Ik ben de laatste tijd hier nogal mee bezig. Voor mij voelt het belangrijk.
Er is volgens mij veel voor te zeggen dat er een gericht soort kennen is en een ongericht soort kennen.
Dat eerste verwijst dan naar het gewaarworden van iets specifieks en het laatste naar het meer subtielere ken-vermogen.
Een gericht soort kennen wordt hier behandeld, vind ik:
Majjhima Nikaya 43 §4
“’Vinnana, Vinnana’ wordt gezegd, vriend. Verwijzend naar wat wordt ‘vinnana’ gezegd?”
“’Het is bewust van, het is bewust van (of ‘kent’, Siebe)’, vriend; dat is waarom ‘vinnana’ wordt gezegd. Waar is het bewust van? Het is bewust van: ‘[Dit is] plezierig; het is bewust van ‘[Dit is] pijnlijk’; het is bewust van ‘[Dit is] noch pijnlijk-noch-plezierig’. ‘Het is bewust van, het is bewust van’, vriend; dat is waarom ‘vinnana’ wordt gezegd”.
en ook,
(...)
“En waarom, bhikkhu’s, noemen jullie het vinnanam? ‘Het is bewust van (of ‘kent, Siebe), bhikkhu’s, daarom wordt het bewustzijn genoemd. En waar is het bewust van? Het is bewust van zuur, het is bewust van bitter, het is bewust van pittig, het is bewust van zoet, het is bewust van scherp, het is bewust van mild, het is bewust van zoutig, het is bewust van flauw. ‘Het is bewust van’, bhikkhu’s, daarom wordt het vinnana genoemd”. (SN22.79)
(...)
Ik vind dat hier wel uit blijkt dat de Boeddha hier niet alleen over vinnana spreekt als een vermogen tot kennen, maar als een moment waarop er aandacht is voor, en kennis van, iets specifieks. Een bepaald gevoel, een bepaalde smaak, geur, visueel beeld etc. De aandacht is daar op geland. Het is onderscheiden in een zintuiglijk veld. Er is een connectie gemaakt met dat specifieke kenobject, er is een gerichtheid op. Dit bevat ook altijd een element van betrokkenheid, interesse vanuit de geest voor dat object (MN28, SN22.53)
Ik vind de vertaling 'bewustzijn' voor 'vinnana' niet zo goed. Want bewustzijn is een te algemeen concept vind ik. Het brengt niet duidelijk over dat er bij vinnana sprake is van een specifieke aandacht voor iets en ook een betrokkenheid of interesse daarvoor.
In deze zin staat vinnana hier volgens mij voor iets wat wij een gewaarwording noemen. De gewaarwording van een specifieke geur, vorm/kleur, smaak, gevoel etc.
Een kenmoment waarop vooral onderscheiding en gericht aandacht voor iets specifieks ook centraal staat.
Ik geloof zelf niet dat de Boeddha in de fragmenten hier boven onderwijst dat vinnana hetzelfde is als het kenvermogen. Maar er is sprake van vinnana als het kennen op iets specifieks gericht is geraakt, uitgaat naar iets specifieks. Het is als het ware een verder geëvolueerd ken moment, of mind-moment.
Ik geloof zelf dat er veel voor te zeggen is dat de Boeddha over het kenvermogen zelf sprak als 'het ongerichte, verlangenloze, lege, tekenloze'. Dit is een subtieler element dan vinnana volgens mij. En wanneer de Boeddha zegt dat de geest subtiel is en moeilijk te zien (Dhammapada 36) verwijst dit denk ik naar dit ongerichte kenvermogen waar ik over nadenk als iets wat je de ontvankelijke of receptieve aard van de geest kunt noemen. Diens vermogen om zintuiglijke informatie te ontvangen en detecteren. Op dit moment is er nog geen gerichtheid, betekenis, en verlangen ontstaan bij die informatie. Dat ontstaat vlak daarna.
Sprak de Boeddha dan hierover als asankhata, het ongeconditioneerde? Het lijkt me niet uit de lucht gegrepen. Immers, als er geen pure ontvankelijkheid zou zijn, dit vermogen tot kennen zonder dat er al verlangen, betekenis, gerichtheid is ontstaan, hoe kun je dan ontsnappen aan het ontstaan van verlangens, gerichtheid, tekens? Er moet toch een basis zijn die er al vrij van is?
Betekenis kan niet inherent zijn aan het kenvermogen volgens mij. Neem het oog. Het oog ontvangt bepaalde golflengtes en die leiden tot bepaalde chemische en neurologische reacties.
Maar nergens valt de kleur groen op het oog als zonlicht van gras weerkaatst. Ook het kenvermogen ontvangt volgens mij niet die groenheid van gras. Maar ruwe zintuiglijk informatie wordt van betekenis voorzien. De groenheid van gras zien is zeg maar niet de kleur van gras zien maar de betekenis die brein/geest geven aan die informatie uit het oog. Al onze percepties zijn in die zin betekenisvol/interpretaties van brein/geest. Maar op een diepere manier, subtieler, is er ook het betekenisloze volgens mij. Ik zie ook niet hoe er sprake kan zijn van bevrijding als dit er niet zou zijn.
Ik merk in gesprekken dat bepaalde boeddhisten er niet aan willen. Zij houden er aan vast dat er beslist geen stabiel element is dat zeg maar de basis vormt van cognitie (een gewaarzijn, een receptiviteit, een pure ontvankelijkheid van geest). Ze staan er op dat alles veranderlijk is, niet duurzaam, instabiel en de natuur heeft van ontstaan, eindigen en veranderen in de tussentijd (sankhata, AN3.47). Ik geloof niet dat de Boeddha dit leert. Boeddha leerde ook asankhata en dit element of aspect moet ook gekend worden:
“There could, Ānanda. There are these two elements: the conditioned element sankhata-dhatu) and the unconditioned element (asankhata dhatu) When a mendicant knows and sees these two elements, they’re qualified to be called ‘skilled in the elements’.” (MN115)
Wat wordt gezegd over deze elementen?
“Bhikkhus, there are these three characteristics that define the conditioned (sankhata). What three? An arising is seen, a vanishing is seen, and its alteration while it persists is seen. These are the three characteristics that define the conditioned.
“Bhikkhus, there are these three characteristics that define the unconditioned (asankhata_. What three? No arising is seen, no vanishing is seen, and no alteration while it persists is seen. These are the three characteristics that define the unconditioned (AN3.47)
Ik zie ook geen grond voor het idee dat er geen cognitie is zonder gewaarwordingen. Zeker wel. Ook onder narcose, diepe droomloze slaap, bewusteloos wordt er wel informatie ontvangen en verwerkt door de geest. Het ontgaat ons, het wordt geen gewaarwording, maar het gebeurt wel. Trouwens, ook tijdens waken ontgaat ons natuurlijk enorm veel wat allemaal aan informatie wordt ontvangen en verwerkt.
Ik heb ook wel gevoel voor het onderscheid tussen een ongericht kenvermogen (gewaarzijn) en gerichte momenten van kennen (gewaarwordingsmomenten, vinnana's).
Het laatste vereist volgens mij de aanwezigheid van het eerste. Zoals golven ook niet kunnen ontstaan zonder zee.
Later boeddhisten hebben dit meer uitgewerkt dan de Pali sutta's doen. Hoewel de sutta's ook wel degelijk spreken over het verlangenloze, het ongerichte, tekenloze, lege zeggen ze niet letterlijk dat dit de natuur van geest is. Latere boeddhisten beschrijven het wel zo. Ik vind wel dat daar grond voor is ook.
Het is verstrekkend. Want voor iemand die gelooft dat er helemaal niet zoiets is als pure ontvankelijkheid van de geest (gewaarzijn) of ook dit ziet als iets wat komt en gaat, die zal ook parinibbana zien als een volledig einde van alles. Maar iemand die een gewaarzijn erkent dat niet een natuur heeft van komen en gaan en veranderen (asankhata, AN3.47), die kan ook niet in een totale beëindiging geloven. Natuurlijk wel van een beëindiging van wat komt en gaat maar natuurlijk niet van wat die natuur niet heeft (asankhata).
Er zijn boeddhisten die blij worden van het idee dat de Dharma eindelijk leidt tot een definitieve en volledige uitwissing. Ik kan niet helpen dit erg te vinden.
Er kan mij polarisatie worden verweten maar ik vind het oprecht erg dat mensen de Dhamma omarmen als een Pad dat eindelijk leidt tot een volledige en definitieve uitwissing.
Toch zie ik boeddhisten die echt vinden dat dit het doel is van de Boeddha-Dhamma. Sterker, zij geloven dat elk ander idee dwaling is.
Ik denk echt dat het waar is wat Tilopa zei:
Zij die gewaarzijn ontkennen, afwijzen of vast willen grijpen
roepen verdriet, lijden en verwarring over zichzelf af. (uit het lied van mahamudra)
Ja, ook gewaarzijn moet je niet zien als..."dit ben Ik, dit is van-mij, dit is mijn zelf'. Je moet het niet willen grijpen.
Dat is ook meteen het lastige van de hele situatie. Gewaarzijn kun je niet gewaarworden zoals een geur, idee, mentale leegte etc.
Het kan geen object van een vinnana zijn, ook niet van het 6e mano-vinnana.
Er zijn wel meesters die leren dat er een directe kennis van kan zijn, maar tot die tijd zal het denk ik meer iets zijn wat je aanvoelt of niet.
Het aanvoelen dat er een soort ongericht kennen is, een dimensie van betekenisloosheid en verlangenloos.
Het aanvoelen dat gerichtheid van geest, betekenis, verlangen zaken zijn die ontstaan, maar niet inherent zijn aan geest.
Zoiets
Hoe komt dit bij jullie aan? Zien jullie fouten/tekortkomingen in mijn beschrijvingen? Geloven jullie dat alles toch echt wel tijdelijk is, ook het kenvermogen? Is er iets wat bewijst dat het kenvermogen ook komt en gaat? Bewusteloosheid kan dat niet bewijzen maar wat dan wel?