De eigenwaan 'Ik besta' of 'Ik ben' (asmi mana) begrijp ik zelf als de soort beleving en verbeelding dat je als een mentaal wezentje bestaat, en als mentaal wezentje ziet, hoort, voelt, kent, zaken beleeft, en ook zal sterven.
Ik twijfel er eigenlijk niet aan dat we niet echt zo bestaan maar dat lichaam en geest, in hun gezamenlijke werking, toch elke dag en moment deze krachtige Ik-perceptie voortbrengen. Dat we als een soort eigenaar bestaan van het lichaam, emoties, neigingen, visies etc. Ik geloof niet dat deze Ik en mijn beleving inherent is aan de geest. Meer functioneert als iets wat ontstaat of wordt voortgebracht door lichaam en geest. Een instroming, een verkleuring, net als boosheid, gedachten, neigingen.
Als je er zo bij stilstaat is het volgens mij best heel erg aannemelijk dat brein en geest samen een soort cognitieve illusie creëren dat je als een soort voeler, weter, waarnemen, innerlijke getuige bestaat. Waarom is het dan toch zo moeilijk los te laten, te doorbreken, te overstijgen, voorbij te gaan aan deze indruk?
Naar mijn mening door de winst die we halen uit deze beleving van een zelfstandig-bestaand-Ik. De winst van geestelijke behoefte bevrediging. De aandacht die je krijgt, de steun, het luisterend oor, de hoop die iemand je geeft, de geruststelling, de waardering als Ik, de genegenheid etc. Volgens mij maakt die winst dat het zo moeilijk loslaten is. Zou deze Ik-perceptie niet verbonden zijn met winst, dan zouden we het zo loslaten. Alsof het een heet kooltje was. Meteen en moeiteloos. Maar er zit heel veel winst aan vast. In eindeloos veel levens, en in dit leven weer, is er hevig in geïnvesteerd.
Boeddha leert volgens mij dat die winst niet echte winst is en dat de investering eigenlijk niet echt rendeert.
Het zorgt juist voor een lijdenspiraal.
De Ik-perceptie komt ook met heel veel druk, spanning, belasting, angst.
Over het verdrijven van de Ik-perceptie zegt een sutta:
Dispassion for the world is happiness
for one who has gone beyond sensual pleasures.
But dispelling the conceit ‘I am’
is truly the ultimate happiness.” (udana 8.1)
Toch is het onvermijdelijk, denk ik, dat we ook tegen ons eigen winstbejag aanlopen als we de Dharma beoefenen.
We krijgen via de Ik-perceptie gerussttelling, aandacht, steun, en we voelen zo een band met anderen.
Ik geloof niet dat de Boeddha dit veroordeelde en wij dit gewone menselijke moeten veroordelen. Eerder zien.
Het is volgens mij niet zo lastig te zien en begrijpen dat het heel goed mogelijk is dat de gecombineerde werking van brein en geest en zintuigen de perceptie oplevert dat je als een soort mentaal wezentje allerlei dingen beleeft en bestaat. Immers, waar zit/is dat wezentje dan? Maar de winst die aan deze Ik perceptie vastzit, DAT maakt het zo moeilijk voorbij te gaan aan deze perceptie, en deze los te laten.
Een van de krachtigste voorbeelden vind ik zelf-medelijden en je verongelijkt voelen. Dat het zo moeilijk los te laten is, komt door de winst die we er ook uithalen. Want als het echt helemaal niks zou opleveren dan zouden we het ook niet vasthouden. Dan zouden we het loslaten als een hete kool in de hand.
Het Pad confronteert met de ogenschijnlijke winst die we behalen uit begoocheling, vind ik.