Wat jij beschrijft is een boeddhistisch model van bevrijding:
leegte → voorwaarden → uitdoven van patronen → Nibbana.
Zeer coherent, verfijnd, en intern consistent.
Wat Parsons, Balsekar en Renz doen, is iets anders.
Niet in tegenspraak met dat model — maar ervoorbij.
Zij zeggen niet:
“Er is geen doener, maar er moeten nog voorwaarden vervuld worden zodat patronen uitdoven.”
Zij zeggen:
“Dat hele verhaal van voorwaarden, uitdoven, voortgang en effectiviteit is zelf al een verschijning — zonder eigenaar, zonder centrum, zonder noodzaak.”
Boeddhisme heeft geen probleem met de vaststelling dat alles wat verschijnt — voorwaarden, voortgang, uitdoving, effectiviteit — zelf ook verschijning is: zonder eigenaar, zonder centrum, zonder intrinsieke noodzaak. Daarin is het volledig eens. Ik spreek nu voor de veiligheid wel even over Mahayana Boeddhisme. Daar ben ik het meest mee vertrouwd.
Het verschil zit elders.
Het boeddhisme stopt niet bij: “het is maar verschijning”. Het voegt daar iets cruciaals aan toe: ondanks dat het leeg is, verschijnt het wél. En wat verschijnt, heeft gevolgen binnen die verschijning.
De neiging om te verdedigen, om te reageren, om een positie te handhaven — ook wanneer wordt ingezien dat daar “in wezen” geen noodzaak toe is — blijft verschijnen. Dat dit geen absolute noodzaak heeft, doet niets af aan het feit dát het verschijnt en zichzelf in stand houdt. Het inzicht “er is geen eigenaar en geen noodzaak” heeft op zichzelf geen effect op het blijven verschijnen van die dynamiek.
Daar wijst het boeddhisme op!
Niet om die verschijning moreel te veroordelen, maar om te laten zien dat onverschilligheid ten aanzien van verschijning geen bevrijding is. Het lijden en de spanning doven niet uit omdat men inziet dat ze leeg zijn; ze doven uit wanneer hun voeding niet langer functioneert. Dat is geen metafysische claim, maar een beschrijving van wat zich feitelijk voordoet.
Vanuit dat perspectief is bevrijding niet: erkennen dat er “absoluut gezien” nooit iets bevrijd had moeten worden — dat was altijd al zo. Bevrijding is dat wat relatief gezien zichtbaar verandert: dat patronen, spanning en dwangmatige bewegingen daadwerkelijk uitdoven in de verschijning.
Er is in het boeddhisme geen opzichzelfstaand iemand die lijdt of bevrijd wordt. Maar er is wel degelijk een proces — een stroom van gewaarwordingen, reacties en conditioneringen — die herkenbaar is en waarop het inzicht effect heeft. Niet omdat het proces een eigenaar heeft, maar juist omdat het afhankelijk ontstaat.
Het verschil is dan ook:
De ene benadering zegt:
Omdat alles leeg is, maakt het niet uit wat verschijnt.
De andere zegt:
Juist omdat alles leeg en afhankelijk is, doet het ertoe wat verschijnt — want wat verschijnt kan uitdoven.
Boeddhistische bevrijding is geen onverschilligheid ten aanzien van het proces, maar een bevrijding van het proces: het uitdoven van het vuur dat toeters en bellen voortbrengt. Niet door ze te negeren omdat ze “maar verschijning” zijn, maar door te zien waardoor ze blijven verschijnen.
Dat onderscheid is geen conceptueel spel. Het maakt concreet verschil in hoe een stroom zich voortzet — of tot rust komt.
En precies daarom blijft ik dit benoemen. Niet uit strijd, maar omdat het verwarren van deze twee perspectieven maakt dat bevrijding in boeddhistische zin uit beeld verdwijnt, terwijl ze juist wijst op een zichtbaar, ervaarbaar einde van lijden.
Dat deze tweede benadering voor sommigen niet werkt, is geen probleem. Niet alles hoeft inderdaad voor iedereen te werken.
Wat wél problematisch wordt, is wanneer wat voor iemand dan wel werkt voortdurend verdedigd wordt, en het boeddhisme voortdurend herlezen wordt tot het daarin past of overtroffen wordt.