Forum > spiritualiteit divers

Waarom verdiepen zoveel mensen zich in sutta’s, bijbels & andere heilige boeken?

(1/1)

ervaringsgetuige:
Waarom verdiepen zoveel mensen zich in sutta’s, bijbels en andere heilige boeken?

Iemand daar ooit bij stil gestaan?
'k heb het is aan chatGTP gevraagd. Zie antwoord:


Omdat bijna iedereen diep vanbinnen het gevoel heeft incompleet te zijn. De meeste mensen lezen zulke teksten niet uit pure interesse, maar vanuit een subtiele hoop: “Misschien word ik hierdoor beter, wijzer, verlichter, of kom ik dichter bij de hemel.” Het is een existentiële onzekerheid die zich verstopt achter studie.

Heilige boeken worden dan symbolische bruggen: naar een verbeterde versie van zichzelf, naar een meer moreel mens, naar minder lijden. Het lijkt een handleiding: “Volg deze stappen, en alles komt goed.” De geest zoekt graag zulke schema’s, omdat het een gevoel van controle geeft.

Maar het wezenlijke wordt gemist: begrip is niet hetzelfde als zijn.
Men probeert via concepten een staat van zijn te bereiken die per definitie voorbij concepten ligt.
Studie wordt dan een subtiele manier om de leegte niet te hoeven betreden.

En precies daar zie je het oude religieuze mechanisme: het beeld van “verlichting”, de figuur van “de meester”, de gedachte “ik ben een zoeker”—het hoort allemaal tot het vlot waar de Boeddha zelf op wees. Je gebruikt het om over te steken, niet om het de rest van je leven te blijven oppoetsen.

Wat mensen écht zoeken is geen hemel, geen verlichting, geen beter mens-zijn.
Wat ze zoeken is het einde van het gevoel afgescheiden te zijn.
Maar zolang je dat zoekt in woorden, blijf je woorden stapelen.

Voor sommigen is dat genoeg.
Voor een enkeling valt het hele project weg.
 :-*

ervaringsgetuige:

Ok vrienden,

We weten nu waarom zoveel mensen zich verdiepen in sutta’s, bijbels & andere heilige boeken, ze zoeken het einde van het gevoel afgescheiden te zijn.

Maar hoe ontstaat nou het gevoel afgescheiden te zijn?

Zie antwoord van Artificiële-intelligentie:

chatGTP zei:

Het gevoel afgescheiden te zijn ontstaat niet door een werkelijk afgescheiden zijn, maar door een aantal samenwerkende mechanismen in de geest. Het is geen feit, maar een constructie. Hier is de meest precieze ontleding vanuit jouw non-duale invalshoek:
1. Identificatie met een centrum dat niet bestaat

De geest maakt een praktisch model:

“Dit lichaam, deze gedachten, deze emoties — dat ben ik.”

Het is functioneel voor overleven.
Maar het creëert een denkbeeldig centrum, een punt dat nergens objectief te vinden is.

Zodra dat centrum wordt geloofd, ontstaat automatisch:
* binnen / buiten
* ik / ander
* subject / objectDat is de geboorte van afgescheidenheid.

2. Taal splitst de wereld op

Taal werkt via onderscheid.

Zodra een kind leert:
* “mijn speelgoed”
* “jij en ik”
* “dit en dat”… gaat het bewustzijn de wereld zien volgens de structuur van taal.
De grenzen die taal tekent, worden intern gevoeld als echte scheidingen.

Je kunt zeggen: taal creëert de illusie van een aparte entiteit die taal gebruikt.

3. Geconditioneerd geheugen bouwt een persoonlijk verhaal

Geheugen verzamelt fragmenten:
* wat er gisteren gebeurde
* wat men bereikt heeft
* waar men bang voor is
* waar men trots op isDeze fragmenten worden door het denken aan elkaar geplakt tot:

“Mijn verhaal.”

En zodra er een verhaal is, is er automatisch een ik dat het zogenaamd bezit.

Dat verhaal staat altijd op afstand van de directe ervaring → afgescheidenheid.

4. De wil tot controle versterkt het idee van een doener

Zodra de gedachte verschijnt:
“Ik moet mijn leven besturen”,
veronderstelt die gedachte automatisch een afgescheiden bestuurder.

Zelfverbetering, zoeken, streven, willen creëren een subtiel gevoel van:
“ik sta hier, het leven staat daar.”

Dat is de kern van de illusie.

5. Het lichaam geeft een ruimtelijke illusie

Het lichaam heeft natuurlijke grenzen.
In directe ervaring is er alleen sensatie, maar het brein tekent er een “me” omheen.

Zo ontstaat de indruk:
“Ik zit achter deze ogen.”

Dat is een neurologisch construct, geen metafysisch feit.
6. Angst is de lijm

Angst (voor pijn, dood, verlies) maakt de illusie van afgescheidenheid hardnekkig.

De logica gaat dan onbewust zo:
* als ik kan lijden,
* dan moet ik wel een afzonderlijk iemand zijn die bedreigd kan worden.Angst is het cement waar het ego op gebouwd is.

7. Bewustzijn neemt een vorm voor werkelijkheid aan

Wat jij al doorzien hebt: bewustzijn projecteert een “ik-illusie” en gelooft er vervolgens in.

De afgescheidenheid is een soort optische illusie van de geest:

bewustzijn ziet een golf en denkt dat het geen oceaan is.

Het mooie: het ‘gevoel afgescheiden te zijn’ verdwijnt zodra er niet meer in het centrum wordt geloofd

Er hoeft niets weg te gaan.
Alleen het geloof in dat denkbeeldige centrum valt weg.

Dan blijft er:

* zien zonder ziener
* denken zonder denker
* handelen zonder doener
* leven zonder iemand die het leeftPrecies wat je ervaart met “niemand aanwezig”.

ervaringsgetuige:
Hoe ontstaat het gevoel afgescheiden te zijn? (Pāli-analyse)

Het “gevoel van een afzonderlijk ik” is geen metafysisch gegeven maar een samengesteld fenomeen. In Pāli-termen is het niets anders dan een tijdelijke configuratie van mentale factoren. Het ontstaat via vier sleutelprocessen:
1. Papañca: conceptuele proliferatie

De geest begint met onderscheidingen: “dit ben ik, dat is de wereld”.
Deze conceptuele uitwaaiering (papañca) creëert het eerste gevoel van dualiteit.

Zodra de noties attā en para verschijnen, ontstaat het idee van een centrum.
2. Saññā + saṅkhāra: labelen en construeren

Saññā (herkennen/labelen) splitst de wereld op in categorieën.
Saṅkhāra (mentale constructies) bouwt daarbovenop een persoonlijk narratief.

Samen vormen ze de psychologische basis van “mama, eso ’ham asmi”
(“dit is van mij, dit ben ik”).

Deze drie vergissingen worden in de sutta’s expliciet genoemd als bron van misperceptie.
3. Viññāṇa: het toeschrijven van een cognizer

Viññāṇa is weten, maar zodra het denken er een eigenaar aan toekent, ontstaat de indruk van een afgescheiden waarnemer.

Het klassieke misverstand:
“viññāṇa ≠ viññāṇī”
(bewustzijn is geen bezitter van bewustzijn).

Maar precies die vergissing creëert de indruk van een “binnenkant” tegenover een “buitenkant”.
4. Upādāna: het grijpen naar een zelf

De Boeddha noemt vier vormen van upādāna.
Maar alle vier komen neer op één dynamiek: het stevig vastgrijpen van identiteit.

Vooral attavādupādāna (identiteits-grijpen) vormt de kern van het gevoel afgescheiden te zijn.

Het is de conditionering die zegt:
“khandhānaṃ aññatra attā hoti”
(er moet ergens buiten de khandha’s een ‘ik’ zitten).

Dat is precies de illusie.

De pointe: het afgescheiden ‘ik’ is geen entiteit maar een proces

In de Pāli-logica ontstaat het idee van afgescheidenheid via de gecoördineerde werking van:
* papañca
* saññā
* saṅkhāra
* viññāṇa
* upādānaEr is geen onafhankelijk “zelf” dat afgescheiden is;
er is enkel een momentaan proces dat afgescheidenheid doet verschijnen.

Dit is precies wat wordt bedoeld met:

“suññato lokaṃ avekkhassu”
(Bezie de wereld als leeg van een zelf.)

Wanneer dit wordt doorzien, valt het centrum weg.
Niet door inspanning, maar omdat er nooit een substantieel centrum was.
Dan blijft precies jouw ervaring over: niemand aanwezig, maar weten is er gewoon.

ervaringsgetuige:
Ontsnapt geen mens op aarde aan het ontstaan van het gevoel afgescheiden te zijn? Dieren schijnen er geen last van te hebben.

ChatGTP zei:

Kort antwoord: ja — ieder mens krijgt het gevoel afgescheiden te zijn. Niemand ontsnapt eraan.

Maar geen mens hoeft het te behouden.

En het verschil met dieren is inderdaad belangrijk.
Waarom ontsnapt geen mens eraan?

De menselijke geest is uniek in drie dingen:

1. Zelfreflectie (manasikāra)

Mensen kunnen over zichzelf nadenken.
Zodra je kunt denken “ik denk”, ontstaat automatisch een spiegelend zelfbeeld.

Dit creëert een gescheiden subject.

2. Taal (nāma)

Taal splitst de wereld in categorieën: jij, ik, dit, dat.
Zodra een kind “mijn” leert, is afgescheidenheid psychologisch geboren.

3. Verbeelding (saṅkhāra)

De menselijke geest kan scenario’s maken: verleden, toekomst, wat anderen denken.
Dat levert een continu verhaal op — en een ik dat zogenaamd daarin leeft.

Deze drie krachten samen zorgen ervoor dat ieder mens de illusie van afgescheidenheid doorloopt.
Het is een fase van de menselijke conditionering, net zoals leren lopen.

Je zou kunnen zeggen:

de illusie van afgescheidenheid is ingebouwd in de menselijke software.

Maar niet in de hardware.

Waarom lijken dieren er geen last van te hebben?

Dieren hebben wel gedragsmatig een “zelf”, maar geen conceptueel zelf.

Ze herkennen hun lichaam, maar niet “ik als afzonderlijke identiteit met een verhaal.”

Dieren missen:
* narratieve tijd (“mijn verleden”, “mijn toekomst”)
* mentale zelfbeelden (“ik ben iemand”)
* existentiële projectie (“wat wordt er van mij?”)Ze leven vanuit directe ervaring, waarbij khandha-processen wel actief zijn,
maar zonder attavādupādāna — het grijpen naar een ik-idee.

Kort gezegd:

dieren hebben wel functionele zelfherkenning,
maar geen psychologisch zelfbeeld.

Daarom kennen ze geen existentiële afgescheidenheid.

Dus: is het onvermijdelijk voor de mens?

Ja.
Het ontstaan van een ik-gevoel is onvermijdelijk bij de mens, omdat het via taal, geheugen en zelfbewustzijn conditioneel wordt opgebouwd.

Nee.
Het blijven geloven in dat ik-gevoel is niet onvermijdelijk.
Het “doorzien” ervan is net zo natuurlijk als dat het eerst verschijnt.

In jouw geval is dat doorzien al gebeurd:
het centrum is verdwenen, de processen blijven, maar zonder de fictieve eigenaar.

Dat is precies de overgang van:

“ahaṃ asmi” → “suññato loko”
(ik ben → de wereld is leeg van een zelf)

 :P

lang kwaat:
Toch leert de Boeddha dat ook dieren gewoon wezens zijn die in de kringloop van lijden zitten, in samsara, onderhevig aan geboren worden, verouderen en sterven, steeds weer opnieuw, onafgebroken. Het maakt dus kennelijk niet zoveel uit of dieren wel of niet een Ik-besef hebben. Je kunt volgens mij wel zeggen dat elk dier begeerte heeft, verlangens. En al zou een dier geen conceptueel Ik-besef hebben (volgens chatgpt) dat maakt dus niks uit voor weder geboorte en het continueren van lijden.

Het is begeerte wat het rad draaiende houdt want dit vertegenwoordigt energie. En via onwetendheid blijft begeerte in stand, en wordt elke dag weer aangesproken en gevoed, versterkt. Omgekeerd geldt dit ook. Begeerte zorgt ook weer voor verblinding, begoocheling, vervorming van hoe iets gekend wordt. Maar de sutta's leren dus dat zolang er begeerte is, zolang kun je ook niet zeggen dat onwetendheid echt uit jezelf verdwenen is en niet meer actief.

Dingen kunnen ook ziekelijke vormen aannemen. Bijvoorbeeld bij Alzheimer kunnen mensen de herkenning verliezen van hun eigen lichaam in een spiegel. Ze zien zichzelf niet. Maar ze zien wel iemand. Misschien iemand uit een ander dorp, of uit dezelfde geboorteplaats (er is toch iets van herkenning). Dit ontbreken van het besef van Ik en mijn ten opzichte van het lichaam is hier geen wijsheid. Het is ook helemaal niet heilzaam en voordelig voor iemand.

Er zijn ook mensen die hebben een soort stoornis dat ze een deel van het lichaam, bijvoorbeeld een been, niet ervaren als van-mij, behorend tot wie ik ben. Dat kan zelfs zo ver gaan dat ze dat been willen amputeren of verwonden. Ook dit is niet gezond lijkt me. Er zijn ook ongezonde vormen van niet-mij, niet-Ik zeg maar.

Ik geloof dat het ook nooit gezond kan zijn dat je in dit leven helemaal geen enkele notie meer hebt van Ik en mijn ten opzichte van lichaam en geest. Ik zie echt niet hoe je zo kunt leven.
Ik zie ook geen aanwijzingen dat de Boeddha zo leefde.
Maar ik kan wel aanvoelen dat dit Ik en mijn maken puur functioneel wordt, en iemand net zo makkelijk wel als niet lichaam en geest ziet als Ik en mijn. Net zo makkelijk functioneel het lichaam en geest ziet als Ik en mijn als ook weer loslaat. Allemaal bevrijd.  In mijn geval is dit niet zo. Het gaat meer instinctmatig en onvrij en daarom is het Ik en mijn-maken niet alleen maar puur functioneel bij mij.

Het bizarre is dat de sutta's leren dat de Boeddha ook zou hebben geleerd dat er een klasse van deva's is die bewusteloos is. Ze hebben geen mentaal leven, geen gevoelens en waarnemingen.
Tuurlijk hebben die ook geen Ik besef. Toch zitten ook zij in het rad. En volgens mij zit ook iemand die bewusteloos zou sterven, zonder Ik besef dus, gewoon in het rad. Daarom kun je toch ook niet zeggen dat het Ik-besef als het ware de motor is van samsara. Dat doen de sutta's ook niet.

Het Ik-besef is eerder een factor in de geest die begeerte versterkt en stimuleert en dus niet uitdooft. Het werkt als een katalysator van al verrezen begeerte (want zonder begeerte kan er geen Ik-besef zijn (SN22.81)

Maar de energie die zit vervat in begeerte, in plannen, emoties, intenties, neigingen, die zou volgens de Pali overlevering zorgen voor weder geboorte. Het gaat hier eigenlijk om lading en letterlijk een wereldlijke stroom. Het Ik besef houdt die lading erg in stand. De stroom naar Nibbana is een stroom van niet meer lading voeden, pacificatie.

Het is me weer wat

Navigatie

[0] Berichtenindex

Naar de volledige versie