zie de realiteit onder ogen, wil ook zeggen zie de beperkingen van het menselijk kunnen. Zie de machteloosheid van de mens. Wat valt binnen de mogelijkheden van de mens en wat niet.
De vraag is dan wat ligt vast en wat niet?
Als het gaat over de geest en het zuiveren van de geest gaat het mijns inziens niet over het zuiveren van de mens maar over de geest.
Het wordt wel zo uitgelegd dat de geest van oorsprong helder is, verlangenloos, onaangedaan, onbelast maar inkomende bezoedelingen wekken een andere indruk.
Inkomende bezoedelingen als haat, hebzucht, begoocheling etc. laten het lijken alsof de geest intrinsiek verlangend is, intrinsiek met een besef van een entiteit-Ik die kent, intrinsiek bezitterig, intrinsiek beperkt, intrinsiek in overlevingsmodus. Ik geloof dat de Boeddha het begreep als conditioneringen, maar niet intrinsiek aan de geest.
Inkomende bezoedelingen houden als het ware de natuur van geest verborgen, die onbelast, leeg, verlangenloos, Ik en mijn loos is.
Zoals modder, olie, vet, zout ook de natuur van zuiver water verborgen houdt.
Omdat deze natuur van de gezuiverde geest verborgen blijft wordt een oplossing voor het lijden extern gezocht.
De Begoocheling maakt van ons zoekers naar geluk, veiligheid, bescherming in iets wat zelf ook weer tijdelijk is.
Voor mij staat de Boeddha voor iemand die heeft gerealiseerd dat dit niet de weg is. Men moet de oorzaken van lijden in jezelf zoeken.
Dit kan niet zonder element van vertrouwen. Er op vertrouwen dat stress, belasting, gemis, niet inherent is aan de geest.
De bezoedelde geest heeft de soort visie/wetenschap/perceptie dat het ook niet tevreden kan zijn, heel, niet hongerig, niet aangedaan, zonder gevoel iets te missen en nodig te hebben.
De honger wordt gezien als iets wat intrinsiek is aan de geest. Zo wordt ook over beperkingen gedacht, alsof de geest intrinsiek beperkt is.
Het gevoel, de beleving, de overtuiging dat de geest intrinsiek verwond is, niet heel, en hierdoor ook altijd iets/iemand anders nodig heeft om zich heel te voelen, zie ik als wat Boeddha besprak als de pijl in het hart. Dit jaagt alle wezens verder, dit is wat alle wezens in de kern drijft. De spil van samsara is deze constante beleving van tekort, armoede, gemis. Mentaal altijd maar behoeftig, verlangend. En dus ook altijd zoekend naar iets dat dit wegneemt.
Ik geloof dat de Boeddha de pijl er uit heeft getrokken.
Ik hou zelf erg van de metafoor van het heldere kristal of van de spiegel voor wat geest is.
Een helder kristal kan alles weerspiegelen en elke kleur aannemen maar toch, goed beschouwd, wordt kleur en weerspiegeling nooit intrinsiek aan het kristal. Het kristal blijft helder, ook al lijkt het kleurig. En ook al lijken de weerspiegelingen in het kristal te zitten ook dat is niet echt waar.
Hoewel de zuivere geest/het kristal van alles smetteloos weerspiegelt, de geest blijft onbewogen, onaangedaan want het Ik en mijn maken ontbreekt, en daarmee ook de verkeerde visie, het verkeerde begrip van zaken, dat wat zich ook weerspiegelt ooit echt tot het kristal behoort en er eigen aan is.
Zeer ver gevorderde meditatie meesters hebben een punt bereikt waarbij dit meer is dan woorden op een scherm. Voor mij is het ook vooral nog iets woordelijks maar ik heb er wel vertrouwen in. Maar voor hen is dit levendig, waar geworden. Het is moeilijk voor te stellen wat het bijvoorbeeld echt betekent dat voor de zuivere geest, pijn alleen maar een weerspiegeling is maar niet meer wordt eigen-gemaakt en niet meer wordt beleefd alsof het intrinsiek tot de geest behoort. Maar er zijn meesters die tonen dat je volledig onbewogen kan blijven.
Het punt lijkt te zijn dat de zuivere geest weliswaar zaken kent, maar er niet bij betrokken raakt op een manier zoals een spiegel of kristal ook alles kan weerspiegelen maar niet betrokken raakt.
De weerspiegelingen worden nooit eigengemaakt. Die betrokkenheid komt bij ons door de nog aanwezige bezoedelingen, de 7 anusaya's, de 4 asava's, de 3 tanha's, de kilesa's.
Sommige boeddhisten leren dat een arahant nog gevoelens
heeft, maar dit is volgens mij niet juist. In het door wijsheid gezuiverde hart en geest komen natuurlijk wel gevoelens op maar je kunt niet zeggen dat _ iemand_ die_ nog_ heeft_. In die zin geloof ik ook dat kennen hier niet meer hetzelfde is als voelen.
Maar goed, het zijn natuurlijk allemaal maar woorden zolang we dit niet echt hebben gerealiseerd. Ik hou de moed er in.