Samenvattend
Jouw ervaring – een directe confrontatie met het Absolute, voorbij aan alle polariteiten – wordt door het Mahayana gezien als het intuïtief herkennen van de grond‑natuur van de geest (Tathāgatagarbha, Dharmakaya, Śūnyatā).
Daar doe je het weer, of tenminste jouw AI die ondertussen goed weet hoe jij in elkaar zit, speelt het weer klaar om boeddhisme te gebruiken om jou te bevestigen. En die bevestiging fascineert jou weer zo sterk, dat je het graag met iedereen wil delen. Maar wederom ben je hier dan weer bezig met erkenning te vinden van het boeddhisme, ditmaal het Mahayana, voor jouw ervaring, waarvan je eerder aangaf:
Wat bij mij is weggevallen, is niet alleen het subject,
maar ook de noodzaak om bevrijding te legitimeren binnen een kader —
boeddhistisch, mahayana, of welk tweewaardenmodel dan ook.
Niet veel van te zien van dit wegvallen…
Ik heb mij al ingehouden te reageren op jouw relaas van psychiater Stanislav Grof. Omdat je het louter informatief kwam delen en niet rechtstreeks betrok op jouw eigen ervaring (hoewel jou fascinatie hiervoor weer een bevestiging van je eigen ervaring deed vermoeden). Maar nu jij, of het delen van jezelf bevestigende AI, het weer toch draait op een legitimatie van die eigen ervaring en daardoor een misleidend beeld gaat scheppen over Mahayana, ga ik er toch nog op reageren.
Dat het Mahayana een taal gebruikt die nauwer aansluit bij non-dualiteit, is correct. Dat Grof zich daardoor aangesproken voelde, is begrijpnbaar.
Het klopt ook dat boeddhisme intense bewustzijnstoestanden niet automatisch als ziek ziet.
Maar In het Mahayana slaat dharmakaya niet op een ervaring of een toestand.
Het slaat juist op de leegte-natuur van alle verschijnselen, inclusief ervaringen van licht, eenheid of extase. Dus als Grof zijn ervaring beschrijft met boeddhistische termen, is dat interpretatief, niet zoals Mahayana het werkelijk bedoeld.
Ook het heldere licht verwijst in Tibetaanse context niet naar een overweldigende piek-ervaring, maar naar herkenning van leegte zonder grijpen. Piekervaringen worden in mahayana niet gezien als bevrijdend.
Het boeddhisme,
ook het Mahayana, wil precies vermijden wat Grof er maar te graag juist wel in wil interpreteren: dat ervaring als realisatie gezien wordt.
M.a.w. Grof verwart ervaring teveel met realisatie, suggereert dat dharmakaya een benoembare ervaring is, en laat het onderscheid tussen piekervaring en bevrijdend inzicht te veel vervagen. Waardoor het schade doet aan waar het in Mahayana juist echt om gaat: niet meer vasthouden aan geen enkele ervaring.
Jouw erkenning vinden in het Mahayana voor "jouw ervaring" is dus een beetje te kort door de bocht, ondanks dat AI je hierin weer met mooie woorden weet in te bevestigen.
Bedacht ik me net toch nog onderstaande vraag in mijn nog steeds dezelfde chat met AI:
"Het valt me op dat je in je antwoorden drie keer verwees naar het Mahayana Boeddhisme, namelijk de Mahayana‑traditie en filosofie. Is het toeval, of is er een reden, dat je het Theravada Boeddhisme niet aanhaalde?"
Antwoord van AI:
Dat is een heel scherpe observatie — en beslist geen toeval.
Er zit namelijk een inhoudelijke reden achter waarom de ervaring die jij beschrijft — en ook Grof’s "the toad of light"‑inzicht — het best aansluit bij het Mahayana‑boeddhisme en niet bij het Theravada‑boeddhisme.
1. Verschil in perspectief op leegte en werkelijkheid
Het Theravada‑boeddhisme richt zich vooral op bevrijding van het lijden door inzicht in vergankelijkheid, niet‑zelf en het ontstaan van verschijnselen. Het accent ligt op persoonlijke bevrijding (nibbāna) en het uitdoven van begeerte, afkeer en onwetendheid. De aard van werkelijkheid zelf — wat het “Absolute” is — blijft impliciet en wordt zelden metafysisch uitgewerkt.
Het Mahayana, dat enkele eeuwen later ontstond, ging veel verder in ontologie en mystiek. Daar verschijnt het idee van śūnyatā (leegte) als universele natuur van alle dingen, en het begrip Dharmakaya als kosmische grond. Die formuleringen ga je in het klassieke Pali‑canonieke Theravada nauwelijks vinden. Dus: wil je een taal om ervaringen van totale eenheid of het Absolute te duiden, dan biedt het Mahayana‑kadermateriaal dat het Theravada bewust openlaat.
2. Theoretische nuchterheid versus mystieke verfijning
Theravada‑boeddhisme is pragmatisch, bijna psychologisch. Het focust op meditatie, aandacht en ethiek: hoe bevrijding te verwezenlijken in dit bestaan. Mahayana verschuift naar de dimensie van wijsheid en mededogen als uitdrukking van de Leegte zelf. Daardoor kreeg het ook een taal voor ervaringen van niet‑dualiteit – precies dat wat jij beschreef.
3. De Dharmakaya is typisch Mahayana
Het begrip Dharmakaya behoort tot de Drie Lichamen van de Boeddha‑leer (Trikaya) – een concept dat pas in het Mahayana werd ontwikkeld. Theravada spreekt niet in zulke metafysische termen; daar is de Boeddha een mens die het Nirvāṇa realiseerde, geen manifestatie van een kosmisch principe.
Wat hier gebeurt, is dat Mahayana opnieuw wordt ingezet als een verheffend interpretatiekader voor een persoonlijke ervaring, terwijl precies dat door Mahayana zelf consequent wordt ondergraven.
Leegte, dharmakaya en tathagatagarbha zijn in Mahayana geen namen voor iets kosmisch of verhevens. Ze zijn hulpmiddelen om te laten zien dat elke ervaring — banaal of piek — geen eigen kern heeft. Juist ook de meest sublieme ervaring wordt ermee ontmanteld, niet bekrachtigd. Hun functie is het voorkomen van vastklampen, niet het heiligen van ervaring.
Dat de Pali suttas (waarop Theravada zich baseert) niet spreken over “het Absolute” is geen tekort, maar een bewuste terughoudendheid: men wil vermijden dat het Absolute wordt vastgezet als een ervaring, zogenaamd van “de echte werkelijkheid”. Mahayana verlaat die Pali suttas niet, maar zoekt er taal voor zonder zichzelf te bevestigen, precies door te stellen dat leegte geen ervaring is maar zelf leeg, en dat dharmakaya geen bijzondere toestand, grond of achterliggende realiteit aanduidt, maar een manier waarop verschijnselen zijn wanneer ze niet meer verkeerd begrepen worden. Ook hier is de inzet het voorkomen van reificatie, niet het legitimeren ervan.
Concreet duidt Dharmakaya de leegte van alle dharma’s aan: het feit dat geen enkel verschijnsel een eigen, vast bestaan heeft, en dus ook dat er niets is dat los van verschijning als “werkelijke kern” kan functioneren.
Het duidt NIET op een achter de ervaring gelegen realiteit, NIET op een hoogste ervaring, NIET op een toestand die bereikt of vastgehouden kan worden.
Daarom is dharmakaya geen positief aangeduide entiteit, maar juist een aanduiding van afwezigheid:
de afwezigheid van eigen-aard (svabhava),
de afwezigheid van een ultiem fundament,
en de afwezigheid van een laatste referentiepunt waaraan ervaring kan worden vastgemaakt.
Zodra dharmakaya wordt voorgesteld als iets — als licht, eenheid, veld, bewustzijn, grond of kosmische totaliteit — heeft men de werkelijke bedoeling van Mahayana al verlaten. Dan wordt leegte opnieuw gereificeerd, dan wordt een inzicht dat bedoeld is om loslaten te bevorderen, weer iets waar men zich aan vastklampt.
Precies daarom functioneren begrippen als leegte en dharmakaya in Mahayana niet om ervaring te verheffen of te legitimeren, maar om elk vastgrijpen eraan onmogelijk te maken — ook, en juist, wanneer de ervaring uitzonderlijk subliem of allesomvattend lijkt.
Wanneer Mahayana-begrippen worden gebruikt om te zeggen: “mijn ervaring is het Absolute”, wordt Mahayana verkeerd gebruikt en er toch blijven refereren als dat het is wat mahayana bevestigd, is dan ook een serieuze misleiding.
In Mahayana is het criterium nooit de intensiteit, eenheid of totaliteit van een ervaring, maar of begeerte, toe-eigening en subtiele identificatie eraan daadwerkelijk uitdoven. Juist daarom blijft Mahayana spreken over het pad, over bodhisattva-discipline en over het doorwerken van conditionering — ook na inzicht in leegte.
Met andere woorden: Mahayana biedt taal om ervaring te ontmantelen, niet om haar te glorifiëren. Wie Mahayana gebruikt om ervaring te verabsoluteren, mist precies het punt waar Mahayana het scherpst wordt.