maken we afgelijnde objecten van, m.a.w. we creëren denkbeelden, afscheiding, dualisme, niet alleen tussen 'ik ben' en 'dat wat ik dus niet ben', maar ook tussen objecten onderling en tussen goed en kwaad, tussen licht en donker, tussen binnen en buiten, … . We raken helemaal verstrikt in dualisme.

En daarmee is het hek van de dam:

Omdat onze gewoontepatronen zich tegelijk met het geleidelijk uitbreiden van onze activiteiten vermeerderen, ontstaan daarna het hele scala van samsarische handelingen. Daaruit ontstaan de drie emotionele reakties, samen met de vijf vergiften die daaruit komen de vierentachtigduizend vormen van hartstochten voor die zich uit de vijf vergiften ontwikkelen, enzovoort. Daardoor ervaren wij nu het plezier en de pijn van de voortdurende omwentelingen van het wiel. Eindeloos draaien wij rond in het samsarisch bestaan alsof we vastgebonden zijn aan een waterrad. Geen andere woorden nodig.

Maar nu komt het keerpunt:

We kunnen bewust worden van dit zelfbedrog en die waanideeën die we koesteren in de donkere grot van onze geest, we kunnen eerst en vooral doorzien dat de opdelingen die we aanbrengen, hoewel nuttig voor de in stand houding van het subject (waardoor dit vermogen tot opdelen, dit onderscheidend vermogen juist ontstaan is), dat ons dit ook afscheidt van de dingen die we zien en dus een vorm van onvolkomenheid, onvolledig voelen voortbrengt. Als we dit zien, als we zien dat de objecten die we zelf afscheiden uit het geheel geen zelfstandig bestaan hebben, dat alles dat we zo willen fixeren en vasthouden sowieso steeds verandert, dan kan onze hechting eraan losweken en kunnen we meer terugvallen in het zuivere beschouwen zonder verder al teveel op te delen in aparte dingen zoals subject en object. Maar er blijft dan een subtiele opdeling bestaan tussen de toeschouwer en dat wat beschouwd wordt, ook al wordt het niet meer opgedeeld in allerlei dualistische oordelen zoals goed en kwaad, … . We kunnen dan verder zien dat de toeschouwer zelf ook opkomt en dezelfde aard heeft als dat wat toegeschouwd wordt. 
 
Op dat moment herkennen we onze geest als de boeddha zelf. M.a.w. we herkennen dat de grond van onze geest en die van de boeddha hetzelfde is. Dan aanschouw je het oorspronkelijk gelaat van de eerste boeddha, de Adi-boeddha Kuntu Zangpo, dan zie je dat wat in het begin beschreven werd, hier en nu kan gebeuren, dat de oorspronkelijke Boeddha die direct het opkomend gewaarzijn en dat wat uit het gewaarzijn opkomt als zijn eigen spontane manifestatie herkend, dat dit proces ook in jou aanwezig is, dan proef je er als het ware een beetje van. En dan weet je dat je dezelfde vermogens bezit.

Mediteer over deze vreugde, mijn geestelijke kinderen, vanuit de diepte van je hart!

Een mooie inleiding op het stellig herkennen van je waanideeën, niet waar?



Offline Passievrucht

  • Eerwaarde
  • ******
  • Berichten: 3511
Re: Dzogchen Mystiek
« Reactie #1 Gepost op: 09-11-2019 12:33 »
Bedankt Dorje. Ik zie dat het heel erg voor je leeft. Ik kan dit allemaal niet vanuit mijn eigen ervaring, bevestigen of ontkennen. Het gaat mij boven de pet, maar wellicht, later, als ik groot ben, wel.

Offline .

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 369
  • Op de plaats van de wond schijnt het licht.
Re: Dzogchen Mystiek
« Reactie #2 Gepost op: 17-11-2019 12:20 »
    Maar er blijft dan een subtiele opdeling bestaan tussen de toeschouwer en dat wat beschouwd wordt     

Ik 'zie'.

  We kunnen dan verder zien dat de toeschouwer zelf ook opkomt en dezelfde aard heeft als dat wat toegeschouwd wordt.   

En we kunnen zien dat er licht nodig is om überhaupt te kunnen zien.
En we kunnen zien dat er een schijnbare afstand is tussen de toeschouwer en dat wat toegeschouwd wordt.
En we kunnen zien dat dat wat toegeschouwd wordt een meervoud kan bevatten.

Offline .

  • Sangha lid
  • ****
  • Berichten: 369
  • Op de plaats van de wond schijnt het licht.
Re: Dzogchen Mystiek
« Reactie #3 Gepost op: 17-11-2019 12:45 »
Citaat
     Hoe wonderlijk! Luister nogmaals naar me, geliefde kinderen! Beschouw dit fysieke lichaam als de weerkaatsing van de maan in water. *knip*


Of mediteer op een klein puntje helder licht midden in je hart.

 De vlucht van de Garoeda hoofdstuk 21

Ik zie dat de Dzogchen mystiek er een andere symboliek op na houdt dan 'mystiek'.
Dat maakt niet uit verder.  Een weerkaatsing van de maan in het water is een weerkaatsing van een weerkaatsing.  Waar kijken we dus eigenlijk naar als we ons fysieke lichaam aanschouwen?

Naar leegte.  Het aanschouwen zelf kunnen we niet aanschouwen. (leegte)  Dus kijken we naar de vormen als spiegelingen welke voortkomen uit de oorspronkelijke geest.  De dwaling bestaat uit onze vereenzelviging met de vormen, in de eerste plaats natuurlijk ons eigen fysieke lichaam.  En omdat we dat met ons eigen fysieke lichaam doen is er niets vanzelfsprekender dan om dat ook met de andere fysieke lichamen te doen.  Meditatie kan ons wegvoeren uit deze 'gevuldheid'.  Immers, wie van binnen uit in staat is om zijn eigen lichaam waar te nemen die is 'de toeschouwer'.  Het lichaam is dat wat 'beschouwd wordt'.

Verdere realisatie wordt verkregen middels onze overtuigingen. De innerlijke toeschouwer kan de leegte in zijn lichaam toe schouwen.  De overtuiging 'ik ben mijn lichaam' sneeft.  Die overtuiging is niet onbelangrijk.  Want dat zelfde lichaam herinnert (maakt het innerlijk) er vanzelf wel aan met het ouder worden dat je je lichaam bént!  Of soms al eerder natuurlijk.
« Laatst bewerkt op: 17-11-2019 13:26 door . »