Forum > Nico
Leven van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 4. Te Vesali en Beluva
nico70+:
Leven en leer van de Boeddha. VII. Het laatste jaar. 4. Te Vesali en Beluva.
4. Te Vesali en Beluva
Opgravingen te Vesali (1987)
Resten van de oude stad Vesali (2004); links op de achtergrond de zuil van Asoka
4.1. Oplettendheid en helder begrip
Toen de Verhevene te Nādikā had vertoefd zolang als het hem behaagde, sprak hij tot de eerwaarde Ānanda: “Kom, Ānanda, laten wij naar Vesāli gaan.” – “Jawel, Heer.”
En de Verhevene nam zijn verblijf te Vesāli samen met een grote gemeenschap van monniken. En hij vertoefde er in het bosje van Ambapāli.[113]
Daar richtte de Verhevene zich tot de monniken met de woorden: “Monniken, oplettend moeten jullie leven, met helder begrip;[114] aldus spoor ik jullie aan. En hoe, monniken, leeft een monnik oplettend? Hij doet dat wanneer hij verblijft bij het beschouwen van het lichaam bij het lichaam, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En ook leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van gevoelens bij gevoelens, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. Eveneens leeft hij oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van de geest bij de geest, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen. En hij leeft ook oplettend wanneer hij verblijft bij het beschouwen van geestelijke objecten bij de geestelijke objecten, ijverig, met helder begrip en oplettend, na begeerte en verdriet met betrekking tot de wereld te hebben overwonnen.
En hoe, monniken, heeft een monnik helder begrip? Wanneer hij volledig bewust blijft van zijn komen en gaan, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn vooruit en zijwaarts kijken, en van zijn buigen en strekken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van het dragen van zijn gewaden en van het dragen van zijn nap, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn eten en drinken, van zijn kauwen en slikken, dan heeft hij helder begrip. En wanneer hij volledig bewust blijft van zijn ontlasten en urineren, wanneer hij volledig bewust blijft van zijn gaan, staan, zitten, neerliggen, slapen gaan of wakker blijven, van zijn spreken of zwijgen, dan heeft hij helder begrip.
Oplettend moeten jullie leven, monniken, met helder begrip; aldus spoor ik jullie aan.” (D.16)
____
[113] Het was het mango-park van de courtisane Ambapāli. (An 2003, p. 68-69).
[114] Volgens Buddhaghosa legde de Boeddha hier speciale nadruk op de meditatie van oplettendheid om de monniken in oplettendheid te vestigen bij het zien van de mooie Ambapāli. (An 2003, p. 69).
Voor de leerrede over oplettendheid, zie het topic: De vier grondslagen van oplettendheid.
http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2570.0.html
nico70+:
4.2. Ambapāli en de Licchavis
Toen kwam het Ambapāli, de courtisane,[115] ter ore dat de Verhevene te Vesāli was aangekomen en in haar mangopark vertoefde. En zij liet een groot aantal schitterende wagens klaarmaken. Zij besteeg zelf één ervan en reed, vergezeld van de rest, vanuit Vesāli naar haar park. Aldus ging zij zover als de wagen kon gaan, steeg toen uit en ging te voet verder naar de Verhevene. Zij begroette hem vol eerbied en ging terzijde neerzitten. En de Verhevene onderrichtte de courtisane Ambapāli in de leer. Hij wekte haar op, stichtte en verblijdde haar.
Daarna sprak de courtisane Ambapāli tot de Verhevene: “Heer, moge het de Verhevene behagen om mijn uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen, samen met de gemeenschap van de monniken.” En zwijgend stemde de Verhevene toe.
Zeker van de toestemming van de Verhevene stond toen de courtisane Ambapāli van haar zitplaats op, groette de Verhevene vol eerbied en vertrok met haar rechter zijde naar hem toegewend.
Toen kwam het de Licchavis van Vesāli ter ore dat de Verhevene te Vesāli was aangekomen en in het park van Ambapāli vertoefde. Ook zij lieten een groot aantal schitterende wagens klaarmaken. Elk van hen besteeg er een en vanuit Vesāli reden zij naar buiten. Nu waren sommigen van die Licchavis in het blauw, met de kleren en sieraden allemaal in het blauw, terwijl anderen in het geel waren, in het rood of in het wit, met de kleren en sieraden allemaal respectievelijk in het geel, rood of wit.
En het geschiedde dat de courtisane Ambapāli de jonge Licchavis tegenkwam, as tegen as, wiel tegen wiel en juk tegen juk. Daarop riepen de Licchavis uit: “Waarom rijd je op deze wijze tegen ons, Ambapāli?” – “Heren, de Verhevene is zojuist door mij uitgenodigd voor de maaltijd van morgen, samen met de gemeenschap van de monniken.” – “Ambapāli, geef die maaltijd over aan ons voor 100.000 muntstukken.”
Maar zij gaf ten antwoord: “Heren, zelfs indien jullie mij Vesāli zouden geven samen met het schatplichtige land ervan, dan zou ik toch een maaltijd van een dergelijk belang niet opgeven.” Toen knipten de Licchavis met hun vingers in ergernis, met de woorden: “Ziet, vrienden, wij zijn door dit mango-meisje verslagen. Wij zijn volkomen overtroffen door dit mango-meisje.”
Zij vervolgden hun weg naar het park van Ambapāli. En de Verhevene zag de Licchavis in de verte aankomen. Toen sprak hij tot de monniken: “Laten diegenen van jullie, monniken, die nog nooit de Drieëndertig goden aanschouwd hebben, naar de groep van de Licchavis kijken. Want zij zijn te vergelijken met de groep van de Drieëndertig goden.”[116]
Toen reden de Licchavis hun wagens zover als hun wagens konden gaan, waarna zij uitstapten. Zij naderden de Verhevene te voet, groetten hem vol eerbied en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene onderrichtte de Licchavis in de leer, wekte hen op, stichtte en verblijdde hen.
Vervolgens zeiden de Licchavis tot de Verhevene: “Heer, moge het de Verhevene behagen om onze uitnodiging aan te nemen voor de maaltijd van morgen, samen met de gemeenschap van monniken.” – “Licchavis, de uitnodiging voor de maaltijd van morgen is door mij reeds aangenomen van de courtisane Ambapāli.”
Toen knipten de Licchavis met hun vingers in ergernis, met de woorden: “Ziet, vrienden, wij zijn door dit mango-meisje verslagen; wij zijn volkomen overtroffen door dit mango-meisje.” Toch waren zij tevreden met de woorden van de Verhevene en zij verheugden zich erover. Zij stonden van hun zitplaatsen op, groetten hem vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend.
Nadat de nacht was voorbijgegaan, had Ambapāli uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen, in haar park klaargemaakt en deelde dit aan de Verhevene mede met de woorden: “Het is tijd, Heer; de maaltijd is gereed.” Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam nap en oppergewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Ambapāli. Daar ging hij op de voor hem klaargemaakte zitplaats neerzitten. En Ambapāli zelf bediende de gemeenschap van monniken met aan het hoofd de Boeddha, en zij diende hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen.
Toen de Verhevene zijn maaltijd had beëindigd en zijn hand van zijn nap had verwijderd, nam zij een lage zitplaats, ging aan een kant zitten en zei tot de Verhevene: “Heer, dit park hier bied ik aan de gemeenschap van monniken aan met aan het hoofd de Boeddha.” De Verhevene nam het park aan. Vervolgens onderrichtte hij Ambapāli in de leer, en na haar te hebben opgewekt, gesticht en verblijd, stond hij van zijn zitplaats op en vertrok.
En ook te Vesāli, in het park van Ambapāli, gaf de Verhevene aan de monniken veelvuldig deze raad: “Zó is deugdzaamheid, zó is concentratie en zó is wijsheid. Wanneer concentratie versterkt en volledig ontwikkeld is door deugdzaam gedrag, brengt ze grote vrucht, groot loon. Wanneer wijsheid versterkt en volledig ontwikkeld is door concentratie, brengt ze grote vrucht, groot loon. Het gemoed dat versterkt en volledig ontwikkeld is door wijsheid, wordt geheel en al bevrijd van de smetten: de smet van zinnelijke begeerte, de smet van worden, de smet van meningen en de smet van onwetendheid.” (D.16)
____
[115] Ambapali was een mooie, rijke en intelligente courtisane uit Vesâli. - De courtisane in het oude India was een mooie en rijke prostituee die een positie van eer en roem genoot. Zij was een goed opgeleide vrouw die geoefend moest zijn in de “64 kunsten”. Daartoe behoorden muziek, dansen, zingen, acteren, gedichten maken, bloemen schikken, het maken van guirlandes, bereiding van parfums en cosmetica, koken, het maken van kleren en sieraden, het samenstellen van puzzels, boogschieten, architectuur, logica, talen, het maken van kunstbloemen en het modelleren in klei. Zelden zal een prostituee al deze kunsten hebben bestudeerd of beheerst. Maar de lijst toont wat van haar werd verwacht. Als zij (de meeste van) deze kunsten beheerste die passend voor haar beroep waren, wachtte haar een schitterende toekomst. Zij had dan het recht om een erezitplaats bij de mannen te hebben. Door de koning werd zij dan geëerd en door de geleerden geprezen. Allen zullen haar gunsten trachten te krijgen. (Basham, A.L.: The wonder that was India. A Survey of the culture of the Indian sub-continent before the coming of the Muslims. (repr.). London: Sidgwick and Jackson, 1961. (1st.ed. 1954).
Ambapâli is een goed voorbeeld van zo’n courtisane. Zij werd een devote volgelinge van de Boeddha en bereikte volmaakte heiligheid.
[116] De bewoners van de Tāvatimsa hemel zijn mooi en gekleed in verschillende kleuren net zoals de Licchavi-edelen. (An 2003, p. 70).
nico70+:
4.3. De ziekte te Beluva
Toen de Gezegende in het park van Ambapāli had vertoefd zolang als het hem behaagde, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda met de woorden: “Kom, Ānanda, laten wij naar de plaats Beluva[118] gaan.” –“Jawel, Heer.”
Toen begaf zich de Verhevene samen met een grote menigte monniken naar de plaats Beluva waar hij zijn intrek nam. Daar zei de Verhevene tot de monniken: “Gaat, monniken, en brengt de regentijd door in de omtrek van Vesāli op die plaatsen waar jullie welkom zijn, bij vrienden of bekenden. Ik evenwel zal hier in Beluva de regentijd doorbrengen.” – “Ja, Heer,” zeiden de monniken en aldus geschiedde.[119]
Nadat de Verhevene het regenseizoen begonnen was, overviel hem daar een zware ziekte. Hevige, levensgevaarlijke pijnen kwamen op. Die verdroeg de Verhevene zonder klachten, maar volbewust, bezonnen, met onverstoord gemoed. (D.16)
Sakka vernam dat de Verhevene aan dysenterie leed. Persoonlijk kwam de koning van de goden toen naar de Boeddha om hem te verzorgen. De Verhevene zei tot Sakka dat hij zich geen zorgen over zijn gezondheid hoefde te maken omdat er veel monniken bij hem waren. Maar Sakka drong erop aan om de Verhevene te verzorgen totdat hij helemaal beter was. De monniken waren verbaasd en vol ontzag dat Sakka zelf voor de Boeddha zorgde. Toen hij hun opmerkingen hoorde, zei de Boeddha dat er niets verbazingwekkends was in Sakka’s toewijding voor hem. In zijn vorige leven had Sakka eens de gelegenheid om naar de leer van de Boeddha te luisteren en hij verwerkelijkte toen de Dhamma.[121] Na zijn dood werd hij als de tegenwoordige Sakka herboren. En dat gebeurde allemaal omdat hij naar de leer geluisterd had. “Waarlijk, monniken, het is goed edele personen te zien; het is een genot met hen samen te leven.” (Dhp. 208 (XV:8 [122]
Toen kwam bij de Verhevene de gedachte op: “Het zou voor mij niet passend zijn als ik volledig zou uitdoven zonder gesproken te hebben tot hen die mij dienden, zonder van de gemeenschap van de monniken afscheid genomen te hebben. Zou ik niet deze ziekte door wilsinspanning onderdrukken en met inspanning van de levenskracht blijven leven?”[123] En aldus deed hij. Zo kwam deze ziekte bij de Verhevene weer tot rust. (D.16)
_____
[118] Beluva was een dorp aan de voet van een berg nabij en ten zuiden van Vesāli. (An 2003, p. 71).
[119] De Boeddha zou dit gezegd hebben omwille van de monniken dat zij op hun gemak konden leven in de regentijd. In het dorp Beluva was niet genoeg plaats voor hen en er was weinig voedsel. Maar rond Vesāli was genoeg plaats en eten. Volgens Buddhaghosa zond de Boeddha de monniken toen uit mededogen met hen niet ver weg zodat zij bij hem konden zijn bij zijn heengaan in parinibbāna. (An 2003, p. 71).
[121] Dit betekent dat Sakka toen het eerste niveau van heiligheid bereikte.
[122] Dhp 208 (XV:8 ) met bijbehorend verhaal in: Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988, p. 407. Zie ook: Nārada Thera: The Dhammapada: Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo 2522-1978, p.179-180.
[123] De Boeddha zou toen phala-samāpatti bereikt hebben, een meditatieve sfeer van nibbāna waarin hij een aanzienlijke tijd verbleef. (An 2003, p. 72 noot 7).
nico70+:
4.4. Weest uzelf tot toevlucht
Daar nu, helemaal niet lang nadat de Verhevene van zijn ziekte was genezen, ging hij uit het verblijf naar buiten en ging op een voor hem gereed gemaakte zitplaats achter het huis zitten. Toen begaf zich de eerwaarde Ānanda naar de Verhevene, begroette hem vol eerbied en ging naast hem neerzitten. En Ānanda zei: “Gelukkig is het voor mij, Heer, om de Verhevene weer in welbevinden te zien. Gelukkig is het voor mij, Heer, om de Verhevene hersteld te zien. Waarlijk, Heer, mijn lichaam was helemaal slap als een kruipplant, ik had de beheersing over mij verloren en ik kon niets duidelijk herkennen,[125] tengevolge van de ziekte van de Verhevene. Nochtans ademde ik iets op bij de gedachte: ‘De Verhevene zal niet eerder volledig uitdoven voordat hij met inachtneming van de gemeenschap van de monniken enige regelingen heeft getroffen.’”
“Wat dan, Ānanda, verwacht de gemeenschap van de monniken van mij? Ik heb de leer getoond zonder onderscheid te maken tussen een inwendig en een uitwendig leerstelsel; de leer die ik heb verkondigd, heeft geen geheime en openbare versies. Onder de eigenschappen van de Volmaakte bestaat niet zoiets als de gesloten vuist van de leraar. Ānanda, wie zo dacht: ‘Ik zal de gemeenschap van de monniken leiden,’ of ‘Op mij moet zich de gemeenschap van de monniken steunen,’ die zou wel rekening houden met de gemeenschap van de monniken en enige regelingen treffen. Maar de Volmaakte denkt niet zo. Ānanda, waarom zou de Volmaakte rekening houden met de gemeenschap van de monniken en enige regelingen treffen? Ānanda, ik ben thans afgemat en oud, bejaard, aan het levensdoel aangekomen, grijs geworden. Tachtig jaren heb ik voltooid. Evenals een versleten kruik slechts door kunstmatige middelen in stand kan worden gehouden, evenzo kan ook het lichaam van de Volmaakte om zo te zeggen alleen maar door kunstmatige middelen in stand worden gehouden. Ānanda, enkel wanneer de Volmaakte door niet-ingaan op alle onderscheiden,[126] door ophouden van de afzonderlijke waarnemingen,[127] de geestesverdieping bereikt die vrij van onderscheid is,[128] en wanneer hij erin vertoeft, alleen dan, Ānanda, komt het lichaam van de Volmaakte tot welbevinden.
Daarom, Ānanda, weest een eiland[129] voor uzelf, weest u zelf tot toevlucht; zoekt geen andere toevlucht. De leer zij u tot eiland, de leer zij u tot toevlucht; zoekt geen andere toevlucht.[130] En hoe, Ānanda, is een monnik zichzelf tot eiland, zichzelf tot toevlucht en hoe zoekt hij geen andere toevlucht? Hoe is de leer hem tot eiland en tot toevlucht en hoe zoekt hij geen andere toevlucht? Daar vertoeft, Ānanda, een monnik bij het lichaam in nauwkeurige beschouwing van het lichaam, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de gevoelens in nauwkeurige beschouwing van de gevoelens, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de geest in nauwkeurige beschouwing van de geest, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. Hij vertoeft bij de geestesformaties in nauwkeurige beschouwing van die formaties, ijverig, bezonnen, vol inzicht, nadat hij begeerte en smart met betrekking tot de wereld heeft overwonnen. En zo, Ānanda, is een monnik steeds zichzelf tot eiland, zichzelf tot toevlucht, zoekt hij geen andere toevlucht. Zo is de leer hem tot eiland, zo is de leer hem tot toevlucht, zo zoekt hij geen andere toevlucht. En allen, Ānanda, die thans of na mijn heengaan zichzelf tot eiland en tot toevlucht zijn en geen andere toevlucht zoeken, zij die de leer tot eiland en tot toevlucht hebben en geen andere toevlucht zoeken, - Ānanda, die monniken zullen de hoogsten[131] worden als zij bereidwillig zijn om te streven.” (D.16)
Na de ziekte te Beluva bezocht de Boeddha volgens het commentaar van Buddhaghosa en volgens andere commentaren via Ukkacela (gelegen aan de weg van Vesāli naar Rājagaha) de plaats Sāvatthi. Dit staat niet vermeld in de Pāli Canon. Het is ook erg onwaarschijnlijk dat de Boeddha van Vesāli naar Sāvatthi ging, de hele route weer terugkeerde naar Vesāli en vandaar naar Kusināra ging. Het overlijden van beide hoofddiscipelen heeft zeer waarschijnlijk plaatsgehad in de 43e regentijd na de Verlichting van de Boeddha. Maar omdat “de machtige uitspraak” van Sāriputta in het Mahāparinibbāna sutta (D.16) is opgenomen, moest de commentator het overlijden van Sāriputta wel na die uitspraak dateren, zoals Thomas opmerkte.[133]
_____
[125] Een andere versie is: “Zelfs de leerteksten werden onduidelijk voor mij.” In één van de Chinese versies staat: “Ik kon geen leerteksten reciteren die ik gehoord had.” In alle andere Chinese versies ontbreekt het gedeelte over Ānanda’s verwarring. (An 2003, p. 74 noot 7). Dit wijst erop dat het gedeelte over Ānanda’s verwarring later toegevoegd is.
[126] nl. alle objecten van vormen, geluiden etc.; of alle ‘tekens’ of ideeën die door begeerte, afkeer en onwetendheid veroorzaakt zijn.
[127] Commentaar: ‘De wereldse gevoelens’.
[128] Commentaar: ‘De concentratie die bereikt wordt tijdens intensieve inzicht-meditatie.
[129] Het Pāli woord dīpa kan zowel ‘eiland’ als ‘lamp’ betekenen. Het commentaar legt het woord uit als eiland. (Ñanamoli 1978, p. 361, noot bij p. 303).
[130] “…weest uzelf tot toevlucht…” In het streven naar bevrijding staat ieder op zich. De gemeenschap van de monniken is een gemeenschap van mensen die naar bevrijding streven. Een hiërarchie is er niet nodig. (Schneider 1980, p. 38).
[131] Commentaar: ‘Zij zijn de hoogsten, de meest uitmuntenden. Na elke band van duisternis afgesneden te hebben, zullen die monniken van mij op de uiterste top zijn, in de hoogste rang. Onder hen zullen diegenen het allerhoogste bereiken die graag oefenen. En degenen wier toevlucht de viervoudige grondslag van oplettendheid (satipatthana) is, zullen van hen aan de top staan.’
[133] Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.). London 1969, p. 140-141.
nico70+:
4.5. Leeg
In het Mahāparinibbāna sutta (D.16) is de volgende tekst niet opgenomen. Die tekst moet dateren na het overlijden van de twee hoofddiscipelen. En omdat ze te Ukkacela gesproken is, nabij Vesāli, is die hier eerder te plaatsen dan de legende over het overlijden van Sāriputta.
Eens verbleef de Gezegende met een grote schare van monniken in het land van de Vajjis te Ukkacela aan de oever van de Ganges. Het was niet lang nadat Sāriputta en Moggallāna uiteindelijk nibbāna hadden bereikt. Bij die gelegenheid zat de Gezegende in de open lucht met om zich heen de schare van monniken. Hij overzag de zwijgende schare van monniken en sprak hen als volgt toe: “Nu komt de gemeenschap van monniken mij voor alsof ze leeg was. De gemeenschap is leeg voor mij vanwege het feit dat Sāriputta en Moggallāna nu uiteindelijk nibbāna hebben bereikt. Nergens is een plek waar men kan kijken en zeggen dat Sāriputta en Moggallāna er leven. De Gezegenden in het verleden, volmaakt en geheel verlicht, hadden ieder een paar discipelen gelijk aan Sāriputta en Moggallāna. En ook de Gezegenden in de toekomst zullen een dergelijk paar discipelen hebben. Het is wonderbaarlijk, het is wonderbaar bij de discipelen hoe zij effect geven aan de leer van de Meester en hoe zij zijn advies uitdragen en hoe zij dierbaar zijn aan de gemeenschap en geliefd, geacht en geëerd bij de gemeenschap. Het is wonderbaarlijk, het is prachtig in de Volmaakte dat wanneer een dergelijk paar van discipelen uiteindelijk nibbāna heeft bereikt, hij niet klaagt noch jammert. Hoe kan het zijn dat wat is geboren, ontstaan, gevormd, en aan verval onderhevig, niet tot verval zou komen? Dat is niet mogelijk.” (S.XLVII,14)
Navigatie
[0] Berichtenindex
[#] Volgende pagina
Naar de volledige versie