De Boeddha leerde volgend de suttas ook dat wezens de erfgenaam zijn van hun kamma en eigenaar van hun kamma. Je kunt je wel niet verantwoordelijk voelen voor je daden maar de Boeddha leert dat dit op geen enkele manier je zal beschermen want de gevolgen van daden gaan niet aan je voorbij (erfgenaam van kamma, AN10.216, AN5.57)
Dit is een onderwerp waartoe de Pali Boeddha aanspoort om vaak bij stil te staan:
- "
Deze edele leerling staat er zo bij stil: ‘Ik ben niet de enige die de eigenaar is van zijn kamma, de erfgenaam van zijn kamma; die kamma als zijn oorsprong/komaf heeft, kamma als zijn familielid heeft, kamma als zijn resort heeft; die de de erfgenaam zal zijn van wat voor kamma, goed of slecht, iemand ook doet. Alle wezens die komen en gaan, die heengaan en wedergeboorte ondergaan, zijn eigenaren van hun kamma, de erfgenamen van hun kamma; allen hebben kamma als hun oorsprong/komaf, kamma als hun familielid, kamma als hun resort; allen zullen de erfgenaam zijn van wat voor kamma, goed of slecht, ze ook doen’. Als hij vaak bij dit thema stilstaat, wordt het pad gegenereerd. Hij volgt dit pad, ontwikkelt het, en cultiveert het. Terwijl hij dat zo doet, wordt van de ketens volledig afstand gedaan en de onderliggende neigingen worden ontworteld. (AN5.57)
Er zijn 3 heilzame en 3 onheilzame wortels waaruit kamma ontstaat (AN3.111).
De
drie onheilzame wortels (hetu) zijn lobha, dosa en moha. Meestal resp. vertaald als hebzucht, haat en begoocheling. Maar haat kan bijvoorbeeld ook irritatie zijn, afkeer. Het hoeft niet altijd zo extreem sterk te zijn zeg maar. Heeft iemand bijvoorbeeld de vrucht van stroom-intrede gerealiseerd dan is er nog altijd lobha en dosa en moha maar het wordt niet meer zo extreem.
De wortels nemen als het ware geleidelijk in kracht af.
Onze activiteiten zijn soms geworteld in lobha, dosa en moha, er op gebaseerd, mee verbonden, ze komen er uit voort als het ware. Zulke activiteiten leiden tot wat onheilzaam is. Op korte termijn mag het lijken alsof hebzucht, haat en begoocheling best voordelig kan zijn, zoals iemand die rijk wordt van oplichtingspraktijken. Maar de Boeddha leert dat dit uiteindelijk tegen iemand zal keren, niet in dit leven dan wel in volgende. Van hebzucht, haat en begoocheling iets niks goeds te verwachten als vrucht van die daden.
De
drie heilzame wortels (hetu) zijn alobha, adosa en amoha. Ik weet niet of dit nu het beste vertaald kan worden als resp. tevredenheid, liefde en begrip (understanding) zoals Sujato doet. Je kunt bij alobha ook denken aan gulheid. Geen vrekkige activiteit maar gulle activiteit. Bodhi kiest om alobha, adosa en amoha te vertalen als non-greed, non-haat, en non-delusion. Ik vind dat het mooist omdat het zo naar meerdere zake kan verwijzen.
Alle 6 wortels zijn een oorzaak, een oorsprong van kamma. Het eerste soort is onverdienstelijk een rijpt als iets onheilzaams en het tweede is verdienstelijk en heeft heilzame gevolgen.
“
Het is niet hebzucht dat uit geen-hebzucht ontstaat; veeleer, het is eenvoudigweg geen-hebzucht dat ontstaat vanuit geen-hebzucht. Het is niet haat dat ontstaat vanuit geen-haat, veeleer, het is eenvoudigweg geen-haat dat ontstaat vanuit geen-haat. Het is niet begoocheling dat ontstaat vanuit geen-begoocheling; veeleer, het is eenvoudigweg geen-begoocheling dat ontstaat vanuit geen-begoocheling.
“Het is niet de hel, het dierenrijk en de sfeer van gekwelde geesten- of enig andere slechte bestemming- die worden gezien vanwege kamma geboren vanuit geen-hebzucht, geen-haat en geen-begoocheling; veeleer, het is [het rijk] van deva’s en mensen- als ook andere goede bestemmingen- die worden gezien vanwege kamma geboren uit geen-hebzucht, geen-haat en geen-begoocheling"
Dus ook wat wortelt in, gebaseerd is op, voortkomt uit, verbonden is met de verdienstelijke wortels van geen-hebzucht, geen-haat, geen-begoocheling zijn karmische beladen activiteiten met karmische gevolgen zoals relatieve voorspoed in dit leven en na de dood.
Ook interessant vond ik:
“
Van ieder kamma, bhikkhu’s, gevormd door geen-hebzucht, geen-haat, geen-begoocheling, geboren vanuit geen-hebzucht, geen haat, geen begoocheling, veroorzaakt door geen-hebzucht, geen haat, geen-begoocheling, ontstaan vanuit geen-hebzucht, geen-haat, geen begoocheling, wordt afstand gedaan wanneer hebzucht, haat en begoocheling verdwenen is; het bij de wortel afgesneden is, is gemaakt tot de stomp van een palmboom, is uitgewist zodat het in de toekomst niet meer kan ontstaan" (AN3.34)
Ik lees dit zo: Als hebzucht, haat en begoocheling is verdwenen, is alle begeerte verdwenen, en daarmee worden ook de 3 heilzame wortels afgesneden, er uit getrokken.
Ik geloof dat je kunt zeggen dat deze 6 wortels refereren aan onheilzame en heilzame conditioneringen bij ons. Het zijn die condities die vaak regeren maar ook kunnen eindigen.
Boeddha leert mijns inziens niet dat verdienste,- dat wat wortelt in geen-hebzucht, geen haat en gaat-begoocheling , -op zichzelf bevrijdt, maar je hoeft ook niet bang te zijn dat het ketent, of dat verdienste tegen je kan werken om de bovenstaande reden dat als door wijsheid alle begeerte verdwijnt, dan verdwijnen ook de karmisch heilzame wortels. De arahant en Boeddha wordt ook beschreven als:
One whose mind is not festering,
whose heart is undamaged,
who’s given up right and wrong,
alert, has nothing to fear. (dhp39)
But one living a spiritual life,
who has banished both merit and evil,
who wanders having appraised the world,
is said to be a mendicant (dhp267)
Maar je moet nooit bang zijn voor verdienste en nooit verzaken om verdienstelijke dingen te doen leren de sutta's ook want het zal jou en anderen in dit leven en volgende goed doen.
En als je wijsheid meer en meer ontwikkelt, zal je voorbij verdienste en onverdienste gaan. Althans zo begrijp ik het.
Alle karmische activiteit of dat nu verdienstelijk is of onverdienstelijk heeft begeerte en onwetendheid als basis, als conditie.
“
Bhikkhus, if a person immersed in ignorance generates a meritorious volitional formation, consciousness fares on to the meritorious; if he generates a demeritorious volitional formation, consciousness fares on to the demeritorious; if he generates an imperturbable volitional formation, consciousness fares on to the imperturbable. But when a bhikkhu has abandoned ignorance and aroused true knowledge, then, with the fading away of ignorance and the arising of true knowledge, he does not generate a meritorious volitional formation, or a demeritorious volitional formation, or an imperturbable volitional formation. Since he does not generate or fashion volitional formations, he does not cling to anything in the world. Not clinging, he is not agitated. Not being agitated, he personally attains Nibbāna. He understands: ‘Destroyed is birth, the holy life has been lived, what had to be done has been done, there is no more for this state of being.’ (SN12.51)
Ik lees het zo: Je kunt dus niet zeggen dat verdienstelijk gedrag zoals gul zijn en graag delen, anderen willen helpen, willen zorgen voor anderen, een inclinatie om kwetsbaren bij te staan etc etc. niet wortelt in onwetendheid en niet evengoed een vorm van begeerte is. Sommige mensen hebben nou eenmaal dat soort mooie en verdienstelijke geneigdheden/inclinaties. Maar dit betekent niet dat die geneigdheden niet evengoed gebaseerd zijn op onwetendheid en begeerte. Toch is het iets heel moois natuurlijk. Dhammapada zegt het zo:
If you do something good,
do it again and again,
set your heart on it,
for piling up goodness is joyful
.
(dhp118)
Verdienste zal ook de groei van wijsheid ondersteunen omdat de geest stabiliseert en met minder spijt en berouw en meer vreugde is ie minder zoekende en beter te gebruiken is. Het is niet zo dat de Pali Boeddha leert dat als je met bijbedoeling goed doet, bijvoorbeeld een monnik iets geeft met de verwachting dat je nu wellicht een goede naam krijgt als gul persoon of in een hemel komt, dit immoreel is. Het is niet zuiver maar ook niet immoreel. Het is geen wangedrag. Er zijn wel richtingen die zo streng zijn dat ze alleen doen-om-niet acceptabel vinden, maar het idee dat je zoiets kan beoefenen is waanzin, vind ik.
Ik denk dat met de 6 wortels de Boeddha beschrijft wat je
aanleg kan noemen, gedragspatronen. Dat wat uit onze aanleg komt, wat bij ons is, conditioneringen. Begeerte-gedreven, inclinatie, neiging. Er zit een soort kracht in en achter. Met de ontworteling van de 6 wortels, verdwijnt zulke gedrag volgens mij. Ons gedrag wortelt niet meer in onze aanleg, wat aan bagage bij ons is. Het is niet meer karmisch actief, niet langer beladen met een element van begeerte en onwetendheid. Er zit geen kracht meer achter. Passieloos.
Maar dat ons gedrag nu op een soort magische manier tot stand komt lijkt me niet zo. Nog altijd heersen oorzaken en condities, volgens mij. Bijvoorbeeld: Kun je je voorstellen dat iemand met breinschade zich altijd hetzelfde blijft gedragen? Speelt het brein, de zenuwen, geen enkele rol meer in het gedrag van een verlichte persoon?