Forum > Nico
Smetten van de geest, niveaus van heiligheid, soorten van bevrijding
nico70+:
Smetten van de geest, niveaus van heiligheid, soorten van bevrijding
Door Sybe is al gepost het topic: de vier paden en zuivering http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2120.0.html , en het topic stroom-intrede(r) http://www.boeddhaforum.nl/index.php/topic,2398.0.html . In beide topics is iets over de paden van heiligheid en de smetten uitgelegd.
In 2016 ben ik begonnen met het topic: Niveaus van heiligheid. Ik kon toen niet verder gaan met dat thema. Nu vind ik dat die titel de inhoud niet helemaal dekt, en daarom dit nieuwe topic.
Hier ga ik het thema heiligheid in het Boeddhisme uitgebreid bespreken. Eerst worden de hindernissen, boeien en smetten van de geest uitgelegd, dan volgen de vier niveaus van heiligheid, en tot slot worden de soorten van bevrijding besproken.
Bij de vermelding van de suttas gebruik ik nog de afkortingen zoals die in West-Europa gebruikelijk zijn/waren voordat door Amerikaanse invloed andere afkortingen in zwang kwamen.
A = AN = Anguttara Nikaya
D = DN = Digha Nikaya
M = MN = Majjhima Nikaya
S = SN = Samyutta Nikaya
Sn = Sutta Nipata
Geraadpleegde bronnen
Buddhadasa Bhikkhu: Emancipation from the World. Kandy : BPS, 1976. Bodhi Leaves No. B 73.
Dahlke, Paul (übers.): Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden : Fourier, [s.a.]
Dhammananda, K. Sri: The Dhammapada. Kuala Lumpur 1988.
The Discours on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8,’ in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy: BPS, 1964, The Wheel Publication 61/62, p. 30-42.
Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg: Benares-Verlag, 1930.
Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Buddhist Women at the Time of the Buddha. Transl. from the German by Sister Khema. Kandy : BPS, 1982. The Wheel No. 292/293.
Horner, I.B. (transl.): The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy : BPS, 1974,The Wheel No. 198.
Horner, I.B. (Transl.): The Collection of the Middle Length Sayings (Majjhima-Nikāya), Vol. I. : The first fifty discourses (Mūlapaņņāsa). Oxford 2000,
Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.
Ireland, John D. (tr.): The Itivuttaka : The Buddha's Sayings. Kandy : BPS, 1991.
Katz, Nathan: Buddhist Images of Human Perfection. The Arahant of the Sutta Pitaka Compared with the Bodhisattva and the Mahâsiddha. Delhi, 1989 [1982]
Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).
Ñânamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).
Ñânananda, Bhikkhu: An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972, The Wheel No. 183/185
Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 188, p. 19-22.
Nârada Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) - Kandy : BPS, 2524/1980.
Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).
Neumann, Karl Eugen (Übers.): Die Reden Gotamo Buddhos. Aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pāli-Kanons, Wien 1956,
Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.
Nyânaponika Thera: The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Edited by Nyânaponika Thera. Kandy : BPS, 1964, The Wheel No. 61/62.
Nyanaponika Thera (comp. & tr.) The Five Mental Hindrances and their Conquest. Selected Texts from the Pali Canon and the Commentaries. (repr.) - Kandy : BPS, 1973, The Wheel No. 26. (1st ed. Colombo 1947).
Nyanaponika (Übers.) Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6).
Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.
Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.
Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).
Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.) - Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).
Pereira, Ananda: Live now! Kandy: BPS, 1973, The Wheel No. 24/25.
Perera, T.H.: The Four Cankers (Āsavas). Kandy : BPS, 1967, Bodhi Leaves No. B 35.
Piyadassi Thera: The Seven Factors of Enlightenment. Satta Bojjhanga. (2nd impr.) Kandy : BPS, 1960. The Wheel no. 1,
Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.
Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford : PTS, 1993. (1st. ed. 1915).
Seidenstücker, Karl (übers.) Itivuttaka : Das Buch der Herrnworte : Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]
Soma Thera (tr.): The Lesser Discourse of the Buddha on the Elephant-footprint Simile, Kandy 1960, Bodhi Leaves No. B.5.
Story, Francis: Dimensions of Buddhist Thought (Collected Essays). Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 211/214.
The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.
Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dīgha Nikāya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).
Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).
nico70+:
Smetten van de geest, niveaus van heiligheid en soorten van bevrijding
Inleiding
In het Boeddhisme onderscheidt men elf soorten van mensen. Het zijn (1) de wereldlingen, (2) degenen die vertrouwen hebben, (3) degenen die de leer navolgen, (4-5) degenen die in de stroom zijn getreden, (6-7) degenen die eenmaal wederkeren, (8-9) degenen die niet meer wederkeren, en (10-11) de volmaakte heiligen.
De onder de nrs. 4 t/m 11 genoemde personen zijn de acht waardige of edele mensen (ariya), de vier soorten van personen die op het pad van heiligheid gaan. Op elk niveau van dat pad wordt onderscheid gemaakt in (a) het betreden van het pad (magga) op het betreffende niveau, en (b) het verwerkelijken van de vervulling of vrucht (phala) op dat niveau. Zo krijgt men de acht waardige of edele mensen, de vier soorten van heiligen.
1. De wereldling
Met wereldling (puthujjana) worden de monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke leken aangeduid die geen enkel van de niveaus van heiligheid bereikt hebben. (A.IX.9)
2. Degenen die vertrouwen hebben
Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken. (M.34; zie ook S.XXII. 85, 109, 110, 117, 122)
Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet. (M.22)
3. Navolgers van de leer
Degenen die de leer navolgen, die vertrouwen hebben, – zij allen gaan de Verlichting tegemoet, zij zullen veilig aan de andere oever aankomen. (M.34; M.22)
Wie lang als volgeling van de Verhevene zijn toevlucht heeft genomen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha, die kan niet meer in een toestand van ellende geraken. (S.LV.25)
Iemand is niet snel in wijsheid. Maar hij bezit de volgende eigenschappen: het vermogen van vertrouwen, het vermogen van energie, het vermogen van oplettendheid, het vermogen van concentratie, het vermogen van wijsheid. En de door de Verhevene verkondigde leer keurt hij goed met een zekere mate van wijsheid bij kennismaking ermee, of hij heeft minstens tot de Volmaakte een zekere mate van vertrouwen en een zekere mate van sympathie.
Ook zo'n persoon gaat niet meer naar de hel, naar de dierenwereld, naar het rijk van de ongelukkige geesten, gaat niet meer op een verkeerde weg, gaat niet naar ondergang. (S.LV.24-25)
Deze mensen hebben het pad van de edelen nog niet betreden. De rijpgewordene (gotrabhū) heeft het ontwikkelingsniveau bereikt dat onmiddellijk vóór stroomintrede is. (A.IX.10)
Zij zijn geschenken waard, gastvrijheid waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden; zij zijn het beste veld voor goede werken in de wereld. (A.IX.10; A.X.16)
4-11. Zoals boven vermeld zijn de acht waardige mensen of de vier soorten van personen die op het pad van heiligheid gaan, degenen die in de stroom zijn getreden, degenen die eenmaal wederkeren, degenen die niet meer wederkeren en de volmaakte heiligen.
Er zijn niet meer dan deze acht soorten heiligen. Zij zijn vast in wijsheid en vast in deugdzaamheid. Gaven aan deze heiligen gegeven, brengen hoog loon. (A.VIII.59-60)
Er is nog een andere indeling van heiligen, en wel naar soort van bevrijding namelijk: de vertrouwen-toegewijde, de waarheid-toegewijde, de door vertrouwen bevrijde, de door inzicht bevrijde, de lichaamsgetuige, de door weten bevrijde, de beiderzijds bevrijde. (A.X.16)
Deze niveaus van heiligheid worden hieronder besproken in de hoofdstukken 2 en 3.
Voordat het pad van heiligheid betreden wordt, en ook tijdens het begaan van dat pad, moeten meerdere hindernissen, boeien, smetten van de geest overwonnen worden. Die hindernissen, smetten en boeien worden eerst besproken, in hoofdstuk 1.
nico70+:
1. De boeien, smetten, hindernissen
Als men het pad van de edelen, van de heiligen, heeft betreden, is men er zeker van dat volmaakte heiligheid bereikt zal worden. Het streven ernaar, de inspanningen die men ervoor moet doen, zijn beslist de moeite waard.
Maar dat pad, die weg naar volmaakte heiligheid zit vol met smetten van de geest die helder inzien belemmeren, vol met hindernissen die overwonnen moeten worden, en vol met boeien die ons kluisteren aan deze wereld van lijden.
Om de vier niveaus van heiligheid te kunnen bereiken, moeten die smetten verwijderd worden, moeten de hindernissen overwonnen worden en van de boeien waaraan men gekluisterd is moet men zich bevrijden.
De geest is bevlekt met van buiten komende smetten. Maar oorspronkelijk is de geest helemaal zuiver. Door de Volmaakt Verlichte is het als volgt gezegd: “Deze geest is stralend, maar wordt bevuild door van buiten komende smetten.” Door de geest te reinigen kan men ze stralender maken. En de inspanning daarvoor is niet tevergeefs."
In diverse leerreden worden hindernissen, boeien en smetten van de geest opgesomd. Er zijn suttas met 5, met 9, met 16 en met 10 hindernissen die overwonnen moeten worden. Enkele ervan worden in meerdere suttas vermeld. Zij moeten allemaal overwonnen worden vóór het betreden van het pad van de edelen of tijdens het gaan over dat pad.
Op twee manieren kan men iets overwegen, namelijk:
1. Men overweegt het genot bij de boeiende dingen. - Wanneer men zo overweegt, overwint men niet de begeerte, afkeer, onwetendheid. En men wordt niet vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt niet vrij van lijden.
2. En men overweegt de afkeer van de boeiende dingen. - Wanneer men zo overweegt, overwint men begeerte, afkeer en onwetendheid. Zo wordt men vrij van geboorte, ouderdom en sterven, van zorg, gejammer, leed, pijn, wanhoop, men wordt vrij van lijden. (A.II.6)
Om alle hindernissen, smetten en boeien te overwinnen, moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien, de vier juiste inspanningen ontplooien, de vier jhanas ontplooien. (A.IX.73-92)
nico70+:
1.1. De vijf hindernissen (pañca nīvaranāni)
De volgende vijf hindernissen maken inzicht krachteloos; ze belemmeren vooruitgang en concentratie. Het zijn:
1. lobha, rāga, kāmacchanda: zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust, begeerte;
2. dosa, vyāpāda: haat, afkeer, kwaadwil;
3. thīna -middha, traagheid en luiheid.
4. uddhaccakukkucca: rusteloosheid en piekeren, gewetenswroeging;
5. vicikicchā: twijfel. (A.IX.64, 67; D.2; zie ook A.III.69, S.XLVII.5 en M.10)
De hindernissen 1 en 2, begeerte en haat, worden ook genoemd bij de negen hindernissen. (zie § 1.2.)
Wanneer deze vijf hindernissen zijn ontstaan, dan zijn ze moeilijk te verdrijven. (zie A.V.160)
"Als deze vijf geestelijke hindernissen aanwezig zijn, kan men niet helder zijn eigen heil onderkennen, noch dat van anderen, noch dat van beiden." (A.V.193).
"Wanneer iemand deze vijf hindernissen niet heeft overwonnen, is het onmogelijk om zijn eigen ware heil te weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal niet in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.
Maar wanneer iemand de vijf belemmeringen en hindernissen heeft overwonnen, deze overdekkingen van de geest die inzicht krachteloos maken, dan is het mogelijk dat hij met zijn sterk inzicht zijn eigen ware heil kan weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.
Wiens hart overweldigd is door onbeheerst verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en piekeren, en door twijfel, die persoon doet wat hij niet moet doen en verwaarloost wat hij moet doen. En daardoor komt zijn goede naam en zijn geluk tot verderf.” (A.V.51).
“Uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid, met de geest overweldigd door begeerte, door haat, door onwetendheid, streeft men naar eigen nadeel, naar het nadeel van anderen, naar beider nadeel; uit begeerte, uit haat, uit onwetendheid lijdt men geestelijke pijn en zorgen.
Maar wanneer de begeerte, de haat, de onwetendheid is opgeheven, dan streeft men niet naar eigen nadeel, noch naar het nadeel van anderen noch naar beider nadeel; men lijdt geen geestelijke pijn en zorgen." (A.III.54-55, zie ook A.III.56 en A.III.72-73 en A.IV.18-19)
Het is nodig voor een monnik om af en toe zelfonderzoek te doen, om te zien of begeerte, kwaadwil, traagheid en starheid in hem zijn ontstaan of niet; om te zien of bezorgdheid en opwinding, en twijfels in hem bestaan; om te zien of hij vrij is van boosheid (woede) en of zijn geest wel of niet door onheilzame gedachten besmet is; om te zien of zijn lichaam op zijn gemak is, zonder rusteloosheid; om te zien of hij door luiheid is bezet; om te zien of hij concentratie van de geest heeft met helder begrip. (zie A.X.51)
“Hoe beoefent een monnik het overwegen van de geestelijke objecten van de vijf hindernissen? - Wel, monniken, wanneer zinsverlangen in hem aanwezig is, dan weet hij: ‘Er is zinsverlangen in mij.’ Wanneer kwaadwil in hem aanwezig is, dan weet hij: ‘Er is kwaadwil in mij.’ Wanneer traagheid en luiheid in hem aanwezig zijn, dan weet hij: ‘Er is traagheid en luiheid in mij.’ Wanneer rusteloosheid en zich zorgen maken in hem aanwezig zijn, dan weet hij: ‘Er is rusteloosheid en zich zorgen maken in mij.’ Of wanneer deze hindernissen afwezig zijn, dan weet hij: ‘Er is geen hindernis in mij.’
Hij weet hoe het ontstaan van een niet ontstane hindernis geschiedt; hij weet hoe het verwerpen van de ontstane hindernis geschiedt; en hij weet hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de verworpen hindernis geschiedt.” (M.10).
“Wanneer een edele discipel deze vijf smetten inderdaad als belemmeringen van de geest heeft gezien, dan geeft hij ze op. En zodoende wordt hij beschouwd als iemand met grote wijsheid, met overvloedige wijsheid. Hij wordt dan beschouwd als iemand die helder en duidelijk ziet, die wel-begiftigd is met wijsheid. Dit heet: ‘Begiftigd met wijsheid’.” (A.IV.61).
nico70+:
1.1.1. Begeerte
Begeerte, zintuiglijke verlangens, zinnelijke lust worden ook vermeld bij de §§ 1.2.1. en 1.5.4.
Volgens het commentaar noemde de Verhevene ‘begeerte’ als eerste smet, omdat ze als eerste ontstaat. Want bij alle wezens, in welke sfeer van bestaan zij ook herboren worden, ontstaat het eerst begeerte door verlangen naar bestaan. Daarna verschijnen de andere smetten, al naar gelang de omstandigheden.
Zintuiglijk verlangen naar en bevrediging in zingenot is een verontreiniging van de geest die er vast gevestigd is. Alles kan dienen als object voor begeerte, verlangen: kleuren en vormen, geluiden en geuren, smaken en aanrakingen, ideeën en gedachten. (Zie M.26) Die dingen zijn aangenaam, aantrekkelijk. Maar wie erin verstrikt is, wie geen inzicht heeft in het lijden, wie niet weet hoe eraan te ontkomen, die personen zijn tot ongeluk vervallen, zijn tot neergang vervallen, zijn een voorwerp naar willekeur voor het kwaad. (M.26)
Maar degenen die van die dingen genieten zonder erin verstrikt te zijn, die er niet door overweldigd zijn, die inzicht in het lijden hebben, zij weten hoe zij eraan kunnen ontkomen. En die personen zijn niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, zijn geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad. (M.26)
“Begeerte omvat alle graden van aantrekkelijkheid tot een object, van het zwakste spoor van verlangen tot en met het grootste egoïsme.” (A.III.68).
"De begeerte (tanha) is als een net, rusteloos drijvende, zich ver uitstrekkend, verstrikkend, waarin de mensheid verzonken en verwikkeld is als in de war geraakte draden, vervlochten als een strik uit gras en twijgen, zodat de mensen niet heen komen over de lagere werelden, de sporen van lijden, de afgronden van bestaan, de kringloop van het bestaan (samsāra).
Wat nu is die begeerte waarin de mensheid verstrikt is? - Er zijn achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte, en er zijn achttien uiterlijk veroorzaakte sporen van de begeerte.
Wat nu zijn de achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte? - Wanneer de gedachte bestaat van 'ik ben',*1] dan ontstaat ook de gedachten 'dat ben ik' *2] – 'juist zo ben ik' – 'ik ben anders'*3] - 'ik ben eeuwig zijnde'*4] – 'ik ben niet eeuwig zijnde'*5] - 'Misschien kan ik zijn'*6] - 'Misschien kan ik dat zijn' – 'Misschien ben ik precies hetzelfde' – 'Misschien ben ik wel anders' – 'Graag zou ik willen zijn'*7] - 'Graag zou ik dat willen zijn' – 'Graag zou ik precies zo willen zijn' – 'Graag zou ik anders willen zijn' – 'Ik zal zijn.' - 'Ik zal dat zijn.' - 'Ik zal precies zo zijn' – 'Ik zal anders zijn'. Dit zijn de achttien door de eigen persoon veroorzaakte sporen van de begeerte.
Wat nu zijn de achttien uiterlijk veroorzaakte sporen van de begeerte? - Wanneer de gedachte bestaat: 'Om deze reden ben ik,'*8] dan ontstaan ook de gedachten: 'Om deze reden ben ik dat'*9] - 'Om deze reden ben ik precies zo' - 'Om deze reden ben ik anders' - 'Om deze reden ben ik eeuwig zijnde' - 'Om deze reden ben ik niet eeuwig zijnde' - 'Om deze reden ben ik misschien' - 'Om deze reden ben ik misschien dat' - 'Om deze reden ben ik misschien precies zo' - 'Om deze reden ben ik misschien anders' - 'Om deze reden wil ik graag precies zo zijn' - 'Om deze reden wil ik graag anders zijn' - ''Om deze reden wil ik graag zijn' - 'Om deze reden wil ik graag dat zijn' - 'Om deze reden zal ik zijn' - 'Om deze reden zal ik dat zijn' - 'Om deze reden zal ik precies zo zijn' - ''Om deze reden zal ik anders zijn.' Dit zijn de achttien uiterlijke sporen van de begeerte." (A.IV.199)
Kortom, lijden ontstaat door begeerte en begeerte ontstaat door de mening dat er een "ik" is.
"Wat er aan begeerte bestaat, dat is een wortel van het onheilzame. Wat de begerende volvoert in daden, woorden of gedachten, ook dat is onheilzaam. Wat een begerende, overweldigd door begeerte, met verstrikte geest, iemand anders ten onrechte aan lijden toevoegt, - hetzij door terechtstelling, inkerkering, onttrekking van goederen, beschuldiging of uitwijzing – in de gedachte dat hij de macht heeft en de macht wil gebruiken, ook dat is onheilzaam. Zo ontstaan in hem, door begeerte geproduceerd, door begeerte als voorwaarde, uit begeerte ontsprongen, deze veelvoudige onheilzame dingen." (A.III.70)
"De Boeddha onderwijst de overwinning van begeerte, en wel de begeerte naar lichamelijkheid, de begeerte naar gevoel, de begeerte naar waarneming, de begeerte naar formaties, de begeerte naar bewustzijn.
Welk kwaad is er in die soorten van begeerte? - Wanneer bij de lichamelijkheid, bij het gevoel, bij de waarneming, bij de formaties, bij het bewustzijn de begeerte niet is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen, niet zijn verdwenen, dan ontstaan door verandering van de lichamelijkheid, van het gevoel, van de waarneming, van de formaties, van het bewustzijn zorgen, gejammer, pijn, leed en wanhoop. Daarom onderwijst de Boeddha de overwinning van begeerte.
Welk voordeel is er in de overwinning van begeerte? – Wanneer bij lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn begeerte is verdwenen, wanneer wil, toeneiging, vurig verlangen is verdwenen, dan ontstaan niet bij hem door verandering van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn leed, gejammer, pijn, leed en wanhoop. Dat is het voordeel ervan." (S.XXII.2)
"Negen dingen hebben hun wortels in begeerte. Na het begeren volgt het zoeken; na het zoeken volgt het verkrijgen; na het verkrijgen volgt de beslissing; na de beslissing volgt de hebzucht; na de hebzucht volgt de egoïstische drang; daarna volgt het in bezit nemen; daarna volgt de gierigheid; daarna volgt het waken over de dingen; en bij het waken over iets grijpt men naar stok en zwaard, er volgt strijd, ruzie, twist, lasterpraat en leugens, en er ontstaan veel andere slechte, onheilzame dingen." (A.IX.23, zie ook D.15)
"Begeerte is een klein kwaad, maar moeilijk te overwinnen. De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane begeerte tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte steeds groter en sterker wordt, is een aantrekkelijk object. Want wie over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte wordt steeds groter en sterker." (A.III.68-69; A.I.2)
"De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte verdwijnt, is een walgelijk object (asubha-nimitta). Want wie over een walgelijk object wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt." (A.III.69; A.I.2)
Monniken te Savatthi vertelden aan de Boeddha dat koning Pasenadi veel mensen had laten boeien. De Boeddha zei toen dat die boeien niet sterk zijn. Maar de begeerte naar zonen en vrouwen is een sterke boei. Ze trekt ons mee en is moeilijk los te maken. Wie deze boei heeft verbroken, die gaat zonder begeerte rond; hij heeft zinnelijke lust en vreugde achter zich gelaten.(S.III.10; zie ook Dhp. 345-346).
"Wie het lijden heeft gezien en de oorzaak ervan, die zal zich geen zinnelijke genietingen toeëigenen. Het hechten aan de wereld is een boei. Men moet zich inspannen om die boei te verwijderen." (S.IV.20)
Te Savatthi zeiden Satullapa Devata aan de Boeddha:
"Zinnelijke genietingen bij de mensen zijn niet blijvend. Door er aan gebonden te zijn, erdoor verlamd, kan men niet komen tot niet meer wederkeer uit het bereik van de dood."
"Uit begeerte stamt het kwaad; uit begeerte stamt het lijden. Uit de opheffing van begeerte volgt opheffing van het kwaad; uit de opheffing van het kwaad volgt opheffing van lijden."
"Niet de veelvuldige zinnelijke genietingen die er in de wereld zijn, maar het willen en verlangen van de mens is de lust der zinnen. De veelvuldige genietingen in de wereld blijven bestaan, maar de wijze verwijdert de begeerte ernaar."
Deze woorden werden door de Boeddha goedgekeurd. (S.I.34)
Te Savatthi. De eerwaarde Ananda en de eerwaarde Vangisa vertoefden er in het Jetavanaklooster. Beiden gingen op een morgen naar Savatthi om er voedsel te vergaren.*10] De Eerwaarde Vangisa werd toen bevangen door begeerte en lust. Zijn denken was erdoor in de war. Hij vroeg daarom aan de eerwaarde Ananda hoe hij die begeerte naar zinnelijk genot kon doven. Het antwoord van Ananda luidde: "Door een verkeerde voorstelling van zaken brandt in jou het vuur van begeerte. Vermijdt daarom gedachten die aangenaam zijn en die met begeerte gepaard gaan. Beschouw de wordingen als iets vreemds, als lijden, niet als iets dat tot jezelf behoort. Doof de begeerte; richt je denken geconcentreerd op iets onaangenaams. Wees bezonnen en beoefen gelijkmoedigheid. Oefen je erin van de gedachten los te komen, geef de neiging naar hoogmoed op. Dan zul je in vrede gaan." (S.VIII.4; vergelijk Sn. verzen 341, 342, 340).
De wereld is omhuld door de rook van begeerte. (S.I.66). Mediteren over onzuivere objecten is het tegendeel van zinnelijk verlangen.
De wereld wordt gebonden door de wens. Door het verwijderen ervan wordt zij verlost. Door het opgeven van de wens snijdt men alle boeien door. (S.I.69).
De yakkha Sūciloma vroeg: “Waar hebben begeerte en haat hun oorsprong? Waaruit zijn onlust, lust, vrees ontstaan? Vanwaar zijn de gedachten ontstaan?”
De Verhevene: “Begeerte en haat hebben hier hun oorsprong. Onlust, lust, vrees zijn hier ontstaan. Gedachten zijn hier ontstaan. Uit begeerte zijn ze voortgekomen, in het eigen ik ontstaan. In groot aantal hechten zij aan de zinnelijke genietingen. Maar degenen die weten waar ze hun oorprong hebben, die verdrijven ze. Zij overschrijden de rivier die moeilijk te overschrijden is, om niet meer wedergeboren te worden. (S.X.3)
Begeerte, lust wordt tijdelijk opgeheven tijdens de meditatieve verdiepingen. Men is dan uit het zicht van het kwaad gekomen. (M.26)
"Op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen ontstaat begeerte. Terwijl men er over nadenkt, ze overweegt, ontstaat begeerte. Met begeerte is men aan die dingen geboeid; want de smet van de geest door hevig verlangen is een boei. Zo ontstaat op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen de begeerte.
Op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen ontstaat geen begeerte. – Men ziet het toekomstige resultaat in van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen. Omdat men dat resultaat kent, vermijdt men ze. Terwijl men ze vermijdt en de geest ervan afwendt, onderkent men ze, ze wijs doordringend.
Zo ontstaat op grond van vroegere, tegenwoordige of toekomstige verlangen opwekkende dingen geen begeerte." (A.III.113).
De begeerte naar de zinsobjecten wordt voorgoed opgegeven door het pad van niet-wederkeer. Maar alle soorten van begeerte, met inbegrip van het verlangen naar bestaan in de fijnstoffelijke en de onstoffelijke sferen, zijn alleen vernietigd op het pad van volmaakte heiligheid.
_____
*1] Hoe ontstaat de gedachte 'Ik ben'? - Bij de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn overkomt hem het verlangen (chanda) 'Ik ben', de eigendunk (māna) 'Ik ben', de visie (ditthi) 'Ik ben.' Wanneer dat er is, dan bestaan er ook zulke uitbreidingen (papañcitāni) van zoals 'Dat ben ik', 'Precies zo ben ik' etc.
*2] Commentaar: de vijf groepen van bestaan in hun geheel en zonder betrekking op andere wezens (zoals bij de volgende twee begrippen).
*3] Commentaar: beter of minder.
*4] Commentaar: "Van de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn in hun geheel denkt hij: 'Ik ben blijvend, eeuwig, niet aan verandering onderhevig.' Hij denkt op de volgende manier: 'Eeuwig zijnde ben ik'.
*5] Commentaar: Van de lichamelijkheid, het gevoel, de waarneming, de geestelijke vormingen en het bewustzijn in hun geheel denkt hij: 'Ik zal te gronde gaan, zal vernietigd worden, zal er niet meer zijn.' Hij denkt: 'Niet eeuwig zijnde ben ik.'
*6] Deze groep van begrippen brengt volgens het commentaar een twijfelend nadenken tot uitdrukking.
*7] Dit en de volgende drie begrippen brengen volgens het commentaar een wensend nadenken tot uitdrukking.
*8] Commentaar: Vanwege deze lichamelijkheid, dit gevoel, deze waarneming, deze geestelijke vormingen, dit bewustzijn. - Vanwege het afzonderlijk nemen van deze vijf groepen. - Het is in deze samenhang heel vruchtbaar om de drie vormen waarin begeerte zich uit (verlangen, verwaandheid, visies) hier in detail toe te passen.
*9] Commentaar: De gedachte: 'Door deze ereparasol, dit zwaard, deze wijdingsdienst, ben ik een edelman;' door dit vedische weten deze positie als hofpriester etc. ben ik een brahmaan;' enz.
*10] De monniken gaan gewoonlijk met tweeën op weg. (Geiger, Wilhelm (Übers.). Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 1. Band, München-Neubiberg 1930, p. 294, noot 2)
Navigatie
[0] Berichtenindex
[#] Volgende pagina
Naar de volledige versie