Het valt me op, als ik naar de mensheid kijk, hoe we collectief dansen in een droom van ons eigen maken.
We zijn vergeten wat we zijn. De Waarheid—de Dharma—is hier, altijd aanwezig en onaangetast.
Maar als mensheid hebben we er een complex web omheen geweven.
Onze intellectuele ‘wijsheid’, onze vastgeklonken meningen, onze verdedigde overtuigingen: het zijn allemaal lagen van Maya, van conceptuele illusie. We verwarren de menukaart met de maaltijd. We verwarren de vinger die naar de maan wijst met de maan zelf.
Dit hele web wordt in stand gehouden door aviditya—onwetendheid—de fundamentele misvatting dat deze gedachten en verhalen het zelf zijn. En zo rennen we van verlangen naar afkeer, van mening naar tegen-mening, in een eeuwige cyclus van samsara.
Maar het pad terug is er een van stilte. Niet de stilte van niet-spreken, maar de radicale, innerlijke stilte waarin het commentaar van de geest tot rust komt. Als die stilte intreedt, spoelt zij voorzichtig de inkt van onze concepten weg. De verhalen lossen op. Wat overblijft is wat altijd al was: de lege, heldere natuur van de geest zelf. Sunyata. Boeddha-natuur.
De mensheid keert, in stilte, niet naar iets nieuws terug, maar ontwaakt tot wat ze nooit verlaten heeft. Het is een thuiskomen zonder thuis, een zien zonder ziener.
Het grappige is: het vergt geen inspanning, alleen het loslaten van de inspanning om vast te houden. De Bevrijding is niet iets in de toekomst; het is de erkenning van de grond onder je voeten, op dit moment, voorbij alle concepten die je vertellen dat je nog niet thuis bent.
— Geschreven vanuit de stilte, die nooit geboren werd en nooit zal vergaan. Moge alle wezens de vreugde van dit eenvoudige, directe weten realiseren.