Auteur Topic: Re: De Sangha  (gelezen 174 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: De Sangha
« Gepost op: 28-05-2017 21:10 »
8. Monniken en leken
 
      De Boeddha preekte eerst tot twee kooplieden en daarna tot de vijf asceten. Tot onderhoud en steun van asceten traden toen vooral kooplieden op. De asceten hadden geringe behoeften en waren niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Daarom was zo'n steun wel nodig.
      In het vroege Boeddhisme werden monniken vaak uitgenodigd door kooplieden. Gewoonlijk reisden die rond in karavanen of met schepen. Hun reizen duurden soms langer dan een jaar. Als tegenprestatie voor de steun van de kooplieden werden zij tot op zekere hoogte door de monniken in de leer onderwezen. Als een koopman vertrouwen had in de leer van de Boeddha, ging hij voor hij verder ging, naar de monnik die hem onderwezen had en gaf het hele klooster een maaltijd. Hij zal zeker de zegeningen voor zijn reis hebben gevraagd.[89]
      Soms werden monniken ook uitgenodigd door koningen. Vaak werden koningen en hun hofhouding snel devote Boeddhisten.[90]
      Het aantal volgelingen nam snel toe. Sommigen werden monnik; anderen werden leken-volgelingen. De leken volgden de vijf regels en zij voorzagen de monniken van verblijfplaats, voedsel, kleding en medicamenten. De belangrijkste deugd voor leken was vrijgevigheid (dāna) ten gunste van monniken. Zij konden zich daarmee verdiensten verwerven.[91] Theoretisch was de leer en de navolging ervan ook voor leken mogelijk. Maar in de praktijk bleef dit de monniken voorbehouden. De leken kregen van de monniken onderricht in de leer van de Boeddha. Zij werden aangespoord een leven volgens de vijf regels te voeren.[92] Soms werd de weg naar de hemel onderwezen. Dat is de plicht van monniken. Voor leken werd de hele leer en de weg naar Nibbāna toen te moeilijk uitvoerbaar gevonden.[93]

      Voor de leek zijn vijf punten van belang:
1. Vertrouwen (saddhā), en wel in de leer van de Boeddha.
2. Zedelijk gedrag (sīla): de vijf regels van goed gedrag. Verder zijn voor een leek acht punten van belang wat betreft de omgang met monniken: Hij mag een monnik niet hinderen bij het rondgaan voor aalmoezen. Hij mag een monnik niet tot kwaad brengen. Hij mag een monnik niet hinderen bij het nemen van logies. Hij mag een monnik niet beledigen. Hij mag een monnik niet tot ruzie aanzetten. Hij mag niet over de Boeddha, Dhamma of Sangha kwaad spreken.
3. Offerbereidwilligheid (cāga). Hieronder verstaat men elke soort van steun aan de Orde.
4. Geleerdheid (suta).
5. Inzicht, wijsheid (paññā).
      De punten 4 en 5 werden in zeer geringe mate verlangd. Waarschijnlijk konden veel monniken de leer alleen maar oppervlakkig uitleggen.[94] De leer mocht niet door een leek gepreekt worden.[95] Leken die de monniken over de leer konden onderwijzen, waren niet gewenst.
 
      Zoals boven vermeld, werden de monniken door leken voorzien van verblijfplaats, voedsel, kleding en medicamenten.

 
Verblijfplaats

      Als slaapplaats worden in het begin van het Boeddhisme plaatsen in de open lucht genoemd, maar ook hutten van bladeren, grotten e.d.  Kloosters komen later.[96]
 
Voedsel


      ’s Morgens gingen de monniken op weg om hun voedsel te halen (bedelen) bij de leken. Bij het ontvangen van de aalmoezen moesten zij hun ogen op de nap richten en een bescheiden houding aannemen. Na het verzamelen van de aalmoezen werd het maal onder alle monniken verdeeld en nog vóór de middag opgegeten. Uitzondering hierop is als een monnik bij een leek uitgenodigd is.[97]
      Het was niet geoorloofd voedsel tot zich te nemen tussen 12:00 u. en de volgende morgen.
      Het overgebleven eten werd weggeschonken of achtergelaten. Want het was niet toegestaan om voorraden aan te leggen.
      Het eten van vlees en vis is toegestaan als men niet direct voor de dood van het betreffende dier verantwoordelijk is.[98]
 
Kleding

      De kleding van de monniken bestaat uit drie kledingstukken (tri cīvara): Het antaravāsaka, een doek die om de lendenen en dij wordt gewonden, ook het binnen- of ondergewaad genoemd. Het uttarāsanga of oppergewaad, om het hele lichaam te bedekken. En het sanghāti of buitengewaad; dit gewaad dient als mantel en is van dubbele stof voor als het echt koud is. Alle drie bestaan uit een rechthoekig stuk stof dat uit meerdere delen samengenaaid is. De kleur ervan varieert van citroengeel tot bruinviolet, is meestal okergeel. Behalve deze gewaden is nog toegestaan een gewaad voor te baden.[99]
      Tot de uitrusting van de monniken behoort verder een aalmoezennap (patta) uit hout, gebrande aarde of gewoon metaal, een mes of scheermes om haren en baard af te scheren, een naald om de kleren te herstellen, een riem, een waterfilter om kleine dieren, insecten e.d. uit het water te zeven en het inslikken ervan te vermijden. Verder nog leren sandalen, een regencape (een eenvoudig rechthoekig stuk stof), een houten stokje om de tanden te reinigen, en een waaier.[100]

Medicijnen

      Als medicijn gebruikten de monniken de urine van koeien. Van leken krijgen zij de medicijn die voor hun ziekte nodig is.




Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #1 Gepost op: 29-05-2017 13:12 »
9. Bhikkhuni-sangha
 
      Maha Pajapati, de tante en pleegmoeder van de Boeddha, realiseerde zich steeds meer de waarheid van de leer van de Boeddha. En toen haar zoon, prins Nanda, bij de Sangha was ingetreden, wilde ook zij een leven van ontzegging leiden, als een non. Maar tot dan toe bestond geen Boeddhistische Orde van nonnen. Daarom vroeg zij aan de Verhevene toe te staan dat vrouwen in de Orde konden intreden. Maar om verscheidene redenen was de Boeddha er toen geen voorstander van. “Het gaan uit het huis en het huisloze leven zou u wel eens niet kunnen bevallen,” zei hij. Dit is geen uitdrukkelijk nee van de Boeddha. Veeleer geeft hij Maha Pajapati de raad van haar verlangen af te zien.
      Maar Maha Pajapati was niet ontmoedigd door dit antwoord. Onverschrokken sneed zij haar haren af, kleedde zich in gele gewaden en liep, vergezeld van verscheidene Sakya-dames, van Kapilavatthu naar Vesāli. Moe van het reizen stond zij buiten het portiek van de torenhal te Mahavana, waar de Boeddha zijn verblijf had. Zij vertelde aan de eerwaarde Ānanda die haar aan de poort had zien staan, wat zij graag wilde.
      De eerwaarde Ānanda was diep bewogen en deed een beroep op de Boeddha ten behoeve van Maha-Pajapati en de andere Sakya-dames. Eerst weigerde de Boeddha een vrouwenorde te stichten. Toen vroeg Ānanda of ook vrouwen de volmaakte heiligheid, arahantschap, kunnen bereiken. Het antwoord van de Verhevene luidde dat ook vrouwen het 1e, 2e, 3e en 4e niveau van heiligheid kunnen bereiken. Hiermee stelde de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk niveau. En zo bereikte Ānanda dat de Verhevene aan vrouwen toestemming gaf om in de Orde in te treden. Maar volgens de overlevering moest Maha Pajapati acht speciale regels (garudhammas) aannemen.[101]
      Zij vroeg aan de Boeddha hoe de Sakya vrouwen die met haar meegekomen waren, ingewijd konden worden. De Boeddha zei toen dat de Bhikkhu-sangha haar als bhikkhunis moest inwijden. Een groot aantal van die eerste bhikkhunis werd Arahant.[102]
      Dat de eerste nonnen door de Bhikkhu-sangha moesten worden ingewijd, is een vanzelfsprekende zaak. Er was toen immers nog geen Bhikkhuni-sangha. Maar toen meer dan vier vrouwen ingewijd waren, konden de bhikkhunis zelf de hogere wijding verrichten. De Orde van de nonnen was een onafhankelijke instelling.[103]
      De Boeddha zou Ānanda er toen op gewezen hebben dat moeilijkheden verwacht konden worden als aan vrouwen toegestaan werd het huiselijke leven te verlaten. Hij had daarom die acht regels vastgesteld.[104] De Boeddha zou gezegd hebben dat zonder vrouwen de Brahma-weg 1000 jaren duurde, maar met vrouwen in de Orde zou die weg slechts 500 jaren duren.[105]
      Zo werd toen te Vesāli de Orde van de nonnen (Bhikkhuni-sangha) ingesteld.[106]
 
      De acht speciale regels die Maha Pajapati moest aannemen, zijn:
(1)    Een bhikkhunī (non) moet achting tonen jegens een bhikkhu (monnik), ook al is zij 100 jaar in de Orde en hij slechts één dag.
(2)    Een non mag geen regentijd doorbrengen in een plaats waar geen monniken zijn.
(3)    Om de 14 dagen moet een non twee dingen doen: de Bhikkhu-sangha vragen naar de Uposatha-dag; en naar de Bhikkhu-sangha gaan voor instructies en aanmaningen.
(4)    Na de regentijd moet een non de pavāranā ceremonie bijwonen op de bijeenkomsten van zowel monniken als nonnen. Op elke ervan moet zij kritiek over haar gedrag vragen. De nonnen moeten elkaar onderling berichten of zij van elkaar een fout gezien, gehoord of vermoed hebben. Eerst wordt deze ceremonie gehouden voor de Orde van de nonnen. Op de volgende dag wordt die ceremonie herhaald voor de Orde van de monniken.
(5)    Een non die een van de acht speciale regels overtreedt of een sanghādisesa fout heeft begaan, moet een straf van een halve maand ondergaan zowel bij de bijeenkomst van monniken als bij die van de nonnen.
(6)    Een vrouwelijke novice (sāmanerī) moet, wanneer zij 18 jaar is geworden, twee jaar lang zes regels navolgen. Daarna kan zij toestemming tot intrede in de Orde van nonnen vragen bij beide gemeenschappen. Tijdens de proeftijd heet zij sikkhamāna. Na de wijding heet zij bhikkhuni.
      De zes regels die zij moet navolgen, zijn: 1. niet doden; 2. niet stelen; 3. niet liegen; 4. geen alkoholische drank; 5. geen onkuis leven; 6. geen maaltijd op onpassende tijden.
(7)    Een non mag een monnik niet beschimpen, bespotten of honen en mag hem niet op fouten wijzen.
(8 )    Een non moet de instructies aannemen die haar door monniken zijn gegeven. Zijzelf mag geen instructies of advies geven aan monniken.[107]
 
ad 1. Deze regel betekent dat een oudere non drie keer moet buigen ook voor een pas ingewijde monnik. Dit is niet aangenaam voor tegenwoordige vrouwen die denken vrij te zijn van mannelijke overheersing. Volgens de overlevering vroeg Maha Pajapati of het mogelijk was dat er geen verschil gemaakt werd tussen mannelijke en vrouwelijke leden van de Orde. Zij vroeg of jonge monniken en nonnen respect konden tonen tegenover oudere monniken en nonnen zonder onderscheid. Maar de Boeddha zou geantwoord hebben dat geen bhikkhu eer moet betonen aan een bhikkhuni.
      Volgens Khantipalo had de Boeddha toen geen gevoelens van mannelijke superioriteit of vrouwelijke inferioriteit, maar hield hij rekening met de mening van de leken. In die tijd bogen mannen niet voor vrouwen. Als dit toegestaan zou worden, zou de sociale norm te zeer veranderd worden. En dat zou dan een oorzaak zijn voor het verval van de Boeddhistische religie.[108]
      Dit lijkt me duidelijk een latere toevoeging. Eerst stelt de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk geestelijk niveau. En ook maakt hij in de mannenorde geen onderscheid tussen vroegere rijke en arme personen, intelligente of domme mannen. Hij houdt ook geen rekening met andere geloofsgemeenschappen bij b.v. het Tweelingwonder. Waarom zou hij dan bij vrouwen wel rekening houden met anderen?
 
ad 2. Deze regel was voor de veiligheid van de nonnen. Slechte mannen zouden een non kunnen overvallen als zij alleen was. Maar als er monniken in de buurt waren, was die kans kleiner.[109]
 
ad 3. In de tijd van de Boeddha waren er geen kalenders. Geleerde monniken berekenden de fasen van de maan en wanneer de Uposatha-dagen waren. De instructies en aanmaningen bestonden deels uit een gesprek over de leer gegeven door een uitmuntende monnik tot de nonnen, en deels uit een aansporing aangaande deze acht punten. De betreffende monnik moest een Thera zijn met meer dan 20 regentijden. Hij moest de toestemming van de Bhikkhu-sangha hebben. En de leerrede moest gegeven worden overdag, vóór zonsondergang. In andere gevallen kon een monnik niet naar nonnen gaan om ze te onderrichten tenzij iemand van haar ziek was.[110]
      De nonnen hadden zelf ook leraren. Er waren ook veel Arahants bij de nonnen.[111]
 
ad 4. Een non moet bij beide Sanghas vragen of iemand iets heeft gezien of gehoord of het vermoeden heeft dat zij een fout heeft gedaan. Eerst moet zij haar eigen Sangha vragen en dan de Bhikkhu-sangha.[112]

ad 5. Sanghādisesa fouten voor nonnen, d.w.z. fouten die zowel de bijeenkomst van monniken als die van de nonnen noodzakelijk maken, bestaan uit een groep van 17 fouten.[113] Een aantal ervan gaat over seksueel fout gedrag. De boete voor een van die fouten duurde zeven dagen, plus een proeftijd gelijk aan de periode van verborgen houden als zij haar fout met opzet heeft verzwegen.
 
ad 6. Degene die de proeftijd ondergaat (sikkhamāna) was een speciaal soort van vrouwelijke novice (sāmaneri). De novice had tien regels. Maar als men 18 jaar werd, kon de Bhikkhuni-sangha toestemming geven om de eerste zes regels na te volgen. Als de aspirant in twee jaar die regels niet overtreedt, kan zij aanname in de Bhikkhuni-sangha vragen.[114] De aspirant wordt dan in de Orde opgenomen bij proclamatie en zonder onderzoek. Zij is dan een volledig gewijde non. Maar als zij de aanname-ceremonie alleen ontvangt van de monniken, of als zij die krijgt van de nonnen en niet nog eens gewijd wordt door monniken, dan is zij enkel een “een-keer-aangenomen-bhikkhuni”. Volgens de Vinaya is zij dan niet ten volle ontwikkeld. Wanneer zij twee keer gewijd is, heet zij een “twee keer aangenomen bhikkhuni”.[115]

      Dat een non niet volledig gewijd is als zij niet door beide Sanghas ingewijd is, lijkt mij niet juist. De eerste nonnen werden niet door andere nonnen gewijd, maar door de Boeddha of zijn discipelen. Dat was omdat er toen nog geen Bhikkhuni-sangha was. Daarna was de Bhikkhuni-sangha een onafhankelijke instelling. Zij kon zelf de wijding van bhikkhunis verrichten. De regel dat beide Sanghas de wijding moeten geven om als non volledig ingewijd te zijn, moet later zijn toegevoegd.
      Weer blijkt duidelijk hoe de orde van de nonnen afhankelijk gemaakt is van die van de monniken. Want de monniken beslisten of een vrouw in de orde opgenomen werd of niet.
 
ad 7. Een non mag een monnik niet beschimpen en mag hem niet op fouten wijzen. Volgens de eerwaarde Khantipalo heeft deze regel tot doel kwade roddel tegen te gaan en eendracht tussen beide Sanghas te bevorderen. Een bhikkhuni kon wel naar de leraar of abt van een monnik gaan, als de daden van die monnik tegen de Vinaya waren en de goede naam van de Sangha schade brachten. Maar een bhikkhuni mocht niet direct tot een bhikkhu spreken of achter zijn rug praten.[116]

 
ad 8. Verwacht werd dat door een monnik tenminste twee keer per maand tot de bhikkhunis gesproken werd om ze te vermanen en te onderrichten. Maar een bhikkhuni mocht geen onderricht geven aan bhikkhus. Zij mocht de leer niet verkondigen als geen monnik aanwezig was die de leer goed kende. Hij moest de juistheid van het gesprokene betuigen. Volgens de eerwaarde Khantipalo was deze regel ingesteld om hoogmoed bij bhikkhunis te beteugelen en om haar te helpen bij de oefening.[117]

      Deze acht regels gaan over contact van bhikkhus met bhikkhunis, ofwel als Sangha ofwel als individu. De Boeddha zou die regels vastgesteld hebben om ongeregeld contact tussen leden van de twee Sanghas te vermijden. Dat kon gemakkelijk roddel veroorzaken ook als de acties geen slechte bedoelingen hadden. In de Vinaya zijn voorbeelden te vinden van leken die meenden dat de bhikkhunis de vrouwen waren van de bhikkhus. Dit onbegrip en dergelijke roddel moesten vermeden worden.[118]
      De acht regels scheiden de orde van de nonnen van die van de monniken. Maar er is ook een verstrengeling van beide orden. Want in die regels wordt de persoonlijke verhouding tussen monniken en nonnen geregeld. De nonnen zijn daardoor erg onzelfstandig en ondergeschikt aan de monniken.[119]
 
      Dat er moeilijkheden verwacht konden worden, het verzoek van de Boeddha dat Maha Pajapati die acht speciale regels moest navolgen, en de opmerking over de lengte van de Brahma-weg moeten later toegevoegd zijn. Deze uitspraken zijn moeilijk in overeenstemming ermee te brengen dat de Boeddha vrouwen zonder meer in staat vond om volmaakte heiligheid te bereiken.[120]
      De opname van vrouwen in ascetische gemeenschappen was toen niets nieuws. Andere ascetische orden, zoals de Jain, kenden een vrouwenorde. Als de Boeddha toen, zoals de eerwaarde Khantipalo beweerde, rekening had gehouden met de publieke opinie, had hij zonder meer een vrouwenorde kunnen oprichten. Dat was toen niets ongewoons. Behalve deze plaats in Cullavagga zijn in de Vinaya geen andere teksten waaruit blijkt dat de Boeddha tegen de inrichting van een nonnenorde was.[121]
   Het is te betwijfelen of de Boeddha zelf een dergelijke volkomen ondergeschiktheid van de nonnen ten opzichte van de monniken vereiste, zoals in de acht garudhammas is vastgelegd. Het is heel goed mogelijk dat die acht regels na de dood van de Boeddha zijn samengesteld.[122]
 
      Later moet veel zijn toegevoegd wat niet tot de oorspronkelijke woorden van de Boeddha behoorde. De Boeddha zelf was niet negatief ten opzichte van vrouwen.

      De Sakya-vrouwen die Maha Pajapati Gotami vergezelden, werden door de Bhikkhu-sangha ingewijd. Toen later aan een aspirant door bhikkhus vragen werden gesteld tijdens de inwijdingsceremonie, werd zij verlegen. Daarom zou de Boeddha gezegd hebben dat eerst de Bhikkhuni-sangha de aspirant moest inwijden met de gebruikelijke vragen, en dat daarna de Bhikkhu-sangha de wijding moest geven zonder vragen te stellen.[132]
 
      In het tweede deel van de Vinaya, de Bhikkhunī Vibhanga (of Bhikkhuni-suttavibhanga), staan de regels voor de nonnen, met commentaar.[133] De lijst van die regels is langer dan die voor de monniken. In totaal zijn er 311 regels voor nonnen.[134]
      Na verloop van tijd gebeurden in de Bhikkhuni-sangha dingen die niet pasten bij het heilige leven. Daarom zou de Boeddha regels van oefening hebben vastgesteld speciaal voor de bhikkhunis. Veel regels voor de bhikkhus golden ook voor de bhikkhunis. Maar er waren ook regels die alleen voor de nonnen golden.[135] Die gedragsregels voor nonnen moeten zijn samengesteld in de 2e of 1e eeuw v.C. toen het Mahāyāna floreerde.[136] Die regels worden gereciteerd tijdens de Uposatha-ceremonie op elke 14e dag van de maan. De nonnen moeten meer regels navolgen dan de monniken. Volgens de eerwaarde Khantipalo neigen vrouwen ertoe gelijk te zijn aan of mooier te zijn dan andere vrouwen. Zo'n eigendunk kan in een celibataire orde niet toegestaan worden. En daarom zou de Boeddha veel regels hebben opgesteld dat noch de persoon noch haar gewaden op enige manier versierd mag worden.[137]
 
      Als een bhikkhuni 12 regentijden in de Orde had doorgebracht, heette zij oudere bhikkhuni of Theri. Zij kon dan onderwijzen bij de wijding. Maar soms waren jonge bhikkhunis niet juist geoefend. Dit duidt volgens de eerwaarde Khantipalo op een gebrek om iets te kunnen organiseren. Daarom zou de Boeddha de aanname beperkt hebben tot één pupil elk 2e jaar voor een bhikkhuni-lerares. Bij de Bhikkhu-sangha was er geen beperking.[138]
 
      In de geschiedenis van het Boeddhisme hebben de nonnen een onbetekenende rol gespeeld. Maar de overlevering heeft het aandenken aan veel heilige vrouwen bewaard; haar deugd, opoffering en wijsheid geprezen.[139]
 _____
[101] Na verloop van tijd bereikte Maha-Pajapati de hoogste heiligheid, Arahantschap.
[102] Khantipalo 1979, p. 139.
[103] Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 72-73.
[104] Khantipalo 1979, p. 138.
[105] Hüsken Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 164-165.
[106] Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy 1970. Bodhi Leaves No. B 47; Vin.Cv.Kh.10; Khantipâlo 1979, p. 66, 79-83; Ñânamoli 1978, p. 104-107; Hüsken, p. 151-154 en voetnoot 2 op p. 152.
[107] U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma 1985. (E-book) p. 3-4; Hüsken, p. 155-162.
[108] Khantipalo 1979, p. 134-135.
[109] Khantipalo 1979, p. 135.
[110] Khantipalo 1979, p. 135.
[111] Khantipalo 1979, p. 135-136.
[112] Khantipalo 1979, p. 136.
[113] Voor monniken uit 13 fouten.
[114] Als in die twee jaar de 6 regels wel overtreden worden, begint de proeftijd opnieuw.
[115] Khantipalo 1979, p. 137.
[116] Khantipalo 1979, p. 137.
[117] Khantipalo 1979, p. 137; Bareau 1964, p. 63.
[118] Khantipalo 1979, p. 138.
[119] Hüsken p.163.
[120] Hüsken p. 154 en 165.
[121] Hüsken p. 166.
[122] Hüsken p. 169-170.
[123] de Zoysa, A.P.: Indian Culture in the Days of the Buddha, Colombo 1955, p. 16-23.
[124] Gnanarama 1997, p. 78.
[125] Gnanarama 1997, p. 76-77.
[126] Glasenapp, Helmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam 1929, p. 123.
[127] Gnanarama 1997, p. 76.
[128] Oldenberg, Hermann: Buddha. Sein leben, seine Lehre, seine Gemeinde. (2. Aufl.) Berlin 1890, p. 176.
[129] Gnanarama 1997, p. 63-66.
[130] Gnanarama 1997, p. 79.
[131] Gnanarama 1997, p. 76.
[132] Khantipalo 1979, p.139.
[133] Webb, Russel (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy 1975, The Wheel No. 217/220, p. 2; Thomas, Edward: The Life of Buddha as legend and History. (repr.) New Delhi 1992, p. 275.
[134] Khantipalo 2979, p.139; U Ko Lay 1984, p. 11.
[135] Khantipalo 1979, p. 139.
[136] Gnanarama 1997, p. 75.
[137] Khantipalo 1979, p.138-139.
[138] Khantipalo 1979, p. 139.
[139] Bareau 1964 p. 67-68.

« Laatst bewerkt op: 30-05-2017 00:25 door nico70 »

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #2 Gepost op: 29-05-2017 16:51 »
10. Inwijdingsprocedure

   Het is thans in Thailand gebruikelijk dat iemand voor korte of langere tijd in de Orde intreedt. Hij wordt er vergezeld door ouders, familieleden en vrienden. De nieuw ingewijde monnik krijgt geschenken. Gasten die voor de ceremonie zijn uitgenodigd, brengen eten. Een orkest maakt er muziek bij. Het resultaat is veel lawaai. Zulke praktijken hebben niets met de leer van de Boeddha te maken.
   Ten tijde van de Boeddha bestonden zulke dingen niet. Monniken werden niet in bijzijn van hun ouders ingewijd. En er werd geen feest gevierd. Als iemand monnik wilde worden, had hij de toestemming van de ouders nodig. Bij een passende gelegenheid werd hij ingewijd en hij zag misschien zijn ouders niet meer terug. Dat een monnik zijn ouders opzocht, was een uitzondering.

   Elke nieuwe monnik krijgt twee leraren toegewezen, de ācariya die hem begeleidt bij de studie van de heilige teksten, en de upajjhāya die zijn voorbeeld is bij het voeren van het leven als monnik. 

   De wijdeling vraagt eerst vergiffenis aan degenen die hem behoed en verzorgd hebben. Hij buigt ten afscheid voor zijn moeder en vader, en verwanten.
   Dan worden hoofdhaar, baard en wenkbrauwen van de wijdeling afgeschoren en de nagels van zijn vingers en tenen worden geknipt. Netjes gekleed moet hij drie keer in een processie om de inwijdingshal heen lopen, met de rechter schouder ernaar toe gewend. Zijn handen houdt hij samengevoegd in het gebaar van gebed, met tussen de handpalmen een boeket dat bestaat uit drie lotusbloemen, drie reukstokjes en een kaars die alle samengebonden zijn. De wijdeling heeft drie van zulke ruikers nodig in de loop van zijn wijding: (1) bij het rondgaan; (2) om eer te betonen aan het Boeddha-beeld in de inwijdingshal; (3) en om op het deksel van de nap te plaatsen wanneer ondergeschiktheid (nissaya) gevraagd wordt. Tijdens de eerste rondgang om de inwijdingshal heen moet de wijdeling mediteren over de deugden van de Boeddha; bij de tweede rondgang moet hij nadenken over de deugden van de Dhamma; en bij de derde rondgang moet hij de deugden van de Sangha overwegen.
   Tijdens die rondgang wordt in Thailand veel muziek gemaakt en de familie, vrienden en andere gasten gaan dansend samen met de wijdeling drie keer om de inwijdingshal heen.
   
   Na de derde rondgang steekt de wijdeling de kaars en de reukstokjes aan bij de hoofdingang naar het inwijdingsterrein, buigt drie keer en gaat dan staan om eer te betonen aan het inwijdingsterrein.
 
   De ouders (of een ouder familielid) nemen dan de hand van de wijdeling vast en leiden hem de inwijdingshal binnen. De wijdeling betoont eer voor het Boeddhabeeld in de inwijdingshal door het aansteken van kaarsen en reukstokjes.

   De wijdeling neemt dan plaats op de grond, aan het uiterste einde van de kloostergemeenschap. Daar krijgt hij de drie gewaden van zijn ouders (of van oudere verwanten of van gelovige leden van de Boeddhistische gemeenschap die begunstigers bij de wijding zijn). De wijdeling buigt drie keer, knielt, neemt de drie gewaden op zijn armen en gaat dan op zijn knieën tot de plaats waar de instructeur zit. Met de rechter zijde naar hem toegewend, neemt de wijdeling de drie gewaden op en biedt die aan zijn instructeur aan, waarna hij drie keer een buiging maakt. De instructeur geeft die gewaden weer aan de wijdeling terug. Deze blijft nederig voor hem staan (met de voeten tegen elkaar en het hoofd lichtjes gebogen) met de handen in een gebaar van gebed. De instructeur neemt daarna de gewaden van de wijdeling aan. 

   De wijdeling gaat zitten met zijn benen naast zich gevouwen. De instructeur plaatst het stel gewaden voor zich en onderricht de wijdeling over het Drievoudige Juweel, geeft hem de raad vertrouwen erin te ontwikkelen als zijn toevlucht, en hij herinnert hem aan het doel en de voordelen van de wijding. Daarna onderwijst hij de wijdeling in de vijf basisobjecten van meditatie (hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden en huid). Na de betekenis ervan uitgelegd te hebben en het doel van het overwegen ervan, reciteert hij ze waarna de wijdeling ze woord voor woord herhaalt.
 
   Na de instructies over meditatie knielt de wijdeling neer. De instructeur neemt van de bundel gewaden het schoudergewaad (amsa) en trekt het over het hoofd van de wijdeling. De wijdeling ontvangt dan de overige gewaden, gaat op zijn knieën rugwaarts uit de gemeenschap, staat op en gaat naar de plek die voor het omkleden gereed is gemaakt.

   Wanneer hij de gewaden heeft aangedaan, gaat hij naar de plek waar de leraar (ācāriya) zit. De wijdeling biedt hem een dienblad vol gaven aan, maakt drie keer een buiging voor hem, en vraagt dan de Toevluchten en de tien regels van discipline.
   Na dit verzoek begint de leraar (ācāriya) met het eerbetoon aan het Drievoudige Juweel wat door de wijdeling herhaald wordt. De leraar (ācāriya)  geeft dan de Toevluchten en de tien regels van discipline en de wijdeling herhaalt ze na hem, vers na vers.
   De nieuwe novice buigt drie keer, gaat rechtop staan en zegt dan enkele verzen op.
 
   De novice krijgt dan van zijn behoeder de nap en draagt die naar de instructeur. Hij knielt neer voor de instructeur, zet de nap aan zijn rechter zijde en biedt aan hem het boeket aan dat op het deksel van de nap ligt. Hierna buigt hij weer drie keer. Geknield zegt hij, met zijn handen in de añjali-houding, enkele teksten op.

   De instructeur deelt hem nu zijn eigen naam mede en de Pali-naam van de novice. Deze laatste zegt: "āma bhante", en gaat verder met het goedkeuren van zijn benodigdheden (nap, oppergewaad, buitengewaad).
   De instructeur zal dan de riem van de nap over het hoofd van de novice doen en hem verzoeken zich terug te trekken naar een plek buiten de gemeenschap.

   De novice moet zijn handen in het "añjali"-gebaar houden en (op zijn knieën) een korte afstand teruggaan waarna hij naar een plek gaat nabij de voorkant van de tempel. De wijdeling gaat er staan met zijn gelaat naar de bijeengekomen monniken toegewend, met de handen samengevoegd in het gebaar van añjali. De instructeur en de leraar zullen de gemeenschap inlichten over het onderzoek van de novice en dan naar de plek gaan waar de novice staat. Zij vragen hem dan of er belemmerende omstandigheden zijn.
   De instructeur en de leraar gaan dan naar de gemeenschap terug en roepen de wijdeling in de gemeenschap.
   Wanneer zij klaar zijn met reciteren, komt de wijdeling nader tot de gemeenschap en werpt zichzelf drie keer ter aarde voor de instructeur. Hierna knielt de wijdeling neer en vraagt om gewijd te worden.
   De novice gaat dan naar de gemeenschap tot bij de instructeur. Weer worden vragen gesteld betreffende belemmerende omstandigheden en de wijdeling moet dan op dezelfde manier antwoorden als voorheen.

   Na het verloop van de ondervraging reciteert de instructeur drie keer het voorstel tot aanname van de novice als monnik. De novice moet zijn nap aan zijn linker hand plaatsen en gaan zitten met zijn benen aan een kant en zijn handen opgeheven in het gebaar van añjali. Hij luistert tot het einde van de gebeurtenissen waarna hij antwoordt met de woorden "āma bhante" en neerknielt om drie keer een buiging te maken. De nieuwe monnik gaat dan naar rechts en neemt er de gaven in ontvangst om ze aan de instructeur aan te bieden, waarna hij drie keer een buiging maakt. De nieuwe monnik gaat dan met zijn voeten aan een kant tegenover de instructeur zitten. Wanneer de instructeur of een andere oudere monnik in de gemeenschap begint met het geven van de zegeningen, giet de nieuwe monnik water in een kom, als symbool van de overgave van verdienste. Wanneer de zegening voorbij is, moet de nieuwe monnik antwoorden met het woord "sādhū".
   De nieuwe monnik betoont dan eer aan zijn instructeur en aan de gemeenschap door drie keer een buiging te maken. Hierna betoont hij eer aan het Boeddhabeeld in de inwijdingshal door nog eens drie keer te buigen. Dit is het einde van de inwijdingsceremonie en de nieuwe monnik neemt dan gaven aan van de aanwezigen.


« Laatst bewerkt op: 02-06-2017 13:23 door nico70 »

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #3 Gepost op: 30-05-2017 02:14 »
11. Voorbereidende plichten voor een nieuwe bhikkhu
 
Bindukappa - Het kenmerken van de gewaden
 
      Voordat een bhikkhu een nieuw gewaad gaat gebruiken, moet hij het van een kenmerk voorzien, gewoonlijk in een van de hoeken ervan, met een kleine stip.  Deze stip kan blauw(groen), zwart of bruin zijn. Het doel ervan is zowel de attractiviteit van het gewaad te bederven als het als zijn eigen te kenmerken. Er wordt een overtreding van de pacittiya-soort gemaakt indien een bhikkhu een gewaad gebruikt dat niet op deze manier gekenmerkt is. Het is daarom de plicht van de instructeur, leermeester (acariya) of een andere bhikkhu om de nieuw gewijde bhikkhu te onderrichten dit onmiddellijk na de wijding te doen. Een pen of ander merkinstrument kan voor dit doel gebruikt worden.
 
   Als het gewaad eens is gekenmerkt, hoeft dit niet meer herhaald te worden, ook niet als het kenmerk door wassen verdwenen is. De tegenwoordige praktijk is om elk gewaad met drie stippen te kenmerken. Initialen of de naam kunnen toegevoegd worden als verder middel voor identificatie.
 
Adhittāna - Het vaststellen voor gebruik
 
   Er zijn twee groepen van benodigdheden welke een monnik kan gebruiken: (1) de benodigdheden die zijn eigen bezittingen zijn, en (2) accessoires die hij leent voor tijdelijk gebruik, en die dus niet tot zijn bezit behoren.
   Tot de persoonlijke bezittingen behoren de acht benodigdheden (atthaparikhâra) welke aan een monnik gegeven worden bij zijn wijding. Al zulke persoonlijke bezittingen moeten formeel opgevorderd worden wanneer zij pas verkregen zijn, en wel door de daad van "het vaststellen voor gebruik", voordat zij gebruikt kunnen worden. Indien men ophoudt met ze te gebruiken, dienen zij formeel onteigend te worden door de daad van "het opgeven". Deze nauwgezette procedure beperkt het aantal bezittingen dat een monnik in één keer kan hebben.
   De monnik moet onfeilbare zorg dragen voor zijn eigen persoonlijke bezittingen. Want als hij gescheiden wordt van zijn eigen gewaden (bij dageraad), is dat een overtreding die gestraft wordt door verlies van dat gewaad aan een andere monnik voordat de overtreding beleden en vergeven is.
   Accessoires zijn, behalve door de lengte van tijd waarvoor zij "geleend" kunnen worden, ook beperkt door regels. Indien benodigdheden langer dan tien dagen in bezit gehouden worden en dan niet met een andere bhikkhu (of novice) gedeeld zijn, dan moeten zij weer verbeurd worden aan een andere monnik voordat de overtreding beleden is en vergeven kan worden.
   Persoonlijke bezittingen zijn formeel vastgesteld voor gebruik door het reciteren van een Pali-formule.
   De rekwisieten die een monnik heeft, zijn: een buitengewaad, een oppergewaad, een ondergewaad, een nap, andere kleine kledingstukken zoals ondergoed, badkleding tijdens de regentijd.
 
Vikappa - Het delen van extra-eigenaarschap
 
   Met uitzondering van vastgestelde stukken stof wordt elk stuk stof groter dan ca 10x20 cm dat tot een gewaad samengesteld kan worden, een extra stuk stof (atireka-cīvaram) genoemd. Een extra stuk stof (of een extra nap) mag door een bhikkhu niet langer dan tien dagen in bezit gehouden worden. Indien men zo'n deel wil houden zonder het voor een verdere periode te gebruiken, dan kan men het recht van eigendom delen. Dit heet "vikappa". Eigendomsrecht kan gedeeld worden met een novice; maar het is gebruikelijker dat het gedeeld wordt met een andere bhikkhu.

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #4 Gepost op: 30-05-2017 17:31 »
12. Belijdenis van kleinere overtredingen
 
      Het is de plicht van een bhikkhu dagelijks kleinere overtredingen te belijden aan een mede-bhikkhu. Dit kan zuiverheid van kleinere overtredingen teweeg brengen. Het kan ook persoonlijke zwakte die geen schending van het kloostergedrag vormt, zuiveren.
   Een bhikkhu die een lichte overtreding wil belijden, moet zijn gewaad over zijn linker schouder schikken (met de rechter schouder ontbloot), naar een andere bhikkhu gaan en voor hem neerknielen. Met zijn handen gevouwen in het gebaar van respect, maakt hij dan zijn wens kenbaar om de overtreding te belijden. Indien hij zich de overtreding duidelijk kan herinneren, moet hij ze eerst aan de andere bhikkhu in zijn eigen taal vertellen. Hierdoor wordt verhinderd dat bhikkhus die dezelfde overtreding begaan hebben, ze samen belijden. Hierna gaat hij verder met het opzeggen van de traditionele Pali-teksten voor belijdenis.
 
   De formule voor het belijden van lichte overtredingen kan verschillen. Ze is afhankelijk ervan of één overtreding beleden wordt of dat meer dan één van een speciale klasse samen beleden worden. Ook hangt ze ervan af of de overtredingen te doen hebben met één of meer regels. Toch is de algemene vorm van belijdenis de enige die het eerst geleerd wordt door nieuwe monniken. Want ze wordt op elke Uposatha-dag gebruikt om zich te zuiveren van elke overtreding die men weet of niet weet, alvorens te luisteren naar het reciteren van het Pātimokkha. Het is een bhikkhu toegestaan om het aantal overtredingen die hij heeft begaan, te overdrijven, en om zich schuldig te bekennen aan een overtreding waarvan hij zich niet bewust is. Daarom kan de algemene vorm eveneens bij andere gelegenheden gebruikt worden, wanneer enkel een of meer overtredingen beleden worden.


13. Woorden om vergiffenis te vragen

      In de leer van de Boeddha wordt het als juist beschouwd dat, wanneer men zich ervan bewust is dat men iets verkeerds jegens iemand anders heeft gedaan, men vergiffenis moet vragen aan de persoon die verkeerd behandeld is. Wanneer de laatste dan om vergeving is gevraagd, moet deze geen wrok koesteren jegens de eerste, maar hem of haar vergeven. Onder bhikkhus in de begintijd van het Boeddhisme was de beste gelegenheid om vergiffenis te vragen en te geven, wanneer zij in de regenperiode bijeen kwamen. Het is zo gebruikelijk geworden voor jongere bhikkhus om hun oudere monniken om vergeving te vragen op de eerste dag van het regenseizoen of spoedig erna, afhankelijk ervan of zij in hetzelfde klooster of in verschillende kloosters verblijven.
   De procedure voor het vragen van vergiffenis begint met het aanbieden van kaarsen, reukstokjes of bloemen.

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #5 Gepost op: 31-05-2017 10:48 »
15. Enkele bekende discipelen.
 
      In het begin van de Sangha waren meerdere discipelen van de Boeddha zeer bekend. Gegevens over zeven van hen zijn hier verzameld.
 

15.1. Sariputta


   De eerwaarde Sariputta was een van de hoofddiscipelen van de Boeddha. Zijn naam betekent: zoon van Sāri. Hij werd geboren in het dorp Upatissa nabij Rajagaha en behoorde tot de kaste van de brahmanen. Hij was ouder dan de Boeddha. Voor zijn bekering tot de leer van de Boeddha was hij samen met zijn vriend Moggallana een aanhanger van de rondtrekkende asceet Sañjaya. Op een dag zag hij de volmaakte heilige Assaji, een van de vijf asceten die door de Verhevene na de Verlichting bekeerd werden. Sariputta was onder de indruk van diens uitstraling en waardig gedrag en vroeg wiens meester Assaji navolgde en wat diens leer inhield. Het antwoord luidde dat de grote wijze uit de stam van de Sakyas zijn leermeester was en dat Assaji zelf pas in de Orde was opgenomen en de leer nog niet helemaal kende maar wel het wezenlijke ervan kon uitleggen. Assaji zei toen het vers: “Van alle dingen die oorzakelijk zijn ontstaan, heeft de Volmaakte de oorzaak uitgelegd. En ook hoe die tot uitdoving komen.” Dat was genoeg voor de eerwaarde Sāriputta om de waarheid in te zien: “Alles wat aan ontstaan onderhevig is, is ook onderhevig aan vergaan.” Door dit inzicht bereikte hij het eerste niveau van heiligheid. Niet lang daarna werd hij door de Boeddha in de Orde opgenomen. Veertien dagen na de inwijding bereikte Sāriputta de volmaakte heiligheid.

      Hij wordt ook de “generaal van de Dhamma” (dhammasenāpati) genoemd. Hij was een bekwaam meester van de leer. Zijn speciale bekwaamheid zou de Abhidhamma zijn geweest. Men zegt dat hij als eerste de Abhidhamma reciteerde. (Zie o.a. het Sangīti suttanta en het Dasuttara suttanta). Maar er is twijfel over de ouderdom van de Abhidhamma. Op het eerste concilie wordt die niet vermeld. De Abhidhamma is vermoedelijk meer dan 300 jaar na het overlijden van de Boeddha ontstaan.
     
      Zeer waarschijnlijk is de eerwaarde Sāriputta overleden in de 43e regenperiode na de Verlichting van de Boeddha. In het commentaar van Buddhaghosa staat een legende over het definitieve heengaan van Sariputta.
      Van het dorp Beluva, waar de Verhevene het regenseizoen had doorgebracht, ging hij via Ukkacela, een dorp aan de oevers van de Ganges in het land van de Vajjis, naar Vesāli voor aalmoezen. Volgens Buddhaghosa’s commentaar wilde de Boeddha toen naar Sāvatthi gaan. Na verloop van tijd kwam hij daar aan en ging het Jetavana-park binnen. De eerwaarde Sāriputta betoonde eer aan de Boeddha en ging daarna naar de plek waar hij gewoonlijk de dag doorbracht. Hij ging er op zijn zitmat neerzitten en bereikte er de fase van meditatieve verdieping genoemd phala-samāpatti. Hij kwam weer uit die meditatieve verdieping en dacht: “Wie bereikt parinibbāna het eerst, de Boeddhas of hun hoofddiscipelen?” Hij besefte dat de hoofddiscipelen het eerst overlijden en dat zijn levensspanne nog maar zeven dagen zou duren. Hij dacht na over de plek waar hij parinibbāna zou bereiken. Ook dacht hij toen aan zijn moeder en zag dat zij in staat was het eerste niveau van heiligheid te bereiken. Daarom besloot hij parinibbāna te bereiken in de kamer waar hij geboren was, na eerst zijn moeder tot de leer van de Boeddha bekeerd te hebben. Want de mensen zouden denken dat hij wel heel veel andere mensen hielp, maar dat hij niet zorgde voor het heil van zijn moeder. De moeder van Sāriputta was geen volgelinge van de Boeddha. Al haar kinderen (vier zonen en drie dochters) waren in de Orde ingetreden en hadden haar alleen gelaten.
      De eerwaarde Sāriputta vroeg aan de [novice] Cunda, een jongere broer van hem, om de groep van 500 monniken mee te delen dat hij naar het dorp Nālaka, nabij Rajagaha, wilde gaan. Zij zouden nap en gewaden nemen. Samen met de 500 monniken ging hij naar de Verhevene en nam afscheid met de woorden: “Grote Wijze, mijn levensproces loopt ten einde; het is tijd voor mijn parinibbāna.”
      De Boeddha vroeg hem toen om nog een keer tot zijn medemonniken te preken. Daarna nam de eerwaarde Sāriputta afscheid van de monniken en ging met zijn eigen groep van 500 monniken naar het dorp Nālaka. ‘s Avonds kwam hij er aan en bleef staan bij de ingang van het dorp.
      Zijn neef Uparevata kwam toen juist het dorp uit, zag de eerwaarde Sāriputta, ging naar hem toe en groette hem. De eerwaarde Sāriputta vroeg of zijn moeder thuis was. Uparevata bevestigde dit en de eerwaarde Sāriputta vroeg hem naar haar toe te gaan en haar mee te delen dat hij samen met 500 monniken was aangekomen. Hij zou maar één nacht blijven. Zij zou de kamer waar hij geboren was, voor hem gereed maken en voor de andere monniken een onderdak regelen.
      Uparevata deed wat hem was gevraagd. De moeder van Sāriputta dacht dat hij op zijn oude leeftijd weer leek wilde worden. Zij liet de kamer gereed maken en onderdak regelen voor de 500 monniken. De eerwaarde Sāriputta ging toen met de monniken naar zijn geboortehuis, ging de kamer binnen waar hij geboren was en ging er zitten. De monniken stuurde hij weg met de woorden dat zij naar hun onderdak moesten gaan. Toen zij vertrokken waren, werd hij erg ziek. Zijn moeder was bezorgd om de toestand van haar zoon en stond geleund tegen de deur van haar slaapkamer.
      De Vier Grote Koningen zagen de eerwaarde Sāriputta op zijn parinibbāna-bed liggen in de kamer waar hij geboren was in het dorp Nālaka. Zij wilden hem graag voor de laatste keer zien en voor hem zorgen. Maar de eerwaarde Sāriputta stuurde hen weg met de woorden dat hij een verzorger had. (Zijn verzorger Cunda was dus blijkbaar bij hem gebleven en niet met de andere monniken vertrokken). Achtereenvolgend kwamen toen nog Sakka, de koning van de goden, Suyāma, hoofd van de Yāma-devas, en Mahābrahmā, de hoogste god van de brahmanen. Ook hen stuurde Sāriputta op dezelfde manier weg.
      Sāriputta’s moeder zag die goden komen en gaan en zij vroeg aan de eerwaarde Cunda wat er gaande was. Hij legde het haar uit en zei aan de eerwaarde Sāriputta dat zijn moeder was gekomen. Zij vroeg aan haar zoon wie daar bij hem op bezoek waren geweest. “Eerst kwamen de Vier Grote Koningen,” zei de eerwaarde Sāriputta. “Mijn zoon, ben jij dan groter dan die Vier Grote Koningen?” - “Moeder, zij zijn als tempeldienaren. Zij beschermen mijn Meester al vanaf zijn geboorte.” - “En wie kwam na hen?” - “Sakka, de koning van de goden.” - “Mijn zoon, ben jij groter dan de koning van de goden?” - “ Moeder, hij is als een novice die gebruiksvoorwerpen draagt. Toen onze Meester van de Tāvatimsa hemel afdaalde, daalde ook Sakka af met zijn nap en gewaden.” - “En wie kwam na hem?” - “Moeder, toen kwam jouw leraar genaamd Mahābrahmā.” - “Mijn zoon, ben je zelfs groter dan Mahābrahmā?” - “Ja, moeder. Op de dag dat onze Leraar geboren werd, ontvingen hem de vier Mahābrahmās in een gouden net.”
      Toen dacht Sāriputta’s moeder dat de macht van haar zoon erg groot was. Hoe groot moest dan wel de macht zijn van diens leraar. Vijfvoudige vreugde vervulde haar hele lichaam. De eerwaarde Sāriputta merkte dit en vond het nu de juiste tijd om tot haar te preken. Na die preek bereikte zij het eerste niveau van heiligheid. Daarna stuurde hij haar weg. Het was al vroeg in de morgen. De eerwaarde Sāriputta vroeg aan de [novice] Cunda om de monniken bijeen te roepen. Die waren echter al uit eigen beweging gekomen. De eerwaarde Sāriputta sprak toen de monniken toe: “Vrienden, 44 jaren zijn jullie met mij rondgezworven. Als ik iets verkeerds heb gedaan, vergeeft het mij dan.” Zij gaven ten antwoord dat hij niets verkeerds had gedaan, maar dat hij hen zou vergeven.
      Toen bereikte de ouderling de staat van Nibbāna zonder materiële grondslag. Veel goden en menselijke wezens betoonden hun eer bij het parinibbāna van de ouderling. De [novice] Cunda ging naar het Jetavana-klooster met de nap en gewaden van de eerwaarde Sāriputta en met zijn relieken in een zeef.
 
      Tot zover de legende. Verder gaat het met een tekst uit Samyutta Nikāya XLIII.13:
 
      [De novice] Cunda ging ermee naar de eerwaarde Ānanda in het Jeta-bosje te Sāvatthi. Hij bracht eer aan hem en zei: ”Heer, de eerwaarde Sāriputta heeft uiteindelijk nibbāna bereikt. Hier zijn zijn nap en gewaden.”
      “Vriend Cunda, dit moet aan de Gezegende meegedeeld worden. Laten wij daarom naar de Gezegende toegaan en het hem meedelen.”
      “Goed, heer,” gaf [de novice] Cunda ten antwoord. Samen gingen zij naar de Gezegende en brachten hem eer. Zij gingen terzijde neerzitten en de eerwaarde Ānanda zei: “Heer, deze novice Cunda heeft me verteld dat de eerwaarde Sāriputta uiteindelijk-nibbāna heeft bereikt. Hier zijn nap en gewaden van hem. Waarlijk, Heer, toen ik dit hoorde, had ik het gevoel alsof mijn lichaam heel koud was; en ik kon niet logisch denken; al mijn gedachten waren onduidelijk.”
      “Waarom, Ānanda, denk je soms dat met het uiteindelijk bereiken van nibbāna hij de code van deugdzaamheid of de code van concentratie of de code van begrip of de code van bevrijding of de code van kennis en visie van bevrijding heeft weggenomen?”
      “Neen, Heer. Maar ik denk eraan hoe behulpzaam hij was voor degenen die samen met hem het heilige leven voerden. Hij gaf advies, onderwees ze, spoorde ze aan en gaf hen moed. Hij werd niet moe bij het onderrichten van de leer. Wij herinneren ons hoe de eerwaarde Sâriputta ons te eten gaf, ons rijker maakte en ons hielp met de leer.”
      “Ānanda, heb ik je niet reeds gezegd dat er afscheid en scheiding is van alles wat dierbaar is? Hoe kan het zijn dat iets was geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Het is net zoals wanneer een hoofdtak van een grote boom die sterk en stevig staat, is afgevallen. Evenzo heeft Sāriputta uiteindelijk nibbāna bereikt in een grote gemeenschap die sterk en stevig staat. Hoe kan het zijn dat iets wat geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Daarom, Ānanda, moet ieder van jullie zichzelf tot eiland maken, zichzelf tot toevlucht en geen andere toevlucht. Ieder van jullie moet de leer tot zijn eiland maken en niets anders als toevlucht.” (S.XLIII,13).
   De Boeddha liet een stoepa bouwen voor de relieken. De Chinese pelgrim Hsüan Tsang berichtte dat hij de stoepa boven de relieken van de eerwaarde Sāriputta zag in de stad Kālapināka.
 

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #6 Gepost op: 31-05-2017 16:39 »
15.2. Maha Moggallâna

   De eerwaarde Maha Moggallana was een van de hoofddiscipelen van de Boeddha. Hij werd geboren in het dorp Kolita nabij Rājagaha en behoorde tot de kaste van de brahmanen. Hij was ouder dan de Boeddha. Voor zijn bekering tot de leer van de Boeddha was hij samen met zijn vriend Sāriputta een aanhanger van de rondtrekkende asceet Sañjaya. Toen Sariputta bekeerd was tot de leer van de Boeddha, ging hij naar zijn vriend Moggallāna en deelde hem het vers mee dat hij van de arahant Assaji vernomen had: “Van alle dingen die oorzakelijk zijn ontstaan, heeft de Volmaakte de oorzaak uitgelegd. En ook hoe die tot uitdoving komen.” Die woorden waren voldoende om Moggallāna tot het eerste niveau van heiligheid te brengen. Samen met Sāriputta werd hij in de Orde opgenomen. Zeven dagen na de inwijding bereikte hij de volmaakte heiligheid.
      Hij was beroemd vanwege zijn bovennatuurlijke krachten. Twee weken na het overlijden van de eerwaarde Sāriputta bereikte hij Parinibbāna. Zijn dood was veroorzaakt door een samenzwering van de Niganthas die hem door huurmoordenars lieten doden. De Boeddha liet te Rajagaha een stoepa oprichten boven de relieken van Maha Moggallana. Die stoepa werd opgericht in het Veluvana park.


Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #7 Gepost op: 31-05-2017 18:56 »
15.3. Maha Kassapa

   De eerwaarde Maha Kassapa was een van de vooraanstaande discipelen van de Boeddha. Volgens het commentaar op Samyutta Nikaya werd hij geboren in Magadha, in het dorp Mahātittha als zoon van de rijke brahmaan Kapila.[146] Zijn moeder heette Sumanādevi. Hijzelf werd Pippali genoemd.[147]
   Hij zou al op jonge leeftijd de wens hebben gehad om als asceet te leven. Hij wilde daarom niet trouwen. Hij wilde wel voor zijn ouders zorgen tot aan hun dood. Maar daarna wilde hij een asceet worden. Op herhaald verzoek van zijn ouders stemde hij uiteindelijk toe om te gaan trouwen. Een meisje werd voor hem uitgekozen, de dochter van een rijke brahmaan. Zij heette Bhadda Kapilani. Ook zij wilde liever een religieus leven voeren als vrouwelijke asceet. Maar de ouders van beiden regelden het huwelijk. Pippali en Bhadda Kapilani besloten toch een celibatair leven te voeren. Vele jaren leefden zij in geluk en rijkdom samen, zonder zorgen.
   Pippali kreeg na de dood van zijn ouders de zorg voor hun uitgebreide bezittingen. Volgens de overlevering zag hij op een dag bij het ploegen van de velden hoe vogels de wormen oppikten. Hij zag dat het werken op het veld leed bracht aan andere levende wezens. Hij vroeg aan een van zijn arbeiders wie de gevolgen van zo’n daad zou dragen. Het antwoord luidde dat hijzelf verantwoordelijk ervoor was. Hij ging naar huis en dacht dat het beter was de weelde op te geven in plaats van dat doden. Hij wilde alles aan zijn vrouw geven en een ascetisch leven gaan voeren.
   Maar thuis had zijn vrouw een gelijksoortige ervaring. Sesam zaad was uitgespreid om te drogen en kraaien en andere vogels aten de insecten die door het zaad waren aangelokt. Zij vroeg haar bedienden wie verantwoordelijk was voor de dood van zoveel schepsels. Het antwoord luidde dat zijzelf verantwoordelijk ervoor was. Zij wilde toen wachten tot Pipphali thuis was, hem alles overhandigen en dan een ascetisch leven gaan voeren.[148]
 
   Beiden wilden toen het leven in huis opgeven en een huisloos leven als asceet voeren. Zij kleedden zich in vaalgele gewaden, schoren het hoofdhaar af en gingen met een aarden nap op weg. “Wij dragen de verdiensten van dit uit het huis gaan op aan de arahants in de wereld,” zouden zij gezegd hebben. Zij gingen niet samen maar kozen ieder een andere route, op zoek naar het hoge doel van arahantschap.[149] Aldus het commentaar.[150]
 
   Hellmuth Hecker geeft veel verhalen over de vroegere levens van de eerwaarde Kassapa en de eerwaarde Bhadda Kapilani. Maar die verhalen zijn van oorsprong volksverhalen die omgevormd zijn tot educatieve verhalen door Kassapa en/of Bhadda Kapilani tot hoofdpersoon ervan te maken. Het zijn geen werkelijk gebeurde feiten; het zijn geen echt gebeurde levensverhalen. Daarom heb ik die zogenaamde geboorteverhalen hier weggelaten. Ze geven een verkeerd beeld van beide personen.
   De Jatakas met de eerwaarde Maha Kassapa als hoofdpersoon erin moeten pas na zijn overlijden zijn uitgekozen. Iemand met zulke eigenschappen moest die in vroegere levens al ontwikkeld hebben. Dat wilde men met die verhalen aantonen. Maar we moeten niet vergeten dat het aangepaste volksverhalen zijn.
 
   In het eerste jaar na de Verlichting van de Boeddha ontstond bij Pippali de gedachte dat het niet gemakkelijk is voor iemand die in het huis leeft om een heel volkomen, heel rein heilig leven te voeren. Iets daarna liet hij hoofdhaar en baard afscheren, trok het gele gewaad aan en ging leven als asceet. Hij maakte voor zich een gewaad uit stukken van oude weggeworpen kleren en ging op weg van Rajagaha naar Nalanda. Onderweg zag hij de Boeddha zitten bij een gedenkteken.[151] Pippali ging naar hem toe, wierp zich met het hoofd bij de voeten van de Verhevene terneer en zei: “De Verhevene is mijn meester, ik ben zijn leerling.” De Boeddha antwoordde dat Pippali zich als volgt moest oefenen: “Pijnlijke zekerheid en fijngevoeligheid moeten aanwezig zijn. Wat voor leerreden je ook zult horen die het goede bevatten, die moet je allemaal opnemen en overwegen. Oplettend moet je naar de leer luisteren. Voortdurend moet je oplettendheid bij het lichaam uitoefenen.” (S.16.11). Pippali werd in de Orde opgenomen en kreeg de naam Kassapa.
 
   Niet lang daarna ging de Verhevene langs de weg aan de voet van een boom zitten. De eerwaarde Kassapa vouwde toen zijn gewaad uit stukken stof viervoudig op en spreidde het uit. Hij vroeg de Boeddha erop te gaan zitten opdat het Kassapa lange tijd tot heil en zegen zou strekken. De Boeddha ging op het opgevouwen gewaad zitten en zei dat het zacht was. De eerwaarde Kassapa vroeg toen aan de Boeddha het gewaad aan te nemen. De Boeddha vroeg of Kassapa dan het versleten gewaad van de Boeddha wilde dragen. En beiden ruilden van gewaad. (S.16.11).[152].
 
   Op de achtste dag na de inwijding kreeg de eerwaarde Kassapa het hoogste inzicht, hij werd toen een volmaakte heilige. (S.16.11). Hij werd een van de vooraanstaande discipelen van de Boeddha.
     
   De eerwaarde Kassapa kreeg later de naam Mahā Kassapa om hem te onderscheiden van andere monniken met de naam Kassapa en omdat hij grote eigenschappen had. Hij oefende de strenge praktijken (dhutanga) uit. Hij leefde voornamelijk in een bos of op een heuvel. Hij leefde van aalmoezen. Hij droeg gewaden gemaakt van lompen. Hij bezat alleen de drie gewaden (ondergewaad, bovengewaad en mantel). Hij was genoegzaam en energiek.
 
   Hij werd door de Boeddha als voorbeeld gesteld wat betreft tevredenheid. Want de eerwaarde Kassapa was tevreden met elk gewaad, met elk aalmoes, met elke slaapplaats, met elk gebruiksvoorwerp en elk geneesmiddel. (S.16.1).
 
   Eens kreeg de eerwaarde Kassapa een beetje eten van een melaatse. Toen deze het voedsel in de nap deed, viel een vinger van die melaatse in de nap. De eerwaarde Mahā Kassapa at het eten op en voelde geen afkeer tijdens het eten noch erna. (Thag. 1054-1057).
 
   De eerwaarde Mahā Kassapa was graag alleen, in de bossen of op de heuvels. Hij vermeed zoveel mogelijk het gezelschap van anderen. Hij vond dat men dan teveel afgeleid wordt en dat concentratie dan moeilijk is. (Thag. 1051-1053). Na de rondgang voor aalmoezen ging Mahā Kassapa onvermoeid naar de top van een heuvel. Daar ging hij dan mediteren, vrij en ongebonden. (Thag. 1058-1061). Hij hield ervan te vertoeven in de vrije natuur. Hij was graag in de heuvels, bedekt met wijnranken, waar heldere koele beken stroomden, waar de geluiden van olifanten en pauwhanen weerklonken, waar apen rondklommen en herten rondliepen, en waar vogels in groepen rondvlogen. Op zulke plekken ging hij graag mediteren, vastberaden en oplettend. (Thag. 1062-1070).
     De eerwaarde Mahā Kassapa verbleef echter ook bij de monniken in kloosters, zoals blijkt uit meerdere suttas. Hij had enkele leerlingen die de strenge praktijken navolgden. (zie S.14.15). En hij preekte ook tot anderen.
 
   De eerwaarde Maha Kassapa werd eens door de Boeddha aan de Orde voorgesteld als iemand die alle meditatieve verdiepingen kon intreden net zoals de Boeddha zelf dat kon. Ook bezat de eerwaarde Mahā Kassapa de bovennatuurlijke krachten net zoals de Boeddha; hij had het hemelse oog en het hemelse oor net zoals de Boeddha; hij onderkende het gemoed van anderen net zoals de Boeddha; hij herinnerde zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan net zoals de Boeddha; hij zag net zoals de Boeddha met het hemelse oog hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun wilsacties; hij had de volmaakte heiligheid verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had verwerkelijkt. (S.16.9).[153]
 
   Eens, te Rājagaha, in het Kalandakanivāpa, ging de eerwaarde Mahā Kassapa naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan de eerwaarde Kassapa: “Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken.”[154]
      De eerwaarde Maha Kassapa gaf ten antwoord: “Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk.[155] Ze tonen geen eerbied voor een toespraak.[156]
   De Boeddha: “Maar vroeger, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus bosbewoners geweest en hebben het bosleven geprezen. Zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij droegen lompenkleren en prezen het dragen van lompenkleren. Zij bezaten slechts drie gewaden en prezen het bezit van drie gewaden. Zij waren genoegzaam en hebben genoegzaamheid geprezen. Zij waren tevreden en hebben tevredenheid geprezen. Zij leefden alleen en hebben het alleen leven geprezen. Zij waren zonder seksuele omgang en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij waren energiek en hebben de energie geprezen.
   Wanneer dan een bhikkhu die een bosbewoner was en het bosleven prees, of een bhikkhu die van aalmoezen leefde en dat leven prees, of iemand die lompenkleren droeg en het dragen ervan prees, of iemand die slechts drie gewaden bezat en het bezit ervan prees, of iemand die genoegzaam was en de genoegzaamheid prees, of iemand die tevreden was en de tevredenheid prees, of iemand die alleen leefde en dat leven prees, of iemand die zonder seksuele omgang was en dat leven prees, wanneer een bhikkhu energiek was en de energie prees, dan plachten de eerwaarde bhikkhus hem uit te nodigen te gaan zitten. Zij vroegen dan naar zijn naam en prezen hem, met de gedachte dat hij graag onderricht wilde geven.
   Dan kwam bij de jonge bhikkhus de volgende gedachte op: “Wanneer een bhikkhu een bosbewoner is, van aalmoezen leeft, lompenkleren draagt, slechts drie gewaden bezit, genoegzaam is, tevreden is, alleen leeft, geen seksuele omgang heeft, energiek is, en dat leven prijst, dan plegen de ouderlingen hem uit te nodigen te gaan zitten. En die jonge bhikkhus zullen dan ernaar streven zoals die bosmonniken te worden. En dat zal hem lang tot heil en zegen strekken.
   Maar tegenwoordig, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus geen bosbewoners meer en prijzen het leven in een bos niet. Zij leven niet van aalmoezen, dragen geen lompenkleren, bezitten niet slechts drie gewaden, zijn niet genoegzaam, zijn niet tevreden, leven niet alleen, hebben seksuele omgang, zijn niet energiek en prijzen de energie niet.
   Wanneer dan een bhikkhu welbekend is en beroemd, en wanneer hij gewaden, aalmoezenspijs, bed en uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken (rijkelijk) ontvangt, dan nodigen de eerwaarde bhikkhus hen uit om te gaan zitten. De jonge bhikkhus zien dat en bij hen komt de gedachte op dat beroemde bhikkhus uitgenodigd worden te gaan zitten. Zij streven er dan naar om zo te worden zoals die welbekende bhikkhus. En dat zal hen lang tot onheil en leed strekken.
   Terecht kan men dan, Kassapa, zeggen: “Schade hebben de vrienden van het heilige leven ondervonden door datgene wat het heilige leven schaadt,[157] geteisterd zijn zij daardoor.” (S.16.8).[158]
 
   Ook bij twee andere gelegenheden vroeg de Boeddha aan de eerwaarde Maha Kassapa om een leerrede te houden. Als Mahā Kassapa het niet deed, dan zou de Boeddha zelf preken. De eerwaarde Mahā Kassapa gaf toen eveneens het antwoord dat het moeilijk was om tot de bhikkhus te spreken, dat zij niet geduldig waren om iets aan te nemen, dat zij niet toegankelijk waren voor vermaningen en dat zij geen eerbied toonden als zij een toespraak gehoord hadden. (S.16.6, S.16.7).
 
   De eerwaarde Mahā Kassapa was steeds welkom bij de gezinnen, als hij voor aalmoezen rondging. Hij was nooit onbescheiden. Hij had geen voorkeur voor bepaalde gezinnen. Hij koesterde ook geen gedachten dat zij hem veel zouden geven. Als hij niets kreeg, was hij niet bedroefd. Hij werd daarom door de Boeddha als voorbeeld gesteld wat betreft het opzoeken van gezinnen. (S.16.3 en S.16.4).
   Verder zei de Verhevene dat Mahā Kassapa de leer aan anderen preekte uit mededogen, met zuivere gedachten. Hij wenste geen voordeel ervan voor zich. Maar Mahā Kassapa onderwees de leer met de gedachte: “De Verhevene heeft de leer goed uitgelegd. Ze nodigt uit tot onderzoek. Ze leidt naar het hoge doel en is door wijzen op eigen kracht te begrijpen. Mogen degenen die de leer vernemen, die dan begrijpen.” Ook wat betreft de zuivere gedachten bij het onderrichten werd de eerwaarde Mahā Kasspa als voorbeeld gesteld. (S.16.3).
 
   Eens vertoefde de eerwaarde Mahā Kassapa te Savatthi in het Jetavana-park. Hij werd er door de eerwaarde Ānanda uitgenodigd om naar een bijeenkomst van de nonnen te gaan. Samen met de eerwaarde Ānanda ging de eerwaarde Mahā Kassapa toen naar haar toe en preekte tot haar. De non Thullatissā was er ontevreden over en zei: “Hoe kan Kassapa het passend vinden om de leer te preken in bijzijn van de wijze Ānanda.” De eerwaarde Mahā Kassapa zou gekwetst zijn geweest door deze woorden. De eerwaarde Ānanda bracht hem tot rust. (S.16.10).[159]
   De eerwaarde Mahā Kassapa zei toen aan de eerwaarde Ānanda dat hij persoonlijk door de Boeddha aan de Orde was voorgesteld als iemand die alle meditatieve verdiepingen kon intreden net zoals de Boeddha zelf dat kon. Ook had de Verhevene Mahā Kassapa aan de Sangha voorgesteld als iemand die de bovennatuurlijke krachten bezat, die het hemelse oog en het hemelse oor had, die het gemoed van anderen onderkende, die zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan herinnerde, die met het hemelse oog zag hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun wilsacties, die de volmaakte heiligheid had verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had verwerkelijkt. (S.16.10).
   De eerwaarde Mahā Kassapa verwees toen naar woorden van de Boeddha, tot hem gesproken te Savatthi (S.16.9). Hij stelde zich met die woorden op gelijk niveau als de Boeddha. Maar was dat ook zo? De eerwaarde Mahā Kassapa werd genoemd als de vooraanstaande van degenen die de strenge praktijken navolgden maar niet als de eerste van degenen die bovennatuurlijke krachten bezaten. Dat was de eerwaarde Mahā Moggallana. En degene die de vooraanstaande was van degenen die het hemelse oog hadden, was de eerwaarde Anuruddha. (A.I.24).
   Het hebben van die eigenschappen was toen niet iets bijzonders. Veel discipelen van de Boeddha waren zo wonderkrachtig, zo machtig als de eerwaarden Mahā Moggallāna, Mahā Kassapa, Kappina en Anuruddha. Veel discipelen hadden wonderkracht (iddhi), konden zich aan vroegere vormen van bestaan herinneren, hadden het goddelijk oog en waren volmaakte heiligen. (S.6.5).
      Waarom de eerwaarde Mahā Kassapa toen aan de eerwaarde Ānanda vertelde welke vermogens hij allemaal had en zich op gelijk niveau stelde als de Boeddha, is onduidelijk. Volgens Hellmuth Hecker was het bedoeld om de eerwaarde Ānanda aan te sporen ook naar die niveaus van meditatie en naar volmaakte heiligheid te streven. Volgens mij kan het ook zijn dat die passage later is toegevoegd. Want een volmaakte heilige pocht niet met zijn verworven eigenschappen en acht zich niet minder, gelijkwaardig of meer dan iemand anders.
 
   Eens verbleef de eerwaarde Mahā Kassapa te Rajagaha. De eerwaarde Ānanda trok toen ten zuiden van de heuvels van Rājagaha rond met een groep jonge monniken. En dezen waren niet erg gedisciplineerd. Na zijn rondgang ging de eerwaarde Ānanda naar de plek waar de eerwaarde Mahā Kassapa vertoefde. Deze verweet de eerwaarde Ānanda toen het gebrek aan oefening van die jongelingen. Hij maakte de eerwaarde Ānanda verwijten, noemde hem een vertrapper van gewassen en een bederver van gezinnen. Ook zei de eerwaarde Mahā Kassapa: “Deze knaap kent zijn eigen maat niet.” De eerwaarde Ānanda gaf ten antwoord: “Kassapa, mijn hoofd is al vol met grijze haren en toch zegt u nog steeds ‘knaap’ tegen mij.” De non Thullanandā ergerde zich over deze gebeurtenis. “Hoe durft Kassapa, die eens tot een andere sekte behoorde, de wijze Ânanda te berispen door hem knaap te noemen.” De eerwaarde Mahā Kassapa zei toen dat die non te vlug en zonder overleg gesproken had. Want vanaf zijn intrede in de Orde had hij geen andere meester tot toevlucht gehad dan de Verhevene. Hij sprak toen ook erover dat hij eens zijn gewaad had geruild tegen dat van de Verhevene. Daarom was Mahā Kassapa een echte zoon van de Verhevene, een erfgenaam van de waarheid.[160] Verder zei de eerwaarde Mahā Kassapa toen weer dat hij alle jhanas kon intreden net zoals de Boeddha dat kon, dat hij beschikte over de zes bovennatuurlijke krachten en dat hij net zoals de Boeddha de volmaakte Verlichting had bereikt. (S.16.11).
   De eerwaarde Kassapa bezat de iddhi-vermogens. Die kunnen ook verkregen worden door mensen die geen volgelingen van de Boeddha zijn. Het verkrijgen van die vermogens is door de Boeddha niet aanbevolen. De eerwaarde Ānanda bezat de kracht van onderrichten. Dat vermogen wordt bij de eerwaarde Maha Kassapa niet vermeld.
   Waarom de eerwaarde Mahā Kassapa die toch een volmaakte heilige was, hier weer zijn vermogens opsomde, is mij niet duidelijk. Is dat tekstgedeelte misschien door leerlingen van Mahā Kassapa ingevoegd?
 
   Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha in het Veluvana-park. Op die tijd verbleef de eerwaarde Mahā Kassapa in de Pipphali-grot. Hij werd er door een ziekte gekweld; hij leed zeer daaronder en was zwaar ziek. Toen stond de Gezegende op van zijn eenzame plek en bracht in de avonduren een bezoek aan de eerwaarde Mahā Kassapa, ging naast hem zitten op een voor hem gereed gemaakte stoel en sprak: “Wel, Kassapa, hoe is het met je? Kun je het uithouden? Kun je je lijden verdragen? Zijn er tekenen dat je pijn afneemt? Of neemt ze toe?” Het antwoord van de eerwaarde Maha Kassapa luidde: “Neen, Eerwaarde Heer, ik kan het niet uithouden, ik kan het niet verdragen, de pijn is erg groot. Er is geen teken dat de pijn afneemt, maar wel dat ze toeneemt.” De Boeddha zei daarop: “Welnu, Kassapa, de volgende zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd. Het zijn: Oplettendheid. Onderzoek van de leer. Inspanning met volharding. Vervoering. Kalmte. Concentratie. Gelijkmoedigheid.    Deze zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij voeren naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.” De eerwaarde Maha Kassapa verklaarde hierop: “Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting. Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting.” Hij verheugde zich in zijn hart over de woorden van de Boeddha. Hierna herstelde de eerwaarde Maha Kassapa van zijn kwaal en die kwaal verdween. (S.V.2.)
 
   De eerwaarde Maha Kassapa vertoefde eens nabij Rajagaha en werd er ziek. Toen hij weer aan de beterhand was, ging hij naar Rajagaha voor aalmoezen. Veel godheden wilden hem hemels voedsel brengen. Maar de eerwaarde Maha Kassapa weigerde dat.[161] Hij ging naar de wijk van de wevers, waar veel armen en behoeftigen woonden. De Boeddha die toen ook te Rajagaha verbleef, zag dit en zei: “Wie alleen gaat, niet voor anderen zorgt, niet bekend vanwege zijn eigenschappen, beheerst, gevestigd in de kern van de waarheid, zonder smetten of fouten, hem noem ik een brahmaan.” (Ud. I.6).[162]
   Bij de meerderheid van de udanas moet de samensteller het verhaal en de oude uitspraak hebben samengevoegd. Of bovenstaand verhaal over Mahā Kassapa en de uitspraak van de Boeddha inderdaad bij elkaar horen, is dan ook niet zeker.
   Bij twee andere gelegenheden is eveneens sprake van een ontmoeting van de eerwaarde Maha Kassapa met een godheid. Of die verhalen inderdaad betrekking hebben op de eerwaarde Maha Kassapa, is niet zeker. Ik heb ze echter hier opgenomen.
 
   Eens verbleef de eerwaarde Maha Kassapa zeven dagen lang in onafgebroken meditatie in de Pipphali grot. Toen hij uit die meditatie kwam, zag hij een arme maar devote jonge vrouw die eten klaarmaakte. Om haar de gelegenheid te geven iets aan een volmaakte heilige te geven, ging hij naar het huis van haar toe en bleef er staan voor aalmoezen. De jonge vrouw was erg blij toen zij de eerwaarde Maha Kassapa zag. Vol eerbied zei zij: “Eerwaarde heer, moge ik door deze nederige gave van mij de waarheid inzien.” De eerwaarde Maha Kassapa gaf ten antwoord: “Zo zal het zijn.”
   Iets later werd de jonge vrouw door een giftige slang gebeten. Zij werd in de Tavatimsa hemel wedergeboren als een godheid met grote pracht. De godheid besefte dat zij daar was wedergeboren dankzij het eten dat zij aan de eerwaarde Maha Kassapa had gegeven. Zij was hem erg dankbaar en besloot verder te gaan met het doen van verdienstelijke daden. Elke morgen ging zij naar het klooster en veegde er het erf, vulde de waterpotten, en deed andere diensten.
   Aanvankelijk dacht de eerwaarde Maha Kassapa dat jonge novicen die diensten hadden verricht. Maar op een dag ontdekte hij dat een vrouwelijke godheid die diensten had verricht. Hij vroeg haar niet meer naar het klooster te komen. De mensen zouden anders beginnen te praten omdat zij vaker gezien was in het klooster. De godheid was erg bedroefd en smeekte hem luidkeels: “Eerwaarde heer, vernietig niet mijn rijkdom, mijn weelde.”
   De Boeddha hoorde haar. Hij troostte haar met de woorden dat verdienstelijke daden erg belangrijk zijn. Maar als een jonge vrouw was het niet raadzaam voor haar om naar het klooster te komen en er activiteiten te verrichten. De eerwaarde Maha Kassapa moest immers ontzegging uitoefenen.
 
      “Als iemand een verdienstelijke daad verricht,
      dan moet hij het steeds weer doen.
      Hij moet er behagen in scheppen.
      Vol zegen is het ophopen van verdienste.” (Dhp.118).[163]
 
   Eens vertoefde de Boeddha nabij Rajagaha in een bos. De eerwaarde Maha Kassapa zat toen zeven dagen lang in een grot in diepe meditatie verzonken. Na uit die meditatieve sfeer gekomen te zijn, ging de Eerwaarde Maha Kassapa naar een wijk waar arme mensen woonden in de stad Rajagaha om er aalmoezen te vergaren. Vijfhonderd vrouwelijke godheden waren toen bezig om maaltijden voor de eerwaarde Maha Kassapa gereed te maken. Hij wees die hemelse gaven echter af. Want hij wilde een arm mens de gelegenheid geven grote verdienste te verwerven.
   Sakka, de koning van de goden, wilde van de gelegenheid gebruik maken om aan de eerwaarde Maha Kassapa aalmoezen te geven en ook verdiensten te verwerven. Hij ging met zijn vrouw naar Rajagaha en nam de vorm aan van een arme oude wever. De eerwaarde Maha Kassapa ging van huis tot huis en kwam ook bij de deur van Sakka. De oude wever nam de nap van Kassapa en vulde die nap met voedsel. De heerlijke geur van die maaltijd verspreidde zich overal. Toen besefte de eerwaarde Maha Kassapa dat die oude man Sakka zelf was.
 
   “Doe dat niet meer,” zei de eerwaarde Kassapa. “Maar ook wij hebben verdiensten nodig,” zei Sakka. “Ook wij moeten verdiensten verwerven.” De eerwaarde Maha Kassapa zei dat Sakka verdiensten verworven had. Hierna groetten Sakka en zijn vrouw de eerwaarde Maha Kassapa vol eerbied en vertrokken.
   In de lucht sprak Sakka drie keer vol vreugde: “Het geven van aalmoezen aan de eerwaarde Kassapa is zeer goed.” (Ud. III.7).
   De Boeddha vertelde aan de bhikkhus over die gebeurtenis. De monniken vroegen zich af hoe Sakka had geweten dat de eerwaarde Kassapa uit zijn meditatieve verdieping was gekomen en dat het de juiste tijd was om hem iets aan te bieden. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Monniken, de reputatie van een deugdzame zoals Maha Kassapa verspreidt zich wijd en zijd, tot zelfs in de wereld van de godheden. Op grond van zijn goede reputatie kwam Sakka zelf om aan Maha Kassapa eer te betuigen.”
 
   “De monnik die rondgaat voor aalmoezen tot onderhoud voor zichzelf, die niemand anders heeft om voor te zorgen, iemand in vrede, en steeds oplettend, - hij is dierbaar bij godheden.” (Ud. III.7)
 
   “De geur van tagara en van sandelhout is erg zwak. Maar de geur (reputatie) van de deugdzame is zeer sterk. Hij strekt zich uit tot zelfs in de verblijven van de goden. (Dhp.56).[164]
 
   Eens vertoefde de eerwaarde Mahā Kassapa in het bamboepark te Rajagaha. Hij hield er een toespraak tot de monniken. “Wie beweert dat hij de volmaakte Verlichting bereikt heeft, en dat niet heeft bereikt, overschat zichzelf. Hij kan veel weten maar hij heeft niets bereikt. Hij is nog vol hebzucht, vol begeerte, vol starheid en traagheid, hij is opgewonden en heeft twijfel. Hij vindt plezier in praten, slapen, omgang met anderen. Hij is niet oplettend. Er was nog iets hogers te doen maar die monnik stopte halverwege om een voordeel te verkrijgen. Dat geldt als een teruggang. Maar als hij die dingen heeft overwonnen, kan hij de volmaakte heiligheid bereiken.” (A.X.86).
 
   Eens vertoefden de eerwaarden Mahā Kassapa en Sāriputta te Isipatana. In de avond ging de eerwaarde Sāriputta na de meditatie naar de eerwaarde Mahā Kassapa toe en vroeg hem of de Verhevene na de dood is of niet is of zowel is als niet is. Het antwoord luidde dat de Verhevene daarover niets had meegedeeld omdat het niet heilzaam is, niet naar de volmaakte Verlichting voert. De eerwaarde Sariputta vroeg toen wat de Boeddha wel had meegedeeld. En de eerwaarde Kassapa gaf ten antwoord dat de Boeddha de vier edele waarheden – lijden, oorsprong ervan, opheffing ervan en pad dat voert naar de opheffing van lijden – had meegedeeld. Want dat is heilzaam, voert naar de volmaakte Verlichting. (S.16.12).
   Waarom de eerwaarde Sariputta die vragen aan de eerwaarde Mahā Kassapa stelde, is onduidelijk. Want een volmaakte heilige kende de antwoorden. Volgens Hecker waren misschien bhikkhus in de buurt voor wie de antwoorden van de eerwaarde Mahā Kassapa nuttig waren.
 
   Bij een andere gelegenheid, te Isipatana, spraken de eerwaarden Mahā Kassapa en Sariputta weer met elkaar. Degene die niet fijngevoelig en niet ijverig is, kan de volmaakte heiligheid niet verkrijgen. Maar degene die fijngevoelig en ijverig is, kan de volmaakte heiligheid verkrijgen. Want hij denkt: “Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan als het ontstaat, tot nadeel strekken. Het kwade dat in mij is ontstaan, moet opgegeven worden. In mij moet het goede ontstaan en het moet daar blijven.” (S.16.2).
 
   Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavanapark te Savatthi. De eerwaarde Mahā Kassapa ging naar hem toe en vroeg waarom er vroeger minder voorschriften waren en meer bhikkhus die volmaakt heilig waren; en waarom er thans meer voorschriften waren en minder bhikkhus die volmaakt heilig waren. De Boeddha zei dat de goede leer verdwijnt als het moreel gedrag van de mensen achteruit gaat. Dan komen er meer voorschriften en dan zijn er minder heiligen. Als dwaze mensen de goede leer vervalsen, dan gaat de leer verdwijnen. Maar de goede leer zal niet verdwijnen zolang de volgelingen van de Boeddha vol eerbied en hoogachting zijn tegenover de meester, tegenover de leer, tegenover de gemeenschap (van de heiligen), tegenover de training en tegenover geestelijke concentratie. (S.16.13).[165]
 
   Eens zei de Boeddha tot de eerwaarde Mahā Kassapa: “Kassapa, je bent oud geworden. De versleten lompenkleren zijn lastig voor je. Draag daarom gewaden die door leken geschonken zijn, geniet van hun uitnodigingen en woon in mijn nabijheid.” De eerwaarde Mahā Kassapa antwoordde dat hij al lang een bosbewoner was en van aalmoezen leefde en dat hij zo’n  leven prees. Hij zei dat hij al lang de strenge praktijken navolgde, tevreden was en alleen leefde. Op de vraag van de Boeddha waarom de eerwaarde Mahā Kassapa zo’n leven voerde, zei deze: “Omwille van mijn eigen welbevinden en uit medelijden met het latere geslacht. Dat zal er een voorbeeld aan nemen en ernaar streven zo te worden. En dat zal hen tot heil en zegen strekken.” De Boeddha zei toen dat Mahā Kassapa had gestreefd naar het heil en geluk van veel mensen. Hij zou maar zo blijven leven als hij gewend was. (S.16.5).
 
   De eerwaarde Mahā Kassapa was niet aanwezig bij het overlijden van de Boeddha. Hij was toen onderweg van Pāvā naar Kusināra met een grote menigte monniken. Op zijn route ging de Eerwaarde Mahā Kassapa van de weg af en ging aan de voet van een boom zitten. (D.16).[166] Intussen naderde een naakte asceet, een Ajīvaka,[167] die op weg was naar Pāvā. Hij had een mandārava-bloem in Kusināra tot zich genomen.[168] De eerwaarde Mahā Kassapa zag de Ajīvaka van verre aankomen. Toen deze naderbij kwam, zei hij tot hem: “Vriend, weet jij iets over onze Leraar?”[169] – “Ja, vriend, ik weet iets. Heden zijn het zeven dagen geleden dat de boeteling Gotama volledig uitgedoofd is. Vandaar heb ik deze mandarava-bloem meegebracht.” [170]
   Na de mededeling van die asceet hieven sommige monniken die nog niet vrij van hartstochten waren, hun armen omhoog en weenden. Anderen wierpen zich op de grond neer, rolden heen en weer en zeiden: “Veel te vlug is de Verhevene uitgedoofd; veel te vlug is de Gezegende uitgedoofd; veel te vlug is het oog der wereld verdwenen.” Maar de monniken die vrij van hartstochten waren, oplettend en bezonnen, zeiden: “Vergankelijk is alles wat samengesteld is. Een andere mogelijkheid is er niet!”
   
   In die bijeenkomst zat ook een monnik, geheten Subhadda,[171] die pas op oude leeftijd de wijding ontvangen had. En hij zei tot die monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Wel-bevrijd zijn wij van die grote boeteling. Al te lang zijn wij onderdrukt door zijn woorden: ‘Dat is betamelijk voor jullie; dat is niet betamelijk voor jullie.’ Thans echter kunnen wij datgene doen wat wij willen; en wat wij niet willen, zullen wij niet doen.”[172]
 
      Maar de eerwaarde Mahā Kassapa zei tot de monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Want heeft niet de Verhevene voorheen dit aan jullie verkondigd, namelijk dat er bij alles wat lief en dierbaar is, verandering, scheiding en afzondering moet zijn. Vrienden, hoe zou dat anders mogelijk zijn! Dat iets wat geboren, ontstaan, samengesteld, aan verval onderhevig is, niet tot verval geraakte, zoiets is een onmogelijkheid.” (D.16).
 
   Het vuur van de brandstapel kon door de Mallas zeven dagen lang niet aangestoken worden. Volgens de overlevering hadden de goden[174] een andere bedoeling dan de Mallas. De eerwaarde Anuruddha legde uit dat de bedoeling van de goden als volgt was: ‘De eerwaarde Mahā Kassapa is met een grote menigte monniken op weg van Pāvā naar Kusināra. Niet eerder zal de brandstapel van de Verhevene opvlammen voordat de eerwaarde Mahā Kassapa aan de voeten van de Verhevene zijn verering bewezen heeft.’”
 
   Toen de eerwaarde Mahā Kassapa en zijn groep monniken waren aangekomen en drie keer rond de brandstapel gelopen waren en de voeten van de Verhevene hadden geëerd, vloog de brandstapel volgens de overlevering vanzelf in brand. (D.II.163).[175].
 
   Dit moet een verzinsel zijn en later toegevoegd. Misschien heeft men van zijn komst vernomen en met de crematie van de Boeddha gewacht totdat hij met zijn discipelen arriveerde.
 
   De eerwaarde Mahā Kassapa herinnerde zich de woorden van Subhadda dat zij nu konden doen wat zij graag wilden. Daarom riep de eerwaarde Kassapa de monniken samen. Hij was de oudste van hen. Hij zou, vanwege het feit dat de Boeddha met hem van gewaad geruild had, door deze beschouwd zijn als geschikt voor de taak om als voorzitter van de vergadering van monniken te fungeren. Op zijn verzoek moesten alle monniken die geen arahant waren, Rājagaha in het regenseizoen verlaten.
   Schneider merkte op dat Mahā Kassapa de gebeurtenis met Subhadda als aanleiding heeft gebruikt om als hoofd van de Sangha te fungeren en een concilie te houden.
 
   Op het einde van het concilie zou de eerwaarde Ānanda gezegd hebben dat de mindere regels konden worden opgegeven. Hij werd ervan beschuldigd niet te hebben gevraagd welke die mindere regels waren. Er zouden toen verschillende meningen geopperd zijn. Omdat er geen eenheid onder de monniken kwam, zou de eerwaarde Mahā Kassapa besloten hebben dat alle regels opgevolgd moesten worden. Maar de eerwaarde Ānanda en de eerwaarde Mahā Kassapa en ook de andere monniken wisten toen heel goed welke de mindere regels waren. De eerwaarde Ānanda hoefde dus niet te vragen wat die regels inhielden. En de eerwaarde Mahā Kassapa heeft toen ook niet besloten dat alle regels opgevolgd moesten worden. Dat hele verhaal moet later toegevoegd zijn.
 
   Aan de eerwaarde Mahā Kassapa en diens leerlingen werd op het concilie gevraagd zorg te dragen voor de Samyutta Nikaya.
 
   Volgens Hecker zou de eerwaarde Maha Kassapa later de nap van de Boeddha overhandigd hebben aan de eerwaarde Ānanda, als een symbool van het trouw handhaven van de leer. Op die manier zou de eerwaarde Maha Kassapa die algemeen in de Orde als de waardigste in opvolging werd beschouwd, op zijn beurt de eerwaarde Ānanda hebben gekozen als de waardigste na hem.
 
   De eerwaarde Mahā Kassapa werd erg oud. Volgens het commentaar was hij op het 1e concilie 120 jaar, d.w.z. heel oud.
 
      Rond zijn figuur zijn veel wonderbaarlijke verhalen verzonnen. Ze zijn o.a. te vinden in de commentaren en in de Jatakas.
 
   Volgens noordelijke bronnen stierf de eerwaarde Mahā Kassapa niet maar vertoeft hij in de bergen, in samādhi, wachtende op de komst van de volgende Boeddha, Metteyya.[176]
 _____

[146] Deze brahmaan bezat 16 dorpen.
[147] Het verhaal over de jaren voordat de eerwaarde Maha Kassapa in de Orde intrad, is ontleend aan: Hecker, Hellmuth: Maha Kassapa, Father of the Sangha. Revised and enlarged translation from the German by Nyanaponika Thera. Kandy: BPS, 1995. (Internet-versie).
[148] Het verhaal over de vogels die de wormen pikten en opaten en dat hij daarna inzicht zou hebben gekregen in de wet van morele daden en de gevolgen ervan (kamma-vipaka) moet verzonnen zijn. Kassapa was een brahmaan en had voordien waarschijnlijk niets gehoord van de leer van de Boeddha. Het verhaal zelf lijkt erg veel op de legende van prins Siddhattha toen deze mediteerde onder een boom nadat zijn vader het eerste ploegen van de velden verricht had.
   Dit gaat eveneens op voor het verhaal over zijn vrouw Bhadda die inzicht in kamma-vipaka zou hebben gekregen bij het zien van vogels die insecten opaten. De wet van kamma-vipaka, wilsacties en morele gevolgen, is zuiver Boeddhistisch. In die leer kunnen beiden niet vóór kennismaking met de leer van de Boeddha inzicht hebben gekregen.
[149] Commentaar: Toen Kassapa en zijn vrouw de wereld verzaakten door verschillende richtingen te gaan op een kruispunt, beefde de aarde. De Boeddha zat toen in het Veluvana in zijn Gandhakuti en merkte wat die aardbeving betekende. Hij liep toen drie gāvutas om zijn latere discipel te ontmoeten. (An 2003, p. 201 noot 4).
[150] Maar ook dit is een verzinsel. Het kan waar zijn dat Kassapa al vroeg in zijn leven een ascetisch leven wilde voeren. Maar dat hij toen al de verdiensten ervan aan de arahants zou hebben opgedragen, lijkt me onwaarschijnlijk. Beslist had hij toen als brahmaan nog niets vernomen van de Boeddhistische niveaus van heiligheid.
   Aan de voorgaande verhalen moet men weinig of geen waarde hechten.
[151] Volgens het commentaar zag de eerwaarde Kassapa de aura van de Boeddha en ook zag hij diens 32 kentekenen van een groot man. – Over de 32 kentekenen van een groot man, zie: N. Moonen: De Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme. Kerkrade 2002, p. 32-37.
[152] Hecker merkte op dat dit ruilen van gewaden beschouwd kan worden als een grote eer voor de eerwaarde Kassapa. Maar de Boeddha kan er volgens het commentaar ook mee bedoeld hebben de eerwaarde Kassapa te motiveren om andere ascetische praktijken (dhutanga) te gaan beoefenen, zoals: alleen drie gewaden dragen en bij het rondgaan voor aalmoezen geen enkel huis overslaan. Zo’n gedrag zou meer in overeenstemming zijn met het dragen van het gewaad van de Boeddha.
   Het is echter eerder aan te nemen dat de Boeddha’s gave een spontane daad was als reactie op de gave van Kassapa’s gewaad aan hem. (An 2003, p. 201 noot 6).
[153] S.16.9. (S.II.211) Die Versenkungen und die Wunderkräfte, in: Geiger II, 1925, p. 270-276.
[154] Volgens Hecker betekent dit verzoek van de Boeddha dat deze Kassapa’s vaardigheid om de leer te verkondigen erg waardeerde. Want niet elke arahant kon de leer goed uitleggen. – Het commentaar zegt dat de Boeddha hier aan de eerwaarde Kassapa vroeg om de leer te verkondigen, en niet aan de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana, omdat hij wist dat beiden eerder dan hem zouden overlijden. Maar de eerwaarde Kassapa zou hem overleven.
[155] niet geduldig iets aan te nemen.
[156] Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak gehoord hebben.
[157] het commentaar zegt dat ermee bedoeld is geschaad door te veel begeerte. (Geiger II, 1925, p. 270, noot 2)
[158] S.16.8. (S.II.208) in: Geiger II, 1925, p. 268-270.
[159] Het woord “gekwetst” past hier niet. Het is beslist een woordkeuze van latere reciteerders. Een arahant heeft geen enkel egoïsme meer. De volmaakte heilige voelt zich niet gekwetst door wat dan ook, omdat er niets meer in hem is dat op een “ik” betrekking heeft. Woorden kunnen hem dan ook niet deren. De eerwaarde Ananda hoefde hem dan ook niet tot rust te brengen. De gemoedsrust van de eerwaarde Maha Kassapa zal door de woorden van de non Thullatissa niet verstoord zijn geworden.
[160] Door het ruilen van gewaden is men geen echte zoon van de Boeddha, is men geen erfgenaam van de waarheid. Maar door de leer juist na te volgen, door een of meer niveaus van heiligheid te bereiken is men een zoon van de Boeddha. – Ik denk dat hier weer iets is ingevoegd.
[161] Hecker schreef dat dit aantoont dat de eerwaarde Maha Kassapa onafhankelijk van geest was en dat hij vastbesloten was zijn ascetisch leven vol te houden en geen privileges aan te nemen.
[162] De ware brahmaan is volgens de Verhevene degene die vrij is van euvele dingen, die niet hoogmoedig is en die zelfbeheerst is. Hij bedoelde er de volmaakte heilige mee.
[163] Dhp. 118 in: K. Sri Dhammananda: The Dhammapada. 1988, p. 264; en in: Narada: The Dhammapada, 1978, p. 112-113.
[164] Dhp.56, in: Dhammananda 1988, p. 143; en in: Narada: The Dhammapada. 1978, p. 57-58; en Ud. III.7 in: Woodward 1985, p. 34-36.; en in Ireland 1990, p. 45-47.
[165] Hecker merkte op dat volgens deze tekst ook de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen bewaarders van de leer zijn. Als de Dhamma niet meer leeft bij de monniken, kunnen de leken die nog eren en waarderen.
[166] Volgens het commentaar van Buddhaghosa ging hij er neerzitten om er te rusten in de hete middaguren. (An 2003, p. 193).
[167] Ajīvaka = een naakte boeteling. - Een Ajīvaka was een klasse van naakte asceten die Makkhali Gosala navolgden, een tijdgenoot van de Boeddha. Zij ontkenden karma en het resultaat ervan en geloofden in het lot (voorbestemming). (An 2003, p. 194 noot 1).
[168] mandārava-bloem = hemelse koraalbloem.
[169] Het parinibbāna van de Verhevene zou gepaard zijn gegaan met een aardbeving en door die aardbeving besefte de eerwaarde Kassapa dat de Boeddha was overleden. (An 2003, p. 195 noot 4).
   Volgens Buddhaghosa dacht de eerwaarde Maha Kassapa bij het zien van de mandārava-bloem: “Deze bloem verschijnt niet elke dag onder de mensen. Maar als iemand met bovennatuurlijke krachten een wonder verricht, kan ze verschijnen. Zo verschijnt ze wanneer de alwetende Bodhisatta neerdaalt in de schoot van zijn moeder. Maar vandaag is dat niet het geval. Vandaag heeft mijn Meester ook niet de Verlichting bereikt noch de leer voor het eerst verkondigd. Hij heeft ook niet het tweelingwonder verricht noch afstand gedaan van zijn leven. Beslist heeft mijn leraar die erg oud is, parinibbāna bereikt.” En de eerwaarde Kassapa dacht toen dat het goed was de asceet te vragen. Hij vond het niet eerbiedig tegenover de Leraar als hij zittend zou vragen. Daarom stond hij op, ging terzijde en kleedde zich met het gewaad gemaakt van lompen hetwelk hem door de Verhevene geschonken was. (An 2003, p. 194).
   De verhalen van Buddhaghosa over de aardbeving en de mandarava-bloem zijn ongeloofwaardig. Ook zou de eerwaarde Maha Kassapa het gewaad dat hij met de Boeddha geruild had, bij zich gehad moeten hebben tijdens zijn tocht. Dat gewaad zou na al die jaren nog niet versleten zijn. Maha Kassapa volgde de ascetische praktijken en had alleen drie gewaden (mantel, bovengewaad en ondergewaad).
   Buddhaghosa vermeldt in zijn commentaar dat onder het gevolg van de eerwaarde Maha Kassapa sommige monniken waren die de Verhevene al hadden ontmoet. Maar anderen hadden hem nog niet ontmoet. Degenen die hem al ontmoet hadden, wilden hem nog een keer zien; en degenen die hem nog niet ontmoet hadden, wilden hem graag zien. De eerwaarde Maha Kassapa dacht: “Als degenen die de Verhevene nog niet gezien hebben, nu naar Kusināra gaan met een groot verlangen om hem te zien en dan daar te horen krijgen dat de Verhevene parinibbāna heeft bereikt, zullen zij niet in staat zijn om zich te beheersen. Zij zullen hun gewaden en nappen neerleggen, slechts gekleed in het ondergewaad zich op de bort slaan en luid wenen. Dan zullen de mensen mij berispen en zeggen dat de monniken die met Kassapa kwamen, luid wenen als vrouwen. En zij zullen vragen hoe die monniken dan anderen kunnen troosten. Maar hier is het een afgelegen plek en het is niet verkeerd om te wenen. Als zij het van tevoren weten, wordt hun verdriet verminderd.” Daarom vroeg de eerwaarde Maha Kassapa het aan de asceet, hoewel hij het al wist, zodat de monniken in staat waren oplettendheid te herkrijgen. (An 2003, p. 195-196).
[170] Volgens Buddhaghosa dacht de eerwaarde Kassapa bij het zien van de mandārava-bloem: “Deze bloem verschijnt niet elke dag onder de mensen. Maar als iemand met bovennatuurlijke krachten een wonder verricht, kan ze verschijnen. Zo verschijnt ze wanneer de alwetende Bodhisatta neerdaalt in de schoot van zijn moeder. Maar vandaag is dat niet het geval. Vandaag heeft mijn Meester ook niet de Verlichting bereikt noch de leer voor het eerst verkondigd. Hij heeft ook niet het tweelingwonder verricht noch afstand gedaan van zijn leven. Beslist heeft mijn leraar die erg oud is, parinibbāna bereikt.” En de eerwaarde Kassapa dacht toen dat het goed was de asceet te vragen. Hij vond het niet eerbiedig tegenover de Leraar als hij zittend zou vragen. Daarom stond hij op, ging terzijde en kleedde zich met het gewaad gemaakt van lompen dat hem door de Verhevene geschonken was. (An 2003, p. 194).
Dit verhaal is ongeloofwaardig. Zoals al vermeld, zou de eerwaarde Kassapa dat gewaad dan bij zich gehad moeten hebben tijdens zijn tocht.
[171] Deze Subhadda had twee zonen voordat hij in de Orde intrad. Hij was een novice toen de Boeddha Ātumā bezocht. (An 2003, p. 196 noot 4). - Ātumā was een plaats gelegen tussen Kusināra en Sāvatthi. (An 2003, p. 197 noot 2).
[172] Buddhaghosa’s commentaar: Subhadda zei dit omdat hij de Boeddha vijandig gezind was. Subhadda was vroeger een barbier. Hij trad in de Orde in op oude leeftijd. Toen de Gezegende Kusināra verliet samen met 1250 monniken en naar Ātumā kwam, vernam Subhadda dit. Hij wilde rijst-melk (yāgu) aanbieden. en vertelde dit aan zijn twee zonen die novices waren. Hij vroeg hun van huis tot huis te gaan met de benodigdheden van een barbier, een olie-zakje en een grote zak. Daarin moesten zij zout, olie, rijst en vast voedsel verzamelen. Hij wilde daarmee rijst-melk maken voor de Verhevene. De mensen gaven heel veel. Toen de Boeddha te Ātumā was aangekomen, vroeg Subhadda aan de mensen van de stad om hem te helpen met het klaarmaken van de maaltijd. De hele nacht waren zij ermee bezig.
   Vroeg in de morgen ging de Boeddha met de gemeenschap van de monniken naar Ātumā om er voedsel te vergaren. Subhadda knielde met zijn rechter knie op de grond voor de Verhevene neer en vroeg hem de pap aan te nemen. De Verhevene stelde toen vragen over de gave. Toen hij het antwoord hoorde, berispte hij Subhadda dat hij als monnik anderen liet doen wat niet geoorloofd was. (An 2003, p. 196-199).
   Volgens Buddhaghosa ging de Boeddha verder met het rondgaan voor voedsel. Tot de monniken zei hij dat het eten dat door Subhadda was aangeboden, niet geoorloofd was en dat zij vele duizenden levens in de hel zouden wedergeboren worden als zij ervan aten. Daarom nam geen enkele monnik iets ervan. Subhadda werd toen erg ongelukkig omdat de Boeddha zijn gave niet aannam. En zo werd hij vijandig gezind jegens de Gezegende. Maar zolang als deze leefde kon hij niets zeggen. Toen hij dan ook vernam dat de Verhevene parinibbāna had bereikt, was hij erg blij. (An 2003, p. 199-200).
   De eerwaarde Kassapa hoorde de woorden van Subhadda en was bezorgd over de leer. Hij dacht: “Als deze man inderdaad in staat is om anderen om zich heen te verzamelen die net zoals hij denken, dan zal de leer verdwijnen. En als ik hier ter plekke die oude man uit de Orde zet, zullen de mensen denken dat er al twist is onder de monniken terwijl de Verhevene nog niet gecremeerd is. Laat ik daarom geduld beoefenen en de Dhamma en de Vinaya laten reciteren, Dan zullen die stevig gegrondvest zijn. Om die reden liep de Verhevene drie mijlen om mij te ontmoeten, gaf mij de wijding met drie leerreden, ruilde zijn eigen gewaad tegen dat van mij en liet mij de leer inzien. Ik zal de Dhamma en de Vinaya laten reciteren om verkeerde leringen eruit te verwijderen. Dan zullen de monniken weten wat juist en wat niet juist is. En dan zal de boze man gecensureerd worden en zich niet kunnen handhaven. De leer zal voorspoedig en populair zijn.” Zonder deze gedachtengang mee te delen, troostte hij de monniken. (An 2003, p. 200-202).
[173] Schneider merkte op dat de episode met de monnik Subhadda later toegevoegd is, vermoedelijk door de Eerwaarde Mahā Kassapa zelf. Deze zou die gebeurtenis als aanleiding hebben gebruikt om als hoofd van de Sangha te fungeren en een concilie te houden. (Schneider 1980, p. 128-132).
[174] Met die goden zijn volgens het commentaar bedoeld de goden die de eerwaarde Maha Kassapa begeleidden. Tachtigduizend families die voor de tachtig grote discipelen zorgden, kregen vertrouwen in hen en werden wedergeboren in de hemel. Toen die goden de eerwaarde Maha Kassapa niet bij de gemeenschap rond de brandstapel zagen, vroegen zij zich af waar de ouderling was. Zij zagen dat hij onderweg was en besloten de brandstapel niet eerder te laten ontbranden totdat Maha Kassapa er zijn opwachting had gemaakt. (An 2003, p. 202-203).
   Volgens een andere versie gaf Anuruddha ten antwoord dat de goden Maha Kassapa dankbaar waren en dat door hun macht de vlammen niet wilden branden voordat de ouderling was aangekomen. (An 2003, p. 203 noot 3).
[175] Buddhaghosa’s commentaar: Na om de brandstapel te zijn heengegaan, keek Maha Kassapa goed waar de voeten waren. Hij ging er dicht bij staan en bereikte er de 4e jhāna welke de basis is van intuïtieve kennis. Hij kwam weer uit die meditatieve verdieping en besloot: “Laten de voeten van de Verhevene de 100 paren van gewaden met de omhulsels van katoen in tweeën splijten, en de gouden kist, en de brandstapel van sandelhout, en moge dat alles op mijn hoofd geplaatst worden.” En zo geschiedde. De ouderling strekte zijn armen uit, greep de goudkleurige voeten van de Verhevene vast bij de enkels en legde ze op zijn hoofd. (An 2003, p. 203-204).
         De grote menigte zag het wonder en zij brachten eer met reukwerken en bloemenkransen. De voeten van de Verhevene maakten zichzelf vrij van de handen van de ouderling en gingen naar hun eigen plaats terug zonder iets te verstoren in de brandstapel. Alles was weer zoals tevoren. (An 2003, p. 205).
   Volgens Chinese versies was Maha Kassapa teleurgesteld toen hij vlekken van tranen zag op de voeten van de Boeddha, welke vlekken gemaakt waren door een arme oude vrouw. (An 2003, p. 204 noot 2).
   Het groeten van de voeten van de Boeddha kan symboliseren dat Maha Kassapa vraagt om de Boeddha’s autoriteit als een erfgenaam, terwijl het spontaan in vlammen opgaan een bevestiging kan betekenen van Kassapa’s opvolging van de Boeddha. (An 2003, p. 205 noot 2).
   In een Chinese versie vraagt Maha Kassapa aan Ānanda drie keer hem het lichaam van de Boeddha te laten zien voordat de crematie zal plaatsvinden. Ānanda weigert drie keer met de woorden dat dit moeilijk is omdat alle voorbereidingen al getroffen zijn. Op dat ogenblik komt het lichaam van de Boeddha te voorschijn uit de dubbele lijkkist en de voeten komen eruit. Kassapa groet de voeten. (An 2003, p. 203/4 noot 6).
[176] An 2003, p. 195 noot 3.


Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #8 Gepost op: 01-06-2017 12:11 »
15.5. Anuruddha
   
   De eerwaarde Anuruddha was een neef van de Boeddha en een van zijn meest uitstekende discipelen. Hij werd in de Orde opgenomen samen met Ānanda, Devadatta, Upāli en enkele anderen. Hij bereikte arahantschap. Hij stond op de eerste plaats van degenen die het goddelijk oog (helderziendheid) bezaten. Ook bezat hij andere iddhi-vermogens. Hij legde de nadruk op inzicht-meditatie (satipatthāna). Hij was geen beroemde leraar. In het Sanskriet is zijn naam Aniruddha.
   De eerwaarde Anuruddha was de Boeddha erg genegen. Hij was aanwezig bij het overlijden van de Boeddha te Kusināra. Bij het eerste concilie zou hij van mening zijn geweest hij dat de eerwaarde Ānanda nog geen arahant was en zou hem niet hebben toegelaten totdat deze de volmaakte heiligheid bereikt had. Maar dat is een latere toevoeging.
   Op het eerste concilie werd hij belast met het bewaren van de Anguttara Nikāya. Hij stierf in de plaats Veluvagāma in het land van de Vajjis.
 
 
15.6. Upāli
   
   De eerwaarde Upali was een van de meest uitstekende naaste discipelen van de Boeddha. Hij stamde uit een barbiersfamilie te Kapilavatthu en kwam in dienst van de Sakya-prinsen. Toen Anuruddha en diens neven monniken werden, vergezelde Upāli hen. Zij gaven hem al hun kostbare sieraden, maar bij nadere beschouwing weigerde hij die aan te nemen. Ook hij wilde een monnik worden. De Boeddha gaf hem toen – op verzoek van de prinsen – als eerste de wijding. Op advies van de Boeddha beoefende hij niet meditatie in een woud, zoals de eerwaarde Upāli graag wilde. Maar hij oefende zich in inzicht-meditatie. Na verloop van tijd bereikte hij arahantschap. De Boeddha zelf zou aan de eerwaarde Upāli de hele Vinaya Pitaka hebben onderwezen. In het eerste concilie (te Rājagaha) speelde de eerwaarde Upāli een belangrijke rol wat betreft kwesties aangaande de Vinaya. Het is onmogelijk na te gaan welke vragen daadwerkelijk door de eerwaarde Upāli zijn gesteld en welke later aan hem zijn toegeschreven. De eerwaarde Upāli stierf in het 6e jaar van de regering van Udāyibhadda.
 

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #9 Gepost op: 01-06-2017 21:42 »
15.7. Angulimāla

   Angulimala was een beruchte moordenaar die een volmaakte heilige werd. Hij heette eigenlijk Ahimsaka; dit betekent: onschadelijk.
   Toen de jonge Ahimsaka opgroeide, stuurde zijn vader hem naar de beroemde universiteit van Takkasīla (Taxila). Hij werd er door de beste leermeester onderwezen en overtrof alle andere studenten. Hij werd de favoriet van zijn leermeester. Door toedoen van zijn jaloerse medestudenten kreeg die leermeester het waanidee dat Ahimsaka hem wilde verdrijven. Met het vergif van achterdocht in zijn hart trachtte de leermeester toen van Ahimsaka af te komen.
   Nu gebeurde het niet lang daarna dat Ahimsaka zijn studie beëindigde en naar huis terug wilde keren. Het was de plicht van afgestudeerden om aan hun leermeesters een ere-geschenk te geven. De leermeester van Ahimsaka vroeg als ere-geschenk duizend menselijke pinken van de rechterhand. Hij hoopte dat Ahimsaka bij het vergaren van die pinken ofwel gedood ofwel door soldaten van de koning gevangen genomen zou worden.
       Ahimsaka protesteerde eerst, maar stemde uiteindelijk toe. Daarbij dacht hij niet aan de mogelijkheid om dat aantal vingers te verzamelen in de open lijkenvelden in India. Zo groot was toen de neiging in hem om te doden. Die neiging was het gevolg van daden in een eerder leven. Ahimsaka kocht een stel wapens en ging naar het Jālina-woud in Kosala. Daar leefde hij op een hoge rots vanwaar hij de weg kon overzien. Wanneer reizigers naderden, liep hij vlug naar beneden, sloeg ze dood en nam dan van elk slachtoffer de pink van de rechterhand.
   Aanvankelijk hing hij de vingers aan een boom. Vogels aten het vlees ervan en wierpen de botjes omlaag. Toen Ahimsaka die op de grond zag rotten, reeg hij de vingerbeentjes aaneen en droeg ze als een krans. Daarom kreeg hij de bijnaam Angulimāla: degene met een krans van vingers.
   Weldra begon men dat woud te mijden en Angulimāla moest in de nabijheid van dorpen gaan. Vanuit een hinderlaag viel hij dan voorbijgangers aan en sneed de pinken af. Hij drong zelfs 's nachts huizen binnen en doodde de bewoners, alleen om de vingers af te hakken. Niemand kon zijn grote kracht weerstaan en daarom verlieten de mensen hun dorpen en gingen naar de stad Sāvatthi. Daar vertelden zij hun leed aan de koning die bevel gaf Angulimāla gevangen te nemen.

   Maar de Boeddha zag dat Angulimala de voorwaarden had om volmaakte heiligheid te bereiken. Vroeg in de morgen kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn nap en buitengewaad (mantel) en ging naar Savatthi om aalmoezen te vergaren. Na zijn rondgang en na zijn maaltijd bracht hij zijn slaapplaats in orde, nam zijn nap en buitengewaad en ging op weg over de straat die naar Angulimala voerde. Voorbijkomende koe- en schaapherders en boeren zagen dat en waarschuwden de Verhevene dat hij niet over die straat moest gaan. "Want de moordenaar Angulimala houdt zich daar op. Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over die straat maar toch zijn zij in handen gevallen van Angulimala." Na deze woorden ging de Verhevene zwijgend verder.
   Een tweede en een derde keer waarschuwden de koe- en schaapherders en boeren de Verhevene. Maar toch ging hij zwijgend verder.
   Angulimala zag de Verhevene in de verte aankomen. En hij dacht: " Mannen in groepen van tien, twintig, dertig, ja zelfs veertig gingen over deze straat en toch zijn ze mij in de handen gevallen. En nu komt die monnik daar alleen, zonder begeleiding. Waarom zou ik niet hem van het leven beroven." Toen nam Angulimala zijn zwaard en schild, hing boog en pijlenkoker om en ging de Verhevene achterna.
   De Verhevene liep in normaal tempo, maar door de bovennatuurlijke kracht van de Boeddha kon Angulimāla hem niet inhalen, hoe vlug de moordenaar ook liep.
   Verbaasd vroeg deze zich af hoe dat toch mogelijk was. Vroeger kon hij zelfs een snelle olifant of een snel paard of een snelle koets of een snel hert inhalen en pakken. Maar nu kon hij, hoewel hij zo snel liep als hij kon, die monnik niet inhalen die in normaal tempo ging. Hij bleef staan en riep de Verhevene toe: "Blijf staan, monnik, blijf staan."
   “Ik ben blijven staan, Angulimāla; blijf ook jij staan," zo luidde het antwoord van de Gezegende.
   Toen dacht Angulimāla: “Deze monniken, de zonen van de Sakyas, spreken steeds de waarheid. Maar deze monnik hier gaat verder en zegt toch dat hij is blijven staan. Ik zal hem eens vragen hoe hij dat bedoelt.”
   In versvorm stelde Angulimala toen zijn vraag.
   "Hoewel je gaat, monnik, zeg je dat je stil bent blijven staan. Ik sta stil en toch zeg je dat ik niet stil ben blijven staan. Wat is de betekenis daarvan?"
   Het antwoord van de Boeddha op de vraag van Angulimāla luidde: “Angulimāla, ik ben voor altijd stil blijven staan; ik onthoud me van alle geweld tegenover de wezens. Maar jij hebt geen zelfbeheersing jegens het leven. Daarom ben ik stil blijven staan maar jij niet.”
   Angulimala zei: "Uiteindelijk is deze monnik, een hoog geachte wijze, in dit grote bos gekomen voor mijn redding. Na jouw woorden die mij de Dhamma leerden, wil ik voor altijd het kwaad nalaten."
   Na deze woorden nam de rover zijn wapens en wierp ze in een afgrond. Daarna betuigde hij zijn verering aan de voeten van de Verhevene en vroeg om de wijding. En met de woorden: “Kom, bhikkhu,” nam de Leraar hem op in de Orde van de monniken.
   [Hij werd in de leer onderwezen en hem werden de gedragsregels van de monnik geleerd].
    Toen ging de Verhevene in etappen naar Sāvatthi terug, met de eerwaarde Angulimāla als zijn persoonlijke dienaar. Hij vertoefde er in het Jetavana klooster.
   Grote menigten van mensen waren toen samengekomen bij de poorten van het paleis van koning Pasenadi. Zij maakten veel lawaai en riepen dat de koning de moordenaar Angulimala gevangen moest nemen.
   Koning Pasenadi vertrok daarop overdag in zijn koets met een grote troep van zijn cavalerie uit Savatthi. Hij ging naar het Jetavana-klooster. Daar groette hij de Verhevene eerbiedig, betoonde zijn eer en ging terzijde neerzitten. De Verhevene vroeg wat er gaande was. Werd de koning soms aangevallen door koning Seniya Bimbisara van Magadha of door de Licchaviers van Vesali of door andere vijandig gezinde koningen?
   De koning gaf ten antwoord dat er geen oorlog was. Maar in zijn rijk was een moordenaar met naam Angulimala. Hij zou wel nooit in staat zijn om die man gevangen te nemen.
   De Verhevene: “Grote koning, stel dat u zag dat Angulimāla hoofdhaar en baard had afgeschoren, gekleed was in het gele gewaad, en het thuisloze leven voerde; dat hij zich ervan onthield levende wezens te doden, zich onthield van stelen en van liegen; dat hij 's nachts niet meer at, dat hij slechts op één tijd van de dag at, en dat hij celibatair, deugdzaam en met een goed karakter was. Als u hem zo zou zien, hoe zou u hem dan behandelen?"
   “Eerwaarde Heer, in dat geval zouden wij hem eer betonen, of wij zouden in zijn tegenwoordigheid opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of wij zouden hem vragen gewaden aan te nemen, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijn. Of wij zouden hem een bescherming geven. Maar eerwaarde Heer, hij is een teugelloos mens met een slecht karakter. Hoe kan hij ooit een dergelijke deugdzaamheid en beteugeling hebben?”
   Bij die gelegenheid zat de eerwaarde Angulimala niet van van de Verhevene vandaan. Die strekte zijn rechterarm uit en zei: “Grote koning, deze hier is Angulimāla.”
   Koning Pasenadi werd vreselijk bang, maar de Boeddha zei dat hij niet bevreesd hoefde te zijn.
   Toen de koning weer tot bedaren was gekomen, ging hij naar de eerwaarde Angulimāla en vroeg: "Eerwaarde heer, bent u werkelijk Angulimala?" - "Ja, grote koning."
   De koning vroeg verder naar de familienaam van Angulimala's ouders. Nadat de koning die namen vernomen had, wilde hij aan de eerwaarde Angulimala gewaden geven, aalmoezenmaaltijd, een rustplaats en medicijnen. Maar de eerwaarde Ahimsaka was toen een woudbewoner, iemand die alleen aalmoezenmaaltijd tot zich neemt, een drager van gewaden gemaakt uit vodden, en hij beperkte zich tot drie gewaden.[177] Hij gaf ten antwoord: "Genoeg, grote koning, mijn drievoudig gewaad is kompleet."
   Koning Pasenadi ging naar de Verhevene terug, bracht hem eer, ging terzijde neerzitten en zei: "Eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk hoe de Verhevene de ongetemden temt, vrede brengt aan degenen zonder vrede, en degenen die nibbana niet bereikt hebben, naar nibbana voert. Eerwaarde heer, wij zelf konden hem niet met wapens bedwingen; toch heeft de Verhevene hem bedwingen zonder geweld en zonder wapens. Eerwaarde heer, wij nemen nu afscheid. Wij hebben veel te doen.
   "Grote koning, nu is het tijd dat te doen wat je juist vindt."
   Koning Pasenadi van Kosala stond toen van zijn zitplaats op, betoonde eer aan de Verhevene en nam vertrok, met de rechter zijde naar hem toegewend.
Angulimala Paritta - De bescherming van de eerwaarde Angulimāla (M.86)

   Op een morgen kleedde de eerwaarde Angulimāla zich aan, nam zijn nap en oppergewaad en ging naar Savatthi  om bedelspijs te vergaren. Op zijn rondgang zag hij een vrouw die juist onder grote moeilijkheden een kind baarde. Bij het zien hiervan dacht hij: "Hoe zeer de levende wezens lijden; inderdaad, hoe zeer de levende wezens lijden."
   Na zijn rondgang te Savatthi voor bedelspijs en na zijn maaltijd ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat hij had gezien.
   De Verhevene zei toen aan de eerwaarde Angulimāla dat hij naar die vrouw terug moest gaan en het volgende moest zeggen:
   "Sedert ik geboren werd, zuster, ben ik me er niet van bewust opzettelijk enig levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge jij door de betuiging van deze waarheid gezond zijn. Moge je kind gezond zijn."
   De eerwaarde Angulimala vroeg toen: "Eerwaarde heer, als ik dat zeg, zal ik dan niet met opzet liegen? Ik heb immers veel levende wezens met opzet van het leven beroofd."
   De Boeddha: "Angulimala, dan ga naar Savatthi en zeg aan die vrouw: 'Zuster, sedert ik met de edele geboorte geboren werd,[178] kan ik me niet eraan herinneren dat ik ooit met opzet een levend wezen van het leven beroofd heb. Moge jij bij deze waarheid gezond zijn en moge je kind gezond zijn." [179]
     
   De eerwaarde Angulimāla ging toen weer naar de lijdende vrouw en reciteerde bovenstaande betuiging van de waarheid. Toen werden die vrouw en het kind gezond.

   Niet lang daarna, nadat hij alleen leefde, teruggetrokken, behoedzaam, ijverig en vastbesloten, trad de eerwaarde Angulimala hier en nu door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht in het hoogste doel van het heilige leven in, voor welk doel mannen uit goede familie met recht van huis weggaan in de huisloosheid; en hij vertoefde erin. Hij zag direct in: "Geboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen." En de eerwaarde Angulimāla werd een van de Arahants, werd een volmaakte heilige.

   Daarna, 's morgens vroeg ging de eerwaarde Angulimala met zijn nap naar Savatthi om bedelspijs te vergaren. Bij die gelegenheid wierp iemand een klomp aarde en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Iemand anders wierp een knuppel en trof de eerwaarde Angulimala aan het lichaam. Weer iemand anders wierp een scherf en trof hem aan het lichaam. Toen ging de eerwaarde Angulimala naar de Verhevene. Bloed stroomde uit zijn gewonde hoofd. De nap was gebroken en het gewaad was gescheurd. De Verhevene zag hem van verre komen en zei tot hem: "Verdraag het, brahmaan, verdraag het. Je ondervindt hier en nu het resultaat van daden waarvoor je anders veel jaren, veel eeuwen, vele duizenden jaren lang in de hel gekweld zou zijn."
   
    Daarna vertoefde de eerwaarde Angulimala alleen, teruggetrokken in de zaligheid van de bevrijding. En hij riep uit:
   "Wie eens achteloos leefde, dan nooit meer achteloos is, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken."
   "Wie het vroeger begane kwaad nu omkeert, in plaats daarvan heilzame daden doet, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.” [180]
   "'Ongevaarlijk' [ahimsaka] luidt mijn tegenwoordige naam, hoewel ik eens een gevaarlijk mens was. Mijn tegenwoordige naam verkondigt de waarheid. Ik bezeer geen enkel wezen meer."

   "Eens leefde ik als een gemene misdadiger. Men noemde mij 'Vingerkrans' [Angulimala]. Geweldige vloedgolven hebben mij meegesleurd naar de Boeddha, de leraar tot wie ik mijn toevlucht nam."

   "De keuze die ik maakte, was niet slecht. Ik heb het drievoudige weten verworven, alles voltooid wat de Boeddha onderwijst." (M.86)
_____
[177] De eerwaarde Angulimāla had drie van de ascetische oefeningen (dhutanga) op zich genomen
[178] d.w.z. sedert Angulimāla het eerste niveau van heiligheid bereikt had.
[179] Ook tegenwoordig reciteren Boeddhistische monniken deze uitspraak als bescherming (paritta) voor zwangere vrouwen die kort voor de ontbinding staan.
[180] Vergelijk Dhp.173.

Offline nico70+

  • Eerwaarde
  • Nieuwkomer
  • ******
  • Berichten: 1060
    • facetten van het boeddhisme
Re: Re: De Sangha
« Reactie #10 Gepost op: 02-06-2017 00:53 »
voor degenen die graag meer willen lezen over de Sangha, volgt een lijst van geraadpleegde boeken.

Geraadpleegde literatuur
 
An, Yang-Gyu (tr,): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Oxford : PTS, 2003.

Bapat, P.V.: The Majjhima Nikāya (1, Mūla Pannāsakam) Editor: Dr. P.V. Bapat; General Editor: Bhikkhu J. Kashyap. [s.l] : Pāli Publication Board (Bihar Government), 1958. (Nālandā-Devanagārī-Pāli-Series).

Bareau, André: 'Der indische Buddhismus,' in: Die Religionen Indiens. III, Stuttgart 1964, p. 1-215.

De Zoysa, A.P.: Indian culture in the days of the Buddha. Colombo : Gunasena, 1955.

Dhammadâyâda Chanting Book. Patumthani : Dhammakaya Foundation, 1994.

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.

Glasenapp, Helmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam : Athenaion, 1929. (Handbuch der Literaturwissenschaft).

Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore : Ti-Sarana Buddhist Association, 1997.

Gombrich, Richard F.: Theravâda Buddhism. A social history from ancient Benares to modern Colombo. London (etc) : Routledge & Kegan Paul, 1988. (The Library of Religious Beliefs and Practices).

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Maha Kassapa Father of the Sangha. Revised and enlarged transl. from the German by Nyanaponika Thera. Kandy : BPS, 1987. The Wheel No. 345. (plus de internet-versie hiervan).
http://www.accesstoinsight.org/canon/khuddaka/therigatha/thag18.html (Theragatha XVIII Maha Kassapa)

Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, S. 151-170.

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants. Buddhist Monks and Nuns from the Buddha's time till now. Kandy : BPS, 1979.

Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pâli Proper Names. London : PTS, 1974. (Vol. II).

Ñānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Ñanatiloka, Bhikkhu: Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 1. Das Einer-Buch - Eka-Nipâto. Übers. u. erläutert von Bhikkhu Ñanatiloka. Leipzig : Buddhistischer Verlag, [s.a.] (Heilige Schriften der Buddhisten ; 1)

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Naudou, Jean: Buddha. Aus dem Französischen übertragen von Peter Kamnitzer. Paris : Somogy, [s.a.] (Die grossen Religionsstifter).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Der Wahrheitspfad (Dhammapadam). Ein buddhistisches Denkmal,' (4. Aufl.), in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, S. 615-837. (1. Aufl. 1892).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Die Lieder der Mönche und Nonnen Gotamo Buddhos. Aus den Theragâthâ und Therîgâthâ,' (3. Aufl.), in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, S. 271-613.

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977.

Nyânaponika Thera: Anguttara Nikaya. The Discourse Collection in Numerical Order. An Anthology. Part II. Books Five to Eight. Transl. by Nyanaponika Thera. Kandy : BPS, 1975. The Wheel No. 208/211.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.
Bd. 4. Siebener- bis Neuner-Buch. Bd. V., Zehner- u. Elfer Buch.

Oldenberg, Hermann: Buddha. Sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. (2. Aufl.) Berlin : Hertz, 1890.

Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt : Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1980.

Schweitzer: Gandhi in Südafrika, Erlenbach-Zürich 1925.

Theragatha XVIII (vv. 1051-90) Maha Kassapa. Translated from the Pali by Thanissaro Bhikkhu. Alternatieve vertaling door Andrew Olendzki. (internet versie)

Thomas, Edward: The Life of Buddha as legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).

U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).

Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).

Webb, Russel (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 217/220.

Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 47

Winternitz, M.: Der ältere Buddhismus nach Texten des Tipitaka. (2. erw. Aufl.) - Tübingen: Mohr, 1929.
 
Winternitz, Maurice:A history of India Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. by Maurice Winternitz; a new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.) Delhi (etc.) : Motilal Banarsidass, 1983. orig. titel: Winternitz, Moritz : Geschichte der indischen Literatur. Band II.

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).


Groeten
Nico