Auteur Topic: De zes concilies  (gelezen 3695 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

lord rainbow

  • Gast
De zes concilies
« Gepost op: 28-08-2009 19:16 »
Betekenis van de Boeddhistische Concilies voor het verspreiden
van de Boeddha-Dharma

Drie maanden na het overlijden van Sakyamuni of Gáutama Boeddha, ca. 544 voor WJ, werd het eerste Boeddhistische Concilie belegd, en in 1954 vond het laatste plaats.
Aan de hand van een Birmese, een min of meer algemene en een Tibetaanse lijst lopen we de Concilies af, en kijken waarom ze werden gehouden, wat er gebeurde, en wat de resultaten ervan waren.

Het eerste Concilie
Zeven dagen na Boeddha's overlijden oordeelde de getalenteerde en invloedrijke Ouderling Káshyapa (Kássapa) dat het nodig was Boeddha's woorden op schrift te stellen om zo bewaard te worden voor volgende generaties van monniken die zich inmiddels wijd en zijd verspreid hadden.
Naar de mening van de Birmese traditie begon dat eerste Concilie op de vollemaandag van de maand wagaung (augustus), en duurde zeven maanden. Ze werd gehouden op de berg Vebhara nabij Rajgir, India, in de Zeven Grotten, of, zoals de Birmese samenstellers zeggen, in het Zeven Grotten Paviljoen.
Daar kwamen ongeveer 500 Arhats, Verlichtten, bijeen. Alle bronnen zijn het er over eens dat het de voormalige kapper Upali was die de Monniksregels, de Vínaya reciteerde - die aan de hand van zijn recitaties werd opgeschreven, en dat het Boeddha's neef en verzorger Ananda was die de Leerredes, de Dharma (Dhamma) reciteerde. Ook deze collectie werd op schrift gesteld.
De bijeenkomst nam drie maanden in beslag. Aan het eind, zeggen vertegenwoordigers van de Theravada-traditie, de Traditie der Ouderlingen, dat de voorzitter, de eerwaarde Kássapa zo ontevreden was over het resultaat dat hij zich in een huisje, het Pippla stone house aan de voet van de berg opsloot om daar zijn heengaan af te wachten. De Chinese traditie zegt dat Kássapa (Káshyapa) zijn drie pijen opnam en door de heuvels van Birma naar China trok om daar de eerste zen-patriarch te worden. In de Mogao-grotten is een thanka-achtige schildering gevonden waarop te zien is hoe Káshyapa in de denimblauwe pij van de nu niet meer bestaande Mahisásaka-traditie door de bergen stapt. De reden voor de eerw. Kássapa's ontevredenheid lag in de interpretatie van een advies dat Boeddha op zijn sterfbed aan Ananda had gegeven:
''Ananda, als de monniken dat nodig achten kunnen ze bepaalde regels uit de Vínaya aanpassen.'' Ananda was zo overweldigd door verdriet dat hij vergat te vragen welke regels voor aanpassing in aanmerking zouden kunnen komen. Kássapa was daarom van oordeel dat alle regels precies zo gehandhaafd moesten blijven zoals Boeddha ze gegeven had, want "Als we de regels veranderen, zullen de mensen zeggen dat de discipelen van de eerwaarde Gautama de regels al veranderden nog voordat de as van zijn crematie-vuur bekoeld was."

[De officiële geschiedschrijving van het Chinese Boeddhisme noemt niet Kashyapa, maar Anshihgao de eerste monnik die de Boeddha-Dharma China binnen bracht, in het jaar 67WJ om precies te zijn (Zie het artikel 'Onderzoek in Iran').
Andere bronnen noemen koning Mingdi uit een dynastie tussen de 3e en 5e eeuw vC die een edict liet opstellen waarin "prins Ying van Chu" voor zijn euveldaden betaalt door al zijn bezittingen op te geven als offering aan Boeddha en de tempels. ]

Na dit eerste Concilie ging ieder weer op weg, en onderwees de Boeddha-Dharma zoals hij het gehoord en onthouden had. Meetorsen van dikke volumes beschreven palmbladen zal niet aan de orde zijn geweest.

Het tweede Concilie
Ongeveer honderd jaar later werd het tweede Concilie gehouden.
In 443 voor WJ kwamen monniken opnieuw bijeen in het Valukarama-klooster in de Indiase stad Vesali (Vaishali). In die regio heerste de Vadji- of Vridji-clan, en monniken uit die clan waren tot een Dharma-interpretatie en leefwijze gekomen die de orthodoxen verontrustte.
Onder voorzitterschap van de eerwaarde Yasa vergaderden 700 monniken, gesteund door koning Kalasoka, zegt de Birmese bron.
Die vergadering zal in het teken hebben gestaan van de woorden die voorafgaan aan het tweewekelijks gezamenlijk reciteren van de Monnikscode: Zou enige monnik hier aanwezig een overtreding hebben begaan, laat hem spreken. Zou enige monnik hier aanwezig geen overtreding hebben begaan, laat hem zwijgen.

De Tibetaanse bron meldt dat er een scheiding van geesten kwam tussen de Orthodoxen, de Sthávira, en de 'rekkelijken', de Mahasánghika - die nog lange tijd als een vroeg-boeddhistische groepering zou bestaan en verdween voordat, onder andere op basis van enkele Mahasánghika-opvattingen, de Mahayana, het Grote Voertuig gestalte had gekregen.

Een andere opvatting is dat het tweede Concilie uit twee sessies bestond: een sessie zo'n 60 jaar na Boeddha's overlijden, en een andere sessie nog weer 40 jaar later. De eerste sessie zou dan plaatsgevonden hebben in Vesali, en de tweede in Pataliputra, het huidige Patna. Tijdens die laatste sessie zou een monnik genaamd Mahadeva vijf stellingen hebben gepresenteerd over de Arhat, de Verlichtte.
In ieder geval was een tweedeling van de Boeddhistische gemeenschap het resultaat van dit tweede Concilie. De Ouderlingen, toen Sthávira, nu Theravada genoemd, vormden en vormen de orthodoxe tak, en alle anderen - ongeveer 18 namen van inmiddels verdwenen denominaties zijn bekend geworden - groeide heel langzaam maar geleidelijk uit tot op een niet te bepalen tijdstip de Mahayana, het Grote Voertuig, daar was.

Het derde Concilie

Het derde Concilie in de derde eeuw vC draaide uit op een verdere scheiding tussen orthodoxie en vernieuwers. Het woord schisma wordt hierbij veelvuldig genoemd, en er wordt aan herinnerd dat een schisma veroorzaken tot definitieve uitsluiting uit de Orde leidt. Zie daarvoor ook het derde boek van de Lankavatara Soetra.
Onder het bewind van koning-keizer Asoka waren, zegt de Birmese bron, zesduizend asceten het Asoka-klooster binnengedrongen en hadden zich daar breed gemaakt. Maar andere bronnen spreken niet over indringers, en hebben het enkel en alleen over verschillen van mening tussen de monniken daar. Geschiedschrijving heeft het dat de abt, de eerwaarde (Moggaliputta) Tissa - overigens broer van keizer Asoka - zo ontevreden was over het niveau van de Boeddha-Dharma in dit klooster dat hij jarenlang weigerde om de tweewekelijkse recitatie van de Orderegels bij te wonen, die beginnen met een verklaring van zuiverheid. Uiteindelijk trok hij zich in een hermitage aan de andere kant van de rivier terug, en kon maar met moeite overgehaald worden om een monnik-voor-monnik ondervraging door te voeren over aspecten van de Leer.
Het resultaat, zeggen de annalen, was dat er na afloop van dit Concilie een grote menigte wit-gekleden door de straten van Pataliputra (Patna) ging. In het wit gekleed waren tijdens het vroege Boeddhisme de zogenaamde anagárikas, praktikanten die meer regels hebben dan de leken, maar minder dan de monniken, en in het wit gekleed zijn ook die leken-boeddhisten die op bijzondere dagen de 10 levensregels aanhouden. De monniken die de pij was afgenomen waren van dat moment af dakloos en broodeloos, of liever, rijst-loos.
Negen maanden had deze ondervraging geduurd, en na deze negen maanden zond Asoka negen groepen overgebleven monniken uit over de omringende landen. Zo gingen zijn zoon en dochter naar Sri Lanka.
De Geschriften die tijdens dit Concilie werden herschreven, werden opgesteld in het Pali, en van dan af spreken we van de Pali-canon van het vroege of Theravada-Boeddhisme.


Het open en algemene karakter waarnaar Amartiya Sen verwijst was in die eerste Concilies zeker aanwezig, evenals een zekere vorm van democratie: de meerderheid wint. Niettemin tonen alle drie de eerste Concilies dat er zekere spanningen waren die blijkbaar niet door langdurig en intensief overleg opgelost konden worden.
De Concilies die na deze eerste drie zijn gehouden tonen duidelijk de definitieve breuk binnen de monniksgemeenschap. Hieronder gaat de rechterkolom verder met Concilies die de vernieuwers hielden, de linkerkolom toont de Concilies georganiseerd door de oude lijn.

Op geen enkel moment kwamen tijdens deze Concilies de nonnen in beeld, hoewel ze er wel waren. Uiteindelijk zullen we zien dat de gemeenschappen van volledig gewijde nonnen in de oude lijn uitsterven, dat ze in de Himalaya-tradities nooit tot stand zijn gekomen - tot, in zekere zin, aan het eind van de 20e eeuw -, en dat uitsluitend de nonnen-tradities uit de Chinese en Koreaanse tradities tot vandaag een grote bloei doormaken. Wat nonnen vonden van de themas die tijdens de Concilies aan de orde kwamen is niet vastgelegd, als ze al geïnformeerd waren.

Het vierde Concilie

Het vierde concilie, zegt opnieuw de Birmese bron, werd gehouden op Sri Lanka, in de Aloka-grot, in het district Malaya, in ofwel 94 voor WJ, ofwel in 80 voor WJ.
Na twaalf jaren van opstand en hongersnood waren de bewoners van Sri Lanka aan het eind van hun latijn, en besloten de monniken een extra inspanning te leveren om de Boeddha-Dharma te behouden, want ook de monniken hadden te maken met moeilijke tijden, met alle gevolgen voor lichaam en geest.
Tijdens het bewind van koning Vattagámani Abbaya stelden vijfhonderd monniken, onder leiding van de eerwaarde Maha-dhamma-rakkhita, de gehele canon op schrift, op palmbladen, de zogenaamde ola-bladen. Dit Concilie nam een jaar in beslag.
Het vijfde concilie
De twee volgende door de Theravada-stroming erkende concilies vonden plaats in Birma.
Bijna 1800 jaar na het vierde werd in de maand november van 1871 het vijfde Concilie georganiseerd in de stad Mandalay. Men had geconstateerd dat de palmblad-geschriften het niet veel langer zouden uithouden, en dat het noodzakelijk was een en ander opnieuw vast te leggen. Om voor de toekomst spel-, en andere fouten te vermijden koos men er voor om het geheel op 729 marmeren platen te laten inbeitelen. Onder leiding van de eerwaarde Jágara-bhivamsa zagen 2400 monniken toe op de werkzaamheden die ondersteund werden door koning Mindon. De marmeren platen werden vervaardigd in de Loka-mara-jina-pagoda, en de hele onderneming nam 7 jaar, 6 maanden, en 14 dagen in beslag.
Na dit Concilie werd de gehele canon, nu inclusief de Abhidhamma (Abhidharma)- de verhandelingen over het mentale en fysieke - vertaald naar het Birmees. We kunnen zeggen dat met deze vertaling de tweede bloeiperiode van het Birmees Boeddhisme aanbrak. Ze bracht bijvoorbeeld een Abhidharma-meester als Ledi Sayadaw voort. De eerste bloeiperiode lag rond de totstandkoming van het kloostercomplex van Bagan. Zie ook de geschiedenis van Birma.

Het zesde Concilie

Op de vollemaandag van mei 1954 begon het zesde Concilie, en wel in de Mahapasana Grote Grot, in Kaba-Aye, in de hoofdstad van Birma.
Na een periode van Britse overheersing had de Boeddhistische gemeenschap behoefte de kennis en de beleving van het Boeddhisme een nieuwe impuls te geven. Uit de Theravada-landen kwamen 2500 monniken bijeen onder leiding van de eerwaarde Revata (Rééwata). Er waren nog eens vijfentwintig andere landen present bij het bespreken van vragen die de aanwezigen opwierpen. Ook werden opnieuw de Geschriften, inclusief de Commentaren en Sub-commentaren onder de loupe genomen, en wel zo nauwkeurig dat sommige 'overlevenden' het er vandaag (2005) nog over hebben. Dit Concilie kwam verschillende malen bijeen tussen de jaren 1954 en 1956.


Hiermee kwam de serie Concilies voor wat betreft de Mahayana-stroming van het Boeddhisme aan een eind. De tijden in het moederland waren er niet voor. Binnen de Indiase invloedssfeer kon Boeddhisme zich onder externe en interne druk niet staande houden.

Het duurde nog ettelijke eeuwen voordat de Boeddha-Dharma werkelijk was doorgedrongen tot de Himalaya-regionen, die na verloop van tijd in een zeker fysiek isolement kwamen te zitten.
Die late binnenkomst in Tibet en naburige staten, heeft ook bijgedragen aan het gezicht dat het (de populaire aanduiding volgend) Tibetaans Boeddhisme heeft gekregen. Op het moment van binnenkomst was de Canon af; er kon niets eigens aan toegevoegd worden, geen canoniek werk waarvan openlijk of heimelijk gezegd kon worden dat het "bij ons" ontstaan was. Het is in dat licht dan ook niet verwonderlijk dat de Himalaya-tradities zich zijn gaan richten op Commentaren geschreven door zonen van het land, en niet op de Soetras die van elders kwamen. Dat blijft zo ook al is de collectie Soetras en andere oudere canonieke geschriften voorbeeldig in het Tibetaans bewaard en op blokdrukprints in principe toegankelijk. Recente pogingen (midden 2005) deze canon te digitaliseren en op het Internet te plaatsen zullen er ongetwijfeld toe bijdragen dat het in Tibetaans Boeddhisme geïnteresseerde publiek ten minste kennis zal kunnen nemen van de Kanjur, (een opvatting van) de Leerredes zoals Tibet die heeft bewaard.

De Chinese, Koreaanse en Japanse stromingen hadden genoeg aan zichzelf, en waren ook niet in staat broeders verderop op de planeet te bezoeken.
In iedere regio werd een iets ander deel van het hele corpus van de Leer als uitgangspunt gehanteerd. De culturele verschillen tussen de diverse regio waren zo groot dat als vanzelf op tijd en plaats aangepaste sub-stromingen ontstonden met uit het volk zelf voortgekomen commentatoren, die hun voor-Boeddhistische culturele bagage niet altijd thuis lieten.

Nu het zich over een groot grondgebied verspreid hebbende Mahayana nog slechts beperkt canonieke teksten kan vinden waar alle stromingen tesamen uit putten en op bouwen, er dezelfde waarde aan hechten - zoals bijvoorbeeld de Lotus Soetra, maar ook de Avatámsaka Soetra - lijkt de animo tot het beleggen van Concilies niet meer aanwezig. Met het gestaag uitbreiden van de collectie canonieke werken, dankzij 150 jaar archeologisch onderzoek, geeft men nu eerder de voorkeur aan conferenties over deel-aspecten. Aan die conferenties nemen selecte gezelschappen deel; de gewone man en vrouw, monnik en non in de straat kunnen zich op de hoogte stellen van de resultaten van dergelijke bijeenkomsten.
Bovendien zijn er doorheen het hele Mahayana-gebouw een redelijk aantal Boeddhistische universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten en opleidingscentra gekomen, die nieuwe methoden hebben gevonden om de Boeddha-Dharma te bewaren, te bestuderen en te verspreiden.
De nadruk lijkt in de 20ste en begin 21ste eeuw vooral te liggen op een kennismaking tussen de School der Ouderen van de Theravada, en het Grote Voertuig, d.w.z. de Mahayana.


Bron
« Laatst bewerkt op: 22-06-2014 12:29 door Dirk Knol »

Offline sophie

  • Boeddha Forumganger
  • **
  • Berichten: 24
    • Bekijk profiel
Re:DE ZES CONCILIES
« Reactie #1 Gepost op: 31-08-2009 09:01 »
Wat ik zie is maar een omhulsel.
Het belangrijkste is onzichtbaar.....
Grote mensen begrijpen nooit iets uit zichzelf,
en voor kinderen is het vervelend hun altijd weer alles te moeten uitleggen...
       ( a.de saint-exupéry )

Offline nico70+

  • Sangha Ouderling
  • *****
  • Berichten: 828
  • Geslacht: Man
    • Bekijk profiel
    • Facetten van het Boeddhisme
Re: De zes concilies
« Reactie #2 Gepost op: 18-08-2018 17:13 »
Beste,

Over de boeddhistische concilies heb ik nog enkele aanvullende gegevens gevonden

Inleiding

   De grote bijeenkomsten van de Sangha zijn te verdelen in concilies en synoden. De concilies zijn grote bijeenkomsten waarop de Oudsten van de Gemeenschap samen kwamen om de Canon vast te leggen en om beslissingen te nemen van grotere betekenis. Onder de bijeenkomsten van de Gemeenschap vinden wij ook synoden. De leden van de betreffende gemeenschappen of scholen kwamen bijeen. En zulke bijeenkomsten konden geen bindende beslissingen nemen. Daartoe ontbraken de organisatorische voorwaarden. Als geen overeenkomst gevonden kon worden, bleven beide groepen met gelijke rechten naast elkaar bestaan. Beter dan het woord “concilie” is dan te spreken van plaatselijke synode.

   De concilies van Rājagaha en van Vesali zijn traditioneel mondeling overgeleverd. De overlevering van het concilie te Rājagaha is betrouwbaar; die van het concilie te Vesali is minder betrouwbaar.

   Voor het overlijden van de Boeddha wordt, volgens de Theravāda-traditie, het jaar 543 voor Christus aangehouden. Maar volgens anderen is het jaar 483 v.C. waarschijnlijker.
   
1e concilie, te Rājagaha, ca 543 (483) v.C.)

        De Boeddha zelf heeft geen geschreven teksten nagelaten. Ná zijn definitieve heengaan werd volgens de overlevering te Rājagaha een vergadering bijeengeroepen van veel heilige monniken (ouderlingen) om de Dhamma en de Vinaya te zuiveren van verkeerde leringen en verkeerde discipline. De eerwaarde Mahā Kassapa was de voorzitter ervan. Het eerste concilie duurde zeven maanden.
   
   De procedure op het eerste concilie was eenvoudig. De ouderling Upāl, de erkende autoriteit wat betreft de Vinaya, werd aangewezen om de regels van gedrag van de Orde te reciteren samen met de omstandigheden die ertoe leidden dat zij vastgesteld werden.
    Toen de eerwaarde Upāli de recitatie beëindigd had, werd aan de ouderling Ānanda gevraagd om de leerreden te reciteren. Bijna de hele Sutta Pitaka werd samengesteld vanuit zijn recitatie ervan met de achtergrond en/of gelegenheid.
   Aan de eerwaarde Upāli en diens pupillen werd verzocht de Vinaya Pitaka te bewaren. De eerwaarde Ānanda kreeg de opdracht om met zijn leerlingen de Digha Nikāya te bewaren. Aan de pupillen van de eerwaarde Sariputta - die zelf al vóór de Boeddha overleden was - werd gevraagd om zorg te dragen voor de Majjhima Nikāya. De Samyutta Nikāya was voor de eerwaarde Mahā Kassapa en diens leerlingen; en de Anguttara Nikāya was voor de eerwaarde Anuruddha en z'n pupillen.
   Het doel van het eerste concilie is zeer zeker geweest de leer te beoordelen en valse leringen eruit te verwijderen. En de Boeddha heeft in meerdere dialecten gepreekt. Misschien was een andere reden dat men de leer in één taal wilde onthouden. Een aanwijzing daartoe zou kunnen zijn dat de eerwaarde Purāna de leer bleef onthouden zoals hij ze van de Boeddha zelf had vernomen.*6]

   De teksten werden toen van buiten geleerd en nog niet op schrift gesteld.
_____
*6] Purāna leefde te Dakkhināgiri. - Volgens Norman, Pāli Literature, Wiesbaden 1983, p. 114, was de canon eerst in een aantal dialecten en werd ze later herleid tot één taal.


Het 2e concilie, te Vesali, ca 100 n.B. = ca 443 (383) v.C.

   Ongeveer 100 jaar na het overlijden van de Boeddha wilden monniken te Vesali de regels wijzigen door 10 mindere punten op te geven. De oudere monniken in Pāvā, Kosambi, Avanti, en ook in Dekkhan hadden er bezwaar tegen. Dat was immers tegen het besluit van het eerste concilie. Daarom werd een tweede  concilie samengeroepen van 700 vooraanstaande monniken. Aan het hoofd van hen stonden de eerwaarden Yasa, Revata en Sabbakāmi. Het concilie werd gehouden te Vesali en duurde acht maanden. De 10 punten werden verworpen en de Dhamma en de Vinaya werden weer gereciteerd en opnieuw vastgesteld.
   
   De monniken van Vesali en andere monniken waren het niet eens met dit concilie. Daarom werd er een nieuw concilie gehouden door de Vajjiputtakas en hun aanhangers. Dat concilie werd bijgewoond door 10.000 monniken.*7] Het werd “de grote recitatie” of “het grote Sangha-concilie” (mahasangiti) genoemd. Er ontstond toen een afzonderlijke school, de Mahāsanghikas. De orthodoxe groep werd genoemd de Theravādins of de Sthavīravādins (de groep van de Ouderlingen of Senioren).
Volgens sommigen was dit concilie van de Mahāsanghikas op het einde van het tweede concilie. Volgens ande­ren is dit zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, en werd het ge­houden enige tijd na dit concilie en enige tijd vóór de periode van Asoka.

   Er werd toen geen schisma gevormd. Want zij verwierpen niet de Boeddha, Dhamma en Sangha. Zij waren het alleen niet eens met de orthodoxe gemeenschap van de Ouderlingen over bepaalde regels van discipline. De fundamentele en essentiële leringen van de Boeddha zijn in beide scholen gelijk.
________
*7] 10.000 monniken betekent: een heel groot, een    ontel­baar aantal monniken.

Het derde concilie, te Pātaliputta, 236 n.B = 307 (247) v.C.)
   
   In 218 na Boeddha kreeg Asoka de heerschappij over heel India. Vier jaar daarna kroonde hij zichzelf in de stad Pātaliputta tot koning. Ongeveer 18 jaar daarna, in de 3e eeuw v.C., bekeerde keizer Asoka zich tot het Boeddhisme.    
   Na de bekering van Asoka kreeg de Orde van de monniken veel privileges. De kloosters kregen materiële voorspoed. Vanwege de vele voordelen die de Boeddhistische monniken kregen, sneden veel brahmanen hun haren af, droegen gele gewaden en traden in de Orde in. In de kloosters hielden zij hun oude geloof en oude praktijken. Ieder van hen gaf zijn leer uit alsof het de ware leer van de Boeddha was.
   Er was veel onachtzaamheid en slordigheid bij veel klooster­gemeenschappen. Als protest daartegen weigerden de devote monniken in het klooster Asokārama gedurende zeven jaren de Uposatha of Pavāranā-ceremonie te houden. Asoka merkte dit en vroeg aan de eerwaarde Moggaliputta*11] om aan deze wantoestand een einde te maken.
   In 236 na Boeddha*13] werd daarom te Pātaliputta onder patronage van keizer Asoka een concilie gehouden in het klooster Asokārama. De eerwaarde Tissa Moggaliputta was de voorzitter ervan. Dit concilie duurde negen maanden. Door duizend vooraanstaande monniken werd er de Canon gereciteerd. De leer werd gezuiverd en de Dhamma en Vinaya werden er gereciteerd. Toen werd ook de hele Abhidhamma gereciteerd.
   De eerwaarde Moggaliputta stelde op dit concilie het Kathāvatthu samen. Hierin werden de ketterse leerstellingen weerlegd.
   
   Na dit concilie zond de eerwaarde Moggaliputta monniken (Theras) naar diverse delen van India en ook naar andere landen van Azië om er de leer van de Boeddha te preken. Heel veel mensen werden er tot de leer van de Boeddha bekeerd.
_____
*11] Met Moggaliputta Tissa is ongetwijfeld bedoeld de monnik Sapurasasa Mogaliputasa.
*13] 236 na Boeddha is 207 (247) v.C.  Volgens een andere overlevering was deze gebeurtenis in 232 v.C.

Synode te Anuradhapura, ca 225 n.B. = ca 318 (258) v.C.

   Tijdens de regering van koning Devanampiya Tissa (247-207 v.C.) was er volgens de traditie van Sri Lanka een synode te Anuradhapura. President ervan was de eerwaarde Arittha Thera. Volgens de traditie namen er 60.000 arahants aan deel.*17]
_____
*17] Het aantal van 60.000 arahants is natuurlijk overdreven.

Het vierde concilie, te Anuradhapura ca 443 n.B. = ca 100 (40) v.C.

   In de eerste eeuw v.C. was er in Sri Lanka een invasie van Tamils uit India; ook was er een grote hongersnood. De mondelinge overlevering van de leer liep gevaar. Daarom werd besloten de leer op schrift te stellen. Dit gebeurde omstreeks 90 v.C., tijdens de regering van de vrome Sinhalese koning Vatta Gāmani Abhaya (101-77 v.C.). Toen werd een concilie gehouden van arahants. Het doel ervan was de herziening van de commentaren op de Tipitaka. Op het einde van dat concilie werden de Pāli Canon en de commentaren op schrift gesteld. Dit geschiedde te Aluvihāra (Aloka-Vihāra) in het Matale District in Sri Lanka.

Synode te Sri Lanka, 516 n.B. = 27 v.C. (33 n.C.

   Ten tijde van de regering van koning Mahanama  van Sri Lanka werd er een synode gehouden in 516 n.B.  De commentaren werden toen vanuit het Sinhalees vertaald in het Magadhi (Pāli) door Bhadanta Buddhaghosa.

Concilie, te Kasjmir, 643 n.B. = ca 100 (160) n.C.

   Koning Kanishka I had een groot indoskytisch rijk gesticht. Een groot deel van noordwest India behoorde ertoe. Hij besteeg de troon in 78 n.C. Hij regeerde te Purushapura (thans: Peshawar), in het district van Gandhāra. Hij was eerst een tegenstander van het Boeddhisme. Later werd hij een voorvechter ervan. Er waren toen verscheidene scholen met (bijna) tegengestelde inzichten. Parsva, een beroemd Boeddhistisch patriarch, legde aan de koning uit dat er sedert het overlijden van de Boeddha veel jaren verlopen waren. De verschillende scholen hielden vast aan de diverse meesters, ieder met eigen versie.
   Onder auspiciën van Kanishka werd daarom, ca 100 n.C., een concilie gehouden. Het doel ervan was om commentaren te schrijven op de drie Pitakas, en om de verwarring tussen de verschillende scholen te beëindigen.
   Van heinde en ver werden monniken bijeengeroepen. Uit de samen­gekomen monniken werden 500 wijze en heilige monniken uitgekozen. Voorzitter van hen was de eerwaarde Vasumitra (of: Vasubandha).
   De bijeenkomst was in Kasjmir, waar de koning te Jalandhara een klooster had laten bouwen. Het werk van de geleerde monniken resulteerde in drie commentaren op de drie Pitakas. De eigenlijke bedoeling ervan was om een einde te maken aan de oude twisten. Maar in feite ontstonden er omstreeks die tijd twee stromingen in het Boeddhisme.
   De commentaren die toen – in het Sanskriet - samengesteld werden, zijn:
. het Upadesasāstra (commentaar op de suttas);
. het Vinayavibhāshāsāstra (commentaar op de Vinaya);
. het Abhidharmavibhāshāsastra (commentaar op het Abhidhamma).

   Het Theravāda dat zijn Canon reeds in Sri Lanka op schrift had gesteld, erkende dit concilie onder koning Kanishka niet. Het gevolg ervan was de splitsing van de leer van de Boeddha in een zuidelijke en een noordelijke school.
   De noordelijke school werd Mahāyāna genoemd, het grote voertuig. De zuidelijke school kreeg toen de naam Hinayāna, het kleine voertuig.
   
Synode, te Lhasa, 792-794 n.C.

   Tijdens de regering van koning Khri-srong-lde-btsan van Tibet werd in 792-794 een synode gehouden. Het Tibetaans Boeddhisme was in de 6e eeuw ingewikkeld geworden. Want koning Srong-btsan-sgam-po was er getrouwd met zowel een Nepalese als een Chinese vrouw. Inlichtingen over de leer en de praktijk van het Boeddhisme kwamen toen van twee kanten. Toen het grote klooster te bSam-yas klaar was, werd er een synode samengeroepen. Het doel ervan was de verschillen te bezien tussen de tantrische denkbeelden van Padmasambhava, de vroegere Indiase Boeddhistische idealen van Śantiraksita, en de Chinese standpunten. De synode werd een debat tussen Śantiraksita en de Chinese monnik Hva-shang. De laatste pleitte voor het standpunt van plotselinge Verlichting, terwijl Śantiraksita dat van geleidelijke Verlichting aanvoerde. Hij legde ook de nadruk op verdienstelijke daden; maar dit werd door Hva-shang weerlegd. De Chinese denkbeelden werden verworpen en de Chinese deelnemers aan dit congres verlieten Tibet.

Synode, te Pulatthinagara, 1587 n.B. = 1044 (1104) n.C.

   In 1587 na Boeddha was er een synode te Sri Lanka, in de plaats Pulatthinagara. Ze werd gehouden op verzoek van koning Parākrama of Parakramabahu de Grote. Alleen de commentaren werden er herzien. President ervan van de eerwaarde Mahakassapa. Het was in 1044 (1104) n.C. De synode duurde één jaar.
   

Concilie, te Chiangmai, 1477 n.C.

   In 1477 n.C. was er een concilie te Chiangmai, Thailand. Dit concilie duurde één jaar en was bijeengeroepen door koning Sridharmacakravarti Tilaka Rajadhiraja (Tilokaraj), heerser over Noord-Thailand, om het Boeddhisme in Thailand steviger te vestigen. Het duurde een jaar.
Dit concilie was vermoedelijk een synode.
   Volgens Thaise traditie is dit het 8e concilie.
   
Concilie, te Bangkok, 1788 n.C.

   In 1788 n.C. (2331 na Boeddha) was er weer een concilie in Thailand, nu in Bangkok. Het doel ervan was een zuivering van de Sangha en een herleving van het Boeddhisme in Thailand. Dit concilie werd gehouden na een oorlog tussen Thailand en een naburig koninkrijk. De oude hoofdstad Ayutthaya (Ayodhya) was door vuur verwoest en veel boeken en manuscripten van de Pāli Canon waren verbrand. De Orde van monniken was niet georganiseerd en moreel verzwakt. Koning Rama I en diens broer consulteerden daarom de leidende monniken en lieten een concilie bijeen roepen opdat het geloof hersteld zou worden. 218 Ouderlingen en 32 geleerde leken kwamen toen samen en reciteerden de Tripitaka gedurende ongeveer een jaar. Gedurende en na dit concilie bloeide het Boeddhisme weer op.
Ook dit concilie was waarschijnljk een synode.
   Dit is het 9e concilie volgens Thaise traditie.

Synode, te Ratnapura, 1865 n.C.

   In 1865 n.C. werd een synode gehouden te Ratnapura, Sri Lanka. Die duurde 5 maanden. President van deze synode was de eerwaarde Hikkaduve Siri Sumangala.
   Volgens de traditie van Sri Lanka is dit het 5e concilie.


Concilie, te Mandalay, 1871 n.C.

   In 1871 n.C. (2414 na Boeddha) was er een concilie te Mandalay, Myanmar, onder bescherming van koning Min-donmin. Er namen 2400 geleerde monniken en leraren aan deel. De hele Pāli Canon werd er gereciteerd en daarna op 729 marmeren platen gebeiteld. Die recitatie geschiedde in het koninklijk paleis en duurde ca vijf maanden.
Volgens de traditie van Myanmar is dit het 5e concilie.

Concilie, te Thailand, 1888 n.C.

   In 1888 n.C. was er een concilie in Thailand op verzoek van koning Chulalongkorn (Rama V). Na dit concilie werd de Pāli Canon in het Thais gepubliceerd.
Misschien is het beter dit concilie als een synode te beschouwen.
   Volgens de traditie van Thailand is dit het 9e concilie.

Concilie, te Rangoon, 1954 n.C.

   In 1954 n.C. werd te Rangoon (Yangon), Myanmar, begonnen met een concilie dat doorging tot de dag van volle maan van Vaisakha (mei) in 1956. Dat is de 2500-ste jaardag van het Parinibbāna van de Boeddha. Geleerde monniken van verschillende landen – in het bijzonder India, Sri Lanka, Cambodja, Thailand, Laos en Pakistan – namen eraan deel. Ongeveer 500 monniken van Myanmar (Birma) waren uitgenodigd om de tekst van de Tripitaka te controleren. Ook werden in elk van de Boeddhistische landen groepen monniken georganiseerd om de teksten te onderzoeken.
   Op het einde van het concilie werden alle teksten van de Pāli Canon en van de commentaren gereciteerd. De herziene versie werd in het Birmees gepubliceerd.
   Volgens de traditie van Sri Lanka en Myanmar is dit het 6e en volgens die van Thailand het 10e concilie.

Geraadpleegde bronnen

Banerjee, Anukul Chandra: Studies in Chinese Buddhism. Calcutta: Firma KLM (P) Ltd, 1977.
Banerjee, Anukul Chandra: Aspects of Buddhist Culture from Tibetan sources. Calcutta : Firma KLM (P) Ltd, 1984.
Bapat, P.V.: 2500 Years of Buddhism. Gen. ed.: P.V. Bapat. (5th repr.) New Delhi : Publications Division, 1987. 1st. ed. 1956. - Publ. by the Director Publications Division Ministry of Information and Broadcasting Government of India Patiala House New Delhi.
Bischoff, Roger: Buddhism in Myanmar. A Short History. Kandy : BPS, 1995. The Wheel No. 399/401).
Bodhesako, Samanera: Beginnings: The Pali Suttas. Kandy 1984. The Wheel No. 313/315.
Finegan, Jack: The archeology of World Religions : The Background of Primitivism, Zoroastrianism, Hinduism, Jainism, Buddhism, Confucianism, Taoisme, Shinto, Islam, and Sikkhism. (4th printing) - Princeton : Princeton University Press, 1971.
Frauwallner, Erich: 'Die buddhistischen Konzile,' in: Kleine Schriften, Wiesbaden 1982, p. 649-670.
Geiger, Wilhelm (tr.): The Mahāvamsa or the Great Chronicle of Ceylon, (repr.), London 1980.
Kirfel, Willibald: Symbolik des Buddhismus. Stuttgart : Hiersemann, 1959.
Lassen, Christian: Indische Alterthumskunde. Bd. 2, Teil 1 : Geschichte von Buddha bis zu dem Ende der älteren Gupta-Dynastie. Nebst Umriss der Kulturgeschichte dieses Zeitraums. (Neudruck der 2. verm. u. verb. Aufl. 1874). Osnabrück 1968.
Malalasekera, G.P.:  Dictionary of Pāli Proper Names. London: PTS, 1974. (Vol. II).   
Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden : Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).
Nyānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. Kandy : BPS, 1978
Pandit, Moti Lal: Being as becoming : Studies in Early Buddhism.  New Delhi 1993.
Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathā-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka, transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids, (repr.), Oxford 1993.
Prebish, Charles S.: Historical Dictionary of Buddhism, Metuche & London 1993.
Rahula, Ven. Walpola Sri : 'Validity and Vitality of the Theravada Tradition,' in: Voice of Buddhism, Dec. 1990, Vol. 28, No. 2, p. 3-7.

--==--
Vriendelijke groeten
Nico




Offline Borobudur2

  • Gerecycled op 23-08-2018
  • Actief Lid
  • **
  • Berichten: 31
  • Geslacht: Man
  • Geluk is een gewoonte en vaardigheid
    • Bekijk profiel
Re: De zes concilies
« Reactie #3 Gepost op: 01-09-2018 00:00 »
Geweldig hoe grondig je hier te werk gaat, Nico.
En ook aansluitend op de actuele topics op het forum.
Mijn dank!
Warme groet,
Borobudur