Auteur Topic: Richtlijnen en adviezen voor leken  (gelezen 19500 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Richtlijnen en adviezen voor leken
« Gepost op: 01-05-2017 19:17 »
De Boeddha heeft veel gesproken tot de monniken. Maar hij heeft ook veel gesprekken gevoerd tot leken.
De richtlijnen en adviezen die hij voor leken heeft gegeven, heb ik enigszins bij elkaar gezet.

1. Leven in de wereld
 
   Er zijn mensen die menen dat het Boeddhisme in deze geïndustrialiseerde en technische wereld niet of slechts met veel moeite nagevolgd kan worden. Zij denken dat de leer van de Boeddha in volle afzondering van de wereld beoefend moet worden, dat zij naar een klooster of naar de een of andere stille plek moeten gaan, ver weg van de bewoonde wereld. Dat is een verkeerde mening. Het is een niet begrijpen van de verheven leer. In sommige gevallen kan het voor iemand misschien goed zijn enige tijd in afzondering te leven om zijn geest en karakter te verbeteren. Maar voor de meesten is het niet goed steeds alleen te leven of in een kloostergemeenschap. De leer van de Boeddha is niet alleen bedoeld voor monniken, maar ook voor mensen die thuis leven met hun gezin. Het edele achtvoudige Pad dat de Boeddhistische levensweg is, is er voor allen, zonder uitzondering, zo schreef de  Walpola Rahula.
   De eerste volgelingen van de Verhevene waren leken, daarna pas volgde de instelling van de Orde van de monniken. En de leek ook zal de leer langer handhaven dan de monniken.
   Ware verzaking en afzondering is niet het weglopen, is niet het zich lichamelijk verwijderen uit de wereld. De eerwaarde Sariputta zei eens dat iemand in een bos kan leven, toegewijd aan meditatie en ascese. Maar die persoon kan dan toch vol onzuivere gedachten zijn en vol belemmeringen. Iemand anders daarentegen kan in stad of dorp leven zonder ascetische oefeningen. Het gemoed van de laatste kan echter rein zijn en vrij van belemmeringen. Van die twee personen zei de eerwaarde Sariputta dat degene die een zuiver leven leidt in dorp of stad beslist superieur is aan en groter dan degene die in het bos leeft. Ook de Boeddha bevestigde met stelligheid dat er niet een of twee, niet honderd of tweehonderd, maar veel meer leken waren - zowel mannen als vrouwen - die een gezinsleven leidden en die zijn leer met succes volgden en hoge geestelijke staten bereikten.
 
   De Boeddha leerde dat er drie soorten afzondering bestaan:
(a)       lichamelijke afzondering: het alleen leven, als een kluizenaar, afgezonderd van de buitenwereld, in bos of andere stille plaats;
(b)        geestelijke afzondering: de stilte van het gemoed in de diepe sferen van meditatie; de afzondering ook van de diverse belemmeringen in de staten van heiligheid;
(c)        afzondering van de steunen van bestaan: die steunen van bestaan zijn de besmettende hartstochten, de groepen van bestaan en de wilsacties met gevolgen. De afzondering van dit alles is Nibbāna.
 
   De Boeddha haalde het leven niet uit de samenhang van zijn sociale en economische achtergrond. Hij bezag het in zijn geheel, met alle sociale, economische en politieke aspecten. Als de mensen in een land voorzien zijn van de gelegenheden om een voldoende inkomen te verdienen, zullen zij tevreden zijn. Zij zullen dan geen angst of vrees meer hebben en ook het land zal vredig zijn en vrij van misdaad. Daarom vertelde de Boeddha aan leken hoe belangrijk het is om de economische omstandigheden te verbeteren. Dit betekent niet dat hij ermee instemde rijkdom te vergaren uit begeerte en gehechtheid. Materieel welzijn is niet een doel op zich. Het is alleen een middel om naar een hoger doel te geraken. Geluk in de wereld, zo zei de Boeddha, is niet het zestiende deel waard van het geestelijke geluk dat ontspringt uit een rein, smetteloos en goed leven.
 
   Het is voor de leek moeilijk steeds goed te doen. Ook voor de monnik is het moeilijk. Maar de leek is omringd door wereldse zaken en voor hem heeft de Boeddha enkele instructies gegeven waardoor zowel in de wereld als op religieus gebied vooruitgang geboekt kan worden. Die instructies zijn geen geboden of verboden. Wij moeten uiteindelijk zelf weten wat we doen.
   De resultaten van onze daden zullen wij zelf oogsten. Er is geen beloning en geen straf; er is alleen een resultaat van onze wilsacties. En zo'n resultaat kan onheilzaam, neutraal of heilzaam zijn, overeenkomstig de daad die er aan vooraf ging.  Wie goed doet, goed ontmoet; maar ook: wie niet goed doet, niet goed ontmoet. Het is daarom aan te bevelen steeds goed te doen.
    Er zijn instructies voor monniken en ook instructies voor leken. De monnik heeft 227 regels die hij moet navolgen. De leek heeft maar vijf regels. Om goede resultaten te behalen, moeten al die vijf regels nagevolgd worden.

Nico

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #1 Gepost op: 02-05-2017 19:17 »
2. Wildgroei
 
   Achter mijn vroegere huis had ik een grote tuin met gras en diverse fruitbomen. Vogels verheugden zich elk jaar weer als de kersen rijp waren. Zij hielpen mij dan met plukken. Nesten werden in de bomen gebouwd en de hele tuin was in feite een lustoord voor vogels en andere kleine dieren. Een kunstmatige vijver voor verfrissing in de zomer en een voerplaats voor in de winter hielpen daarbij.
   Eens had ik geen zin meer om steeds maar in de tuin te werken. Het wieden van onkruid liet ik achterwege en ik liet alles groeien zoals het door de wind of door vogels geplant werd. Zo raakte de tuin langzaam vol met wilde planten, ook onkruid genaamd. Het gaf een aparte sfeer en omdat ik benieuwd was hoe groot die wilde planten wel werden, liet ik ze groeien tot ze helemaal uitgebloeid waren. Planten, meer dan een meter hoog, met of zonder bloemen, maar alle met zaden, bleken in de tuin vaste voet gekregen te hebben.
   Boterbloemen hadden de plaats van het gras ingenomen. Paardebloemen groeiden ertussen. Brandnetels en andere wilde planten waarvan ik de naam niet ken, groeiden aan de voet van de bomen. Andere wilde planten hadden zaden die jeuk veroorzaakten.
   En ik besefte dat ik te ver was gegaan. Ik besefte dat onkruid wieden noodzakelijk is. Als het onkruid niet steeds gewied wordt, krijgt het de overhand. Het is dan heel moeilijk om het uit de tuin te krijgen. Alles moet omgespit worden en het onkruid moet met wortel en al uit de grond gehaald worden. Dat is veel werk. Als ik op tijd gewied had, had het onkruid geen kans gekregen om zich uit te breiden. Het had dan gemakkelijk verwijderd kunnen worden.
 
      Evenzo als met het onkruid in de tuin is het met het “onkruid” in de geest. Dat moet terstond verdreven worden voordat het de overhand krijgt en de geest met de wildgroei van de belemmeringen vol raakt.

          Voor de leken heeft de Boeddha daarom vijf richtlijnen gegeven, de vijf regels van goed gedrag. Door die na te volgen, dagelijks, komt er weinig “onkruid” in de geest. Door oplettendheid kan men op tijd wieden en de geest van grove belemmeringen rein houden.


3. Deugdzaamheid

       De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, zo luidt een gezegde. De weg naar Nibbâna is geplaveid met deugd (sīla). Dit is een moreel goed gedrag dat zich uit in woord of lichamelijke handeling. Deugdzaamheid is de basis van de hele Boeddhistische praktijk. Het is de beste vorm van zelfbeheersing. Ze varieert van de vijf richtlijnen voor leken tot de 227 regels voor monniken. Andere oefeningen van zelfbeheersing voeren niet naar zuivering en tevens sterkte van de geest.

       Zoals een huis met een goed fundament steviger is dan een huis gebouwd op zand, zo is het ook met geluk. Als wij goed doen, als wij een deugdzaam leven leiden, dan is dat de basis voor geluk, hier en nu in dit leven en later in volgende levens. Voor de Boeddhistische leek zijn er vijf regels van goed gedrag. Die regels zijn geen verboden of geboden, maar goede raadgevingen. Het wordt aan ieder zelf overgelaten of hij die regels naleeft of niet. Maar de gevolgen van ieders daden zijn ook voor ieders eigen rekening.

       De vijf regels van deugdzaamheid, van goed gedrag, zijn richtlijnen om een goed en eerbaar leven te voeren, richtlijnen om goed voor onszelf te zorgen. En zo zijn het ook richtlijnen om goed voor anderen te zorgen. De regels zijn geen magische formules waardoor grote resultaten kunnen worden bereikt. Zij herinneren de leek alleen aan datgene wat hij moet doen om geen hindernissen en obstakels aan te brengen op zijn weg naar het grote geluk.
 
       Het is de bedoeling dat de leek de vijf regels steeds probeert na te volgen, elke dag. Zo wordt de gewoonte aangekweekt om een deugdzaam en bedwongen leven te leiden. Behalve de vijf regels zijn er voor de leken nog de acht regels. Maar het constant naleven van de vijf regels is heilzamer dan af en toe de acht regels op te volgen.
 
   “Laat men niet zijn eigen heil veronachtzamen voor het heil van een ander, hoe belangrijk ook. Een mens moet leren wat goed is voor zichzelf en zich erop toeleggen met ijver.” (Dhp.166).
 
          Velen zijn druk in de weer om goed te doen voor anderen. Maar wat goed betekent voor de een, is het nog niet voor een ander. In de morele behoeften van de wereld zou voldoende zijn voorzien, als ieder zijn of haar eigen daden zou meten naar de gevolgen die ze hebben voor ieder zelf. Daarom moeten wij op de eerste plaats goed doen voor onszelf. En door goed te doen voor onszelf, doen wij ook goed voor anderen.
          “Heb uw naaste lief als uzelf,” zo leerde Jezus Christus. Dit betekent met andere woorden dat wij eerst onszelf moeten liefhebben en daarna in gelijke mate de ander. Hetzelfde heeft eerder al de Boeddha onderwezen. Wie echter niet zichzelf kan liefhebben, hoe kan hij of zij anderen liefhebben?

          Het enkel herhalen van de woorden en dan direct erna alles erover vergeten, kan niet de naam hebben van: de regels onderhouden. Pas als deze regels van goed gedrag worden nageleefd, in mindere of meerdere mate al naar geval, pas dan is er deugdzaamheid. En als ze niet worden nageleefd, dan is er alleen maar zinloos gepraat over deugd. En praten over deugd is als iemand die wel een treinkaartje koopt, maar niet instapt. Of het is als iemand die een goede plattegrond heeft maar geen gebruik ervan maakt. Anderen gaan hem voorbij, ook mensen van andere religies.
 
          Het leven van de Boeddhistische leek wordt beheerd (of zou moeten worden beheerd) door de vijf regels. Het streven naar het hogere spirituele moet beginnen met deugdzaamheid (sīla). Zonder deugdzaamheid zijn geestelijke ontwikkeling en wijsheid niet te bereiken. Tevens dienen de vijf regels als een bescherming tegen onheilzame wilsacties en tegen de ellende die daaruit voortkomt. Neergang en verval is gemakkelijk en snel; maar opwaarts gaan is steeds moeitevol en langzaam. Deugdzaamheid ontwikkelt zich niet vanzelf. Ze moet serieus gecultiveerd worden, ondersteund door zelf-analyse en onwankelbare zelf-discipline.

          Dit laatste heeft de Boeddha ook eens aan een godheid meegedeeld. De Verhevene vertoefde toen te Sāvatthi. In de nacht kwam een zekere jonge godheid naar hem toe en stelde de vraag:
   “Van binnen jungle en van buiten jungle,
   verstrikt in de jungle is de wereld;
   daarom vraag ik u, Gotama:
   wie kan deze jungle toch ontwarren?”
 
Hierop sprak de Boeddha het vers:
   “De wijze mens die, vast in deugd,
   de geest ontplooit en ook het weten,
   de ijverige, bezonnen monnik,
   hij kan deze jungle wel ontwarren.” (S.I.23).
 
          De betekenis hiervan is: inwendig en uitwendig is er begeerte. Daardoor zijn we verstrikt. Maar de wijze mens die deugdzaam is, kan die begeerte ontwarren en eraan ontkomen. Door deugdzaamheid (sīla) die samen gaat met wijsheid (pañña) en ontwikkeling van de geest (samādhi en/of vipassanā), kan de bevrijding bereikt worden.

          Deugdzaamheid is hier als de basis van de weg naar het hogere aangeduid. Het beoefenen van deugdzaamheid is dus zeker iets heilzaams. En bij andere gelegenheden noemde de Boeddha nog zes andere zegeningen van deugd op. Het zijn:
1) De deugdzame verkrijgt een berouwloze staat.
2) Hij verkrijgt een grote overvloed aan schatten tengevolge van zijn ijver.
3) Hij verkrijgt een goede naam.
4) De deugdzame treedt vol zekerheid op, zonder verwarring, in welk gezelschap van edelen, brahmanen (priesters), gezinshoofden of asceten hij zich ook begeeft.
5) Hij kan een onverstoorde dood verwachten.
6) En na de dood komt hij op een gelukkig spoor, in een hemelse wereld. (A.X.1; D.16; A.V.213).


4. De regels voor de leek

 
          “Al is de daad van geven ook vruchtbaar, [...] toch is het vruchtbaarder als men met een hart vol vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de heiligen, en als men de vijf regels van deugdzaamheid naleeft [...] " (A.IX.20)

          Ook als leek kan men hier en nu de basis leggen voor de bevrijding van alle lijden.1 Men kan als leek zelfs een of meer van de  niveaus van heiligheid bereiken.
          De weg naar Nibbāna - het hoogste doel, de bevrijding van alle lijden - moet begonnen worden aan het begin. Anders keert de leer zich tegen de leerling. Als een slang verkeerd wordt vastgepakt - in het midden of bij de staart - keert de slang zich om. Ze is dan nog steeds zeer gevaarlijk. Alleen als de slang op de juiste manier vastgegrepen wordt - aan de kop - is zij zonder gevaar voor ons. Zo is het ook met de leer van de Boeddha. Wij moeten beginnen aan het begin.
 
          Het begin van het edele achtvoudige pad bestaat uit deugdzaamheid: juist spreken, juiste lichamelijke handelingen en juist levensonderhoud. Voor de leek heeft de Verhevene dit juiste gedrag aangegeven in de vijf regels (panca-sīla). Het doel ervan is de gewoonte aan te kweken een deugdzaam en bedwongen leven te leiden.
          Het is heel heilzaam en brengt grote vrucht als zowel de dagelijkse vijf regels nagevolgd worden als ook op speciale dagen de acht regels. Maar welke regels men ook navolgt, men moet dan proberen zich goed eraan te houden om resultaat te verkrijgen.
 
   Het navolgen van de vijf regels brengt geluk en kalmte van geest. Het voert naar een goede bestemming. En het is de basis voor het goede leven nu en hier. Alle innerlijke rijkdom heeft deugdzaamheid als bron.


5. De vijf regels

       De vijf richtlijnen of regels voor de leek zijn:
1. Ik neem het vaste voornemen niet te doden.
2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen.
3. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van verkeerd seksueel gedrag.
4. Ik neem het vaste voornemen niet te liegen.
5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alcoholische drank en drugs door welke onoplettendheid veroorzaakt wordt.
 
          “Wie levende wezens doodt, verkeerde woorden spreekt, wie in de wereld neemt wat niet aan hem of haar is gegeven, of wie omgang heeft met de vrouw [of man] van een ander, of wie gedistilleerde, alcoholische dranken nuttigt, alwie zich aldus uitleeft, roeit de wortels van zichzelf uit reeds hier in deze wereld.” (Dhp. 216-217).
 
   Bovengenoemde euvele daden moeten dus vermeden worden als men niet alleen menselijk in lichaam wenst te zijn, maar als men ook een menselijke geest wil hebben. En geboorte als een mens hangt voor een groot deel af van het uitoefenen van de vijf regels van goed gedrag.
          Die regels worden ook wel genoemd: “De Dhamma voor menselijke wezens (manussadhammā).”  Het is onder Boeddhisten een praktijk om dagelijks de vijf regels in de geest te brengen. Op die tijd moet men een zo vast mogelijk voornemen maken om ze uit te oefenen en om niet ervan af te wijken.
   Men kan natuurlijk ook wekelijks of maandelijks zich de regels in de geest brengen. 

Nico

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #2 Gepost op: 03-05-2017 01:44 »
(1) Niet doden en geen letsel toebrengen

       Wij zien af van het doden van levende wezens omdat wij weten hoe dierbaar het leven is voor onszelf: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet." Alle geluk van de wezens in deze wereld hangt af van hun leven. Ze ervan beroven is wreed en harteloos. Door het volgen van de eerste regel neemt het gevoel van mededogen voor al wat leeft toe. 
          
   "Wie iemand anders met slechte bedoelingen opwacht om hem of haar te doden, dat strekt hem lang tot onheil en lijden. Na de dood komt hij in de lagere wereld, op een lijdensweg, in de afgronden van bestaan, in de hel.” (A.VI.18).

   "Iemand die hier levende wezens, hetzij dieren of vogels, letsel toebrengt, wie voor levende wezens geen medelijden heeft, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 117)

   "Wie dorpen en steden belegert en verwoest, wie beruchtigd is als tiran, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 118)

   "Een man of vrouw doodt levende wezens, is moordzuchtig, wreed; hij of zij gebruikt graag geweld, is meedogenloos ten opzichte van alle levende wezens. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende, in een ongelukkige toestand, in de hel. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een staat van ellende geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een kort leven beschoren. Dit is de weg die voert naar een kort leven, namelijk het doden van levende wezens, moordzucht, wreedheid, geweld en meedogenloosheid ten opzichte van alle levende wezens." (M.135)

   "Maar alwie het doden van levende wezens heeft opgegeven, wie afziet van doden en wreedheid, wie zorgzaam is en barmhartig, wie vol mededogen let op het welzijn van alle levende wezens, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in plaats van in een hemelse wereld geboren wordt in de menselijke staat, dan is die persoon een lang leven beschoren. Dit is de weg die voert naar een lang leven, namelijk het afzien van doden, het opgeven van wreedheid, zorgzaam en barmhartig zijn, en vol mededogen letten op het welzijn van alle levende wezens." (M.135)

         "Een man of vrouw brengt anderen letsel toe, doet andere levende wezens pijn met de hand, met stokken of met messen. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon vaak ziek. Dit is de weg die voert naar ziekte, namelijk anderen letsel toebrengen en anderen pijn doen." (M.135)
 
         "Maar wie andere wezens geen letsel toebrengt, wie anderen geen pijn doet met de hand, met stokken of met messen, die persoon verschijnt ten gevolge van zulke wilsacties na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon gezond. Dit is de weg die voert naar gezondheid, namelijk ervan afzien anderen pijn te doen, ervan afzien andere levende wezens letsel toe te brengen." (M.135)

   "Als men afziet van het doden van levende wezens, zal men in een gelukkige sfeer komen, in de hemelse wereld. Of er volgt een lang leven indien men als mens herboren wordt. Zelf wordt men onbevreesd, kalm, rustig, prettig in voorkomen. En men wordt dierbaar aan alle (goede) levende wezens, zichtbare en onzichtbare." (M.135; M.136).

    "Wie het doden opgeeft, wie ervan afziet, die schenkt daardoor onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)
 
   "Iemand doodt levende wezens, is moordzuchtig, met bloed aan de handen, tot strijd en geweld geneigd, zonder genade tegenover levende wezens. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich ervan levende wezens te doden, hij geeft dat op. Stok en wapens heeft hij terzijde gelegd. Zachtaardig en vriendelijk leeft hij vol medegevoel voor alle levende wezens. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden." (M.114; A.X.206 en M.41).

          Volgens de Abhidhamma zijn er vijf voorwaarden nodig om het kwaad van doden volledig te maken: (1) een levend wezen; (2) de kennis dat het een levend wezen is; (3) de bedoeling te doden; (4) de inspanning om te doden; (5) met als gevolg de dood.

   Het eten van vlees is niet verboden. De leek mag alle soorten vlees eten. Ook monniken mogen vlees eten. Zij moeten immers alles aannemen wat hun aangeboden wordt. Maar voor de monniken zijn er enkele uitzonderingen (zoals slangenvlees, paarden- en olifantenvlees). Ook vlees van dieren waarvan de monnik weet of vermoedt dat zij speciaal voor hem zijn gedood om als consumptie te dienen, zijn voor hem verboden.
    Maar keizer Asoka liet in zijn hele rijk afkondigen dat het leven van dieren heilig is en hij probeerde de mensen ervan te overtuigen dat zij moesten afzien van het doden van dieren om religieuze of om verkwistende redenen. Hieruit ontstond het absolute verbod in de Boeddhistische gemeenschap om vlees te eten. Ook de Bhakti-cult versterkte het vegetarisme.


(2) Niet stelen
   
   Door van stelen af te zien zorgt men voor de veiligheid van een gemeenschap. 
       Ook door bedrog of list mag men zich niets van anderen toe-eigenen. Door lasterpraat kan men iemands goede naam wegnemen. Men moet dus niet alleen in daden maar ook in woordgebruik oplettend zijn om stelen te vermijden.     

   "Wie, hetzij in het dorp of in het bos, door diefstal neemt wat niet gegeven is, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 119)

   "Wie een kleinigheid begeert en dan iemand overvalt op de weg, hem doodt en de kleinigheid neemt, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 121)

       "Het stelen van goederen van anderen wordt de oorzaak van verlies van eigen zaken. Wie steelt, wordt onderworpen aan de straf van de wetgever en aan de verontwaardiging van de mensen. Wie afziet van stelen, krijgt veel hier en later. Hij of zij leeft een gelukkig leven en vaart wel na de dood.
   De edele volgeling verwerpt het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   "Iemand neemt wat hem niet werd gegeven; hij steelt de rijkdom en de bezittingen van anderen in dorp of bos. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114; A.X.206 en M.41)

   "Iemand onthoudt zich ervan te nemen wat hem niet werd gegeven; hij geeft dat op. Hij steelt niet de rijkdom en de bezittingen van anderen in dorp of bos. - Deze soort van lichamelijk gedrag veroorzaakt afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden." (M.114)


(3) 0nthouding van verkeerd seksueel gedrag

   Onthouding van verkeerd seksueel gedrag betekent dat men ervan afziet iemand in persoon of in gevoelens te kwetsen door enige seksuele daad.     

   "Iemand oefent verkeerd gedrag uit bij zintuiglijk genot; hij heeft geslachtsverkeer met vrouwen die onder de hoede staan van de moeder, van de vader, van de broer, van de zus of van verwanten, met vrouwen die een echtgenoot hebben, die door de wet beschermd zijn, en zelfs met vrouwen die verloofd zijn. – Een dergelijk lichamelijk gedrag veroorzaakt de toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich van verkeerd gedrag bij zintuiglijk genot, hij geeft het op; hij heeft geen geslachtsverkeer met vrouwen die onder de hoede staan van de moeder, van de vader, van de broer, van de zus of van verwanten, met vrouwen die een echtgenoot hebben, die door de wet beschermd zijn, en met vrouwen die verloofd zijn. – Een dergelijk lichamelijk gedrag veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114)
 
     Door de wet beschermd zijn personen die tot een religieuze orde behoren en personen die gevangen zijn. Tot deze laatsten behoren krijgsgevangenen, slaven, gegijzelden en onderhorigen.

   "Wie met vrouwen van verwanten of van vrienden echtbreuk pleegt, met geweld of met haar toestemming, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 123)

   "Men geeft seksueel wangedrag op en men ziet ervan af. Men heeft geen seksuele omgang met personen die onder bescherming staan van ouder(s), van broer, zuster, verwanten of van een religieuze orde. Men heeft geen omgang met degenen die een echtgenoot (-genote) hebben, die gevangen zijn of met degenen die verloofd zijn. Een dergelijk gedrag is heilzaam." (A.X.206 en M.41)

   "Door van verkeerd seksueel gedrag af te zien schenkt iemand onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

        Zich onthouden van verkeerd seksueel gedrag betekent niet dat de leek niet mag trouwen. Voor de leek is een huwelijk toegestaan.
   De Boeddha had niets tegen een huwelijk. Hij wees wel op de problemen en zorgen die bij de verantwoordelijkheden van een gehuwd leven horen. Hij zei niets over aantal kinderen per gezin, over voorbehoedmiddelen of over monogamie, polygamie of polyandrie. En hij stelde een mannelijke nakomeling niet boven een vrouwelijke (of omgekeerd).

   Het seksuele verlangen moet - net als iedere andere vorm van verlangen - beheerst en in goede banen geleid worden om schade voor zichzelf en anderen te vermijden. 
          De derde regel houdt in zelfbeheersing en vermijding van zinnelijke overdrijving.

   Bedroevend is het lot van degenen die seksueel verkeerd handelen. Zij bederven hun eigen geest en die van anderen. Maar zij die afzien van seksueel wangedrag, worden gezegend met een hart dat steeds vredig en sereen is. Zij zijn op weg naar hogere wegen van leven. Edele gedachten en vriendelijke daden gaan van hen uit, en ook zuivere taal. Zij zaaien het zaad van zeldzame deugden. Rijke vrucht zal het dragen.
 
   Vier voorwaarden zijn er volgens de Abhidhamma nodig om volledig te voldoen aan het kwaad van seksueel wangedrag: (1) de gedachte zich te vermaken; (2) daaropvolgende inspanning (moeite; poging); (3) de middelen om te bevredigen; (4) bevrediging.


(4) Niet liegen

       Wie liegt, is tot alle slechte daden in staat, ook tot doden. Het is het vermeende ego dat iets begeert en daarom de tong gebruikt als middel om het begeerde object te verkrijgen. Door de vierde regel op zich te nemen belooft de Boeddhist de activiteiten van de geest te controleren, tenminste wat betreft leugens.

        Alleen door de waarheid tot een deel van ons leven te maken, kunnen wij ooit komen tot een volledige aanvaarding en erkenning van de waarheid zelf. Door dagelijkse oefening maken wij ons gereed om de waarheid te zien.
       Iemand die steeds liegt, wordt niet geloofd, ook niet als hij eens de waarheid spreekt. Wanneer men afziet van liegen, wordt vertrouwen geschonken door medemensen. En dat vertrouwen is een kostbaar bezit in dit leven. Wie de waarheid spreekt, is vrij van angst en vrij van weifelen in vergaderingen. Hij is steeds moedig en vastberaden.

   "Iemand spreekt de onwaarheid, hij liegt. Wanneer hij voor de rechtbank moet verschijnen, of op een bijeenkomst of bij zijn familieleden, wanneer hij bij zijn gilde of de koninklijke familie als getuige is opgeroepen, en men vraagt hem wat hij weet, dan zegt hij dat hij iets weet hoewel hij het niet weet; hij zegt dat hij iets niet weet hoewel hij het weet. Hij zegt dat hij iets ziet hoewel hij het niet ziet; en hij zegt dat hij iets niet ziet hoewel hij het ziet. Heel bewust zegt hij de onwaarheid, tot eigen voordeel, tot voordeel van iemand anders of tot voordeel van de een of andere wereldlijke aangelegenheid. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft veroorzaakt toename van onheilzame toestanden en de afname van heilzame toestanden." (M.114)

   "Iemand onthoudt zich ervan de onwaarheid te spreken, hij liegt niet. Wanneer hij voor de rechtbank moet verschijnen, of op een bijeenkomst of bij zijn familieleden, bij zijn gilde of de koninklijke familie als getuige is opgeroepen, en men vraagt hem wat hij weet, dan zegt hij wat hij weet; hij zegt dat hij het niet weet wanneer hij het niet weet. Hij zegt wat hij heeft gezien en hij zegt dat hij iets niet heeft gezien wanneer hij het niet heeft gezien. Hij zegt niet bewust de onwaarheid, tot eigen voordeel, tot voordeel van iemand anders of tot voordeel van de een of andere wereldlijke aangelegenheid. - Deze soort van gedrag wat de taal betreft is heilzaam, veroorzaakt de afname van onheilzame toestanden en de toename van heilzame toestanden bij iemand die dat regelmatig doet." (M.114; A.X.206 en M.41).
 
       De leugenaar krijgt een ongelukkige bestemming na de dood. Hij wordt dwaas, dom, lelijk van uiterlijk. En hij verschijnt in staten waar hij de macht over zijn spraak verliest.
          Liegen leidt tot bederf van eigen geest en het veroorzaakt lijden aan anderen. Liegen en lasteren zijn vormen van bedriegen. Het stelen van iemands goede naam kan meer kwaad doen dan het stelen van zijn goederen.

   "De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   "Wie schulden maakt en na aanmaning dan loochent met de woorden: 'Ik ben je niets schuldig', ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 120)

   "Wie voor eigen heil, voor dat van anderen of omwille van geld valse getuigenis aflegt, wanneer hij als getuige gevraagd is, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 122)

   "Wie vol verblinding vertelt wat niet gebeurd is, omdat hij naar gering voordeel verlangt, ken hem als verschoppeling." (Sn.I.7 vers 131)

   "De waarheid is de zoetste smaak." (Sn.I.10 vers 182)

    "Door oprechtheid en waarheid krijgt men roem." (Sn.I.10 vers 187)

    
(5) Geen gebruik van alcoholische drank

   "De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en onderdrukking ten deel. Dat is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   Alcoholische drank en drugs zijn oorzaken voor losbandigheid en van geestelijk verval. Het Boeddhistische ideaal is: bevrijd te zijn van de wereld van frustratie en lijden. Dat kan bereikt worden door oprecht gedrag. Daarom moeten wij ons er goed van bewust zijn wát we zijn en wáár we zijn, wat we moeten doen en waarom. Bedwelmende drank en drugs moeten daarom vermeden worden, want zij vertroebelen de geest.

        Alcoholische drank verslapt de zelfbeheersing en geeft bovendien een gevoel van “beter te zijn” dan anders, hoewel men het er in werkelijkheid slechter vanaf brengt. Zoals een man in de jungle die zijn kapmes verkeerd gebruikte, en daardoor zijn kans verkleinde om er weer uit te komen, - hij gebruikte het mes niet om er planten en struiken mee weg te kappen maar om ermee op stenen te slaan, - zo is ook de mens die alcoholische drank en drugs gebruikt. Hij of zij verkleint de kans om in dit leven vooruit te komen, zo die kans al niet geheel en al vernietigd wordt.

        Het afzien van bedwelmende drank en drugs houdt de geest vrij van verwarring. Juist denken wordt dan niet vernietigd. Het gebruik van sterke drank vernietigt de zaden van het goede in de geest. Degene die alcoholische drank en drugs gebruikt, wordt angstig, verdwaasd, wreed.

    Mensen die steeds bedwelmd zijn door drank of drugs zijn beperkt in dit leven. Als zij als mens herboren worden, zullen zij dom zijn. Iemand die afziet van het gebruik van alcohol en van drugs, is in staat om geestelijke en morele zelfbeheersing uit te oefenen. 

   "Geen bedwelmende dranken of drugs tot zich te nemen is een hoge zegening." (Sn II.4 vers 264)

Nico
« Laatst bewerkt op: 03-05-2017 20:24 door nico70 »

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #3 Gepost op: 03-05-2017 11:45 »
6. Deugdzaamheid II

   "Wel-geoefend te zijn in discipline (in deugdzaamheid) is een zeer hoge zegening." (Sn II.4 vers 261)

   "Men moet  vier ondeugden in zijn gedrag uitroeien. Die vier ondeugden zijn: (1) het vernietigen van leven; doden; kwelzucht; (2) stelen; nemen wat niet is gegeven; (3) seksueel wangedrag; (4) liegen. 
   Doden, stelen, liegen en echtbreuk, deze vier ondeugden worden door de wijze niet geprezen." (D.31)
   
   De vijf regels zijn er allemaal op gericht de geest te bevrijden van het vermeende ego. Om geheel vrij te worden van die illusie moet een lange en moeizame weg afgelegd worden. Daarom moeten wij stap voor stap gaan, en wel over het edele achtvoudige pad.

   "Doden, stelen, ongeoorloofd seksueel gedrag, liegen, lasteren, ruwe taal, dwaas geklets, dat alles leidt, als het vaak wordt gedaan, tot wedergeboorte in de hel, of onder de dieren, of in de geestenwereld." (A.III.40)

   Wie de vijf regels van deugdzaamheid nakomt, zal in een hemelse sfeer komen. Of, indien men als mens herboren wordt, zal men een lang leven hebben, gezondheid en welvaart. Men is gezegend met een vredig hart en met schoonheid. Door anderen wordt men vertrouwd en men is vrij van angst; de geest is niet vertroebeld.
   Wel-geoefend te zijn in deugdzaamheid betekent ook dat men zijn plichten goed vervult.
   
        Ook als men geen meditatie beoefent, kan men deze zegeningen van deugdzaamheid, van het navolgen van de vijf regels verkrijgen. Om die regels altijd na te volgen is steeds waakzaamheid en oplettendheid nodig. De dagelijkse omstandigheden van de meeste leken laten een geregeld beoefenen van een van de soorten van meditatie niet gemakkelijk toe. Maar het navolgen van de vijf regels ligt in het bereik van ieder. De zegeningen ervan zijn veelvuldig. En dat is toch wel een beetje inspanning waard.
   

7. Vertrouwen in het Drievoudige Juweel

 
   “Vertrouwen is het kostbaarste bezit van de mens. (Sn.I.10 vers 182)
   “Door vertrouwen steekt men de stroom over." (Sn.I.10 vers 184)

   Wat is meesterschap in vertrouwen? - Men heeft vertrouwen in de Verlichting van de Volmaakte, aldus:

    ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.'      

   Ook heeft men vertrouwen in de leer, aldus:

   'Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

   En verder heeft men vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen, aldus:

   ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen2 – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.' (A.VIII.54)

    "Het nemen van de toevlucht tot de Boeddha, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken is een van de stromen van verdienste." (A.VIII.39)

   De formule van het Drievoudige Juweel kan dagelijks even herhaald worden. Het is een overwegen van de deugden van de Boeddha, van zijn leer en van de Orde.
 

8. Het is niet gemakkelijk de regels na te leven

   Eens waren er vijf leken-volgelingen in het Jetavana-klooster die elk slechts één van de vijf regels naleefden. En ieder van hen beweerde dat juist de regel die hijzelf navolgde, het moeilijkste was. Omdat zij het niet met elkaar eens konden worden, gingen zij naar de Boeddha en vertelden hem over hun verschillende opvattingen. De Verhevene vermaande hen met de woorden: “Jullie moeten niet een bepaalde regel als belangrijk of onbelangrijk beschouwen. Het naleven van de regels zal jullie naar heil en geluk voeren. Denkt niet lichtjes over een van de regels; geen ervan is gemakkelijk na te leven.”

       En verder sprak hij:

   “Alwie in deze wereld leven verwoest,
          leugens vertelt, neemt wat niet is gegeven,
          naar de vrouwen (resp. mannen) van anderen gaat,
          en verslaafd is aan alcoholische drank,
          zo iemand ondermijnt zijn (of haar) eigen toekomst.
          Weet dat euvele dingen niet gemakkelijk zijn op te geven.
          Past op dat begeerte en kwaad
          jullie niet voor lange tijd in ellende storten.”
          (Dhp. 246-248)
« Laatst bewerkt op: 03-05-2017 20:26 door nico70 »

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #4 Gepost op: 03-05-2017 20:19 »
9. De acht regels

       De acht regels van discipline zijn strenger dan de vijf regels en worden gewoonlijk opgenomen op speciale feestdagen (Uposatha). Deze zijn de dagen van de maan: volle en halve maan, eerste en laatste kwartier. Ook tijdens speciale termijnen van meditatie worden deze regels onderhouden, en wel dagelijks.

       De acht regels zijn:
1. Ik neem het vaste voornemen geen enkel levend wezen te doden en geen enkel levend wezen te kwellen.
2. Ik neem het vaste voornemen niet te stelen en niet te nemen wat niet is gegeven.
3. Ik neem het vaste voornemen af te zien van elke seksuele wilsactie in daad, woord en gedachte.
4. Ik neem het vaste voornemen juiste taal te gebruiken, dat wil zeggen: niet liegen, niet lasteren, niet kwaadspreken, geen ruwe, geen barse en geen boze taal, geen kletspraatjes, geen euvele woorden, geen onjuiste woorden, geen onware woorden, geen kleinerende woorden. Maar ik zal alleen woorden gebruiken die eenheid bevorderen, onschadelijke woorden, aangenaam voor het oor, vol liefde, hartverwarmend, hoffelijk, waard herinnerd te worden, tijdig, passend, ter zake, vriendelijk en verdraagzaam.
5. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alle bedwelmende dranken en drugs door welke onachtzaamheid veroorzaakt wordt.
6. Ik neem het vaste voornemen geen vast voedsel noch bepaalde drank te gebruiken op een onpassende tijd.
7. Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van dansen, zingen, muziek en onpassende shows; van het dragen van sieraden, het gebruik van parfums en crèmes; en van dingen die leiden tot het mooier maken van de persoon.
8. Ik neem het vaste voornemen geen hoge en luxueuze zitplaats en geen hoog en gerieflijk bed te gebruiken.

       De acht regels zijn een tijdelijke discipline van ontzegging. In de toespraak tot Visakha over de Uposatha zegt de Boeddha: “Een edele volgeling(e) neemt de acht regels op met de gedachte dat hij/zij op die manier een etmaal leeft zoals de heiligen (Arahants) hun hele leven doen, mededogend, zuiver en wijs.” (A.IV.255-258). Zo zijn de acht regels werkelijk een test in hoeverre men zichzelf kan beheersen. Men kan dan zien hoezeer heilzame staten van geest in iemands karakter heersen over onheilzame verlangens.
 
       De Boeddha zei dat het zeer goed is om de acht regels op speciale (feest)dagen na te volgen. Want dat is een hulp bij het denken aan de heiligen die zich steeds aan die regels houden. Ook verbetert het de geest. Door deze vrijwillige discipline op zich te nemen wordt de geest rein en zuiver en geconcentreerd.


10. De Uposatha-dagen

       Het woord Uposatha betekent in Boeddhistische zin: “binnengaan om te blijven” in een vihāra of klooster. Het gaan naar gewijde plaatsen was al lang vóór Boeddhistische tijden het gebruik van de Brahmanen die de Vedische rites en offerandes volbrachten. Die gewijde plaatsen lagen veraf van hun woonplaatsen. Zij zuiverden zich op de gewijde plaatsen door gedurende een etmaal een afgezonderd leven te leiden. Als de rites beëindigd waren, keerden zij weer terug naar hun gezinnen. De dagen waarop zij zich afzonderden, waren bepaald door de fasen van de maan.

       In de tijd van de Boeddha gebruikten verscheidene groepen van asceten en ronddolende lieden de traditionele volle en nieuwe maandagen om hun theorieën en praktijken te verkondigen. De Verhevene en zijn volgelingen hadden zulke praktijken niet. Maar eens zei koning Bimbisara van Magadha aan de Boeddha dat het goed was als de monniken elkaar ontmoetten op de dagen van de maan. De Verhevene stond daarop aan de monniken toe om bij elkaar te komen om te luisteren naar de recitatie van het Patimokkha (regels voor de monniken). Verder zaten zij dan in stilte samen. De mensen protesteerden hiertegen; zij wilden onderwezen worden in de leer. Daarop stond de Boeddha toe dat de monniken op die dagen de leer verkondigden.

       Vanaf die tijd tot heden worden de Uposatha-dagen door Boeddhisten in alle landen gevierd. De leken gaan op die dagen naar een klooster of naar een tempel en brengen er voedsel aan de monniken. Zij vragen de acht regels en verblijven er een hele dag en nacht. Zij worden er in de leer onderwezen, mediteren er of helpen de monniken met het werk.

       Als geen klooster of tempel in de buurt is, of als men weinig tijd heeft om zich vrij te maken, kan men op die dagen iets meer in de schrijnkamer vertoeven (als men zo'n kamer heeft). Daar kan men dan de acht regels reciteren en de een of andere toespraak van de Boeddha hardop of stil lezen.
       Ook kan men op die dag meer tijd besteden aan meditatie. Wanneer de acht regels gesteund worden door de kalme, sterke geest die voortkomt uit meditatie, kunnen die regels gemakkelijk(er) onderhouden worden.
 

11. De toespraak tot Visakha op de Uposatha
 
          Eens verbleef de Verhevene nabij Savatthi in het oostelijk gelegen klooster in het grote huis dat door Visakha, Migara’s moeder6 was geschonken. Toen kwam Visakha nader tot de Verhevene, maakte een diepe buiging en ging op een passende plaats zitten. Daarna sprak de Verhevene als volgt tot haar:

          “Visakha, wanneer de Uposatha is opgenomen met de acht praktijken ervan, wanneer men ze heeft aanvaard, dan is dat zeer vruchtbaar, brengt veel voordeel, is van een grote pracht, van grote draagwijdte. En hoe, Visakha, doet men dat? – Wel, Visakha, een edele volgeling overweegt aldus:


     ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

    Denkend aan de Volmaakte verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat, en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van Brahma onderhoudt, dat hij met Brahma vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van Brahma opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de leer:

   ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze voert naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

       Denkend aan de leer verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de leer onderhoudt, dat hij met de leer vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de leer opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de Orde:

   ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen8 – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

   Denkend aan de Ariyasangha verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de Ariyasangha onderhoudt, dat hij met de Ariyasangha vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de Ariyasangha opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan eigen deugdzaamheid, die ongebroken is, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed, die geestelijke concentratie bevordert.
   Denkend aan eigen deugdzaamheid verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van deugdzaamheid onderhoudt, dat hij met deugdzaamheid vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van deugdzaamheid opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   De edele volgeling denkt aan de goden: 'Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook in mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook in mij aanwezig.'
   Bij de herinnering aan deze eigenschappen van zichzelf en van die goden verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
   Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de godheden onderhoudt, dat hij met de godheden vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de godheden opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.

   Zo komt door de juiste procedure de zuivering van de bevlekte geest tot stand.

   Verder overweegt die edele volgeling aldus: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het doden van levende wezens opgegeven, zien zij af van het doden van levende wezens. Zij hebben hun stokken (om te straffen) en hun wapens afgelegd. Zij zijn plichtsgetrouw, tonen medegevoel en zijn medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het doden van levende wezens opgeven, zal van het doden van levende wezens afzien. Ik ben dan iemand die zijn stok en zijn wapen heeft afgelegd, ben plichtsgetrouw, toon medegevoel en ben medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   Verder overweegt hij: ’Hun hele leven lang hebben de Arahants opgegeven te nemen wat niet is gegeven. Zij zien af van het nemen wat niet is gegeven. Zij nemen alleen wat is gegeven, wachten alleen op wat is gegeven. Zo vertoeven zij met zuiver hart. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het nemen wat niet is gegeven, opgeven. Het gegevene wacht ik af, niet als een dief gezind. Zo vertoef ik met zuiver hart. In deze eigenschap volg ik de Arahants  na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants onkuis gedrag opgegeven. Zij hebben een kuis gedrag. Zij leven afzijdig, zien af van seks die de gewone weg is van de samenleving. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, onkuis gedrag opgeven. Kuis en afzijdig levend zie af van seks die de gewone weg is van de samenleving. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants de leugen, zij houden zich verre van verkeerde taal. Zij spreken de waarheid, zij zijn met de waarheid verbonden, oprecht, vertrouwen waard, zij zijn geen bedriegers van de wereld. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, leugens vermijden, ik houd me verre van onware taal. Ik zal de waarheid spreken, met de waarheid ben ik verbonden, oprecht, vertrouwen waard, geen bedrieger van de wereld. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het genot van gedistilleerde en alcoholische drank opgegeven die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Zij houden zich verre ervan. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het genot van gedistilleerde en alcoholische drank opgeven die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Ik houd me verre ervan. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang gebruiken de Arahants slechts één maaltijd per dag. 's Nachts blijven zij nuchter. Zij zien af van eten buiten de [daarvoor bestemde] tijd.  En ook ik zal vandaag, deze dag en nacht, slechts één maaltijd gebruiken, blijf 's nachts nuchter, onthoudt me ervan te eten buiten de tijd. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang zien de Arahants af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Zij zien af van het dragen van sieraden, zien af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het zich mooi maken met cosmetica. En ook ik zie vandaag, deze dag en nacht, af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Ik zie af van het dragen van sieraden, zie af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het mij mooi maken met cosmetica. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'
 
   De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants hoge en brede bedden, houden zich verre van hoge en brede bedden. Zij maken gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. En ook ik geef vandaag hoge en brede bedden op, zie af van een hoog en breed bed. Ik maak gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.'

   Visakha, zo is de Uposatha, de heilige vastendag. En wanneer men op die manier de vastendag van de heiligen doorbrengt, brengt dat hoog loon, hoge zegen. Ze is machtig aan waardigheid en grootheid.

   In welke mate echter brengt die dag hoge zegen en hoog loon, en hoe is die machtig aan waardigheid en grootheid? 
   Visakha, juist alsof men macht, heerschappij en koningschap had over zestien grote landen waarin de zeven schatten overvloedig aanwezig zijn, toch is het niet een zestiende deel waard van de Uposatha opgenomen met de acht praktijken ervan. - En om welke reden? - Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.

   Wat bij de mensen 50 jaren zijn, dat is bij de goden van de Vier Grote Koningen een etmaal. Dertig van zulke etmalen vormen een maand, twaalf van zulke maanden vormen een jaar en 500 van zulke jaren is de levensspanne van die goden. (9 miljoen menselijke jaren).
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in de gemeenschap van de goden van de Vier grote Koningen. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 100 jaren is, is een etmaal bij de godheden van de Drieëndertig. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 1000 van die hemelse jaren. (36 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de godheden van de Drieëndertig. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 200 jaren is, is een etmaal bij de Yama-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 2000 van die hemelse jaren. (144 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Yama-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 400 jaren is, is een etmaal bij de Tusita-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 4000 van die hemelse jaren. (576 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Tusita-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd : ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 800 jaren is, is een etmaal bij de Nimmanarati-godheden, de godheden die graag scheppen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 8000 van die hemelse jaren. (2304 miljoen menselijke jaren)
   Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de  Nimmanarati-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   Datgene wat bij de mensen 1600 jaren is, is een etmaal bij de Paranimmitavasavatti-godheden, de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 16000 van die hemelse jaren. (9216 miljoen menselijke jaren)
   Nu is het mogelijk dat een man of een vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Paranimmitavasavatti-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’

   "Dood geen leven, noch neem wat niet is gegeven;
   spreek geen leugen, en drink geen bedwelmende drank;
   zie af van seks en van onkuis gedrag;
   eet in de avond en nacht geen ‘buitentijds’ voedsel;
   vermijdt bloemen en ook welriekend parfum,
   en maak als je bed een mat op de grond:
   dit geldt als het achtvoudige gebod op de vastendag,
   onderwezen door de Boeddha
   die het einde van lijden heeft bereikt.

   De zon en de maan zijn beide mooi om te zien.
   Zij blijven in hun baan en stralen ver,   
   verdrijven de duisternis, gaan door de luchten,
   en schitteren aan de hemel, alles verlichtend.

   Alle schatten in hun lichtcirkel:
   parels, juwelen, goud en turkoois,
   gouden korrels en goud uit de diepten van de bergen,
   geelkleurig goud en nog ander goud;
   waarlijk, dat alles is geen zestiende waard
   van de achtdelige Uposatha,
   zoals in het heldere licht van de maan
   de sterren zullen verbleken.
   Of man of vrouw, wie deugdzaam
   de achtdelige vastendag houdt
   en zegenrijke, goede werken verricht,
   die gaat zonder blaam naar de hemelse wereld.”
   (A.III.71)

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #5 Gepost op: 04-05-2017 03:41 »
12. Oorzaken voor achteruitgang en voor vooruitgang

   Behalve de regels van deugdzaamheid heeft de Boeddha nog meer aanwijzingen voor de leek gegeven waardoor zowel in de wereld als op religieus gebied vooruitgang gemaakt kan worden.

     “Wie wijs is en deugdzaam,
          vriendelijk en scherpzinnig,
          nederig en handelbaar,
          zo iemand kan eer behalen. (D.31)
             
          Wie energiek is en niet lui,
          onverstoorbaar in tegenspoed,
          onberispelijk in gedrag en intelligent,
          zo iemand kan eer behalen.  (D.31)
             
          Wie gastvrij is en vriendelijk,
          vrijgevig en onzelfzuchtig,
          een gids, een leraar, een leider,
          zo iemand kan eer behalen.
 
          Edelmoedigheid, aangename taal,
          behulpzaamheid ten opzichte van anderen,
          onpartijdigheid voor allen
          zoals de zaak verlangt.  (D.31)
       
          Deze vier innemende manieren om vooruit te komen
          Houden de wereld in beweging,
          zoals de as in een bewegende kar.
          Indien deze vier manieren niet in de wereld bestaan,
          dan zullen noch moeder noch vader
          respect en achting van hun kinderen krijgen.  (D.31)
       
          Omdat deze vier innemende manieren
          door de wijzen in elk opzicht gewaardeerd worden,
          bereiken zij verhevenheid
          en worden zij terecht geprezen.” (D.31)


13. Niet met dwazen om te gaan

 
   “Niet met dwazen om te gaan, maar omgang te hebben met de wijzen is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

       Met dwaas wordt bedoeld degene die onwijs handelt, die niet in overeenstemming met de leer handelt. De dwaas is degene die immoreel handelt, d.w.z. onzuiver in gedachten, in woorden en in daden.
       Niet met dwazen om te gaan betekent niet op de eerste plaats geen omgang met domme en onbeschaafde mensen, maar betekent vooral geen omgang met lieden die slecht zijn in gedachten, woorden en daden. Men moet dwaze lieden niet navolgen of hen als maatstaf nemen voor persoonlijk gedrag. Maar men moet de wijze navolgen. In overeenstemming met wie men omgaat, neemt men in goede eigenschappen toe of af. Wie met pek omgaat, wordt ermee besmet!

       In de leerreden (suttas) wordt gewaarschuwd tegen gezelschap van slechte mensen. Vanwege slecht gezelschap luistert men naar slecht advies. Vanwege slecht advies houden slechte gedachten de geest bezig. Vanwege zulke overwegingen is er meer geestelijke verwarring en zijn de zintuigen onbeheerst. Als resultaat daarvan zijn de handelingen in woord en daad onjuist en de vijf hindernissen (vurig verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en overbezorgdheid, en twijfel) worden sterker omdat zij vasthouden aan zinnelijke begeertes. En het resultaat is lijden.
 
   “De geest is de voorloper van alle slechte staten van bestaan. De geest is het voornaamste. Uit de geest ontstaan de slechte staten van bestaan. Als men spreekt of handelt met slechte geest, volgt daardoor lijden.” (Dhp.1).
 
       “Lang is de nacht voor degene die wakker is. Lang is de kilometer voor de vermoeide. Lang is samsāra voor de dwaas die de verheven waarheid niet kent.” (Dhp.60).
 
       “Ik heb zonen en rijkdom,” zo denkt de dwaas bezorgd. Maar hij behoort zichzelf niet eens toe. Hoe zit het dan met zonen en rijkdom?” (Dhp.62).
 
       “Al gaat een dwaas ook zijn hele leven om met een wijze, hij begrijpt niet meer van de leer dan een lepel proeft van de smaak van de soep.” (Dhp.64).
 
       “Een dwaas kan maand na maand slechts zoveel voedsel tot zich nemen als een mespuntje, toch is hij niet het minste deel waard van degene die de waarheid heeft begrepen.” (Dhp.70).
    
          “De dwaas verlangt naar onbetamelijke faam, voorrang, gezag en eerbetoon. Hij gaat prat op zijn eigen daden. Hierdoor nemen zijn verlangens en zijn hoogmoed toe.” (Dhp.73-74).
 
          “De dwaas die weet dat hij een dwaas is, is om die reden een wijs man. De dwaas die denkt dat hij wijs is, wordt waarlijk een dwaas genoemd.”(Dhp.63).
 
       “Als iemand geen metgezel ontmoet die beter of gelijk is, laat hij (of zij) dan vastbesloten alleen verder gaan. Er is geen kameraadschap met de dwaze.” (Dhp.61).

   De wezens komen samen overeenkomstig hun elementen; wezens met lage neigingen komen samen met wezens met lage neigingen; ongelovigen komen samen met ongelovigen; gewetenlozen komen samen met gewetenlozen; niet fijngevoeligen komen samen met niet fijngevoeligen; niet onderwezenen komen samen met niet onderwezenen; tragen komen samen met tragen; verstrooiden komen samen met verstrooiden; onzedelijken komen samen met onzedelijken; onbezonnenen komen samen met onbezonnenen; wezens die de vijf regels niet navolgen komen samen met wezens die de vijf regels niet navolgen; zij die lasteren komen samen met hen die lasteren; zij die ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die ruwe taal gebruiken; zij die kletspraatjes verkondigen komen samen met degenen die kletsen; gierigen komen samen met gierigen; boosaardigen komen samen met boosaardigen; degenen die verkeerde visies hebben komen samen met wezens die verkeerde visies hebben; zij die verkeerd willen hebben komen samen met degenen die verkeerd willen hebben; zij die verkeerde daden verrichten komen samen met degenen die verkeerde daden verrichten; zij die een verkeerd levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een verkeerd levensonderhoud hebben; zij die zich op een verkeerde manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een verkeerde manier moeite doen; zij die zich verkeerd bezinnen komen samen met degenen die zich verkeerd bezinnen; zij die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een verkeerde geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een verkeerd weten hebben komen samen met degenen die een verkeerd weten hebben; zij die een verkeerde bevrijding hebben komen samen met degenen die een verkeerde bevrijding hebben; onwijzen komen samen met onwijzen. (S.XIV.16-29)


14. Omgang met de wijzen


   “Niet met dwazen om te gaan, maar omgang te hebben met de wijzen. dit is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

       Men moet degenen navolgen die wijs zijn, geleerd, ervaren. En ook moet men diegenen navolgen die in staat zijn om advies te geven dat praktisch en heilzaam is. Door omgang met wijze mensen gaat men zelf ook juist denken.
       Het gevolg van gezelschap met de wijze is: luisteren naar goede raad, redelijk vertrouwen, edele gedachten, helder denken, zelfbeheersing, goed gedrag, overwinning van de hindernissen, het verkrijgen van wijsheid. En het gevolg daarvan is de bevrijding.
 
       “De geest is de voorloper van alle goede sferen van bestaan. De geest is het voornaamste. Uit de geest zijn zij geschapen. Als men spreekt of handelt met zuivere geest, volgt daardoor geluk.” (Dhp.2)
 
       “Als men een wijs mens ontmoet die op iemands fouten wijst en ze verbetert, laat men dan met zo’n wijze omgaan; het is beter en niet slechter voor degene die met hem (of haar) omgaat.” (Dhp.76)
 
       “Ga niet met slechte makkers om; heb geen omgang met gemene mensen. Maar ga om met goede makkers; heb omgang met edele mensen.” (Dhp.78)
 
       “Als je een verstandige metgezel(lin) hebt die geschikt is om met je te leven, die zich goed gedraagt en die wijs is, dan moet je vol vreugde en oplettendheid met hem (of haar) leven, alle gevaren te boven komend.” (Dhp.328)

   Wat is edele omgang? - In het dorp of in de stad waar de edele zoon woont, wat daar aan gezinshoofden of hun zonen, jong en met een rijp karakter of oud en met een rijp karakter, aan wie vertrouwen, deugdzaamheid, vrijgevigheid en wijsheid eigen is, met zulke personen heeft hij omgang, onderhoudt zich met hen, voert gesprekken met hen. En degene die dusdanig vol vertrouwen is, wordt door hem in vertrouwen nagestreefd, degene die dusdanig deugdzaam is wordt door hem in deugdzaamheid nagestreefd, degene die dusdanig vrijgevig is wordt door hem in vrijgevigheid nagestreefd, degene die dusdanig wijs is wordt door hem in wijsheid nagestreefd. Dat noemt men edele omgang. (A.VIII.54)

   Wezens met voortreffelijke neigingen komen samen met wezens die voortreffelijke neigingen hebben; gelovigen komen samen met gelovigen; nauwgezette wezens komen samen met nauwgezette wezens; fijngevoeligen komen samen met fijngevoeligen; goed onderwezenen komen samen met goed onderwezenen; energieke wezens komen samen met energieke wezens; geestelijk geconcentreerden komen samen met geestelijk geconcentreerden; zedelijken komen samen met zedelijken; bezonnenen komen samen met bezonnenen; wezens die de vijf regels navolgen komen samen met wezens die de vijf regels navolgen; zij die niet lasteren komen samen met hen die niet lasteren; zij die geen ruwe taal gebruiken komen samen met degenen die geen ruwe taal gebruiken; zij die niet kletsen komen samen met degenen die zich onthouden van kletsen; niet gierigen komen samen met niet gierigen; niet boosaardigen komen samen met niet boosaardigen; degenen die juiste visies hebben komen samen met wezens die juiste visies hebben; zij die juist willen hebben komen samen met degenen die juist willen hebben; zij die goede daden verrichten komen samen met degenen die goede daden verrichten; zij die een juist levensonderhoud hebben komen samen met degenen die een juist levensonderhoud hebben; zij die zich op een juiste manier moeite doen komen samen met degenen die zich op een juiste manier moeite doen; zij die zich juist bezinnen komen samen met degenen die zich juist bezinnen; zij die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen komen samen met degenen die een juiste geestelijke concentratie uitoefenen; zij die een juist weten hebben komen samen met degenen die een juist weten hebben; zij die een juiste bevrijding hebben komen samen met degenen die een juiste bevrijding hebben; wijzen komen samen met wijzen. (S.XIV.16-29)
 
« Laatst bewerkt op: 04-05-2017 18:47 door nico70 »

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #6 Gepost op: 04-05-2017 18:44 »
15. Te eren wie eer waard is

   “Diegenen te eren die eer waard zijn, dat is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 259)

          Eer waard zijn allereerst: de Boeddha, heilige personen, ouders, leraren (tot hen behoren ook monniken). Zij allen zijn een grote hulp voor ons in het leven.
          Als men geen eer wil bewijzen, dan lijdt men aan hoogmoed en acht men zichzelf te hoog. Die hoogmoed voert alleen maar van kwaad tot erger. En hoogmoed ontstaat door niets anders dan door verkeerde meningen.
          Eerbiedwaardige personen zijn in staat om meer te leren. Want zij zien in dat anderen meer weten dan zij. Zo bezitten zij een van de factoren die nodig zijn voor vooruitgang zowel in de wereld als op het pad van de leer. Het in praktijk brengen van het geven van eer aan de eerbiedwaardige is de basis van nederigheid.
 
          Niet alleen personen die de eigen religie aanhangen, zijn eer waard. Ook mensen van een andere geloofsovertuiging kunnen eer waard zijn. De grote Boeddhistische keizer Asoka van India (3e eeuw v.C.) verklaarde: “Men moet niet alleen zijn eigen religie eren; maar men moet ook de religie van anderen om deze of gene reden eren. Door zo te handelen helpt men de eigen religie groeien en verleent men ook dienst aan de religie van anderen. Door anders te handelen graaft men het graf van de eigen religie en schaadt men ook de andere religies. Wie zijn eigen religie eert en andere religies veroordeelt, handelt aldus uit toewijding aan zijn eigen religie. Maar daardoor wordt de eigen religie meer onrecht aangedaan. Contact tussen de religies is daarom goed. Laten allen luisteren en bereid zijn te luisteren naar de leerstellingen die door anderen verkondigd zijn.” (Rock Edict 12).

       Een man of vrouw is verstokt en hoogmoedig; men brengt geen eer aan wie eer betoond moet worden, men staat niet op voor wie men moet opstaan, men geeft geen zitplaats aan wie een zitplaats aangeboden moet worden, men gaat niet opzij voor wie men opzij moet gaan, men aanbidt niet degene die aanbeden moet worden, men toont geen respect en geen hoogachting jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten. Ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een staat van ellende. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van lage afkomst. Dit is de weg die voert naar lage afkomst, namelijk verstoktheid en hoogmoed. (M.135).
 
      Maar wie niet verstokt en niet hoogmoedig is; wanneer men eer brengt aan wie eer betoond moet worden; wanneer men opstaat voor wie men moet opstaan; wanneer men een zitplaats geeft aan wie een zitplaats aangeboden moet worden; wanneer men opzij gaat voor wie men opzij moet gaan; wanneer men degene aanbidt die aanbeden moet worden; wanneer men respect en hoogachting toont jegens degenen die men moet respecteren en hoogachten, ten gevolge van zulke wilsacties verschijnt die persoon na de dood in een gelukkige bestemming, in een hemelse wereld. En indien hij of zij na de dood in de menselijke staat geboren wordt, dan is die persoon van hoge afkomst. Dit is de weg die voert naar hoge afkomst, namelijk niet verstokt en niet hoogmoedig zijn. (M.135)
    
   Wie zijn moeder of vader, broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling. (Sn.I.7 vers 125)
 
          De Boeddha zei dat vier eigenschappen toenemen door eerbied ten opzichte van degenen die meer en ouder zijn dan wij. Die vier eigenschappen zijn: een lang leven, schoonheid, geluk en sterkte.
 

15.1. Respect voor ouderen: De fabel van de wijze patrijs
   
          Over respect voor ouderen is er een mooie fabel. Lang geleden, toen de dieren nog met elkaar in hun eigen taal spraken, waren er eens drie vrienden: een patrijs, een aap en een olifant. Zij woonden dicht bij elkaar en ontmoetten elkaar bijna dagelijks in de schaduw van een grote Banyanboom. Zij twistten of vochten niet met elkaar, maar er was ook geen gehoorzaamheid of respect voor elkaar.
        Na verloop van tijd dacht elk van hen dat het niet juist was om op zo’n manier te leven. Zij zagen in dat zij de oudste van hen moesten respecteren en gehoorzamen. Maar zij wisten niet hoe oud ieder was. Op zekere dag zaten allen bijeen in de schaduw van de oude Banyan-boom. En er ontstond een idee. De patrijs en de aap vroegen aan de olifant hoe lang hij de grote Banyanboom al kende. “Toen ik nog een baby was,” antwoordde de olifant, “was die boom nog klein. Ik kon eroverheen lopen; de top ervan kwam juist tot aan mijn buik. Ik ken die boom vanaf de tijd dat hij een jonge plant was.”
          Hierna werd dezelfde vraag gesteld aan de aap. Zijn antwoord was: “Vrienden, toen ik nog klein was, zat ik op de grond en kon de uiterste scheuten van deze boom eten, zonder mij uit te strekken. Ik ken deze Banyanboom al vanaf de tijd dat hij nog een klein plantje was.”
          Vervolgens werd aan de wijze patrijs dezelfde vraag gesteld als aan beide anderen. Zijn antwoord luidde: “Vrienden, heel lang geleden was er een grote Banyanboom op een plek niet ver van deze plaats vandaan. Ik weet nog dat ik een vrucht van die boom at en het zaad ervan op deze plek liet vallen. Uit dat zaad is deze Banyanboom hier ontsproten en gegroeid. Mijn kennis van deze boom gaat dus terug tot vóór de tijd dat hij hier ontsproot. Ik ben daarom ouder dan jullie twee.”
          De aap en de olifant zeiden daarop aan de wijze patrijs: “Vriend, er bestaat geen twijfel dat jij de oudste bent. Van nu af aan word jij door ons gerespecteerd en betuigen wij onze hoogachting. Ook luisteren wij steeds naar je raad. En wij vertrouwen erop dat jij ons advies geeft als dat nodig is.”
          Vanaf die tijd gaf de wijze patrijs goede raad wanneer dat nodig was. En hij liet de anderen de regels van deugdzaamheid navolgen, zoals hij zelf ook deed. Zo leefden zij in vrede en vriendschap tot aan hun levenseinde. En na de dood werden zij wedergeboren in de hemelse sfeer.
 

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Richtlijnen en adviezen voor leken
« Reactie #7 Gepost op: 04-05-2017 22:03 »
16. Op een gunstige plaats te vertoeven

   “Op een gunstige plaats te vertoeven is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)
     
          Om prettig te leven moet de verblijfplaats comfortabel zijn, met een veilige constructie, netjes en zuiver van voorkomen, goed onderhouden. Het is nuttig als ze in een goede buurt is en bewoond wordt door aangename mensen.
   Een gunstige plaats betekent elke plaats waar de leer als een levend principe bestaat.

          Als de verblijfplaats niet leidt tot lichamelijk, moreel en geestelijk welzijn, dan is dat juist het tegenovergestelde van wat bedoeld wordt met een gunstige, passende omgeving.


17. In het verleden heilzame daden te hebben verricht

   In het verleden heilzame daden te hebben verricht is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)
   
          Volgens de Boeddha is het begin van de kringloop van geboorte en dood onvoorstelbaar. Want wezens zijn verblind door onwetendheid. Zij worden door hun verlangens voortgedreven om steeds meer wilsacties te verrichten.
          Daden worden uitgevoerd met het lichaam, met woorden of in de geest. Wanneer wil, intentie of opzet gemoeid is bij het verrichten van de daad, dan heet zo’n daad wilsactie (kamma). Als er geen wilsactie bij betrokken is, komen er geen morele resultaten of vruchten van. Tijdens ons leven blijven wij wilsacties verrichten en de resultaten ervan (kamma-vipaka) ondervinden.
          Bij de dood is de voortzetting van de mogelijke resultaten van wilsacties in de stroom van de geest het enige werkelijke spoor van het individu; het lichaam is dan ontbonden. De geest sluit in: gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties (zoals gedachten, fantasieën, ideeën) en bewustzijn. De enige manier nu waarop deze geestelijke voortzetting van eventuele resultaten van wilsacties vruchten kan dragen, is door wedergeboorte.
          In het algemeen hangt de plaats van wedergeboorte af van de kwaliteit van de vroegere wilsacties die klaar zijn om vruchten te dragen. Speciaal is ze afhankelijk van de laatste gedachte in de geest van de stervende persoon. In het nieuwe bestaan zal het individu de resultaten ondervinden van meerdere wilsacties uit het verleden. Indien hij of zij als mens geboren is, verricht hij of zij opnieuw wilsacties. En de resultaten daarvan hopen zich weer op bij de rest van de eventuele resultaten. Op het einde van die nieuwe levensspanne blijft van het individu weer zijn of haar geestelijke voortzetting over. Die geestelijke voortzetting bevat dan de mogelijke resultaten van zijn of haar wilsacties. En daardoor wederom wordt de volgende bestaansvorm vastgesteld.
 
          Het menselijke leven is door de Boeddha beschouwd als in elk opzicht het beste geschikt om naar het hoogste heil te streven. Want alleen in de mens bestaat de wilskracht in zo’n hoge mate, met een onbeperkte mogelijkheid, dat het hogere ontwikkeld kan worden, en wel door zelfdiscipline (deugdzaamheid) en meditatie.
          Bij het vormen van het gedrag van iemand zijn milieu en omgeving van belang. Dat ontkent het Boeddhisme niet. Maar de leer van de Boeddha schrijft het gedrag van iemand niet enkel en alleen toe aan een serie reacties op uiterlijke prikkels of op onbewuste dingen. En het karakter van iemand is ook niet alleen bepaald door sociale en economische factoren. De kring van wedergeboorte bestaat niet alleen buiten ons maar ook en vooral in onszelf. Wij scheppen die kring van wedergeboorte van moment tot moment door onze verlangens.
          “Wat voor wilsacties iemand ook doet, goede of slechte, hij is er de erfgenaam van,” zei de Boeddha.
          Indien wij andere wezens kwellen, kan het zijn dat wij als resultaat ervan ziek worden. Als wij gauw boos worden, zullen wij lelijk worden. Van goede daden erft men schoonheid, gezondheid, rijkdom, goede afkomst enz. Er is geen betere erfenis dan het resultaat van goede wilsacties.
 

18. Zichzelf in de juiste richting te zetten

   “Zichzelf in de juiste richting te zetten (naar het hogere te streven) is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 260)

          Zichzelf in de juiste richting zetten betekent: de juiste intentie nemen om immoreel gedrag, niet-vertrouwen en egoïsme op te geven; en om dat te vervangen door moreel goed gedrag, vertrouwen en edelmoedigheid.

   Zichzelf in de juiste richting te zetten doet men als volgt: Men spant zich in om onheilzame dingen te overwinnen en om heilzame dingen te verkrijgen. Men volhardt sterk en standvastig. Men geeft bij heilzame dingen de opgave niet op. Men spant zich in om niet ontstane, slechte, onheilzame dingen niet te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane slechte onheilzame dingen te overwinnen. Men spant zich in om niet ontstane heilzame dingen te laten ontstaan. Men spant zich in om ontstane heilzame dingen te vestigen, verder te ontwikkelen, te ontplooien en tot rijpheid te laten komen. (S.48.10)

   Door inspanning overwint men het leed. (Sn.I.10 vers 184) En oprecht van gedrag te zijn is een zeer hoge zegening.” (Sn II.4 vers 263)

          Geestelijke vooruitgang is alleen mogelijk waar vrijheid is van denken. Dit laatste voert naar geestelijke kracht en vooruitgang. Dogma’s leiden naar stagnatie.


19. Wat wel en wat niet gedaan moet worden
    
   Wat wel en wat niet gedaan moet worden, heeft de Boeddha in meerdere leerreden uitgelegd.

    “Er zijn succesvolle dingen in het leven. Zij worden veroorzaakt door heilzaam willen dat geluk brengt. Dit betekent het naleven van de tien soorten goede daden. Die tien soorten heilzame wilsacties kunnen als volgt onderverdeeld worden: a) Drie lichamelijke acties: niet doden, niet stelen, geen ongeoorloofd seksueel gedrag. b) Vier mondelinge (of schriftelijke) acties: niet liegen en geen valse getuigenis, niet lasteren en niet kwaadspreken en geen onenigheid veroorzaken, geen ruwe taal, niet roddelen en geen kletspraat; m.a.w. oprecht, passend, mild en wijs taalgebruik. c) Drie geestelijke acties: niet hebzuchtig zijn; geen kwaadwil in het hart; juist inzicht en juiste denkbeelden. (A.X.206 en M.41).

   "Lichamelijk gedrag en gedrag wat de taal betreft en gedrag wat de geest betreft – die soorten gedrag zijn van tweevoudige aard, namelijk wat wel en wat niet gedaan moet worden. (M.114)

   Een dergelijk lichamelijk gedrag dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen, moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk lichamelijk gedrag dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet wel uitgeoefend worden. (M.114)

    „Een dergelijk gedrag wat de taal betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen  moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk gedrag wat de taal betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet uitgeoefend worden. (M.114)

   Een dergelijk gedrag wat de geest betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden toenemen en heilzame toestanden afnemen, moet niet uitgeoefend worden.
   Maar een dergelijk gedrag wat de geest betreft dat erdoor bij iemand die zich regelmatig zo gedraagt, onheilzame toestanden afnemen en heilzame toestanden toenemen, moet uitgeoefend worden. (M.114)

   Uit wat dierbaar is ontstaan ruzie en tweedracht, het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht, de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat. Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht, en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat. (Sn. IV.11 vers 863)
   
   Uit het verlangen stamt wat dierbaar is in de wereld, en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn. Daaruit ontstaan wens en de vervullng, die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn. (Sn. IV.11 vers 865)

   Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst", daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan. Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen, dan vormt de mens zich oordelen. (Sn.IV.11 vers 867)

   De woede, leugens en twijfel, ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.[9]
   Degene die twijfelt moet voortgaan op het pad van weten.
   Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.[10] (Sn. IV.11 vers 868)

[9  Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.
[10] De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.


« Laatst bewerkt op: 26-03-2018 00:03 door nico70+ »